Cordon sanitaire of “besmetting”? Een onderzoek naar de invloed van regeringsdeelname op rechts-populistische en extreem-rechtse partijen. (Ellen Van Den Block)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Rechts‑extremisme is geen nieuw fenomeen in het West‑Europa van na de Tweede Wereldoorlog. Geruime tijd na deze oorlog bleef de steun voor extreem‑rechtse partijen, echter, steeds laag. Deze partijen bleven grotendeels uit de politieke arena, als ze al bestonden.[1] Sinds omstreeks het midden, maar vooral tegen het einde van de jaren’80 kwam de electorale doorbraak voor dit soort partijen. Het gaat om een extreem‑rechts dat populariteit nastreeft en beweert de woordvoerder te zijn van de gewone man in de straat. Dit populistisch extreem‑rechts speelt het volk uit tegen een zogenaamd corrupte politieke klasse. Hiertoe simplificeren ze de complexe hedendaagse maatschappij en gebruiken ze vooroordelen, stereotypen, onzekerheden, angsten en frustraties.[2]

Tot op heden is er vooral onderzoek gebeurd naar het ontstaan van deze partijen, naar hun electoraat en naar de redenen waarom het electoraat voor deze partijen kiest. Comparatief onderzoek is ondervertegenwoordigd en er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar de gevolgen die rechts‑populistische of extreem‑rechtse partijen op de samenleving hebben.

Er zijn echter gronden om aan te nemen dat deze opkomst betekenisvolle indirecte gevolgen heeft. Hoe groter de aanwezigheid van antisysteem partijen is, hoe groter de noodzaak wordt om met alle niet extreme partijen van het politieke spectrum samen te werken als men een pro-systeem meerderheidsregering wil vormen.[3] En zelfs zonder directe participatie in de nationale regering kunnen deze partijen een grote invloed uitoefenen op de conventionele politieke agenda.[4]

In West‑Europa is men deze partijen, door de vrees voor de gevolgen van extreem‑rechts , als paria’s gaan beschouwen. De oplossing van de politieke klasse was in vele gevallen een cordon sanitaire . Dit is een afspraak van de andere politieke partijen om niet samen te werken met de partijen die als extreem‑rechts beschouwd worden. Door zo een cordon sanitaire komen de betreffende partijen in een permanente oppositie terecht.[5] De centrale vraag in dit onderzoek is dan ook wat nu precies de invloed is van regeringsdeelname op rechts‑populistische en extreem‑rechtse partijen. We vragen ons ten eerste af of het effectief zo is dat zulke partijen gevaarlijk zijn voor de democratie met andere woorden of ze zich, eens ze erbij horen, gewoon aan de heersende klasse aanpassen of niet. Een tweede vraag die we ons stellen is of de vrees dat dit soort partijen steeds meer stemmen zal krijgen klopt of dat ze na regeringsdeelname simpelweg afgestraft worden door het electoraat.

Hiertoe zullen de verkiezingsuitslagen en de wijzingen in de verkiezingsprogramma ’s, van het Front National (FN), de Freiheitlichen Partei Österreichs (FPÖ) en de Lijst Pim Fortuyn (LPF), voor en na hun regeringsdeelname aan de plaatselijke gemeentebesturen in Frankrijk en de nationale regeringen in Oostenrijk en Nederland onderzocht worden.

We vangen aan met een theoretisch hoofdstuk waarin we alles in een theoretisch kader plaatsen en waarin de gebruikte werkwijzen uiteen gezet worden. Het onderzoek van de verkiezingsprogramma ’s zal gebeuren aan de hand van een inhoudsanalyse op basis van het codeboek van Budge, Klingemann, Volkens en Fording voor het coderen van partijprogramma’s. Voor het verkiezingsonderzoek zullen we ons baseren op de werkwijze die William Fraeys voor de Belgische verkiezingen gebruikt in zijn bijdragen in Res Publica.

Vervolgens zal de geschiedenis van de drie partijen het FN , de FPÖ en de LPF geschetst worden. Dit vooral om een globaal beeld te krijgen en om duidelijk te maken dat er wel degelijk verschillen zijn tussen de betrokken landen.

Daarna worden de verkiezingsprogramma ’s en de verkiezingsresultaten vergeleken. Voor Frankrijk zullen de verkiezingsprogramma’s en lokale verkiezingen van 1995 en 2001 bestudeerd worden in de steden Toulon , Orange , Marignane en Vitrolles . Deze laatste stad is een buitenbeentje, gezien het FN er pas in 1997 aan de macht kwam. We nemen de stad desondanks toch op in ons onderzoek, maar moeten ons bewust zijn van het verschil in termijn met de andere drie Franse steden. Voor Nederland zullen de gegevens van mei 2002 en januari 2003 op nationaal vlak gebruikt worden en voor Oostenrijk de gegevens van oktober 1999 en november 2002 eveneens op nationaal vlak. Verder zal uitgelegd worden waarom Karinthië zo een speciaal geval is en waarom men de resultaten die de partij daar haalt niet mag veralgemenen naar de rest van het land, we zullen de deelstaat met de nodige oplettendheid wel opnemen in ons onderzoek.

In een voorlaatste hoofdstuk zullen de analyses van de alternatieve variabelen , land per land, met elkaar vergeleken worden. Deze alternatieve variabelen zijn: economische toestand , immigratie , ontevredenheid met het politiek systeem en disproportionaliteit van het electoraal systeem .

Tenslotte zullen de resultaten van de verkiezingsprogramma -analyses , de verkiezingsanalyses en de analyses van de andere variabelen naast elkaar gelegd worden en zullen we trachten er voor de verschillende landen een lijn in te trekken. We hopen in dit hoofdstuk tot enkele significante conclusies te komen wanneer we onze hypothesen aan de bekomen resultaten zullen toetsen.

 

 

Hoofdstuk 1. Theoretische kadering

 

In dit eerste hoofdstuk wordt het algemene kader van ons onderzoek gegeven. Het is hier dat we onze theoretische concepten schetsen en schematisch voorstellen. Aan de hand van deze theoretische concepten zullen verschillende werkhypothesen naar voren geschoven worden en gaan we over tot de operationalisering van deze concepten. Als laatste zullen we de werkwijzen, die we in het verdere verloop van ons onderzoek zullen hanteren, schetsen.

 

 

§ 1. Theoretische concepten

 

Dit eerste deel bestaat uit een definiëring van de variabelen die we in dit onderzoek zullen gebruiken. In dit onderzoek zijn we, zoals eerder vermeld, geïnteresseerd in de invloed van regeringsdeelname op rechts‑populistische en extreem‑rechtse partijen. Om het onderzoek tot een goed einde te brengen is het van groot belang dat we de belangrijkste concepten op dezelfde manier interpreteren. We zullen aanvangen met de definiëring van de afhankelijke variabelen en daarna zullen we overgaan tot het definiëren van de onafhankelijke variabelen .

 

A. Afhankelijke variabelen

 

De afhankelijke variabelen vormen de basis van ons onderzoek Een goed begrip van deze variabelen is dus cruciaal. Om dit te bekomen zal achtereenvolgens duidelijk gemaakt worden wat verstaan wordt onder partijen, extreem‑rechts en rechts‑populistisch . Wat de laatste twee concepten betreft, zal eerst ingegaan worden op de literatuur daaromtrent en pas daarna zullen de concepten in het kader van dit onderzoek gedefinieerd worden.

 

a) Partijen

 

Volgens Stouthuysen is het concept partijen relatief makkelijk te definiëren . Het moet, volgens hem, gaan om politieke formaties die deelnemen aan de verkiezingen vooropstellen als hun doel.[6] Voor Witte is het echter wel een complex begrip dat moeilijk definieerbaar is. Ze stelt dat de auteurs het enkel eens zijn over twee basiscomponenten van de politieke partij. Ten eerste is er een ideologische component. De partij is een vereniging waarbij men zich op vrijwillige basis aansluit. De leden delen meestal ongeveer dezelfde politieke denkbeelden en staan hun individueel participatierecht af opdat de partij een coherent beleid zou kunnen voeren. Ten tweede is er de machtscomponent. Elke partij wil politieke macht verkrijgen binnen de instelling om op die manier te kunnen wegen op de besluitvorming.[7] De definitie van partij die wij vooropstellen is: een partij is een politieke vereniging met een eigen ideologie, die deelnemen aan de verkiezingen als haar doel voorop stelt.

 

b) Extreem‑rechts

 

Er is een gebrek aan een algemeen aanvaarde definitie voor extreem‑rechts . Dit is voor een deel veroorzaakt doordat de term niet alleen voor wetenschappelijke, maar ook voor politieke doeleinden gebruikt wordt. Dat de term extreem‑rechts voornamelijk gereserveerd is voor een bepaalde vorm van ideologie, is algemeen aanvaard binnen het veld. Wat deze ideologie inhoudt is echter onderwerp van uitvoerig wetenschappelijk debat.[8]

Verschillende factoren maken het moeilijk om rechts‑extremisme te definiëren . Ten eerste ontbreekt het aan een logisch en samenhangend geheel van grondbeginselen waarover de meeste andere ideologieën wel beschikken. Tot dit gedachtegoed behoren namelijk zaken die ook in de andere ideologische families terug te vinden zijn. Daarbovenop komt nog dat dit soort partijen hun basisbeginselen vaak aanpassen naargelang de situatie waarmee ze te maken krijgen. Deze overlappingen en dit pragmatisme bemoeilijken de afbakening van de kernideeën van extreem‑rechts aanzienlijk.

Ten tweede beantwoordt het etiket extreem‑rechts meestal niet aan het zelfbeeld van de personen die dit soort partijen en groeperingen steunen. De linksrechts-as is er zelfs heel moeilijk hanteerbaar. Leden van zo een partij weigeren vaak zich op een linksrechts-as te situeren en daarenboven profileren ze zich vaak sterk op linkse thema’s.

Ten derde is het per essentie een vaag en arbitrair begrip. Hoe men een partij inschat, hangt namelijk voor een groot deel samen met de persoonlijke ideeën van de persoon die de inschatting maakt. Wat men als extreem beschouwt kan variëren van persoon tot persoon en is in die zin dus subjectief. Een objectieve definitie zou hier soelaas kunnen brengen, maar tot op heden is men hierover nog niet tot eensgezindheid kunnen komen. Hoewel ieder het begrip grondig probeert te definiëren blijft de subjectieve inschatting eerder de regel dan de uitzondering.[9] Volgens Von Beyme vormt deze subjectieve inschatting van de definitie van extreem‑rechts geen groot obstakel voor het onderzoek ernaar, gezien er wel een vrij grote eensgezindheid bestaat over de geschikte cases.[10]

De definities van het extreem‑rechtse fenomeen kunnen grosso modo in drie groepen opgedeeld worden. Een eerste groep definities zijn deze die opsommend zijn. Macridis omschrijft rechts‑extremisme als “ideology (that) revolves around the same old staples: racism, xenophobia, and nationalism”. Falter en Schumann gebruiken niet minder dan 10criteria, namelijk “extreme‑nationalism, ethnocentrism, anti‑communism, anti-parliamentarism, anti‑pluralism, militarism, law‑and‑order thinking, a demand for a strong political leader and/or executive, anti‑Americanism and cultural pessimism”.[11] Husbands, op zijn beurt, spreekt over “a collective noun of a group of (already known) parties that share a particular commitment to some sort of ethnic exclusionism – a hostility to foreigners, immigrants, Third World asylum seekers, and similar out groups – as well as aggressive nationalism or localism”.[12]

Een tweede groep definities gebruiken niet de kenmerken van extreem‑rechts , maar hun positie op de linksrechts-as als referentiepunt. De definitie van Backes en Jesse die als volgt gaat “a collective term for anti-democratic dispositions and attempt, that are traditionally positioned at the extreme right of the left‑right spectre” is daar een goed voorbeeld van.[13] De definitie van Jackman en Volpert is een combinatie van opsommende elementen en een gebruik van de linksrechts-as: ”by the term extreme right, we refer to parties located at the right tail of left-right political orientations whose electoral policy programmes also indicate that they are either (neo)-fascist or anti‑system. While the populist and nationalist appeals of these parties vary slightly from one setting to another, they typically involve xenophobic stances that focus on immigrants and foreign workers, especially those not of European descent”.[14]

Een laatste groep definities zijn deze die erg breed geformuleerd worden. Voerman en Lucardie omschrijven rechts‑extremisme als “ideologische oppositie tegen het politieke systeem”.[15] Een gevaar bij dit soort definities is natuurlijk dat ze te breed kunnen zijn en daardoor zo alomvattend worden dat ze veel verder gaan dan alleen de definiëring van het extreem‑rechtse fenomeen. De definitie van Voerman en Lucardie kan immers even goed gebruikt worden om extreem‑linkse partijen te definiëren. Dit soort definities is dan ook zeldzaam.

Definities over extreem‑rechts veranderen vaak in boodschappenlijstjes. Mudde is op zijn zoektocht naar definities voor extreem‑rechts 26verschillende definities tegengekomen waarin niet minder dan 58 verschillende kenmerken minimaal een keer vernoemd werden. Slechts vijf criteria werden door minstens de helft van de auteurs vernoemd namelijk: nationalisme, racisme , xenofobie, antidemocratie en een sterke staat.[16] Perrineau oordeelt dat de meest voorkomende kenmerken nationalisme (al dan niet extreem), racisme/etnocentrisme, anticommunisme, de gedachte van law‑and‑order, antipluralisme en vijandigheid ten aanzien van de democratie zijn. Dekenmerken die extra worden toegevoegd, staan volgens hem in relatie tot de vorige of zijn erg specifiek.[17] Eatwell somt dan weer vier karakteristieken, als meest voorkomend in definities over extreem‑rechts, op. Deze zijn vijandigheid tegenover de democratie, racisme, steun voor de sterke staat en nationalisme.[18]

Met de drie groepen van definities zijn er problemen. Opsommende definities kunnen veel te specifiek worden, brede definities lopen vaak hun voorop gesteld onderwerp voorbij en definities volgens de linksrechts-as gaan ervan uit dat extreem‑rechtse partijen automatisch ook aan het uiteinde van de rechterkant van de linksrechts-as liggen, wat niet steeds het geval is. We zullen dus een compromis tussen de drie definities moeten zoeken.

 

c) Rechts-populistisch

 

Veel auteurs hebben problemen met de term extremisme en hebben die dan, meestal zonder veel succes en met de nodige problemen, proberen vervangen door varianten ervan zoals fundamentalisme, conservatisme, nationalisme, fascisme.[19] In de jaren negentig kwam de term populisme op de voorgrond. Men gebruikte deze term vooral om een specifieke vorm van politiek te beschrijven in plaats van een specifieke ideologie. Populisme wordt op twee manieren gebruikt. Ten eerste om een onderscheid te maken tussen de eerder gematigde partijen van extreem‑rechts en de eerder extreme. Ten tweede om een bepaalde politieke vorm, die door extreem‑rechts gebruikt wordt, te beschrijven.[20]

Wij zullen in dit werk de term populisme op de eerste manier gebruiken. Aangezien de eerste vergelijkende studies aangetoond hebben dat de meeste definities van extreem‑rechts te veeleisend zijn en dat zelfs basiskenmerken zoals racisme en een afkeer van de democratie, afwezig zijn in de ideologie van verschillende van de partijen, stelt Mudde voor om eerst het object zelf te bestuderen en het dan te definiëren.[21] Om dit niet te hoeven doen heb ik voor mijn verhandeling bewust gekozen om zowel over rechts‑populistische als over extreem‑rechtse partijen te spreken. Op die manier ben ik niet verplicht de partijen die ik onderzoek in een welbepaald hokje te duwen en kan ik proberen het extreem‑rechtse en het rechts‑populistische fenomeen zo duidelijk mogelijk te definiëren. Door de twee termen te gebruiken verbreed ik als het ware het gebied dat ik onderzoek.

Wat de meeste populistische bewegingen karakteriseert is dat hun oproepen niet speciaal programmatisch, coherent of consistent zijn, maar dat ze alles omvattend willen zijn. Een van de belangrijkste kenmerken van het populisme is dat het niet in de conventionele bepalingen van het links‑centrum‑rechts politieke spectrum past. Het centrale kenmerk van populisme, vooral in West‑Europa, blijft vijandigheid tegenover immigranten meer dan een uitdaging ten aanzien van de arm-rijk relaties die door het kapitalisme veroorzaakt zijn.

“Populisme verwerpt de grondbeginselen waarop een leefbare democratie steunt: pluralisme, vrijheid en rechtvaardigheid”[22], stelt Verbeeck in zijn definitie van het fenomeen. Berins‑Collier en Collier definiëren populisme dan weer als “A political movement characterised by mass support from the urban working class and/or peasantry; a strong element of mobilisation from above; a central role of leadership from the middle sector or elite, typically of a personalistic and/or charismatic character; and an anti‑status quo nationalist ideology and program”.[23] Voor onze opvatting van populisme voldoet geen van beide definities. Wat Verbeeck als definitie gebruikt voor het fenomeen beschouwen wij juist als het verschilpunt tussen extreem‑rechts en rechts‑populisme en de definitie van Berins‑Collier en Collier is te specifiek en kan eventueel ook voor extreem‑rechtse partijen gebruikt worden.

 

d) Definitie van extreem-rechts en rechts-populistisch

 

Een definitie van extreem‑rechts moet uit twee delen bestaan: ten eerste een serie karakteristieken die aantonen dat we met extremisme te maken hebben en ten tweede een karakteristiek die aantoont dat wat we onderzoeken rechts is en dus met andere woorden de fundamentele gelijkheid van de mens verwerpt.[24] Hierop voortgaand denk ik dat we ons voor een definitie van extreem‑rechts het best baseren op een aangepaste versie van de definitie van Jackman en Volpert. Met de term extreem‑rechts verwijzen we naar partijen die vijandig staan ten opzichte van de democratie. Ondanks de verschillen in de nationalistische oproepen van deze partijen houden ze er allen racistische overtuigingen op na.

Op deze manier zijn de drie meest voorkomende kenmerken uit definities van extreem‑rechts , namelijk vijandigheid ten opzichte van de democratie, nationalisme en racisme , in onze definitie vervat. In deze definitie wordt niet meer verwezen naar een eventuele positionering op de linksrechts-as omdat dit in het verleden reeds problematisch geweest is.

In onze definitie zitten zoals voorgeschreven elementen die verwijzen naar het extreme karakter, namelijk vijandigheid ten opzichte van de democratie en nationalisme, en een element dat refereert naar het rechtse karakter, namelijk racisme wat duidelijk inhoudt dat de gelijkheid van de mensen niet gerespecteerd wordt.

Rechts‑populisten verschillen van rechts‑extremisten, doordat de eersten niet vijandig staan ten opzichte van de democratie. Voor onze definitie van rechts‑populisme kunnen we dus een aangepaste versie van onze definitie van rechts‑extremisme gebruiken. Met de term rechts‑populistisch verwijzen we naar partijen die, ondanks hun verschillen in nationalistische oproepen er allen racistische overtuigingen op nahouden.

De term racisme , die in beide definities voorkomt, verdient nog een verdere uitwerking aangezien er grote begripsverwarring bestaat met betrekking tot deze term. Er bestaat een groot aantal definities voor racisme. Men spreekt onder andere over alledaags en collectief racisme, institutioneel racisme en ideologisch racisme. Daarnaast hanteert men termen als etnocentrisme en xenofobie die ongeveer hetzelfde verschijnsel beschrijven.[25] De Witte, Elchardus, Kavadias en Pelleriaux maken een onderscheid tussen attitudes en gedragingen. Wij zullen het verder hebben over racistische attitudes aangezien we racisme in dit onderzoek gebruiken om een extreem-rechtse ideologie te bepalen. De genoemde auteurs zien drie soorten racisme binnen de racistische denkbeelden. Namelijk het biologisch racisme, het cultureel racisme en het alledaagse racisme.[26]

Biologisch racisme houdt in dat men “ongunstige kenmerken, die men bij vreemdelingen meent te zien, toeschrijft aan (erfelijke) biologische verschillen tussen volkeren”[27]. Het is bij dit biologisch racisme dat we uitspraken zullen terug vinden over de superioriteit van een ras boven het andere. Fennema spreekt over oud racisme dat gebaseerd is op een hiërarchie tussen rassen. Dit oud, of biologisch, racisme zou gegroeid zijn uit de koloniale periode en zou mikken op ondergeschiktheid en minderwaardigheid.[28]

Bij cultureel racisme gaat het erom dat “volkeren de drager zijn van sterk onderscheiden culturen, die elkaar uitsluiten”[29]. Fennema spreekt hier over het nieuwe racisme, dit racisme stelt dat cultuur aangeboren is en dus niet veranderd kan worden. We kunnen bij cultureel racisme dus spreken over quasi-biologische kenmerken. Dit racisme gaat ervan uit dat sommige culturen niet samen gaan en is gericht op verdrijving en verbanning.[30]

Het alledaagse racisme omvat een geheel van negatieve houdingen ten aanzien van vreemdelingen. “Centraal in deze afwijzende houding staat de idee dat vreemdelingen er te afwijkende gewoonten op nahouden op cultureel vlak, of concurrenten zijn op economisch vlak”[31].

Bij extreem-rechtse en rechts-populistische partijen worden mijns inziens deze drie vormen van racisme , in mindere of meerdere mate, gebruikt. We baseren ons voor onze definitie van racisme dan ook op bovenstaande typologie van De Witte, Elchardus, Kavadias en Pelleriaux. Onder racisme verstaan we alle negatieve houdingen en alle uitingen van ongelijkheid of minderwaardigheid ten aanzien van de allochtone bevolking die gebaseerd zijn op of veroorzaakt door biologische of quasi-biologische kenmerken.

Uit voorgaande kunnen we concluderen dat extreem-rechtse en rechts-populistische partijen van elkaar verschillen in hun positie ten opzichte van de democratie. Extreem-rechtse partijen staan daar vijandig tegenover en rechts-populistische partijen niet. Voor het overige komen de kenmerken van beide soorten partijen volgens onze definitie volledig overeen.

 

B. Onafhankelijke variabelen

 

Nu we de afhankelijke variabelen hebben gedefinieerd kunnen we overgaan tot de definiëring van de onafhankelijke variabelen . Regeringsdeelname is hier voor ons de belangrijkste variabele. We moeten er echter rekening mee houden dat ook andere variabelen een invloed kunnen hebben op de steun voor rechts‑populistische of extreem‑rechtse partijen. In West‑Europa zijn de basisdeterminanten voor steun aan extreem‑rechtse en rechts‑populistische partijen: veranderingen in de economische toestand , immigratie en steun voor het politiek systeem.[32] Daarnaast zullen we ook de variabele disproportionaliteitvan het politiek systeem opnemen.[33] In dit onderzoek gaan we er eveneens van uit dat veranderingen in deze variabelen ook veranderingen in het partijprogramma teweeg zullen brengen.

 

a) Regeringsdeelname

 

Regeringsdeelname wordt gedefinieerd als het behoren tot de coalitie die het land leidt. Concreet betekent dit dat de partij vertegenwoordigd moet zijn in de uitvoerende macht. Meer zelfs, ze moeten deelnemen aan het ‘leiden’ van het land. In de oppositie zitten volstaat hier niet. Om te weten of aan deze voorwaarde voldaan is, volstaat het dus te kijken of de partij in de regeringscoalitie vertegenwoordigd is en over een of meerdere ministerportefeuilles beschikt.

 

b) Economische toestand

 

Veelvuldig onderzoek heeft aangetoond dat de economische toestand het stemgedrag van het electoraat beïnvloedt. Kiezers hebben een voorkeur voor stabiele prijzen en een lage werkloosheidsgraad. Indien dit het geval is, zal de uittredende partij of kandidaat beloond worden. Indien dit niet het geval is, kan het zijn dat de kiezer zijn ontevredenheid uit door op een andere partij te stemmen. Dit kan eventueel een rechts‑populistische of een extreem‑rechtse zijn.[34]

c) Immigratie

 

Wanneer de economische toestand achteruit gaat hoeven de kiezers dit niet noodzakelijk aan de aftredende partij te verwijten. Ze kunnen bijvoorbeeld ook een gemarginaliseerde sociale groep verantwoordelijk achten. Een goed voorbeeld hiervan zijn de niet-westerse immigranten. Daarbij komt nog dat de opkomst van rechts‑populistische en extreem‑rechtse partijen in Europa sterk in verband staat met de demografische veranderingen die er door de immigratie gekomen zijn.[35]

d) Ontevredenheid over het politiek systeem

 

Een stem voor rechts‑populistische of extreem‑rechtse partijen wordt vaak gezien als een proteststem. De meeste gematigde partijen hebben zich in de loop van de laatste jaren getransformeerd tot catch‑all partijen. Hierdoor bleven vele, niet modale, kiezers, in de kou staan. Daarenboven kwamen er steeds meer politieke schandalen en socio-economische problemen waardoor het vertrouwen in de dominante partijen bij de kiezer geschaad werd. Verschillende onderzoekers kwamen tot de conclusie dat rechts-populistische en extreem‑rechtse partijen ontevreden en vervreemde kiezers aantrekken.[36]

e) Disproportionaliteit van het electoraal systeem

 

In plaats van het electoraal syteem als variabele op te nemen kiezen wij hier uitdrukkelijk voor de opname van de variabele disproportionaliteit van het electoraal systeem . De variabele electoraal systeem is namelijk reeds geruime tijd onderwerp van debat. Duverger stelde dat niet-proportionele electorale systemen neigen naar een tweepartijsysteem en dat electorale systemen met proportionele representatie neigen naar een meerpartijsysteem.[37] De vermenigvuldigende tendens, die hij aan proportionele representatie toewees, zou niet zo zeer veroorzaakt worden door de splitsing van oude partijen, maar door de creatie van nieuwe, vooral kleine partijen.[38] Indien we deze redenering zouden volgen, moeten we de variabele electoraal systeem in ons theoretisch kader opnemen. Kleine partijen, waaronder extreem-rechtse en rechts-populistische , zouden dan immers makkelijker vertegenwoordigd worden in een proportioneel dan in een niet-proportioneel systeem.

We volgen deze redenering echter niet aangezien verscheidene auteurs, die Duvergers wetten gecontroleerd hebben, argumenten aanvoeren tegen de causale relatie tussen het electoraal systeem en het aantal partijen. Lakeman stelt vast dat in Europese landen die overgaan naar een proportioneel systeem slechts een kleine verhoging van het aantal partijen waar te nemen is.[39] Shamir stelt zich dan weer vragen bij het tellen van het ruwe aantal partijen om de vermenigvuldiging waar te nemen. Hij prefereert met de fragmentatie van het partijsysteem te werken. Zijn constatatie is dat de invoering van proportionele representatie het aantal partijen soms doet stijgen, maar dat het de fragmentatie van het systeem niet beïnvloedt. [40] Sartori, op zijn beurt, vind het meer aangewezen om alleen rekening te houden met het aantal relevante partijen. Dat zouden partijen zijn die ofwel coalitie- ofwel chantage-potentieel hebben.[41] Hij concludeert dat het verschijnen van nieuwe, relevante partijen geen oorzaak is van proportionele representatie, maar een indirect effect doordat vooraf bestaande obstakels erdoor weggenomen werden.[42] Ook Parodi komt tot die vaststelling.[43] Het vermenigvuldigend effect van proportionele representatie zou dan ten hoogste een indirect effect zijn en dus zeer onzeker. [44]

De dichotomische redenering van meerderheidssysteem versus proportioneel systeem is vrij simplistisch. Wij leunen dan ook meer aan bij de redenering van Taagepera en Shugart die stellen dat er een continue relatie is tussen het electoraal systeem en het partijsysteem. Volgens hen zou het aantal partijen dan ook stijgen naarmate de disproportionaliteit in een electoraal systeem daalt.[45] Deze stelling moet in het licht van ons onderzoek vernauwd worden aangezien Sartori stelt dat electorale systemen een dubbel effect hebben, namelijk een op de kiezer en een op het aantal partijen.[46] We kunnen dus stellen dat de disproportionaliteit van het electoraal systeem een invloed kan hebben op de kiezer en op het aantal partijen. We zullen ons toeleggen op het onderzoeken van deze eerste piste, aangezien van de tweede grotendeels bewezen is dat het over een indirect effect gaat.[47] Schematisch wordt dit voorgesteld zoals in het theoretisch kader op de volgende pagina.

We hebben hier dus te maken met vijf onafhankelijke variabelen die een invloed kunnen hebben op de hoeveelheid stemmen die extreem-rechtse en rechts-populistische partijen behalen tijdens een verkiezing . Daarnaast kunnen deze vijf variabelen ook een invloed uitoefenen op het aantal extreem-rechtse of rechts-populistische kenmerken in de verkiezingsprogramma ’s van de betreffende partijen.

 

Figuur 1: Theoretisch kader

 

 

§ 2. Werkhypothesen

 

Analoog met onze probleemstelling stellen we twee hypothesen op. Ten eerste gaan we ervan uit dat extreem‑rechtse en rechts‑populistische partijen zich zullen aanpassen aan de andere partijen eens ze in de coalitie zitten. Ze zullen compromissen moeten sluiten en kunnen zich dus niet even radicaal opstellen dan wanneer ze in de oppositie zouden zitten.

Hypothese 1: De verkiezingsprogramma ’s van rechts‑populistische en extreem‑rechtse partijen zullen na hun regeringsdeelname afgezwakt zijn. We zullen er met andere woorden minder extreem-rechtse en rechts-populistische kenmerken in terugvinden dan in de programma’s van voor hun regeringsdeelname.

Ten tweede gaan we ervan uit dat het electoraat deze partijen zal afstraffen omdat ze zullen merken dat de partijen in de coalitie niet kunnen uitvoeren wat ze beloofd hadden of omdat ze zien dat een proteststem op die partijen toch geen zin meer heeft.

Hypothese 2: Rechts‑populistische en extreem‑rechtse partijen zullen na hun regeringsdeelname electoraal verzwakt zijn. Er zullen met andere woorden minder mensen voor hen stemmen.

Ook voor de bijkomende variabelen hebben we hypothesen opgesteld. Zowel voor de economische toestand , de stijgende immigratie , de electorale ontevredenheid als de disproportionaliteit van het politiek systeem zullen we immers een verandering verwachten in de steun aan rechts-populistische en extreem-rechtse partijen en de hoeveelheid rechts-populistische en extreem-rechtse kenmerken in hun verkiezingsprogramma ’s.

Hypothese 3: Wanneer de economische toestand verslechtert, zal het electoraat meer geneigd zijn om voor rechts‑populistische of extreem‑rechtse partijen te stemmen en zullen er meer rechts-populistische of extreem-rechtse kenmerken in de verkiezingsprogramma ’s van deze partijen te vinden zijn.

Hypothese 4: Stijgende immigratie van Afrikanen en Aziaten zal de steun voor rechts‑populistische en extreem‑rechtse partijen versterken en de hoeveelheid rechts-populistische en extreem-rechtse kenmerken in hun verkiezingsprogramma ’s vergroten.

Hypothese 5: Hoe groter de electorale ontevredenheid over politiek systeem is, hoe groter de kans wordt dat het electoraat op rechts‑populistische of extreem‑rechtse partijen zal stemmen en hoe groter de kans dat er meer rechts-populistische of extreem-rechtse kenmerken in hun verkiezingsprogramma ’s zullen opgenomen worden.

Hypothese 6: Hoe kleiner de disproportionaliteit van het electoraal systeem is, hoe groter de steun voor rechts-populistische en partijen extreem-rechtse zal zijn, en hoe meer rechts-popultistische of extreem-rechtse kenmerken we in hun verkiezingsprogramma ’s zullen terug vinden.

 

 

§ 3. Operationalisering

 

Nu we al onze variabelen gedefinieerd hebben en er hypothesen voor hebben opgesteld, moeten we nog aangeven hoe deze variabelen gaan meten. Voor elke variabele, zowel de onafhankelijke als de afhankelijke, opteren we hier voor een bepaalde manier waarop we deze variabele in dit onderzoek zullen meten.

  • Extreem‑rechtse of rechts‑populistische kenmerken in de verkiezingsprogramma ’s: aantal punten die in de categorieën “democratie: negatief”, “nationale manier van leven: positief” en “multiculturalisme: negatief”.

  • Steun voor rechts‑populistische en extreem‑rechtse partijen: percentage stemmen dat de partijen tijdens de verkiezingen vlak voor en vlak na hun regeringsdeelname gehaald hebben.

  • Economische toestand : werkloosheidscijfers en inflatie in de betrokken landen.

  • Immigratie : nationale immigratiecijfers voor Afrikanen en Aziaten. We moeten hierbij opmerken dat het gebruik van immigratiecijfers bij comparatief onderzoek problematisch kan zijn, gezien landen ze op verschillende manieren berekenen.[48] Daarnaast moet gezegd worden dat we de Latijns-Amerikaanse immigranten door deze operationalisering niet opnemen in ons onderzoek. Dit komt doordat de onderzochte landen de categorie Amerika gebruiken en we hierdoor dus geen onderscheid kunnen maken tussen mensen uit Noord-Amerika en mensen uit Latijns-Amerika.

  • Ontevredenheid over het politiek systeem : In het werk van Knigge wordt deze variabele gemeten met behulp van de Eurobarometer. Meer precies met de vraag naar de mate van tevredenheid, van de kiezers, over het werken van hun democratische instellingen.[49] Wij zullen haar daar in volgen en gebruiken dus “satisfaction with democracy in own country” voor 1995 en “satisfaction with national democracy” voor de andere jaren als operationalisering voor de ontevredenheid over het politiek systeem. We moeten ons in het onderzoek niet te veel vragen stellen omtrent over het kleine verschil in titel voor 1995 gezien de vraagstelling bijna volledig identiek is met de andere jaren.

  • Disproportionaliteit van het electoraal systeem : de Gallagher-index voor disproportionaliteit. Deze wordt bekomen door het kwadraat te nemen van de stemmen-zetels verschillen (in procenten) voor elke partij (zonder naar de andere partijen te kijken), je moet de som maken van deze resultaten, het totaal delen door twee en daarvan de vierkantswortel nemen. [50]

§ 4. Gebruikte werkwijzen

 

Wanneer we over al de gegevens beschikken die voorgaande operationalisering vereist, zullen we deze gegevens moeten analyseren. We geven hier weer op welke manier en eventueel volgens welke methodes dit zal gebeuren.

 

A. Analyse van de verkiezingsprogramma’s,

 

Wat betreft de analyse van de verkiezingsprogramma ’s, zullen we ons baseren op de inhoudsanalyse en meer bepaald in haar oudste vorm, de tekstanalyse[51]. De meeste inhoudsanalyses kunnen in vier soorten onderverdeeld worden. Namelijk de beschrijvende inhoudsanalyse, de gevolgtrekkende inhoudsanalyse, de psychometrische inhoudsanalyse en de voorspellende inhoudsanalyse.[52] Aangezien wij aan de hand van onze inhoudsanalyse eventuele verschillen wat betreft het extreem-rechtse en rechts-populistische karakter van partijen en de invloed van regeringsdeelname hierop willen waarnemen, kan gesteld worden dat onze inhoudsanalyse eerder bij de beschrijvende soort gecatalogeerd kan worden. Wewillen namelijk voorspellen dat na regeringsdeelname het extreem-rechtse of het rechts-populistische karakter van een partij zal afgenomen zijn.

Aangezien we ons op de volledige verkiezingsprogramma ’s zullen baseren is het niet nodig een steekproef te nemen wat de betrouwbaarheid van het onderzoek ten goede komt. Voor de analyse zelf baseren we ons, zoals eerder vermeld, op het codeboek van Budge, Klingemann, Volkens en Fording voor het coderen van partijprogramma’s. We zullen elke zin die in het verkiezingsprogramma staat – we laten de inleiding en het besluit buiten beschouwing en bestuderen enkel het feitelijke verkiezingsprogramma – in een categorie van het codeboek plaatsen. Wanneer het niet onmiddellijk duidelijk was in welke categorie een zin thuishoorde hebben we ons gebaseerd op de zinnen waartussen de desbetreffende zin stond en de titel van de rubriek waarin de zin stond. Op deze manier waren we in staat elke zin te plaatsen.

 

B. Analyse van de verkiezingsresultaten

 

Voor de analyse van de verkiezingsresultaten gaan we ons, zoals boven vermeld, baseren op de werkwijze die William Fraeys voor de Belgische verkiezingen volgt in Res Publica. Fraeys onderzoekt de verkiezingsresultaten eerst op nationaal niveau. Op dit nationaal niveau maakt hij een onderscheid tussen de resultaten op basis van de stemmen en de resultaten op basis van het aantal gewonnen zetels.[53] Nadat hij het nationaal niveau onderzocht heeft gaat Fraeys over naar het onderzoek van de verkiezingsresultaten op regionaal niveau.[54]

Wij gaan deze indeling grotendeels volgen. Op het nationaal niveau zullen we echter enkel analyses uitvoeren op basis van de uitgebrachte stemmen omdat de resultaten op basis van het aantal gewonnen zetels voor ons onderzoek, in dit stadium, niet relevant is. De analyse op basis van het aantal gewonnen zetels zit trouwens vervat in de Gallagher-index die we later in het kader van de disproportionaliteit van het electoraal systeem bespreken. Het lijkt ons ook nuttig de analyse op regionaal niveau uit te voeren omdat deze eventuele verschillen tussen bepaalde streken bloot legt, die belangrijk kunnen zijn voor ons onderzoek.

Voor Oostenrijk kunnen we de resultaten op nationaal en regionaal niveau onderzoeken, en we zullen dat dan ook doen. Voor Nederland zullen we ons echter beperken tot het onderzoeken van het nationaal niveau, omdat er in Nederland maar een enkele kieskring is voor nationale verkiezingen .[55] Wat betreft Frankrijk zullen we ons sowieso moeten beperken tot een regionale analyse aangezien we voor dit land gemeenteraadsverkiezingen bespreken.

 

C. Analyse van de alternatieve variabelen

 

De analyse van de alternatieve variabelen , namelijk economische toestand , immigratie , ontevredenheid over het politiek systeem en disproportionaliteit van het electoraal systeem , zullen we relatief simpel houden. We gaan per variabele en per land kijken wat de verschillen zijn in de betreffende variabele zo dicht mogelijk aansluitend bij de verkiezingen voor en na regeringsdeelname . Deze variabelen kunnen ofwel hetzelfde blijven, ofwel veranderen. Wanneer ze veranderen zullen we een stijging of een daling ten opzichte van de eerste meting kunnen vaststellen.

In dit eerste hoofdstuk hebben we de theoretische basis gelegd voor de rest van ons onderzoek. Dit is het fundament waarop het gehele onderzoek steunt. Voor we echter aan dit onderzoek beginnen willen we ons eerst een beeld vormen van de onderzochte partijen.

 

 

Hoofdstuk 2. Historische schets van de onderzochte politieke partijen

 

In dit tweede hoofdstuk schetsen we de geschiedenis van de onderzochte partijen. We vonden het in het kader van ons onderzoek belangrijk dat de onderzochte partijen niet enkel een naam, maar ook een gezicht kregen. Wat we hiermee beogen is aantonen dat deze partijen, hoewel ze volgens de literatuur tot de categorie extreem-rechts en rechts-populistisch behoren, toch een totaal verschillende ontstaansgeschiedenis hebben en daardoor ook verschillende karakteristieken.

 

 

§ 1. Historische schets van het Front National (FN)

 

De oprichting van het FN , in Parijs op 5oktober1972, was in de eerste plaats een initiatief van de leiders van OrdreNouveau(ON), een nationalistische beweging die in 1969 werd opgericht. De bedoeling van deze beweging was een vereniging van het versnipperde rechtse spectrum te bewerkstelligen. Ze slaagde daar voor een groot deel in, maar daar lag ook de moeilijkheid waarmee de beweging te maken kreeg. Ze verenigde namelijk twee tegenstrijdige ideologische stromingen, namelijk de nationaal-revolutionairen en de conservatieven. Deze eersten waren voornamelijk jongeren en s