| Met gelate si togeden… Non-verbale communicatie in Middelnederlandse verhalende teksten. (Sacha Voogd) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
1. ASPECTEN VAN NON-VERBALE COMMUNICATIE
Het belang van non-verbale communicatie
Waarom mannen en vrouwen met hun lichaam zeggen wat ze eigenlijk niet willen vertellen. Dit is de titel van een populair-wetenschappelijk boek, dat ik in het kader van deze scriptie getracht heb in handen te krijgen. Meerdere pogingen strandden echter, omdat het werk bij alle bibliotheken uitgeleend bleek te zijn. Waaruit blijkt dat niet alleen genderverschillen kennelijk volop in de belangstelling staan, maar ook lichaamstaal zich in de interesse van een breed publiek mag verheugen. Een korte speurtocht op Internet levert nog veel meer op: non-verbaal gedrag is niet meer weg te denken uit het brede aanbod van managementtrainingen, coachingstrajecten en sollicitatiecursussen. Een eerste indruk, die vaak hardnekkig blijkt, wordt immers in een paar seconden gevestigd en berust vooral op aspecten die níet verbaal tot uitdrukking worden gebracht.
Veel onderzoekers stellen dat circa 70% van alle communicatie via non-verbale signalen verloopt.[1] De Amerikaanse psycholoog Mehrabian komt op basis van diverse onderzoeken tot de conclusie dat de interpretatie van een emotionele boodschap slechts voor 7% bepaald wordt door de letterlijke inhoud, voor 38% op stemeigenschappen als intonatie, toonhoogte en spreeksnelheid en voor maar liefst 55% op basis van non-verbale informatie, afgeleid uit onder andere lichaamstaal en gezichtsuitdrukkingen.[2]
In situaties waarin verbale en non-verbale communicatie elkaar tegenspreken, hechten mensen eerder belang aan datgene wat non-verbaal wordt uitgedrukt. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het verschijnsel ‘sarcasme’, waarbij non-verbaal gedrag als intonatie en gezichtsuitdrukking de verbale inhoud van de boodschap tegenspreekt. De meeste volwassenen hebben er weinig moeite mee dergelijke sarcastische boodschappen correct te interpreteren.
Dat men in de interactie vaak grotendeels afgaat op non-verbale signalen heeft te maken met de opvatting dat lichaamstaal als spontaner en onbewuster wordt ervaren dan verbale uitingen. Kennis van de non-verbale boodschappen zou dan inzicht geven in de achterliggende, onbewuste bedoelingen van de zender. Dat deze non-verbale boodschappen echter net zo goed gestuurd kunnen worden als de gesproken boodschappen, blijkt uit het grote aantal cursussen waarin men getraind kan worden in ‘wenselijk’ non-verbaal gedrag. Een simpele scheiding tussen verbale taal die gebruikt wordt om gedachten uit te drukken en non-verbale signalen die subjectieve informatie zoals emoties prijsgeven, is dus een veel te eenvoudige voorstelling van zaken.[3]
Wat is non-verbale communicatie?
Het onderzoek naar non-verbale communicatie baseert zich niet op één algemene, stevig onderbouwde theorie. Het lijkt of iedere onderzoeker zijn eigen definitie van het begrip hanteert. Misschien wel de fraaiste omschrijving van het vakgebied is gegeven door de Amerikaanse taalkundige Edward Sapir (1884-1939), die spreekt over ‘…an elaborate and secret code that is written nowhere, known by none and understood by all.’[4]
Wie de term ‘non-verbaal’ in Van Dale opzoekt, vindt als beschrijving ‘niet op woorden berustend’. De meeste omschrijvingen van verschillende onderzoekers zijn hier op terug te voeren. Zo definieert Oomkes non-verbale communicatie als ‘een gesprek voeren met andere middelen dan woorden’.[5] Kendon refereert aan dit begrip als
…all of the ways in which communication is effected between persons when in
each other’s presence, by means other than words.[6]
In zijn inleiding op New Approaches to Medieval Communication voert Michael Clanchy aan dat non-verbale communicatie een negatieve term lijkt, die suggereert dat woorden een beter middel zijn om communicatie tot stand te brengen.[7] Ook Van Poecke stelt dat het begrip ‘non-verbale communicatie’ eigenlijk een ongelukkige uitdrukking is, die al snel leidt tot een ontkennende definitie in de zin van ‘alle communicatie die niet verbaal is’.[8]
Van Poecke voert twee criteria aan die in aanmerking genomen moeten worden bij de beslissing of iets al dan niet tot het terrein van non-verbale communicatie behoort. Het eerste criterium, dat ook in de omschrijving van Kendon een rol speelt, beperkt non-verbale communicatie tot die processen die binnen de ‘face-to-face interactie’ plaatsvinden, waarbij de interactanten dus lichamelijk in elkaars nabijheid zijn. Deze beperking sluit fenomenen als foto’s en architectuur uit.
Het tweede criterium dat Van Poecke noemt, ligt in het onderscheid tussen de denotatieve en de connotatieve betekenis van een boodschap, begrippen die afkomstig zijn uit de structurele semiotiek. De denotatieve betekenis van een boodschap is contextvrij, helder en ondubbelzinnig, geproduceerd en begrepen op basis van kennis van de regels van de gebruikte code (in casu: de gebruikte taal). Een boodschap als ‘de kat zit op de mat’ is simpel te begrijpen dankzij kennis van het Nederlands. Communicatie vindt echter altijd plaats binnen een bepaalde context. Een geïrriteerde intonatie, maar ook het gebruik van ‘kat’ in plaats van de naam van het dier kan bijvoorbeeld op ongenoegen wijzen. Deze context bepaalt de connotatieve betekenis van de boodschap.[9] Op basis van dit onderscheid sluit Van Poecke communicatiesystemen die gesproken taal in haar denotatief functioneren kunnen vervangen (zoals bijvoorbeeld gebarentaal voor doven) uit van het terrein van non-verbale communicatie.[10]
Ook Mehrabian vermijdt overigens de term ‘non-verbale communicatie’ en gaat bij voorkeur uit van een dichotomie tussen expliciete en impliciete communicatie, waarbij non-verbaal gedrag tot het gebied van de impliciete communicatie behoort.[11]
Voor het bepalen van het onderzoeksgebied voor deze scriptie heb ik, met de bovenstaande definities in het achterhoofd, vooral gekeken naar de classificatie van fenomenen die binnen dit kader bestudeerd worden.
Classificatie van non-verbaal gedrag
Niet alleen een universele definitie ontbreekt, ook een eenduidige classificatie met algemene geldigheid is binnen het vakgebied van de non-verbale communicatie niet voorhanden. Zo beperkt Argyle zich slechts tot het opsommen van een lijst van verschijnselen die tot het onderzoeksgebied behoren.[12] Een klassiek geworden indeling is die van Ekman en Friesen uit 1969. Zij komen op basis van de oorsprong van een handeling, het gebruik hiervan en de mate van overeenkomst tussen de handeling en betekenis tot een indeling in vijf categorieën, waarbij ze zich echter grotendeels beperken tot het gebied van de ‘kinesics’, de lichaamstaal.[13]
Voor mijn scriptie ben ik uitgegaan van de indeling die gegeven wordt door Van Poecke.[14] Deze categorisering is gebaseerd op de verschillende kanalen waarlangs non-verbale communicatie plaatsvindt. Langs deze weg kan zowel denotatieve als connotatieve informatie worden overgedragen. De indeling van Van Poecke luidt als volgt:
1. Lichaamstaal (‘kinesics’)
Hieronder vallen onder meer gebaren, lichaamsbewegingen, gezichtsuitdrukkingen, ooggedrag en lichaamshouding. Ekman en Friesen maken binnen deze categorie nog onderscheid tussen:
a. Emblemen: symbolische handelingen die een specifiek verbale betekenis hebben die door de meeste leden van een (sub)cultuur herkend wordt (en dus denotatieve informatie overbrengen). Deze handeling wordt door een zender bewust gebruikt om een boodschap aan een ontvanger over te brengen. Een voorbeeld hiervan is het gebaar van iemand die langs de kant van de weg een duim opsteekt en zo te kennen geeft een lift nodig te hebben.
b. Illustratoren: bewegingen die complementair zijn aan het verbale discours. Deze bewegingen kunnen simpelweg een woord, zinsdeel, zin of groep zinnen accentueren, maar ook een gedachtegang schetsen, zoals bijvoorbeeld het ‘enerzijds/anderzijds’-gebaar.
c. Uitingen van emoties: in de eerste plaats door gelaatsuitdrukkingen, daarnaast ook door paralinguïstisch gedrag. Bewegingen van het lichaam geven dan weer op welke manier en in welke mate het individu met de specifieke emotie om weet te gaan. Iemand die verdrietig is kan bijvoorbeeld huilen, en kan het gezicht daarbij afwenden of niet.
d. Regulatoren: non-verbale gedragingen die de organisatie van de interactie regelen (zoals het wisselen van spreekbeurten).
e. Adaptoren: nauwelijks bewuste bewegingen die voorkomen als iemand geconfronteerd wordt met een conflictsituatie (men wil bijvoorbeeld spreken voor een publiek maar vindt dit ook zo onaangenaam dat men de situatie wil ontvluchten). Dit wordt ook wel ‘overspronggedrag’ genoemd. Voorbeelden hiervan zijn een hand door het haar halen, het over de borst kruisen van de armen of het spelen met een pen.
2. Fysiek voorkomen
Naast uiterlijke aspecten als lichaamstype, huidskleur en gelaat vallen hier ook zaken als kleding, haardracht en versierselen onder. De fysionomie, waarbij een relatie tussen gelaatstrekken en lichaamsbouw wordt gelegd, mag dan als wetenschap achterhaald zijn, stereotype opvattingen over ‘gezellige dikkerds’ blijken vrijwel onuitroeibaar. Maar de wisselwerking tussen mens en uiterlijk blijkt bijvoorbeeld ook uit veel voorkomende stemmingen die sporen in het gezicht achterlaten (lachrimpels) of ziektes die een stempel drukken op het uiterlijk (reumahanden). Kleding, haardracht en versierselen worden bewust gekozen en geven weer hoe iemand zichzelf ziet en tot welke groep men wenst te behoren. Zij maken dus deel uit van de identiteit van een persoon.
3. Aanrakingsgedrag
Aanraking wordt beschouwd als een van de oudste en primaire vormen van communicatie en is essentieel voor het fysieke, emotionele en psychologische welzijn van een kind en voor de ontwikkeling van intellectuele, sociale en communicatieve vaardigheden. Aanraking komt niet alleen bij mensen voor, maar is ook te zien bij alle zoogdieren. De regels die bepalen welke vormen van aanrakingsgedrag tussen welke personen wel of niet zijn toegestaan kunnen per cultuur verschillen. Zo is het in Latijns
Amerika niet ongebruikelijk als mannen elkaar omhelzen en zoenen, terwijl we dit gedrag in West-Europa vrijwel alleen op het voetbalveld zien.
4. Paralinguïstisch gedrag
De ‘stemtaal’ omvat alle aspecten van gesproken taal en de bijbehorende geluiden met uitzondering van de woorden zelf. Allereerst zijn er de ‘voice qualities’, relatief permanente eigenschappen van iemands stem als toonhoogtebereik, tempo, ritme, resonantie en articulatie-controle. Daarnaast worden ‘vocalizations’ onderscheiden als zuchten, lachen, huilen geeuwen, kreunen, hoesten, fluisteren (als permanente stemeigenschap van een bepaald individu of specifiek binnen een bepaalde context). Ook ‘eh’s’, ‘hm’s’, stiltes en pauzes vallen onder paralinguïstisch gedrag.
5. Persoonlijke ruimte en territorialiteit
Hiermee wordt de afstand en de oriëntatie bedoeld die mensen ten opzichte van elkaar innemen, waarbij een persoonlijk territorium wordt afgebakend. Een voorbeeld hiervan is te zien bij studenten, die vaak al na het eerste college een vaste plaats claimen in de collegezaal.
6. Omgeving
Mensen richten hun persoonlijke ruimte vaak in als een afschaduwing van hun persoonlijkheid. Ook in de beroepsuitoefening kan de omgeving een uitdrukking zijn van bijvoorbeeld status. Zoals koningen in vroeger tijden al op hoge tronen zetelden, geeft menig directeur ook tegenwoordig nog de voorkeur aan een grote directiekamer op de bovenste verdieping.
7. Tijd
Het al of niet op tijd komen op een afspraak kan iets zeggen over de status of de persoonlijke verhouding van de interactanten. Tijdsbesef en tijdsgebruik is sterk cultuurgebonden. Zo is het bijvoorbeeld in Latijns Amerika heel gebruikelijk een ‘latijns half-uurtje’ in aanmerking te nemen bij het verschijnen op een afspraak.
8. Geur
In dierlijke communicatie spelen ‘feromonen’ als geurboodschappers een belangrijke rol. Ondanks de bloeiende parfumindustrie is geur als non-verbaal kanaal bij mensen nog weinig onderzocht en wordt deze vorm van non-verbale communicatie vaak ondergebracht onder ‘fysiek voorkomen’.
Aangeboren of aangeleerd?
Het ‘nature versus nurture’ debat heeft ook het terrein van de non-verbale communicatie niet onberoerd gelaten. Darwin zag overeenkomsten in expressief gedrag bij mensen uit verschillende culturen.[15] Andere onderzoekers, waaronder bijvoorbeeld de antropoloog Birdwhistell bestrijden dit echter. Zij stellen dat geen enkele vorm van lichaamsgedrag aangeboren is en dat dit altijd het resultaat is van culturele invloeden.[16] In dit verband is ook de opvatting van Frans de Waal interessant, die stelt dat gedrag dat in de natuur wordt waargenomen ook een product is van de sociale organisatie van de primaten die hij bestudeert.[17] Communicatie van dieren zonder het gebruik van gesproken taal, of van kinderen die de gesproken taal nog niet beheersen, kan dus niet zonder meer gebruikt worden als argument dat non-verbaal gedrag is aangeboren. Ook bij de classificatie van Van Poecke kwam al naar voren dat sommige vormen van non-verbale communicatie sterk cultureel bepaald zijn. Zo ontstond er in het najaar van 2004 bijvoorbeeld grote maatschappelijke commotie nadat een islamitische geestelijke weigerde de (vrouwelijke) Nederlandse minister van Vreemdelingenzaken de hand te schudden. Dat gebaren cultuurgebonden zijn wordt bevestigd door Desmond Morris, die in Gestures. Their origins and distribution de resultaten van zijn onderzoek naar geografische spreiding van twintig sleutelgebaren weergeeft. Hij concludeert dat er twee hoofdbronnen zijn waaruit symbolische gebaren zijn ontstaan. Allereerst zijn er de ‘illustratoren’, waarbij de gesproken taal benadrukt wordt, zoals het vormen van een ring met de duim en de wijsvinger. Andere gebaren vinden hun oorsprong waarschijnlijk in een specifieke historische vinding, zoals het maken van een lange neus naar iemand.[18] De ‘illustratoren’ kennen vaak een groot aantal verschillende betekenissen, maar worden nauwelijks beschreven, terwijl de ‘historische’ gebaren vaak één enkele dominante betekenis hebben, waaraan in de loop der eeuwen een groot aantal ondersteunende verklaringen zijn toegevoegd.[19] Ten aanzien van gebaren kan dus geconcludeerd worden dat deze vaak cultureel bepaald zijn, waarbij ze een groot geografisch gebied kunnen bestrijken en zelfs al vele eeuwen in gebruik kunnen zijn. Dat veel gebaren op elkaar lijken of elkaar overlappen, heeft vooral te maken met de fysieke beperkingen van de mens. Zo zullen gebaren die met eetgedrag te maken hebben, ongeacht de culturele context, gebruik maken van handen, mond of buik.
Waar het gaat om het uiten van emoties, gaan de meeste onderzoekers er tegenwoordig van uit dat ieder mens beschikt over een aangeboren ‘affect program’, een set van duidelijk van elkaar te onderscheiden basisemoties. Angst, woede, weerzin, droefheid, verrassing en vreugde gelden daarbij als universele emoties; bij verachting, schaamte en interesse worden door de verschillende onderzoekers nog vraagtekens geplaatst. Deze opvatting wortelt bijvoorbeeld in onderzoeken waaruit blijkt dat blind- en doofgeboren, en zelfs thalidomide (= zonder armen) kinderen dezelfde gezichtsuitdrukkingen vertonen en deze dus niet door imitatie aangeleerd kunnen hebben.[20] Voor iedere specifieke basisemotie bestaan er universele situaties die deze emotie oproepen. Zo leidt het verlies van iets belangrijks altijd tot droefheid, maar is het cultureel bepaald wát nu als iets belangrijks ervaren wordt. Ook cultureel bepaald zijn de ‘display rules’ die aangeven in welke situatie, op welke wijze en aan wie het gepast is de ervaren emotie te tonen. Deze regels zijn meestal impliciet, maar worden soms opgeschreven in etiquetteboeken.
Concluderend kan gesteld worden dat het uiteindelijke non-verbale gedrag het resultaat vormt van de interactie tussen aangeboren emoties, cultuurspecifieke oorzaken die deze emotie oproepen en de eveneens cultureel bepaalde vertoningsregels.[21]
De functie van non-verbale communicatie
In het directe contact tussen verschillende personen onderscheidt Van Poecke een aantal hoofdfuncties die door non-verbaal gedrag in de interactie worden vervuld.[22] Zo stelt hij onder meer dat gebaren vooral gebruikt kunnen worden om denotatieve informatie over te brengen. Deze gebaren dienen dan ter vervanging van de verbale communicatie in situaties waarin dit fysiek onmogelijk is (bijvoorbeeld doordat de afstand te groot is, of er teveel rumoer is zoals op een slagveld). Maar non-verbale communicatie kan ook dienen om de verbale communicatie te herhalen of te beklemtonen en is dan complementair aan het verbale communicatieproces. Daarnaast wordt non-verbale communicatie gebruikt om de interactie tussen de sprekers te reguleren, zoals het controleren of er nog contact is of het wisselen van spreekbeurten. Één van de belangrijkste functies van non-verbale communicatie ligt echter in het overbrengen van connotatieve informatie. Veel informatie van (inter)persoonlijke aard komt geloofwaardiger over als deze geconnoteerd wordt in plaats van expliciet uitgesproken. Gebaren hebben naast hun denotatieve functie ook een connotatieve component. Zo kan het driftig op een tafel slaan een heftig betoog ondersteunen en beklemtoont de non-verbale communicatie daarmee de verbale redenering. Non-verbale communicatie kan de verbale informatie echter ook tegenspreken. Daarnaast geven vormen van non-verbale communicatie als oogcontact, glimlachen of aanraking belangrijke informatie over de onderlinge relatie tussen de interactanten. Iemand kan duizendmaal zeggen ‘ik hou van je’, maar om je geliefde te overtuigen van je gevoelens is het uitdragen van deze emotie in non-verbale uitingen onontbeerlijk.
Non-verbale communicatie in historisch perspectief
De studie van non-verbale communicatie mag dan een moderne wetenschap zijn, ook in het verleden werd er gereflecteerd over niet-talige uitingen.[23] De eerste beschrijvingen van wat wij tegenwoordig als gebarentaal onder non-verbale communicatie rangschikken, zijn in de Klassieke Oudheid terug te vinden als één van de onderdelen van de leer van de retorica, en wel de actio, die beschrijft hoe een redevoering uitgevoerd moet worden.[24]
Cicero (106-43 v. Chr.) benadrukt het belang van de voordracht als de belangrijkste factor voor een goede redevoering.[25] Hij geeft globale aanwijzingen voor het gebruik van de stem en stelt dat de voordracht vooral gericht moet zijn op de emoties van het publiek. Om het publiek te overtuigen, dient de uitvoering gepaard te gaan met gebaren. Zo mag er aan het begin of het eind van energieke passages met de voeten gestampt worden, maar om geloofwaardig over te komen moet de redenaar wel te allen tijde voorkomen dat hij op een acteur lijkt. Ook gelaatsuitdrukkingen zijn van belang. Het gezicht mag niet té veranderlijk zijn, vooral de ogen moeten gebruikt worden om de gevoelens tot uitdrukking te brengen.[26]
De meest uitgebreide visie op de voordracht in de Klassieke Oudheid is te vinden in de eerste eeuw ná Christus in het werk van Quintillianus (ca. 40 – ca. 100 n.Chr). Hij gaat onder meer in op het werk van Cicero en wijdt een belangrijk deel van het elfde boek van Institutio Oratoria aan de actio. Ook Quintillianus stelt dat ‘…een matig betoog dat door een krachtige voordracht aantrekkelijk wordt gemaakt, meer effect heeft dan een heel goed betoog dat zo’n voordracht moet ontberen’.[27] Naast het stemgebruik besteedt hij veel aandacht aan de gebaren, het hoofd, de mimiek en de nek, de handen, de lichaamshouding en de uiterlijke verzorging. Quintillianus geeft daarbij een groot aantal specifieke hand- en vingerbewegingen en propageert zelfs een specifiek gebarendialect voor de Romeinse bovenklasse.[28]
In het middeleeuwse denken over gebaren en andere niet-talige uitingen waren echter vooral christelijke invloeden van belang. Het werk van Quintillianus was slechts fragmentarisch bekend en binnen de studie van de retorica, die onderdeel uitmaakte van het ‘quadrivium’, werd nauwelijks aandacht besteed aan de actio.[29] De kerkvader Augustinus (354 – 430 n. Chr.) legde de basis voor het symbolisme in de Middeleeuwen met zijn tekentheorie. Daarin wordt een onderscheid aangebracht tussen res (de dingen die bestaan) en signum (tekens die de gedachte aan iets anders laten opkomen, zoals een spoor wijst op het dier dat is gepasseerd). Ieder teken is een ding, maar niet ieder ding is een teken. Augustinus onderscheidt daarbij bedoelde en onbedoelde tekens, maar besteedt verder vooral aandacht aan talige tekens.[30] Remigius van Auxerre (ca. 850 – 908 n. Chr.) is de eerste Middeleeuwse auteur die gebaren (gestus) van een specifiek lichaamsdeel plaatst tegenover de beweging (motus) van het hele lichaam.[31] Een uitgebreid theoretisch systeem over gebaren is te vinden in het werk van Hugo van St. Victor (1096-1140/41 n. Chr.). Zijn De institutione novitiorum weerspiegelt het dualisme waarmee men in zijn tijd naar het lichaam en de lichaamsbewegingen keek. Het lichaam is enerzijds de vleeswording van God en kan als zodanig aanbeden worden, maar is ook bron van verwerpelijk, zondig gedrag. Voor Hugo van St. Victor zijn gebaren vooral een teken van innerlijke zwakte.[32] Hij geeft een gedetailleerde classificatie van afkeurenswaardige gebaren. Volgens hem drukt het lichaam de bewegingen van de ziel uit, en kan het dus ongeoorloofde begeerte tonen.[33] De visie van Boncompagno da Signa (ca.1165 - ca.1240 n. Chr.), een prominente Italiaanse retoricus, is daarentegen veel minder negatief. In zijn Rhetorica antiqua beschouwt hij het lichaam vooral als uitdrukking van affectus, ontdaan van iedere religieuze connotatie. Gebaren zijn voor hem als het schrift dat direct, zonder ambiguïteit begrijpbaar is.[34] Middeleeuwse etiquetteboeken reflecteren niet zozeer op gebaren, maar geven vooral voorschriften voor gepast en ongepast gedrag, waarbij de nadruk vaak ligt op de juiste tafelmanieren. Erasmus geeft echter blijk van het besef dat gebaren ook cultuurgebonden zijn: hij vindt het onbetamelijk ‘…de schouders op te trecken […] ’t welck wij sien in sommige Italianen’.[35] Over reflectie op gebaren in de Renaissance en de Vroeg-Moderne tijd is nauwelijks contemporaine literatuur te vinden. In de 19e eeuw biedt Darwin (1809 – 1882 n. Chr.) met zijn The expression of the emotions in man and animals een nieuwe (biologische) invalshoek voor de studie van non-verbaal gedrag. Maar het vakgebied zoals we dat nu kennen, kwam pas ná de Tweede Wereldoorlog tot volle bloei, mede dankzij de invloedrijke studies van de ‘Palo Alto groep’. Deze discussiegroep van psychiaters, antropologen en structurele linguïsten kwam vanaf het midden van de jaren vijftig regelmatig bijeen in het Center for Advanced Study in the Behavioral Sciences in Californië en hield zich bezig met de aard van menselijke interactie. Deelnemers waren onder meer de antropoloog Bateson en de psychiater Ruesch, die het begrip non-verbale communicatie in 1956 introduceerde in zijn boek Nonverbal Communication.[36]
De literaire weergave van non-verbale communicatie
Zoals non-verbale communicatie in het dagelijkse leven meestal op een onbewust niveau plaatsvindt, zo is ook de gemiddelde lezer zich nauwelijks bewust van non-verbale signalen in een tekst. Auteurs maken echter vaak gebruik van non-verbaal gedrag om hun teksten meer ´kleur´ te geven. Van Oostrom spreekt in dit verband van ‘aanschouwelijke details’, waarbij hij het voorbeeld geeft van vrouw Aye die, om haar bezorgdheid extra te benadrukken, een pilaar omklemd houdt.[37] Paradoxaal genoeg is een auteur bij het weergeven van onuitgesproken gedrag aangewezen op het gebruik van taal. Anders dan bij een medium als toneel, waar kleuren, bewegingen en geluiden getoond kunnen worden, is in de literatuur alles teruggebracht tot visueel waarneembare tekens. Dit heeft echter ook tot gevolg dat de auteur relatief vrij is in zijn beschrijvingen: ook uitingen die níet gestuurd kunnen worden (zoals bijvoorbeeld blozen) en daardoor op het toneel moeilijk te reproduceren zijn, leveren bij de literaire weergave geen problemen op.[38] Om non-verbaal gedrag in een tekst te beschrijven, heeft een auteur verschillende mogelijkheden. Hij kan een beschrijving geven van het gedrag, gevolgd door een uitleg over de betekenis hiervan. Een voorbeeld hiervan is te zien in Floris ende Blancefloer:
Maer sijn moeder dreef den meesten ween
Ende custen tienwerf al in een,
Ende dicker hadde gedaen, maer haer benam
Die coninc sijn vader, die totem quam,
Ende custen oec an sinen mont
Drie werf ter selver stont.
Emmer waren si in dien,
Dat sine nemmermeer waenden sien. (vs. 1585-1592)
De auteur geeft hier niet alleen een beschrijving van het gedrag: jammeren en kussen, maar verschaft ook inzicht in de reden hiervoor: Floris’ ouders vrezen (naar later zal blijken terecht) dat zij hun zoon nooit meer zullen zien.

Floris neemt afscheid van zijn ouders[39]
Een auteur kan er ook voor kiezen een beschrijving te geven van alleen het gedrag, waarbij de betekenis hiervan door de lezer geduid moet worden Zo reageert Ferguut lachend op de nachtelijke liefdesbetuigingen van Galiëne als hij haar zegt daar nog niet aan toe te zijn (Ferguut, vs. 1495-1503). Maar, zoals ook Lie en Van der Poel aangeven, is het uit de tekst niet meer op te maken of dit lachen een cynische ondertoon heeft, of vooral vriendelijk is bedoeld.[40] Tenslotte kan een auteur de betekenis van bepaald gedrag uitleggen zónder een beschrijving te geven van hoe dit gedrag er uit ziet (waarbij het voor de lezer moeilijk kan zijn zich een beeld te vormen van dit specifieke gedrag).[41] De bodes die Floris op de hoogte brengen van de dood van zijn ouders gedragen zich ‘…Ghestadelike […] ende met sinne…’ (Floris ende Blancefloer, vs. 3905). Hóe deze waardige en beleefde houding tot uitdrukking werd gebracht, vertelt de auteur echter niet.
Een auteur gebruikt non-verbale uitingen van personages onder meer om deze karakters zo aanschouwelijk mogelijk te laten overkomen bij de lezer. Op basis van de beschrijvingen vormt een lezer zich een eerste beeld van een personage. Naarmate de tekst vordert en andere beschrijvingen volgen, wordt dit beeld constant aangescherpt of bijgesteld.[42] De wisselwerking tussen de beschrijvingen van de auteur en het beeld dat de lezer zich op basis daarvan vormt, bepaalt voor een groot deel de levendigheid van de tekst.[43] Naarmate de belevingswereld van de auteur en die van de lezer verder uit elkaar liggen (qua tijd of qua ruimte) is er een grotere kans dat er ruis ontstaat en de boodschap van de auteur door de lezer onjuist geïnterpreteerd wordt. Bij de bestudering van historische teksten is het dan ook van belang zich bewust te zijn van cultuurverschillen tussen de auteur en de lezer. Sommige gebaren kunnen in de loop der tijd vrijwel geheel verdwenen zijn (zo wordt er bij begroetingen tegenwoordig nauwelijks meer geknield) of van betekenis veranderd zijn (waar het in de 20e eeuw voor een ferme knaap ‘not done’ was om in tranen uit te barsten, zagen middeleeuwse mannen een huilbui absoluut niet als bedreiging voor hun mannelijkheid).[44] Door onbekendheid met het belang van bepaald gedrag kan de bedoeling van een auteur verloren gaan. Burrow geeft als voorbeeld dat een slecht uitgevoerde buiging in de Middeleeuwen niet onopgemerkt zou blijven, terwijl een moderne lezer het belang hiervan gemakkelijk over het hoofd ziet.[45]
Naast verschillen in betekenis van non-verbale uitingen is er bij de bestudering van historische teksten nog een extra complicerende factor: de taal waarmee deze uitingen beschreven worden kan in de loop der tijd veranderd zijn. Zo begrijpen wij ‘lachen’ vooral als een paralinguïstische uiting van vrolijkheid, maar kon dit woord in de Middeleeuwen ook breder opgevat worden, als ‘… in eene aangename stemming zijn, in zijn schik zijn’.[46]
Hoewel het bestuderen van non-verbale uitingen in historische teksten een breed en gevarieerd onderzoeksveld biedt, is er nog maar weinig onderzoek naar gedaan.[47] De kracht van de in de teksten beschreven signalen wordt nog vaak onderschat of zelfs geheel over het hoofd gezien. In de conclusie van Gestures and Looks in Medieval Narrative stelt
Burrow dat dit deels veroorzaakt wordt door het schaarse en beperkte materiaal. Teksten
geven zelden uitgebreide, nauwkeurige beschrijvingen van gebaren, waardoor betekenisvolle afwijkingen in de uitvoeringen onzichtbaar blijven. Een verklaring hiervoor ziet hij in de rol van de voordrager, die gebaren en uitdrukkingen uitvoerde.[48] In hoeverre aandacht voor non-verbale uitingen kan bijdragen aan de literaire analyse van middeleeuwse teksten bewijst Burrow met zijn onderzoek naar het gebruik van gebaren in Sir Gawain and the Green Knight en Chaucers Troilus and Criseyde. Door oude en bekende teksten te lezen vanuit deze nieuwe invalshoek krijgt de betekenis van het gedrag van middeleeuwse personages een extra dimensie en ontstaat meer inzicht in de betekenis en de bedoeling van dit gedrag.
2. PROBLEEMSTELLING EN METHODE
Moeder liep van kamer naar kamer, met toenemende snelheid en
onrust, kauwde op haar duim, wreef haar handen aan haar schort,
omvatte haar gezicht en veegde onzichtbare haartjes van haar
voorhoofd.[49]
In dit fragment vermeldt de auteur niet alleen expliciet de onrust van het personage, maar hij versterkt deze onrust door een aantal handelingen te beschrijven die voor de moderne lezer herkenbaar zijn en opgevat worden als signalen van spanning.
Mijn belangstelling gaat uit naar de manier waarop deze verteltechniek in Middelnederlandse teksten werd toegepast. In hoeverre maakten middeleeuwse auteurs in narratieve teksten gebruik van beschrijvingen zoals hierboven? Het gaat dan om beschrijvingen van handelingen of uitingen die wij tegenwoordig als non-verbaal gedrag opvatten. En, als auteurs dit non-verbale gedrag beschreven, wat was dan de functie hiervan, zowel in de interactie van het beschreven personage met andere verhaalpersonages als binnen het verhaal? Enkele kanttekeningen zijn daarbij op hun plaats. Middeleeuwse narratieve teksten zijn immers door een (vaak anonieme) auteur gecomponeerd voor een contemporain publiek. Dat houdt allereerst in dat álle door de auteur beschreven non-verbale handelingen van belang zijn – de schrijver heeft het immers de moeite waard gevonden deze aan het papier toe te vertrouwen. Onderscheid in bedoelde en onbedoelde signalen, zoals bijvoorbeeld Augustinus maakte, is derhalve niet relevant.[50] Verder is er op het niveau van de tekst sprake van de auteur als zender en het publiek als ontvanger. De personages in het verhaal worden door de auteur gebruikt om zijn boodschap over te brengen. Hun (non-verbale) gedragingen hebben dus zowel een functie binnen de interactie met andere personages in de tekst, als een bedoeling binnen het verhaal ten aanzien van het overbrengen van de boodschap van de auteur. Een auteur kan ook sommige verhaalpersonages als spiegelpersonages laten functioneren, waarbij deze verhaalpersonages de beoogde gevoelens van het publiek weergeven.[51]
Om beschrijvingen van middeleeuwse non-verbale gedragingen te kunnen onderzoeken heb ik een aantal teksten doorgenomen en fragmenten daaruit geselecteerd die deze beschrijvingen bevatten.
De vraagstelling
Op de door mij geselecteerde fragmenten heb ik de volgende vragen losgelaten:
- in hoeverre kunnen de gevonden non-verbale gedragingen ingedeeld worden binnen de classificatie zoals gegeven door Van Poecke?[52] (lichaamsbeweging, fysiek voorkomen, aanrakingsgedrag, paralinguïstisch gedrag, persoonlijke ruimte, omgeving, tijd, geur);
- Wie is de zender van de boodschap;
- Wat is de inhoud van de boodschap;
- Wat is de achterliggende emotie van het gedrag;
- Wie is de ontvanger van de boodschap.
Door het beantwoorden van deze vragen hoop ik uiteindelijk meer inzicht te krijgen in overeenkomsten en verschillen tussen gelijksoortige uitingen van non-verbaal gedrag en de emoties die aan dat gedrag ten grondslag liggen in de diverse teksten. Verder wil ik trachten na te gaan in hoeverre de auteur non-verbale gedragingen gebruikt om de personages te karakteriseren.
Het onderzoeksgebied
Non-verbaal gedrag wordt vaak gebruikt om impliciete informatie over te brengen. Daarbij is de context waarin dit gedrag beschreven wordt van cruciaal belang. Dit vraagt om een grondige bestudering van de teksten, waarbij vaak zeer gedetailleerd gelezen moet worden. Ik heb er dan ook voor gekozen een overzichtelijk aantal teksten in zijn geheel bestuderen. Bij de keuze van deze teksten heb ik me gebaseerd op verhalende teksten waarbij niet zozeer de actie van de handeling, maar vooral ook de relatie tussen de personages centraal staat.
Dat in alle teksten een liefdesrelatie tussen de personages een grote rol speelt, zal dus geen verbazing wekken. Religieuze literatuur, waarin non-verbale communicatie met God aan de orde komt, is door mij in het kader van deze scriptie buiten beschouwing gelaten. Verder heb ik getracht zowel werken uit de vroege periode (zoals de Trojeroman, die gedateerd wordt in de eerste helft van de 13e eeuw) als relatief late werken (de gedrukte prozaroman Historie van Hughe van Bordeus uit circa 1540) op te nemen.
De door mij bestudeerde teksten zijn:
- De Borggravinne van Verghi
- Dits vanden man die gherne dranc
- Dits vanden vesscher van Parijs
- Ferguut
- Floris ende Blanchefleur
- Historie van Hughe van Bordeus (hierna: Hughe van Bordeus)
- Parthonopeus van Bloys (hierna: Parthonopeus)
- Roman van Cassamus
- Trojeroman
Voor sommige beschrijvingen van non-verbaal gedrag heb ik verder aansluiting gezocht bij de Middelnederlandse artesliteratuur om na te gaan of, en zo ja hoe, dit gedrag in didactische teksten aan de orde komt. Bij de onderzoeksresultaten zal ik de classificatie van Van Poecke aanhouden om in te gaan op de gevonden non-verbale uitingen.
Beperkingen en onvermijdelijk anachronisme
Voor de studie naar non-verbaal gedrag in de Middeleeuwen zijn we aangewezen op overgeleverde visuele en schriftelijke bronnen. Dit draagt grote beperkingen in zich: (participerend) veldonderzoek is uiteraard niet aan de orde en ook het onderzoek naar feitelijke gedragingen in specifieke situaties valt buiten de mogelijkheden.
Mijn onderzoek beperkt zich tot een aantal schriftelijke bronnen, meer specifiek narratieve teksten. Deze teksten zijn geen afspiegeling van de dagelijkse realiteit, maar een verbeelding hiervan. Bumke betoogt zelfs dat hoofse verhalen een geïdealiseerd beeld van de maatschappij geven, gericht op de elite. Dit ideaalbeeld is volgens hem bovendien sterk geënt op de maatschappelijke situatie in Frankrijk. Burrow stelt echter dat de regionale verschillen in de Middeleeuwen minder groot zijn dan die tussen de diverse sociale klassen.[53]
(Non-verbale) communicatie is een modern concept, waarvoor het begrippenapparaat grotendeels ná de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld is.[54] Zoals hiervoor al aan de orde kwam is dit begrippenapparaat verre van universeel en gestandaardiseerd.
Het lijkt tegenstrijdig om middeleeuwse teksten te bestuderen met behulp van een moderne wetenschap en de bijbehorende terminologie. Bij historisch onderzoek is echter niet te ontkomen aan een ontmoeting tussen heden en verleden. Het lezen van Middelnederlandse teksten met ‘moderne’ onderzoeksvragen kan interessante resultaten opleveren. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een artikel van Besamusca, die een gendergerichte analyse loslaat op een aantal Middelnederlandse fragmenten waarbij het schaakspel een centrale rol speelt.[55]
De door mij gehanteerde invalshoek levert een vorm van transdisciplinair onderzoek op, waarbij het uitgangspunt ligt bij de talige aspecten van de Middelnederlandse narratieve teksten.[56] Daarbij wordt steeds aansluiting gezocht bij wat er bekend is over het non-verbale gedrag uit andere middeleeuwse teksten.
Achter ogenschijnlijk triviale verschillen tussen hedendaags en middeleeuws gedrag kunnen fundamentele verschillen in sociale relaties schuil gaan. Het blootleggen van deze verschillen kan bijdragen tot een beter begrip van zowel de middeleeuwse als de moderne mens.
Kanttekeningen bij de onderzoeksresultaten
In totaal heb ik bij het doorlezen van de teksten 753 fragmenten geselecteerd die ieder één of meerdere vormen van non-verbaal gedrag beschrijven. Bij het verzamelen van deze fragmenten ben ik de nodige problemen tegengekomen, die ik hieronder kort zal toelichten.
Afwijkingen ten aanzien van de officiële inperking van het onderzoeksveld
Bij het lezen van deze teksten bleek een beperking tot het ‘officiële vakgebied’, zoals Van Poecke dit aangeeft, niet altijd logisch. In Hughe van Bordeus is er bijvoorbeeld geen sprake van lichamelijke nabijheid van de interactanten als Hugo op de van Aberoen gekregen hoorn blaast, terwijl daarmee wel degelijk een boodschap (in dit geval een verzoek om hulp) wordt overgebracht. Ook bleek het in veel gevallen op basis van de tekst alleen niet mogelijk te bepalen of er sprake was van een denotatieve of connotatieve betekenis. Dit onderscheid is dan ook grotendeels buiten beschouwing gebleven. Om non-verbale communicatie te kunnen onderscheiden van andere handelingen heb ik steeds gekeken in hoeverre de beschrijving van een handeling nog een ander doel diende dan het direct aan de uitvoering van deze handeling gekoppelde gevolg. Zo is het eenvoudig openen van een deur om toegang tot een vertrek te krijgen níet opgenomen in mijn classificatie. Op het moment echter dat de auteur daar een toevoeging als bijvoorbeeld ‘haastig’ bij heeft vermeld, is er mijns inziens wél sprake van non-verbaal gedrag. Om dezelfde reden zijn gevechtshandelingen als aanrakingsgedrag grotendeels buiten beeld gebleven. Het uit het zadel stoten van een tegenstander is weliswaar een vorm van aanrakingsgedrag, maar is primair gericht op het winnen van de strijd in plaats van het overbrengen van non-verbale communicatie.
Indeling naar non-verbale categorieën
Door de gevonden vormen van non-verbaal gedrag in te delen naar categorieën die gebaseerd zijn op de kanalen waarlangs dit gedrag wordt geuit, ben ik zo dicht mogelijk bij
de beschreven uitvoering van het gedrag gebleven. Bij diverse onderzoeken naar overeenkomsten en verschillen tussen diverse teksten of auteurs wordt gedrag vaak primair ingedeeld naar de situatie waarin dit voorkomt.[57] Mijn vertrekpunt wijkt hier dus van af en is steeds de beschrijving van een bepaalde vorm van non-verbaal gedrag geweest. Uiteraard is er bij de verdere bestudering van de fragmenten wél aandacht voor de sociale context waarin dit gedrag vertoond wordt.
Verschil tussen emotie en gedrag
Door het non-verbale gedrag zélf als uitgangspunt te nemen, is er een wezenlijk onderscheid tussen mijn onderzoek en het ‘emotie-onderzoek’, waarbij het onderzoek zich meestal in eerste instantie richt op woorden die emoties uitdrukken. Gelaatsuitdrukkingen en paralinguïstische uitingen worden in verhalende teksten echter vaak beschreven in termen van emotiewoorden en komen als zodanig dus ook terug in mijn onderzoek. Te denken valt daarbij bijvoorbeeld aan een uitdrukking als die wel fellike op hem siet (Ferguut, vs. 4689), waarbij vooral de emotie (woede, kwaadaardigheid) verwoord wordt en pas in de tweede plaats de manier waarop deze fysiek vorm kreeg.
Specifieke beschrijvingen van alleen de gemoedstoestand van een personage zónder verdere verwijzing naar de manier waarop dit door een personage getoond wordt, heb ik zoveel mogelijk buiten beschouwing gelaten.
Meerdere uitingen in één fragment
Bij het bestuderen van non-verbaal gedrag in het dagelijks leven of in een laboratoriumsituatie blijkt telkens dat verschillende uitingen tegelijkertijd voorkomen en juist in hun onderlinge samenhang moeten worden geïnterpreteerd. Hoewel in teksten altijd een selectie gemaakt wordt door de auteur ten aanzien van wát hij wil beschrijven, komt het ook hier regelmatig voor dat één fragment meerdere uitingen van non-verbaal gedrag bevat. Zo valt bijvoorbeeld in Parthonopeus te lezen hoe Urake afstapt (een lichaamsbeweging) en vervolgens huilend (paralinguïstisch gedrag) voor de titelheld staat (houding): Die ioncfrouwe ende beete te voet. / Al wenende soe voor hem stoet (Parth. 2718-2719).
De door mij gevonden 753 fragmenten bevatten derhalve aanzienlijk meer vormen van non-verbaal gedrag, die ik in eerste instantie afzonderlijk heb geclassificeerd. Omdat er daardoor een aanzienlijke overlap ontstaat tussen diverse categorieën zal ik met name bij ‘lichaamstaal’ dynamische uitingen als bewegingen en de beschreven statische houdingen gezamenlijk bestuderen.
Niet nader gespecificeerd gedrag
Van 59 beschrijvingen is niet meer te achterhalen of deze betrekking hebben op lichaamsbewegingen, houdingen of gelaatsuitdrukkingen. De tekst geeft in deze gevallen slechts een algemene beschrijving van het gedrag, zoals bijvoorbeeld de passage waarin Hugo van Bordeus afscheid neemt van Abroen:
‘Ende doen nam hughe die edel riddere oorlof aen coninck Abroen met groter reuerencien ende weerdicheyt ende hi scheyde van daer metten sinen…’ (Hughe van Bordeus 21)
De uitdrukking ‘reuerencien’ kan duiden op een kniebuiging (vergelijk het Franse ‘révérence’). De betekenis hiervan kan echter ook breder worden opgevat als ‘Eer die men iemand om zijne eigenschappen of zijne waardigheid bewijst, vereering, eerbied’.[58] Welke gebaren er bij dit afscheid aan te pas kwamen, komen we helaas niet te weten.
Gevonden categorieën
Het overgrote deel van de door mij gevonden fragmenten is in te delen in de categorie ‘lichaamstaal’. Het gaat dan zowel om ‘alledaagse’ lichaamsbewegingen als opspringen of omdraaien als om handelingen die een ritueel karakter hebben, zoals kronen of dopen. Ook gelaatsuitdrukkingen behoren tot deze categorie, waarbij de betekenis van het Middelnederlandse ‘gelaet’ het verband tussen gebaren en uiterlijk voorkomen fraai illustreert: ‘De wijze waarop iemand of iets zich vertoont, zich voordoet, er uitziet; dus het voorkomen, het uitzicht, het uiterlijk vertoon, het uiterlijk voorkomen; in tegenstelling van de innerlijke hoedanigheden. Eene enkele maal ook in het mv. in de bet. gebaar’.[59] In deze scriptie ligt het zwaartepunt op de verschillende facetten van lichaamstaal.Paralinguïstische uitingen vormen qua aantal vindplaatsen een goede tweede groep, gevolgd door beschrijvingen van aanrakingsgedrag en fysiek voorkomen. Informatie over persoonlijke ruimte komt slechts sporadisch voor. En hoewel er in sommige teksten veel aandacht is voor uitvoerige beschrijvingen van de omgeving (te denken valt bijvoorbeeld aan de beschrijving van ‘Chiefdore’, waar de lezer uitgebreid meeleeft met de waarnemingen van Parthonopeus) heb ik hier in mijn onderzoek verder weinig aandacht aan besteed omdat er al het nodige onderzoek is gedaan naar de functie van ruimte in Middeleeuwse verhalende teksten.[60] Beschrijvingen in termen van ‘tijd’ heb ik slechts driemaal gevonden. De categorie ‘geur’ tenslotte bleek in geen enkele tekst terug te vinden en zal dus uiteraard verder buiten beschouwing blijven.
Presentatie van de resultaten
De door mij verzamelde 753 fragmenten heb ik ingedeeld in 215 verschillende soorten gedrag.[61] Het scala aan non-verbale uitingen waaruit geput kan worden blijkt daarmee zeer groot; ondanks mijn pogingen tot abstraheren komen maar liefst 97 vormen van gedrag slechts één keer voor in het totale corpus. Binnen de non-verbale gedragingen die vaker voorkomen, wordt bovendien nogal eens gevarieerd waar het de uitvoering betreft. Zo kan een lichaamsbeweging waarbij een personage zich omdraait samengaan met blijdschap (zie bijvoorbeeld Floris ende Blancefloer, vs. 1309), of juist droefheid (zoals in Floris ende Blancefloer, vs. 1477). De weergave van de resultaten van mijn onderzoek valt in twee delen uiteen. In de navolgende drie hoofdstukken zal ik allereerst ingaan op een aantal gedragsvormen en de – in mijn ogen – meest opmerkelijke bevindingen. Daarbij heb ik mij, gezien de omvang en de verscheidenheid van de gevonden fragmenten, noodzakelijkerwijs beperkt tot de categorieën lichaamstaal, paralinguïstisch gedrag en aanrakingsgedrag. Naast ruimte, tijd en geur komt dus ook het fysieke voorkomen niet aan bod.[62] Bovendien zal ik niet álle gevonden passages uitputtend behandelen. Deze hoofdstukken kennen noodzakelijkerwijs een redelijk losse lijn, het is mij er vooral om te doen te illustreren wat er aan variaties mogelijk is. Daarna wil ik in een tweetal analyses aantonen hóe een auteur uitingen van non-verbale communicatie in de tekst gebruikt en in hoeverre de bestudering van juist deze aspecten in een tekst kan bijdragen aan de literaire interpretatie. De teksten waar ik voor heb gekozen zijn allereerst een fragment uit Parthonopeus (vs. 3172-4062), gevolgd door de Roman van Cassamus.
Horizontale houdingen: knielen en buigen
Wie knielt, maakt zich letterlijk klein. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze houding veel te maken heeft met onderwerping in een hiërarchische verhouding.
In het Middelnederlands wordt knielen veelal verwoord met de uitdrukking ‘knielen’ of ‘op sien knyen vallen’. Ook de uitdrukking ‘op haer voeten vallen’ komt voor. Een beschrijving van hoe dit knielen uitgevoerd diende te worden is te vinden in het Boec van Seden:
Alstu kniels dan saltu houden
Deen been vp ende dander vouden
Maer vor gode eist heere eist cnape
Eist coninc bisscop clerc of pape
So moetmen met beeden beenen cnielen (vs. 734-738)[63]
Waar men dus in het intermenselijke contact kon volstaan met het knielen van één been, was het tegenover God voorgeschreven met beide knieën te buigen.[64] Overigens wordt er in de door mij bestudeerde teksten niet erg strikt de hand gehouden aan dit onderscheid, ook voor mensen wordt regelmatig met beide knieën gebogen.
Knielen wordt in de Middeleeuwen allereerst gebruikt als een universeel teken van eerbied en is dan ook een gebruikelijk manier om een heerser of vorst te begroeten. De (nog onopgevoede) Ferguut moet dit expliciet verteld worden door de kamerheer die hem ingewijd heeft in het hoofse leven:
Die here quam gegaen sijn wert
Die heme in sijn ore seide
Dat hi viele op sijn knien beide (Ferguut, vs. 998-1000)
Ferguut gehoorzaamt onmiddellijk en valt inderdaad voor de koning neer. Zijn geknielde houding dient echter naast begroeting ook nog een ander doel: Ferguut vraagt de koning deemoedig om tot ridder geslagen te worden. Knielen wordt hier dus ook gebruikt om een verzoek extra aan te zetten, een functie van het gebaar die in meer fragmenten terug te vinden is. Zo knielt de hertog in Floris ende Blancefloer voor de emir als hij het woord neemt en zijn heer nederig verzoekt het leven van beide gelieven te sparen (vs. 3634-3635). Floris zelf valt ook voor de voeten van de emir als hij smeekt om Blancefloer als vrouw te mogen ontvangen (vs. 3832). En in de Parthonopeus knielt de titelheld voor de vrouw van Herman als hij haar smeekt om hem (tijdelijk) te laten gaan uit zijn gevangenschap, zodat hij het toernooi om Melioers hand kan bijwonen (vs. 4180).
De meeste fragmenten waarin geknield wordt, hebben echter te maken met overgave en het vragen om genade. In de Ferguut knielen zowel de overwonnen zwarte ridder als de roofridder voor koning Artur (en de eerste ook al eerder voor Ferguut zelf; vs. 1891; 2817; 2917). Met de hiërarchische verhoudingen in het achterhoofd is het dus niet verwonderlijk dat de weliswaar overwonnen, maar nog altijd machtige koning Galarant níet knielt voor koning Artur en zelfs te paard voor hem rijdt (vs. 4932-4933). Als Lunette neerknielt aan het bed van Galiëne en bekent dat zij er niet in geslaagd is een kampvechter te vinden, gaat dit gepaard met haar volledige overgave: “Ouer mi so doet rechten / Doet mi branden in enen viere “(vs. 4548-4549). Ook Hugo van Bordeus vraagt knielend genade aan Claramonde en knielt vervolgens ook als hij vergiffenis vraagt aan Abroen (Huge van Bordeeus 48, 53).
Onderwerping is ook de achterliggende gedachte in een aantal strijdfragmenten, waar ‘knielen’ gebruikt wordt om aan te geven wie er aan de verliezende hand is (o.m. Hughe van Bordeus 32, Ferguut 4111, Roman van Cassamus 780). In twee van deze gevallen wordt specifiek het woord ‘bugen’ gebruikt, en wel in de Roman van Cassamus en in Hughe van Bordeus, (waar het overigens direct gevolgd wordt door ‘viel op sijn knyen’). In de door mij bestudeerde teksten is het gebruik van ‘bugen’ dus kennelijk voorbehouden aan het strijdgewoel.
Overigens had het begrip ‘buigen’ in de Middeleeuwen een andere betekenis dan onze moderne opvatting van een buiging. Waar wij een buiging vooral interpreteren als een beweging waarbij het bovenlichaam naar voren neigt, had de middeleeuwse betekenis van buigen in eerste instantie betrekking op het buigen van de knie en is het al dan niet meebewegen van het bovenlichaam niet van belang. Op die manier ontstond een soort half-geknielde houding, waarbij een been naar achteren werd gebogen zonder dat beide knieën de grond raakten.[65]
Een ruimere betekenis dan ‘bugen’ heeft het woord ‘nicken’, dat naast buigen of bukken ook betrekking kan hebben op ‘het hoofd buigen’ in letterlijke zin.[66] De passage in de Ferguut waarin de titelheld tijdens de strijd een rake slag uitdeelt aan Galarant illustreert deze ruimere betekenis. De koning moet weliswaar in het zadel buigen (vs. 4080), maar is nog in staat direct daarop weg te vluchten uit het strijdgewoel, zodat er van een val geen sprake geweest kan zijn.
Alleen in Parthonopeus vinden we het gebruik van het woord ‘nijgen’. Ook dit woord kan, net als ‘nicken’, zowel wijzen op een complete buiging met geknielde benen als op het nijgen van het hoofd. Supplices en Anceloot, twee van Parthonopeus’ mannen, ‘nijgen’ naar alle aanwezigen ter afscheid (vs. 6373). Met het oog op de context ligt het voor de hand hier een complete buiging te veronderstellen. Ook de sultan, die eindelijk oog in oog staat met zijn vermeende geliefde Melioer (in feite is het Urake die hem ontvangt) knielt in eerste instantie zwijgend voor haar neer (vs. 8155). Alleen in het laatste fragment is er duidelijk sprake van een beweging van het bovenlichaam, aangezien al eerder is aangegeven dat beide gelieven zich zittend op het bed van Melioer bevinden (vs. 8194): ‘Met dien neech hi hare tehant / ende bleef also in haren scoot.’ (vs. 8236-83237).
Naast het knielen ter begroeting of afscheid of het vragen om genade kan men ook knielen uit dankbaarheid. Een interessant fragment is in dit kader te vinden in de Roman van Cassamus, waar de oude Cassamus voor Alexander knielt als deze aanbiedt hem schadeloos te stellen voor de dood van zijn broer (vs. 104-106). Dit fragment draagt zowel elementen van genade als van dankbaarheid in zich. De auteur beschrijft de genade expliciet: Cassamus ‘.. woude cussen sinen voet / alse een die soeken wilt oemoet’ (vs. 105-106). En het is zeker niet ondenkbaar dat Cassamus knielt uit genade voor zijn eerdere onuitgesproken verlangen om de dood van zijn broer ter plekke te wreken. Alexander, die echter niets afweet van dit innerlijke verlangen van Cassamus, is zich hier dus niet van bewust en vat de geste op als teken van dankbaarheid voor de hulp die hij aanbiedt. De onderwerping van Cassamus komt hem in deze situatie ongepast voor: hij staat dan ook niet toe dat deze zijn voeten kust en helpt hem direct weer overeind.
Pure dankbaarheid is er tenslotte als Floris en Blancefloer voor de emir neervallen nadat hij besloten heeft hun leven te sparen (Floris ende Blancefloer, vs. 3849-3850). Ook hier laat de emir beiden weer opstaan, nadat hij hen heeft gekust, waarmee hij impliciet aangeeft hen niet langer als ondergeschikten, maar als gelijken te beschouwen.
Ook bij het knielen voor God spelen dankbaarheid en het vragen om genade een rol. In de Ferguut spreekt de titelheld geknield zijn dank uit omdat hij eindelijk op het spoor van het Witte Schild is gekomen (vs. 3290-3291), in Hughe van Bordeus wordt het gebed uitgesproken met de bedoeling genade te verkrijgen en uit gevangenschap verlost te worden (80, 68b).
In één fragment is er sprake van verdriet gecombineerd met een geknielde houding:
Si wranc haer hande met groten rouwe
Ende si versuchte ende weende sere
Want het dochte hare grote onnere
Op sine herte tintelde hare hant
Ferguut ontwakede alte hant
Ende vant knielen galienen (Ferguut, vs. 1462-1467)
De combinatie van verdriet met een horizontale lichaamshouding komt vaker voor: Floris beklaagt zich liggend voor het vermeende graf van Blancefloer nadat hij is bijgekomen (Floris ende Blancefloer, vs. 1128-1129) en in Parthonopeus is het de heidense koning
Sorganur die zich afzondert en liggend in zijn kamer zijn rouw betoont over het verraad dat
hij ondergaan heeft (vs. 1642-1648).[67]
Tot slot een opmerkelijke passage uit Hughe van Bordeus, waarin het knielen deel uitmaakt van een ritueel. Nadat de van verraad betichte Hugo de échte verrader, Amorijs, heeft uitgedaagd, maken beiden zich op voor de tweekamp en leggen de eed af waarin zij hun claim verantwoorden:
“ Doe knielde amorijs ende seyde. [….] Doe stont amorijs op ende huge knielde doe ende hi leyde sinen vinger op dat cruys ende hi dede sinen eedt seggende…” (11-12).
De auteur