| In het Nieuwe Europa. De Europese gedachte bij de Nieuwe Orde en collaboratiebewegingen in Vlaanderen (1931-1944). (Tom Cobbaert) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
9 mei 1950 wordt algemeen beschouwd als een historisch keerpunt voor Europa. Op die dag legde Robert Schuman, met zijn verklaring voor een Europese Federatie, de grondslag voor een geïntegreerde en supranationale samenwerking tussen de staten van Europa. Vele historische overzichten van de Europese samenwerking laten de integratie aanvangen met die rede, het merendeel verwijst ook naar het Pan-Europa van Coudenhove-Kalergi en de Association européenne van Briand. Algemeen wordt de Europese integratie gezien als een proces dat pas van start kon gaan na een radicale ommezwaai in de denkwijze van politici, tengevolge van de volledige ineenstorting van Europa en het politiek en economisch verval van de Europese staten. Europese samenwerking kwam voort uit het besef dat een verscheurd Europa geen rol meer kon spelen in een bipolaire wereldpolitiek, de roep om “Nooit meer oorlog!” na het trauma van twee wereldoorlogen en de wens en het verlangen naar een vrije en rechtvaardige wereld.
Toch is de historiografie van de Europese gedachte niet zo eensgezind als men zou vermoeden. Terwijl deze voor 1945, onder invloed van Coudenhove-Kalergi’s “Paneuropa”, hoofdzakelijk ideologisch geïnspireerd was, kwam na de oorlog een in hoofdzaak wetenschappelijke geschiedschrijving over de Europese eenwording op gang. Die geschiedschrijving kaderde vooral in het streven naar Europese integratie en stond er ook mee in relatie. Er waren verschillende ‘traditionele’ scholen en ‘moderne’ stromingen te onderscheiden, die elk op een andere manier naar Europa keken en aldus de historische kijk op Europa beïnvloedden.
Een eerste ‘traditionele’ school die we kunnen onderscheiden was de zogenaamde “Klassieke” school van de integratie-historiografie. Deze school kan zowat de belangrijkste binnen dit historiografisch kader worden genoemd, omdat zij dankzij haar grote verspreiding en brede bekendheid het geschiedbeeld van de Europese integratie gevormd heeft. Een van de belangrijkste personen uit deze klassieke school was Walter Lipgens, die in 1985 het gezaghebbende Documents on the history of European Integration publiceerde. Zijn doelstelling, en deze van de gehele klassieke school, was te onderzoeken hoe vanuit een idee een verenigd Europa kon ontstaan. Lipgens kan dan ook als een ideeënhistoricus worden gecategoriseerd, waarbij hij net als enkele vooroorlogse auteurs de oorsprong van Europa in de Middeleeuwen bij Karel de Grote ging zoeken. De klassieke school was dan ook bij uitstek een idealistische school, die vanuit haar geloof en bewondering voor het Europese integratieproject werkte rond een breed Europa-concept dat een Europees verleden, een Europese identiteit, een Europese toekomst en een Europese cultuur omvatte. Het geloof in het verenigde Europa was rotsvast en de Verenigde Staten van Europa waren een nabije werkelijkheid, een onontkoombaar fenomeen. Deze klassieke school kende haar hoogtepunt in de eerste jaren van de Europese integratie, met name in de jaren vijftig en zestig (De Rougemont[1] en De Sainte-Lorette[2]), maar ook later waren er nog historici, zoals Hendrik Brugmans[3], die we kunnen plaatsen in deze klassieke traditie.[4]
Een tweede ‘traditionele’ school of visie die we terugvonden was de onvermijdelijke marxistische school en haar geschiedbeeld van de Europese integratie. De marxistische school kwam overeen met de klassieke school inzake haar ideologisch karakter en de primering van de ideeëngeschiedenis. Natuurlijk werd het integratieproces op een andere manier onderbouwd en stelde men dat integratie “de uitkomst was van de zich historisch-dialectisch steeds verder ontwikkelende internationale arbeidsverdeling en internationale vergemeenschappelijking van het economische leven”. De integratie op kapitalistische grondslag zoals het in de EGKS en de latere EEG bestond was echter geen duurzaam leven beschoren en was tot ondergang gedoemd. In de marxistische analyse werd een federaal Europa dan ook consequent afgewezen, alhoewel er een evolutie waar te nemen was parallel aan de vreedzame coëxistentiepolitiek van Chroetsjov. De marxisten hadden er ook alle vertrouwen in dat de Europese integratie niet zo’n vaart zou lopen omdat ze niet werkbaar werd geacht. In het kader van de Europese historiografie waren de marxistische historici vooral van belang voor hun alternatieve kijk op het integratieproces. Zij legden nadruk op de mislukkingen van het proces (Europese Defensie Gemeenschap[5]), hadden een scherp oog voor de interne tegenstellingen (noord-zuid) en namen een kritische houding inzake Europa’s beleid ten aanzien van derde landen (verhouding tussen Europa en de Verenigde Staten van Amerika).[6]
De stagnatie van het Europese integratieproces in de jaren zeventig en tachtig versterkte de kritische houding van historici ten opzichte van de klassieke benadering van de Europese eenmaking. Samen met de ontsluiting aan het einde van de jaren zeventig van het eerste primaire bronnenmateriaal inzake de Europese integratie kwamen er nieuwe ‘moderne’ stromingen in de Europese historiografie tot stand.[7]
Als eerste ‘moderne’ stroming kunnen we in dit verband de diplomatieke geschiedschrijving noemen, gekend omwille van haar eruditie inzake archiefonderzoek. Inzake de historiografie van de Europese gedachte maakten zij zich verdienstelijk door een inzicht bieden in de complexe onderhandelingen van de Europese verdragen en de compromissen van de uiteenlopende nationale visie en belangen hierbij.[8]
Een tweede ‘moderne’ stroming die opgang maakte in de jaren zeventig en tachtig was de Milward-school, een verbond van jonge historici die zich lieten inspireren door de economisch historicus Alan Steele Milward. De Milward-school spitste zich in het onderzoek vooral toe op het Europese beleid en de multilaterale besluitvorming. Hun grootste verwezenlijking inzake de Europese historiografie was evenwel de tegenstelling tussen de nationale belangen en het Europese belang dat zij in het licht stelden. De Milwardianen vielen de “klassieken” frontaal aan door te stellen dat de Europese verdragen geen stappen zijn in de richting van een Europese eenwording. De grote verdragen van de Europese integratie waren volgens hen in de eerste plaats het resultaat van bikkelharde onderhandelingen tussen soevereine staten die hun eigen nationale belangen optimaal wilden behartigen. Het “Europees gehalte” van de grote verdragen was voor hen dus minimaal. [9]
De Milwardianen waren evenwel niet de enige ‘iconoclasten’ die opgang maakten in deze ‘moderne’ historiografische revolutie. Zo waren er de possibilisten, die stelden dat de Europese integratie geen gegeven procesmatige ontwikkeling naar eenheid was, maar één van de mogelijke uitkomsten van het menselijk handelen.[10] Op het einde van de jaren negentig bekritiseerden een aantal historici de nadruk die men vroeger op het belang van de naties legde. Daartegenover werd er meer aandacht besteed aan de invloed van drukkingsgroepen in het integratieproces, de zogenaamde multilevel-analyse. Heel recent evolueerde de studie, vooral in de politieke en sociale wetenschappen, naar transnational networks, zoals het werk van Bastiaan Van Apeldoorn.[11]
In reactie tegen deze ‘iconoclastische’ historiografie en vanuit een hernieuwd Europees optimisme in de jaren negentig, naar aanleiding van het Verdrag van Maastricht en de oprichting van de Economische en Monetaire Unie (EMU), ontwikkelde zich de neo-klassieke school die het geloof in de Europese eenwording opnieuw hoog in het vaandel stelde. In tegenstelling tot de vroegere ‘klassieken’ onthield zij zich van de hagiografie waar de klassieke historiografie soms in verviel. Ten gevolge van de historiografische revolutie in de jaren tachtig stelde zij zich ook veel kritischer op inzake de Europese eenwordingsgeschiedenis. Een goed voorbeeld was Bossuat die in 1994 samen met Girault de bundel Europe brisée, Europe retrouvée: nouvelles réflexions sur l’unité européenne au XXe siècle[12] opstelde. Verder vinden we bij de vertegenwoordigers onder andere Den Boer[13], Bussiere, Dumoulin en Trausch[14].
Het Verdrag van Maastricht en de oprichting van de EMU versterkten niet alleen de positie van pro-Europeanen, ook de eurosceptici profiteerden van deze evoluties om hun kritiek te hernieuwen. Een opmerkelijk euroscepticus was de Brit John Laughland, die stelde dat de na-oorlogse Europese gedachte deels haar oorsprong vond in de ideologie die ze bestreed, het nazisme. In zijn boek The Tainted Source besprak hij uitgebreid de nazistische Europa-gedachte, die volgens hem te goed onderbouwd en uitgewerkt was om als een hypocriete propagandistische uitvinding, die de Duitse agressie moest verdoezelen, van de hand te doen. Verder stelde Laughland dat Duitsland en Frankrijk de Europese integratie als voorwendsel gebruiken om, in navolgingen van de nazi’s, een Europese grootruimte te ontwikkelen waarin beide landen de bovenhand zouden hebben.[15]
Eurosceptici verwierpen radicaal het pro-Europese en politiek correcte beeld van de Europese gedachte als een na-oorlogs, democratisch, pacifistisch en humaan concept. Britse anti-Europeanen konden ‘Europa’ niet in overeenstemming brengen met hun historisch politiek liberalisme. Het probleem met Europa was het “democratisch deficit” van de Europese Unie, een thema waar ook de pro-Europeanen zich van bewust waren. De machinisten van de Europese samenwerking hebben altijd geprobeerd de democratie centraal te plaatsen in het integratiestreven. Zo moest de uitbreiding met Spanje, Portugal en Griekenland in de jaren tachtig aantonen dat de Europese integratie ook van politieke aard was en de drie rechts-autoritaire regimes werden in “het Europa van de democratische waarden” opgenomen. In de jaren tachtig en negentig rezen, naar aanleiding van enkele schandalen, zowel bij sceptici als bij voorstanders vragen over het democratisch gehalte van de Europese samenwerking. In Maastricht, Amsterdam en Nice zochten de Europese leiders vergeefs naar een manier om de Unie als “open, sociaal en democratisch” te profileren bij de burgers, wat de tegenstand deed toenemen. Met het Verdrag van Laken werd eind 2001 de Europese Conventie opgericht die Europa duidelijker en democratischer moet profileren en aldus dichter bij de burger brengen. Daarenboven mag de Europese Unie in mei 2004 tien nieuwe lidstaten, waaronder acht oud-communistische regimes, verwelkomen. Pro-Europeanen hopen dat de Conventie en de uitbreiding aantonen dat de Europese samenwerking haar democratische waardengrondslag hoog in het vaandel draagt. Daartegenover verwachten eurosceptici niet veel heil van de Conventie en de uitbreiding kan volgens hen enkel de macht van de ‘eurocraten’ versterken.
Wanneer we dit dramatisch contrast tussen pro-Europeanen en eurosceptici historiografisch bekijken, blijkt dat het interbellum en de oorlogsjaren een essentieel scharnierpunt vormden. De “Klassieke” pro-Europeanen verwezen vooral naar Coudenhove-Kalergi en Briand in het interbellum en de diverse plannen van de geallieerden en het verzet tijdens de oorlog. Zij gingen dan ook een discussie over een Europese gedachte bij het fascisme en nazisme angstvallig uit de weg om het democratische profiel van Europa niet in gevaar te bregen. Anti-Europeanen, zoals Laughland, benadrukten daarentegen de Europese gedachte bij extreem-rechts om het democratisch deficit van de Europese samenwerking te veroordelen. Daarom was de noodzaak van een kritisch historisch onderzoek er zeker niet minder op geworden en werden er in de voorbije jaren reeds enkele studies ondernomen omtrent extreem-rechts en de Europese gedachte.[16]
Het onderzoek naar de Europese idee bij extreem-rechts spitste zich voornamelijk toe op het Duits nazisme en het Italiaans fascisme, alhoewel er in het voorbije decennium reeds enkele studies over andere Europese landen verschenen.[17] In België concentreerde het onderzoek zich op de diplomaten en de intellectuelen van het Belgisch establishment.[18] Daarnaast maakt de voornaamste Waalse extreem-rechtse beweging, Rex, deel uit van het lopende doctoraatsonderzoek van Geneviève Duchenne.[19] Het brede spectrum aan extreem-rechtse bewegingen in Vlaanderen werd daarentegen nog niet onderzocht en het is de betrachting van deze licentiaatsverhandeling deze lacune op te vullen.
Zo komen wij tot de volgende vraagstelling: Is er in Vlaanderen een Europese gedachte terug te vinden bij de Nieuwe Ordebewegingen in het interbellum en de nazistische collaboratiebewegingen tijdens de Tweede Wereldoorlog? Wat was het belang van deze gedachte in de ideologie van deze bewegingen? Kunnen er een aantal thema's onderscheiden worden? Zijn er belangrijke overeenkomsten of verschillen tussen de verscheidene bewegingen? Zijn er invloeden van het Italiaans fascisme, het Duits nazisme of andere rechts-radicale groeperingen?
Het panorama van extreem-rechts in Vlaanderen tijdens het interbellum en de Tweede Wereldoorlog was veelkleurig. Uit de literatuur kunnen we zeven verschillende bewegingen distilleren: het Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen, het Vlaamsch Nationaal Verbond, Rex-Vlaanderen, Nieuw Vlaanderen, de Eenheidsbeweging-VNV, de Algemeene Schutscharen Vlaanderen en de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft.[20]
Om de Europese gedachte bij deze bewegingen te bestuderen zijn er verschillende mogelijkheden. Wij opteerden ervoor om de respectieve weekbladen van de verschillende bewegingen als centrale bron te bestuderen, daar we vaststellen dat deze het medium bij uitstek waren om de ideologie onder het publiek te verspreiden. Iedere beweging had daarenboven een eigen weekblad, waardoor het makkelijker is vergelijkingen te maken tussen de onderscheiden bewegingen. Een bespreking van de verschillende weekbladen voegen we bij in bijlage.[21]
Als beginpunt voor de studie nemen we het jaar 1931, wanneer Joris Van Severen het Verdinaso oprichtte. Het eindpunt komt in september 1944 wanneer België door de geallieerden werd bevrijd en extreem-rechts in Vlaanderen voor een tijdje van het toneel verdween. Een logisch breekpunt lijkt dan ook mei 1940, de Duitse inval in België. De bronnen stellen ons evenwel voor een probleem, want enkele weekbladen liepen na een tijdelijke onderbreking verder en verdwenen pas in 1941 of verliezen in 1941 hun belang voor dit onderzoek. De weekbladen die de oorlogsperiode beslaan verschenen daarenboven pas vanaf 1941. Een belangrijk gegeven in dit opzicht is de oprichting van Eenheidsbeweging-VNV in juni 1941, want deze omvatte Verdinaso, VNV en Rex-Vlaanderen en hun respectievelijke weekbladen.[22] Om de eenheid van de bronnen te bewaren kiezen we ervoor om de breuklijn in 1941 te leggen. De resultaten van deze bronnenstudie splitsen we dan ook op in twee delen, een deel dat de periode 1931-1941 beslaat en een deel dat de periode 1941-1944 omhelst, respectievelijk delen twee en drie in deze verhandeling. In deel twee (1931-1941) maken we wel een duidelijk onderscheid tussen de periode voor mei 1940 en de periode erna.
Tenslotte willen we nog uw aandacht vestigen op de licentiaatsverhandeling van Joachim Theuwen die de Europese gedachte bij Nieuw-Rechts in Vlaanderen behandelt en in zekere zin historisch aansluit op onze verhandeling.[23] Samen willen we de aanzet vormen voor een ruimer onderzoek naar de relatie tussen Europa en extreem-rechts in Vlaanderen.
Een onderzoek over de Europese gedachte bij de Vlaamse Nieuwe Orde en collaboratiebewegingen hangt niet in het luchtledige. Daarom bekijken we eerst enkele aanknopingspunten. Naast de geschiedenis van extreem-rechts in Vlaanderen behandelen we ook de Europese gedachte bij de ‘gidsen’ van extreem-rechts in Europa, het fascistische Italië van Benito Mussolini en het nazistische Duitse Derde Rijk van Adolf Hitler.
1.1 Fascistisch Italië
De fascistische idee van Europa dateerde zeker al van voor de Tweede Wereldoorlog. In de jaren ’30 was er binnen de fascistische beweging en de regering van Mussolini een duidelijke eurofascistische strekking, die pleitte voor een verenigd Europa. Voor de Latijnse fascisten bestond er geen tegenstelling tussen internationalisme en fascisme. Mussolini gaf een duidelijk blijk van interesse in Europa, vooral na zijn ontmoeting met Coudenhove-Kalergi op 10 mei 1933.[24] Coudenhove-Kalergi had in Rome ook een ontmoeting met Asvero Gravelli, redacteur van het maandblad Antieuropa, in wie hij een volgeling zag. Antieuropa, opgericht in 1929, was een belangrijke factor in de fascistische Europa-idee. De naam verwijst naar de afkeer van het ‘oude’ Europa[25], en het propageren van het ‘nieuwe’ Europa, dat verenigd zou staan onder leiding van Benito Mussolini. Men wou duidelijk het fascisme over heel Europa internationaliseren. Het fascisme van Mussolini werd gezien als de oplossing voor heel Europa, geteisterd door de parlementaire democratie.[26]
De eerste duidelijk uitdrukking hiervan was het ‘Convegno Volta’ in november 1932, een door de Accademia d’Italia[27] georganiseerd congres over de vraagstukken van de Europese eenheid. Het doel van dit congres was, volgens Mussolini, een antwoord te geven op de nood aan een politieke hiërarchie tussen de grote machten, tegenover het abstract principe van gelijkheid tussen de verschillende staten.[28] De uiteindelijke conclusie van het congres stelde dat het fascisme de oplossing bood voor de Europese problemen, met name de suprematie van de Verenigde Staten, de dreiging van het bolsjewisme en de democratische zwakte van Europa. Er moest in alle Europese staten een fascistische revolutie plaatsgrijpen gebaseerd op de idealen van de nuova civiltà: gezag, orde en rechtvaardigheid.[29]
Tot 1941 had Italië nog enig belang en genoot het onafhankelijkheid binnen de As met Duitsland, maar al snel werd het land economisch en militair afhankelijk van Duitsland en nam het de oorlogsdoelen van Duitsland over. Na 1940 werd de Europa-idee in fascistisch Italië een reactie op de Duitse plannen en werd zij gevoed door de vrees voor een Duitse overheersing in Europa. Men vond dat Duitsland de toekomst van Europa niet alleen mocht bepalen. [30]
De belangrijkste propagandisten van de Europa-idee in Italië waren verdeeld in twee groepen: aan de ene kant de pragmatische ‘technocraten’, onder wie Giuseppe Bottai, en aan de andere kant de vertegenwoordigers van de nuova civiltà, vertegenwoordigd door Camillo Pellizi.
Pellizi was de redacteur van Civiltà Fascista en de organisator van een symposium in november 1942 over de idee van Europa. Dit symposium behandelde de idee van Europa als één politiek en economisch geheel. De ‘technocraten’ hadden zich eerder dat jaar al uitgesproken voor een Europees Lebensraum, waarbij het Europese continent economisch één zou worden door een institutionele hervorming met behoud van bepaalde politieke regimes. De nuova civiltà-groep daarentegen stelde dat het Europese vraagstuk niet van een economische dimensie was, maar eerder een vraagstuk van tegenovergestelde ideologieën, waarboven het fascisme uitsteeg.[31]
Bottai, één van de intelligentste medewerkers van Mussolini, schreef in 1940 een brief naar de Duce waarin hij stelde dat Italië volledig afhankelijk was van Duitsland en in de ordening van Europa na de oorlog niets te brokken zou hebben. Daarom riep hij de Duce op om studiegroepen te installeren die het probleem van een gebalanceerde Europese integratie moesten onderzoeken. Bottai pleitte ervoor geen scheiding te maken tussen agrarische en industriële regio’s, maar wel een supranationale ethiek te volgen gebaseerd op het principe van distributief recht.[32]
Hij was ook redacteur van Primato en Critica Fascista, waarin veel aandacht werd aan de institutionele problemen van een Europese integratie. Bij de Critica Fascista was corporatisme het kernwoord van het fascistisch ‘Europeanisme’. Corporatisme was de verbeelding van de nieuwe fascistische internationale solidariteit. Die solidariteit zou uiting krijgen in een supranationale orde, waarin individuele naties wel hun eigenheid bewaarden, maar niet hun politieke en economische onafhankelijkheid. Die nieuwe Europese economische orde zou de belangen van de lidstaten harmoniseren, winnaars en verliezers samenbrengen in één gemeenschap, en zo vrede en rechtvaardigheid beschermen. Dit fascistisch-corporatistisch ‘Europeanisme’ was vooral een antwoord op de mogelijke gevolgen van een complete Duitse overwinning, waarbij de claims van een Duits monopolie op de Nieuwe Orde gecounterd werden. Het Italiaans corporatisme werd gezien als een hoeksteen van de As, en zou de leidraad zijn voor de na-oorlogse internationale orde.[33]
Italië bleef aandringen bij Hitler dat er plannen moesten worden opgesteld voor het Europa na de oorlog. 1943 was het jaar van een groot pro-Europees offensief van de Italiaanse diplomatie, waarbij er ondermeer in februari een ‘Europees Charter’ werd uitgeschreven. Dit document toonde niet alleen pijnlijk aan dat Italië volledig aan Duitsland gebonden was, maar ook de onmogelijkheid van Italië om een nieuwe Europese orde te scheppen.[34]
1.2 Nazistisch Duitsland
Wanneer Hitler op 1 september 1939 Polen binnenviel en zo het startschot gaf voor de Tweede Wereldoorlog, was dit niet met de bedoeling een verenigd Europa te creëren. Binnen de nazi-top circuleerden er evenwel al enkele jaren verschillende visies over de toekomst van Europa.[35]
De eerste was een politiek-economische conceptie van Europa, ontwikkeld door nazi-intellectuelen zoals Daitz, Reithinger, Höhn en Schmitt. Die conceptie hield in dat, om een continentale blokkade te kunnen overleven, er akkoorden nodig waren met Oost-Europese staten die het nuttigst waren voor de Duitse economie. Naarmate de Duitse macht steeds verder over Oost-Europa strekte, rees de vraag naar een fundamentele reorganisatie van de economie, waarbij de vragen over munteenheid, buitenlandse handel en de verdeling van arbeid niet van lucht waren. Een tweede visie op Europa was de voorstelling dat het fascisme een nieuw principe van een Europese Orde was. Een principe tegenover de Anglo-Amerikaanse democratie en het Aziatisch bolsjewisme, met de Italiaans-Duitse ‘As’ als kern waarrond Europa een eenheid zou worden. Die eenheid zou geen zinloze eenheid zijn onder de knoet van de ‘As’, maar een eenheid met respect voor de diversiteit van de Europese cultuur. Een derde visie, met meer weerklank, was het SS-ideaal van een Groot Germaans Rijk. SS-Reichsführer Himmler beoogde evenwel geen ‘Europese familie van Volkeren’ noch een vrijwillige unie van Europese staten, maar eenheid door Germanisatie en het ‘selecteren’ van raciaal ‘waardevolle’ elementen in de bevolking. Puur geografisch bevatte de idee heel Europa, maar voor het overige was Europa een puur propagandistisch begrip. Een vierde variant was de idee van het ‘Heilig Roomse Rijk van de Duitse Natie’, dat als model werd gezien voor de toekomst. Daarbij werd zowel teruggegrepen naar het oude Romeinse Rijk als naar het middeleeuwse Heilig Roomse Rijk, met het universalisme als leidraad. Het keizerrijk van Napoleon en het British Empire waren toonbeelden hoe het niet moest. Een laatste Europese visie was een ‘Europese Monroe Doctrine’, waarbij ‘Amerika voor de Amerikanen’ omgevormd werd tot ‘Europa aan de Europeanen’. De achterliggende gedachte was dat Europa het recht werd toegekend, vrij te zijn van alle vreemde invloeden.[36]
Tijdens de eerste maanden van de oorlog werd het ‘Nieuwe Europa’ gretig gebruikt door de propagandamachine van Goebbels, maar zonder daar een echte inhoud aan te geven. De eerste tekenen van aandacht voor een ‘Europese’ planning kwam er in een richtlijn van Göring, die op 22 juni 1940 pleitte voor een nieuwe economische orde. Dit was het startschot voor de actieve Reichsminister Funk om de mogelijkheden van de bezette staten te onderzoeken. Op 25 juli 1940 stelde Funk in een speech dat er snel werk moest gemaakt worden van de economische reorganisatie, waarbij elke regio specifieke functies kreeg toegewezen binnen het kader van een beleid voor het totale continent.[37]
22 juni 1941 gaf een nieuwe dimensie aan het denken van een Europese eenheid bij de nazi’s. Met de oorlogsverklaring van Hitler aan de Sovjet Unie en de start van Operatie Barbarossa werd een nieuwe impuls gegeven aan de nazi-propaganda rond het thema van het ‘Nieuwe Europa’. Nu vocht Duitsland niet enkel meer voor de eenheid in Europa, maar vocht het ook om het Europese volk te beschermen tegen het ‘Bolsjewistisch monster’ en de ‘Joodse wereldheersers’. De propaganda bespeelde die ‘kruistocht voor Europa’ erg handig, zodat in de bezette staten het aantal inschrijvingen voor de SS spectaculair steeg. Hitler had echter geen oog voor dit enthousiasme en aanzag het eerder als verborgen ambities van de veroverde volken.
Als de nazi’s een kans hadden om Europa werkelijk te verenigen, was het wel kort na juni 1941. Op 25 november 1941 werd op een groot feest in Berlijn de hernieuwing en de uitbreiding van het Tripartite Pact gevierd. Dit pact, oorspronkelijk gesloten tussen Duitsland en Japan in 1936 en later uitgebreid tot Italië, was indertijd een propagandazet tegen de Komintern. In Berlijn traden een aantal Europese landen tot dit Pact toe, waarmee dit feest een ‘Europese’ allure kreeg. In de verschillende toespraken werd er dan ook regelmatig gesproken over het ‘nieuwe Europa’.
In 1942 dreef Goebbels de propaganda rond ‘Europa’ nog op met grote artikels in Das Reich, grote publieke redes en persdagen voor de buitenlandse kranten. Hitler was echter niet gelukkig met de aandacht voor Europa. Hij zag een vrijwillige samenwerking als een utopie. Toch kon hij niet verhinderen dat er in de verschillende ministeries plannen werden gemaakt, niet alleen op het Ministerie van Economie onder leiding van Funk, maar vanaf midden 1942 ook op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Er werd in september 1942 een ‘Europees comité’ opgericht, die de lijnen moest uittekenen voor een ‘Europese confederatie’. Dit resulteerde in een memorandum dat in maart 1943 werd voorgesteld. Het memorandum voorzag een ‘Europese confederatie’, gebonden door ‘Europese solidariteit’ en ‘Europese plichten’. De lidstaten zouden een zekere vorm van nationale soevereiniteit behouden en mochten ook een eigen buitenlandse politiek voeren, voor zover dit Duitsland niet zou schaden. Afrika zou een deel worden van het Europese Grossraum en een aantal staten zouden kolonies moeten afstaan aan Duitsland en Italië. Hitler, die eerder al een voorstel van een ‘Europese verklaring’ verworpen had, was echter niet gewonnen voor het plan en Ribbentrop nam enkel nota van het memorandum, waardoor het de facto naar de prullenmand werd verwezen.[38]
Naarmate het geloof in een Duitse overwinning in de loop van 1943 daalde, nam de aandacht van de partij-ideologen voor een Europese eenheid toe. De propaganda koesterde het begrip ‘Fort Europa’, er werd aandacht besteed aan de belangen van de kleinere staten en men trachtte de ‘valse’ opvattingen over de plannen van de nazi’s met Europa uit de weg te ruimen. Europa zou vorm krijgen nadat er aan drie voorwaarden werd voldaan: een nieuw Europa zou bestaan door de vernietiging van het communisme, Europa moest zijn eigen waarden en cultuur levend houden en zich afzetten tegen de Anglo-Amerikaanse cultuur, en de welvaart zou gegarandeerd worden door de realisatie van een Grossraumwirtschaft.[39]
De lente van 1943 was tegelijk het hoogtepunt maar ook het eindpunt van de Europese gedachte bij de nazi’s. Na de zomer van 1943 verloor de nazistische ‘Europa-ideologie’ iedere realiteitsbasis. Op politiek vlak was er complete desinteresse en de aandacht voor Europa op economisch vlak dreef voort op haar ideeën van vroeger. Enkel op cultureel vlak was er nog een levendige interesse voor Europa, maar die bleef steken in de politieke situatie van 1941, zodat dit denken niet meer was dan een nostalgisch droomwensen.[40]
2 Rechts-radicale bewegingen in Vlaanderen
2.1 Groei en bloei van de Nieuwe Orde
Alhoewel de eerste uitgesproken rechts-radicale beweging in 1931 gesticht werd, lagen de wortels van het Vlaams-nationale rechts-radicalisme in 14-18 en de jaren ’20. Het anti-belgicisme was van meet af aan een kernstuk van het Vlaams-nationalisme, waaraan naast de verwerping van de Belgische staat al snel de verwerping van het Belgisch parlementair regime gekoppeld werd. Binnen de in 1919 opgerichte Frontpartij, die in haar beginselen democratisch was, groeide al snel het besef dat de vernietiging van België niet langs democratische weg kon gerealiseerd worden, omdat een Vlaams-nationale partij nooit genoeg macht kon krijgen en het dus via de vestiging van een Nieuwe Orde zou moeten gebeuren. Ook het integraal-katholicisme, dat vooral in West-Vlaanderen leefde en erg wantrouwig was ten opzichte van de anti-klerikale liberale bourgeoisstaat, stuurde het Vlaams-nationalisme verder in een rechtse positie. Het anti-belgicisme van vele Vlaamsgezinde studenten zwenkte op het einde van de jaren ’20 naar de droom van een Groot-Nederlandse of Dietse Volksstaat, die het liberale kapitalisme zou vervangen door een nieuwe solidaristische orde. Anderen pleitten dan weer voor een ‘Revolution von rechts’, waarbij het burgerlijk-kapitalisme zou worden vervangen door een nieuwe nationale volksgemeenschap.[41]
De eerste beweging die openlijk voor de revolutie van rechts koos, was het door Joris Van Severen op 6 oktober 1931 opgerichte Verbond van Dietsche Nationaal-Solidaristen (Verdinaso). De in West-Vlaanderen geboren Joris Van Severen had tijdens de Eerste Wereldoorlog een erg belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van de Frontbeweging en de latere Frontpartij. Hij zetelde tussen 1921 en 1929 voor de Frontpartij in de Kamer, tot hij in 1929 niet werd herkozen. Al vroeg was hij een aanhanger van het rechtse solidarisme, de Groot-Nederlandse gedachte en werd hij sterk beïnvloed door de Action Française van Maurras en het fascisme van Mussolini. Joris Van Severen schiep met het Verdinaso een ‘stijlvolle’ rechts-revolutionaire anti-parlementaire formatie, waarmee hij een nationaal-solidaristische orde wou vestigen in een autoritair Dietsland. [42]
Het begrip “Dietsland” kende verschillende invullingen, waarover we hier even willen uitwijden. In de 19e eeuw was het vooral een cultureel begrip dat de verbondenheid tussen de Nederlandse en de Nederduitse dialecten benadrukte. Deze “Aldietsche” stroming wou een culturele eenheid bewerkstelligen van Frans-Vlaanderen tot Oost-Pruisen. Al snel kwam deze stroming in het vaarwater van het pan-Germanisme en splitste de Dietse Beweging in twee bewegingen. De ene beweging bleef vasthouden aan een Dietsland van Vlaanderen tot de Finse Golf, maar plaatste dit binnen een politiek pan-Germanisme. De tweede beweging ging meer het Nederlands benadrukken en evolueerde duidelijk in Groot-Nederlandse richting, de bekendste invulling van het begrip “Dietsland”. Zelfs in deze laatste stroming waren er staatkundig nog verschillen. Terwijl de ene “Dietsland” invulde als het samengaan van alle Nederlanders, van Friesland tot aan de Somme, koos men na 1918 voornamelijk voor het staatkundig samengaan van ‘Belgisch’-Vlaanderen en Nederland. Het begrip “Dietsland” kwam in de jaren dertig in rechts-autoritair vaarwater terecht en ondermeer het Verdinaso pleitte voor een staatkundige eenheid van Nederland, Vlaanderen en Frans-Vlaanderen.[43]
De vorming van het Verdinaso, de aantrekkingskracht die de beweging had bij de Vlaams-nationale jeugd en de verkiezingsnederlaag in 1932 versterkte de drang bij de Vlaams-nationale partijen om een meer rechts-radicale weg te bewandelen. Staf De Clercq kreeg de opdracht om vanuit de Vlaams-nationale beweging, verdeeld tussen radicalen en gematigden, een nieuwe Vlaams-nationale eenheidspartij samen te smeden. Het op 7 oktober 1933 gestichte Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) was dan ook een amalgaam van federalisten, Dietsers, pacifisten, democraten en fascisten. Een dag later werd het programma van het VNV bekendgemaakt, een programma dat vooral tegemoet kwam aan de eisen van de radicale West-Vlaamse vleugel van de Vlaams-nationalisten. Het programma volgde in grote mate het Verdinaso: het was anti-marxistisch, anti-liberaal, autoritair-corporatief, pleitte voor een vrij Vlaanderen dat zou opgaan in de Dietse Volksstaat en de omvorming van Vlamingen tot volwaardige Dietsers. Het voornaamste verschil met Van Severen, wat de enige toegeving was aan de gematigden en zo velen binnen de partij hield, was de deelname aan verkiezingen en parlementaire politiek. De Clercq was in tegenstelling tot Van Severen geen autoritair leider, maar een pragmaticus die de beide vleugels binnen de partij probeerde samen te houden en zoveel mogelijk Vlaams-nationalisten binnen de partij moest krijgen en houden.[44]
Een van de opmerkelijkste gebeurtenissen binnen de ontwikkeling van de Nieuwe Orde van de jaren ’30 was de ideologische evolutie bij Joris Van Severen. In de loop van 1933 zag Van Severen in dat de Belgische regering maatregelen zou nemen tegen het Verdinaso die de groei van de beweging sterk zouden belemmeren. Het was dus absoluut noodzakelijk de beweging in een beter daglicht te stellen. De eerste toespraak waarin hij openlijke pleitte voor een ‘Nieuwe Marschrichting’ op 14 juli 1934 werd nogal lauw onthaald, zijn tweede toespraak op 20 augustus 1934 in Izegem maakte veel meer indruk. De ‘Nieuwe Marschrichting’ bepleitte het herstel van de 17 Provinciën, waarbij Vlamingen en Nederlanders verenigd zouden worden in een Dietse staat samen met de Walen, die een speciaal statuut kregen. Het anti-belgicisme werd afgezworen, België moest niet meer vernietigd worden, maar van binnenuit veroverd, waardoor ook het federalisme werd afgewezen. Deze voor vele medestanders moeilijk te verteren ommezwaai was de voorbode van een loyaal belgicisme van Van Severen. Vanaf 1936 trachtte hij de Walen met de oprichting van het maandblad L’Ordre Thiois (later Pays-Bas Belgiques) te overtuigen van het Dietse solidarisme. De Waalse organisatie kwam echter traag op gang, Louis Gueuning werd op 4 mei 1940 leider van de Romaanse gouwen. In 1937, op de zesde landdag van het Verdinaso in Antwerpen, verwierp Van Severen het Diets nationalisme en pleitte hij resoluut voor een Bourgondische Staatsgedachte en naast de Belgische en de Nederlandse werd nu ook de Luxemburgse vlag gehesen. Het Verdinaso legde nu duidelijk het accent op een staatsnationalisme binnen het Belgische kader, wat binnen het Brusselse milieu werd opgemerkt. Joris Van Severen was na 1937 regelmatig te zien in Brusselse salons en had relaties met topfiguren van de katholieke partij, Paul-Henri Spaak, Hendrik De Man en het Hof.[45]
Het Verdinaso mocht dan wel invloed hebben op alle geledingen van de samenleving, het bleef verder van de macht verwijderd dan het zichzelf voorhield. Het VNV daarentegen kwam in 1936 dicht bij een regeringsdeelname. Staf De Clercq kon de verdeeldheid binnen de Vlaams-nationale partijtjes overwinnen en kwam met alle groeperingen tot een akkoord. Door met de benaming Vlaamsch Nationaal Blok (VNB) naar de verkiezingen te trekken, werd de toenadering aanvaardbaarder. Enkele partijtjes, zoals de Antwerpse Frontpartij van Hendrik Borginon, dachten na de verkiezingen het VNV naar hun hand te kunnen zetten. De verkiezingen brachten het VNB 13,6 % van de nationale stemmen op en De Clercq zette de succesvolle eenheid verder door de verschillende bewegingen van het VNB in het VNV te incorporeren zonder dat het programma van 1933 werd aangepast.[46]
Naast de incorporatie van de Vlaams-nationalistische partijen in het VNV, was er rond 1936 nog een concentratiebeweging actief. Het in 1934 opgerichte weekblad Nieuw Vlaanderen bepleitte de hergroepering van alle katholieke Vlaamse stromingen en koos voor een autonoom Vlaanderen in een federaal België. De redactie van het weekblad bestond voornamelijk uit katholieke intellectuelen die balanceerden tussen de katholieke partij en het VNV. De nederlaag van de katholieke partij en de overwinning van het VNV brachten het concentratie-initiatief in een stroomversnelling. Op 19 juli 1936 organiseerde Nieuw Vlaanderen in Leuven een Congres voor de Vlaamsche Concentratie, waar naast talrijke katholieke intellectuelen ook vertegenwoordigers van het VNV en het Verdinaso aanwezig waren. De verschillende sprekers riepen op tot een "een machtsconcentratie op organische grondslag op te richten tussen de Vlaamse politieke, economische, sociale en culturele formaties tot de gemeenschappelijke verdediging van het Vlaamse volksbestaan en het opbouwen van een christelijke en volkse orde in Vlaanderen". Na het congres was er bij de katholieke intellectuelen een grote geestdrift, die echter niet gedeeld werd door het VNV en het Verdinaso. De radicalen binnen het VNV konden een samenwerking met ‘andersdenkenden’ niet met hun totalitaire opvattingen verenigen. Joris Van Severen eiste de integrale overname van het Verdinaso-programma en wees uiteindelijk de concentratie-idee af. De gematigden binnen het VNV onderhandelden evenwel met de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV), de Vlaamse afdeling van de gefederaliseerde katholieke partij, over de vorming van een christelijke Vlaamse volkspartij. Die onderhandelingen leidden tot het op 8 december 1936 ondertekende Beginselakkoord KVV-VNV. De radicalen binnen het VNV bekeken dit akkoord met argwaan en al enkele weken later werd het akkoord als ‘dood’ beschouwd. Ook het enthousiasme voor de Vlaamsche Concentratie stierf langzaamaan weg, door de groeiende tegenstellingen tussen de partijen. Bij Nieuw Vlaanderen bleef evenwel de hoop bestaan tot de vorming van een concentratie, maar na 1938 was het klimaat en het enthousiasme er niet meer.[47]
Bij de verkiezingen van 1936 kwam er in België nog een tweede extreem-rechtse partij op. De Rex-partij van Leon Degrelle behaalde 11,5 % van de nationale stemmen, hoofdzakelijk kiezers die de Katholieke Partij de rug hadden toegekeerd. In Vlaanderen behaalde Degrelle 7 % van de stemmen, wat hem inspireerde om Rex een federale structuur te geven en in Vlaanderen een deel van het VNV-electoraat in te pikken. Zo ontstond er een derde rechts-radicale beweging in Vlaanderen, Rex-Vlaanderen onder leiding van de Vlaamsgezinde sportjournalist Paul De Mont. Rex-Vlaanderen was een nauwelijks gestructureerde organisatie, die een eentalig Vlaanderen in een federaal België bepleitte en haar hoogtepunt beleefde ten tijde van het Rex-VNV-akkoord, waarop we straks terugkomen. Deze ontnuchterde de hoofdzakelijk franskiljonse kiezers en zorgde ervoor dat de partij na 1937 langzaam wegsmolt. De gemeenteraadsverkiezingen van 1938 waren een vernedering, slechts in enkele gemeenten waren er rexistische verkozenen, waaronder de nieuwe Leider in Vlaanderen, Odiel Daem. Het zieltogende Rex-Vlaanderen kreeg de genadeslag met de affaire Adriaan Martens in 1939, toen er een conflict ontstond tussen de Vlaamse Rexisten en Degrelle, waarbij Degrelle eiste dat alle Rex-mandatarissen tegen de benoeming van oud-activist Martens zouden stemmen. Paul De Mont, Karel Convent en Odiel Daem namen ontslag, waardoor Rex-Vlaanderen onthoofd werd.[48]
Zoals we al opmerkten beleefde Rex-Vlaanderen zijn hoogtepunt tijdens het Rex-VNV-akkoord, dat door bemiddeling van Paul De Mont op 6 oktober 1936 werd gesloten. In dat geheim akkoord, dat evenwel twee dagen later al bekend werd, stelden beide partijen dat ze samen zouden ijveren voor een gefederaliseerd België onder de kroon van Leopold III. Rex zou in Vlaanderen ééntalig worden en meewerken om de verfransing van Brussel te beëindigen. Die samenwerking kreeg concreet vorm door de oprichting van de Arbeidsorde, waarin de fusie van het Vlaamsch Nationaal Syndicaat en de Rex-vakbonden was voorzien. Op 17 september 1937 werd het akkoord tengevolge van de onderlinge spanningen rond het debat over amnestie voor activisten echter opgezegd. Het VNV had dit akkoord gesloten om bij een door de Degrelle opgezette rechtse machtsgreep, het initiatief in eigen handen te houden en een alleenheerschappij van het VNV in Vlaanderen te verzekeren. Mede door het torpederen van een Vlaamsche Concentratie isoleerde het VNV zich langzaamaan van andere partijen en werd het al snel aanzien als een Duitse vijfde kolonne. Radicale VNV’ers maakten er geen geheim van sympathie te hebben voor het Duitse regime en De Clercq onderhandelde zelfs in het geheim met het Derde Rijk over een nieuwe Duitse bezetting. Officieel daarentegen steunde het VNV de Belgische neutraliteitspolitiek, waarbij het zich profileerde als vredespartij en waarschuwde dat België zich niet mocht laten meeslepen in een oorlog voor Franse belangen. In 1939 kon het VNV zijn positie in het Parlement nog verstevigen en met bijna 200.000 stemmen had Vlaanderen een rechts-radicale partij met een massabasis.[49]
De inval van 10 mei 1940 betekende een grondige wijziging in het bestaan van de rechts-radicale bewegingen in Vlaanderen. Doordat Joris Van Severen als staatsgevaarlijk element werd weggevoerd en op 20 mei 1940 in Abbeville door Franse militairen werd vermoord, was het Verdinaso onthoofd. Pas eind juni kwam de werking onder initiatief van Paul Persyn opnieuw op gang, nu met Emiel Thiers als Leider van het Verbond en Jef François als Leider van de Dinaso Militanten Orde. In de eerste maanden wilde men buiten de directe collaboratie blijven en werd de Nieuwe Marsch-politiek verder gezet. Er tekende zich evenwel al snel een scheiding af tussen twee groepen binnen het bestuur. De Gentse groep, bestaande uit François en Le Roy, pleitte voor een onvoorwaardelijke collaboratie en onderhandelde over samenwerking met het VNV. Zij zag het Dietse volk als een deel van de Germaanse volksgemeenschap. De Antwerps-Brusselse groep met Persyn, Van Dorpe, Van Bilsen en Van Herzeele wilde de Nieuwe Marsch-politiek voortzetten en zag Dietsland als een staat in Europa. Thiers stond voor de moeilijke opgave deze twee groepen binnen het Verdinaso samen te houden. Het zou hem niet lukken, in januari 1941 kwam het tot een open machtsstrijd, waarbij Thiers François en Le Roy uit de beweging ontsloeg. Jef François, met de steun van het door hem geleidde Dietsche Militanten Orde (DMO), sloeg terug, waarbij hij Thiers voor een ultimatum te stelde om het ontslag ongedaan te maken. Thiers zag in dat hij binnen het Verdinaso geen enkele rol meer te spelen had en trok zich terug als Leider. François nam de leiding in handen en zuiverde de Raad van Leiding door de burgerlijke groep uit te sluiten en de sleutelposten in handen te geven van DMO’ers. Hij verbrak ook de contacten met Gueuning, die samen met Persyn, Van Dorpe en Van Bilsen in februari een tegenleiding oprichtten. Dit Directorium mislukte door een Duitse interventie, die Persyn een gevangenisstraf kostte. Van Bilsen en Van Dorpe beslisten in het verzet te treden. Voor de Gentse groep lag de weg open naar de Eenheidsbeweging en de onvoorwaardelijke collaboratie. In de onderhandelingen met het VNV in maart en april werd het Verdinaso in een minderheidspositie gedrongen en werd het uiteindelijk op 5 mei door de Duitse militaire overheid tot een akkoord gedwongen. Le Roy kreeg een zetel in de Raad van Leiding, François werd tweede in rang van de gefusioneerde milities Dietse Militie – Zwarte Brigade en ook Hier Dinaso! werd behouden mits een naamsverandering.[50]
2.2 Met raad en daad: de collaboratie
Het VNV stond al vanaf de inval op 10 mei 1940 met beide benen in de collaboratie. Staf De Clercq had immers een Militaire Organisatie (MO) opgericht, die de verovering van België moest vereenvoudigen. Door de korte duur van de verovering kon de MO overigens nooit enig nut aan Duitsland bewijzen. In de eerste weken van de bezetting bood De Clercq zich al snel aan als collaborerende macht, in de hoop dat het in Vlaanderen de macht zou krijgen. De bezettende overheid voerde haar beleid in het teken van de wensen van Adolf Hitler, want als militair bestuur kon zij geen enkele beslissing nemen over de toekomst van het bezette land. Omdat Hitler beslist had dat de ‘Germaansche’ Vlamingen op alle manieren moesten gesteund worden, gaf het hoofd van het Militair Bestuur (MB) Reeder het VNV zijn volle steun. Op 10 november 1940 verklaarde De Clercq dat het VNV onvoorwaardelijk de zijde van Duitsland koos, waarmee het VNV zijn toekomst en die van Vlaanderen in de handen legde van Duitsland. De greep naar de macht van het VNV werd bevestigd door de benoeming van een groot aantal VNV’ers op belangrijke machtsposities, waarmee de bezettende overheid zich ook verzekerde van een Duitsvriendelijk en meewerkend bestuur. De machtspositie van het VNV trok verschillende personen uit andere bewegingen aan en ook het ledenaantal nam spectaculair toe. In mei 1941 gingen Rex-Vlaanderen en het Verdinaso op in het VNV, dat zijn naam veranderde in Eenheidsbeweging-VNV, waardoor men wilde tonen dat het VNV de enig zaligmakende beweging was in Vlaanderen.[51]
Ondertussen was er wel al een kaper op de kust verschenen. Sinds september 1940 waren er enkele initiatieven van René Lagrou om een nieuwe collaboratiebeweging op te richten los van het VNV, die volgens Lagrou met de burgerlijke en vooroorlogse democratie was verbonden en daarom niet dé nationaal-socialistische beweging van Vlaanderen kon zijn. Op 30 november werd officieel de Algemeene SS-Vlaanderen (ASSV) opgericht, die door de Duitse SS-leiding als een tegengewicht tegen het VNV was opgezet en kaderde in Himmler’s politiek van ‘hineinregieren’. De oprichting van de ASSV kaderde duidelijk in de machtsstrijd tussen het MB en de Schutzstaffeln (SS) van Himmler om de macht in België te veroveren, wat een afspiegeling van de strijd om de overheersende macht in Duitsland was. Terwijl het VNV niet mocht spreken over de mogelijke toekomst voor Vlaanderen, kon de ASSV onomwonden pleitten voor de annexatie van Vlaanderen bij Groot-Duitsland. De Groot-Duitse beweging kreeg veel steun van de machtige SS en kende een relatief succes. In de loop van 1941 werd de ASSV omgevormd tot de 1ste SS-Standaard Vlaanderen, die in oktober 1942 zijn naam veranderde tot Germaansche SS-Vlaanderen (GSSV).[52]
De GSSV zou echter nooit haar doel, de politieke SS van Vlaanderen worden, kunnen waarmaken. Die functie werd opgenomen door de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft (DeVlag), die ook door de SS werd ondersteund. De DeVlag was tussen 1936 en 1939 een culturele vereniging geweest, gericht op de toenadering tussen de Vlaamse en de Duitse cultuur. Bij de heroprichting in 1940 bleef de DeVlag een dynamische culturele vereniging met Nieuwe Orde-sympathieën. In mei 1941 werd de DeVlag opgenomen in de SS, gereorganiseerd naar nationaal-socialistisch model en kon vanaf dan genieten van een ruime SS-toelage. Jef Van de Wiele werd Algemeen Leider en Gottlob Berger president van de DeVlag. Met de steun van de SS groeide het ledenaantal tot circa 50.000 in 1943. De SS beschouwde de DeVlag als de enige nationaal-socialistische partij, met de GSSV als haar militie. De vereniging probeerde via haar nevenorganisaties alle terreinen van het maatschappelijke leven te bezetten, wat een botsing met het VNV onvermijdelijk maakte.[53]
Het VNV was in 1941 gestart met de werving voor de Waffen-SS, waardoor de militaire collaboratie bezegeld werd. Aanvankelijk kende die werving weinig succes, omwille van het wantrouwen ten aanzien van de SS, maar met de oorlogsverklaring aan ‘het bolsjewisme’ op 22 juni 1941 en de oprichting van een anti-bolsjewistisch Vlaamsch Legioen, nam het enthousiasme binnen het VNV toe. Het Vlaamsch Legioen zou aanvankelijk worden geleid door het VNV, maar werd gewoonweg opgenomen in de Waffen-SS, waardoor de leden werden overgeleverd aan de concurrentie. Die concurrenten, voluit door de SS gesteund, verhinderden De Clercq’s ambitie om de enige beweging in Vlaanderen te worden. Om de bezetter te imponeren en te tonen dat het VNV, in tegenstelling tot de DeVlag en de ASSV, een reële aanhang had en dus als enige de Duitse steun verdiende, deed De Clercq veel toegevingen en veel inspanningen. Het hoogtepunt van die inspanningen was de herdenkingsmars voor Reimond Tollenaere op 12 juli 1942 in Brussel. Drie maanden later overleed Staf De Clercq en werd hij opgevolgd door Hendrik Elias.[54]
Onder Hendrik Elias bereikte de strijd met de DeVlag een hoogtepunt. Het VNV verloor leden aan de DeVlag, die veel in Vlaams-nationalistische kringen rekruteerde en handig inspeelde op de ontevredenheid van de Groot-Nederlanders binnen het VNV. De DeVlag was ook actief op alle maatschappelijke terreinen, waardoor de invloed van het VNV in het smalle wereldje van collaboratie gevoelig daalde. Het belangrijkste voorbeeld hiervan is de oprichting van de Hitlerjeugd Vlaanderen, als concurrent voor de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen van het VNV. Elias verbrak in verschillende stappen de samenwerking met de SS, op 14 augustus 1943 werd de werving voor de Waffen-SS stopgezet en op 17 oktober 1943 verbood hij alle VNV’ers nog lid te zijn van de DeVlag. De laatste poging om de leidende beweging in Vlaanderen te worden had plaats op 29 februari 1944 in Berlijn. In een onderhoud tussen Himmler, Elias en Van de Wiele eiste de VNV-leider een beperking van de DeVlag tot de culturele activiteiten. Himmler bekende daarentegen zijn volledige steun aan de DeVlag en verklaarde dat er ook geen sprake kon zijn van een zelfstandig Vlaanderen in een Germaanse Statenbond, maar dat Duitsland eerder aanstuurde op de annexatie van Nederland en België. Dit werd bevestigd door Hitler’s beslissing op 12 juli 1944, waarbij België door Duitsland geannexeerd zou worden onder de vorm van een Reichsgau Flandern en een Reichsgau Wallonien. In Vlaanderen kreeg de DeVlag de politieke macht in handen. De Groot-Duitse DeVlag had de overwinning behaald en het failliet van het VNV was zo goed als bezegeld. Wanneer in september België door de geallieerden werd bevrijd, waren de meeste collaborateurs naar Duitsland gevlucht. Daar richtte Jef Van de Wiele een ‘Landsleiding’ op, die bij de herovering van België door Duitsland de macht opnieuw in handen moest nemen. De meeste leiders van de collaboratie waren lid van deze ‘Landsleiding’, behalve Elias en enkele VNV’ers, die er evenwel niet in slaagden nog een georganiseerde VNV-werking op te zetten. In België herstelde het democratisch regime zich en de collaborateurs kwamen allemaal in dezelfde beklaagdenbank terecht, zonder onderscheid tussen Vlaams-nationalisten, Dietsers of Groot-Duitsers.[55]
Het extreem-rechts panorama in Vlaanderen was tussen 1931 en 1944 een versnipperd landschap. Er waren niet alleen verschillende bewegingen, er waren ook tegengestelde staatsopvattingen. In het interbellum had men Vlaams-nationalisten, federalisten en Dietsers, tijdens de oorlog Vlaams-nationalisten, Dietsers en Groot-Duitsers.
Het Verdinaso bepleitte eerst een Dietsland dat Vlaanderen, Nederland en Frans-Vlaanderen zou omvatten, maar evolueerde naar een Verbond van België, Nederland en Luxemburg. Het VNV koos officieel voor een onafhankelijk Vlaanderen dat samen met Nederland zou opgenomen worden in de Dietse Volksstaat, maar er waren ook VNV’ers die Dietsland een burg te ver vonden. Enkele gematigden in het VNV zagen, samen met Rex-Vlaanderen en Nieuw Vlaanderen, een eentalig Vlaanderen in een federaal België als het ultieme doel. Tijdens de oorlog heerste er bij de Eenheidsbeweging-VNV nog twijfel wat het nu zou worden, Vlaanderen of Dietsland. Het ASSV/GSSV en de DeVlag waren daarentegen zeker van hun stuk, het zou Groot-Duitsland worden.
Maar hoe zagen die verschillende bewegingen hun Vlaanderen, Dietsland of Groot-Duitsland in Europa? Hadden hun naties een plaats in te nemen in een Europese gemeenschap of werd Europa nefast geacht voor de bouw van hun natie?
- II Voor de vrede in Europa (1931-1941) -
In tegenstelling tot de Gay Twenties, een periode gekenmerkt door voorspoed, weelde, democratie en vrede, brak met de jaren dertig een tijd van crisis, armoede, antidemocratie en oorlog aan. De economische crisis deed velen in de armoede belanden en men was alle vertrouwen kwijt in de economie en de democratie. Een nieuwe houvast werd gevonden bij rechts autoritaire en populistische bewegingen, die zo een belangrijke machtsfactor vormden in heel Europa.
Het Verdinaso pleitte bij zijn oprichting in 1931 voor een Dietse staat dat Nederland, Vlaanderen en Frans-Vlaanderen zou omvatten, dat met de “Nieuw Marschrichting” in 1934 werd uitgebreid tot en met Wallonië. Na de landdag van 1937 propageerde Joris Van Severen een “Verbond van België, Nederland en Luxemburg”, een soort Benelux avant-la-lettre. Tijdens het eerste bezettingsjaar sloegen de Dinaso’s opnieuw de Dietse weg in. Het Verdinaso evolueerde van een Diets nationalisme tot een ‘BeNeLux’-verbond, maar kon een Europese gemeenschap de volgende stap zijn?
1.1 1931-1940
1.1.1 Mussolini en het Viermogendheden-pact
Naast de jaarlijkse Landdagen was Hier Dinaso! het belangrijkste middel voor het Verdinaso om naambekendheid te verwerven. Het weekblad was daarenboven het medium bij uitstek waarlangs de leden ‘opgevoed’ werden. In de eerste jaargang van Hier Dinaso! werd de achtste en tevens laatste pagina steevast ingenomen door artikels over buitenlandse politiek van de hand van Ernest Van Den Berghe.[56] Uit die artikels bleek duidelijk de sympathie van de auteur, die een jaar later uit het Verdinaso werd gezet, voor Mussolini en het Italiaanse fascisme, “een jonge wereldveroverende beweging van echt-begrepen internationalisme”. In die tijd, met name maart 1933, lanceerde Mussolini het plan om een ‘Viermogendheden-pact’ te sluiten tussen Duitsland, Italië, Frankrijk en Groot-Brittanië. Dit “reuzenwerk van solidariteit tusschen de volkeren was gebasseerd op de ekonomische samenwerking tusschen de volkeren”. Concreet stelde Mussolini een Europees directorium voor, dat de onmachtige Volkenbondorganisatie moest vervangen. Volgens Van Den Berghe was het pact “fascistisch werk, opbouwend werk, niet tegen de oorlog, maar voor de vrede, het Europeesche werk van Mussolini”. De auteur had een groot vertrouwen in Mussolini en achtte de opbouw van het nieuwe Europa begonnen. Er ontbrak voor hem evenwel nog een definitieve stap in de richting van de vrede. Die laatste stap was de ‘vijfde mogendheid’, een West-Europese macht die niet over het hoofd kon worden gezien: Dietsland. Van het plan, geïnspireerd door de Viervoudige Alliantie van het Congres van Wenen, kwam uiteindelijk niet veel terecht.[57]
Niet iedereen binnen het Verdinaso was evenwel erg opgetogen met het Europees fascisme van Mussolini. In een artikel over Anton Mussert, de leider van het Nederlandse Nationaal-Socialistische Beweging, bekritiseerde een Dinaso, onder het pseudoniem “S. Verrel”, Mussert’s mening dat het fascisme een internationale beweging was, die tot een Nieuw Europa moest leiden. Hij stelde zich dan ook voor dat “als Europa fascistisch geworden zal zijn en de grondoorzaak van alle ellende, de zogenaamde vredesverdragen, …, zullen zijn herzien zoals Mussolini dit wenst”, Italië heel Europa zou overheersen. Een toekomstbeeld dat niet echt goed in de markt lag bij de meeste Verdinaso’s.[58]
1.1.2 Dietsland als hoeksteen van Europa
Joris Van Severen achtte de Dietse staat niet alleen noodzakelijk voor het Dietse volk, maar ook voor de gehele Europese volksgemeenschap. In Hier Dinaso! werden er in die zin regelmatig sloganmatige oproepen gedaan. Vooral in het kader van de Spaanse burgeroorlog zag het Verdinaso Dietsland als de hoeksteen van de vrede in Europa. Joris Van Severen noemde in een toespraak van 1937 Dietsland, een ‘clef de l’Europe’, hierbij Jacques Bainville[59] citerend.[60]
Hier Dinaso! haalde in november 1938 opnieuw een toespraak van Van Severen aan waarin die de positie van Dietsland in Europa verduidelijkte: “… dan moeten wij ook een militair bondgenootschap tusschen de drie staten[61] tot stand brengen, opdat onze landen niet langer de Balkan van West-Europa zijn, en de laatste invalspoort tusschen Frankrijk en Duitsland stevig worden afgegrendeld. Dan pas zullen de West- en Midden-Europeesche machten de Europeesche vrede kunnen consolideren, waarin de economisch en militair hereenigde Nederlanden als even groote macht een hartig woord zullen kunnen meespreken, en waartoe zij krachtens hun ligging en vredeszin zelfs het initiatief kunnen nemen. Dan pas zal 't Avondland zich eindelijk eens kunnen gaan bezinnen op zijn levensnoodzakelijkheden en deze kunnen waarborgen door een stelsel van weloverwogen economische verdragen, en samenwerking tot behoud der koloniale posities.”[62]
Het idee dat de ‘herenigde’ Nederlanden een eventuele oorlog tussen Frankrijk en Duitsland kunnen vermijden, was niet volkomen onlogisch. Naast het feit dat het Koninkrijk der Nederlanden al elf decennia eerder in het leven was geroepen als buffer tussen deze twee Europese grootmachten, waren de Lage Landen ook de ‘enige’ weg waarlangs men dacht dat Duitsland aartsrivaal Frankrijk zou aanvallen. Een begrijpelijke opvatting gezien de ervaringen met het Von Schlieffen-plan en de onaantastbaar geachte Franse Maginot-linie. Een samengesmolten Diets leger zou, in de opvatting van Van Severen en vele Groot-Nederlanders met hem, Duitsland voldoende moeten afschrikken om Dietsland niet binnen te vallen. Vanuit die militaire ‘sleutel’-positie begreep Van Severen de vredesmissie van Dietsland en het herstel van het Avondland.[63]
1.1.3 Diets denken is Europees denken
Tijdens de eerste jaren van zijn bestaan vereenzelvigde het Verdinaso zich met Dietsland. De weg van het Verdinaso was die naar een Dietse volksgemeenschap en de toekomst van een Dietse staat hing onlosmakelijk vast aan het Verdinaso. Maar in het midden van de jaren dertig werd het Verdinaso ook Europees. In 1935 stelde Ernest Michel[64] dat het Verdinaso “de groote politiek voert, in de Europeesche werkelijkheid, in de Europeesche toekomst, in de Europeesche grootheid”. Het besef groeide dat Dietsland niet alleen de vrede kon betekenen voor Europa, maar dat Diets ook Europees was. In zijn nieuwjaarsbrief van 1936 schreef Jef Van Bilsen[65] dat wie Diets dacht Europees moest denken.[66]
In 1936 verscheen in Hier Dinaso! een artikel getiteld “Dietsch Besef en Europeesch Besef”. Jan Seger Duwaert onderscheidde zijn definiëring van ‘Europees besef’ van de intellectuele invulling: “een grooter-willen-zijn”. Die invulling was even onduidelijk en verwerpelijk als het begrip ‘Europese kunst’, want “al die europeezigheid is slechts een bijproduct van het vooze, onwaarachtige en onbestaanbare internationalisme”. Het echte ‘Europese besef’ had zijn oorsprong in een “levenskrachtig nationaal gevoel en in het diepe geloof aan de westersche cultuur”. Europees denken werd duidelijk gelinkt aan een ‘gezond’ nationaal bewustzijn en tegenover het linkse, intellectuele en internationalistische Europa geplaatst. Dat Europa was, voor het Verdinaso, het oude Europa van de Volkenbond en het ‘hersenschimmig’ Europa-denken van Coudenhove Kalergi en Briand, waar het nationale onderdrukt werd ten voordele van het internationale.[67]
Duwaert keerde August Vermeylen’s leuze “wij willen Vlamingen zijn, om Europeërs te worden”[68] om, door te stellen dat iemand geen volwaardige Dietser kon zijn, zonder zich Europeaan te voelen. Europese politiek was voor het Verdinaso van groot belang, omdat Dietsland hierin een belangrijke rol te spelen had. Het hierboven besproken vredesaspect haalt de auteur in dit artikel evenwel niet aan, de ‘noodzakelijke’ rol van Dietsland in Europa is de eigen positie verbeteren omdat het in het verleden genoegen moest nemen “ met wat de groote mogendheden ten deze gelieven te dicteeren”. Er is geen duidelijke invulling van die rol, aandacht voor de noodzakelijkheid des te meer.[69]
Jan Seger Duwaert was erg scherp voor de Franse nationalisten van de Action Française en hun leider Charles Maurras, nochtans de inspirator van Joris Van Severen. Waar Maurras eerst geprezen werd als een scherpe geest en een geniaal intellect, werd hij later aangevallen om zijn veroordeling van het ‘Hitlerisme’, terwijl de ‘stralende buurstaat’ Duitsland opgehemeld werd. De voorkeur voor Duitsland en de afkeer van Maurras zijn minstens merkwaardig te noemen, temeer omdat Van Severen een aanhanger was van het Latijns fascisme onder invloed van Maurras en Mussolini en het Duits nazisme altijd als goddeloos verwierp.[70]
De Fransen in het algemeen werden ook veroordeeld omdat zij Duitsland onder hun voogdij wilden stellen en weigerden Europees te denken. Dat Europees denken had als doel Europa van zijn grootste ziekte te genezen, met name verdeeldheid, en daarvoor moest het nieuwe Duitsland evenzeer als het nieuwe Italië als een constructief element voor een vernieuwd Europa beschouwd worden. De machtsverschuiving in Europa, van de as Londen-Parijs naar de as Rome-Berlijn, was een natuurlijk proces dat niet mocht gehinderd worden, want alle staatsmannen hadden “den plicht tot europeesche saamhorigheid”. Die samenwerking was noodzakelijk, want na een nieuwe wereldoorlog zou een dodelijk verzwakt Europa, een versterkt en gezonder Azië als zegevierende concurrent op zijn markten moeten confronteren.[71]
1.1.4 Europese eenheid
De vrees voor een Aziatisch oprukken naar de wereld-hegemonie, werd langzaamaan een drijfveer voor de eenmaking van Europa. Die drijfveer bereikte haar hoogtepunt in 1941-
1942, wanneer de vrees voor het communisme de Europese koers van Nazi-Duitsland en alle nazistische bewegingen in Europa ging bepalen. In zijn rubriek ‘Schijnwerpers naar Rechts en Links’ haalde Willem Melis[72] een toespraak van Mussolini aan, waarin hij uitriep dat hij geen geloof hechtte aan een soort Verenigde Staten van Europa, maar dat de bolsjewistische bedreiging de Dietsers wel tot een soort Europese gedachte zou brengen.[73]
Om Europa te beschermen, stelde de Nederlandse Dinaso Henri Bruning[74] een verbond van Staten voor, waarin het belang van de afzonderlijke Europese volken en het algemeen belang van Europa in evenwicht werden gebracht. Enkel de grote staatsmannen van Europa konden dit verwezenlijken, met name Hitler, Mussolini en Van Severen. Het verzoenen van het nationaal en het Europees belang zal nog tot de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol blijven spelen in het Europese discours van het Verdinaso.[75] Dit verzoenen zou in de Europese politiek in zekere zin tot op heden blijven meespelen. De goede werking van een Europees samenwerkingsverband staat of valt bij de mate waarin de nationale regeringsleiders een deel van hun nationaal belang willen opgeven voor het algemeen Europees belang.
Het Europees discours van het Verdinaso was niet altijd even eenduidig en hing veelal af van persoonlijke opvattingen. In Hier Dinaso! van 14 december 1935 stelde Robert Schepers[76] dat nationalisme en internationalisme geen tegengestelden zijn, maar twee polen binnen het fascisme, terwijl we hierboven al zagen dat het internationalisme in alle opzichten veroordeeld werd. Natuurlijk wees ook Schepers de utopische invulling van het internationalisme af, een wereldstaat was voor hem ondenkbaar, alleen al door de “onvereenbaarheden tusschen de Europeesche, Amerikaansche en Japansche psyche’s en belangen”.[77]
Het fascistisch internationalisme van Schepers daarentegen was een Europees federalisme, waar het nationalisme de ‘conditio sine qua non’ van was. Een Europees federalisme mocht evenwel geen eenheidsstaat voorstaan, omdat die de verschillende Europese nationaliteiten zou verdringen en zich in hun plaats zou stellen. Iedere natie moest daarentegen haar eigen wetgeving en organisatie behouden, die een weerspiegeling waren van het lokale temperament, de eigen tradities en de nationale cultuur. Een fascistisch internationalisme kon volgens Schepers enkel bestaan uit sterke fascistische naties, een Europese eenheid kon slechts opgebouwd worden door organisch gezonde naties. In die zin was het internationalisme van een Europese federatie verzoenbaar met het fascistisch nationalisme. Ook hier keerde het behoud van het nationale belang terug, maar een Europese eenheid werd wel nog steeds onontkoombaar en noodzakelijk geacht.[78]
Tijdens de Phony War[79] lanceerden Britten en Fransen verschillende vredesplannen die onder meer een Europees samenwerkingsverband inhielden. Luc Delafortrie[80] haalde in zijn rubriek ‘Het Staatsleven’ een toespraak van de Franse minister-president Daladier aan: “men zal het ruilverkeer moeten verruimen. Men zal federatieve banden tusschen verschillende Europeesche Staten moeten overwegen”.[81]
Voor Delafortrie hield het plan de vorming van grote staatkundige eenheden in, waarbij het gevaar bestond dat de kleine staten zouden worden opgeofferd aan de grote. Hij stelde dat er geen sprake kon zijn van algemene samensmeltingen, waarin de meest tegenstrijdige, economische, culturele, volkskundige en aardrijkskundige gegevens zouden verzameld worden. Dit zou immers leiden tot een ‘Europeesche wanorde’, waarbij het voorbeeld van de Volkenbond werd aangehaald.[82]
Wat bij elkaar hoort moest verenigd worden, en voor Delafortrie was de enig mogelijke federatie tussen gelijken, ‘het Verbond der Belgische, Nederlandsche en Luxemburgsche Staten’. Iedere stap verder dan deze ‘BeNeLux’ zou “de verknechting en het teloor gaan in een grooten chaos” betekenen. Luc Delafortrie’s bezorgdheid was niet die van het nationalisme of internationalisme, integendeel. Een Europa opgebouwd door sterke Europese naties, of om de redenering van Schepers te volgen, sterke fascistische naties, zou ten nadele zijn van de kleine staten. Waar anderen nog een Europese eenheid bepleitten, weliswaar rekening houdend met de nationale belangen, wees Delafortrie iedere Europese samenwerking af.[83]
In een latere aflevering van de rubriek ‘Het Staatsleven’ kwam hij terug op de reorganisatie van Europa. Hierin analyseerde Delafortrie historische pogingen tot het vormen van een ‘Europeesch Staatsgeheel’, dat gerealiseerd zou worden door een ‘macht’ die de andere staten rondom zich kan bundelen. De vorming van een Pan-Europa door juridische akkoorden liet hij buiten beschouwing, aangezien deze nooit kon slagen. Pogingen tot het vormen van een Europese eenheid werden volgens Delafortrie ondernomen door de Duitse Keizers in de Middeleeuwen, door Karel V, door Napoleon en door het toenmalige Duitsland. Maar allemaal kregen ze tegenstand van staten die hun onafhankelijkheid boven de Europeesche eenheid verkozen en waren zo tot mislukken gedoemd. Delafortrie herhaalde dat een Europese eenheid niet wenselijk was, omdat de ‘eenmaker’ de rijke verscheidenheid van Europa zou vernietigen. In een Europese eenheid zouden de kleinere staten hun belangen moeten opofferen aan die van de grote staten, daarom moesten de plannen voor een Europese eenheid in het Verdinaso een hardnekkige tegenstander vinden.[84]
1.1.5 Europese economische samenwerking
Waar er in het Verdinaso verdeeldheid heerste over de politieke toekomst van Europa, was men opmerkelijk eensgezind over de economische toekomst van Europa. De economische structuur van West-Europa zou in de toekomst beheerst worden door het autarkisch beginsel, waardoor economisch overleven voor de kleine staten in Europa moeilijk zou worden. Vanuit het Verdinaso pleitte men in de eerste plaats voor een Verbond van België, Nederland en Luxemburg, maar een economische samenwerking op Europees vlak werd ook wenselijk geacht.[85]
Voor de economische artikels in Hier Dinaso! deed Joris Van Severen, vooral in 1938 en 1939, vaak beroep op het Nederlandse tijdschrift De Waag[86], waar ingenieur Balthus Wigersma de economische redactie in handen had. Voor Wigersma was het duidelijk dat alle landen die deel waren van het Europese geheel, hun industrie niet meer op de oude willekeurige wijze zouden kunnen organiseren. Landbouw, scheepvaart en nijverheid moesten zo geordend worden dat “de belangen van het geheel en daardoor die der deelen van het geheel het beste gediend worden”. Verder maakte hij duidelijk dat alle Europese landen binnen het Europese geheel een afnemer moesten vinden, zodat Europa niet meer economisch afhankelijk zou zijn van Amerika of Azië.[87]
De overdrukken uit De Waag besteden ook aandacht aan het Duitse Gesellschaft für Europäische Wirtschaftplanung und Grossraumwirtschaft, die plannen maakte voor een na-oorlogs Europa. Om een eventuele Engelse blokkade te overleven, moest het Europese continent economisch grondig gereorganiseerd worden. Daarom stelde het Gesellschaft voor dat Duitsland alle export van de andere Europese landen op zich zou nemen en ook zou voorzien in de goederen die voor Europa levensnoodzakelijk zijn. Zo’n plan werd niet onrealistisch beschouwd. De Duitse industrie had zich immers al jaren intensief toegelegd op de synthetische productie van bepaalde levensnoodzakelijke grondstoffen. Ook de bezetting van Oost-Europese staten bood de Europese economie nieuwe ontginningsmogelijkheden. Aldus zou de oorlog, volgens De Waag, Europa een beslissende zet geven op de weg naar de Europese Grossraumwirtschaft, de economische zelfvoorziening van Europa. De oorlog legde als het ware de basis voor een toekomstige duurzame en vreedzame samenwerking tussen de volkeren van het Europese continent.[88]
1.1.6 Het Avondland en de Europese cultuur
Tijdens het interbellum bestond er in conservatieve Europese kringen een wijdverspreide vrees voor de ondergang van de West-Europese cultuur. In die kringen werd vaak gerefereerd naar Spengler’s filosofie van het Avondland.[89] Ook bij het Verdinaso was de beschavingsfilosofie van Spengler bekend en het concept ‘Avondland’ was meermaals terug te vinden in Hier Dinaso!. In de beweging heerste de idee dat de Europese cultuur in een dramatische situatie beland was. Het liberalisme, dat de Europese cultuur sinds de Franse Revolutie had gekenmerkt, had alle vitaliteit verloren. Om de christelijke West-Europese beschaving te redden moest er met dat ‘oude Europa’ gebroken worden. De toekomst voor de Europese cultuur lag in de Nieuwe Orde, “de heropstanding van de Westersche cultuur in een nieuwe levensorde”. Deze nieuwe Europese beschaving, ontstaan uit de middeleeuwse ridderorden, verschilde van de oude beschaving in haar ordebeginsel die de godsdienstige, staatkundige en militaire organisatie van Europa zou vormgeven. Deze bezorgdheid voor het Avondland had betrekking op de hele Europese cultuur en oversteeg ieder nationalisme.[90]
In een artikel over oorlogsleuzen in maart 1940 ging Paul Persyn[91] fel te keer tegen alle oorlogsvoerende landen die een strijd voerden in naam van de beschaving en de Europese cultuur. De Engelse, Franse en Duitse cultuur waren voor hem alledrie respectabele culturen, maar niemand had het recht zich als uitsluitende verdediger van de Europese cultuur op het voorplan te werpen. Persyn stelde daarenboven dat de Europese cultuur niet geholpen werd door een “massabotsing en millioenenuitmoording”. De