Coherentie of improvisatie. Het Belgisch buitenlands beleid in het Verre Oosten, 1945-1953. (Johannes De Gruyter)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

D E E L  1. DE BENELUX AGENDA 1947-1948

 

In dit eerste deel wordt gepeild naar het Belgische Indonesiëbeleid. Na een korte geschiedenis van de Indonesische kwestie wordt de Belgische houding belicht en verklaard. Op basis van de feitelijke gebeurtenissen en de wijze waarop België zich in de kwestie gedroeg en manifesteerde, leidden we af wanneer en waarom België precies betrokken raakte in de kwestie en waarom zij Nederland actief ging steunen[3].

 

 

1.1 de onafhankelijkheid van nederlands-indië

 

Het Indonesische nationalisme, dat opdook vanaf de eeuwwisseling, werd ideologisch gevoed door godsdienstige, politieke en antikolonialistische elementen[4]. Onder de Japanse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog was dit nationalisme aanzienlijk toegenomen. Nederland had immers heel wat prestige verloren door haar nederlaag en de Japanse infrastructuur gericht op anti-westerse propaganda had Indonesische nationalistische leiders als Soekarno en Hatta de mogelijkheid geboden hun eigen nationale idealen voor een ruimer publiek te verkondigen[5].

 

Toen de Japanners op 15 augustus 1945 capituleerden, riep Soekarno meteen de Indonesische republiek uit over grote delen van Java, Sumatra en Madoera[6]. De Nederlanders gingen vanzelfsprekend niet akkoord met deze onafhankelijkheidsverklaring en besloten op te treden. Sinds de Japanse bezetting bleek de Nederlandse macht in haar kolonie evenwel militair en maatschappelijk grondig ondermijnd[7]. De Netherlands Indies Civil Admini-stration (NICA) was onvoldoende georganiseerd om in te grijpen[8].

 

Tot de capitulatie van Japan ressorteerde het NICA onder het geallieerd bevel van het Britse South East Asia Command. Groot-Brittannië was op dat ogenblik echter niet van plan om troepen in te zetten om het Nederlandse gezag in Indonesië te herstellen. In Brits-Indië was de toestand op dat ogenblik immers ook erg gespannen. De Britten hadden hun troepen nodig voor het herstel van de stabiliteit in de eigen kolonie. Dit verklaart haar voorzichtige houding tegenover de Indonesische nationalisten, het feit dat zij de republikeinse regering niet verdreef en het uitblijven van een ontwapening van de inlandse milities[9]. De Britten zouden enkel toezien op de Japanse overgave, de vrijlating van de gevangenen en de bezetting van enkele gebieden. Ze namen zich dan ook voor om niet langer dan noodzakelijk in Indonesië te blijven. De Britse Labourregering drong er bij Nederland op aan zo snel mogelijk onderhandelingen te beginnen met de republikeinse regering zodat beide partijen vlug tot een vergelijk konden komen[10].

 

Op 15 november 1946 werd te Linggadjati, een in het achterland van Cheribon gelegen plaatsje, een voorlopig akkoord bereikt tussen Nederland en de republiek Indonesië. De Linggadjati-akkoorden voorzagen ondermeer in de oprichting van een federale statenstuctuur onder Nederlandse supervisie tegen 1 januari 1949[11]. Door de niet-naleving van de akkoorden door beide partijen, besloot Nederland echter op 21 juli 1947 tot de eerste politionele actie, een poging om het door de Republikeinen ingenomen gebied te heroveren[12].

 

De Indonesische kwestie werd na dit eerste militaire treffen onmiddellijk op de agenda van de VN-Veiligheidsraad geplaatst door Australië en India. België zetelde er op dat moment als niet-permanent lid[13]. Vanaf het eerste debat, op 1 augustus, stelde Nederland, vertegenwoordigd door oud-minister Van Kleffens, dat de hele affaire een binnenlandse aangelegenheid betrof en de Veiligheidsraad bijgevolg onbevoegd was[14].

 

Om uit deze impasse te geraken werd op 25 augustus 1947 op initiatief van de Verenigde Staten een “Commissie van Goede diensten” (CGO) ingesteld. Nederland en Indonesië zouden bijeenkomen voor vredesbesprekingen, onder begeleiding van deze commissie. Het Nederlandse en Republikeinse belang werden respectievelijk door België en Australië behartigd. De bemiddelende rol kwam toe aan de Amerikanen zelf, als derde lid in de commissie[15].

 

Veel vertraging werd opgelopen omdat men het niet eens kon worden over de plaats waar de Commissie zou werken. Australië stelde Singapore voor, maar Nederland weigerde omwille van de Nederland-onvriendelijke sfeer die er heerste[16]. Uiteindelijk hakten de Amerikanen de knoop door. Zij stelden het transportschip, de ‘Renville’, ter beschikking als locatie voor de onderhandelingen. Op 2 december 1948 kwam het schip in de kustwateren voor Batavia aan.

 

Na moeizame onderhandelingsrondes slaagde het CGO er in januari 1948 in om een akkoord te bereiken. De Renville-overeenkomst was een bestand met militaire en politieke implicaties[17]. De republiek Indonesië erkende de Van Mook-lijn, de denkbeeldige lijn die de meest vooruitgeschoven Nederlandse posten met elkaar verbond, als demarcatielijn. Daarnaast verbonden beide partijen zich ertoe verder samen te werken naar een overeenkomst op basis van de principes van het Linggadjati-akkoord[18]. Hoewel de Renvilleakkoorden een goed vertrekpunt voor verdere onderhandelingen vormden, bleek vrij snel dat de wil om tot een constructieve oplossing te komen, aan beide zijden ontbrak. Het wantrouwen tussen de twee partijen was niet afgenomen[19].

De VN-Veiligheidsraad diende de werkingstermijn voor het CGO tot tweemaal te verlengen en de drie zetelende partijen versterkten geleidelijk hun posities[20]. Nederland bleef een obstructiepolitiek voeren door de werking van het CGO geleidelijk uit te hollen. Dit bleek duidelijk uit hun afwijzende houding ten aanzien van het du Bois-Critchleyplan[21].  Nederland was niet gewonnen voor vervroegde federale verkiezingen omdat zij in haar nadeel dreigden uit te vallen. Haar obstructiepolitiek leidde uiteindelijk tot de terugroeping van het Amerikaanse commissielid du Bois[22].

 

Het plan van du Bois was evenwel een eerste uiting van een geleidelijke ommekeer in de Amerikaanse houding in de Indonesische kwestie. Doordat de Renvilleakkoorden niet tot de verhoopte resultaten geleid hadden en de onderhandelingen regelmatig in het slop geraakten, was Washington ongeduldig geworden. De onverbiddelijke Nederlandse opstelling werd steeds moeilijker verdragen[23]. Nederland werd onder druk gezet, met een dreiging tot het opschorten van Marshallhulp en door het voeren van zwaar multilateraal politiek overleg[24]

 

Op 19 december 1948 zette Nederland evenwel een tweede politionele actie in. Het was een ultieme poging om het hele Indonesische territorium opnieuw onder haar controle te brengen[25]. Het Nederlandse militaire optreden werd niet enkel in de VN-Veiligheidsraad streng afgekeurd maar ook door de publieke opinie in de hele wereld[26]. VN-resolutie 67, goedgekeurd op 28 januari 1949, voorzag in het beëindigden van de vijandigheden, en het teruggeven van de republikeinse hoofdstad Jogjakarta aan zijn regering. Verder werd er een tijdschema bepaald voor de samenstelling van een interimregering, de verkiezing van een grondwetgevende vergadering en voor de soevereiniteitsoverdracht aan de Verenigde Staten van Indonesië. Dit zou een federale staat worden met de republiek als een van de deelstaten[27].

 

De ‘Commissie van Goede Diensten’ werd omgezet in de ‘Commissie van de Verenigde Naties voor Indonesië’ (UNCI) die meer bevoegdheden toegewezen kreeg[28]. De UNCI kon aanbevelingen doen aan de Veiligheidsraad en de partijen. Besprekingen met vertegenwoordigers van de ‘negara’s’, zones met een verhoogde autonomie die onder het gezag van de Nederlanders als de federale staten bekend stonden, waren nu ook mogelijk. Zij kreeg het mandaat mee om een waarnemende functie uit te oefenen wanneer de verkiezingen van de grondwettelijke vergadering zouden plaatsvinden[29].

 

Nederland kon de resolutie niet aanvaarden, ondermeer omdat het niet van plan was de republikeinse leiders vrij te laten en Jogjakarta terug te geven. Toenemende internationale druk dreef Nederland echter naar een alternatieve oplossing. Op 26 februari diende Nederland een tegenvoorstel in bij de VN-Veiligheidsraad. Het Beel-plan voorzag ondermeer in het organiseren van een Ronde Tafel Conferentie in Den Haag[30].

 

Op 23 maart nam de voorzitter van de Veiligheidsraad dit tegenvoorstel aan in de hoop een oplossing in de geest van de VN-resolutie van 28 januari te bereiken[31]. De UNCI, de republiek en de federale staten werden uitgenodigd om de voorwaarden voor een versnelde overdracht van de soevereiniteit over Indonesië te onderzoeken[32].

 

Een reeks voorbereidende gesprekken vond plaats van 14 april tot 7 mei. Nederland deed er een belangrijke toegeving met het Roem-Van Royenakkoord, dat bepaalde dat Nederland de republikeinse regering zou vrijlaten en Jogjakarta zou teruggeven. Op 6 juli werd deze overeenkomst de facto uitgevoerd. De eigenlijke Ronde Tafel Conferentie ging eind augustus van start. Telkens de onderhandelingen dreigden vast te lopen voorzag de UNCI in alternatieve oplossingen[33].

 

Op 2 november 1949 verklaarden de partijen zich akkoord in de oprichting van de Verenigde Staten van Indonesië, een unie van Nederland en Indonesië. De buitenlandse betrekkingen,  economische kwesties en defensie van de voormalige Nederlandse kolonie werden omschreven als gedeelde belangen met Nederland. Koningin Juliana werd het hoofd van de Unie. Uit de verplichte schadevergoeding van de republiek aan Nederland blijkt duidelijk dat beide partners in bitterheid en wederzijds wantrouwen uit elkaar gingen[34].

 

De Verenigde Staten van Indonesië, die een soevereine staat werden op 27 december 1949, zouden spoedig evolueren naar de eenheidsstaat “republiek Indonesië”, die op 17 augustus 1950 geproclameerd werd. De Unie met Nederland, waarmee nooit ernstig rekening werd gehouden zou dan ook in 1956 eenzijdig opgezegd worden[35].

 

 

1.2 de belgische rol

 

De uitgebreide studie van A. TAYLOR Indonesian Independence and the United Nations, en twee artikels, “De leeuw en de Cheshire kat. Engeland, Nederland en de dekolonisatie van Indonesië 1945-1949” van C. Fasseur en “Dekolonisatie van Oost- en West-Indië” van P. Drooglever minimaliseren de Belgische rol in de Indonesische kwestie. Fasseur[36] en TAYLOR[37] omschrijven de invloed van België als miniem, terwijl  Drooglever[38] de Belgische bijdrage nergens vermeldt. Deze historische onvolledigheid wordt evenwel aangetoond door de resultaten van een aantal andere studies op dit terrein, op basis van origineel bronnenonderzoek. In een voordracht gehouden in Utrecht op 25 mei 1974 voor het vierentwintigste Belgisch-Nederlands historisch congres omschreef S. VAN DER WAL[39] reeds de uitgesproken Belgische invloed tijdens het conflict. Ook de recente verhandelingen van J. Glorieux[40] en J. Compernol [41] tonen aan dat België wel degelijk een grotere invloed heeft gespeeld dan vermoed werd. Het onderzoek naar de Belgische belangen en de daarmee verbonden beweegredenen is deels gebaseerd op het louter feitenverhaal van deze werken, alsook op eigen archiefonderzoek.

 

1.2.1 Verwarde indrukken tussen 1945 - 1947

 

België blijkt laat op de hoogte van de onafhankelijkheidsverklaring van de Indonesische republiek. De eerste vermelding in de diplomatieke correspondentie dateert van 8 oktober 1945, twee maanden na de officiële uitroeping. Het bericht was afkomstig van Nemry, de Belgische ambassadeur bij de Nederlandse regering[42]. Hij schreef: “…le gouvernement néerlandais se trouve en présence d’un problème dont l’ampleur efface toutes ses autres préoccupations…”[43]. Twee maanden later rapporteerde zijn plaatsvervanger a.i. Legain, dat hij weinig informatie over de kwestie kreeg, op enkele verwarde inlichtingen na[44]. Brussel blijkt rond die periode geen rapporten te hebben ontvangen van haar eigen consul in Batavia[45].

 

Tot 1947 had België inderdaad weinig zicht op de echte situatie op het terrein in Indonesië. De beeldvorming te Brussel werd vooral bepaald door rapporten van ambassadeur Nemry uit Den Haag en van consul Vanderstichelen uit Batavia, hoofdstad van Nederlands-Indië, wiens informatie veelal uit Nederlandse bron – uit tweede hand en dus bevooroordeeld - afkomstig was[46].

 

Het uitroepen van de onafhankelijkheid van de Nederlandse kolonie was voor de Belgische diplomaten duidelijk een onverwachte gebeurtenis. Dat blijkt uit hun eigenzinnige interpretaties en verklaringen in hun verslaggeving aan het ministerie. Zo verwachtte de Belgische ambassadeur in Beiroet, Aspremont Lynden, dat spontane steunacties zouden uitbreken in Egypte, Syrië en Libanon omdat zij net als Indonesië, islamlanden waren[47]. Ook de ambassadeur in Caïro, Polain, waarschuwde voor “… des ramifications indonésiennes dans le monde musulman qui entretient des sympathies pour toute race de couleur cherchant à secouer la tutelle du blanc…” [48].

 

Nederland steunen was voor Brussel op dat ogenblik nog niet aan de orde. Dat blijkt uit de Belgische overweging in april 1947, enkele maanden voor het eerste militaire treffen, om eventueel diplomatieke betrekkingen aan te knopen met de jonge republiek. Het is onder impuls van consul Vanderstichelen dat deze beleidskeuze werd bijgestuurd: “cette solution (…) serait interpretée de façon inamicale par les Hollandais”[49].

 

België nam pas een uitgesproken standpunt in toen Australië en India de Indonesische kwestie, na de eerste politionele actie in juli 1947, bij de VN-Veiligheidsraad aanhangig maakten. Haar niet-permanente lidmaatschap in de Veiligheidsraad verklaart grotendeels deze plotse stellingname[50]. Doorheen het hele Nederlands-Indonesisch conflict zou België voortaan openlijk de zijde van Nederland kiezen. De beweegredenen van België overstegen evenwel het puur amicale waar Vanderstichelen mee argumenteerde[51].

 

1.2.2 De Benelux prioritair

 

Vanaf het ogenblik dat de Indonesische kwestie in de VN Veiligheids behandeld werd, op 31 juli 1947, verdedigde Ferdinand Van Langenhove, hoofd van de Belgische vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties, “ouvertement le point de vue hollandais devant le conseil”, en dit op instructie van Brussel: “… en outre Spaak avait promis son appui à la Hollande”[52]. De discussies in de Veiligheidsraad vonden immers plaats op cruciale ogenblikken, zeker wat de economische toekomst van België betrof[53].

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleven de Belgische en Nederlandse regeringen in ballingschap in Londen, waar ze de basis legden voor de creatie van een tolunie tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU) en Nederland. Het idee bestond erin de BLEU, met een gemeenschappelijke buitenlandse handelspolitiek en aan elkaar gebonden valuta, uit te breiden tot Nederland[54]. De plannen konden echter niet onmiddellijk in de praktijk omgezet worden gezien de grote naoorlogse economische verschillen tussen beide landen. De Benelux-overeenkomsten werden dan ook pas in oktober 1947 door beide parlementen goedgekeurd[55]. Uiteindelijk trad de douane-unie op 1 januari 1948 effectief in werking[56].

 

Het samenvloeien van het Nederland-Indonesisch conflict met de oprichting en ratificatie van de Benelux, heeft de stellingname van België duidelijk bepaald.
België rekende er in het begin ook op dat Nederland de Belgische steun naar waarde zou schatten. Nisot, de rechterhand van Van Langenhove in de Raad, stuurde een telegram naar Spaak waarin hij die hoop uitsprak:
”Aime à croire que gouvernement La Haye ne méconnait pas assistance Belgique”[57].

De onverwachte problemen in Indonesië werden dus ingepast in Spaaks naoorlogse agenda gericht op integratie van de kleine Belgische natie in regionale en internationale organisaties, als alternatief voor zijn weinig succesvolle neutraliteitspolitiek van voor de Tweede Wereldoorlog[58].

Tot het einde van de Indonesische kwestie bleef de Benelux bepalend in de Belgische houding. In de herfst van 1948 besliste België namelijk om na haar lidmaatschap in de Veiligheidsraad op 1 januari 1949 de status van waarnemend lid in het CGO aan te vragen. In een interne nota in het ministerie werd beslist dat deze aanvraag gemotiveerd zou worden met de banden tussen België en Nederland in het kader van de Benelux. De status van waarnemer kon immers niet ingeroepen worden op basis van de directe Belgische belangen in Indonesië[59].

 

Ook uit de toelichting van Minister Spaak in de ‘Commissie voor de Buitenlandse Zaken en de Buitenlandse Handel’ op 13 januari 1949 werd de steun aan Nederland gemotiveerd vanuit Benelux-oogpunt: “…dat men enigszins de schadelijke invloed vergeet, die door een slechte internationale toestand op de ontwikkeling van Benelux wordt uitgeoefend. Nederland maakt een ernstige crisis door, o.m. wegens de gebeurtenissen in Indonesië… Ten slotte zou het onrechtvaardig zijn niet te wijzen op het feit dat de drie Beneluxlanden, in de internationale politiek over het algemeen een gemeenschappelijk front vormen.”[60]

 

Het Benelux-akkoord als bepalende factor in het beleid werd ook in bovenvermelde studies vastgesteld, maar niet alle met eenzelfde intensiteit. COMPERNOL meent dat de vrees om de nauwe banden met Nederland – hij verwijst hierbij naar de douane-unie - te verbreken, bepalend was[61]. Van der Wal besluit zijn onderzoek met de bevinding dat de moeilijkheden die Nederland na 1945 in Indonesië ondervond, toen België hierin als lid van de Veiligheidsraad werd betrokken, hebben geleid tot een vruchtbare samenwerking tussen beide Benelux-partners.”[62] Glorieux omschrijft de Benelux als een overeenkomst op basis van gedeelde belangen tussen beide landen, waarbij de Belgische steun aan Nederland dient gezien te worden in het licht van dit eenheidsgevoel[63].

 

De term “gedeelde belangen” die door Glorieux wordt gebruikt, verdient in deze context toch enige nuancering. België steunde inderdaad openlijk de Nederlandse belangen tijdens het conflict, maar impliciet streefde zij daarmee voornamelijk zekerheid omtrent de eigen economische toekomst na. Nederland steunen betekende inderdaad het redden van de Nederlandse betrekkingen in Indonesië, maar indirect vooral de eigen, Belgische, economie[64].

 

In 1947 dreigde het uitblijven van het economisch herstel in West-Europa het gevaar voor sociale en politieke chaos immers groter te maken dan in 1945. Het na-oorlogse ‘Belgisch mirakel’ stond onder druk door de beklemmende toestand waar de intra-Europese handel in verzeild was geraakt[65]. De mogelijkheden van België om deze toestand te verhelpen waren op dat ogenblik beperkt. De Belgische lening van 13 miljard frank in 1947 aan zijn belangrijkste handelspartners, waaronder Nederland, was erop gericht hen in staat te stellen hun aankopen in België voort te zetten. De Belgische financiële middelen waren evenwel niet eindeloos en het uitblijven van een industrieel en commercieel herstel in de buurlanden creeërde bij de handelspartners een aanzienlijk onevenwicht op hun betalings- en handelsbalans ten opzichte van België. Zo werd het perspectief reëel dat België haar exportmogelijkheden naar haar traditionele handelspartners zou zien inkrimpen[66].

 

De steun aan buurland Nederland bij de Indonesische kwestie, parallel met de oprichting van de Benelux, moet dus gezien worden als een van Belgische stappen in de richting van meer stabiliteit en zekerheid op economisch vlak. Ook het feit dat Van Langenhove het vanzelfsprekend vond dat na de emancipatie van Indonesië een vruchtbare samenwerking tussen de voormalige kolonie met moederland Nederland zou blijven bestaan, wijst in die richting. Van Langenhove hoopte dat beide partijen steeds meer overtuigd zouden geraken van “la solidarité réelle de leurs intérêts”[67].

 

België bleef, in tegenstelling tot Nederland, doorheen de hele kwestie ook steeds hoffelijk in haar contacten met de Indonesische diplomaten[68]. Van Langenhove verklaarde in 1948 deze positie in de Veiligheidsraad: “Sans doute, les liens qui unissent la Belgique et les Pays-Bas sont bien connus, ils n’empêchent d’ailleurs nullement la Belgique d’être sympathique aux aspirations des populations indonésiennes”[69]. Zijn uitspraak illustreert duidelijk hoe België zich in zijn standpunt niet liet sturen door een verzet tegen de Indonesische doelstellingen, maar het dossier veeleer aanwendde om buurland Nederland aan zich te binden om de regionale integratie verzekerd te zien.

 

Spaak zag evenwel in dat de keuze voor Nederland in de internationale context niet zonder gevaar was. Zowel voor Nederland als voor België zou een zwaar bekritiseerbare positie nefast kunnen worden voor hun belangen op politiek en economisch vlak. Enerzijds zou een isolement van Nederland in de hele kwestie immers een destabiliserende invloed kunnen hebben op de Benelux in de kinderschoenen, en dus onrechtstreeks ook op de Belgische economie. Dit vinden we ondermeer weerspiegeld in een rake analyse over Spaak van Dean Acheson, de Amerikaanse Secretary of State, aan zijn Ambassadeur Kirk, te Brussel: “Spaak’s anxiety regarding financial aspects Benelux as result of Netherland’s failure to settle Indonesian question is fully justified and entails special effort on part of Belgian government if consequences of Netherland’s intransingency are not to fall heavily upon Belgians.”[70]. Wanneer de VS de druk om tot een oplossing te komen na het tweede militaire treffen verhoogden en hierbij Spaak aanspraken om te bemiddelen bij Nederland[71], blijkt de hoofdreden voor diens bereidwilligheid inderdaad te liggen bij het gevaar voor economische en politieke gevolgen voor de Beneluxlanden en de Westerse Unie[72].

 

Anderzijds zag België van bij het begin in dat het realiseren van de Beneluxagenda voor België weliswaar prioritair was, maar niet zonder gevolgen kon zijn. Nog voor de eerste zitting van de VN-Veiligheidsraad had de Belgische ambassadeur Obert de Thieusis vanuit Londen opgeroepen tot de nodige realiteitszin bij een dergelijke stellingname: “En ce qui nous concerne, la situation, ainsi créée n’est pas sans inconveniences. Nous sommes en effet étroitement liées à la Hollande maintenant non seulement économiquement mais par ricochet, aussi politiquement et la désapprobation que l’action du Gouvernement des Pays-Bas soulève en Grande-Bretagne risque d’être ressentie indirectement par nous dans toutes les circonstances où nous devrons agir conjointement avec les Hollandais.”[73]

 

Dit inzicht wordt ook weerspiegeld in de berekendheid van de Belgische acties op een aantal cruciale punten in de Indonesische kwestie. De Belgische delegatie voerde in de VN-Veiligheidsraad en Commissie voor Goede Diensten een obstructiepolitiek, waarbij ontwerpen zwaar bekritiseerd werden en het onderhandelingsproces opzettelijk bemoeilijkt werd. Niettemin onthield België zich tijdens een aantal stemmingsrondes liever dan tegen te stemmen, “om de werking van de Veiligheidsraad niet in gedrang te brengen”[74]. België steunde Nederland niet onbezonnen.

 

Het buitenlands beleid van België werd dus bepaald door interstatelijk-economische factoren, maar deze economische overwegingen blijken opvallend sterk geconcentreerd op de intra-Europese markt. Handel in Benelux-context was belangrijker dan met Indonesië. Daar waren de Belgische handelsbelangen op dat ogenblik immers beperkt.

 

Met Nederlands-Indië had België weinig contact gehad. Er was de grote afstand, de archipel lag 15.000 kilometer ver en de meeste informatie die men had kwam via Nederland[75]. De economische banden met Indonesië bestonden uit een paar rubber- en palmolie-ondernemingen op Sumatra’s Oostkust en geringere belangen in de tabaksindustrie op Java . Ook het aantal in Nederlands-Indië woonachtige Belgen was niet zo groot. Tot ver in de negentiende eeuw hadden wel een duizendtal Belgen in het Nederlands-Indische leger gediend, maar in de laatste decennia voor de Tweede Wereldoorlog woonden nog slechts een paar honderd Belgen op de archipel[76].

 

Vanaf de soevereiniteitsoverdracht was er daarentegen wel een groeiende interesse merkbaar van België tegenover de nieuwe staat[77]. Zo overwoog Brussel al op 9 januari 1950 om consul Vanderstichelen tot ambassadeur te promoveren[78]. Sinds de opening van de Indonesische markt blijkt er ook een toenemende handel in goederen: gedurende de eerste tien maanden van 1950 blijkt de uitvoer vanuit België naar Indonesië al gelijk aan de hele uitvoer van 1938 – het dubbel van het uitvoercijfer van 1949[79].

 

Handelsbalans België – Indonesië 1948-1953

 

In 1950 werd België ook benaderd door Nederland om op Benelux-vlak de handel met Indonesië aan te knopen. M. Boon, secretaris-generaal van het Nederlandse Ministerie voor Buitenlandse Zaken hoopte op een combinatie van Nederlands-Belgisch kapitaal: (M. Boon) … avait conseillé, notamment, aux grandes entreprises néerlandaises qui désiraient s’intéresser à nouveau à l’Indonésie, d’éviter de le faire sous une étiquette hollandaise et de plutot chercher à s’allier à des capitaux belges, pour rentrer aux Indes sous un pavillon Benelux, qui risquerait moins de provoquer des réactions défavorables chez les Indonésiens. Il affirma que la Handelsmaatschappij avait déjà, dans cet esprit, pris des contacts avec la Société générale.”[80] Dit idee van samenwerken werd op 22 maart 1950 door de Belgische Minister van Economische Zaken, Snoy et d’Oppuers, gematigd positief beantwoord. Er was geen interesse op korte termijn om zich te engageren, maar na een grondig onderzoek naar de mogelijkheden kon een samenwerking niet uitgesloten worden[81].

 

1.2.3 Nauwe diplomatieke samenwerking

 

De actieve steun aan Nederland vanwege de economische belangen binnen de Benelux was nauw verbonden met de hechte diplomatieke samenwerking tussen beide landen. Tijdens de onderhandelingen omtrent de douane-unie was immers een netwerk van diplomatieke contacten tussen België en Nederland ontstaan[82]. Diezelfde diplomaten waren nu ook betrokken bij de Indonesische kwestie. De belangrijkste Belgische actoren waren daarenboven ‘veteranen’ van de Belgische diplomatie, die mee met Spaak gestalte gaven aan de realisatie van zijn na-oorlogse multilaterale alliantiepolitiek.

 

De interne besluitvorming tijdens de oprichting van de Benelux werd, voor wat de Belgische zijde betreft, grondig onderzocht door Frederik VAN AKEN[83]. Hij stelde het netwerk van diplomaten betrokken bij deze onderhandelingen als volgt schematisch voor:

 

bron: VAN AKEN, F. Van Wanhoop tot vastberadenheid, 178.

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de Belgische minister van Financiën Camille Gutt de drijvende kracht voor de oprichting van een economisch samenwerkingsverband tussen de Lage Landen. In het begin volgde Minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak zijn collega echter niet meteen in zijn initiatieven. Spaak prefereerde de berichtgevingen van zijn secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Ferdinand Van Langenhove en de Belgische ambassadeur bij de Nederlandse regering, Leon Nemry die Gutts plannen te ambitieus achtten[84].

 

Niettemin hadden de initiatieven van Gutt een belangrijk gevolg. Zo stuurde de Commissie voor de Studie van Naoorlogse Problemen (CEPAG) en de door de Société Générale gefinancierde denkcel ‘Groupement d’Etudes Economiques’ steeds uitdrukkelijker aan op een multilateraal buitenlands -economisch- beleid[85]. Spaak was als voorzitter van de Internationale Politieke Sectie van CEPAG, en door zijn hechte vriendschap met Van Zeeland –algemeen directeur van deze commissie-, en met Snoy et d’Oppuers, -voorzitter van de Groupement d’Etudes Economiques-, direct betrokken bij deze debatten. Geleidelijk aan begon Spaak de monetaire en economische toekomstplannen in de Benelux op te vatten als een eerste stap in een grootschaliger integratieproces in West-Europa, waardoor hij zijn kritiek op Minister Gutt stilaan liet varen[86].

 

Ferdinand Van Langenhove bleef evenwel sceptisch staan tegenover elke vorm van alliantievorming en spoorde aan tot voorzichtigheid[87]. De wens tot oprichting van een tolunie tussen twee naties met vergelijkbare economische kracht was volgens de secretaris-generaal nieuw en niet vanzelfsprekend. De geschiedenis had aangetoond dat enkel douane-unies tussen staten met ongelijke kracht succesvol waren[88]. Zodra hij inzag dat de richting van het buitenlands beleid inzake de Benelux al door Spaak en Gutt bepaald was, verzachtte Van Langenhove zijn sceptiscisme. De secretaris-generaal van het Ministerie zag zich genoodzaakt zijn mening te herzien, maar hij bleef niettemin door zijn expertise centraal staan in de uitvoering van de regionale douane-afspraken[89]. Op 5 september 1944 werd het monetair akkoord officieel door Minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak en zijn Nederlandse collega Van Kleffens ondertekend.

 

Toen de Indonesische kwestie op 31 juli 1947 op de agenda van de VN-Veiligheidsraad kwam, waren dezelfde figuren actief. Een aantal van hen bekleedde ondertussen een andere functie. Ferdinand Van Langenhove was in 1947 tot voorzitter van de Belgische delegatie in de VN-Veiligheidsraad benoemd. Zijn prestige was uitgegroeid tot ‘le plus chevronné des diplomates’ binnen het Ministerie[90]. De toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens werd zijn collega. Hij leidde op dat ogenblik de Nederlandse delegatie te New York. Paul-Henri Spaak was sinds 20 maart 1947 opnieuw Premier en Minister van Buitenlandse Zaken in België[91]. Nemry was nog steeds Belgisch ambassadeur in Den Haag[92].

 

Vanuit hun gemeenschappelijke voorkeur voor integratie, was de steun aan Nederland voor deze diplomaten een logische keuze. De vruchtbare contacten tussen Van Kleffens, Spaak en hun entourage in de aanloop tot de oprichting Benelux, hebben mee de positiekeuze van deze besluitvormers bepaald.

 

 

Het optreden van alle betrokken diplomaten tijdens de Indonesische kwestie was het gevolg van precies georchestreerd diplomatiek overleg tot op ministerieel niveau, waarbij de Belgen de Nederlandse standpunten kritiekloos tot de hunne maakten[93]. De samenwerking met Nederland verliep via elk mogelijk diplomatiek kanaal. Spaak stond via de Politieke Directie met directeur Loridan of diens ondergeschikte Deltenre[94], voortdurend in contact met de Belgische vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties Van Langenhove, de Belgische ambassadeur in Den Haag Nemry en ambassadeur baron Silvercruys te Washington. Hij stond ook veelvuldig in contact met zijn Nederlandse collega’s of met de Nederlandse regering, die haar wensen overmaakte via haar ambassadeur te Brussel, van Harinxma, of via de Belgische ambassadeur in Den Haag Nemry. Het consulaat in Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië, geleid door consul Vanderstichelen, was de antenne van België op het terrein. De belangrijkste informatiebron blijkt duidelijk de Belgische ambassade in Den Haag, en in een later stadium de Belgische vertegenwoordigers in de “goede diensten”-commissie.

 

Binnen de Veiligheidsraad was er direct overleg over de strategie tussen Van Langenhove en zijn Nederlandse collega Van Kleffens, soms in de wandelgangen van de VN[95], soms -zoals uit de Official Records van de Veiligheidsraad blijkt- tijdens de zittingen van de Veiligheidsraad[96]. Van Langenhove stelde herhaaldelijk, aansluitend bij het betoog van de Nederlandse vertegenwoordiger Van Kleffens , dat de Veiligheidsraad niet bevoegd was zich over deze binnenlandse aangelegenheid uit te spreken en dat de competentie van het college onderzocht diende te worden[97].

 

Tijdens de Indonesische kwestie werd de Belgische delegatie erg vaak en hartelijk bedankt en het Ministerie te Brussel ontving meermaals lofbetuigingen van de Nederlandse regering[98]. Van Langenhove kreeg ook persoonlijke complimentjes van Van Kleffens, voor zijn door Nederland erg geapprecieerde tussenkomsten. Op 5 augustus 1947 bijvoorbeeld schrijft Van Langenhove aan Spaak dat na de zitting“…M. Van Kleffens renouvela dans les termes les plus chaleureux ses remerciements pour l’appui qui M. Nisot et moi lui avons apporté.”[99]

 

Plaatsvervanger en rechterhand van Van Langenhove Nisot had ook goede contacten met Van Kleffens en volgde consequent diens instructies op: “Pour votre gouverne, van Kleffens est mon voisin immédiat table Consécur [Conseil de Sécurité]. Suis donc tenu régulièrement au courant des intentions son Gouvernement. Agissons toujours commun accord.”[100] Of : “En stricte logique, ayant voté contre Indonésie, ne pouvait proposer Est-Indonésie et Bornéo. Ai fait, néansmoins, cette proposition, puisque van Kleffens me le demandait.”[101]

 

Op 25 augustus 1947 werden twee resoluties aangenomen door de Veiligheidsraad[102]. Resolutie 30 voorzag in de oprichting van een Consulaire Commissie, samengesteld uit de diplomatieke vertegenwoordigers – consuls – van Australië, België, China, Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. De commissie had tot taak de Veiligheidsraad te informeren over de situatie in Indonesië sinds het staakt-het-vuren na de eerste militiare actie. Op 1 september 1947 kwam de Consulaire Commissie voor de eerste maal bijeen[103]. Voor België maakte consul Vanderstichelen er deel van uit.

 

De oprichting van een Committee of Good Offices on the Indonesian Question (CGO) was voorzien in Resolutie 31. Deze CGO zou uit drie leden bestaan en moest de betrokkenen bijstaan tot een vreedzame oplossing van het conflict te komen[104]. De republiek Indonesië koos Australië als vertegenwoordigend lid, Nederland wees België aan.

 

België was bijgevolg aanwezig in de Consulaire Commissie en het CGO en zou er de Nederlandse zaak actief verdedigen. De oprichting van beide commissies werd niet bekritiseerd omdat zij geen de iure erkenning van de bevoegdheid van de Veiligheidsraad in de kwestie inhield, een argument waarmee Nederland en België tevergeefs de kwestie van agenda in de VN hoopten te houden[105].

 

Wat het CGO betreft, volgde de Nederlandse ambassadeur in Brussel van Harinxma zijn instructies op om Minister Spaak te benaderen met de vraag of Rijckmans, de voormalige Kongogouverneur, commissielid kon worden. Toen deze het aanbod afwees, stelde Spaak vervolgens voor de Belgische rechter in het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag, Charles De Visscher, aan te wijzen als vertegenwoordiger in de commissie van drie[106]. De president van het Hof had hier bezwaar tegen, waarna de Belgische regering, op 13 september 1947, Paul Van Zeeland bereid vond deel te nemen[107].

 

Paul Van Zeeland, die als katholiek, buiten-parlementair en vice-gouverneur van de Nationale Bank, twee regeringen van nationale eenheid had geleid in de periode van maart 1935 tot oktober 1937, was geen onbekende voor Spaak. Tijdens Van Zeelands tweede ambtstermijn als premier, was hij immers minister van Buitenlandse Zaken geweest[108]. Van Zeeland kwam als onafhankelijk lid de Kamer in, na een verkiezingsoverwinning op Leon Degrelle (REX) in april 1937. Tijdens de oorlog was hij ondermeer actief als lid van het CEPAG, waar hij meegewerkt had aan de uitwerking van een plan gericht op de economische constructie van Europa[109]. Van Zeeland had er gepleit  voor internationale samenwerking op drie vlakken: “Entre l’étage national et l’étage mondial, des stades intermédiaires apparaissent nécessaires.”[110] Met deze intermediaire stadia doelde Van Zeeland op economische regiovorming, zoals een Europese of Atlantische economische unie. Hoewel hij dus niet betrokken was bij de concrete oprichting van de Benelux, lag deze samenwerking volledig in de lijn van zijn visie[111]. In de ons aanbelangende periode was Van Zeeland gecoöpteerd senator van de CVP-PSC van maart 1946 tot 31 januari 1951. Van augustus 1949 tot april 1954 zou hij ook minister van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse handel worden in de vier elkaar opvolgende homogeen christen-democratische regeringen[112].

 

Voor Nederland was Paul Van Zeeland een vrijwel onbekend figuur. De Nederlandse regering wilde hem zo snel mogelijk leren kennen om er zeker van te zijn dat de persoon die in de commissie zou zetelen betrouwbaar en degelijk was. Ook België redeneerde in die richting. De voorkeur voor Rijckmans of De Visscher illustreert Spaaks zoektocht naar waardige figuren met ervaring in de kolonie of in internationale, juridische context. De motivatie om Paul Van Zeeland te kiezen was wellicht gebaseerd op zijn politieke ervaring en bovenal het feit dat hij het na-oorlogse beleid van Spaak mee ondersteunde en de noodzaak van de Benelux – en de eraan gekoppelde economische belangen –  onderkende.

 

De Nederlandse regering nodigde Van Zeeland uit om naar Den Haag te komen voor een gesprek, maar hij zag van dit voorstel af. Hij vond dit niet nodig omdat de Nederlandse ambassadeur in Brussel van Harinxma hem al voldoende had gedocumenteerd[113]. In New York had Van Kleffens op zijn beurt een langdurige gedachtewisseling met Van Zeeland over de Indonesische kwestie, over de houding van Australië en de rol van Engeland in het conflict. Van Kleffens was overtuigd van Van Zeelands intelligentie, maar vond dat hij van de politieke verhoudingen in Oost-Azië maar weinig wist[114]. Toch genoot Paul Van Zeeland vrij direct het vertrouwen van Nederland. Hoewel hij slechts kort in de commissie zetelde, officieel tot november 1948, zou hij vrij vlug goede resultaten voor Nederland bereiken[115].

 

Zo kon Paul Van Zeeland al vanaf de inwerkingtreding van het CGO in de herfst van 1947, voorkomen dat zij in het voor Nederland ongunstige Singapore zouden zetelen[116]. Een maand later slaagde hij er ook in de langzaam verzandende werking van het CGO te reactiveren. In een lijvig rapport van 21 december 1947 aan zijn collega’s in de commissie, riep Van Zeeland op om de academische discussies te stoppen en concrete resultaten na te streven. Een wapenstilstand moest zo vlug mogelijk bekomen worden[117]. Op basis van zijn suggesties, die later in de Renville-overeenkomsten terug te vinden waren, dwong hij voor Nederland een militair voordeel af[118].

 

Van Langenhove toonde zich, net als Nederland, tevreden over het optreden van Van Zeeland: “Notre éminent compatriote apparut nettement comme la personalité dominante de la Commission des Bons Offices.” [119]. Toen Paul Van Zeeland eind december 1947 de commissie verliet door de koningskwestie werd dit in hoge mate betreurd door de Nederlandse regering[120].

 

België wilde dit verlies compenseren door opnieuw personages met prestige en degelijkheid aan te spreken, maar de secretaris van de prins-regent A. de Staercke en andermaal Rijckmans waren niet bereid Van Zeelands plaats in te nemen. Uiteindelijk werd Van Zeelands vertrek slechts ten dele goedgemaakt door zijn vervanger, de jonge diplomaat Taymans, en enige tijd later door diens opvolger Raymond Herremans.

 

Sinds 1928 was Herremans in dienst bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Als beroepsdiplomaat was hij actief als attaché bij de consulaten te Batavia (1929), Shanghai (1931), Hankow (1932), Tokyo (1932) en Riga (1933) en als vice-consul te Rio de Janeiro (1936). Tussen 1940 en 1941 werkte hij in bezet Frankrijk als commissaris van de Belgische regering[121]. Zijn aanstelling binnen het CGO als opvolger van Van Zeeland, vernietigde een eerdere aanstelling tot Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Bangkok[122].

 

Raymond Herremans had zelf geen kennis over Indonesië of ervaring in Azië. Dat hij aangewezen werd om in het CGO te zetelen is opmerkelijk. Ongetwijfeld was vooral zijn ervaring in contacten met Nederland in Benelux-context de bepalende factor.  Tussen 1945 en 1947 had Herremans immers de functie van secretaris-generaal van le Conseil de Coopération belgo-franco hollando-luxembourgeois uitgeoefend, hetgeen wijst op een professionele betrokkenheid bij de economische samenwerking tussen de Lage Landen[123].

 

De Belgische invloed in de commissie van goede diensten is ook na Van Zeelands vertrek nog duidelijk gebleken[124]. Zijn constructieve politiek die leidde tot de Renville-akkoorden werd evenwel verlaten. Op verzoek van Nederland zou Herremans voortaan de werking van het CGO bewust vertragen en uitgehollen door een effectieve obstructiepolitiek.

 

Zo kon Herremans de informatiedoorstroming binnen de commissie belemmeren door bepaalde nota’s of rapporten niet over te maken aan de andere partijen. Tijdens stemmingsrondes hield het Belgisch commissielid ook vaak het been stijf. Om een voorstel goedgekeurd te krijgen was immers unanimiteit vereist[125]. Indien obstructie in het CGO onmogelijk bleek, gaf Spaak aan Van Langenhove de opdracht om de discussie van de commissierapporten in de Veiligheidsraad uit te stellen of te verhinderen[126]. Een enkele keer werd de werking van het CGO zelfs volledig geblokkeerd door het doelbewust terugroepen van Herremans naar België. In juli 1948 werd immers een nieuwe Nederlandse regering gevormd en België was gevraagd de onderhandelingen te onderbreken. Tijdens deze tijdelijke terugkeer kreeg Herremans een aantal briefings in Nederland om toekomstige acties voor te bereiden[127].

 

De Belgisch-Nederlandse samenwerking kwam zeer duidelijk tot uiting toen Herremans er persoonlijk in slaagde het du Bois Critchleyplan te doen verwerpen en via tussenkomst bij het State Department de terugroeping van du Bois, het Amerikaanse commissielid, kon bekomen[128].

 

Tot 1948 stond België dus steeds klaar om via zijn stem in de Veiligheidsraad of in de Commissies de Nederlandse politiek trouw te steunen. De contacten via de diplomatieke kanalen waren hierbij veelvuldig en vinden hun oorsprong in een traditionele diplomatieke samenwerking.

 

1.2.4 Gedeelde koloniaal-politieke denkbeelden

 

In de analyse van de Belgische houding in het Indonesisch-Nederlands conflict stelt zich ook de vraag of de steun aan Nederland beïnvloed werd door het eigen koloniale bezit in Afrika. Deze problematiek werd enkel door S. VAN DER WAL onderzocht, zij het in beperkte mate.

 

VAN DER WAL stelt dat de Belgische koloniaal-politieke denkbeelden aan het eind van de Tweede Wereldoorlog de houding van België in het Nederlands-Indonesisch conflict mee bepaald hebben[129]. Belgiës engagement in Kongo was gericht op de verbetering van de bestaansvoorwaarden van de inheemse bevolking. Deze visie vertoonde gelijkenissen met de Nederlandse koloniale politiek. De ‘white man’s burden’ of Nederlands-calvinistisch vertaald ‘de zedelijke roeping’, van het moederland naar zijn koloniën, inspireerde Nederland tot een beleid dat de ethische politiek werd genoemd, omdat zij de geestelijke en materiële vooruitgang van de gekoloniseerde bevolking beoogde[130]. Als koloniale mogendheid steunde België Nederland omdat het geloofde in de onfeilbaarheid van een koloniaal systeem en de vanzelfsprekendheid die men aan koloniaal bezit hechtte[131].

 

Of de Belgische steun aan Nederland werd ingegeven door een vrees dat de eigen kolonie ook met dekolonisatieproblemen geconfronteerd kon worden, beantwoordt VAN DER WAL niet. Aanwijzingen hiervoor werden in de diplomatieke correspondentie niet gevonden. Het bestaan van een dergelijke angst in het ministerie wordt ook sterk gereduceerd door het feit dat Brussel in april 1947 geneigd was de republiek Indonesië te erkennen[132]. De toestand in de Belgische kolonie was na de Tweede Wereldoorlog ook rustig. Van dekolonisatie en streven naar onafhankelijkheid was nog geen sprake[133].

 

Het aanvechten van de bevoegdheid van de Verenigde Naties in de Indonesische kwestie – een rode draad doorheen het Belgische optreden – , was dus ook geen anticipatie op mogelijke problemen in Kongo. Deze politiek was een tactische keuze in het kader van de steun aan Nederland.

 

België was wel ongerust over de mondiale noord-zuid blokvorming die dreigde te ontstaan door de wijze waarop de VN het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesische bevolking behandelde. De Indonesische kwestie bracht het antagonisme tussen koloniale (Nederland, België, Frankrijk en Groot-Brittannië) en niet-koloniale mogendheden (Australië, India) duidelijker naar voren[134]. Uit een verslag van Nisot, de rechterhand van Van Langenhove, blijkt dat beiden reeds na de eerste zittingen deze groeiende spanning opmerkten: “Le débat a revelé d’une manière frappante qu’il existe au conseil de sécurité une majorité opposée aux intérêts des puissances dites coloniales et que la Charte n’offre à celles-ci des sauvegardes précaires.”[135]. Tegen het eind van de kwestie vreesde Van Langenhove ook dat Nederland aansluiting zou zoeken bij de antikoloniale landen indien zij haar kolonie zou verliezen. M. Boon, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Nederland, garandeerde hem “dat dit geenszins het geval was en zal zijn”[136].

 

In de pers en het parlement waren wel uitingen van bezorgdheid voor de Belgische positie als koloniale macht in Afrika indien België Nederland steunde. Deze blijken echter beperkt.

 

In het Belgische parlement kwam de Indonesische kwestie pas in januari 1949 voor het eerst ter sprake. De kritiek op de Belgische steun aan Nederland was toen erg beperkt, maar zij drukte wel enige bezorgdheid uit over de mogelijke gevolgen van de steun aan Nederland voor de Belgische positie als koloniale macht in Afrika[137]. De Belgische positie in het Nederlands-Indonesisch conflict was evenwel reeds twee jaar eerder gevormd. Enige invloed op de initiële stellingname van Spaak in 1947 hebben deze critici dus niet gehad.

 

Volksvertegenwoordiger Bohy, woordvoerder van de socialisten in de Kamer, wees ondermeer op de repercussies die de Belgische houding in het Nederlands-Indonesische conflict kon hebben op de positie van België in Afrika, met name in de Kongo en Ruanda-Urundi[138]. Fayat, zijn Vlaamse partijgenoot, noemde de VN een ongemeen propagandamiddel voor anti-kolonialisten, waardoor de gekoloniseerde landen zich afwendden van de West-Europese naties. Fayat pleitte voor hechte samenwerking tussen de moederlanden in West-Europa om stelling te nemen tegen het antikolonialisme zoals dat in Amerika de boventoon voerde. Anderzijds bepleitte Fayat dat de landen van het Verdrag van Brussel “een gezamenlijke, progressieve, koloniale politiek zouden voeren, om militaire acties te besparen en om tegelijkertijd ook een te snelle breuk met onze koloniale rijken te vermijden, met oog op het belang eerst en vooral van de koloniale volkeren zelve”[139].


Minister Spaak ging de volgende dag uitvoerig in op het verzoek om toelichting van Bohy. Hij benadrukte de kwestie in juridische context te begrijpen en bestreed de bevoegdheid van de Veiligheidsraad inzake het Nederlandse optreden in Indonesië: “Je vous en prie, ne traitez pas légèrement cette question et ne décidez pas trop vite qu’un conflit entre une colonie et la métropole appelle l’arbitrage des Nations unies”
[140]. Op geen enkel ogenblik ging hij in op mogelijke implicaties van de kwestie voor Kongo, of op de suggestie van Fayat een nauwe samenwerking met koloniale landen op te zoeken[141]. Ondanks hun bezorgheid keurden Fayat en Bohy het budget voor Buitenlandse Zaken goed[142].

 

Veel eerder en ook veel meer dan het parlement hield de pers zich bezig met de Indonesische kwestie. De verwijzingen naar de implicaties van de Belgische positie in Indonesië voor het eigen koloniale bezit blijken ook hier weinig talrijk.


In zijn studie is VAN DER WAL overtuigd van het feit deze kwestie de discussie over de dekolonisatie van Kongo in België op gang heeft gebracht. Hij argumenteert deze stelling met
“de mate waarin de publieke opinie in België zich met het verloop van de Indonesische kwestie heeft beziggehouden”[143]. Dit argument blijft evenwel erg vaag. De auteur toont weliswaar aan dat de socialistische en communistische pers, in tegenstelling tot de liberale en katholieke kranten, het standpunt van de Belgische overheid fel bekritiseerden
[144]. Het verband met de eigen Belgische kolonie werd echter enkel onderbouwd met een citaat uit het socialistische blad Vooruit van 12 september 1947. De krant schreef dat “alle naoorlogse experimenten ten spijt, Indonesië voor de Nederlanders en Indo-China voor de Fransen mettertijd verloren gaan (…) andere koloniën zullen wel volgen”. Volgens VAN DER WAL verwees deze laatste zin duidelijk naar de Belgische kolonie. In de Vooruit staat Kongo nochtans niet expliciet vermeld[145].

 

Uit de schaarse gegevens in dit verband, is het moeilijk aanwijsbaar of de dekolonisatiediscussie in verband met Kongo op gang werd gebracht door de positie van België als bevoorrechte getuige bij het Indonesisch onafhankelijkheidsproces[146]. Er zijn ook te weinig aanwijzingen om echt te kunnen besluiten dat de beperkte kritieken in het parlement en in de pers representatief waren voor de algemene publieke opinie en of deze opvattingen ook een invloed hadden op de besluitvorming.

 

1.2.5 De vrees voor Sovjet-expansie in Indonesië

 

Het optreden van België in deze kwestie lijkt niet rechtstreeks beïnvloed door een vrees voor expansie van de USSR, infiltratie van communisten in Indonesië of angst voor het communisme.

 

De ingezette verkoeling van de relaties met de USSR kwam wel ter sprake in de diplomatieke correspondentie vóór België expliciet de kant van Nederland koos. In oktober 1945 meende de ambassadeur te Londen dat “…l’agitation nationaliste ne semble pas être inspirée par Moscou…”[147] en een jaar later waarschuwde Consul Vanderstichelen vanuit Batavia over: “…Tan Malakka, … son nom est à retenir car le rôle de ce leader communiste, formé à Moscou même, jouera encore dans la révolution en cours…”[148]. Er werd rekening gehouden met de communistische aanwezigheid in Indonesië, maar het blijken duidelijk veronderstellingen. Op 24 mei 1947 stelde Ambassadeur Nemry Spaak de volgende vraag: “Faut-il abandonner une autorité politique à Soukarno, soutenue sous main, du reste, par des inspirations d’ordre soviétique, que l’on s’efforce de contrecarrer en certains pays d’Europe…”[149]. Een kleine maand later werd de communistische dreiging echter met dezelfde vanzelfsprekendheid gerelativeerd: “…certes les Soviets travaillaient, mais ils ne jouaient pas un rôle prépondérant dans les évènements…”[150]. Veel zekerheid over de hand van Moskou lijken de observatoren dus niet te hebben gehad[151]. In de dossiers zijn geen uitdrukkelijke vragen van België aan bondgenoten gesteld omtrent communistische aanwezigheid in Indonesië. Tijdens het verdere verloop van de kwestie kwam deze vrees ook niet meer aan bod.

 

 

1.3 besluit benelux-agenda

 

De Belgische stellingname in het Nederlands-Indonesisch conflict werd ingepast in de Belgische naoorlogse agenda gericht op integratie op regionaal vlak.

 

De Belgische aanwezigheid als niet-permanent lid in de Veiligheidsraad vond plaats op een cruciaal ogenblik voor de economische toekomst van België. Het Beneluxverdrag wachtte op ratificatie en België werd meegesleurd in de beklemmende intra-Europese economische toestand. Het verlies van de Indonesische kolonie kon nefast zijn voor de economische positie van buurland Nederland en dus indirect voor de eigen belangen. De Indonesische kwestie werd inderdaad omgebogen naar de eigen economische, en op lange termijn, politieke zekerheid, die in wezen een gedeeld belang met Nederland was. België verwachtte dat Nederland haar engagement, dat ongetwijfeld bekritiseerd zou worden door andere landen, naar waarde zou schatten.

 

De steun aan Nederland is op zijn beurt nauw verbonden met de hechte diplomatieke samenwerking tussen beide landen. De contacten via de diplomatieke kanalen waren hierbij veelvuldig en vinden hun oorsprong in de traditionele diplomatieke samenwerking tussen beide landen, die ook actief was tijdens de onderhandelingen en oprichting van de Benelux.

 

De Belgische belangen in Indonesië, vrees voor een eventuele dekolonisatie van Kongo of voor sovjetexpansie lijken de Belgische stellingname niet direct bepaald te hebben. Het beleid werd gesteund door een uitgebreide consensus in pers en parlement. Het is onduidelijk of de Belgische steun aan Nederland werd ingegeven door een angst voor dekolonisatie in de eigen kolonie.

 

In deel twee gaan we na in welke mate dit regionale denken als drijfveer voor het Belgisch standpunt in de Indonesische kwestie, ook bij andere conflicten in het Verre Oosten een bepalende rol speelde.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[3] In bijlage vindt u kaart 1 “Indonesië”.

[4] GLORIEUX, De houding en rol van België, 25.

[5] DROOGLEVER, “Dekolonisatie van Oost- en West-Indië”, 421.

[6] TAYLOR, Indonesian Independence, 3.

[7] DROOGLEVER, “Dekolonisatie van Oost- en West-Indië”, 421.

[8] De Netherlands Indies Civil Administration (NICA) was een korps van gemilitariseerde ambtenaren, opgericht in 1944, opererend vanuit Camp Columbia bij Brisbane in Australië. Haar taak bestond er ondermeer in het burgerlijk bestuur over Indonesië te herstellen. Tot het einde van de oorlog viel zij onder geallieerd opperbevel. Begin 1946 veranderde zij haar naam in ‘Allied Military Administration Civil Affairs Branch’ (AMACAB). Na het vertrek van de Britten uit Indonesië werd zij de “Tijdelijke Bestuursdienst” genoemd.

[9] DROOGLEVER, “Dekolonisatie van Oost- en West-Indië”, 421.

[10] TAYLOR, Indonesian Independence, 8-13.

[11] DROOGLEVER, “Dekolonisatie van Oost- en West-Indië”, 426.

[12] GLORIEUX, De houding en rol van België, 25. Beide partijen gaven een eigen interpretatie aan de overeenkomst waardoor zij onuitvoerbaar bleek.

[13] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 388.

[14] DROOGLEVER, “Dekolonisatie van Oost- en West-Indië”, 428.

[15] TAYLOR, Indonesian Independence, 53.

[16] In Singapore was de Britse ‘Far Eastern Publicity’, die haar sympathie voor de republiek niet onder stoelen of banken stak, actief. Bovendien vreesde Nederland dat de Britten, die met de opheffing van het geallieerd oppercommando in Zuidoost-Azië op 30 november 1946 Indonesië hadden verlaten, zouden proberen om hun invloed op de behandeling van het Indonesische vraagstuk te herwinnen (VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 390). Nederland zag Singapore als een “nid d’intrigues anti-Néerlandaises avec un grand nombre de fonctionnaires du gouvernement indonésiens…un groupe de journalistes australiens qui y avaient crée un atmosphère hostile à la Hollande…les Anglais…”. (AMBZ, 12.935, 6 november 1947, Batavia, Van Zeeland aan Spaak).

[17] DROOGLEVER, “Dekolonisatie van Oost- en West-Indië”, 429.

[18] TAYLOR, Indonesian Independence, 68, 77 en 94.

[19] GLORIEUX, De houding en rol van België, 51.

[20] Het aantal observatoren met militaire of economisch-financiële kennis die de commissieleden ondersteunden werd verhoogd. (AMBZ, 12.935, 10 februari 1948, Batavia, Herremans aan Spaak).

[21] Het du Bois-Critchleyplan was genoemd naar de vervanger van het Amerikaanse lid Graham (sinds mei 1948) en diens Australische collega. Het plan stelde vroegere verkiezingen voor dan voorzien was in de Renville-akkoorden en kende grote macht toe aan constituante, parlement en interimregering. De rol van de luitenant gouverneur-generaal zou ook erg beperkt worden. (TAYLOR, Indonesian Independence, 125-142.).

[22] DROOGLEVER, “Dekolonisatie van Oost- en West-Indië”, 432.

[23] GLORIEUX, De houding en rol van België, 60. Een aantal auteurs verklaart deze gewijzigde Amerikaanse houding veeleer met de groeiende angst in Washington voor infiltratie van communisten in Indonesië. (ondermeer: HOMAN, G. “The Netherlands, the United States and the Indonesian Question”. Journal of Contemporary History, XXV (1990) 127.) Jan Glorieux sluit zich hierbij aan. Cf. infra, p 66.

[24] DROOGLEVER, “Dekolonisatie van Oost- en West-Indië”, 432.

[25] GLORIEUX, De houding en rol van België, 63.

[26] TAYLOR, Indonesian Independence, 171.

[27] GLORIEUX, De houding en rol van België, 73.

[28] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 391.

[29] TAYLOR, Indonesian Independence, 188.

[30] TAYLOR, Indonesian Independence, 199.

[31] TAYLOR, Indonesian Independence, 207-208.

[32] GLORIEUX, De houding en rol van België, 73.

[33] TAYLOR, Indonesian Independence, 258.

[34] GLORIEUX, De houding en rol van België, 74. en TAYLOR, Indonesian Independence, 259.

[35] GLORIEUX, De houding en rol van België, 91.

[36] FASSEUR, “De leeuw en de Cheshire kat”, 13. In deze studie wordt de confrontatie tussen Nederland en Indonesië geanalyseerd vanuit de invalshoek van Engelse politici en diplomaten. Volgens Fasseur was hun rol doorheen het conflict niet te verwaarlozen, terwijl “De Belgische invloed in de commissie er spoedig miniem (zou) blijken”.

[37] TAYLOR vertelt het chronologisch verloop van de kwestie vanuit het perspectief van de VN, op basis van de officiële verslagen van de Veiligheidsraad en de betrokken commissies. De Belgische invloed wordt als passief omschreven.

[38] Dr. P.J. DROOGLEVER is senior-onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING). Hij publiceerde voornamelijk over de Nederlands-Indonesische betrekkingen in de twintigste eeuw. Thans is hij betrokken als projectleider bij de uitgave van “Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1950” en onderzoek naar de “Nederlands-Indonesische betrekkingen 1950-1963”. Het geraadpleegde artikel uit 1982 maakt deel uit van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden. De deelname van Belgische diplomaten staat nergens vermeld.

[39] VAN DER WAL, S. “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”. Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, aflevering 3, LXXXIX (1975) 385-392. Het betreft een uitgeschreven versie van de voordracht waarin voornamelijk personderzoek werd gevoerd omtrent de kwestie. De auteur publiceerde meerdere studies omtrentde Nederlandse koloniale geschiedenis. Zo stelde hij in samenwerking met P. DROOGLEVER de Officiële bescheiden betreffende de Nederland-Indonesische betrekkingen 1945-1950 op en was hij verbonden aan de commissie voor bronnenpublicatie betreffende de geschiedenis van Nederlands-Indië van het historisch genootschap gevestigd te Utrecht.

[40] GLORIEUX, J. De houding en rol van België bij de oplossing van het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1950. Brussel, 1990. Een systematische chronologische studie van de Belgische deelname aan de VN-commissies en zijn diplomatieke rol in het hele conflict in Indonesië, op basis van de diplomatieke correspondentie uit het AMBZ.

[41] COMPERNOL, J. Het Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948) Een analyse van de Belgische standpunten bij de Griekse en de Indonesische kwestie. Leuven, 1997. Deze verhandeling bouwt - in het kader van Indonesische kwestie - voort op het onderzoek van Glorieux, aangevuld met gegevens uit de originele VN-rapporten.

[42] Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleven de Belgische en Nederlandse regering in Londen.

[43] AMBZ, 12.935, 8 oktober 1945, Londen, Nemry aan Spaak.

[44] AMBZ, 12.935, 23 december 1945, Den Haag, Legain aan Spaak.

[45] GLORIEUX, De houding en rol van België, 18. Glorieux meldt geen rapport van de consul in Batavia gevonden te hebben in de dossiers. Dit kunnen we bevestigen.

[46] GLORIEUX, De houding en rol van België, 18.

[47] AMBZ, 12.935, Beiroet, Aspremont Lynden aan Spaak.

[48] AMBZ, 12.935, Cairo, Polain aan Spaak.

[49] AMBZ, 12.935, 5 april 1947, Batavia, Vanderstichelen aan Spaak.

[50] De verwarring vóór 31 juli 1947 in de bronnen staat in schril contrast met de plotse vastberadenheid waarmee Van Langenhove vanaf de eerste zitting uitpakte en het Nederlandse kamp koos.

[51] Cf. supra.

[52] AMBZ, 12.935, 1 augustus 1947, Brussel, Dir. P. aan Van Langenhove.

[53] VANDEWALLE, G. “De economische ontwikkeling in België 1945-1980”, 133. en BAUDHUIN, F. Histoire économique de la Belgique, 90.

[54] FITZMAURICE, J. Politics of Belgium, 89. Het douaneproject zelf werd reeds goedgekeurd door de Belgische en Nederlandse ministers op 5 september 1944, waarna de weg open lag voor ratificatie en uiteindelijke inwerkingtreding.

[55] LUYCKX, Politieke geschiedenis van België, 461.

[56] HELMREICH, J. Belgium and Europe, 383. en Fitzmaurice, J. Politics of Belgium, 259.

[57] AMBZ, 12.935, 13 augustus 1947, Nisot aan Spaak.

[58] Op 6 december 1944 had Spaak zijn naoorlogse veiligheidsbeleid aan het parlement voorgesteld. Zij was gebaseerd op collectieve veiligheid, europese alliantie en regionale samenwerking.(SPAAK, Combats Inachevés, 157.; VAN AKEN, Van wanhoop tot vastberadenheid, 179; een beknopt overzicht van deze agenda in LUYCKX, Politieke geschiedenis van België, 460-464.)

[59] AMBZ, 12.935, 12 januari 1948, Directie B aan directie P.

[60] Parlementaire Stukken, 1948-1949, 13 januari 1949, nr. 120.

[61] COMPERNOL, Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948), 160.

[62] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 395.

[63] GLORIEUX, De houding en rol van België, 93.

[64] COMPERNOL, Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948), 11.

[65] COOLSAET, België en zijn buitenlandse politiek, 354.

[66] BAUDHUIN, F. Histoire économique de la Belgique 1945-1956. Brussel, 1958. 252-253. en COOLSAET, België en zijn buitenlandse politiek, 354.

[67] AMBZ, 13734/I a en b, 19 februari 1948, Van Langenhove aan Spaak.

[68] AMBZ, 12.935, 13 oktober 1947, Batavia, Herremans aan Spaak. De Nederlandse vertegenwoordiger Van Kleffens wordt door Herremans omschreven als “froid”, “indifférend” en “hautain”. Er waren wel diplomaten die zich lieten verleiden tot uitdrukkingen als “Soekarno et ses frères bruns…” (AMBZ, 12.935, 8 november 1949, Wellington, Nihotte aan Van Zeeland) of “un péril indonésien” in het kader van “…des hordes de Chinois, de Japonais, de Malais, de Birmanais, d’Hindous, … le tocsin aurait à sonner le glas de l’Australie blanche…” (AMBZ, 12.935, 11 februari 1950, Sydney, Verstraeten aan Van Zeeland). Men ging zelfs zover te beweren dat: “…ce peuple non seulement a besoin de, mais aussi désire l’autorité…” (AMBZ, 12.935, 8 september 1947, Wellington, Van Panhuys aan Spaak). Het blijkt evenwel dat deze diplomaten nooit rechtstreeks bij de kwestie betrokken waren. Commissieleden lieten zich niet tot dergelijke uitvallen verleiden. (ook: GLORIEUX, De houding en rol van België, 84-85).

[69] SCOR, 3e jaar, 323e zitting (17.10.1948), 29-35. (geciteerd in: COMPERNOL, Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948), 144.)

[70] FRUS, 1949, 261, 25 februari 1949, Secretary of State (Acheson) to Embassy Brussels (Kirk). Secret memorandum. Geciteerd in : GLORIEUX, De houding en rol van België, 71.

[71] GLORIEUX, De houding en rol van België, 64.

[72] AMBZ, Politieke dossier, 12 935, 10 maart 1949, Brussel, Spaak aan Van Kleffens.

[73] AMBZ, 12.935, 22 juli 1947, Londen, Obert de Thieusis aan Spaak.

[74] COMPERNOL, Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948), 117 en GLORIEUX, De houding en rol van België, 60.

[75] GLORIEUX, De houding en rol van België, 15-16.

[76] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 387.

[77] GLORIEUX, De houding en rol van België, 86.

[78] AMBZ, 12.936, 9 januari 1950, Loridan aan Van Zeeland. Sinds de onafhankelijkheid van de republiek was consul Vanderstichelen reeds benoemd tot Consul-generaal. Nu zou hij dus opnieuw promotie krijgen.

[79] Nationaal Instituut voor Statistiek, 1948-1953. De uitvoer naar Indonesië bedroeg in 1949 570.067.000 frank, in 1950 1.073.541.000 frank. – ook de invoer verdubbelde: van 375.774.000 fr. naar 752.733.000 fr.

[80] AMBZ, Economische dossiers, 5295, 25 januari 1950, Monsieur E. Graeffe aan P. Van Zeeland

[81] AMBZ, Economische dossiers, 5295, 22 maart 1950, Minister Snoy et d’Oppuers aan Dir. Gén. P. Section I.

[82] Meer informatie over de diplomatieke contacten tijdens de onderhandelingen van de douane-unie: KERSTEN, A. “Nederland en België in Londen 1940-1944. Werken aan de na-oorlogse betrekkingen” in: Colloquium over de geschiedenis van de Belgisch-Nederlandse betrekkingen tussen 1815 en 1945. Brussel 10-12 december 1980. Gent, 1982. 495-520.; WEISGLAS, M. Benelux. Van nabuurstaten tot Uniepartners. Amsterdam, 1949. ; WIEBES, C., ZEEMAN, B. Belgium, the Netherlands and alliances, 1940-1049. Leiden, 1993.

[83] VAN AKEN, Van wanhoop tot vastberadenheid, 23 – 37.

[84] Meer informatie over de oppositie van Van Langenhove en Nemry: VANLANGENHOVE, F. La sécurité de la Belgique. Contribution à l’histoire de la période 1940-1950. Brussel, 1971, 91-92.; VAN AKEN, F. Van wanhoop tot vastberadenheid. 26-29 en 33-35. Ferdinand Van Langenhove was na een omvangrijke en indrukwekkende carrière benoemd tot secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij was door zijn lange staat van dienst uitgegroeid tot één van de nauwste medewerkers van Spaak en hij nam een voorname plaats in binnen de vertrouwensgroep rond de minister. (STENGERS, J. “Notice sur Ferdinand Van Langenhove” in: Académie Royale de Belgique LXXXIV (1984) Brussel, 135-225). Bij de oprichting van de Benelux was ook Leon Nemry, Belgische ambassadeur bij de Nederlandse regering, een essentiële speler. Hij stond in contact met de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens met wie Spaak onderhandelde. Tijdens de oorlog verbleef hij ook in Londen, na de oorlog was hij posthoofd in Den Haag. (POSTMA, Régards sur le Benelux. 50 ans de coopération, 45.; GROSBOIS, Négociations de Londres pour une Union Douanière Benelux (1941-1944) 495-520.)

[85] COOLSAET, België en zijn buitenlandse politiek 1830-1990, 326.

[86] VAN AKEN, Van wanhoop tot vastberadenheid. 179.

[87] WIEBES, Belgium, the Netherlands and alliances, 37.

[88] BOEKENSTIJN, “Dutch governement and the Benelux agreement”, 137.

[89] POSTMA, Regards sur le Benelux. 50 ans de cooperation, 52-53.

[90] STENGERS, “Notice sur Ferdinand Van Langenhove”, 122 en 186.

[91] EYSKENS, “De functie van eerste minister in België in de periode 1945-1975”, 539. Spaak zou deze regering leiden tot 27 juni 1949.

[92] Annuaire Administrative et judiciaire, jaren 1946 – 1950.

[93] GLORIEUX schrijft: “De Belgische steun aan Nederland was een punt dat zelden of nooit in vraag werd gesteld. Wel waren er soms wrijvingen en twijfelde België soms erg aan de “bon sens” van de Nederlandse strategie, maar een echt struikelblok vormde dit nooit.” (GLORIEUX, De houding en rol van België, 56). Een voorbeeld van enige agitatie was de Belgische ondertekening van het militaire rapport over een opstand in Rawagedeh dat vaststelde dat Nederlandse troepen 150 Indonesiërs neerschoten. Nederland protesteerde heftig tegen Belgiës weigering om geen handtekening onder het rapport te plaatsen. Toch bleef het Belgisch commissielid in het CGO Nederland nadien actief steunen (GLORIEUX, De houding en rol van België, 57).

[94] De Politieke Directie, met gedurende de periode die we behandelen Loridan aan het hoofd, bestond uit zes secties, opgedeeld volgens geografische criteria. De sectiechef voor Azië, Deltenre, staat in voor de feitelijke opvolging van het dossier “Question Indonésienne”. Het opstellen van de nota’s, telegrammen en memoranda gebeurde gedurende de hele periode door Alfons van der Essen. Opmerkelijk is wel dat er in 1949 een sectie Nederland-Indonesië, samen met de Skandinavische landen, buiten de sectie Azië werd opgericht. Dit aparte onderbrengen duidt op een levendige belangstelling voor de Nederlands-Indonesische problematiek maar eigenlijk is het bespreken conflict dan in wezen al opgelost . (Annuaire Administrative et judiciaire, jaren 1946 – 1950).

[95] GLORIEUX, De houding en rol van België, 30.

[96] COMPERNOL, Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948), 160.

[97] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 388.

[98] AMBZ, 12.935, 7 augustus 1947, Ambassade Nederland aan Directie P.

[99] AMBZ, 13734/I a en b, 5 augustus 1947, Van langenhove aan Spaak.

[100] AMBZ, 13734/I a en b, 13 augustus 1947, New York, Nisot aan Dir. P.

[101] COMPERNOL, Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948), 120.

[102] SCOR, 194ste zitting, 25 augustus 1947, 2203. (geciteerd in: TAYLOR, Indonesian Independence, 54).

[103] Een uitgebreide bechrijving van de bevoegdheden en analyse van hun rapporten in TAYLOR, Indonesian Independence, 53-67.

[104] TAYLOR, Indonesian Independence, 53-55.

[105] COMPERNOL, Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948), 160.

[106] AMBZ, 12.935, 8 september 1947, Brussel, de Gruben aan directeur-generaal P. en VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 389.

[107] GLORIEUX, De houding en rol van België, 38.

[108] DUMOULIN, M. en DUJARDIN, V. Paul Van Zeeland 1893 – 1973. Brussel, 1997. Deze studie is de eerste biografie van Paul Van Zeeland, op basis van origineel (onuitgegeven) bronnenmateriaal. Zijn deelname aan de Commissie voor Goede Diensten wordt slechts beknopt vermeld.

[109] DUMOULIN, Paul Van Zeeland 1893 – 1973, 123.

[110] Geciteerd in GROSBOIS, T. L’idée européenne en temps de guerre dans le Benelux (1940-1944). Louvain-la-neuve, 1994, 82.

[111] Zie ook HELMREICH, Belgium and Europe, 380.

[112] Meer informatie: VAN MOLLE, P. Het Belgisch parlement, 1894-1969. Gent-ledeberg, 1969. en DUMOULIN, M. en DUJARDIN, V. Paul Van Zeeland 1893 – 1973. Brussel, 1997.

[113] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 389.

[114] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 389.

[115] GLORIEUX, De houding en rol van België, 38.

[116] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 390.

[117] AMBZ, 12.935, 24 december 1947, Batavia, Van Zeeland aan Van Langenhove, rapport van 21 december 1947.

[118] Van Zeeland stelde, op basis van alle geformuleerde voorstellen in de commissie, een draft message op, dat het aanvaarden van een wapenstilstand door de twee partijen zou betekenen. Het voordeel voor Nederland bestond uit gebiedswinst: niet al het tijdens de politionele actie bezet gebied zou teruggegeven moeten worden (GLORIEUX, De houding en rol van België, 43).

[119] COMPERNOL, Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948), 136.

[120] DUMOULIN, Paul Van Zeeland, 165-166. Op 23 november 1947 organiseerde de PSC-CVP op de Heyzel een grote manifestatie als eerbetoon en steun aan Leopold III. Paul Van Zeeland was een vurig voorstander van de terugkeer van de vorst en had het project mee ondersteund. Het was in het kader van dit congres dat hij zich uit het CGO terugtrok en naar België terugkeerde.

[121] Annuaire Administrative et judiciaire, jaren 1946 – 1950. en AMBZ, Pers. Ext., “Herremans, Raymond”

[122] Besluit van de Regent van 5 oktober 1948, BS 20 november 1948.

[123] Le livre bleu, 271. “Herremans, Raymond”.

[124] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 391.

[125] AMBZ, 12.935, 21 april 1948, Batavia, Herremans aan Spaak.

[126] AMBZ, 12.935, 31 mei 1948, Brussel, Spaak aan Van Langenhove.

[127] AMBZ, 12.935, 16 juni 1948, Batavia, Herremans aan Spaak. en AMBZ, ib., 19 juni 1948, Brussel, Spaak aan Herremans.

[128] GLORIEUX, De houding en rol van België, 59. Cf. infra, p op pagina 66.

[129] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 386.

[130] VAN BILSEN, “Pour une politique coloniale de mouvement en Afrique”, 395-396.

[131] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 386.

[132] Cf. supra.

[133] VON ALBERTINI, Dekolonisation, 577-578. en VAN BILSEN, Kongo 1945-1965, 43.

[134] COMPERNOL, Belgisch beleid in de Veiligheidsraad (1947 – 1948), 160. Volgens Fasseur mag de Engelse steun aan Nederland niet in termen van “gedeelde belangen als koloniale landen” opgevat mag worden. De Britse regering steunde Nederland in het verdere verloop van de kwestie duidelijker, maar dan vooral geïnspireerd door de overweging om Nederland mee in de richting van de oprichting van de West-Europese Unie te bewegen.  (FASSEUR, Engeland, Nederland en de dekolonisatie van Indonesië, 15.) De blokvorming die COMPERNOL aanhaalt dient dus op een aantal vlakken te worden genuanceerd.

[135] AMBZ, 13734/I a en b, 5 augustus 1947, Joseph Nisot aan Spaak.

[136] AMBZ, 5295, 25 januari 1950, Graeffe aan Van Zeeland.

[137] Parlementaire Handelingen, Kamer van volksvertegenwoordigers. 18 – 27 januari 1949.

[138] Parlementaire Handelingen. Kamer der Volksvertegenwoordigers, 18 januari 1949, Bohy.

[139] Parlementaire Handelingen. Kamer der Volksvertegenwoordigers, 18 januari 1949, Fayat.

[140] Parlementaire Handelingen. Kamer der Volksvertegenwoordigers, 19 januari 1949, Spaak.

[141] Parlementaire Handelingen. Kamer der Volksvertegenwoordigers, 19 januari 1949, Spaak.

[142] Parlementaire Handelingen. Kamer der Volksvertegenwoordigers, 27 januari 1949.

[143] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 395.

[144] VAN DER WAL, “België en het Nederlands-Indonesisch conflict 1945-1949”, 392-394.

[145] Vooruit, 12 september 1947.

[146] GLORIEUX, De houding en rol van België, 90.

[147] AMBZ, 12.935, 12 oktober 1945, Cartier de Marchiennes (ambassadeur Londen) aan Spaak.

[148] AMBZ, 12.935, 27 juni 1946, Vanderstichelen aan Spaak.

[149] AMBZ, 12.935, 24 mei 1947, Nemry aan Spaak.

[150] AMBZ, 12.935, 21 juni 1947, Nemry aan Spaak.

[151] GLORIEUX, De houding en rol van België, 19.