| “Omdan ze nog en kèr un joâr oekder zin”. Geschiedenis van Club Brugge (1891-1919). (Thijs Ostyn) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Over voetbal wordt veel geschreven, de sportpers leeft voor 70 procent van de populairste sport ter wereld. Op haar beurt is de sportverslaggeving één van de redenen voor het succes van populaire kranten als Het Laatste Nieuws of Het Nieuwsblad. Voetbal houdt wekelijks miljoenen, ja zelfs miljarden mensen overal ter wereld in de ban. Voetbal is meer dan sport, het is een maatschappelijk fenomeen. Het is dan ook opmerkelijk dat de geschiedschrijving over voetbal en voetbalclubs nog in haar kinderschoenen staat. Het lijkt erop dat de academische geschiedschrijving koning voetbal geen waardig onderwerp vond en het daarom overliet aan de occasionele, in geschiedenis geïnteresseerde voetballiefhebber of journalist.
Het dient gezegd dat niet alleen de historici schuld treffen in dit toch wel grote hiaat in de historiografie. De voetbalclubs, vaak instituten met een lange geschiedenis en traditie, zijn zich niet altijd even bewust van de intellectuele waarde van hun patrimonium. De verhalen over het weggooien van oude trofeeën en archieven zijn legio. Bij verbouwingen en verhuizingen gaat vaak veel historisch materiaal verloren. Soms heeft de club niet de ruimte of het geld om dat soort zaken te bewaren. Als clubs dan al materiaal bewaard hebben, zijn ze vaak niet bereid om die te laten inzien door vreemden. In feite zou er bij alle clubs van België, of toch deze met een zekere traditie eens moeten nagegaan worden welk (geschreven) historisch materiaal daar voorhanden is. Al dat materiaal zou dan moeten geregistreerd worden en als het even kan, samengebracht in één groot archieffonds opdat het toegankelijk zou zijn voor onderzoek. Geschiedenis van voetbalclubs door historici op basis van bronnen en archieven, is al bij al een onontgonnen gebied met schatten aan informatie.
Op gebied van historisch onderzoek naar voetbal en voetbalclubs is Engeland - samen met de Zuid-Amerikaanse landen en Spanje en in hun zog Frankrijk en Duitsland - het grote voorbeeld. Al van in de jaren ’70 van de vorige eeuw werden daar publicaties uitgebracht die op wetenschappelijke basis tot stand gekomen zijn. Ook de clubs hebben er meer aandacht voor hun geschiedenis dan in België. Als we een vluchtige blik werpen op het geschiedenisoverzicht op de website van een club als Liverpool FC en we vergelijken het gebodene met de geschiedenis op de website van Club Brugge, dan moeten we spijtig genoeg concluderen dat Liverpool niet alleen op het veld een stevige voorsprong heeft. Nochtans is Club ongeveer even oud als de Engelse recordkampioen, zelfs een jaartje ouder om precies te zijn. Met deze verhandeling proberen wij alvast de achterstand een klein beetje in te lopen.
Publicaties over het Belgische voetbal waarin Club Brugge wordt besproken
COLIN, F. & MULLER, L. De Grote Voetbalencyclopedie van het Nieuwsblad. Antwerpen, 2002.
Dit boek is uiteraard niet bedoeld als historisch naslagwerk, laat staan het resultaat van historisch onderzoek. Het is wel een belangrijk werk omdat het veel door sportjournalisten wordt gebruikt, zodat de informatie uit dit boek snel en regelmatig bij een breed publiek terecht komt. Over de periode die wij behandelen wordt niet veel verteld, de bijna 30 jaar wordt in enkele regels behandeld. De informatie in de tekst is correct maar toch maakt de auteur de fout om 1894 als stichtingsdatum aan te nemen in plaats van 1891. Het gros van de tekst handelt over de geschiedenis na 1959, het jaar waarop Club definitief zijn plaats innam in de eerste klasse. Het grootste deel van de informatie werd gehaald uit de boeken die over Club zelf zijn geschreven, behalve die over de laatste 10 jaar. Dat hebben de auteurs uit hun eigen kennis geschreven. Daar merken we toch een zekere subjectiviteit van auteur Francois Colin.
DUKE, V. & RENSON, R. “From factions to fusions? The rise and fall of two-club rivalries in Belgian Football.” International Review For The Sociology Of Sports. 38/1(2003), 61-77.
Dit is een artikel mede gepubliceerd door Roland Renson, docent sportgeschiedenis aan de KU Leuven. In dat artikel hebben Renson en zijn Britse collega Vic Duke het over de verzuiling en rivaliserende clubs op lokaal niveau, waarin hij het heeft over Club als zijnde de club met de liberale traditie en Cercle als de vereniging van de katholieken. Dat moeten wij op basis van het geleverde bronnenonderzoek nuanceren. De waarheid is complexer: Club Brugge was een voetbalclub met mensen uit veel verschillende politieke, sociale en levensbeschouwelijke achtergronden en kon zich geen politieke stellingname permitteren want dat zou onmiddellijk tot scheuringen geleid hebben. De politieke achtergrond van een aantal figuren in het bestuur van Club was misschien liberaal, maar anderen hadden evenzeer een katholieke of socialistische achtergrond. Veel stichtende leden van Club kwamen juist uit het Xaveriusinstituut en niet louter uit het Atheneum zoals Renson beweert. Dat uiteindelijk toch een rivaliserende vereniging werd opgericht, komt omdat de broeders Xaverianen het niet konden verkroppen dat hun oud-leerlingen samen voetbal speelden met jongens die uit het Atheneum kwamen. Daardoor was Cercle bijna uitsluitend een katholiek bastion maar dat betekende daarom niet dat Club een anti-katholiek nest was. Integendeel zelfs na de oprichting van Cercle bleef Club trouwens jongens aantrekken die in het Xaveriusinstituut of het Sint-Lodewijkscollege school liepen, ondanks verwoede pogingen van de directies van die scholen om hun leerlingen te verbieden om voor Club te spelen. Uiteindelijk moeten we stellen dat Club nooit de populairste voetbalploeg van het oerkatholieke West Vlaanderen of zelfs heel Vlaanderen had kunnen worden indien het een anti-katholieke ideologie had gevoerd. Het feit dat Christen-Democraten als Jean-Luc Dehaene en Yves Leterme mensen met een blauwzwart hart zijn, dat Michel Van Maele, ooit burgemeester voor de CVP en Bruggeling in hart en nieren voorzitter is geweest en jarenlang een rol heeft gespeeld achter de schermen in het Clubbestuur, is een teken dat Club absoluut niet als een liberaal bastion valt te definiëren. Nu zeker niet en in 1900 ook niet.
Natuurlijk zit er wel een grond van waarheid in Renson zijn theorie: het feit alleen al dat er twee grote voetbalploegen in Brugge zijn, is inderdaad het resultaat van verzuiling en de bindingen Xaveriusinstituut-Cercle en atheneum-Club hebben zeker bestaan. De tegenstelling is echter minder absoluut en zeker niet zo symetrisch als Renson laat uitschijnen. De oppostitie tussen Cercle en Club is geen zwart-wit maar eerder zwart-grijs. Renson ziet ook het sociale onderscheid tussen Club en Cercle over het hoofd. Ruwweg kunnen we Club omschrijven als de club van de lagere klassen en van een kleine toplaag van rijke lui, Cercle trok vooral mensen aan uit de middenklassen, waaronder veel handelaars.
Een derde tegenstelling die kan gemaakt worden is geografisch van aard. Van in de beginperiode trok Club veel volk uit de armere randgemeenten van Brugge, met Sint-Andries op kop wat ook in die tijd al de ergernis opwekte van de Cercle-aanhang Nog voor WO I recruteerde Club al leden over heel West Vlaanderen, veel inschrijvingen kwamen trouwens uit Roeselare en de kustgemeenten. Let wel het gaat hier om maar een fractie van het ledenbestand van FC Brugeois, maar dat neemt niet weg dat Cerclesupporters hun vereniging gingen definiëren als de ploeg van Brugge zelf. Deze identificatie heeft zich, niet geheel ten onrechte, door de jaren nog versterkt: de stijgende vastgoedprijzen in de binnenstad dreven de armere bevolking naar de randgemeenten in de loop van de 20ste eeuw. Deze overtuiging wordt ook in de media overgenomen: Cercle is de ploeg van Brugge zelf en de Club supporters komen van buiten Brugge. Deze bewering is gestoeld op perceptie: bij thuismatchen van Club staan er files op de invalswegen naar Brugge en bij Cercle niet. Alleen hebben ze misschien nog nooit gezien dat er bij Club-matchen ook files staan op de wegen van Brugge-centrum naar Sint-Andries of hebben ze nog nooit gelet op de trossen fietsen en bromfietsen die van aan de Smedenpoort over de Gistelse Steenweg rijden. Club heeft trouwens meer fankaarten verkocht in Brugge-centrum dan Cercle, maar dat kan ook een bewijs zijn dat Cercle-mensen zetelsupporters zijn.
FRAIPONTS, J. & WILLOCX, D. Kroniek van het Belgisch voetbal, deel 1: Pioniers en Rode Duivels, 1863-1906. Antwerpen, 2003.
FRAIPONTS, J. & WILLOCX, D. Kroniek van het Belgisch voetbal, deel 2: Apachen en Broodspelers, 1906-1914. Antwerpen, 2004.
Deze twee boeken bieden niet echt een samenhangend verhaal, maar zijn eerder een opsomming van uitslagen, anecdoten en matchverslagen. Daarin komt Club Brugge af en toe aan bod, maar de klemtoon van de auteurs ligt toch meer op de nationale ploeg, de Brusselse clubs en in mindere mate op de Antwerpse clubs. Dat neemt niet weg dat wat er wel in staat over Club en de Brugse clubs in het algemeen niet interessant is en niet te gebruiken valt. Deze twee naslagwerken boden ons een schat aan informatie over de sportieve kant van de geschiedenis, omdat de bronnen waarover wij beschikten niet veel daarover vermeldden. We hebben dit naslagwerk dan ook grotendeels gebruikt om de sportieve hiaten in ons verhaal op te stoppen, vaak konden we ook terugkoppelen naar onze eigen bronnen. Als het bestuur zich uitsprak tegen schandelijke gebeurtenissen die zich hadden voorgedaan na de match FCB-Union Saint-Gilloise, dan konden wij in deze boeken vaak terugvinden wat er precies gebeurt was. Die concrete cijfergegevens gaven ons ook de mogelijkheid om de complexe ontstaansgeschiedenis van Brugsche FC en FC Brugeois uiteen te rafelen en de, elkaar op het eerste zicht tegensprekende, verschillende versies van het stichtingsverhaal in elkaar te passen. De bronnen die de auteurs gebruikten zijn een groot aantal kranten, waaronder het bondsblad uit die periode: La Vie Sportive en ook twee Brugse: La Patrie en Journal de Bruges. Daar haalden ze de uitslagen en matchverslagen. Wat er verder over Club Brugge wordt verteld, is grotendeels waar maar de foutieve details verraden dat hij de mosterd gehaald heeft bij eerder verschenen publicaties over Club Brugge: in de eerste plaats Club Brugge kampioen!, van Bob Deps en De Club van Brugge, van Eddy Soetaert.
MARIËN, R. 100 jaar voetbal en Clubleven. Antwerpen, 1973
Dit boek biedt een summier overzicht over de ontstaansgeschiedenis van de in 1973 belangrijkste clubs per provincie. Wat hij over Club verteld voor de eerste wereldoorlog is grotendeels gebaseerd op de bondsuitgaven van 1946 en is voor een stuk foutief en verouderd. Bovendien is het stuk over de 23 jaar voor de Eerste Wereldoorlog erg beknopt.
Publicaties over Club Brugge
DEPS, B. Club Brugge kampioen!. Antwerpen, 1973.
Dit is een sleutelwerk in de historiografie over Club Brugge. Toen Club in 1973 voor het eerst in 53 jaar kampioen van België werd, vond voorzitter André De Clerck het tijd om de geschiedenis van Club op papier te zetten, de landstitel was daarvoor een uitstekende aanleiding. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat journalist Bob Deps de archieven van Club zou doornemen en daar dan een geschiedenis van zou schrijven. Dit stootte echter op een ‘njet’ van secretaris Willy Lagasse, die verantwoordelijk was voor de archieven. Hij wilde niet dat deze waardevolle archieven Club zouden verlaten. Uiteindelijk kwamen de heren tot een overeenkomst: André De Clerck zou de archieven doornemen, nota’s nemen en ze daarna aan auteur Bob Deps overhandigen. Dit moest allemaal snel gaan omdat een boek met de titel Club Brugge kampioen! maar moeilijk een jaar later op de markt kon worden gebracht. De haastigheid waarmee het proces is verlopen en misschien ook een gebrek aan deskundigheid van degene die het bronnenonderzoek deden kan een verklaring zijn voor de fouten die in het boek zijn geslopen. Een aantal voorbeelden van die fouten : ze zagen FC Brugeois gesticht op 1891, Brugsche FC droeg volgens hen een zwarte trui droeg een gele band en over de som geld die Brugsche FC aan FC Brugeois betaalde, sloegen ze ook de bal mis, die bedroeg niet 100 frank zoals in het boek werd geschreven maar 300 frank. Nog een voorbeeld van de fouten die de onderzoekers gemaakt hebben was dat ze het voorzitterschap van Gaston De Craecke laten lopen van 1891 tot 1894. Terwijl hij nauwelijks enkele weken die functie heeft uitgeoefend!
Overigens heeft ook Deps als journalist zijn werk niet goed gedaan. De tekst in het boek is een bijna letterlijke publicatie van de nota’s van De Clerck, vaak zijn het losse feiten en citaten uit de archieven die zonder enige samenhang gepubliceerd. Had men toen het werk laten doen door een geschoold historicus en de nodige tijd genomen om het archief grondig door te nemen was een verhandeling als deze niet meer nodig geweest.
SOETAERT, E. De Club van Brugge. Gent, 1986.
Dit boek is misschien wel het beste historische werk dat over Club Brugge is verschenen. Het was bedoeld als een beknopt overzicht van de geschiedenis van Club en wou niet een compleet overzicht geven van de hele geschiedenis. Het boek is goed en vlot geschreven maar met de nodige zin voor nuance. De geschiedenis voor de Eerste Wereldoorlog komt ruimschoots aan bod en hij heeft ook aandacht voor de sportieve verwezenlijkingen van FC Brugeois is die periode. Toch maakt de auteur een aantal fouten, zo dateerde hij de stichting van de FC Brugeois in 1891, sprak hij ook over de zwarte trui met de goudgele borststrook. Waarschijnlijk nam hij die fouten gewoon over uit het boek van Deps. Wat Soetaert wel deed was het incorporeren van een andere bron: de memoires van Hector Goetinck getitteld Voetbalanecdoten. Dat hadden Deps en André De Clerck niet gedaan.
BROUCKAERT, E. e.a. 100 jaar Club Brugge. Zellik, 1991.
Dit is waarschijnlijk het meest bekende en best verspreide boek over Club Brugge. Uitgebracht ter ere van het 100 jarig bestaan, biedt het een uitgebreid en vlot leesbaar overzicht van de hele geschiedenis van de blauwzwarte vereniging. Dit boek was voor een breed publiek bedoeld en de klemtoon ervan ligt dan ook in de meest succesvolle periode, vanaf de jaren ’70 van de 20ste eeuw. De stichting en de jaren voor de Eerste Wereldoorlog blijven grotendeels onbelicht. Ook hier gebruikte de auteur het boek van Deps als basis waardoor weer dezelfde fouten en tekortkomingen naar voor komen. Naast inhoudelijke tekortkomingen vallen ook de fouten in de spelersnamen op. Bij de foto van het eerste elftal van FC Brugeois die ook hier, in bijlage, is toegevoegd, schrijft hij Ashworth als Anworst en Shaw als Chow. Het zijn slordigheden die een publicatie als deze ontsieren.
Het spreekt voor zich dat bijkomend onderzoek naar de vroegste geschiedenis zeker welkom is, ten einde een aantal misverstanden uit de wereld te helpen. Niet dat wat nu verschenen is, allemaal foutief is, integendeel, het meeste wat in de bovengenoemde werken geschreven staat is dan wel fragmentarisch maar zeker niet incorrect. Dat neemt niet weg dat een diepere en grondigere kennis van de vroegste geschiedenis van Club Brugge gewenst is. Het is duidelijk dat we terug naar de bron moesten, doen wat Deps en De Clerck nagelaten hebben te doen: de tijd nemen om die archieven grondig te bestuderen.
De notulen van de vergaderingen
De notulen van de vergaderingen, zowel van het centrale comité als van de algemene vergaderingen zijn de belangrijkste bron waar we mee werkten. Iedere vergadering van het centrale comité werd naar behoren genoteerd. Het verslag werd eerst in het klad opgeschreven en bij het begin van de volgende vergadering door de secretaris voorgelezen. Eventueel waren er opmerkingen en dan werd het goedgekeurd. Waarna de secretaris het dan in een definitieve versie kon opschrijven in het verslagboek. Hetzelfde werd gedaan bij algemene vergaderingen waardoor die verslagen vaak ettelijke pagina’s verder ingeschreven staan. De meeste secretarissen schreven ze ook maar in als ze op de volgende AV goedgekeurd waren. Eén secretaris deed dat niet, Oscar Ledène, hij liet telkens de nodige ruimte tussen de gewone vergaderingen om het verslag dan in te schrijven als het eenmaal goedgekeurd was. Zo behiedl hij de chronologische volgorde van de verslagen. We weten dat met redelijke zekerheid omdat na een aantal verslagen van AV’s een hoeveelheid regels onbeschreven achter bleven.
Normaal gezien waren er twee of drie algemene vergaderingen per jaar: bij het begin van het seizoen, ook wel maatschappelijk jaar genoemd, soms rond Nieuwjaar en bij het afsluiten van het seizoen. Soms werden er buitengewone algemene vergaderingen gehouden, in geval er belangrijke knopen moesten worden doorgehakt, zoals bijvoorbeeld het kiezen van een nieuw terrein. De gewone vergaderingen van het centraal comité werden door de band heen elke week gehouden, behalve in de periodes dat het minder druk was: bijvoorbeeld in de zomer. We hebben verslagen van bijna de hele periode – 1891-1919 - die we bespreken behalve van de vroegste geschiedenis van Brugsche FC, van tijdens de Eerste Wereldoorlog en van in de periode december 1898 tot november 1899: om een onbekende reden werden de verslagen van die periode niet in het boek neergepend. We vermoeden dat er een conflict was ontstaan met de secretaris, dat hij ontslagen werd en daarom het verslagboek weigerde over te dragen aan zijn opvolger.
Het archief bestaat dus uit vijf verslagboeken. Daarvan zijn er 4 van FC Brugeois en 1 van Brugsche FC. Van Brugsche FC waren er oorspronkelijk 2 boeken, het oudste is jammerlijk genoeg verdwenen en dit zeer recent. Een aantal mensen die lid zijn van de PR-commissie van Club Brugge hebben verteld dat ze het bewuste verslagboek de laatste 5 jaar nog onder ogen hebben gehad. De boeken zijn eigenlijk een soort ingebonden schriften met een harde bruine kaft, de bladspiegel heeft de afmetingen van 20cm op 35. Verslagboek nr. 2 van Brugsche FC heeft een voorblad waarop in grote sierlijke letters geschreven staat: “Verslagboek nr 2 van de Brugsche Football Club, gesticht in 1892 onder de kenspreuk Mens Sana in Corpore Sano”. Hetzelfde staat in dezelfde letters geschreven bovenaan de tweede pagina maar dan kleiner. De notulen van Brugsche FC waren in het Nederlands en goed gestructureerd: de dagorde van de vergadering stond genummerd bovenaan het verslag en in de tekst zelf stonden de nummers naast ieder punt in de kantlijn geschreven. Het verslagboek werd niet helemaal volgeschreven: de eerste vergadering die in dit boek stond opgetekend was die van 21 september 1897 en op 23 oktober 1897 werd de fusie met FC Brugeois voltrokken waarna alle vergaderingen in het verslagboek van die laatste werden opgeschreven.
De andere vier verslagboeken zijn van FC Brugeois. Het oudste boek, waarin de vergaderingen vanaf de stichting van FC Brugeois staan, heeft met een rood stickertje het cijfer 0 op de rug geplakt. Het is een dik boek, ongeveer 500 pagina’s dik en bevat de verslagen van de vergaderingen van 1 november 1894 tot 9 maart 1905. Die data stonden ook op rug van het boek geschreven, maar tijdens het doornemen raakte de rug beschadigd, waardoor dit niet meer te zien is. Het tweede verslagboek draagt het nummer 1 in een gelijkaardig stickertje en bevat de verslagen van 16 maart 1905 tot 4 augustus 1908. Dit verslagboek is dus een stuk dunner dan het eerste wat het raadplegen wel vergemakkelijkte. Het derde verslagboek, dat dus het nummer 2 draagt, bevat de verslagen van 11 augustus 1908 tot 14 mei 1912. In het laatste boek, nummer drie, staan die van 18 juni 1912 tot 24 maart 1921, tijdens de oorlog waren er geen vergaderingen en dus is daar een onderbreking van 5 jaar. De laatste drie boeken van FC Brugeois zijn allen even dik: telkens 200 pagina’s per boek Dat betekend dat we in het totaal ongeveer een 1000 tal pagina’s verslagen hebben doorgenomen.
We hebben de verwijzingen naar het archief in de voetnoten als volgt geconstrueerd: ten eerste vermelden we de vereniging waarvan het verslag afkomstig is: FC Brugeois (afgekort als FCB) of Brugsche FC (BFC), de meeste voetnoten zullen met FCB beginnen. Daarna vermelden we in welk boek het teruggevonden kan worden: we hebben de nummering (0, 1, 2, 3) vanop de kaft behouden. Daarna vermelden we of het gaat om een vergadering van het centraal comité (afgekort CC) of een algemene vergadering (AV), gevolgd door de datum. Een mogelijke voetnoot zou dus “FCB boek 0 CC 08/01/1896” kunnen zijn.
De briefwisseling
Naast de verslagen hebben we ook een deel briefwisseling en losse bladeren teruggevonden. Die waren bewaard in pak bruin papier, op het pak stondt: “Archives FC Brugeois (1898-1908)”. De aard van de briefwisseling was heel divers: brieven van andere clubs, van de Belgische voetbalbond, van leden van FC Brugeois, uitnodigingen voor toernooien. Er waren ook archiefstukken bij die voor de interne administratie werden gebruikt: bijvoorbeeld een jaarrekening, jaarverslagen van de secretaris, kleine rekeningen, lijst van het materiaal van de Club. Al dat materiaal werd ons ongeordend overhandigd: de stukken waren noch chronologisch noch systematisch gerangschikt. Daarom hebben we een structuur in het archief aangebracht.
We hebben de stukken onderverdeeld en genummerd op basis van afkomst en gebruik. Een eerste mapje bevat allerlei stukken die van Club zelf afkomstig zijn. In het tweede zijn allerlei uitnodigingen en folders voor toernooien samengebracht. In het derde zitten alle brieven en kaartjes van leden van FCB. De inhoud van het vierde mapje bestaat uit brieven van de bond, zowel van de nationale instellingen als van de provinciale bondsafdelingen. Het vijfde bestaat uit brieven die niet van clubs, de bond of leden afkomstig zijn. Voornamelijk is het communicatie met scholen, kranten en de vereniging Brugge Voorwaarts. Het zesde mapje bestaat uit brieven van verschillende clubs uit binnen en buitenland. Daarin hebben we submapjes gemaakt en de brieven per club samen gestopt. Binnen iedere map zijn alle stukken chronologisch geordend. In voetnoot verwijzen naar dit archief als volgt: FCB, briefwisseling, gevolgd door het nummer van het mapje en de datum van het stuk. Een voetnoot zou kunnen zijn: “FCB briefwisseling 6.1 23/10/1903”.
Structuur van het briefarchief:
interne administratie
folders en uitnodigingen voor toernooien en wedstrijden
briefwisseling met de leden
briefwisseling met de bond
briefwisseling met niet clubs
briefwisseling met andere club
6.1 SC Courtraisien
6.2 Ostend FC – Léopold FC Ostendais
6.3 Beerschot AC
6.4 FC Yprois
6.5 Union Saint-Gilloise
6.6 Racing CB
6.7 West Norwood
6.8 US Tourquennoise
6.9 Daring CB
6.10 Racing Gand
6.11 Léopold Club de Bruxelles
6.12 Achilles Rotterdam (in dit mapje is ook telkens het antwoord van het FCB bestuur bijgevoegd)
6.13 Rotterdamsche VV ‘Rapiditas’
6.14 Ajax Amsterdam
6.15 Kings Cross FC
6.16 Burnley Belvedere AFC
6.17 Haagsche VV
6.18 AA La Gantoise
6.19 Cercle Sportif Brugeois
6.20 BVV ‘Wilhelmina’
6.21 FC Liégeois
6.22 SV Roeselaere
6.23 Crefelder FC
6.24 Dordrecht FC
6.25 FC van het 4de lijnregiment
6.26 Racing Club de Malines
6.27 AS Anversoise
6.28 Red Star FC- Union Brugeoise
6.29 Antwerp FC
Voetbalanecdoten, memoires van Hector Goetinck
Dit boekje is geschreven door Hector ‘Torten’ Goetinck, één van de blauwzwarte sterspelers uit de periode 1904-1920. Het biedt ons voornamelijk randinformatie in verband met wedstrijden en speciale gebeurtenissen. Daarnaast is het ook de voornaamste bron voor wat er gebeurde met de spelers van Club tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Ledenlijst en brontekst
Van onze contactpersoon bij Club Brugge konden we nog een schriftje bekomen met daarin een ledenlijst. Het is een lijst van Brugsche FC met de leden van de periode 1894-1898. Toevallig ontdekten we aan de achterkant van het schriftje een tekst in potlood geschreven. De tekst gaat over de stichting van Brugsche FC en FC Brugeois. Het is niet gedateerd maar we vermoeden dat het een kladversie is van een tekst dat de secretaris of schatbewaarder zou voorlezen hebben op het feest ter ere van het 10 jarig bestaan van Club Brugge. We vermoeden dat het in ieder geval uit die periode moet stammen omdat de het laatste feit dat in de tekst vermeld werd de stichting van Cercle was. Veel later kan ook niet omdat er dan ook andere feiten in zouden vermeld geweest zijn, bijvoorbeeld het feit FC Brugeois vice-kampioen was. De transcriptie van die tekst is terug te vinden in bijlage.
Provinciale almanak en wegwijzer van de stad Brugge en de provincie West Vlaanderen
We hebben een aantal jaargangen van deze ‘almanak’ doorgenomen op zoek naar informatie over het beroep van een aantal belangrijke figuren. In deze almanakken staan immers de belangrijkste burgers van de stad met naam en beroep vermeld. Vrijwel alle informatie over het beroepen bestuurslui is uit deze bron afkomstig.
Gezien het feit dat het onderzoek naar de geschiedenis van Club Brugge nog in haar kinderschoenen staat is de onderzoeksvraag vrij simpel: de geschiedenis van Club Brugge tot na de Eerste Wereldoorlog (1891-1919) reconstrueren. Gezien de aard van het bronnenmateriaal ligt het voor de hand dat we vooral de omkadering van de voetbalploeg bestuderen en minder de sportieve prestaties. De bestuurlijke en materiële ontwikkeling krijgen onze eerste aandacht maar ook de sportieve lotgevallen van FC Brugeois worden onder de loep genomen. In de historische publicaties die tot dusver over Club zijn verschenen blijft ook de sportieve kant onderbelicht. Dat komt omdat ze gebaseerd zijn op dezelfde archieven die wij bestudeerden, die hadden over het algemeen weinig aandacht voor de sportieve resultaten. Om dit probleem te overbruggen, gebruikten we de boeken van Jean FRAIPONTS, die boden ons de nodige info wat betreft uitslagen en matchverslagen. Vaak was de wisselwerking tussen onze bronnen en de informatie die FRAIPONTS en zijn kompaan Willox hebben gepubliceerd een vruchtbaar proces. Beide vullen elkaar aan geven ons vaak een mooi en vrij compleet beeld van de gebeurtenissen op en rond het veld. De concrete invulling van de onderzoeksvraag is grotendeels afhankelijk van de voorhanden gegevens: niet steeds dezelfde informatie werd in de verslagen naar voren gebracht, in de ene periode was er meer aandacht voor de sportieve prestaties, in de andere was het bestuur meer bezig met materiële en financiële zaken. Naar gelang wat in de bronnen te vinden is, zal de focus van deze verhandeling pendelen tussen wat op het veld gebeurde en wat ernaast werd gepresteerd.
In het eerste deel van het corpus van de verhandeling behandelen we kort de ontstaansgeschiedenis van het voetbal en de introductie ervan in België. Het eerste hoofdstuk dient om uit te leggen waar de voetbalsport eigenlijk vandaan komt, hoe het zijn huidige vorm gekregen heeft en hoe de eerste clubs en voetbalbonden zijn ontstaan. In het tweede hoofdstuk bespreken we dan hoe het voetbal dan in België terecht gekomen is, hoe de voetbalbond ontstaan is. Er wordt ook een overzicht gegeven van de eerste tegenstanders van Club Brugge. Deze informatie is bedoeld als achtergrond om beter de context te begrijpen.
Het tweede deel is eigenlijk de kern van deze verhandeling: het is een gedetailleerde geschiedenis van de vereniging Club Brugge. Daarin proberen we zo volledig mogelijk te zijn: we geven een overzicht van de sportieve resultaten met hier en daar een kort matchverslag en we beschrijven de ontwikkeling die Club doormaakte op administratief en materiaal vlak. De verdeling in hoofdstukken is in dit deel voornamelijk chronologisch: bepaalde periode’s kunnen worden onderscheiden en er kunnen bepaalde breuken worden aangeduid. Vooral voor de periode 1891 tot 1903 is het makkelijk om een onderverdeling aan te brengen die al bij al hand in hand gaat met echte breuken: bijvoorbeeld drastische veranderingen in het bestuur. Aanvankelijk kunnen we de hoofdstukken laten samenvallen met het voorzitterschap van een bepaald persoon. Vanaf 1903 wordt dat moeilijker, een aantal sleutelfiguren blijven tot 1914 op post en hebben we dus een stabiel bestuur. Daarom hebben we deze periode op een andere manier moeten verdelen, dat was moeilijk omdat de ontwikkeling van Club Brugge als vereniging in deze periode vrij geleidelijk was. Uiteindelijk hebben we het voorzitterschap van Demeulemeester (1903-1919) onderverdeeld in drie hoofdstukken die, volgens de sportieve en financiële situatie in die periode, een beetje een bloei-hoogtepunt-verval patroon volgen.
Geschreven: Archief Club Brugge: Notulen (1894-1914)
Briefwisseling (1898-1908)
Fotomateriaal
Gedrukt: GOETINCK, H. Voetbalanecdoten. Brugge, 1942.
BRUGGE, Biekorf, Provinciale Almanak en wegwijzer van de stad Brugge en provincie West Vlaanderen, 1898-1900-1902-1904-1910-1912-1914.
BOIN, V. Le livre d’or jubilaire de l’ URBSFA 1895-1945. Brussel, 1945.
BLOM, J. C. H., LAMBERTS, E. en redactie. Geschiedenis van de Nederlanden. Baarn, 2001.
BROUCKAERT, E. e.a. 100 jaar Club Brugge. Zellik, 1991.
COLLIN , F. en MULLER, L. De grote voetbalencyclopedie van het Nieuwsblad. Antwerpen, 2002.
DEPS, B. Club Brugge kampioen!. Antwerpen, 1973.
DEPS, B. en GULDEMONt, H. 100 jaar voetbal in België 1895-1995. Zellik, 1995.
DUKE, V. en RENSON, R. “From factions to fusions? The rise and fall of two-club rivalries in Belgian football” in: International Review for the sociology of Sport, 38/1, 2003. p. 61-77.
FRAIPONTS, J. & WILLOCX, D. Kroniek van het Belgisch voetbal, deel 1: Pioniers en Rode Duivels, 1863-1906. Antwerpen, 2003.
FRAIPONTS, J. & WILLOCX, D. Kroniek van het Belgisch voetbal, deel 1: Apachen en Broodspelers, 1906-1914. Antwerpen, 2004.
GIULIANOTTI, R. Football, a sociology of the game. 2de uitg. Camebridge, 1999.
HARVEY, A. “An Epoch in the annals of national sport: football in Sheffield and the cration of modern soccer and rugby” in: The International Journal of the History of Sport, V.18, nr.4, 2001. p. 53-87.
JACOBS, J. Als hij maar geen voetballer wordt: de profvoetballer als gladiator van deze tijd. Antwerpen, 2002.
KEETON, G.W. The Revolution of Football. Newton Abbot, 1972.
MARIËN, R. 100 jaar voetbal en clubleven. Antwerpen, 1973.
MORRIS, D. Spel om de bal. 3de uitg vertaald. Utrecht, 1996.
MURRAY, B. The world’s game: a history of soccer. Illinois, 1996.
NEIRYNCK, R. De scholen der Jozefieten, Xaverianen en Benediktijnen en de ontwikkeling van de voetbalsport in België (1863-1895), onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, departement Lichamelijke Opvoeding, 1985.
PAPEIANS DE MORCHOVEN, C. De Sint-Andriesabdij Zevenkerken: Met dom. Gerard van Caloen de geschiedenis in (1853-1912). P. STANDAERT ed., Tielt, 1998.
SOETAERT, E. De Club van Brugge. Gent, 1986.
SYMOENS, M. 125 jaar geschiedenis van de Koninklijke Roeivereniging Brugge. Brugge, 1994.
SYS, J. De Goden van Club Brugge. Roeselare, 1995.
TAYLOR, R. Football and its fans : supporters and their relations with the game, 1885-1985. London, 1992.
VAN BIERVLIET, L. “De Engelse kolonie in Brugge in de 19de eeuw”, Biekorf, 88, 1988. p. 150-166 & p. 261-282.
VAN DEN EECKHOUT, P. Lonen van Brusselse arbeiders in openbare instellingen (1809-1934): bouwvakkers, ziekenhuis- en stadspesoneel. Brussel, 1979.
VAN MOLLE, P. Het Belgische parlement 1894-1972. Antwerpen, 1972.
WALVIN, J. The people’s game: a social history of British football. London, 1978.
Jubileumboek, 100 jaar KSV Cercle Brugge (1899-1999). Brugge, 1999.
Club Brugge KV, jaarboek 2003-2004. Brugge, 2003.
Deel 1: Ontstaansgeschiedenis van het voetbal en introductie in België
Hoofdstuk 1: De oorsprong van het voetbal
Toen in 1996 Engeland het Europese voetbalkampioenschap organiseerde, was één van de leuzen van de promotiecampagne “football is coming home again”. Met deze uitspraak sloegen de Engelsen zich collectief op de borst over hun meest succesvolle exportproduct. De Engelsen waren inderdaad de eersten om een organisatie op poten zetten die zich bezighield met het maken van afspraken betreffende de regels, wedstrijden en spelers. In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe dit alles in zijn werk is gegaan.
De pre-industriële vorm
De term voetbal sloeg in het verleden niet op het feit dat een ‘bal’ tijdens het spel voortdurend met de ‘voet’ werd aangeraakt, maar was eerder een verzamelnaam voor balspelen die te voet werden gespeeld, dit in tegenstelling tot sporten als polo die zoals bekend te paard gespeeld worden. Van dit soort spelen wordt voor het eerst melding gemaakt na het jaar 1200, ze worden naargelang het taalgebied anders genoemd, in Toscane bijvoorbeeld sprak men ‘calcio’ (de huidige Italiaanse naam voor voetbal), in Brabant heette het ‘soule’ of ‘sollen’. Een plausibele verklaring voor de opkomst van deze vorm van vermaak is misschien de sterke bevolkingsstijging van de twaalfde en dertiende eeuw: dit ging gepaard met een ontginning van woeste gronden, daardoor werden de jachtgebieden steeds kleiner en werd het jagen door de hogere klassen gemonopoliseerd. Hierdoor verloren de boeren en ambachtslui hun traditionele ontspanning. In plaats daarvan gingen ze een soort balspelen bedrijven. Dat biedt onder meer een verklaring waarom dat soort spelen alleen maar voorkomen in dichtbevolkte gebieden en niet in rurale streken waar nochtans meer ruimte voor handen was.[1]
De wedstrijden tussen twee dorpen of twee parochies werden gehouden op bepaalde momenten van het jaar. Hierdoor kregen ze door de jaren heen een bijna sacrale betekenis. Meestal was het de bedoeling van het spel om de bal in het dorp van de tegenstrever te brengen. Soms dienden twee molenstenen, twee putten of portalen van de beide dorpskerken als preciezer bepaalde doelen. Vaak werden de voetbalmatchen op bepaalde tijdstippen gehouden; bijvoorbeeld na het beëindigen van de oogst (als de velden leeg waren en er minder kans op schade was) of ter ere van het carnaval zoals het in de 16de eeuw gebruikelijk was in Engeland. In feite waren het geïnstitutionaliseerde knokpartijen waarin de langdurige vetes tussen de twee contesterende woonkernen uitgevochten werden. Het was een uitermate ruig spel waarin alle middelen toegestaan waren om de tegenstander de bal afhandig te maken. Er vielen dan ook regelmatig ernstige gewonden en zelfs doden. Er waren geen regels, er was geen limiet op het aantal deelnemers en er was geen afgebakend speelveld. Het is goed mogelijk dat balspelen ook op kleinere schaal werden bedreven, op regelmatiger tijdstippen, zij het dan eerder bedoeld als ontspanning voor kinderen of misschien zelfs als training voor de grote confrontatie met het buurdorp. De elite aanzag het met minachting en afkeuring. De vorsten beklaagden zich erover omdat ze liever hun onderdanen zagen oefenen in het boogschieten dan zich bezig te houden met het militair nutteloze voetbalspel. Een bijkomende reden voor de aversie van de overheden tegenover de sport was dat het voornamelijk door leerjongens en gezellen en op het platteland door landarbeiders werd gespeeld. Door het spel kwamen die mensen, die toch een vrij homogene groep vormden, met elkaar in contact en waren ze op de hoogte van wat de situatie van hun collega’s was. Voetbalwedstrijden waren vaak de aanleiding voor sociaal oproer van die groepen of omgekeerd werden ze ook gebruikt als dekmantel voor het verzamelen van een groep relschoppers. Naast de sociale oproer, was ook simpelweg de afwezigheid van de leerjongen of gezel een element dat de productie en economische stabiliteit bedreigde.[2]
De geestelijkheid was tegen deze vorm van volksontspanning omdat het inging tegen de zondagsrust en omdat voetbalmatchen een concurrentie waren voor de eucharistievieringen. Toen in 1722 in het plaatsje East Looe in Cornwall, het dak van de plaatselijke kerk instortte tijdens de misviering, vielen er geen slachtoffers omdat iedereen buiten aan het kijken was naar een voetbalmatch. Deze overtreding van de zondagsrust werd tijdens de Puriteinse dictatuur van Cromwell nog een grotere steen des aanstoots. In die periode werden dan ook de meest verwoede pogingen gedaan om het spel te verbieden. Voorheen hadden allerlei overheden reeds geprobeerd om het voetbal in te dijken, die wetten waren meestal dode letter nog voor de inkt droog was. Onder het puritanisme verstrakte het beleid ten opzichte van de volkssport nog meer en werd er systematischer jacht gemaakt op de overtreders. Ondanks het stijgend aantal arrestaties en veroordelingen konden ook Cromwell en de zijnen de mensen niet van het voetbal redden. Omdat het verbieden van het voetbal weinig effect had en de vervolging van voetbalspelers moeilijk was, poogde men ook het spel te kanaliseren door speciale tornooien te organiseren op minder kwetsbare plaatsen, het zou een druppel op een hete plaat blijken.[3]
Mutatie van het spel door opkomende industrialisatie
Aanvankelijk waren de maatschappelijke ontwikkelingen die de industrialisatie vergezelden bedreigend voor het voetbalspel. Door de industrialisatie kwamen veel volksfeesten, die traditioneel het alibi waren voor een lekkere pot voetbal, zoals de viering van de oogst in verval. Vooral in de nieuwe industriële centra werd er nog nauwelijks gevoetbald. De anonimiteit en vervreemding van die nieuwe steden, waar iedereen dicht op elkaar woonde, bood blijkbaar niet het goede kader waarin volksspelen konden gedijen. Daarnaast was ook het simpele gebrek aan vrije tijd één van de redenen waarom er niet meer werd gevoetbald: arbeiders werkten tot 14 uur per dag en hadden vaak enkel de zondagvoormiddag vrij om naar de mis te gaan. Daarnaast was er ook in de burgerlijke 19de eeuw een mentaliteit ontstaan bij de middenklasse en de elite, waarbij elk recht op plezier en ontspanning aan het proletariaat werd ontzegd.
Op het platteland was de situatie doorgaans beter, daar werd de sport wel nog beoefend maar ook daar was het spel onder druk gekomen. De ‘enclosure’ beweging die zich reeds in de 16de eeuw had ingezet bereikte op het einde van de 18de eeuw haar hoogtepunt en vrijwel over heel Engeland waren de gemene gronden omheind en in gebruik genomen. Door het verloren gaan van deze open ruimte die nodig was voor het spelen van het spel in zijn traditionele vorm, kwam ook het gebruik van de grootschalige voetbalfeesten in gedrang.
Ook in de oude steden zoals in Londen, waar er ook op straat werd gevoetbald, verminderde de aantrek van de sport. Naast de verdichting van de bebouwing en verhoging van de bevolkingsconcentratie, die ook in de Noordelijke industriecentra voor een achteruitgang van het spel zorgden, was er nog een bijkomende reden voor de achteruitgang. Door de betere werking van het staatsapparaat en de toegenomen effectiviteit van de politiemacht kon de staat eindelijk zijn wetten, die het spel op straat verboden, doen gelden.
De beperking van de ruimte die zich zowel in de steden als op het platte land voordeed had zijn invloed op het spel: het aantal deelnemers werd beperkt en er werd gezorgd dat er langs beide kanten evenveel spelers waren. Daarnaast liet een kleiner aantal spelers zich makkelijker onttrekken aan het oog en de arm der wet. De kleinere speelvlakken maakten het ook interessanter om bijvoorbeeld de bal enkel nog met de voet te spelen, of op zijn minst hem niet meer vast te houden. Weglopen van de tegenstander met de bal kon niet meer zo makkelijk in de nauwe straten van geürbaniseerd Engeland en tegen de grond geduwd worden (de meest efficiënte manier om iemand een bal afhandig te maken) was ook al niet zo aangenaam meer op harde straatstenen.[4]
Ontwikkelingen op technologisch vlak vergemakkelijkten de evolutie naar een spel waarbij de bal met de voeten werd bewogen. Aanvankelijk gebruikte men als bal varkensblazen of leren zakken die zodanig aan elkaar waren genaaid dat ze, na opvulling met stro, veren of gras, de vorm van een bal aannamen. De eerste soort ballen mochten dan wel netjes stuiteren en rollen, erg geschikt om tegen te shotten waren ze niet: ze knapten te makkelijk. De tweede soort was weliswaar een stuk steviger maar rollen deden ze niet. Het is daarom waarschijnlijk dat het pré-industriële voetbal eerder een spel was dat meer op het huidige rugby geleek met veel gooien en lopen met de bal. Er waren ook pogingen ondernomen om een varkensblaas in zo’n leren zak te steken, ook zonder groot succes: de blaas knapte ook in de zak, maar hierbij was wel het idee geboren dat aan de basis lag van wat de eerste echte succesvolle voetbal zou zijn. Door de toepassing van synthetisch rubber kon men voor het eerst blazen maken die niet knapten als er tegen de leren buitenkant werd getrapt en die bovendien perfect rond konden worden gemaakt.[5]
Naast de verandering van het spel is de gedaalde populariteit van het voetbal toch het belangrijkste neveneffect van de industrialisatie met betrekking tot de volkssport geweest. Merkwaardig genoeg zouden de elites, die traditioneel neerkeken op het spel, het voetbal in stand houden en institutionaliseren. Later groeide het dan weer uit tot de massasport bij uitstek.
Conservatie en codificatie in de ‘Public Schools’
Reeds in de 16de eeuw waren er humanisten die van mening waren dat sport en spel van belang konden zijn in de opvoeding en opleiding van jonge aristocraten. Mensen als Richard Mulcaster trachtten de Toscaanse variant van het voetbal, die meer gestructureerd en gedisciplineerd was, te incorporeren in hun onderwijs. Hij vond dat de sociale vaardigheden door het spel werden aangescherpt en de fysieke conditie erdoor werd verbeterd. Zijn ideeën hadden vrij veel succes en in een groot aantal humanistische scholen werden zijn zienswijzen overgenomen. De opkomst van het puritanisme echter kortwiekte al snel de ontluikende lichamelijke opvoeding in die scholen en aldus stierf Mulcasters ideeëngoed een vroege dood. Behalve aan de universiteiten van Oxford en Cambridge, alwaar in de 16de en 17de ook al aan voetbal werd gedaan door de studenten en waar het voetbal een vaste plaats had gekregen in het universitair leven. Deze instituten die altijd tot op zekere hoogte vrijplaatsen waren geweest, konden makkelijker aan de puriteinse druk weerstaan en de mensen verbonden aan deze instellingen waren vrijer om hun sportieve ontspanningen verder te zetten. Hoewel de universitaire overheden wel hun best deden om het spel te verbieden, bleken zij niet veel gehoorzaamheid te vinden bij haar studenten. [6]
In ieder geval bleef men in Oxford en Cambridge voetbal spelen en uiteindelijk zouden de afgestudeerden van deze instituten het voetbal binnen brengen in de public schools, gereputeerde scholen waar de hogere klassen hun zonen stuurden om een burgerlijke opleiding te genieten. Sommige van deze ‘public schools’ waren oorspronkelijk opgericht als scholen waar paupers tot priesters of kloosterlingen opgeleid werden. Andere waren oorspronkelijk humanistische ‘grammar schools’. Wat ze wel deelden was dat ze in hun statuten hadden staan dat rijke jongelingen tegen betaling ook onderwijs konden genieten. Tegen het einde van de 18de eeuw waren deze public schools verworden tot instituten die bijna exclusief onderwijs verstrekten aan de jonge aristocratie en bovenklasse. Het probleem voor deze scholen was dat de leerlingen, zoals gezegd stuk voor stuk kinderen van hoog geplaatsten, het gezag van hun leermeesters, die vaak van eerder bescheiden komaf waren, niet aanvaardden. Binnen de schoolmuren waren de leerlingen autonoom en vormden ze een hiërarchie, het zogenaamde ‘fagging system’ waarbij het recht van de sterkste gold: de sterke leerlingen (‘prefects’) waren de baas over de zwakke (‘fags’). De hiërarchie werd ritueel vastgelegd door middel van het voetbalspel: de zwakken moesten het doel verdedigen en de sterken kregen het recht om aan te vallen, waarbij ze met veel geweld op de linies van de zwakken inbeukten. Alleen zij die de kracht en het lef hadden om de bal van de sterken af te pakken of een tegenaanval uit te voeren, konden op die manier hun status van ‘fag’ afwerpen en opklimmen in de hiërarchie. Meestal echter draaiden dat soort voetbalmatchen uit op een regelrechte knokpartij waarbij de ‘prefects’ hun machtswellust en sadisme op hun zwakkere medeleerlingen botvierden.
In het begin van de 19de eeuw groeide door de industriële revolutie en de uitbreiding van het rijk, de vraag naar beter geschoolde mensen om in de administratie te dienen. Het was vooral in Rugby, waar ook de zonen van de hogere middenklasse van industriëlen en handelaars naartoe gingen, dat voor het eerst die eis tot beter onderwijs vanwege de ouders werd gevoeld. In de meer aristocratische instellingen waren de ouders eerder onverschillig voor de kwaliteit van het onderwijs. De belangrijkste hervormer in Rugby was Dr. Thomas Arnold, schoolhoofd van 1828 tot 1842. Het doel van zijn onderwijsprogramma was niet de vorming van zelfverzekerde aristocraten zoals het hoofddoel was in de 18de eeuw maar Christelijke gentlemen die naast de nodige dosis ‘savoir vivre’ ook een zekere nuttige kennis hadden.
Om het onderwijs te hervormen moesten de leerlingen onderworpen worden. Dit ging echter niet zonder slag of stoot, de eerste pogingen werden door de aristocratische jongelingen onthaald op rebellie: hierin kan ook voor een stuk de romantische tijdsgeest worden herkend. De rellen werden met geweld de kop ingedrukt maar dat was niet zo goed voor het imago van de scholen. Dus de schoolleidingen moesten een andere manier vinden om de nodige hervormingen door te voeren. De oplossing was dat de schoolleiding met de leidende leerlingen begon te onderhandelen en met hen afspraken begon te maken. Het eerste waarover dat werd gedaan was het voetbalspel: er werden vanuit de school spelregels in samenspraak met de leerlingen gemaakt om de gewelddadige excessen eruit te krijgen. Het voetbal werd samen met andere sporten (gymnastiek, roeien en atletiek) in het officiële schoolleven geïncorporeerd. Men zag de sport als een nuttig tijdverdrijf: via de sport werden de leerlingen discipline, teamspirit en een gewenning aan regels en wetten bijgebracht. Na de institutionalisering van het spel, werden de ‘prefects’ door de schoolleiding aangeduid en erkend.[7]
Nu was het spel voor het eerst gereglementeerd door een vooraf vastgelegd reglement, zij het dat voor iedere school de reglementen anders waren. Toen de afgestudeerden van de public schools naar de universiteit gingen, werden ze weer voor een probleem gesteld: oudleerlingen van verschillende scholen speelden volgens verschillende regels en de verschillen waren groot. De grootste onenigheid was er over het al of niet in de handen nemen van de bal. In 1848 werd er in Cambridge voor het eerst een vergadering georganiseerd waarbij veertien vertegenwoordigers van Eton, Rugby, Harrow, Winchester en Shrewsburry aanwezig waren. Na goed acht uur vergaderen hadden ze een ontwerp op tafel en het resultaat was een voetbalspel dat meer neigde naar het dribbelspel van Eton dan naar de Rugbystijl. Eenmaal de regels op papier stonden konden voetbalmatchen doorgaan op regelmatige basis zonder dat er telkens afspraken moesten worden gemaakt over de regels. Het spel floreerde aan de universiteit in de jaren 1850 en werd vanaf 1855 naar de buitenwereld geëxporteerd door afgestudeerden.[8]
De verspreiding van het voetbal over het hele land door oud Cambridge studenten, ging vrij vlot en her en der ontstonden de eerste voetbalclubs, die veelal bestonden uit oud leerlingen van verschillende public schools. De verspreiding van voetbalclubs bracht een nieuw probleem met zich mee op gebied van organisatie en controle. In 1962 werden pogingen ondernomen om het schoolvoetbal te uniformiseren en in oktober 1963 kwamen in Cambridge vertegenwoordigers van verschillende clubs samen om nieuwe regels voor het voetbal uit te tekenen, de zogenaamde ‘Cambridge regels’. Die regels zouden de basis vormen voor het moderne voetbalspel en tegelijk de scheiding bespoedigen tussen association football en Rugby football. Enkele dagen later werd er in Londen in de ‘Freemasons Tavern’ vergaderd door afgevaardigden van verschillende clubs uit de omgeving: Killburn, Barnes, the War Office, Crusaders, Forest, Perceval House, Crystal Palace, Blackheath, Kennington School, Surbiton, Blackheath School en Charterhouse. Allemaal clubs die het dribbelspel, zoals door de Cambridge regels gedefinieerd, beoefenden met uitzondering van Blackheath. Deze verenigingen stichtten de Football Asociation (FA), de eerste voetbalbond ter wereld. Vreemd genoeg bleven de instellingen die het voetbal bewaard hadden, de ‘public schools’ buiten de FA. Charterhouse was wel aanwezig op de stichtingsvergadering maar hield zich afzijdig van de discussies, het wilde namelijk eerst de opinie van andere ‘public schools’ horen, vooraleer mee te stappen in het project. Uiteindelijk slaagde de FA niet om de scholen in hun rangen te integreren, omdat die niet het voordeel zagen van een bond met gemeenschappelijke regels. De algemene repliek was dat ze liever bleven bij hun eigen regels. Het waren net de regels die het centrale aandachtspunt van de jonge voetbalbond bleven, meer bepaald of men de bal met de hand mocht spelen. Aanvankelijk poogde men een compromis te vinden tussen de Rugby variant en het dribbelspel. Maar interne discussies zorgden er voor dat er een kloof groeide tussen de aanhangers van beide varianten. Er kwam een eind aan de troebelen op 8 december 1863 toen Blackheath, die eerder de Rugby stijl beoefende, uit de FA stapte. Rondom de Blackheath Club groeide de stijl verder uit en er groepeerden zich op den duur nog andere clubs, toch het zou nog tot 1871 duren eer de Rugby Union werd opgericht.[9]
De oprichting van de FA versnelde de verspreiding van het voetbal nog meer, overal schoten lokale voetbalbonden op als paddestoelen uit de grond. Ook in het leger kende de sport een grote populariteit onder de officieren, veelal mensen met een ‘public school’ verleden. De oud-leerlingen van die scholen waren de motoren achter de verspreiding van het association football in Groot Britanië, in het buitenland en ook naar de lagere klassen. Toen in 1872 de eerste FA-cup werd georganiseerd, was het hek helemaal van de dam voor de verspreiding en het succes van de sport: het competitie-element zorgde ervoor dat het spelletje kon uitgroeien van een rijkelui ontspanning tot het alomtegenwoordige voetbal dat over de hele wereld verspreid is en miljoenen mensen in de ban houdt.[10]
Hoofdstuk 2: Het begin van het voetbal in België
De eerste kennismaking in Melle
Het eerste voetbal werd in Melle gespeeld toen op 26 oktober 1863 - een week voor de oprichting van de FA - de jonge Ier Cyril Bernard Morrogh door de poort van het Jozefietencollege stapte met een voetbal onder de arm. Cyril kwam uit een familie van beroepsmilitairen, waaronder het voetbal reeds vroeg een grote populariteit kende. In dat milieu opgegroeid was hij waarschijnlijk reeds met voetbal vertrouwd en was hij ook aan die bal geraakt. Nog voor hij goed en wel het college binnen was, werd de bal hem afhandig gemaakt en begonnen de aardig vertegenwoordigde Engelse schooljongens de bal rond te schoppen, dadelijk gevolgd door hun Belgische makkers. De kleine Cyril kon zijn bal heroveren na enkele welgemikte vuistslagen maar was niettemin geschrokken en wilde terug naar huis. De opvoeders konden hem gelukkig troosten en de jongen bleef. De volgende dag had een broeder op aanwijzingen van enkele Engelse jongens twee doelen gemaakt en kon er worden gevoetbald. Opmerkelijk is dat het schoolbestuur zich tolerant opstelde tegenover deze ontspanningsvorm. Het spektakel lokte zelfs toeschouwers uit de omgeving.
Het college van Melle was uiteraard niet de enige plaats in België waar Engelse leerlingen school liepen, het is wel het college waar er voor het eerst systematisch gevoetbald werd. Het fungeerde voor een stuk als bakermat voor de verspreiding van het voetbal in België, aangezien het college van Melle een soort kostschool was waar jongeren van over heel België school liepen. Mensen als Emile Seeldrayers - wiens zoon later een belangrijke rol zou spelen in de UBSSA en in de FIFA - en Joseph d’Oultremont liepen er school.[11]
Engelse aanwezigheid
Eigenlijk kunnen een aantal kernen worden onderscheiden waarin het voetbal vanaf de jaren zeventig van de 19de eeuw veruit tegelijk begon te bloeien, met name in Antwerpen, Brussel, Brugge, Gent en Luik. In deze vijf steden was er een sterke Engelse aanwezigheid, die bovendien vrij goed geïntegreerd was: er was een vrij sterke deelname aan het openbare leven. De aanwezigheid van Britse onderdanen was geen uitzondering in Europa gedurende de hele 19de eeuw, gezien hun economische en politieke status van grootmacht. In Antwerpen waar de oudste Belgische voetbalclub - Antwerp FC - werd gesticht, was die aanwezigheid er vanwege de uitbouw van de haven en vanwege de centrumfunctie van de stad. In Brussel speelde vooral die laatste factor een doorslaggevende rol. In Luik waren het vooral de werknemers van Cockerill die het voetbal in de stad introduceerden en ten slotte in Oost - en West-Vlaanderen was het de linnenindustrie die een aantrekkingspool was voor Britten, met Brugge, Kortrijk en Gent als voornaamste centra.
Die Engelse inwoners genoten vaak een vrij groot aanzien, het waren veelal mensen van betere komaf of mensen met hoge opleidingen zoals ingenieurs of hogere officieren. Gezien de algemene bewondering en sympathie voor Engeland, zo sterk dat we van anglofilie kunnen spreken, is het niet te verwonderen dat deze Britse onderdanen zich snel konden integreren in de plaatselijke ‘high society’. De Belgische elites namen ook vrij snel de Engelse ontspanningsvormen over, op gebied van sport waren dat aanvankelijk eerder atletiek, roeien, cricket en gymnastiek, gezien de langere bestaansgeschiedenis van clubs die deze sporttakken beoefenen. Voetbal zou pas later een prominente positie innemen aangezien het in 1870 nog in de kinderschoenen stond. Het waren juist die kinderschoenen die de bal in het rond stampten en dus was een belangrijke rol weggelegd voor het schoolwezen.
Ondanks het bestaan van verschillende Engelse colleges, bijvoorbeeld in Brugge en Brussel, stuurden veel Engelsen hun kinderen naar gewone Belgische scholen. Zowel de colleges als de athenea kenden jongeren van over het kanaal onder hun leerlingen. Het waren die scholen die, net zoals in Engeland, de eerste voetballers zouden voortbrengen. Daarom duurde het nog tot 1890 vooraleer de eerste echte voetbalclubs werden opgericht. Antwerp FC is daarop eigenlijk een uitzondering, het werd reeds in 1880 opgericht, al is er over deze vroege periode weinig geweten. Mogelijk was het schoolvoetbal in Antwerpen weinig ontwikkeld waardoor de jongeren al snel de nood voelden om zelf een club op te richten. Het feit dat Antwerp gesticht werd door Engelsen, die wel al kennis hadden van het bestaan van voetbalclubs, heeft deze ontwikkeling waarschijnlijk bespoedigd. In andere steden zoals Brugge en Brussel was er redelijk goeie ondersteuning van de sport in de scholen en werd de noodzaak van een onafhankelijke voetbalclub maar gevoeld eer de eerste voetbalgeneraties afgestudeerd waren.
De eerste clubs
Zoals gezegd was Antwerp de eerste voetbalclub, gesticht in 1880 onder de naam Antwerp Athletic Club. De stichters waren Engelsen en het zou nog lang duren eer die dominantie uit de club zou verdwijnen. Voetbal was lang niet de enige sport die in de club beoefend werd, zelfs niet de belangrijkste, het zou pas in 1887 zijn dat voetbal de hoofdsport werd. Daarnaast werden er lawn tennis, cricket en rugby gespeeld. Gaandeweg kreeg de voetbalafdeling een zelfstandiger werking en werd door de pers Antwerp Football Club genoemd. De zelfstandigheid ging zover dat toen in 1892 de Antwerp Athletic Club werd ontbonden, Antwerp FC gewoon bleef verder bestaan. Kort daarop werd er door de Engelsen een Antwerp Cricket Club opgericht om toch nog cricket te kunnen blijven spelen. In de Antwerp FC werd er volop op het voetbal geconcentreerd en was er ook geen plaats meer voor rugby. In 1893 echter toen Antwerp FC plots een groot, genivelleerd en afgesloten terrein gevonden had, werd de Club omgevormd tot Antwerp Football, Cricket and Lawn-Tennis Club en werd dus de Antwerp CC en de pas opgerichte Antwerp Tennis Club terug opgeslorpt. Met deze fusie was Antwerp definitief vertrokken.[12]
In Brussel bestond er reeds in 1875 een Brussels Cricket Club, deze club werd in 1889 met voetbal en tennis verrijkt en dus omgevormd door Brussels Cricket, Lawn Tennis and Football Club. Ook hier waren Engelsen de stichters maar in tegenstelling tot Antwerp bleef deze club uitsluitend voor Engelsen te meer omdat de Brusselse voetballiefhebbers zelf een club oprichtten. Brussels Football Association werd in november 1892 opgericht en kende voornamelijk autochtone leden, hoewel er ook enkele Engelsen lid waren. Op 11 februari 1893 werd de Leopold FC opgericht door Albert de Bassompierre. Leopold FC, genoemd naar het Leopoldpark alwaar deze club haar activiteiten hield, zou uitgroeien tot de club van de Brusselse aristocratie en hoge burgerij, zeker na de toevoeging van een tennisafdeling. Racing Club Brussel was reeds in 1891 opgericht als atletiekclub, met als thuisbasis de vlakte van Koekelberg. In 1894 werd die club met een voetbalafdeling, Racing Football Club uitgebreid. De voetbalafdeling kreeg veel autonomie, zodanig dat Racing Club Brussel als atletiekclub nog altijd bestaat, terwijl de voetbalclub na een fusie met White Star tot Racing White uiteindelijk in het reeds ter ziele gegane RWDM is verdwenen.
Sporting Club de Bruxelles, werd op 24 januari 1894 in het Atheneum van Elsene gesticht als Ixelles FC, de naam werd later veranderd. Eén van de stichtende leden was Emile Seeldrayers, zie hoger. Ook te Elsene werd Union Football Club (d’Ixelles) gesticht in 1894, niet te verwarren met de latere kampioenen Union Saint Gilloise. Daring Football Club werd op 2 mei 1895 opgericht door een stel 15-jarigen in het café ‘Au Tivoli’ aan het Simonisplein te Koekelberg, ze speelden hun wedstrijden eveneens op de vlakte van Koekelberg. Daring zou samen met Racing Club en Union uitgroeien tot de meest invloedrijke Brusselse clubs van deze eerste generatie. Daring was van in het begin een club met een zeer volkse aanhang en stond in contrast met de meer elitaire clubs als Racing en ook later Union. Union Saint Gilloise werd opgericht op 1 november 1897 in het Sint-Michielscollege in Sint-Gillis en droeg aanvankelijk de kleuren zwart en wit. Na een jaar namen ze echter de kleueren van de gemeente Sint Gillis over. Union zou de grootste club worden voor de Tweede Wereldoorlog, met 11 landstitels in het totaal. Hoewel Union aanvankelijk een vrij volkse aanhang had werd het na de Eerste Wereldoorlog meer en meer een club van het establishment, zeker na de neergang van Léopold Club. Beide rollen werden na de Tweede Wereldoorlog overgenomen door Anderlecht. Athletic and Running Club de Bruxelles dient het rijtje van oudste Brusselse Clubs te vervolmaken. Het werd als atletiekclub in 1883 opgericht onder de naam ‘Société des Courses Pédestres de Bruxelles’. Die naam werd snel veranderd Club Pédestre en dan naar ‘Running’. In november 1884 kwam het tot een scheuring na interne twisten, een twintigtal lopers stichtten de ‘Athletic Club’. In 1888 echter kwamen ze weer samen omdat de beide clubs financieel aan de grond zaten door de vele atletiekmeetings van het jaar ervoor. Zo kreeg de club haar definitieve benaming. Later integreerde deze club ook voetbal in haar activiteiten, maar het had een beetje de voetbaltrein gemist en zou nooit een prominente plaats innemen op sportief vlak. Op organisatorisch vlak stonden ze echter aan de wieg van zowel de eerste atletiekbond als de voetbalbond.[13]
FC Liégeois werd in de herfst van 1892 opgericht als een afdeling Liége Cyclist’s Union, met de bedoeling dat de leden zich in de winter met voetbal in conditie konden houden. De club werkte haar wedstrijden en trainingen af op het middenplein van de vélodroom waar de wielerclub zijn thuishaven had.[14]
AA La Gantoise werd op 1 januari 1864 te Gent als gymnastiekvereniging La Gantoise opgericht met als bedoeling het turnen onder de arbeidersjeugd te verspreiden. Als kleuren koos men blauw en wit en het devies werd “Hebt vertrouwen in uw zelven”. Na 1874 had La Gantoise af te rekenen met een afscheuring van leden die een nieuwe club, ‘Cercle Gymnastique’, begonnen maar in 1881 fusioneerden beide clubs en ging men verder onder de naam La Gantoise. In 1891 fusioneerde La Gantoise dan met de Association Athlétique, die zelf in januari 1890 was opgericht als een samengaan van sportclubs als Racing Club, Running Club en Red Star. Door de fusie werden de activiteiten van La Gantoise uitgebreid met tennis, lopen, wielrennen en soms wat voetbal. Association Athlétique La Gantoise sloot zich aan bij de eerste atletiekbond maar trok zich later terug wegens een conflict met Athletic and Running Club de Bruxelles en was betrokken bij de oprichting van de Ligue Pédestre Belge. Voetbal bleef tot 1900 echter een secundaire activiteit die eerder ter ontspanning werd gespeeld en waar de club geen aandacht aan besteedde. In 1900 werd het voetbal als hoofdsport aangenomen om meer leden aan te trekken.
Football Club Gantois werd gesticht in november 1894, speelde in zwart en wit en had het middenplein van de velodroom als speelveld. Deze club zou later opgaan in Racing Club Gantois. Union Pédestre de Gand werd in 1895 opgericht als voetbalafdeling in de schoot van de atletiekclub ‘Sport Pédestre de Gand’ na een demonstratiewedstrijd in de velodroom. Athletic Club Gantois zag het levenslicht in maart 1897 onder impuls van Engelse studenten en legde zich vooral toe op voetbal, niet zonder succes. Op 1 april 1899 werd er door de drie laatstgenoemde verenigingen besloten om tot een fusie over te gaan en zo ontstond uiteindelijk Racing Club Gantois. Net zoals bij Athletic Club en bij FC Gantois was voetbal de hoofdactiviteit, nog vóór AA La Gantoise zich op die sporttak toelegde. Toch kreeg AA Gent een kleiner stamnummer toegewezen omdat zij wel betrokken was bij de stichting van de Union Belge des Sociétés de Sports Athlétiques.[15]
Oprichting van de Belgische voetbalbond
Vooraleer men tot de oprichting van de voetbalbond in 1895 overging, waren er reeds enkele vruchteloze pogingen ondernomen geweest. Al in november 1892 werd er te Brussel een vergadering gepland over de oprichting van een ‘Association Football League for Belgium’. De belangstelling voor het project was gering, enkel Antwerp reageerde. Waarschijnlijk ging het voorstel uit van de Engelse Brusselaars van Brussels FC, het feit dat enkel het zwaar door Engelsen gedomineerde Antwerp reageerde, versterkt dit vermoeden. Ondanks het gebrek aan een bond aanvaardden de meeste clubs in januari 1893 de ‘Association Rules’, door middel van een mondelinge overeenkomst. Die aanvaarding zou het wedstrijdverloop tussen onderlinge matchen vergemakkelijken. Deze positieve evolutie gaf enkelen, de heren Sommers en De Behr, de moed om terug een poging te wagen om een voetbalbond op poten te zetten. In februari 1893 werd wederom te Brussel een bijeenkomst ingelegd om die zaak te bespreken. Deze keer was de respons wel één die blijk van interesse gaf en de eerste reacties na de afloop waren goed: men dacht om reeds in 1893-1894 een competitie op te zetten. Er werden geen concrete afspraken gemaakt en het project verwaterde. Nogmaals werd er poging gedaan in maart 1893 maar nu was de interesse maar mager. In januari 1894 werd door de schatbewaarder van Brussels FA, Frédéric Agniez, ook het voorstel gelanceerd om een federatie van Belgische voetbalclubs op te richten, met als doel de organisatie van internationale wedstrijden. Bij de start van het seizoen 1894-1895 waren het opnieuw Sommers en De Behr die probeerden een bond te stichten, ze nodigden ook de Engelse clubs en vroegen die laatsten om steun. Het mocht niet baten Ook Frédéric Agniez kwam in december 1894 weer op de proppen maar mocht ook zijn plannen weer opdoeken.
“De aanhouder wint” zei ook in 1895 het spreekwoord. Agniez kreeg een voorstel tot oprichting van een algemene sportbond van twee atleten, Etienne De Ré en Louis Roy, op 27 januari 1895. Op 17 maart werd er een vergadering ingericht in Hotel Royal Nord in Brussel. Daar werd de ‘Féderation Belge des Sociétés de Courses à Pied et des Sports Athlétiques’ opgericht. Een tweede vergadering op 16 juni stelde een onderzoekscommissie aan met de opdracht om algemene reglementen op te stellen, die werden goedgekeurd in de vergadering van 7 juli. Op diezelfde vergadering werd een voorlopig comité vastgelegd. Op 4 augustus 1895 werd dan een definitieve en officiële stichtingsvergadering gehouden in Brussel. Tegen die datum was de naam reeds veranderd in ‘Union Belge des Sociétés de Sports Athletiques’. Op deze vergadering waren afgevaardigden van AA La Gantoise, Sporting Club, Racing Club, A&RC de Bruxelles en Union FC aanwezig. FC Brugeois had zich laten verontschuldigen. Ongeveer een maand later, op 1 september, werd er opnieuw vergaderd, nu waren ook leden van FC Brugeois, Antwerp FC, Léopold FC en FC Liégeois afgevaardigd. Op deze vergadering werden de beslissingen van 4 augustus goedgekeurd en werd er beslist om een nationale competitie in te richten onder de naam ‘coupe de Belgique’. Mühlinghaus, Deschrijver en Seeldrayers werden belast met het opstellen van de statuten naar het voorbeeld van de Franse bond en de ‘Féderation des Courses à pied et des Sports Athlétiques’. Het nationale voetbalkampioenschap zou naar het voorbeeld van de Engelse Liga worden ingericht. Op de eerste werkvergadering van de bond, op 2 november 1895 werden de praktische zaken in verband met het kampioenschap geregeld, waaronder de beker die aan de kampioen zou worden gegeven, indien de kampioen zijn titel kon verlengen, zou het stuk definitief bezit van de club worden. Om de kosten te dekken van de beker werd van iedere club 2 frank per aangesloten lid gevraagd.[16]
Deel 2: Beschrijving van de geschiedenis van Club Brugge 1891-1918
Hoofdstuk 3: De stichting, alle begin is moeilijk
De voorgeschiedenis: Engelsen en schoolvoetbal
Zoals reeds hoger gezegd speelden Engelsen overal een rol in de introductie van het voetbal. Hoe meer Engelsen aanwezig, des te vroeger dat het voetbal er van de grond kwam. Ook in Brugge woonden in de 19de eeuw veel Engelsen, de kolonie die ze vormden was abnormaal groot gezien de grootte en de perifere ligging van de stad. Hoewel er al sinds de middeleeuwen een Engelse aanwezigheid is in Brugge, spreekt men van een Engelse kolonie sinds 1815, na de slag bij Waterloo. Veel oud militairen bleven in Brugge wonen nadat Napoleon verslagen was, later werden ze vervoegd door oud kolonialen, lagere adel en industriëlen. Veel van die mensen waren ook katholiek. Ze kozen voor Brugge om te rentenieren omdat het er goedkoop leven was. De schoonheid van de stad sprak de romantische geesten aan. Anderen verbleven dan weer in Brugge als uitvalsbasis voor hun werk in de mechanisatie van de linnenindustrie. Hoewel de Engelsen een eigen gemeenschap vormden binnen de stad, met eigen kerken, scholen en clubs, waren ze toch goed aanvaard in Brugge en namen ze uitgebreid deel aan het openbare leven. Engelsen waren graag geziene gasten op allerlei societyfeestjes en de hogere klassen ontwikkelden een sterk gevoel van anglofilie. Er ontstond ook een uitwisseling van mensen tussen Brugge en Engeland: scholieren gingen in Engeland studeren, katholieke kloosterlingen gingen in Engeland missioneringswerk doen. De aanwezigheid van die Engelse onderdanen betekende een sterke stimulans voor het economische en sociale leven, waaronder ook het ontstaan van het voetbal.[17]
Het was in het rond 1870 ontstane Engels college ‘Worthams’ dat er voor het eerst op een georganiseerde manier werd gevoetbald. In de Engelse onderwijstraditie was er, zoals hoger beschreven, reeds een lange tijd aandacht voor sport in het onderwijsprogramma. De woensdag en zaterdagnamiddag onderhielden de jongeren hun conditie met sporten zoals rugby, cricket en natuurlijk voetbal, op het veld van Assebroek en later in Koolkerke. De Engelsen werden ‘Red Caps’ genoemd omwille van hun rode petten die ze droegen bij hun uniform. Deze onderwijsprincipes werden niet veel later ook in het Franciscus-Xaveriusinstituut geïntroduceerd door Engelse broeders die in het Brugse pensionaat van hun orde verbleven. In het buitengoed van de school in Sint-Michiels waren een aantal faciliteiten aangelegd waar de schooljongens naar hartelust konden turnen en lopen maar voetbal werd geweerd uit angst voor gebroken ruiten. Toch werden er in 1891 drie velden aangelegd in functie van het voetbalspel.[18]
Ook in het Atheneum van Brugge werd er door de leerlingen gevoetbald, waarschijnlijk op initiatief van Engelse kostschoolgangers. Twee keer per week, dinsdag en donderdagnamiddag gingen de leerlingen van het Atheneum naar de velden van het Engels college. Vooral bij de leerlingen van de middenschool van het Atheneum kende het voetbal een snelle opmars. Een club vormen werd nog niet direct gedaan, aanvankelijk werd er op toevallige basis wedstrijdjes gespeeld tegen elkaar, de Red Caps of tegen oud-leerlingen van het Xaveriusinstituut. Tegen de ploegen van de Frères zelf spelen was gezien de politieke achtergrond - de naweeën van de schoolstrijd - onmogelijk. Van tijd tot tijd, vooral met Kerst en op Pasen kwamen er Engelse ploegen naar Brugge om tegen de Red Caps te spelen. Dat gaf de jonge voetbaladepten de mogelijkheid om matchen van hoog niveau bij te wonen. Het gebeurde ook al eens dat spelers die niet (meer) tot één van de onderwijsinstellingen behoorden werden gevraagd mee te spelen, veelal in de jaarlijkse match tussen het Atheneum en de Red Caps. Spelers als Jean Schaeverbeke, William Greenhill, Gaston Decraecke en de broers Delescluze waren spelers van een hoog niveau en werden daarom voor deze speciale gelegenheden gevraagd te figureren in de ploegen van het Atheneum. Uiteindelijk zouden deze spelers de hoofdrol opeisen in de stichting van de eerste voetbalclub in Brugge, de Brugsche Football Club.[19]
De oervereniging: Brugsche Football Club
De geschiedenis van deze vereniging heeft zich grotendeels in de nevelen des tijds gehuld. Door het ontbreken van het eerste verslagboek van de eerste Brugse voetbalploeg, is het heel moeilijk om iets over de Club in deze periode te vertellen. Op basis van het geringe bronnenmateriaal kan echter een schets gemaakt worden van het clubgebeuren in die periode.
Een aantal vaardige spelers als Gaston Decraecke, Jean Schaeverbeke, de gebroeders Delescluze en William Greenhill, mensen die reeds enkele jaren de schoolbanken waren ontgroeid maar toch hun geliefkoosde sport wilden blijven beoefenen, voelden dus de nood om een voetbalclub op te richten. Ze waren oud leerlingen van het Atheneum, het Xaveriusinstituut en het Jozefietencollege in Melle en dus van verschillende ideologische strekkingen en klassen. Het klopt dus niet dat Club vooral een vereniging was van oud leerlingen van het Atheneum zoals wel eens wordt beweerd, althans niet wat betreft deze vroegste periode. Een aantal toonaangevende figuren zoals de broers Lescrauwaet, Gaston Decraecke, Ernest Neyrinck en Phillippe Delescluze, hadden in de jaren 1880 samen in het Xaveriusinstituut doorgebracht. Zij richtten op 2 november 1890 in het café ‘Ville de Cologne’ Brugsche FC op.[20]
Een voetbalclub leiden was echter niet zo vanzelfsprekend en Brugsche FC leek een doodgeboren kind te zullen worden en werd al snel weer opgedoekt wegens interne onenigheid. Een paar maanden later, rond Pasen 1891 besloten de leidende voetballisten Brugsche FC opnieuw op te richten, waarschijnlijk terug in ‘Ville de Cologne’ ofwel in ‘Duc de Brabant’, het latere lokaal van Brugsche FC. De aanleiding voor de heroprichting zou een match tussen de Red Caps en Léopold FC zijn geweest. Hier liet het geheugen van de auteur hem in de steek en verwarde hij de aanleiding voor de herstichting van Brugsche FC met de aanleiding voor de afscheuring van FC Brugeois. De match, waar hij het over sprak heeft inderdaad plaatsgevonden, maar dan op 17 april 1894! De wedstrijd die de aanleiding