De economische rol van vrouwen zoals blijkt uit de werken van Cicero. (Annelies Van den Bruele)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk II: Vrouwen uit de hoogste kringen

 

Inleiding

 

         Mensen hebben altijd al een grotere fascinatie gehad voor rijke en hooggeplaatste personen. Bij de Romeinen was dit niet anders. Zowel de wetgeving als de literatuur focusten op de rijke, hogere kringen. Hierdoor ontstaat de neiging om, bij het bestuderen van Romeinse vrouwen, vooral aan dit segment van de bevolking aandacht te schenken.

         In de keizertijd genoten voornamelijk vrouwen uit de keizerlijke familie de meeste belangstelling[97]. Zij werden als rolmodel beschouwd en kregen op diverse vlakken zoals mode en denkwijze, navolging bij hun seksgenoten. Ook tijdens de republiek traden enkele vrouwen op de voorgrond wier kwaliteiten of geslepenheid meermaals bejubeld dan wel aan de kaak gesteld werden. Bovendien werd toen een periode van vrouwenemancipatie ingeleid die steeds meer gesteund werd door de wetgeving. Vrouwen werden als het ware uit hun onmondige staat bevrijd.

         Reeds vrij vroeg in de Romeinse geschiedenis bezaten vrouwen persoonlijke en financiële vrijheden[98], al profiteerden ze er slechts terloops van. Desondanks genoten zij, zeker vanaf de late republiek, heel wat de facto autonomie in hun persoonlijke leven en het beheer van hun bezit en namen ze actief deel aan het publieke leven. Een vermogen gescheiden van dat van hun echtgenoot was vaak voldoende om hun substantiële economische onafhankelijkheid te verzekeren. Echt autonoom was een vrouw pas indien ze haar vader overleefde en aldus sui iuris werd of ze nog tijdens zijn leven als persona sui iuris onder de voogdij van een tutor kwam. In Rome bewezen echtgenotes en vrouwelijke verwanten van diverse politici dat vrouwen uit de upper-class meermaals bij de politiek betrokken waren. Zeggen dat zij het beleid bepaalden[99], zou de waarheid geweld aandoen.

         In zijn brieven, redevoeringen en verhandelingen heeft Cicero heel wat vrouwen ten tonele gevoerd. In dit hoofdstuk komen enkele van zijn vrouwelijke tijdgenotes[100] vanuit de hoogste klasse aan bod voor zover er hierover relevante economische informatie bij Cicero terug te vinden is.

 

 

1. Bezit

 

1.1 Vermogen

 

1.1.1 Eigen vermogen

 

Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen vrouwen met een vermogen en vrouwen met een peculium. De vraag is dan wie een eigen vermogen bezat en wie over een peculium beschikte en wat het verschil tussen beide was. Een laatste belangrijke vraag is wat de inhoud van dat vermogen was.

 

Op het einde van de republiek hadden de wetten die de toegang van vrouwen tot bezit[101] regelden weinig veranderingen ondergaan sedert de uitvaardiging van de XII Tafelen midden de 5e eeuw v.C. Uit de laatrepublikeinse literatuur, meer bepaald de brieven en redevoeringen van Cicero, blijkt echter dat vrouwen uit de upper-class in de praktijk een grote mate van onafhankelijkheid genoten. Let wel: enkel vrouwen sui iuris bezaten effectief een eigen vermogen.

 

We mogen ervan uitgaan dat Terentia’s vader dood was en zij dus als persona sui iuris over een eigen vermogen[102] beschikte. Daar ze sine manu gehuwd was met Marcus Tullius Cicero[103], bleven haar bezittingen tijdens hun huwelijk gescheiden van de eigendommen van haar echtgenoot. Terentia was een zeer welstellende dame wiens bezit zowel uit geld als roerend en onroerend goed bestond.

Waaruit was haar vermogen dan samengesteld? Via haar bruidsschat[104] had ze reeds een aantal slaven in haar huwelijk meegenomen, maar ze was ook zelf eigenares van een slavengroep. Tenminste één van haar slaven bleef ook na zijn vrijlating als libertus bij haar werkzaam. Het was niet abnormaal dat slaven na hun vrijlating als libertus in dienst bleven bij hun voormalige meester of meesteres. Ze werden voortaan vergoed voor hun arbeid maar genoten nog steeds de bescherming van hun voormalige eigenaar. Terentia maakte dan ook herhaaldelijk gebruik van de diensten van deze vrijgelatene, Philotimus[105] genaamd, en deed ondermeer voor het beheer van haar bezittingen een beroep op deze man. Ook haar echtgenoot Cicero maakte van zijn diensten gebruik. Zo liet hij zich tijdens zijn afwezigheden door de vrijgelatene van zijn vrouw op de hoogte houden van het reilen en zeilen op het thuisfront. Philotimus vertegenwoordigde hem ook op openbare verkopen. Welstellende burgers zoals Cicero lieten zich vaak vertegenwoordigen door een slaaf of vrijgelatene bij dergelijke aangelegenheden. Een tweede verder onbekende vrijgelatene[106] van Terentia was belast met het innen van de huurgelden van de insulae uit haar bruidsschat, gelegen op de Aventinus en de Argiletum.  Dankzij een legaat[107] dat een welstellende bankier uit Puteoli haar had nagelaten kon Terentia haar vermogen uitbreiden met 50.000 HS. Vermoedelijk bezat ze nog meer geld, want zij betaalde de reiskosten[108] van haar dochter Tullia toen die haar vader, die terugkeerde uit ballingschap, tegemoet reisde. Het is ook mogelijk dat Terentia iets verkocht heeft om die reiskosten te betalen. Het onroerend goed tenslotte bestond uit een landgoed met heuvel en bosbezit nabij Tusculum[109], openbare gronden[110] en stedelijke huizenblokken[111].

Tijdens zijn ballingschap (58 v.C.-57 v.C.) vreesde Cicero dat niet enkel zijn bezittingen, maar ook het bezit van zijn vrouw bedreigd werd door confiscatie[112], hoewel hun bezittingen wettelijk gescheiden waren. Eén bepaald incident sterkte hem in dit vermoeden. Bij zijn vertrek in 58 v.C. had Terentia haar toevlucht gezocht in de Vestatempel waar haar halfzus Fabia priesteres was. Tegenstanders van Cicero hadden haar daar weggehaald en na een vernederende rit door de stad naar de Tabula Valeria gebracht. Afhankelijk van de functie die men aan de Tabula Valeria toekent, kon dit incident op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Volgens Shackleton Bailey[113] moest Terentia voor de tribunen verschijnen om een beëdigde verklaring af te leggen met betrekking tot haar bezit dat aan Cicero ten goede zou komen. In zeker zin was het dan ook zijn eigendom en bestond de kans dat het geconfisceerd werd, daar confiscatie van zijn persoonlijke bezittingen dreigde. Tyrrell en Purser, en Dixon volgt hen daarin, menen dat het om een bank ging en Terentia erheen gegaan was om geld te lenen. Deze verklaring is echter tegenstrijdig met het feit dat ze uit de Vestatempel gesleurd was: ducta esse. Wij zijn geneigd Shackleton Bailey te volgen aangezien het betreffende fragment deel uitmaakt van een brief waarin Cicero het onheil[114] beschreef dat hem, en zijn echtgenote getroffen had of dreigde te treffen. In elk geval was Terentia het slachtoffer van enige vorm van publieke vernedering, vermoedelijk omwille van de handelingen die ze in naam van haar echtgenoot stelde.

Door een huwelijk werden de status van man en vrouw met elkaar verbonden. Terentia deelde weliswaar niet in de verbanning van haar echtgenoot of in de financiële consequenties daarvan, Cicero’s ondergang zal wel invloed gehad hebben op haar sociale status[115]. Samen met hun kinderen deelde ze in de schande van haar man. Elke toespeling op een vermindering van haar bezittingen was echter ongegrond. Op economisch vlak handelde Terentia volledig zelfstandig. Ze vormde allesbehalve een economische eenheid met haar echtgenoot met als gevolg dat Cicero’s confiscatie haar persoonlijke bezittingen niet of nauwelijks bedreigde. Haar fortuin overleefde het incident.

         De scheiding van hun bezittingen betekende niet dat Terentia en Cicero andere belangen hadden. Terentia zette zich in voor Cicero’s zaak, in die zin dat ze samen met Atticus de confiscatie van zijn bezit en zijn verbanning ongedaan trachtte te maken en zelfs bereid was een deel van haar vermogen te verkopen om zijn financiële nood te lenigen. Ze was het ook eens met Cicero dat indien het ergste gebeurde en Cicero's bezit geconfisceerd werd, haar vermogen beschikbaar zou zijn voor hun kinderen[116]. Cicero zelf zou beroep doen op de financiële steun van zijn broer. Dus zelfs in noodgevallen bleven man en vrouw overeenkomstig de wet, financiëel gescheiden. De moeder-kindrelaties daarentegen overstegen deze bepalingen.

         We zijn er ons van bewust dat dit geen opsomming is van het volledige vermogen van Terentia. Verdere informatie ontbreekt echter.

 

         Publilia, de tweede echtgenote van Cicero verkeerde in een gelijkaardige situatie. Door het overlijden van haar vader was ze persona sui iuris geworden en bezat ze een eigen vermogen[117]. Haar omvangrijke bruidsschat doet vermoeden dat zij een zeer welstellende dame was. Het feit dat ze over een eigen vermogen beschikte geeft aan dat ze sine manu gehuwd was met Cicero.

 

         Pomponia, echtgenote van Cicero’s broer Quintus en zus van Titus Pomponius Atticus[118], behoorde tot een vooraanstaande rijke, equestriale familie[119]. Deze welstellende dame was heel wat rijker dan haar echtgenoot Quintus Tullius Cicero. Cicero vertelt echter niet waaruit haar vermogen precies bestond.

 

         Cicero telde onder zijn vrienden verschillende vrouwen. Eén ervan de bekendste, was Caerellia. Deze knappe en intelligente dame had een bijzondere interesse voor literatuur en filosofie en onderhield een correspondentie met Cicero[120]. De naam Caerellia is geen typisch Latijnse naam en komt in Italië pas voor vanaf de aanwezigheid van deze vrouw. Het vraagt dan ook niet veel verbeelding om aan te nemen dat zij – of haar directe familie – als eerste van haar clan van Asia naar Italië emigreerde en de naam Caerellia als gensnaam aannam. Gezien de carrières van Cicero en zijn broer zich grotendeels in Asia afspeelden is de kans zeer groot dat beide families toen reeds met elkaar bekend of zelfs bevriend waren[121].

         Caerellia was een welstellende dame met een aanzienlijk vermogen[122]. Het feit dat ze eigen bezittingen had wijst er op dat ze persona sui iuris was. Wat was nu de samenstelling van haar bezit? Een deel van haar vermogen bestond uit geld, waarvan ze in binnen- en buitenland leningen verstrekte. Caerellia was tevens eigenares van een aantal gronden en een landgoed in Asia. In de nabije toekomst zou ze ook één achtste van de huizen van Tullius nabij de tempel van Strenia tot haar bezit mogen rekenen. Ze kon dit aan een gunstige prijs van Cicero kopen. Over haar andere bezittingen is, behalve de herkomst van een deel ervan, niets bekend.

 

         Clodia was één van de meest onconventionele vrouwen uit de late republiek. Afkomstig uit een voorname familie[123], stamde ze langs haar vader Appius Claudius Pulcher af van de Appii Claudii en langs moederszijde van de Metelli. Door haar huwelijk in 63 v.C. met Quintus Caecilius Metellus Celer kwam ze terecht in een consulaire familie. Zij vormde de perfecte belichaming van het nieuwe type vrouw[124] dat laatrepublikeinse auteurs in hun werken naar voren brachten: een vrouw van hoge afkomst met een voorname positie die desalniettemin voor zichzelf de vrijheid en het seksuele genot van een dame van plezier opeiste. Clodia was namelijk bekend voor haar literaire en intellectuele kwaliteiten – ze had een hogere opleiding genoten – en voor haar schoonheid. Meer nog was ze berucht om haar immoreel gedrag, zowel tijdens haar huwelijk als tijdens haar weduuwschap: ze was allesbehalve een ontroostbare weduwe. Clodia had talloze minnaars. De twee bekendste zijn Quintus Valerius Catullus en Marcus Caelius Rufus. Kortom, ze rebelleerde tegen de samenleving en was constant op zoek naar avontuur en gevaar.

         Clodia bezat als vrouw sui iuris een eigen vermogen. Het best bekende onderdeel van haar omvangrijke bezittingen[125] waren haar tuinen[126] aan de oevers van de Tiber. Cicero vermeldde hen herhaaldelijk in zijn brieven aan Atticus omdat hij er aan dacht ze aan te kopen en er een tempel voor zijn overleden dochter Tullia te bouwen. Verder bezat ze een huis op de Palatinus[127], een vila te Baiae[128] waar ze exorbitante feesten organiseerde en mogelijk ook een villa te Solonium[129]. Behalve onroerend goed bestond het vermogen van Clodia ook uit onbepaalde hoeveelheden geld en goud[130]. Uit het proces waarin ze haar ex-minaar Marcus Caelius Rufus aankloeg kunnen we afleiden dat Clodia ook eigenares was van een slavengroep[131].

 

1.1.2 Eigen peculium

 

         Personae in potestate patris zoals Tullia bezaten geen eigen vermogen[132]. Alles wat hen toekwam verviel automatisch aan hun paterfamilias: hij bezat als enige binnen de familie eigendomsrecht. Door in 50 v.C. te huwen met Publius Cornelius Dolabella was Tullia weliswaar aan haar derde echtgenoot toe, maar ze stond nog steeds onder het gezag van haar paterfamilias. Daar het om een sine manu-huwelijk[133] ging, was ze niet overgegaan in de potestas van haar echtgenoot of zijn paterfamilias. Bovendien kon Tullia geen vrouw sui iuris zijn daar Cicero nog in leven was en ze geen emancipatio had ondergaan. Om in haar onderhoud te voorzien zal ze zich na haar huwelijk, evenzeer als ervoor, tot haar vader gewend hebben. Door haar een peculium[134] toe te wijzen wou Cicero haar enige financiële onafhankelijkheid geven. Hiertoe zette hij bezit op haar naam vast, vermoedelijk in 49 v.C.: met de opbrengst van een landgoed zou ze in haar noden kunnen voorzien. In 45 v.C. trof Cicero een gelijkaardige schikking voor zijn zoon Marcus: hij droeg de huurgelden[135] van twee huizenblokken uit de bruidsschat van zijn ex-echtgenote Terentia over aan zijn zoon. Behalve de fructus praediorum voorzag Cicero, via Atticus (als tussenpersoon) zijn dochter op regelmatige basis van een geldsom om haar dagelijkse uitgaven te bekostigen. Tullia mag dan zoals zovele andere filiaefamilias de eigenares geweest zijn van een peculium, technisch gezien[136] bleef het eigendom van haar paterfamilas. Het was dus Cicero die het laatste woord had over het peculium.

 

         In de vermogens van vrouwen uit de hoogste kringen kwamen dezelfde elementen regelmatig terug. Zowel Terentia, Caerellia als Clodia bezaten onroerend goed en geld. Ook slaven maakten meer dan eens deel uit van de vermogens van vrouwen. We vinden ze terug in het vermogen van Terentia en in dat van Clodia. Goud was een vierde bestanddeel dat zowel in de vorm van sierstukken en juwelen als in de vorm van betaalmiddel in het vermogen van diverse vrouwen was terug te vinden. Wij hebben het enkel bij Clodia teruggevonden. Wat het peculium van vrouwen in potestate patris betreft, dit vertoonde grote gelijkenissen met het vermogen van vrouwen sui iuris. Tullia’s peculium bestond ook uit onroerend goed en geld. Bovenstaande elementen zijn echter niet de enige mogelijkheden waaruit een vermogen kon samengesteld zijn. Het zijn wel de meest voorkomende vermogensbestanddelen.

 

 

1.2 De bruidsschat

 

In de hoogste kringen speelde de bruidsschat een cruciale rol[137] bij huwelijksonderhandelingen. In die mate zelfs dat het overleg kon afspringen omwille van een ontoereikende dos. Nochtans werd ook een huwelijk zonder dos als iustium matrimonium erkend indien de voorwaarden[138] vervuld waren. De vaderlijke plicht om een bruidsschat mee te geven werd versterkt door de sociale verwachtingen en wetgeving. Vaders en moeders gebruikten deze instelling met juridische, sociale en economische dimensies om bezit en status naar hun dochter(s) over te dragen. Een omvangrijke bruidsschat gaf een dochter en haar afstammelingen een substantieel deel van haar vaders patrimonium. De vragen die we ons hier stellen zijn de volgende. Was de vader de enige die een bruidsschat gaf of kon iemand anders dat ook en zo ja wie? Wat beschouwde men als een aanvaardbare bruidsschat en waaruit bestond een bruidsschat?

 

De meeste gegevens laat Cicero ons na over de dos van zijn eerste echtgenote Terentia. Zoals haar afkomst[139] voorschreef, bracht ze bij haar huwelijk[140] een omvangrijke bruidsschat mee. De exacte samenstelling[141] is ons niet bekend. Wel staat vast dat de dos zowel geld als roerend en onroerend goed bevatte. De waarde van het geldelijke deel op zich bedroeg 400.000 HS. Verder bestond de bruidsschat voor een groot deel uit vastgoed, zijnde: tenminste twee insulae, één op de Aventinus en één op de Argiletum[142], en een landgoed met bos en bergweiden te Antium. Het onroerend goed behelsde ondermeer slaven.

         Bij het huwelijk werd de bruidsschat wettelijk volledig eigendom[143] van de echtgenoot. Ook bij een sine manu huwelijk[144] zoals dat van Terentia en Cicero, waar het bezit van beide partners gescheiden bleef. Tot het einde van de republiek besliste hij vrij over het lot van de bruidsschat. Zo overwoog Cicero, toen zijn bezit met confiscatie bedreigd werd bij zijn ballingschap in 58 v.C., zijn slaven[145], en dus ook deze uit de dos van zijn vrouw inter amicos, vrij te laten. Daar ze niet meer tot zijn bezit behoorden, werden ze niet opgenomen in de inventarislijst en kon hij hen van confiscatie vrijwaren. Deze manumissio-vorm[146] liet Cicero toe bij zijn terugkeer de slaven, bijgehouden door zijn vrienden, opnieuw in zijn bezit te krijgen. Cicero maakte echter onderscheid tussen zijn slaven en die van Terentia. Indien ze haar wettelijke eigendom waren, was het volstrekt onmogelijk dat hij over hun lot zou beslissen. Deze tegenstrijdigheid toont aan dat Terentia in zeker mate beslissingsrecht[147] had over haar dos en dus over de slaven, ondanks de manumissio door Cicero. Betekende dit dan dat een vrouw “haar” dos kon verliezen indien het bezit van haar echtgenoot geconfisceerd[148] werd? Een eenduidig antwoord op deze netelige vraag is er niet. Cicero die een aangeboren tobber was, beschouwde het als een mogelijkheid maar hoopte de bruidsschat te kunnen redden. Gezien er geen notitie van compensatie was voor de eventuele confiscatie van de dos, die toch een enorm bedrag vertegenwoordigde, lijkt het ons dat deze niet geconfisceerd werd. Dit zou opnieuw een indicatie kunnen zijn voor de de facto controle van Terentia over haar bruidsschat.

         Ook de inkomsten[149] van de bruidsschat kwamen toe aan Cicero. In combinatie met de dos betekende dit een aanzienlijke verrijking van zijn patrimonium. Het verhuren van beide insulae leverde jaarlijks zo’n 80.000 à 100.000 HS op of zo’n 2,6 tot 3,3 miljard voor de duur[150] van hun huwelijk. Ook het geldelijk deel bracht een aanzienlijk bedrag op. Cicero die als homo novus[151] een senatoriële carrière ambieerde, wist zich door deze dos dan ook verzekerd van een fianciële ruggesteun en de politieke steun van één van de belangrijke politieke families.

         Als vrouw sui iuris hield Terentia’s bijdrage[152] aan het echtelijke huishouden normaal gezien op bij de laatste betaling van haar dos. Toch beschouwden zijzelf en Cicero het als vanzelfsprekend dat indien nodig zij de verantwoordelijkheid zou opnemen voor de financiering[153] van de toekomst van hun kinderen. Onder het beheer van Cicero wordt de dos gedeeltelijk aangewend voor de opvoeding[154] van hun kroost. Nergens wordt bewezen dat het overblijvende deel van de bruidsschat de onera matrimonii bekostigde. Bij tijden nam men té vanzelfsprekend aan dat dit het oorspronkelijke doel en de primaire functie van de dos was. Toen reeds, en nu nog, heerste er discussie[155] over deze functie van de dos.

         Niet alle huwelijken zijn voorbestemd om stand te houden. Toen na 30 jaar alle harmonie verdwenen was, maakte een mogelijk bilaterale, echtscheiding[156] in 46 v.C. een einde aan het huwelijk van Terentia en Cicero. Hoewel er reeds twee jaar strubbelingen waren en Cicero uiteenlopende beschuldigingen uitte aan het adres van zijn vrouw, raakte de echte reden voor hun scheiding nooit bekend. Zelfs niet aan hun vrienden. Verwonderlijk, zeker omdat Cicero zich er niet van weerhield de echtelijke misstappen van zijn opponenten breed uit te smeren in zijn redevoeringen. Zijn eigen echtscheiding werd dan ook meermaals publiekelijk aangevallen. Eén element keerde regelmatig terug in zijn brieven, namelijk het financiële bedrog van Terentia.

Bij de echtscheiding was Cicero verplicht de bruidsschat of diens monetaire waarde terug te geven aan Terentia. Hij verkoos het laatste, wat hem toeliet de terugbetaling[157] over drie jaarlijkse termijnen te spreiden. Dit verliep echter niet zo vlot. Reeds bij de eerste storting in 45 v.C. zou hij met een geldtekort[158] gekampt hebben. Mogelijk gaf dit mee aanleiding tot zijn snelle hertrouwen en hoopte Cicero de dos van zijn tweede echtgenote Publilia te gebruiken om Terentia terug te betalen. Hun huwelijk duurde slechts enkele maanden zodat hij dit plan moest laten varen. In 44 v.C. herhaalde het probleem zich hoewel Cicero geld verwachtte van zijn schuldenaars waaronder zijn ex-schoonzoon Publius Cornelius Dolabella die de dos van zijn dochter Tullia moest terugbetalen. Waarschijnlijk was de bruidsschat bij zijn dood in 43 v.C. nog steeds niet volledig terugbetaald.

         Het stroeve verloop van het terugbetalen van de dos zou tevens veroorzaakt zijn door onenigheid over de retentio propter liberos[159]. Vermoedelijk was al een en ander vastgelegd in de pacta dotalia van 79 v.C. maar had men enige manoeuvreerruimte voorzien. Onderhandelingen tussen Atticus, die ook het terugbetalen[160] van de bruidsschat geregeld had, en Terentia of haar agenten hadden tot gevolg dat Terentia na enige tegenstand, bereid was meer bij te dragen voor het onderhoud van haar zoon Marcus dan in de pacta[161] was overeengekomen. De rest van haar bruidsschat heeft ze mogelijk gebruikt om een nieuw huwelijk[162] aan te gaan. Daar Terentia niet meer van de jongste was, zal dit niet zo eenvoudig geweest zijn. Een aanzienlijke bruidsschat kon een handig hulpmiddel zijn. Terentia zal haar oude dos met nieuwe middelen moeten aangevuld hebben om opnieuw een, financieel, aantrekkelijke bruid te worden.

Cicero was nu in staat zonder problemen de toelage[163] voor het toekomstige verblijf van zijn zoon in Athene te betalen. De inkomsten van de insulae op de Aventinus en de Argiletum, die als retentio zijn eigendom bleven, voldeden ruimschoots aan diens behoeften – niet alleen gedurende zijn opleiding te Athene – en lieten hem toe als gentleman te leven. Nu en dan stopte Cicero hem wat extra geld[164] toe voor speciale uitgaven. Ook indien het huwelijk van zijn ouders had standgehouden, zouden de inkomsten van de insulae voor de opleiding van Marcus gediend hebben. De retentio bewees dat beide ouders bijdroegen tot het onderhoud van hun zoon, hoewel Cicero de eer opstreek.

         De hele situatie werd nog moeilijker[165] toen Cicero in 47 v.C. de nieuwe bepalingen van Terentia’s testament te weten kwam. Zijn woede en frustratie waren zo groot dat hij de hulp inriep van Atticus in de hoop dat deze Terentia nog op andere gedachten kon brengen. In 45 v.C. trachtte hij zelf in een nieuw testament de rechten van zijn kinderen en kleinzoon Lentulus te beschermen. Zijn pogingen om hen ook te verzekeren van een passend deel van het patrimonium van hun moeder zette hij verder.

         De hele kwestie van de bruidsschat van Terentia toont het voordeel aan van het afsluiten van voorhuwelijkse pacta dotalia. In geval van onenigheid, bijvoorbeeld bij een echtscheiding, kon men hierop terugvallen. We krijgen tevens een duidelijk voorbeeld van de pragmatische ingesteldheid van de Romeinen. Er werd duidelijk belang gehecht aan het voorzien van een gepast inkomen voor een jonge edele. Men verwachtte niet dat de vader hier alleen voor zou instaan. Ook een moeder werd geacht haar bijdrage te leveren, en dit veelal in de vorm van een deel van haar bruidsschat.

 

         Ook Cicero’s tweede echtgenote Publilia bracht bij hun huwelijk in december 46 v.C. een aanzienlijke bruidschat mee. Doordat het huwelijk[166] snel volgde op de scheiding van Cicero en zijn eerste echtgenote Terentia en tussen beide huwelijkspartners een groot leeftijdsverschil bestond, Cicero was 60 jaar en Publilia slechts 15 jaar, rees het vermoeden dat de bedoelingen van Cicero niet zo edelmoedig waren. Volgens Terentia was Cicero enkel en alleen voor de jeugdige charmes[167] van Publilia gevallen. In haar ogen was dit een schandelijk motief voor een echtverbintenis. Bovendien was hij haar voogd. Hoewel in dergelijke situaties sprake kon zijn van een belangenconflict werden deze verbintenissen nochtans algemeen aanvaard. Noch het leeftijdsverschil noch het feit dat Cicero de voogd was van zijn echtgenote vormden een hindernis voor hun huwelijk. Het laatste maakte zelfs dat Cicero zijn echtgenote reeds voor hun echtverbintenis goed zal gekend hebben en dus wist waar hij aan begon. Tiro, een vrijgelatene en vertrouweling van Cicero, beweerde dat in werkelijkheid Publilia’s rijkdom en bruidsschat[168] zijn meester hadden aangetrokken. Mogelijk hoopte hij langs deze weg de bruidsschat van zijn echtgenote Terentia terug te betalen en misschien zelfs enige schulden af te lossen. Zijn krediet- en geloofwaardigheid zouden hierdoor hersteld zijn, wat hem zou toelaten nieuwe contacten[169] te leggen. Met een bruidsschat die minimum 1.000.000 tot 1.200.000 HS bedroeg, afgaande op de derde dotale betaling[170], behoorde dit zeker tot de mogelijkheden.

         Het huwelijk heeft niet lang stand gehouden. Na enkele maanden was in juli 45 v.C. de echtscheiding[171] een feit. De ware reden van de breuk blijft onbekend. Sommigen zien de onverenigbaarheid van hun karakter als oorzaak, anderen meenden dat Publilia niet de gepaste droefheid betoonde bij het overlijden van Tullia en zo het huwelijk op de klippen deed lopen. Na hun scheiding hoopte Publilia op een verzoening[172] en zelfs een tweede huwelijk met Cicero. Ze riep zelfs de hulp in van Caerellia, een goede kennis van Cicero. Het mocht echter niet baten, Cicero wou van geen verzoening weten.

         Hun uiteengaan dwong Cicero de bruidsschat[173] terug te betalen. Hij zag een bron van inkomsten verloren gaan en diende noodgedwongen een kruis te maken over de plannen die hij had met het geld van Publilia’s dos. Normaal gezien verliep het terugbetalen van de dos volgens hetzelfde proces als het betalen ervan, namelijk in drie termijnen. Cicero zou in staat geweest zijn het totale bedrag[174] ineens terug te storten maar het blijft de vraag of hij dit ook effectief gedaan heeft. Net als bij zijn eerste scheiding deed Cicero beroep op zijn vriend Atticus om de dos aan Publilia terug te betalen. Het is weinig waarschijnlijk dat de volledige bruidsschat terugbetaald[175] was voor het overlijden van Cicero in november 43 v.C.

         Het is duidelijk dat Cicero’s tweede huwelijk niet gekenmerkt was door affectie. Publilia was voor Cicero niet veel meer dan een manier om zijn financiën aan te zuiveren. Dit blijkt ondermeer uit de wijze waarop hij met zijn nieuwe schoonfamilie omging, bot en zelfs bijna respectloos, en hij zich vastklampte aan het verleden[176]. Na het overlijden van zijn dochter Tullia, was het eren van haar nagedachtenis het enige wat hem bezighield. Het ging zelfs zover dat hij tuinen[177] of gronden wou aankopen om er een schrijn voor zijn overleden dochter op te richten.

 

         Het overgrote deel van de huwelijken uit de upper-class waren gearrangeerde huwelijken. De meeste daarvan kwamen tot stand door toedoen van de paterfamilias. Bij zijn overlijden ging deze verantwoordelijkheid, samen met alle ander taken en verantwoordelijkheden, over op de oudste zoon. Dit was ondermeer zo bij Pomponia en Quintus Tullius Cicero. Hun huwelijk[178] werd rond 70 v.C. voltrokken en was na de nodige onderhandelingen tot stand gebracht door hun broers, respectievelijk Titus Pomponius Atticus en Cicero, die langs deze weg hun vriendschapsbanden verstevigden. Zoals zovele Romeinse mannen stond Quintus Tullius Cicero aan het begin van zijn politieke carrière[179] toen hij huwde. Meestal was de echtgenoot de oudste partner[180]. In dit huwelijk was het omgekeerde het geval. Dit doet vermoeden dat Pomponia voordien minstens éénmaal gehuwd was en reeds één echtgenoot had verloren door overlijden of echtscheiding.

         Het ideale Romeinse huwelijk werd gekenmerkt door een harmonieus samenleven[181] van man en vrouw. Het feit dat de meeste huwelijken geregeld werden, sloot niet uit dat die harmonie soms uitgroeide tot liefde. Tussen Pomponia en haar echtgenoot heeft echter nooit enige eensgezindheid, laat staan liefde, bestaan. Hun samenzijn werd gekenmerkt door spanningen, verdeeldheid en wederzijdse beschuldigingen. Hun geruzie leidde zelfs tot vijandelijkheden tussen Quintus Tullius Cicero en zijn schoonbroer Atticus en verzuurde Pomponia’s relatie met haar schoonzus Terentia en de relatie tussen de twee Cicerones. Atticus en Cicero hadden dan ook hun handen vol met het inpraten op het ruziënde koppel. Beiden deden er alles aan om een verzoening tot stand te brengen. Ondanks herhaaldelijke pogingen is het nooit verder gekomen dat een tijdelijke verzoening[182].

         In 50 v.C. staken de eerste geruchten[183] over een nakende scheiding de kop op. Toch werd de echtscheiding nog lang uitgesteld[184]. Pas na meer dan twintig jaar stormachtig huwelijk kwam het in 45 v.C., ondanks druk van Cicero, toch tot een scheiding. De verschillen tussen de echtelieden bleken te groot en hun karakters onverenigbaar om nog tot een verzoening te kunnen komen. Ook het feit dat ze een zoon hadden veranderde niets aan de zaak. De vraag rijst hoe hun huwelijk zo lang heeft kunnen standhouden[185] ondanks de permanente strubbelingen. Een deel van het antwoord ligt in het feit dat het echtpaar door de politieke carrière van Quintus Tullius Cicero, grotendeels gescheiden leefde tussen 61 v.C. en 48 v.C. Heeft dit de vervreemding versneld of juist afgeremd, we weten het niet. Wel is zeker dat Cicero en Atticus alles gedaan hebben om het huwelijk van hun bloedverwanten te redden. Een huwelijk dat een kwart eeuw geduurd had, kon niet zomaar opzijgeschoven en vergeten worden. Ze beschouwden het dan ook als hun plicht de eenheid van hun familiegroep te bewaren.

         Dat het terugbetalen van een bruidsschat niet altijd vlot verliep, blijkt ook uit de problemen[186] die Quintus Tullius Cicero had om zijn ex-echtgenote terug te betalen. In 44 v.C. moest hij geld lenen van ene Egnatius omdat hijzelf over onvoldoende kapitaal beschikte om de dos van Pomponia terug te storten. Nergens blijkt op welke manier hij dit gedaan heeft. We kunnen wel vermoeden dat Quintus Tullius Cicero volgens de standaardprocedure van drie aflossingstermijnen gehandeld heeft maar zeker weten we het niet. Hieruit leiden we af dat ook Pomponia een bruidsschat had meegebracht maar de omvang en inhoud blijven onbekend.

         De spijtige conclusie is dat dit georganiseerde huwelijk[187] aan geen van beide partners voldoening heeft geschonken ondanks de inspanningen die Cicero en Atticus leverden om verzoening en eensgezindheid te creëren. We willen er wel op wijzen dat de onenigheden tussen Pomponia en Quintus Tullius Cicero in zekere mate gerelativeerd[188] moeten worden. De discontinuïteit van het bewijsmateriaal verhindert dat we een eenduidig beeld krijgen al is de kans zeer groot dat meer bewijsmateriaal dezelfde, of zelfs nog meer, onenigheden zou doen opduiken.

 

         Wanneer Caerellia in de brieven van Cicero ter sprake kwam, was ze reeds weduwe of gescheiden vrouw[189]. Ze is dus in elk geval getrouwd geweest. Of ze bij haar huwelijk een bruidsschat meegebracht had, is niet bekend.

 

         In 63 v.C. huwde Clodia met Quintus Caecilius Metellus Celer[190]. Gezien haar hoge afkomst en het belang dat men, zeker in de hoogste kringen, hechtte aan het geven van een voldoende grote bruidsschat, zal Clodia bij haar huwelijk een bruidsschat meegebracht hebben. De inhoud en omvang van de bruidsschat blijven onbekend; Clodia’ vader heeft haar huwelijk niet mogen meemaken. De man was reeds in 76 v.C. overleden. Door zijn dood veroordeelde hij zijn familie bijna tot de armoede. Hij liet enkel een kleine erfenis na, te verdelen onder zijn zes kinderen. Het zal voor Clodia dan ook niet eenvoudig geweest zijn louter op basis van haar erfdeel een bruidsschat bijeen te brengen die haar een goede partij zou garanderen.

 

Hoewel Tullia, Cicero’s dochter, haar drieëndertigste verjaardag niet haalde, was ze driemaal gehuwd[191]. Zo uitzonderlijk was dit niet wanneer we in gedachten houden dat het leeftijdsverschil tussen man en vrouw makkelijk opliep tot tien jaar of meer. De kans was reëel dat een vrouw haar echtgenoot zou overleven[192] en zich opnieuw op de huwelijksmarkt wou begeven. Ook echtscheiding maakte van vrouwen andermaal potentiële huwelijkskandidates. Cicero was dus niet alleen vertrouwd met het ontvangen en terugbetalen[193] van een dos, hij had tevens tot driemaal toe een bruidsschat betaald en teruggevorderd.

         Vandaag de dag dient men in België, mits enige uitzonderingen, volwassen te zijn om een rechtsgeldig huwelijk[194] te sluiten. In de late republiek en de vroege keizertijd was de minimumleeftijd gelijkgesteld met het begin van de pubertijd: veertien jaar. Meisjes waren echter op twaalfjarige leeftijd huwbaar. Bijgevolg was het mogelijk dat ze nog voor ze de puberteit bereikt hadden een huwelijk aangingen. Literaire bronnen geven verscheidene voorbeelden van meisjes uit de elite die op jonge leeftijd huwden. We kunnen ons moeilijk voorstellen dat een dochter op die leeftijd een vooraanstaande rol zou spelen in huwelijksonderhandelingen met een man die makkelijk tien jaar ouder was dan zijzelf. In dergelijke omstandigheden lag de beslissing bij de vader.

         Bij haar eerste huwelijk[195] was Tullia relatief volwassen. Na een vier jaar durende verloving huwde ze op zestienjarige leeftijd met de twintig jaar oudere Gaius Calpurnius Piso Frugi, een rijzende ster in de politiek. Zijn overlijden maakte in 57 v.C. voortijdig een einde aan hun huwelijk. De upper-class beschouwde het niet als normatief om jonge vrouwen aan te moedigen weduwe te blijven. In april 56 v.C. was Tullia reeds een tweede maal verloofd[196]. Deze maal met de rijke patriciër Publius Furius Crassipes. Het huwelijk volgde kort na de verloving. Ten laatste in 51 v.C.[197] gingen ze uit elkaar.

         Beide verbintenissen[198] stemden Cicero zeer tevreden. Toch vermeldde hij nergens in zijn brieven iets over de voorafgaande onderhandelingen. Cicero’s manier van leven doet vermoeden dat hij zijn dochter in beide gevallen van een grote bruidsschat[199] voorzag. Bij haar tweede huwelijk had hij problemen met het betalen van de dos. Verdere details ontbreken. Zijn stilzwijgen hieromtrent is mogelijk een bewijs van de discretie waarmee huwelijksonderhandelingen gepaard gingen tot men zekerheid had over de toekomstige verbintenis. Vermoedelijk werd, zowel na het overlijden van Tullia’s eerste echtgenoot als na de scheiding van haar tweede man, haar bruidsschat volledig terugbezorgd aan haar vader. Daar niets wijst op de geboorte van kinderen uit een van beide huwelijken of Tullia als oorzaak van de scheiding, zal er geen sprake geweest zijn van retentiones[200].

         De zoektocht naar een derde echtgenoot verliep heel wat moeizamer. Ondanks haar goede reputatie en de voorspoedige carrière van haar vader – Cicero was proconsul in Cilicië in 51 v.C. – bleef het aantal kandidaat echtgenoten[201] voor Tullia beperkt. Cicero besefte dit zelf maar al te goed. De onzekere politieke situatie, Tullia’s leeftijd en haar onvruchtbaarheid zullen een aantal mannen afgeschrikt hebben. Anderen haakten af omdat de bruidsschat beneden hun waardigheid of juist te hoog gegrepen was of omdat ze schulden hadden en dus niet voldeden aan de financiële eisen van Cicero. Tenslotte dienden de kandidaten bij Tullia in de smaak te vallen. Cicero hield namelijk rekening met de wensen van zijn dochter. Dit was zeer normaal, in het bijzonder omdat het haar derde echtgenoot betrof.

         Tijdens zijn afwezigheid werd Cicero ondermeer door Atticus[202] bijgestaan bij het regelen van Tullia’s derde huwelijk: zijn topprioriteit. Ook andere vrienden[203] stelden belang in de zaak. Servilia[204] schoof Servius Sulpicius Rufus naar voren. Cicero’s voorkeur ging uit naar de onbekende kandidaat van Pontidia[205] en bracht Terentia hiervan op de hoogte.

         Bij haar eerste huwelijk had een jong meisje weinig of niets te zeggen. Haar goedkeuring was slechts een formaliteit. Een vrouw die later in haar leven hertrouwde, had doorgaans meer invloed[206] op de beslissing over haar toekomstige partner, zelfs in de onwaarschijnlijke situatie dat haar vader nog in leven was. Bovendien namen oudere dochters en zonen, in de praktijk vaak zelf het initiatief in hun huwelijksaangelegenheden. Tullia is waarschijnlijk het meest gekende voorbeeld. Cicero die in zijn functie van consul geruime tijd in het buitenland vertoefde, liet de hele zaak over aan Tullia en haar moeder. Hij vertrouwde erop dat ze, indien ze iemand vonden die in aanmerking kwam, deden wat zijzelf raadzaam achtten[207]. Intussen zette hij zijn eigen onderzoek van op afstand verder. Uiteindelijk kwam de jonge veelbelovende patriciër Tiberius Claudius Nero[208] persoonlijk bij Cicero in Cilicië onderhandelen over een huwelijk met Tullia. Cicero stemde in en zond onmiddellijk boodschappers naar zijn dochter en echtgenote met de mededeling dat Tiberius Claudius Nero zijn steun had, maar hij was te laat. Tullia en Terentia hadden hun eigen desastreuze keuze[209] gemaakt. Het verlovingsfeest was gevierd: Tullia zou huwen met de beruchte Publius Cornelius Dolabella. Hoewel Cicero zijn bedenkingen[210] had en hij, bewust of onbewust, vergat dat Tiberius Claudius Nero op alle vlakken de meerdere was van Publius Cornelius Dolabella, legde hij zich neer bij de keuze van zijn dochter. Hij maakte dus geen gebruik van zijn patriapotestas om het huwelijk te herroepen en vermeed aldus een sociaal schandaal.

         Tullia’s derde huwelijk[211] in 50 v.C. schetst een duidelijk beeld van de inspanningen en zorgen van een vader om zijn dochter van een dos te voorzien. Wie in afwezigheid van Cicero met Publius Cornelius Dolabella of zijn vertegenwoordigers over de bruidsschat onderhandelde is niet bekend, maar zodra beide partijen een overeenkomst bereikt hadden, werd het de wettelijke verantwoordelijkheid van Cicero. Men had bepaald dat de bruidsschat in drie jaarlijkse termijnen[212] betaald zou worden, volgens de zogenaamde standaardprocedure, te beginnen op 1 juli 49 v.C., een jaar na het huwelijk. Nog voor de eerste betaling verliet Cicero met zijn broer Quintus Tullius Cicero en hun zonen Rome om Pompeius te vergezellen, maar niet zonder maatregelen[213] getroffen te hebben voor de betaling van de dos.

         De dotale betalingen bleven voor Cicero een bron van permanente bezorgdheid. In 48 v.C. vroeg hij zich wanhopig af waar hij het geld voor de tweede betaling[214] zou halen. Bovendien was zijn rentmeester plots verdwenen zodat Cicero in onwetendheid verkeerde over zijn financiële situatie. Hij was zich wel bewust van enige onnauwkeurigheden waarvan hij Terentia verdacht. Een onverwachte erfenis verzekerde tijdelijk Cicero’s krediet. Onderzoek door Atticus bracht nieuwe redenen tot ongerustheid aan het licht: van het bedrag dat Cicero gereserveerd had voor de tweede en derde betaling was 60.000 HS verdwenen. Vermoedelijk was Terentia opnieuw de eerste verdachte. Toch deed Cicero een beroep op haar[215] om aan geld te komen voor de tweede dotale betaling. Ze liet echter weten dat ze er niet in geslaagd was het aangeduide bezit te verkopen. De opeenstapeling van problemen deed Cicero twijfelen of het niet wijselijker was de scheidingsprocedure[216] te starten in plaats van het tweede deel van de bruidsschat te betalen. Hij liet de beslissing aan Tullia en Atticus. Aangezien Cicero toch betaald heeft, zullen zij beslist hebben het huwelijk verder te zetten.

         Naarmate de einddatum voor de laatste dotale betaling naderde, twijfelde Cicero opnieuw of hij al dan niet zou betalen[217] en de echtscheidingsprocedure voor zijn dochter zou starten. Hij betreurde dat hij in 48 v.C. niet ingegrepen had om op basis van gegronde redenen een einde maken aan het huwelijk van zijn dochter, en aldus het reeds betaalde deel van de bruidsschat volledig te recupereren. Publius Cornelius Dolabella was namelijk  een allesbehalve voorbeeldige echtgenoot met tal van zwakheden en een slecht karakter[218]. De man verwaarloosde zijn echtgenote en had voor een gehuwd man een meer dan gezonde interesse voor het andere geslacht. De minaressen waarmee hij zijn echtgenote bedroog kregen meer aandacht dan zijn vrouw zelf. Na de dood, kort na de geboorte, van Tullia’ eerste kind leefde het koppel zelfs apart.  Cicero beschouwde dit niet alleen als een belediging van zijn dochter maar voelde zich ook in zijn eigen eer gekrenkt. Bovendien voerde Publius Cornelius Dolabella een extreem popularistische politiek[219]; precies het tegendeel van de politieke lijn die Cicero altijd had gevolgd. Als volkstribuun trachtte hij in 47 v.C. tevergeefs een schuldenkwijtschelding[220] en renteverlaging door te drukken. Tenslotte kwam Cicero’s schoonzoon, net op het moment dat Cicero na de nederlaag bij Pharsala hoopte op een verzoening met Caesar, door zijn politieke gezindheid in aanvaring met Caesar. Later verzoende Publius Cornelius Dolabella zich weer met Caesar en behoorde hij opnieuw tot zijn aanhangers. Ook op andere vlakken, bijvoorbeeld zijn carrièreverloop, zou Tullia’s echtgenoot zich misdragen hebben[221]. Tenzij hij nu kon bewijzen[222] dat zijn schoonzoon schuld had aan de echtscheiding betekende ontbinding van het huwelijk vóór de derde dotale betaling dat hij niet alleen het recht verloor op de tweederde van de bruidsschat die reeds overgedragen waren, maar dat Publius Cornelius Dolabella ook de derde dotale betaling kon opeisen volgens de gesloten overeenkomst. Cicero meende dat het daarom misschien beter was te wachten tot zijn schoonzoon zelf het initiatief nam, ook al diende hij in dat geval de derde en laatste dotale betaling uit te voeren. Hier stond wel tegenover dat hij de gehele dos zou terugkrijgen, al kon dit niet gegarandeerd worden. Uiteindelijk kwam Cicero toch met het geld over de brug. De voor de handliggende conclusie is dat het bewijzen van culpa bij echtscheiding van groot belang was voor het bepalen van de teruggave van de dos.

         In 46 v.C. kwam het dan toch tot echtscheiding, zij het op initiatief van Dolabella. De terugbetaling[223] van de bruidsschat gebeurde net zoals de betaling in drie termijnen maar deze volgden elkaar sneller op. Publius Cornelius Dolabella deed de eerste terugbetaling in januari 45 v.C. De tweede en de derde terugbetaling werden verwacht in juli 45 v.C. en januari 44 v.C. maar verliepen niet zo vlot als gepland. De geboorte van Tullia’s tweede zoon Lentulus[224] vereiste een aanpassing[225] van de terugbetalingsvoorwaarden. Bij een echtscheiding was het de echtgenoot toegestaan per kind één zesde van de bruidsschat te houden daar hij zou instaan voor de opvoeding. Door middel van deze retentio propter liberos kon hij tot maximum de helft van de dos in zijn bezit houden. In het geval van Tullia en Dolabella bleef het beperkt tot één zesde daar hun eerste kind overleden was en dus enkel voor de opvoeding van Lentulus betaald moest worden. Cicero gaf Atticus opdracht de nodige schikkingen te treffen en nam zijn kleinzoon op in zijn testament. In zijn brieven gaf Cicero echter nergens aan dat de slaven en bezittingen die hij aan zijn kleinzoon gaf, retentiones waren. Tullia overleed kort na de geboorte van haar zoontje dat zelf niet veel later stierf[226]. Dit veranderde echter niets aan het feit dat de bruidsschat terugbetaald moest worden.

         Hoewel Cicero moeilijkheden vreesde, verliep de scheiding van Tullia en Publius Cornelius Dolabella vreedzaam[227] zonder heil te moeten zoeken in retentiones of een proces. Toch heeft Cicero beroep moeten doen op een rechtbank om het laatste deel van Tullia’s bruidsschat terug te vorderen, wat hem waarschijnlijk niet gelukt is. In zijn ogen was de rechtbank het laatste redmiddel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij bijna één jaar wachtte vooraleer hij deze zaak stop zette. We kunnen dus besluiten dat de bruidsschat vanaf het onderhandelen over de omvang tot en met het terugbetalen een quasi private zaak[228] gebleven was, zoals de meeste Romeinen verlangden.

 

         In de hoogste kringen van de Romeinse samenleving speelde de bruidsschat een belangrijke rol. Zonder bruidsschat was het quasi onmogelijk binnen dezelfde stand een echtgenoot te vinden die aan de gestelde voorwaarden voldeed. Om zeker te zijn dat een dochter niet beneden haar stand moest huwen, voorzag men een omvangrijke bruidsschat. Bij een eerste huwelijk was het veelal de vader die onderhandelde en de bruidsschat betaalde. Indien de vrouw later hertrouwde, na een echtscheiding of het overlijden van haar echtgenoot, was de kans zeer groot dat haar vader niet meer in leven was. In dat geval regelde haar voogd of verwant, die voortaan de rol van paterfamilias vervulde, de huwelijksonderhandelingen en betaalde de bruidsschat. Het huwelijk van Pomponia is hiervan een duidelijk voorbeeld: haar broer, Titus Pomponius Atticus, onderhandelde over haar tweede huwelijk en zal hoogstwaarschijnlijk ook de bruidsschat betaald hebben. De inhoud van een bruidsschat variëerde maar kon zowel geld, onroerend goed als roerend goed bevatten.

 

1.3 De herkomst van het vermogen

 

Niet alle vermogens of peculia kennen dezelfde samenstelling, al zullen velen een aantal overeenkomsten hebben. Ook de herkomst kan variëren. We zullen hier nagaan van wie de vermogens – en peculia – afkomstig waren en wat de relatie was tussen de vrouwen en de persoon van wie ze hun bezit verwierven.

 

1.3.1 De herkommst van het vermogen

 

Het vermogen van Terentia kende een gevariëerde samenstelling. Toch is slechts van één element de herkomst bekend. Een klein deel van haar vermogen, 50.000 HS, was afkomstig van een legaat[229] dat een welstellende bankier uit Puteoli haar in de zomer van 45 v.C. had nagelaten. Cluvius, naar wij veronderstellen de executeur-testamentair van de bankier, had dit legaat net zoals de kosten van de begraafplaats en diens meer, afgetrokken van het erfdeel van een zekere Titus Hordeonius. Dit tot grote voldoening van Cicero die als medeërfgenaam zijn erfdeel, een landgoed, zonder verminderingen ontving. Over het hoe en waarom van het legaat ontbreken alle verdere gegevens. Ook over de relatie tussen Terentia en de man die haar in zijn testament bedacht had kunnen we slechts gissen. Daar zijn identiteit niet bekend is, zou het zowel om een verwant als om een kennis of familievriend kunnen gaan. Maar het zou evengoed iemand kunnen zijn aan wie Terentia in het verleden een dienst bewezen had en die haar hiervoor dankte met een legaat.

         Gezien de omvang van het legaat en het feit dat er nog tenminste twee erfgenamen waren, waaronder haar echtgenoot Cicero, kunnen we veronderstellen dat de bankier tot de prima classis behoorde. Krachtens de lex Voconia[230] was het aan leden van deze censusklasse verboden vrouwen tot hun erfgenaam te benoemen. In de late republiek werd het effect van de wet sterk geminimaliseerd doordat men vrouwen een legaat of fideicommissum naliet. Op voorwaarde dat men zich aan de bepalingen inzake legaten en fideicommissa hield, werden deze wetsomzeilingen door de juristen oogluikend toegelaten. Hierin kunnen we een mogelijke verklaring vinden voor de reden waarom Terentia een legaat had ontvangen en geen erfdeel.

         De herkomst van haar andere bezittingen voor zover ze ons bekend zijn, kan niet achterhaald worden op basis van de informatie die Cicero ons nagelaten heeft.

 

         Een deel van het vermogen van Publilia ging terug op haar vader. Ze had aandeel in de erfenis van haar vader gekregen in de vorm van een fideicommissum. Als dit haar erfdeel was, waarom was Publilia dan niet gewoon tot erfgename benoemd? Het meest voor de hand liggende antwoord is dat ze niet in staat was om te erven[231]. Indien het fideicommissum in verhouding stond met de bruidsschat die ze meebracht bij haar huwelijk, vermoedelijk zo’n 1.200.000 HS, behoorde haar vader duidelijk tot de prima classis. Het spijtige gevolg was dat zijn dochter niet van hem kon erven. Door haar een fideicommissum te geven kon hij de lex Voconia, die dit onrecht voorschreef, omzeilen. Wettelijk waren deze schenkingen niet bindend. Veel hing dus af van de erfgenaam die wel moreel maar niet wettelijk gebonden was om het fideicommissum aan de rechtmatige eigenaar te geven. Het was dus een kwestie van vertrouwen. Problemen of niet, Publilia had haar fideicommissum en dus haar erfdeel gekregen. De andere redenen om deze schenkingsvorm te gebruiken waren naar wij menen hier niet van toepassing.

 

         Gezien de samenstelling van het vermogen van Pomponia niet bekend is, is het niet mogelijk de herkomst ervan te achterhalen.

 

         Bij het vermogen van Caerellia is de herkomst van de verschillende bestanddelen wel te achterhalen. Haar bezittingen in Asia zou ze geërfd hebben[232]. Mogelijk had een investeerder die fortuin hoopte te maken haar dit nagelaten. Een aannemelijkere verklaring is dat ze dit geërfd had van haar voorouders. Caerellia was immers alleen of met haar naaste familie geëmigreerd van Asia naar Italië. Later viel haar een tweede erfenis ten deel. Gaius Vennonius, een goede vriend van Cicero die als negotiator actief was in Cilicië, liet haar een deel van zijn vermogen na[233]. Waaruit het erfdeel van Caerellia en die van haar medeerfgenamen bestond, is niet bekend. Dat een vrouw uit de hoge sociale klasse invloed[234] had, bewees Carellia hier. Ze beriep zich op een passage uit een senatus consultum dat uitgevaardigd was om op te treden bij een specifieke wetsovertreding, om de gouverneur van Asia Publius Servilius Isauricus te overhalen een uitspraak te doen ten gunste van de erfgenamen in de erfeniskwestie van Gaius Vennonius. Normaal gezien zou de gouverneur niet tussenkomen in een dergelijke zaak. Het deel tenslotte dat ze bezat van de huizen van Tullius had Carellia van Cicero gekocht voor 380.000 HS[235].

 

         Clodia had een deel van haar vermogen verworven door erfenis. Na het plotse overlijden van haar echtgenoot Quintus Caecilius Metellus Celer in 59 v.C. bleef een deel van zijn nalatenschap bij haar achter[236]. Voortaan waren het huis op de Palatinus, de tuinen aan de oevers van de Tiber en de villa te Baiae haar eigendom. Daar de waarde van een huis naargelang de oppervlakte en de aanwezige luxe variëerde van enkele honderdduizenden HS tot een paar miljoen HS en de tuinen aan de Tiber ook een aanzienlijk bedrag zullen vertegenwoordigd hebben, heeft Quintus Caecilius Metellus Celer zijn echtgenote als zeer begoede weduwe achtergelaten. Wanneer we hier de rest van zijn vermogen bij optellen kunnen we slechts tot één conclusie komen: Clodia’s echtgenoot bezat een vermogen ter waarde van enkele miljoenen HS en behoorde tot de prima classis. De lex Voconia indachtig was het bijgevolg ontoelaatbaar zijn echtgenote tot erfgename te benoemen. De tuinen, het huis en de villa zullen dus een legatum partitionis geweest zijn en geen erfdeel. De herkomst van het geld en het goud, de slaven en de eventuele villa te Solonium is niet bekend.

 

1.3.2 De herkomst van het peculium

 

         Over de herkomst van het peculium van Tullia kunnen we kort zijn. Aangezien ze sine manu gehuwd was, maar toch een peculium kreeg, was haar paterfamilias nog in leven en ontving ze haar peculium van hem.

 

         Erven was een veel voorkomende manier om een vermogen te verwerven of uit te breiden. Met uitzonderling van Pomponia van wiens vermogen de herkomst onbekend is en Tullia die als filiafamilias niet over een eigen vermogen beschikte, vinden we dit bij alle hier behandelde vrouwen terug. Terentia en Clodia ontvingen een legaat, Publilia verwierf een deel van haar vermogen door middel van een fideicommissum en Caerellia ontving tot tweemaal toe een erfdeel. Een peculium van een persona alieni iruis zoals Tullia had slechts één bron van herkomst, namelijk de paterfamilias.

 

1.4 De nalatenschap

 

Uit de samenstelling en herkomst van het vermogen van vrouwen uit de hoogste klasse is reeds gebleken dat vrouwen erfgenaam konden zijn. Indien ze aan de hen opgelegde testeervoorwaarden[237] voldeden, was het hen tevens toegestaan een testament[238] te maken. Ten tijde van de XII Tafelen was het anders. Vrouwen en kinderen hadden niet de bevoegdheid om een testament op te stellen. Bijgevolg konden ze geen erfgenamen aanduiden. Bij hun intestaat overlijden ging hun “erfenis” naar hun tutor agnatus[239]. Deze zag er dan ook op toe dat het bezit van zijn beschermeling op geen enkele manier beschadigd werd. Het ging immers om zijn toekomstig vermogen. Met de invoering van het testamentum per aes et libram werd het ook voor vrouwen mogelijk een rechtsgeldig testament te maken en erfgenamen aan te duiden. Sui heredes zou een vrouw echter nooit hebben. Het was namelijk uitgesloten dat zij ooit aan het hoofd van een familie zou staan en personen in haar potestas zou hebben. Wie waren dan de erfgenamen en/of legatarii van een vrouw?

In de ogen van een vrouw waren haar kinderen de meest voor de handliggende erfgenamen. Voor een vrouw met een rechtsgeldig testament was het ook mogelijk haar bezit na te laten aan haar kinderen. In tegenstelling tot haar echtgenoot was een moeder niet verplicht haar kinderen expliciet bij naam in haar testament te vermelden om hen tot wettige erfgenamen te benoemen of hen expliciet niet te vermelden, om een rechtsgeldig[240] testament te hebben. Halfweg de eerste eeuw v.C. was men van mening dat ouders moreel verplicht waren zich genereus op te stellen t.o.v. al hun kinderen en dankzij de querela inofficiosi testamenti was het voor zonen en dochters die zich onheus behandeld voelden mogelijk langs gerechtelijke weg de scheve situatie recht te zetten. Op het einde van de republiek beschouwde men het als vanzelfsprekend dat niet alleen vaders maar ook moeders hun kinderen[241] tot erfgenamen benoemden.

 

Cicero vormde hierop geen uitzondering. Hij verwachtte van zijn echtgenote Terentia dat ze in haar testament de gepaste voorzieningen voor hun kinderen zou treffen. Wanneer Terentia hem schreef dat ze van plan was een deel van haar vastgoed te verkopen om zijn financiële nood te lenigen, reageerde hij geagiteerd[242]. Hij smeekte haar van gedachten te veranderen en haar bezit te bewaren voor de toekomst van hun zoon Marcus. Eenmaal volwassen zou hij een politieke en/of militaire carrière uitbouwen en dus startkapitaal nodig hebben. Met de erfenis van zijn moeder zou hij tevens, tijdelijk, in zijn onderhoud kunnen voorzien. Hun dochter Tullia, die als vrouw niet bestemd was voor een publieke carrière maar ook niet uit werken kon gaan daar dit niet paste voor leden uit de hoogste klasse, kwam hier niet ter sprake. Ook na hun echtscheiding[243] een tiental jaren later bleef Cicero van Terentia verwachten dat ze haar beide kinderen in haar testament zou opnemen. Na Tullia’s overlijden in 45 v.C. liet hij zijn ex-vrouw verstaan dat ze haar kleinzoon Lentulus recht zou doen door hem in haar testament op te nemen, net zoals hij in zijn eigen testament gedaan had.

         Het was mogelijk dat men om diverse redenen zijn of haar testament diende te veranderen. In feite was daar zelfs geen reden voor nodig. Het kwam dus voor dat iemand voor hij of zij kwam te overlijden meer dan één testament had opgesteld. Terentia verkeerde in dat geval. In 47 v.C. reageerde Cicero furieus toen hem ter ore kwam dat Terentia haar testament gewijzigd had[244]. De reden van zijn uitbarsting is ons niet bekend. Waarschijnlijk had dit te maken met de slechte financiële situatie waarin hun dochter Tullia zich bevond. Terentia had zich zeer geheimzinnig gedragen over de inhoud van haar testament en de getuigen[245] die bij het opmaken ervan aanwezig waren. Cicero verweet haar zich allesbehalve plichtsbewust te hebben gedragen. Hij vreesde dat het gewijzigde testament de situatie enkel zou verergeren, naar wij vermoeden omdat Tullia niet meer voorkwam in het testament van haar moeder. In de hoop alles nog ten goede te kunnen keren, riep Cicero de hulp in van Atticus. Achteraf bekeken had Cicero zich zorgen om niets gemaakt maar hij kon niet weten dat Terentia hen allen zou overleven en pas op de indrukwekkende leeftijd van 103 jaar[246] zou overlijden.

         Bij een intestaat[247] overlijden werd de hele erfopvolging overhoop gehaald. Kwam een moeder te overlijden zonder een rechtsgeldig testament, dan ging haar bezit in eerste instantie naar haar agnaten. Waren er geen agnaten, dan ging de erfenis volgens het praetorisch edict naar haar cognaten[248], waartoe ook kinderen en kleinkinderen gerekend werden. De laatste in de lijn van intestate erfopvolging was de echtgenoot. Indien Terentia ab intestato overleed, zou haar erfenis in eerste instantie naar haar agnaten gaan. Een moeder kon echter geen agnatische verwantschap doorgeven. Haar broers en neven langs vaderskant waren haar proximi agnati. We weten niet of er nog agnati van Terentia in leven waren. Indien niet ging haar erfenis naar cognaten. Haar zoon Marcus en kleinzoon Lentulus zullen zeker niet haar enige cognaten geweest zijn, maar zij stonden wel het dichtste bij Terentia. De claim van Marcus zou prioritair geweest zijn op die van Lentulus omdat hij als zoon van de overledene cognatus in de eerste graad was en Lentulus als kleinzoon pas in de tweede graad. Terentia had voor zover bekend geen zussen die nog in leven waren en hun erfdeel konden opeisen. Ze had wel nog een halfzus, Fabia, een Vestaalse maagd, maar binnen de groep van cognaten volgde zij pas na Terentia’s eigen kinderen.

         Nergens wordt het testament van Terentia betwist. Ze zal dus voldaan hebben aan de voorwaarden die aan vrouwen werden opgelegd. Het was de bedoeling dat haar erfenis naar één of meerdere verwanten zou gaan. Haar (ex)echtgenoot Cicero had haar meermaals op de correctheid van deze manier van handelen gewezen. De testamentaire geschiedenis van Terentia toont aan dat men de mogelijkheid had het reeds opgestelde testament te wijzigen en het de gewoonte was het testament op te maken in aanwezigheid van getuigen, veelal vrienden.

 

         Publilia maakte niet lang deel uit van Cicero’s leven. Hij vermeldde dan ook nergens wat met haar nalatenschap gebeurde bij haar overlijden. Had ze een testament nagelaten? Wie waren haar testamentaire of ab intestato erfgenamen? Op deze vragen moeten we het antwoord schuldig blijven.

 

         Een welstellende dame zoals Pomponia zal bij haar overlijden een aanzienlijk vermogen nagelaten hebben. Na haar scheiding van Quintus Tullius Cicero verdween ze echter niet alleen uit zijn leven maar ook uit het leven en de brieven van Cicero. Bijgevolg weten we niet wie haar vermogen erfde en of ze een testament gemaakt had.

 

         Over het leven van Caerellia is bijna niets geweten, zelfs haar geboorte- en sterfdatum zijn onbekend. Bijgevolg zijn er ook geen gegevens terug te vinden over haar nalatenschap en eventuele testament.

 

         Ook over de nalatenschap van Clodia ontbreken gegevens. De omvang van haar vermogen indachtig zal ze bij haar overlijden een grote erfenis nagelaten hebben. We weten echter niet op welke manier, via een testament of ab intestato, de erfenis verdeeld werd en wie de erfgenamen waren.

 

         Tullia was niet bij machte een erfenis na te laten. Ze voldeed immers niet aan alle voorwaarden voor testamenti factio. Tullia was weliswaar volwassen en in het bezit van het Romeins burgerrecht, maar het feit dat ze filiafamilias was tot de dag dat ze overleed, maakte het onmogelijk om aan de andere voorwaarden te voldoen. Ze was geen persona sui iuris die capitis deminutio minima had ondergaan en onder de voogdij van een tutor stond.

 

         Hoewel slechts van één van de hier behandelde vrouwen met zekerheid geweten is dat ze een testament had opgesteld, is het toch duidelijk dat het op het einde van de republiek gebruikelijk was voor vrouwen uit de hoogste klasse om een testament te maken.De algemene opinie verwachtte van haar, zoals van de vader, een plichtsbewust en rechtvaardig testament waarin haar kinderen tenminste een prominente rol speelden. Deze visie was niet enkel bepaald door de plaats die een vrouw innam in de lijn van intestate erfopvolging. Men beschouwde dit evenzeer als “the right thing to do”. Indien een zoon of dochter toch van mening was dat hij of zij ten onrechte geen of een te klein erfdeel had gekregen, dan kon hij of zij het testament door middel van querela inofficiosa aanvechten. Het testamentair respect gold ook omgekeerd: volwassen kinderen die een testament opmaakten, dienden de gepaste eerbied jegens hun ouders te betonen want ook zij konden het testament van hun kinderen aanvechten. Het ontbreken van informatie over het al dan niet opstellen van een testament staat niet noodzakelijk gelijk met het ontbreken van een testament. Het is dus zeer goed mogelijk dat behalve Terentia, ook Publilia, Pomponia, Caerellia en Clodia een testament hadden opgesteld.

 

 

2. Bronnen van inkomsten

 

2.1 Economische activiteiten

 

Waren vrouwen uit de hoogste klasse actief op economisch vlak? Zo ja, op welke terreinen situeerde die activiteit zich en in welke mate waren ze actief? Op deze vragen trachten we hier een antwoord te formuleren.

         Vrouwen uit de hoogste klasse namen inderdaad actief deel aan het economisch leven. Velen onder hen lieten zich in met een bepaalde vorm van landbouw. Hun omvangrijke bezittingen bestonden ondermeer uit landbouwgronden, plantages en landgoederen. Een landgoed omvatte behalve één of meerdere boerderijen vaak ook gronden en weiden. De dames stonden, persoonlijk of met de hulp van een beheerder, in voor het beheer. De bewerking verpachtten ze aan anderen.

 

         Terentia telde onder haar bezittingen tenminste één landgoed in de buurt van Tusculum. Op het landgoed[249] bevonden zich een bos en heuvel. De functie van de laatste staat nergens duidelijk omschreven. Het bos kon voor niet veel anders gediend hebben dan voor houtwinning. Overeenkomstig haar status zal Terentia de werkzaamheden in het bos verpacht hebben aan arbeiders. Wat ze met de heuvel en eventuele andere delen van dit landgoed deed weten we niet daar de functie van de heuvel en verdere samenstelling van het landgoed onbekend zijn. Terentia had nog andere bezittingen buiten de stad, bijvoorbeeld publieke gronden[250]. Ook hiervan is de functie ons onbekend. Behalve van onroerend goed buiten de stad was ze tevens eigenares van stedelijk vastgoed[251]. Hieronder verstaan we huizenblokken of vici. Zo’n huizenblok, ook wel huurkazerne genaamd, bestond uit een aantal kleine appartementen die aan soms schandalige prijzen verhuurd werden. Veel comfort was er niet en het lawaai en de last van de buren moest men erbij nemen. Eigenaars die echt van kwade wil waren, keken zelfs niet om naar de toestand van het gebouw zodat hun huurders eerder in een krot dan in een appartement leefden. De bewoners van dergelijke appartementen, voor zover we deze term mogen gebruiken, kwamen uit de lagere sociale klassen en konden zich zelden of nooit meer permitteren dan enkele kamers in een vicus. Van de huurhuizen die Terentia in haar bruidsschat had meegebracht weten we dat ze verhuurd werden. Hieruit leiden we af dat hetzelfde gebeurde met de huurhuizen waarvan ze eigenares was. Elke vorm van inkomsten was welkom, ook voor leden uit de hoogste klasse. Hun levenswijze vroeg om een groot kapitaal en velen onder hen hadden schulden die ze moesten afbetalen.

 

         Onze onwetendheid over de samenstelling van het vermogen van Publilia maakt het ook hier onmogelijk concrete antwoorden te geven. Vele welstellende dames bezaten één of meer fundi en/of landbouwgronden, plantages en bossen die ze verpachtten. Diverse vrouwen waren tevens in het bezit van vastgoed dat ze verhuurden. De kans is groot dat ook Publilia haar inkomsten haalde uit de landbouwsector zoals de meeste dames uit haar sociale klasse en ze eventueel ook actief was in de vastgoedsector. Zeker zijn we hierover echter niet.

 

         Ook over de economische activiteiten van Pomponia verkeren we in het ongewisse. We kunnen enkel vermoeden dat ook zij economisch actief was, al weten we niet op welk gebied dat zou geweest zijn. Een zeer aannemelijke veronderstelling is dat ze inkomsten puurde uit landbouwactiviteiten.

 

         Caerellia had in Asia ondermeer een landgoed en gronden geërfd[252]. Van andere vrouwen is geweten dat ze de gronden en eventueel bijhorende boerderijen aan landbouwers verpachtten. Men zou aannemen dat dit ook bij Caerellia het geval was, maar daar ligt net het probleem. We weten niet of ze deze activiteit voortzette en dus actief was in de landbouw. Vermoedelijk was Caerellia ook actief in de vastgoedsector. Welstellende burgers die huizen of huizenblokken – ook wel huurkazernes genaamd – bezaten in de stad, verhuurden deze aan aan anderen. Zelf gingen ze dan in een huis aan de rand van de stad wonen of in het grootste en mooiste huis dat ze in de stad bezaten. In Rome stonden er tal van dergelijke huurhuizen en –kazernes. Vermoedelijk waren de huizen waarvan Caerellia medeëigernaar was ook verhuurd[253] en verwierf zij aldus ook op deze manier een deel van haar inkomsten.

         We kunnen wel met zekerheid zeggen dat Caerellia actief was als geldschieter. Ze leende al dan niet tegen intrest geld aan wie het nodig had. Eén van haar schuldenaars was Cicero[254]. Regelmatig kampte hij met geldtekort. Caerellia was één van zijn vrienden op wie hij regelmatig beroep deed om geld te lenen. In 45 v.C. nog voor de maand mei leende Cicero geld bij haar. Zowel zijn vriend Atticus als zijn vrijgelatene Tiro keurden dit af omdat de schuldenaar een gehuwde vrouw was terwijl er ontelbare andere bronnen waren waar hij geld kon lenen. Zelf zag Cicero geen graten in het feit dat hij geld leende van een vrouw met wie hij een hechte vriendschappelijke en zakelijke band had. Hij zou het geld wel terugbetalen zodra Meto en Faberius hem terugbetaald hadden. Caerellia was mogelijk ook één van de schuldeisers van de vele Aziatische steden die schulden hadden[255]. Uitzonderlijk was dit niet. Vele steden in binnen – en vooral in buitenland kampten met torenhoge schulden. Daar professionele bankiers vaak zeer hoge intresten vroegen, zochten ze naar andere geldbronnen. Op die manier kwamen de steden terecht bij privépersonen die ook intrest vroegen maar niet zo hoog als de bankiers.

 

         Eén van de weinige – zoniet de enige – economische activiteit die aan Clodia kon worden toegeschreven, was de mogelijke verkoop van haar tuinen aan de oevers van de Tiber. De kandidaat-koper was Cicero. Hij zocht een geschikte plaats om zijn oude dag te slijten. Maar nog belangrijker was zijn zoektocht naar een plaats waar hij een heiligdom voor zijn overleden dochter Tullia kon oprichten. Cicero is hierbij niet over één nacht ijs gegaan. Zijn zoektocht[256] leidde hem om te beginnen langs de tuinen van Drusus, Lamia en Cassius. Vervolgens overwoog hij het bezit van Lucius Aurelius Cotta nabij Ostia en dat van ene Damasippus. Maar geen enkel domein genoot zijn volledige goedkeuring. De tocht ging verder langs de tuinen van Mercus Livius Drusus Claudianus en die van een zekere Silius. Beiden genoten de voorlopige voorkeur van Cicero, met een lichte voorsprong voor de tuinen van Silius. De onderhandelingen sprongen echter af. Het domein van Titus Quinctius Scapula was ideaal maar opnieuw draaide het op niets uit. Uiteindelijk bleven zijn eigen bezit in Tusculum, het domein van Trebonius, Marcus Cusinius en Rebilus en de tuinen van Clodia over. Cicero neigde het meeste naar de tuinen van Clodia[257] hoewel het domein van Scapula zijn absolute voorkeur bleef genieten. Er rees echter twijfel of Clodia wel wou verkopen en haar afwezigheid uit Rome schoof de onderhandelingen op de lange baan. De mogelijkheid bestaat dat Cicero uiteindelijk toch de tuinen van Clodia aangekocht heeft.

 

         Tullia’s peculium bestond ondermeer uit praedii. Dit konden zowel percelen grond, landgoederen als boerderijen zijn. Wat het ook mag geweest zijn, zeker is dat Tullia er libera administratio over had. Kortom zij was verantwoordelijk voor het beheer. De opbrengst diende om in haar dagelijkse behoeften te voorzien. Het is duidelijk dat ook Tullia actief was op landbouwgebied.