| De Catalaanse Communistische Partij (PSUC) en het hervormingsproces van franquisme naar democratie in Catalonië (1971-1977). (Bart Grugeon) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Tijdens mijn Erasmusjaar in Madrid kwam ik in contact met de Spaanse geschiedenis. De bewogen periode van de crisis van het franquisme leek me erg boeiend. Professor Carles Santacana van de Universitat Autònoma van Barcelona vertelde me dat er over deze periode weinig onderzoek was gedaan. Over de communistische partij in Catalonië, de Partit Socialista Unificat de Catalunya (PSUC), was er geen historisch werk gepubliceerd. In het kader van mijn licenciaatsverhandeling leek het me daarom een ideale gelegenheid om deze lacune in de historiografie over Catalonië te kunnen opvullen. Professor Lamberts en Peter Van Kemseke waren bereid om me hierin te begeleiden.
Hoe reageerde de PSUC op de evolutie van een gesloten naar een open politiek systeem? Welke positie nam ze in tijdens de overgang van de dictatuur naar de democratie in Catalonië? Hoe benaderde ze de crisisjaren van de dictatuur? Hoe reageerde de partij op het toegenomen verzet van de bevolking en op de repressieve opstelling van het regime? Wilde ze het revolutionaire klimaat gebruiken om haar socialistische revolutie door te voeren? Zag ze in het revolutionaire klimaat misschien een aankondiging van de grotere socialistische revolutie? Of was het de eerste bekommernis van de communistische partij om een einde te maken aan de dictatuur en was de revolutionaire idee minder belangrijk? Paste ze haar standpunten aan naarmate de val van de dictatuur waarschijnlijker werd? Bleef de PSUC zich even radicaal opstellen of werd ze pragmatischer? Waarom was ze uiteindelijk bereid om als gewone politieke partij aan de verkiezingen deel te nemen?
Hoewel de PSUC tijdens de jaren 1970 door de volksmond ging als “dé partij” en ze de clandestiene partij was met de sterkste aanhang onder de bevolking, is er geen specifiek historisch onderzoek over gedaan. De historische literatuur over de jaren 1970 in Catalonië is ook erg beperkt. Er bestaan talrijke overzichtswerken van het franquisme maar gedetailleerd onderzoek over de verschillende partijen van de oppositie, of over de maatschappelijke groepen die in verzet kwamen, bestaat er nauwelijks of is erg onvolledig. Daarom is er ruime aandacht voor de historische context om ook hier de leemte in de historiografie op te vangen.
De verhandeling is opgebouwd in vier delen. In deel 1 wordt in een algemene inleiding de geschiedenis van het franquistische systeem uitgelegd. De oorzaken van de crisis van het regime worden toegelicht: de verschillende sociale groepen die geleidelijk in botsing kwamen met de beperkingen van het autoritaire systeem worden voorgesteld. Vanaf het einde van de jaren 1960 braken er in Spanje met steeds grotere regelmaat protestacties uit. Vooral de arbeidersacties waren belangwekkend, maar ook studenten kwamen in opstand tegen het repressieve regime van Franco. In Barcelona organiseerden buren zich in comités om verandering te brengen in de armoedige woonomstandigheden. Ten slotte wordt de actieve rol van de PSUC uitgelegd om deze initiatieven te coördineren.
Het eigenlijke onderzoek vat aan in 1971 met deel 2. De PSUC was toen als clandestiene oppositiepartij volop bezig met de uitbouw van haar contacten in haar poging om een brede massabeweging tegen de dictatuur op gang te brengen. De oprichting in 1971 van de Assemblea de Catalunya, een overlegplatform van alle krachten van de oppositie, betekende voor de PSUC een belangrijke stap in die richting. Bovendien sloeg het regime voorgoed de weg van de repressie in met het proces van Burgos in december 1970. In de loop van de jaren 1970 breidde het verzet van de bevolking uit. De PSUC interpreteerde de toegenomen acties als een voorteken van een algemene mobilisatie van de bevolking die de dictatuur ten val zou brengen. Ze meende dat de arbeiders, de studenten en de burenverenigingen in hun acties ook de bedoeling hadden om op een dag allemaal samen één massamobilisatie te organiseren. Ze spoorde aan om de acties uit te breiden en schreef zichzelf hierin een belangrijke rol toe. De PSUC was in deze periode een revolutionaire partij die als doel had de dictatuur omver te werpen. De uiteindelijke verwezenlijking van het partijprogramma, de instelling van een socialistische maatschappij, kwam op de tweede plaats te staan.
Deel 3 behandelt de periode 1974-1976. De PSUC stelde zich veel pragmatischer op. Met de intrede van de economische crisis en de aanslag op de eerste minister werd de val van het regime plots waarschijnlijker. De partij groeide sterk in aanhang en stelde zich open naar een publiek van de middenklasse. Ze besteedde nu erg veel aandacht aan de gevolgen van de economische crisis en aan het falende beleid van de regering. De uitbreiding van het maatschappelijke verzet werd objectiever bericht en de politieke ontwikkelingen werden met meer nauwgezetheid gevolgd. Ze stelde haar hoop in de organisatie van de verschillende partijen van de oppositie. Na de dood van de dictator nam het onrustige klimaat sterk toe en zag de partij dat een opening van het regime naar de democratie niet langer kon uitblijven. Ze hoopte op de kracht van een massamobilisatie van de bevolking om het regime ten val te brengen.
In deel 4 wordt de houding van de PSUC besproken tegenover het transitieproces dat door de nieuwe premier Suárez werd geleid vanaf juni 1976. De partij weigerde te aanvaarden dat het regime van bovenaf werd hervormd en bleef streven naar een grondwettelijke breuk. Ze rekende erop dat de oppositiepartijen voldoende eensgezind en krachtig waren om de regering tot aftreden te dwingen. Door middel van een referendum werd de goedkeuring van de bevolking gewonnen voor het hervormingsvoorstel van de regering. De PSUC legde zich zoals alle andere oppositiepartijen neer bij de uitslag en bereidde zich voor op de verkiezingen als een beleidspartij zoals alle andere. Na haar legalisering behaalde de partij op 15 juni 1977 achttien percent van de stemmen en daarmee werd ze de tweede politieke partij van Catalonië.
Het onderzoek is gebaseerd op het clandestiene tijdschrift van de partij “Treball”. De jaargangen van 1971 tot en met juni 1977 werden geraadpleegd. Het tijdschrift werd tot in 1971 maandelijks uitgegeven, vanaf 1972 verscheen het om de twee weken en vanaf 1977 was er iedere week een editie. Het tijdschrift bevindt zich in het archief CEHI in Barcelona, het “Centre d’Estudis Històrics Internacional”, dat afhankelijk is van de “Universitat Central de Barcelona”. De artikels werden omwille van de clandestiniteit nooit ondertekend. Het standpunt van de partij werd in het onderzoek gelijkgesteld aan de opinie van “Treball”. Daarmee wordt verondersteld dat de standpunten van de auteurs overeenkwamen met de ideeën die er heersten binnen het partijbureau.
Het bronnenmateriaal werd aangevuld met de mémoires van de secretaris-generaal van de partij, Gregorio López Raimundo, en met deze van een lid van het centrale comité van de PSUC, Jordi Solé Tura. Een publicatie van de partij uit 1986 met dagboekfragmenten van militanten over het leven in de partij werd eveneens geraadpleegd. Mémoires neigen er weliswaar toe een subjectieve voorstelling te geven van de feiten en trachten het optreden van de auteur vaak te verheerlijken. Ze werden hierom als een aanvullende bron van informatie gebruikt en werden met de nodige historische kritiek benaderd.
Er werden enkele interviews afgenomen. Andreu Mayayo was lid van het centrale comité vanaf 1974. Ferràn Gallego was militant bij “Bandera Roja”, een clandestiene maoïstische partij, en sloot zich in 1974 bij de PSUC aan toen beide partijen fusioneerden. Ook een uitgegeven interview met Gregorio López Raimundo werd gebruikt. Bij het verwerken van de informatie van de interviews werd ermee rekening gehouden dat interviews een erg selectief beeld geven van de gebeurtenissen en dat de geïnterviewde zichzelf en zijn partij in een goed daglicht wenst te plaatsen.
Over de interne werking van de partij was helaas geen informatie beschikbaar. De partijarchieven van de PSUC bevinden zich in het “Arxiu Nacional de Catalunya”, maar tijdens mijn verblijf in Barcelona waren deze niet toegankelijk.
De historische literatuur over de PSUC is erg beperkt. Carlos Santacana, de contactprofessor in Barcelona, bevestigde dit. Het enige werk over de partij is dit van Carme Cebrian uit 1997. Als vroegere partijmilitante en als antropologe schreef ze een erg subjectieve partijgeschiedenis op basis van interviews en met een beperkte raadpleging van bronnenmateriaal. Het is voor dit onderzoek weinig van pas gekomen.
Ook de historische literatuur over deze periode van het franquisme in Catalonië is schaars en niet erg recent. Het overzichtswerk van de “Història de Catalunya” uit 1994 vormde een erg degelijke basisreferentie, terwijl de oudere werken van Paul Preston, “The Triumph of Democracy in Spain” en “Spain in Crisis” een duidelijke structuur boden. De artikels in de “Historia de España. Siglo XX” uit 1999 vormden een recente aanvulling. Voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging kon worden teruggevallen op enkele betrouwbare historische werken, in de eerste plaats dit van Sebastian Balfour. Over de studentenbeweging is de literatuur zo goed als onbestaande. Van de oppositiepartijen bestaan geen overzichtswerken. Enkele recente tijdschriftartikelen konden de hiaten vullen over de organisatie van de “burenorganisaties” of over de Assemblea de Catalunya.
Ten slotte wil ik professor Lamberts bedanken voor de begeleiding van mijn licenciaatsverhandeling. Ook zijn assistent, Peter Van Kemseke, wil ik heel erg bedanken voor zijn raad en zijn geduld. Dank ook aan iedereen die mij gesteund heeft tijdens het onderzoek, in de eerste plaats mijn ouders.
DEEL 1 : HET FRANQUISME EN DE PSUC. 1939-1970
1. De instelling en de organisatie van een autarkische totalitaire staat onder Franco, 1939-1951
De centrale functie van het regime van Franco was de overwinning van de ‘Nacionales’ tijdens de burgeroorlog te institutionaliseren. De oorlog was ontstaan na een militaire opstand op 18 juli 1936 en bracht een coalitie samen van behoudsgezinde krachten die hun belangen wilden beschermen tegen een reeks hervormingen die de regering van de Tweede Republiek wilde doorvoeren.
Spanje was in 1930 een agrarisch land. In het zuiden functioneerde een systeem van grootgrondbezit en cliëntelisme waarbij enkele machtige families hele provincies bezaten en arbeiders op hun landerijen lieten werken. In de regio’s met een beperkte industrialisering, zoals Baskenland en Catalonië, lag het kapitaal geconcentreerd in de handen van een in de negentiende eeuw ontstane industriële bourgeoisie. De regering van de Tweede Republiek stuurde aan op een landhervorming en op een evenwichtigere spreiding van de belastingsdruk.
Tijdens de burgeroorlog hadden verschillende conservatieve groepen zich verenigd als de ‘Nacionales’, de krachten voor het herstel van de nationale eenheid en tegen het communisme, socialisme, liberalisme, democratisch pluralisme of iedere vorm van regionaal zelfbestuur. De grootgrondbezitters wilden de bestaande bezitsstructuren behouden zien. De kapitaalkrachtige families wensten hun controle over de economie en het bankwezen te garanderen zonder tussenkomst van de vakbonden. Het leger verzette zich tegen de bedreiging van het verlies van nationale eenheid. De Kerk zag in de hervormingen haar ideologische hegemonie bedreigd. Al deze krachten droegen bij tot de oorlogsinspanning van generaal Franco, financieel, militair of ideologisch. Daarin werden ze gevolgd door een brede middenklasse die om verschillende redenen haar steun verleende aan deze alliantie, zowel om toevallige geografische motieven als door overtuiging of door opportunisme[1].
Onder het pas ingestelde regime werden al deze ‘families’ van een plaats in het machtsapparaat voorzien. Generaal Franco kende elk van hen een ministerie toe dat ze dan meestal als concurrerende clans en zonder gemeenschappelijk programma bevolkten. Op die manier verzekerde Franco er zich ook van dat geen enkele familie te machtig werd. Deze verschillende families waren de politieke vertegenwoordigers van de Kerk, van het leger, de Falange, de monarchisten en de technocraten.
In de regeringen van de jaren 1940 was de Falange sterk vertegenwoordigd. Tot het verlies van de Centrale As-mogendheden op het einde van de Tweede Wereldoorlog droomde deze van de instelling van een totalitaire, imperialistische één-partij-staat. Vanaf de jaren 1950 verminderde de fascistische ideologische invloed van de Falange en werd ze steeds meer bemand door ambitieuze bureaucraten die carrière wilden maken in de overheidsinstellingen.
In de eerste regeringen van Franco kreeg het Falangistische project tegenwind van de monarchisten, de sterkste sociale groep van landeigenaars, bankiers en industriëlen die het bestuur van Franco enkel als een tijdelijke situatie erkenden in afwachting van het herstel van de monarchie. Franco deed alle inspanningen om toch hun erkenning te krijgen.
De steun van het leger en de politie bleef fundamenteel voor het behoud van de publieke orde. In de regeringen werden steeds hoge militairen opgenomen, soms zelfs voor belangrijke posten zoals voor het ministerie van binnenlandse zaken.
De oude alliantie tussen Kerk en staat werd opnieuw hersteld onder Franco. Terwijl de Kerk tijdens de jaren 1940 aan een nieuwe missionering van Spanje werkte, kon het regime rekenen op haar steun voor de legitimering van de nieuwe staat. De elitistische organisatie van Opus Dei begon aan haar infiltratie in de structuren van de Katholieke Kerk en zo ook in deze van het regime. Vooral vanaf de jaren 1960 zou ze haar stempel op het beleid kunnen drukken.
Geleidelijk groeide het politieke systeem uit met een constitutie en verschillende overheidsinstellingen tot een ‘organische democratie’ die via allerlei corporativistische organen de belangen van de hele gemeenschap meende te vertegenwoordigen en niet de som was van de individuele belangen zoals in een ”ordinaire” democratie. Zo bijvoorbeeld was er één officiële vakbond die een einde moest maken aan de conflicten tussen de vakbonden en de fabrieksbazen tijdens de periode van de Tweede Republiek[2].
De tegenstellingen van de burgeroorlog werkten door in de legitimering van het regime. Volgens de officiële retoriek was Spanje door de ‘Nacionales’ bevrijd van de ‘marteling’ van het liberalisme, en was het nog steeds omsingeld door een ‘geheime samenzwering‘ van communisten en vrijmetselaars.
Het regime stond internationaal geïsoleerd. Franco was nooit officieel met Hitler tot een samenwerkingsakkoord gekomen tijdens de oorlog maar had enkel troepen gestuurd naar het oostfront in de strijd tegen het communisme. De fascistische staat werd echter uitgesloten bij de oprichting van de UNO en Frankrijk sluitte haar grens aan de Pyreneëen af. Tijdens de opkomende Koude Oorlog waren de geallieerden niet bereid om opnieuw een oorlog te beginnen, die dan de Republikeinse regering in ballingschap onder leiding van de communisten aan de macht zou brengen. Het regime van Franco werd met rust gelaten door de Europese landen die in de eerste plaats aan hun eigen wederopbouw dachten.
Dat is ook waaraan Franco dacht tijdens de jaren 1940. Het regime sloot zich op achter hoge tariefmuren als een zelfvoorzienende economie met een hoge graad van staatstussenkomst en met een programma van massale importsubstituties. In tegenstelling tot de andere Europese landen die ook op protectionisme terugvielen om hun wederopbouw te garanderen, werd autarkie in Spanje gezien als een permanente toestand voor een imperialistische militaire staat. Het gevolg was dat Spanje verpauperde. Het werkloze deel van de stadsbevolking was genoodzaakt om terug naar het platteland te trekken om er een zelfvoorzienend bestaan te leiden. De regularisering van de graanprijzen deed een zwarte markt ontstaan en kon de hongersterfte niet verdringen[3].
De hoop van de Republikeinse partijen om de verwezelijkingen van de ‘Nacionales’ ongedaan te maken werd steeds utopischer. Tussen 1939 en 1950 werden naar schatting tweehonderd duizend mensen terechtgesteld en het dubbele aantal gevangengenomen. De bevolking was de oorlog moe en dacht in haar ellende niet meer aan een nieuwe revolutionaire strijd. Na de afwijzing door de geallieerden van het verzoek om steun van de Republikeinse regering in ballinschap raakten de oppositiepartijen verdeeld en verdwaalden ze in theoretische discussies. De guerrillastrijd van de ‘Maquis’ die vanuit de Pyreneeën invasies deden tot diep in het binnnenland waren de laatste wanhoopspogingen om de gevestigde dictatuur toch nog te treffen. Ze werden hard aangepakt door de ‘Guardia Civil’ en konden niet op de sympathie rekenen van de bevolking. Tegen het einde van de jaren 1940 was de sfeer onder de bevolking pessimistisch en ellendig[4].
2. De geleidelijke industrialisering van de autarkische staat, 1951-1959
Met de nieuwe regering van 1951 werd de strikt autarkische en voornamelijk agrarische economische koers geleidelijk verlaten en werd een begin gemaakt van economische liberalisering en industrialisering. Er kwam ook een voorzichtige politieke opening van de dictatuur. De Falangisten werden ministerposten ontzegd ten voordele van monarchisten en vertegenwoordigers van de Kerk die een zekere liberalisering voorstonden. Zo stond de katholieke minister van onderwijs Joaquín Ruíz Giménez de studenten van Madrid toe om een nationaal congres te organiseren, los van de organisatie van de Falange. Hij lokte hiermee verontwaardiging uit van de Falange en werd door Franco teruggefloten. Ook werden op het einde van de jaren 1950 de arbeidersrelaties versoepeld.
De economische liberalisering kwam er omdat het autarkische systeem volledig faalde. In 1950 was de graanproduktie, die veertig percent van alle bebouwde landbouwgrond innam, nog steeds onder het niveau van 1930. Om grotere hongersnood te vermijden werden graanprodukten massaal geïmporteerd. Via de overheidsholding ‘Instituto Nacional de Industria’ werd de industrialisering verder aangewakkerd. Investeringen in de basisindustrie, zoals staal, energie en auto’s, werden door de overheid gesubsidieerd en soms vervingen ze zelfs volledig de particuliere investeringen. De staatstussenkomst op de economie werd in het algemeen echter verzwakt. Zo werden importlicenties nu veel gemakkelijker toegekend. Er kwamen ook akkoorden met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk tot afbouw van de tariefmuren. De nieuwe politieke oriëntering kende succes. De industriële produktie verdubbelde bijna tussen 1950 en 1957 en het overwicht van de landbouw op de economie nam af. In 1951 maakte ze nog veertig percent uit van het nationaal inkomen, in 1957 nog slechts vijfentwintig percent. Het nationaal inkomen nam toe met zes percent per jaar. De rantsoenering van brood werd opgeheven vanaf 1952.
Naarmate de industrie groeide, nam ook de vraag naar grondstoffen en kapitaalgoederen toe. Deze moesten worden geïmporteerd, maar met de export van fruit of van enkele industriële produkten alleen werden niet voldoende deviezen binnengehaald. De betalingsbalans van Spanje verslechterde. Vanaf 1957 bevond de staat zich aan de rand van het bankroet. De import kon niet meer worden gefinancierd en de inflatie steeg tot boven de vijftien percent. Het regime moest kiezen tussen een verdere liberalisering of een drastische terugval van het levensniveau[5].
De vestiging van de franquistische dictatuur werd het de verdwijnen van de laatste guerrillastrijders in het begin van de jaren 1950 door niemand meer aangevochten. De oppositiepartijen raakten het noorden kwijt. De partijleiding in ballingschap miste de voeling met de veranderingen in het binnenland. De socialisten van de PSOE raakten met hun verouderde partijleiding volledig geïsoleerd. De monarchisten verdwenen als oppositiegroep en conformeerden zich aan de nieuwe bewindsvoerder. De communisten van de PCE weigerden hun doctrine aan te passen aan de hervormingen van de maatschappij. Zij weigerden te zien dat het regime brede lagen van de bevolking aan zich kon binden en ze bleven geloven dat de franquisten een kleine oligarchische groep was die de rest van het land uitbuitte. Om deze groep omver te werpen moest de rest van het land tegen haar worden samengebracht. Deze idee werd samengevat in de in 1956 afgekondigde ‘politiek van nationale verzoening’. Er moest een breed front van alle oppositiegroepen tegen de dictatuur worden georganiseerd. De exclusieve rol van de communisten werd dus gerelativeerd. Aan het socialistische eindresultaat werd voorlopig minder belang gehecht.
De contestatie van het regime was erg beperkt in deze periode van maatschappelijke veranderingen en harde repressie. De distributie van revolutionaire pamfletten of kranten door de communisten was bijvoorbeeld een enorme taak. Meer spectaculaire maar alleszins weinig effectieve acties kwamen er van anarchistische groeperingen die een stadsguerrilla wilden organiseren in Barcelona. Hun muurschilderingen of politieprovocaties werden met zware straffen beantwoord. De belangrijkste protestacties waren deze die niet door de clandestiene politieke partijen werden georganiseerd, maar die spontaan ontstonden door de arbeiders die voorzichtig in opstand kwamen tegen de inflatie en de achterblijvende loonstijgingen. Zo protesteerden de arbeiders van Barcelona in 1951 bijvoorbeeld tegen een verhoging van de tramtarieven door massaal het gebruik van het openbaar vervoer te boycotten tot de overheidsbeslissing ongedaan werd gemaakt[6]. In 1956 kwam een groep van arbeiders van Tarrasa, een industriestad buiten Barcelona, spontaan de straat op tijdens een korte actie voor een vermindering van de belastingen en een stijging van het minimumloon. Hoewel het regime een communistische samenzwering scheen te herkennen in deze acties, bleek er helemaal geen permanente organisatie achter dit soort acties te zitten[7].
Arbeidsonderhandelingen bleven tot het einde van de jaren 1950 gemonopoliseerd door de officiële vakbond, de ‘Organización Sindical de España’, die onder controle stond van de Falange. Het ministerie van arbeid controleerde en centraliseerde beslissingen omtrent arbeidsvoorwaarden en loonsverhogingen. Op het einde van de jaren 1950 werd dit systeem versoepeld, zoals paste in de politiek van liberalisering. Door de invoering van de ‘collectieve onderhandelingen’ werd aan de bedrijven een grotere bevoegdheid gegeven om afspraken te maken met de arbeiders over de lonen. De onderhandelingen gebeurden echter nog steeds binnen de structuren van de officiële vakbond. Op het einde van de jaren 1950 organiseerden de arbeiders zich enkel in ‘overlegplatformen’ op het ogenblik dat er tot een akkoord moest worden gekomen met de directie en nadien verdween de samenwerking. Op termijn gaf deze opening in de wetgeving de arbeiders echter de mogelijkheid om direct in confrontatie te komen met de werkgevers, zonder telkens de omweg te moeten maken langs de officiële vakbond[8].
Naar het einde van de jaren 1950 was het maatschappijbeeld geleidelijk veranderd. Door de industrialisering was de verstedelijking toegenomen. Het deel van de bevolking dat werkzaam was in de landbouw, verminderde. De financiële en industriële stedelijke kapitaalbezittende groepen wonnen hierbij aan invloed ten nadele van de oude families van grootgrondbezitters. Ze vonden in de regeringskringen vertegenwoordiging in de technocratische ministers[9].
3. De economische boom en de maatschappelijke transformatie, 1959-1969
In de nieuwe regering van 1957 waren de technocraten van het Opus Dei sterk vertegenwoordigd. Ze beschikten over belangrijke ministerportefeuilles zoals deze van financiën, handel, buitenlandse handel en van industriële planning. Ze hadden nauwe contacten met de financiële wereld die bij hen bleef aandringen op een verdere liberalisering van het economisch systeem. Hiervoor moesten ze echter groen licht krijgen van het Pardo, het paleis van Franco waar ook de regering zetelde. Die goedkeuring lag niet voor de hand, want het ging lijnrecht in tegen het autarkische maatschappijmodel dat de Falangistische vertegenwoordigers in de regering op het oog hadden.
Naar het einde van de jaren 1950 drong er zich echter een beslissing op. De waarde van de peseta daalde fors op de internationale geldmarkt en de inflatie lokte stakingen uit. De optie om Spanje te isoleren van de Europese markt die op dat moment een spectaculaire economische groei doormaakte schrok de Caudillo af. Hij wilde immers af van het imago van het onderontwikkelde Spanje en wilde de welvaartskloof met Europa dichten. In het voorjaar van 1959 werd dan het ‘Stabilisatieplan’ goedgekeurd, mee opgesteld door het IMF en de OESO. Het was erop gericht de Spaanse economie in te schakelen in de internationale vrije markt en zo Spanje dezelfde economische groei te bezorgen als de andere West-Europese landen. Door een scherpe deflatoire politiek moest op korte tijd de inflatie worden teruggedrongen en de prijsstabiliteit gegarandeerd, en tegelijkertijd zou de waarde van de peseta stabiel worden.
De economische recessie die gepaard ging met de deflatoire politiek, zorgde voor een ongeziene stakingsbeweging over het hele land in 1962. Vanaf 1961 was de economie zich echter langzaam aan het herstellen met een gemiddelde jaarlijkse groei van zes percent tijdens de volgende zeven jaren. De groei kwam er vooral dankzij de inspanningen van de technocraten om buitenlandse investeerders aan te trekken. Deze lieten zich graag verleiden door de voorstelling van Spanje als een dynamische, moderne, industrialiserende maatschappij met een politieke stabiliteit en met lage lonen. Hun investeringen stegen tussen 1960 en 1973 van honderd miljoen dollar tot bijna zes miljard dollar. Vanaf de tweede helft van de jaren 1960 werd Spanje ook als het land van zon en zee verkocht aan de toeristen die tegen 1972 jaarlijks met vierendertig miljoen naar het zuiden afzakten. Met een verdrievoudiging van het inkomen tussen 1960 en 1972 werden de Spanjaarden ingelijfd in de consumptiemaatschappij.
De statistische triomf van het ‘Stabilisatiesplan’ had echter ook een belangrijke keerzijde. De winsten die de economische groei met zich meebracht vloeiden in grote mate terug naar de buitenlandse investeerders. De arbeidersbevolking genoot een aanzienlijke welvaartstoename maar bleef door het uitblijven van de belastingshervorming erg zwaar belast. De Spaanse samenleving gold als de sociaal meest onrechtvaardige van Europa. Van de totale belastingsinkomsten werd vijfenzestig percent gevormd door indirecte belastingen die relatief zwaarder doorwogen op de lagere inkomensklassen. Bovendien werd de kloof tussen de ”twee Spanje’s” met het industrialiseringsproces versterkt. De rurale provincies in het binnenland werden niet betrokken in het moderniseringsproces en hun bevolking werd gedwongen om te verhuizen naar regio’s van industrialisering zoals Catalonië, het Baskenland en Madrid. Dit leidde tot een massale volksverhuizing in nauwelijks tien jaar tijd. In 1970 al woonden meer dan één miljoen Andaluziërs buiten hun provincies van afkomst, waarvan meer dan zevenhonderd duizend in Barcelona. Als in de geïndustrialiseerde regio’s geen werk werd gevonden, bood emigratie naar Noord-Europa de oplossing om massale werkloosheid te voorkomen. Hun inkomsten in valuta die ze naar hun families terugstuurden zorgden bovendien voor extra deviezen voor de staat[10].
De economische hervorming leidde onmiddellijk tot een hevige recessie die massale arbeidersprotesten uitlokte. In 1962 waren in Catalonië in totaal vijftig duizend arbeiders betrokken in verschillende conflicten van arbeiders met hun directie tijdens de ‘collectieve onderhandelingen’. De belangrijke stakingen in de mijnen van Asturias in datzelfde jaar waren een reactie op de herstructureringsprojecten van het ‘Stabilisatieplan’, dat de energievoorziening afkomstig van steenkool wilde afbouwen.
De regering voerde een stop-and-go-politiek. Afwisselend werd met harde repressie gereageerd op de stakingsacties, om vervolgens door een liberalisering van de arbeidswetgeving de protesten te kanaliseren binnen de corporativistische structuren van de officiële vakbond. Na de repressie van de stakingen van de beginjaren 1960 werd in 1964 met de oprichting van een ‘Arbeidersraad’ en een ‘Bedrijfsraad’ geprobeerd om het overleg in de bedrijven meer gestructureerd te laten verlopen. De poging mislukte en de ‘collectieve onderhandelingen’ liepen tijdens de volgende jaren steeds uit op een conflict met de directie. Opnieuw werd een beroep gedaan op de politie om de orde te herstellen. In 1966 werd dan door de organisatie van syndicale verkiezingen een nieuwe poging ondernomen om het verzet te milderen. De pas opgerichte organisatie van ‘Arbeiderscommissies’ werd in een geste van openheid de kans gegeven om zelf kandidaten voor te dragen voor de verkiezingen. De arbeiders namen massaal deel aan de verkiezingen en de kandidaten van ‘Arbeiderscommissies’ kregen enkele vertegenwoordigingen. Het regime verontrustte zich over deze infiltratie en verklaarde ‘Arbeiderscommissies’ illegaal in 1967. De leden werden aangehouden[11].
In Barcelona werden dergelijke ‘Arbeiderscommissies’ in 1964 opgericht door de vertegenwoordigers van verschillende ‘overlegplatformen’ van bedrijven. Ongeveer driehonderd arbeiders kwamen samen met vertegenwoordigers van verschillende clandestiene partijen, waaronder de PSUC. De officiële vakbond werd aangeklaagd omdat ze niet de belangen van de arbeiders verdedigde, en ook de wetgeving werd bekritiseerd omdat ze basisrechten, zoals het recht op staking, niet erkende. ‘Arbeiderscommissies’ stelde zich voor als een brede arbeidersbeweging die in de eerste plaats de economische rechten van de arbeiders wilde verdedigen maar die ook vanaf haar oprichting het bestaande politieke systeem in vraag stelde. Haar doorbraak kwam er met de syndicale verkiezingen. Ze moest echter als clandestiene organisatie verderwerken nadat ze illegaal was verklaard[12].
Vanaf 1967 begon de economische groei te slabakken. Op het einde van het jaar werd een loonstop afgekondigd om de opkomende inflatie af te remmen. De arbeidersconflicten en de politierepressie namen de volgende jaren toe.
De politieke partijen van de oppositie bleven het in deze periode van maatschappelijke transformatie erg moeilijk hebben om vanuit het buitenland een accurate maatschappij-analyse te maken. Dat gold zeker voor de communisten en de socialisten. Ze moesten alleszins toegeven dat het regime erin lukte om een economische groei op te gang te brengen.
Binnen de Spaanse communistische partij, die sterk dirigistisch werd bestuurd door Santiago Carrillo, ontstond er dissidentie over het partijprogramma. De officiële partijvisie hield volgens de kritische leden geen rekening met de veranderde economische situatie en zag niet in dat Spanje was opgehouden een semi-feodale agrarische staat te zijn. De dissidenten werden uit de partij gezet maar enkele jaren later paste de PCE haar programma toch aan aan hun opmerkingen. De invloed van de communistische partij bleef echter groot door haar sterke vertegenwoordiging in ‘Arbeiderscommissies’.
Bij de socialisten van de PSOE kwam er tegen het einde van de jaren 1960 een impuls tot modernisering van de partij door een nieuwe generatie van socialisten die opereerden vanuit het binnenland. Zij organiseerden een aparte socialistische partij in het binnenland die zich later zou verenigen met de officiële partij in het buitenland. De socialisten hadden in tegenstelling tot de communisten echter geen nauwe banden met de arbeiderswereld. Ze wezen iedere samenwerking met het regime af, en lieten zo de kans liggen om zich via ‘Arbeiderscommissies’ te infiltreren in de officiële vakbond[13].
4. Het regime in crisis vanaf 1969
Vanaf 1969 kwam er een einde aan de euforie van de technocraten van het regime die geloofden dat de toenemende levensstandaard de bestaande vijandigheid tegenover het systeem zou wegnemen. De tegenstelling tussen de autoritaire en oligarchisch georganiseerde staat en de ontwikkelde moderne en dynamische maatschappij werd onhoudbaar. De noden en waarden van deze nieuw ontstane samenleving konden enkel een antwoord vinden in de democratisering van haar politieke structuur. Dit zou echter de opheffing impliceren van het regime zelf[14].
Met de afkondiging van de staat van uitzondering over het hele land in januari 1969 probeerde Franco de orde in het land te herstellen. De concrete aanleiding was de onrust aan de universiteiten die beschouwd werd als “la orgía de nihilismo, de anarquismo y de desobediencia”. De burgerrechten die de franquistische grondwet formeel garandeerde, werden opgeheven. Er werd overgegaan tot een heksenjacht op de progressieve groepen van de maatschappij, die vaak gepaard ging met folteringen[15].
Met deze maatregel werd definitief een einde gemaakt aan de sinds 1966 ingestelde politieke liberalisering. Het regime trad geleidelijk in crisis, waarbij het steeds meer op repressie moest terugvallen om zich te handhaven tegen het oprijzende maatschappelijke protest.
Tegen het einde van de jaren 1960 werd door sociale groepen lucht gegeven aan de problemen die voortvloeiden uit de massale transformatie die Spanje had ondergaan. De nieuwe arbeidersklasse eiste loonsverhogingen en betere werkomstandigheden. De toegenomen studentengemeenschap kwam in verzet tegen het selectieve onderwijssysteem en tegen het repressieve klimaat aan de universiteiten. Burenverenigingen bekommerden zich om de erbarmerlijke woonomstandigheden in de nieuw aangelegde urbanisaties. De Katholieke Kerk nam afstand van het repressieve regime. De onderdrukking van de autonome historische regio's wekte een reactie van nationaal bewustzijn op.
Volgens Oxford-historicus Sebastian Balfour, daarin bijgetreden door Carme Molinero en Pere Ysàs, woog het arbeidersverzet het zwaarst door in al deze vormen van verzet die het regime steeds verder in onevenwicht brachten. Hun onrust bedreigde immers niet enkel de publieke orde maar bracht ook de economische stabiliteit van de franquistische staat in het gedrang[16].
Het regime slaagde er niet meer in om de arbeiderseisen op te vangen binnen de officiële vakbond sinds deze was geïnfiltreerd door clandestiene arbeidersorganisaties. De stakingen bereikten ondanks de repressie van de staat van uitzondering in 1969 een voorlopig hoogtepunt van 491 acties over het hele land, en zouden de volgende jaren nog sterk toenemen[17]. Eisen tot loonsverhoging en tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden kwamen in deze periode steeds terug. Van de spectaculaire economische groei van de Spaanse economie tijdens de jaren 1960 kwam immers maar een erg klein deel ten goede van de arbeiders[18].
Het protest van de arbeiders had echter ook dieperliggende oorzaken. De nieuw ontstane consumptiemaatschappij creëerde nieuwe waarden en verwachtingen. Deelname aan die maatschappij kon enkel gebeuren door hogere lonen. Bovendien was de mentaliteit van de arbeidersklasse veranderd. Na de migratie naar de grote steden op zoek naar werk, had er zich een assertievere en meer zelfbewuste arbeidersbevolking gevormd die waardige leef- en werkomstandigheden als een basisrecht ging ervaren. Deze factoren zouden kunnen verklaren dat de arbeiders geleidelijk meer bereid waren om zich niet neer te leggen bij de beslissingen van het repressieve regime[19].
Deze golf van arbeidersprotest vanaf het einde van de jaren 1960 maakte deel uit van de algemene toename van arbeidersacties in de geïndustrialiseerde landen in West-Europa. Loonsverhogingen om te kunnen deelnemen aan de toegenomen welvaart vormden ook daar de basis van ieder eisenpakket. De positie van de arbeidersbevolking in Spanje was echter veel benauwder. De massale en snelle omvorming van de Spaanse samenleving tijdens de jaren 1960 had de nood aan een hoger inkomen er veel dringender gemaakt[20].
De Spaanse arbeiders ondervonden echter weinig bijval van hun bewindsvoerders. Hun verlangens konden in de meerderheid van de gevallen niet op het begrip rekenen van de patroons die door het massale arbeidsaanbod -dankzij de migratie- ook niet gedwongen konden worden om er aan toe te geven. Veel begrip kregen ze ook niet van de regering die in 1971 het arbeidersconflict nog beschouwde “siempre como un problema político y de orden público”, en vanuit deze logica ook haar repressief optreden verantwoordde. In de periode 1971-1974 was de industriële ring rond Barcelona de meest conflictieve zone van het schiereiland[21].
Het verzet was niet enkel in de arbeidersmilieus toegenomen. Ook aan de universiteiten groeide de weerstand. De studenten kloegen de gebrekkige infrastructuur en organisatie van het elitair georiënteerde Spaanse onderwijssysteem aan, dat de massificatie van de universiteiten niet kon opvangen. Tijdens de jaren 1960 was de groep jongeren die naar de universiteiten kon doorvloeien spectaculair toegenomen. In Spanje was hun aantal jaarlijks gestegen met bijna 10 percent tussen 1960 en 1970, wat een relatief hogere groei betekende dan degene die de Westeuropese landen of de Verenigde Staten gekend hadden[22].
Vanaf het midden van de jaren 1960 werd door politiek geëngageerde groepen van studenten en door sommige kringen van professoren kritiek uitgeoefend op de werking van de universiteit. In pamfletten en op studentenraden werden het gebrek aan inspraak en het gebrek aan academische vrijheid geviseerd, net als het beperkt aantal studiebeurzen en onderzoeksfondsen, de corruptie bij de academische benoemingen en de politierepressie. Er werden aan verschillende universiteiten democratische studentenvakbonden opgericht als alternatief voor de officiële vakbond. Zo werd in Barcelona in 1966 de “Studentenvakbond van de Studenten van de Universiteit van Barcelona” (SDEUB) opgericht, die sterk te lijden had onder de politierepressie. Tegen het einde van de jaren 1960 werden de aanwezigheid van de geheime politie op de campus en plotse politie-invasies dagelijkse kost, naast de opheffing van cursussen en het schorsen of arresteren van studenten wegens “politiek protest”[23].
Het studentenprotest op het einde van de jaren 1960 was een westers fenomeen, waarbij de onrust aan de campussen van Nanterre en van de Berkeley-universiteit als voorbeeld wordt aangehaald. Als verklaring wordt vaak verwezen naar de democratisering van het universitaire onderwijs en naar de nieuwe mentaliteit onder de generatie studenten die was opgegroeid in andere normen- en waardenpatronen dan de traditionele waarmee ze in de samenleving werden geconfronteerd[24].
De acties aan de Spaanse universiteiten waren tot aan het einde van de jaren 1960 echter veel minder op de internationale gebeurtenissen georiënteerd dan deze op de westerse campussen. Tot aan de staat van uitzondering van 1969 werd aangestuurd op hervormingen van het universitaire systeem en op een democratisering van de maatschappij. De acties werden geleid door de pas opgerichte democratische studentenvakbonden.
Na de repressie van de staat van uitzondering kwam er een versnippering en een radicalisering op gang van de verschillende protestgroepen, die tijdens de jaren 1970 geleidelijk aansloten bij de internationale ideologische strekkingen. De onrust aan universiteiten bleef ondanks de repressie steeds aanhouden. Bovendien vonden alle momenten van conflict of repressie in de rest van de maatschappij een weerslag in de universitaire wereld[25].
Een ander front van conflict tussen bevolking en regime werd geopend met de oprichting vanaf 1969 van de zogenaamde “Comissions de Barris”. Deze wijkorganisaties protesteerden tegen de vaak erbarmelijke leefomstandigheden in de nieuwe woonwijken. Deze waren opgetrokken in en rond Barcelona tijdens de twee voorafgaande decennia, voornamelijk om de migrantenbevolking te huisvesten. Onder het bestuur van de voor corruptie beruchte burgemeester Josep María Porcioles de Colomer, waren massaal grote woonblokken opgetrokken zonder veiligheidsvoorschriften of bouwvoorwaarden, maar vanuit lucratieve oogmerken. De bewoners hadden te klagen over slechte rioleringen, gebrekkige sanitaire voorzieningen, afwezigheid van bestrating of van sociale voorzieningen en ze konden bovendien niet terugvallen op een ondersteunende wetgeving. Het protest van de wijkbewoners ontstond meestal erg spontaan naar aanleiding van erg praktische eisen, zonder daarom grootse investeringen te verwachten. Zo vroegen de buren nu eens om een verbetering van de gebrekkige watervoorziening, dan weer om het herstel van een verkeerslicht, om betere transportvoorzieningen of om een school in de buurt. De administratie van Franco was er echter op bedacht de Falangisten een vaste baan te bieden. Ze was daarom niet bereid of bekwaam om op de vragen van de bevolking in te spelen. De burgemeester van Sabadell bijvoorbeeld, een industiestad buiten Barcelona, benoemde zelf alle “onderburgemeesters” in de districten. Zo had hij een netwerk van vertrouwelingen opgebouwd die enkel tegenover hem persoonlijk verantwoording verschuldigd waren voor hun beleid[26]. De problemen stapelden zich op en kregen zelden antwoord, tenzij een repressief. De wijkcomités groeiden zo uit tot belangrijke drukkingsgroepen die zich steeds meer bewust werden van de beperkingen van het dictatoriale systeem. De vraag naar een verbetering van het leven in de wijk kon immers veel buurtbewoners aanspreken en tijdens de jaren 1970 groeide de aanhang van deze organisaties sterk. In 1974 bestonden er al negentig organisaties verspreid over de hele stad[27].
Ook binnen de Katholieke Kerk, de traditionele bondgenoot van het regime, klonken de stemmen van de progressieve clerici, die zich inspireerden op het Tweede Vaticaans Concilie, steeds luider. In 1968 werd door de bisschoppenconferentie de werking van de officiële vakbond veroordeeld en werd aangedrongen op een liberalisering van de arbeidsrelaties. In 1969 werd het concordaat tussen Rome en Madrid hernieuwd. Daarbij eiste het Vaticaan opnieuw het recht op om de bisschoppen te benoemen zonder medezegging van het regime. De aanstelling van progressieve bisschopppen tijdens de volgende jaren zou de kloof tussen Kerk en staat nog verbreden[28].
Tegenstellingen tussen progressieve en integristische bisschoppen waren reeds langer gegroeid tijdens de jaren 1960. De afschaffing door de kerkelijke hiërarchie van de christelijke basisorganisaties die een progressieve stempel droegen (Juventud Obrera Católica, Grupo Obrero de Acción Católica,…) tussen 1966 en 1968 schiep een afstand tussen priesters en hun oversten. Gesteund door de progressieve encycliek “Populorum Progressio” stelden verschillende geestelijken hun parochie open voor clandestiene samenkomsten van vakbondsgroepen of politieke partijen. In de homilieën kwam er meer aandacht voor sociaal onrecht en voor de nationale onderdrukking[29]. Door deze gevoeligheid voor de nationale eigenheid ontstond er in Catalonië een bevoorrechte band tussen de oppositiepartijen en de progressieve priesters. Op 11 mei 1966 werd er bijvoorbeeld een betoging gehouden van honderddertig priesters tegen de aanhoudingen van studenten die enkele dagen eerder waren verricht bij de oprichting van de SDEUB[30]. Volgens een priester had de Assemblea de Catalunya, een nationalistische volksbeweging, nooit met hetzelfde gemak kunnen vergaderingen en samenkomsten organiseren zonder de logistieke steun van de Kerk[31].
Naast het protest onder studenten en arbeiders herleefde het nationaal bewustzijn van de historisch autonome regio's, Catalonië en Euskadi (Baskenland). In Catalonië waren tijdens de jaren 1960 reeds talrijke initiatieven op gang gebracht die ijverden voor het herstel van de door het Franquisme in het nauw gedreven cultuur. Dit bewustzijn van de culturele eigenheid kwam naar het einde van de jaren 1960 meer aan de oppervlakte in de maatschappij. De oppositiepartijen namen eisen van herstel van de regionale soevereiniteit op in hun programma’s. Dankzij de succesvolle oproepen tot betogingen of acties door de “Assemblea de Catalunya”, opgericht in november 1971, werd de roep om erkenning van de Catalaanse cultuur gedragen door een populaire massa-beweging[32].
De onderdrukking van de regionale eigenheid leidde in het Baskenland tot een politieke strijd, die met de terroristische aanslagen van ETA vanaf het einde van de jaren 1960 de kwetsbaarheid van het regime steeds meer in de kijker stelde. De moord op een gekende politie-martelaar in augustus 1968 was de eerste aanslag in een lange rij. De politiediensten traden steeds harder op tegenover nationalistische militanten, al dan niet van ETA. Er ging geen dag voorbij zonder dat een arbeider, student of militant werd verhoord voor een “politiek vergrijp”. Veroordelingen gingen van één jaar voor het aanbrengen van muurschilderingen tot zestien jaar voor lidmaatschap van ETA[33].
Ondertussen raakte ook de eendracht binnen de regering zoek. Het uitlekken van het Matesa-corruptieschandaal zorgde voor een onherstelbare blaam voor Franco. Door middel van een opgezet reconversiefonds voor het textielbedrijf Matesa werden 10.000 miljoen pesetas versluisd naar het Opus Dei. Vier belangrijke ministers waren hierbij betrokken (deze van financiën, industrie, ontwikkelingsplannen en handel), net als de directeur van de “Banco Central de España”. De Falangistische “ultra's” hoopten door deze verklikking de stijgende invloed van het Opus Dei te kunnen afremmen, maar enkel de minister van informatie werd door Franco aan de deur gezet wegens “onoplettendheid”. De tegenstelling tussen “ultra’s” en “liberalen” kwam steeds duidelijker aan de oppervlakte. De sterk continuïstische koers van admiraal Carrero Blanco en zijn persoonlijke invloed hield hen samen. Op dit moment was er immers eenheid nodig om de strijd aan te kunnen tegen “la ofensiva subversiva desencadenada por el Comunismo”, of tegen “la propaganda liberal que la Masonería patrocina”, of tegen de altijd verderf stichtende “prostitución y droga”[34]. Franco zelf moest steeds meer bevoegdheden overlaten aan de “almirante”, die in 1969 een nieuwe regering samenstelde waarin hij als vice-premier het effectieve bestuur van het land in handen nam. Bovendien werd met de aanduiding van Juan Carlos als opvolger van Franco in 1969 aangekondigd dat zelfs de overwinnaar van de burgeroorlog niet het eeuwige leven had[35].
5. Het herstel van de oppositie
Bij de opheffing van de staat van uitzondering op 25 maart verkondigde de minister van binnenlandse zaken triomfantelijk over de toestand in Catalonië dat “se ha desarticulado totalmente el PSUC (Partido Socialista Unificado de Cataluña), estando capturados o huídos sus principales dirigentes”[36]. De aanhoudingen waren inderdaad massaal: meer dan zestig milltanten van de PSUC waren opgepakt, alsook tientallen studenten, leden van “Arbeiderscommissies”, professoren, Catalaans-gezinde intellectuelen en progressieve katholieken. Velen moesten inderdaad onderduiken in de clandestiniteit, verhuizen of naar het buitenland vluchten. Op lange termijn bereikte de repressie tijdens de twee maanden lange staat van uitzondering dus een averechts effect. De Catalaanse communistische partij, door het regime voorgesteld als de schuldige van alle ondermijnende activiteiten, werd erg aantrekkelijk voor wie tegen het regime in verzet wilde komen[37]. De PSUC kreeg nieuwe militanten, oude militanten stelden zich meer beschikbaar voor de partij, en militanten uit vroegere tijden sloten zich opnieuw actief aan. Er ontstonden verschillende initiatieven waardoor de oppositiegroepen, waaronder de PSUC, tot een hechtere onderlinge samenwerking kwamen[38].
In december 1969 werd in Catalonië een solidariteitsnetwerk opgericht voor politieke gevangenen of slachtoffers van repressie, de “Comissió de Solidaritat”. Deze ijverde voor campagnes voor de vrijlating van de militanten, en voor informatie en financiële steun aan de familieleden. Tijdens haar vijf jaar lange bestaan wist het solidariteitsfonds ongeveer 13 milljoen pesetas samen te brengen[39].
Verschillende links-georiënteerde advocaten stelden zich ter beschikking om te pleiten voor de vrijlating van de gevangenen en voor de ondersteuning van de eisen van de arbeiders. De franquistische wetgeving gaf nochtans niet veel mogelijkheid om geschillen te betwisten over arbeidsrelaties of over repressief optreden. De arbeidsrelaties waren strikt gereglementeerd tot in de kleinste details en de naleving van de regels werd beoordeeld door de bureaucratie van het ministerie van arbeid. Om efficiënter te reageren tegen de toegenomen arbeidsconflicten was in 1963 het “Tribunal de Orden Público” opgericht dat de werkdruk van de politierechtbanken moest verminderen omdat deze de toegenomen arresten niet meer konden verwerken. De advocaten zochten naar een legale bescherming van de arbeiderseisen, maar zonder de druk van bijkomende illegale acties konden de advocaten moeilijk succes boeken. Hun bureaus werden daarom vaak uitgebouwd tot het organisatorische hoofdkwartier van protestacties die hun pleidooien tijdens de rechtszittingen kracht moesten bijzetten. Vaak werden die zittingen verstoord door het lawaai op de straat[40].
Ook werd de eerdere samenwerking van politieke organisaties op Catalaans niveau van de “Ronde Tafel” (Taula Rodona) uitgebreid met de oprichting van een nieuw samenwerkingsplatform, de “Coordinerende Raad van Catalaanse Politieke Partijen” (Comissió Coordinadora de Forces Politiques de Catalunya).
Het protest bleef de maanden nadien aanhouden, zeker onder de arbeiders. In 1970 kwamen hun acties tot een nieuw hoogtepunt met bijna 1600 stakingen. Deze hadden economische eisen omdat de minimumlonen de op dat moment toegenomen levensstandaard niet meer bijbeenden. In de mijnstakingen van Asturias van het begin van dat jaar waren twintigduizend arbeiders betrokken. Een oproep van “Arbeiderscommissies” op 3 november tot staking voor amnestie voor de politieke gevangen kreeg een grote respons: de laagste officiële schattingen spraken nog van vijfentwintig duizend betogers over het hele land[41].
Het regime scheen voorgoed de weg van de repressie te zijn ingeslagen. Tijdens de eerste negen maanden van 1970 waren 1001 burgers in rechtszaken betrokken wegens “politieke schendingen”. Voor de schijnpoging van liberalisering met de uitvaardiging van het “Statuut van Verenigingen” bedankten de oppositiepartijen vriendelijk. Het voorstel kon ook niet au sérieux worden genomen: politieke verenigingen zouden worden toegelaten als ze minstens vijfentwintig duizend leden zouden hebben en geen interne verkiezingen zouden organiseren. Uit onmacht werd dan overgegaan tot een verstrenging van de wetgeving. Beledigingen aan het regime werden voortaan veroordeeld door een militaire rechtbank. De pers werd strenger gecontroleerd en er werden vaker boetes en schorsingen opgelegd. Zo werd op 25 juni het progressieve weekblad “Triunfo” voor vier maanden opgeschort na een fikse geldboete[42].
Met het Proces van Burgos in december was het hek helemaal van de dam. Zestien vermeende ETA-leden stonden terecht voor een militair tribunaal. De openbare aanklager vroeg de doodstraf. Voor het eerst sinds de burgeroorlog was protest te horen in alle delen van Spanje. Dit werd ondersteund door solidariteitsacties in verschillende hoofdsteden van Europa en in sommige landen van Latijns Amerika[43].
6. De PSUC en de coördinatie van de oppositie in Catalonië
De PSUC speelde een coördinerende rol in de verschillende vormen van protest. Ze werkte tegelijk aan de verdere uitbouw van de partij na de repressie van 1969 door bewust nieuwe militanten te recruteren. In 1970 werd hiertoe een campagne opgezet en die zou na negen maanden al zeshonderd vijftig nieuwe leden opleveren, voornamelijk in Barcelona maar ook in de “comarcas” of deelprovincies. In 1970 had de PSUC in drieënnegentig “comarcas” een lokale afdeling. Door haar bestaande netwerk van contacten in de clandestiniteit bood ze zich ook aan als de belangrijkste partij voor eenieder die niet onbewogen wilde blijven tegenover de dictatuur die steeds repressiever werd. De directie van de PSUC, het “comitè central”, functioneerde als coördinatiecentrum voor de contacten met verschillende organisaties of personen die wilden werken aan een rechtvaardiger maatschappij en aan de omverwerping van het regime. Die contacten waren heel uiteenlopend, gaande van advocaten tot leiders van burenorganisaties, van artsen in ziekenhuizen tot professoren en de coördinatoren achter de “Arbeiderscommissies”. De PSUC bood zich aan als een knooppunt van contacten, als een referentiekader voor ieder die wilde vechten tegen het autoritaire regime. Wanneer tijdens de jaren 1970 over de PSUC gesproken werd, werd gesproken over “El Partit”, dé Partij, want de PSUC was dé partij van de oppositie in Catalonië[44].
De partijleiding werkte sinds midden de jaren 1950 vanuit het binnenland, in tegenstelling tot de PCE, de Spaanse communistische partij. Op die manier werden de maatschappelijke gebeurtenissen en veranderingen veel beter aangevoeld. Het “comitè central”, het partijbureau, werkte nauw samen met de PCE. Leden van het “comitè central” van de PSUC mochten deelnemen aan de vergaderingen van het partijbureau van de PCE. Militanten van de PCE die naar Catalonië verhuisden, kwamen automatisch bij de PSUC terecht, en ook omgekeerd. De opgestelde programma's en strategie liepen grotendeels gelijk, maar het waren aparte politieke partijen met eigen beslissingsorganen en bestuursmensen[45].
De hoogste beslissende instantie in de PSUC was het “comitè central”, dat zonder vaste regelmaat samenkwam in een “sessió plenària”. De hoogste functie van secretaris-generaal was vacant tot aan het derde partijcongres in 1973, waar Gregorio López Raimundo hiertoe verkozen werd. Het “comitè central” bepaalde de algemene partijkoers die werd bekendgemaakt via het tijdschrift “Treball”. Dit werd maandelijks uitgegeven tot 1972, nadien tweewekelijks. Vanaf 1977 verscheen het om de week. Het werd gepubliceerd in Catalonië vanaf 1972, volledig in de clandestiniteit. De redactie was samengesteld door een vaste groep van vijf mensen die ook in het “comitè central” zetelden: Joaquim Sempere, Ignasi Riera, Pere Ignasi Fagès, Andreu Claret en Antoni Batista. De redactievergaderingen waren in de praktijk vaak een herhaling van deze van het “comitè central”. Het “comitè central” zorgde vooral voor de coördinatie van de verschillende initiatieven van de oppositie en daarin waren zeker de persoonlijke contacten erg belangrijk. Ook werden de grote programmalijnen vastgelegd. De relatie tegenover de partijleden was veeleer los: de partijleiding kon zich niet inlaten met de dagelijkse politieke beslissingen van de groeperingen aan de basis[46].
De PSUC was een erg open partij en de samenstelling van de leden was ook uiterst divers. Voor de toetreding van nieuwe leden waren geen vertrouwensprocedures nodig zoals vaak het geval was bij clandestiene partijen. Onder de militanten waren er zowel intellectuelen die veel belang hechtten aan theoretische discussies, als arbeiders die via “Arbeiderscommissies” bij de PSUC in contact waren gekomen. Er waren zowel jonge universiteitsstudenten die meer radicale ideeën aanhingen als mensen die reeds een hogere sociale positie hadden verworven, zoals artsen of advocaten. Er waren zowel geïmmigreerde Andaluziërs die enkel Spaans spraken, als Catalanen die het Spaans op school als tweede taal hadden geleerd[47].
De meerderheid van de mensen die zich bij de PSUC aansloten, wist niet wat de woorden “marxisme” of “communisme” betekenden. De Sovjetunie was voor hen een ver referentiepunt dat zeker niet het eerste motief was voor hun aansluiting, hoewel dat wel het geval was voor de partijleiding en voor de meest militante kern. Bij de PSUC werd gevochten voor de vrijheid, tegen de repressie, wat steeds meer mensen aanbelangde. De revolutionaire ideeën leerden ze kennen bij de PSUC en werden geassocieerd met de strijd tegen het Franquisme. Maar de PSUC had ook een heel duidelijke sociale functie: bij de PSUC werden contacten gelegd, vonden mensen steun voor de gevolgen van de repressie en werd er solidariteit opgebouwd. Voor velen kreeg de PSUC de betekenis van een familie[48]. Een militante uit Tortosa doet haar verhaal: “Ik heb me bij de PSUC aangesloten op mijn twintig jaar toen het klimaat in Tortosa verstikkend was door al die repressie. Ik ben toen echt beginnen leven, toen ik met de mensen van de PSUC omging. (...) We waren jong, gingen op uitstap, militeerden voor de partij, we amuseerden ons, we hadden relaties met mekaar, we gingen dansen,... Ik ben toen echt beginnen te leven, wat wil je op je twintigste! (...) En dat allemaal, dat was de PSUC: het waren de vrienden, het was het militeren, het communisme, de ideeën, de strijd tegen Franco, het risico, en dan de transitie naar de democratie en al die vrijheid, dat was de moeite[49]“.
De partij was aanwezig in de vier sleutelsectoren van het verzet tegen de dictatuur. In de arbeiderswereld had ze heel nauwe contacten met “Arbeiderscommissies”. Aan de universiteit stond de PSUC naast verschillende andere studentenorganisaties. Militanten van de partij namen vaak het initiatief bij de oprichting van de “wijkcomités”. Ten slotte werd samenwerking en overleg tussen de verschillende politieke partijen gestimuleerd.
De relatie met de arbeiders was voor de partijleiding van de PSUC het belangrijkste onderdeel van haar contacten. Het potentieel van de arbeidersbevolking om de dictatuur omver te werpen werd immers het grootst geacht.
Het verzet werd in Catalonië bijna uitsluitend geleid door militanten van “Arbeiderscommissies”. Deze hadden zich kunnen herstellen na de crisis van 1967 en na de staat van uitzondering van 1969. De militanten van “Arbeiderscommissies” werkten als autonome cellen in de bedrijven om de arbeiders te mobiliseren, en vaak ontstonden en verdwenen ze met het protest rond de collectieve onderhandelingen. Vaak ging het om een erg beperkte groep van arbeiders die zich als militanten van “Arbeiderscommissies” organiseerden, maar daarom geen direct of permanent contact hadden met de leiding van de “Arbeiderscommissies”[50].
Deze leiding van “Arbeiderscommissies” was stevig in handen van de PSUC, zodat er van overlapping en verwarring sprake was. Directieleden van “Arbeiderscommissies” zaten in de directie van PSUC, militanten van “Arbeiderscommissies” namen ook deel aan de “brede” strijd van de PSUC. Het programma en de strategie van de “Arbeiderscommissies” werden opgesteld door de PSUC en ook pamfletten werden door hen gedrukt. De leider van “Arbeiderscommissies” tot 1973, Cipriano García, zat trouwens ook in het “comitè central” van de PSUC.
Deze vermenging van de directie van PSUC en de “Arbeiderscommissies”, en van hun militanten, leidde ertoe dat de “Arbeiderscommissies” vaak als een onderdeel van de PSUC werden gezien. De PSUC streefde er ook bewust naar om zich te infiltreren in alle vormen van verzet tegen het regime[51].
De PSUC werd tegen het einde van de jaren 1960 ook de grootste politieke groepering aan de “Universitat de Barcelona”, op dat ogenblik de enige universiteit in de Catalaanse hoofdstad. Haar doorbraak kwam er met de oprichting van de democratische studentenvakbond in 1966, het “Sindicato Democrático de los Estudiantes de la Universidad de Barcelona” (SDEUB). Deze was ontstaan als alternatief voor het bestaande bureaucratische en weinig representatieve “Sindicato Español Universitario” op initiatief van studenten in samenwerking met een kern van de PSUC, het “Front d’Intel.lectuals del PSUC”. De SDEUB had als eerste doelstelling een democratische werking van de universiteit te bekomen. De politie greep in tijdens de oprichtingsbijeenkomst op 8 maart 1966 in het klooster van de kapucijnen in Sarrià, een wijk van Barcelona. Gedurende twee dagen werd de vergadering afgesloten van de buitenwereld en vervolgens werden alle vijfhonderd deelnemers opgepakt. Uiteindelijk werden zevenentwintig studenten geschorst en achtenzestig professoren ontslagen. Tot aan de versnippering van de studentenbeweging na de staat van uitzondering van 1969 bleef de SDEUB de belangrijkste organisatie van de studenten. De PSUC behield haar invloed ook nadien in het studentenmilieu, ondermeer door de verspreiding van de tijdschriften van “Mundo universitario” en “Nous Horitzons”[52].
De PSUC was ook de drijvende kracht achter de “wijkcomités”. De partijmilitanten zagen de mogelijkheid om de klachten van de buren te bundelen in een permanente organisatie. Bijna alle wijkcomités hadden een dergelijke directe band met de PSUC[53]. Dit is ook wat een mede-oprichtster van het wijkcomité van “Nou Barris” vertelt: “De mensen in de buurt werkten in de fabrieken, en daar waren ook communisten, mensen van de PSUC, die ons vertelden dat we op alle problemen moesten ingaan, ook die van de buurt. En zo ontstond de eerste communistische kern onder ons. (...) Onze organisatie was erg beperkt door de clandestiniteit: we kwamen samen met drie of vier collega’s in ons huis en daar praatten we over de politiek van de partij en over de problemen van de buurt en hoe we die twee met elkaar konden verenigen. (...) Ik weet niet hoe het komt, maar iedere communist werd een bekende militant onder de buren die velen wist aan te spreken en te overtuigen. (...) We werden ons ervan bewust dat we in onze buurt een organisatie moesten uitbouwen die het protest zo goed als mogelijk kon opvangen en versterken. En zo ontstond ons ‘wijkcomité’”[54].
Ten slotte zette de PSUC zich in voor de samenwerking van de oppositie. In 1966 kwam in Catalonië al een eerste initiatief tot samenwerking van de verschillende oppositiepartijen. Na de “caputxinada” of de politie-invasie bij de oprichting van de democratische studentenvakbond, werd een ronde tafel-overleg opgericht, in de eerste plaats bedoeld als solidariteitsoverleg met de slachtoffers van de recente repressie: de reeds eerder vermelde “Taula Rodona”. De belangrijkste initiatiefnemers hiertoe waren Antoni Gutiérrez Díaz, lid van het “comitè central” van de PSUC, en Josep Benet, een advocaat die later ook betrokken was bij de oprichting van de Assemblea de Catalunya. Volgens Gutiérrez Díaz waren het vooral de militanten van de PSUC die het overleg mogelijk maakten. Hun geloof in de mogelijkheid van een eenheidsfront tegen de dictatuur zou andere groepen over de streep hebben getrokken[55]. De “Taula Rodona” was een erg open overleggroep, maar er werden toch enkele opvallende resultaten bereikt: zo werden via haar contacten de “Comissió d’Amnistía” opgericht en in 1969 ook de eerder vermelde “Comissió de Solidaritat”. De deelnemers aan het initiatief waren meestal aangesloten bij een politieke partij maar ze vertegenwoordigden deze niet. Deze eerste samenwerking was dus veeleer informeel[56].
Een meer permanent overleg tussen de clandestiene oppositiepartijen werd in 1969 bereikt na de staat van uitzondering met de oprichting van de “Comissió Coordinadora de Forçes Polítiques de Catalunya”. Ze was samengesteld door de partijen van de linkerzijde: Esquerra Republicana, Front Nacional, Moviment Socialista, PSUC en Unió Democràtica. De “Comissió Coordinadora” beschikte over uitgebreide contacten met beroepsorganisaties, culturele of economische verenigingen, oppositiepartijen in de rest van Spanje, met kunstenaars en schrijvers[57]. Ook werden relaties gelegd met andere overlegplatforms in andere regio’s van de Spaanse staat[58]. Al deze contacten waren informeel en werden niet in de organisatie geïntegreerd, zoals later wel zou gebeuren bij de oprichting van de Assemblea de Catalunya. In dit nieuwe overlegorgaan probeerden de verschillende oppositiepartijen naar punten van overeenkomst te zoeken met mekaar. Dit zou haar vruchten afwerpen in de latere samenwerking in de Assemblea de Catalunya die een veel ruimere vertegenwoordiging zou opbouwen en een effectievere invloed zou hebben op de samenleving[59].
In Catalonië werkte het nationale eenheidsgevoel als katalysator voor de samenwerking van de oppositie. “Llibertat” of “Vrijheid”, begrepen als bevrijding van de dictatuur, werd onlosmakelijk verbonden met het herstel van de eigen cultuur. Dit werd geuit in de eis van “Estatut” of “Autonomía”, het herstel van het statuut van autonomie voor Catalonië dat tijdens de periode van de Tweede Republiek in Spanje van kracht was, tussen 1932 en 1936. Rond deze eisen wist de Assemblea de Catalunya een eenheidsbeweging op gang te brengen tegen de dictatuur die zijn gelijke niet kende in de rest van de staat[60].
Het politiek programma van de “Comissió Coordinadora” hing erg nauw samen met dat van de PSUC. De politieke strategie van de PSUC was gebaseerd op het “Pacte per la Llibertat” dat door de PCE was uitgevaardigd in 1969. In deze platformtekst werd de oriëntering vastgelegd die de PCE, en met haar de PSUC, tijdens de daaropvolgende jaren zou volgen. Er werd aangestuurd op een zo ruim mogelijke samenwerking van alle oppositiegroepen om het regime omver te werpen. De tekst concentreerde zich rond vijf actiepunten: 1. de vorming van een voorlopige regering van brede samenstelling; 2. amnestie; 3. politieke vrijheden; 4. verkiezing van een grondwettelijke vergadering die de toekomstige staatsstructuur moest bepalen; 5. voor Catalonië het herstel van het statuut van autonomie van 1932 als beginsituatie om nadien verder een constitutie uit te werken. Door de samenwerking met andere oppositiegroepen voorop te stellen, schuifde de PSUC haar revolutionaire socialistische idealen naar het tweede plan. Dit bleek ook uit de woorden van de secretaris-generaal: “Het is een enorme stap voorwaarts om een samenwerkingsakkoord tot stand te brengen om de dictatuur omver te werpen en de democratische vrijheden te veroveren. Het is in het belang van de arbeidersklasse, en van al haar lotgenoten, om samen te werken aan dit akkoord met allen die de vrijheid willen veroveren. Dit betekent dat we ook moeten samenwerken met diegenen die er een andere opvatting op na houden over de periode die zal volgen na de verovering van de vrijheden”[61].
DEEL 2 : DE PSUC EN DE GROEIENDE SOCIALE ONRUST: EEN VOORTEKEN VAN DE “TOTALE STAKING”. 1971-1973
De revolutionaire PSUC stuurde de arbeiders er op aan om het regime ten val te brengen. Dit werd volgens de partij waarschijnlijker toen andere sectoren van de maatschappij de arbeiders bijtraden in het verzet tegen het repressieve regime. Toen de arbeidersacties in het najaar van 1972 verder aangroeiden, kon een “Totale Staking” niet lang meer uitblijven. Tegelijk wilde de PSUC de verschillende oppositiepartijen samenbrengen in één breed front, de Assemblea de Catalunya.
1. “De arbeiders kunnen de dictatuur omverwerpen”
Vanaf 1970 trad het regime verder in crisis. Franco viel steeds meer terug op repressie om zich te kunnen handhaven[62]. Met het Proces van Burgos in december 1970 bereikte deze evolutie een nieuw hoogtepunt. Daarbij verschenen 16 ETA-leden voor een militair tribunaal. De doodstraf hing hen boven het hoofd. De regering van de harde lijn onder leiding van Carrero Blanco wilde als onderliggende boodschap meegeven dat een “zero-tolerance” werd ingesteld tegen de oppositie. Het regime moest echter de duimen leggen voor het brede maatschappelijke protest dat tegen het proces op gang kwam. Voor het eerst sinds de burgeroorlog nam het protest zulk een omvang aan. In november werd door de Spaanse communistische partij een nationale dag voor de amnestie georganiseerd, in Barcelona en andere grote steden protesteerden studenten en arbeiders door betogingen en allerlei straatacties en op 3 december, begindag van het proces, werd op de universiteiten geen les gegeven. Ook werden in verschillende Europes en Latijs-Amerikaanse steden solidariteitsacties gehouden. In Montserrat, even buiten Barcelona, sloten meer dan 300 intellectuelen en kunstenaars zich op om te protesteren tegen het proces en tegen de dictatuur. Deze samenkomst zou aan de wieg staan van de Assemblea de Catalunya die een jaar later werd opgericht. Met een schijn van grootmoedigheid herriep Franco op 31 december de doodvonissen van de “Etarras”. Daarmee bereikte het massale protest haar doel[63].
Deze toegeving van Franco werd door de PSUC geapprecieerd als “de belangrijkste overwinning van de democratie en van het volksverzet van de voorbije 30 jaar”. Ze gaf de PSUC meteen ook een stimulans om verder te strijden want “op lange termijn is de overwinning van de democratische krachten zo goed als zeker”. De samenwerking van alle oppositiekrachten met de PSUC aan het Pacte per la Llibertat werd hiervoor gezien als een garantie: “Deze strijd vereist een steeds grotere samenwerking van alle oppositiekrachten rond een algemeen akkoord, zoals de communisten voorstellen in het Pacte per la Llibertat”[64].
Twee basisideeën waarop het “Pacte per la Llibertat” was gebaseerd om tot de omverperping van de dictatuur te komen, kwamen steeds terug in het betoog van de PSUC. Ten eerste moesten alle oppositiekrachten samenwerken. Ten tweede moest op die manier een massamobilisatie op gang worden gebracht. Na het proces van Burgos namen repressie en georganiseerd verzet toe, zodat steeds meer aanwijzigingen te vinden waren voor de crisis van het regime. Het waren echter vooral de ontwikkelingen in het arbeidersmilieu die hiertoe aanleiding gaven. Na een recordaantal stakingen in 1970 (1595 conflicten officieel gerapporteerd) liep het arbeidersverzet terug in 1971 tot ruim 600 conflicten, wat nog erg veel was in vergelijking met de jaren 1960. In de beginjaren 1970 kwam er echter een verandering in de arbeidsconflicten. Ze konden niet meer worden opgelost door een sterke discipline in het bedrijf, bijvoorbeeld door ontslagen zoals in het systeem van de “laudes”. Het management deed meer en meer een beroep op het repressieve apparaat van het regime[65].
Tijdens de laatste maanden van 1970 ontstond er veel protest onder de metaalarbeiders van Barcelona. De “technische industrie” vormde samen met de textielindustrie en de bouwnijverheid de drie spilindustrieën van Catalonië. Deze technische industrie was erg gefragmenteerd in verschillende kleine bedrijven: meer dan de helft van de werkplaatsen stelde minder dan vijf arbeiders te werk. De arbeidersconflicten, die steeds ontstonden rond de “arbeidersonderhandelingen”, waarin jaarlijks werd onderhandeld over arbeidsvoorwaarden en lonen, vonden vooral plaats in de grotere bedrijven. Het zijn vooral de acties in de industriële reuzen die veel ophef maakten, zoals Hispano Olivetti, AEG, Pegaso, Motor Ibérica en natuurlijk SEAT, dat met zijn 28000 werknemers het grootste bedrijf van Spanje was. De sterke fragmentatie van deze industrietak, en ook haar geografische spreiding over de hele industriële zone rond Barcelona, bracht mee dat acties steeds op een verschillend ogenblik uitbraken en nooit onderling werden gecoördineerd. De organisatie van deze acties gebeurde door kleine groepen van militanten van “Arbeiderscommissies” in de verschillende bedrijven. De eisen draaiden voornamelijk rond loonsverhogingen en rond verbetering van de arbeidsvoorwaarden[66].
Vooral in het najaar van 1971 namen de arbeidersacties opnieuw in omvang en
aantal toe, na een terugval tijdens de eerste maanden van het jaar. Voornamelijk
in de zone van Baix Llobregat werden enkele ophefmakende acties gehouden, zoals
in de fabrieken van AEG, Telefunken en ook SEAT