| De Vlaamse Natie op de Canarische eilanden in de 16de eeuw. (Kevin Coornaert) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK V: VLAMINGEN VOOR DE INQUISITIE
NLEIDINGEen belangrijk deel van mijn tijd op de Canarische eilanden heb ik besteed aan het doornemen van getuigenissen en processen tegen Flamencos, bewaard in het archief van de Inquisitie. De onderzoeksresultaten van die consultatie bevinden zich in dit hoofdstuk.
Beginnen doen we echter met twee situerende paragrafen over de ontstaansgeschiedenis van de Spaanse Inquisitie en een beschrijving van haar structuur en werking. Dan volgt een chronologisch overzicht van alle zaken die ik heb doorgenomen[755] voor de periode 1527-1593/94. Tenslotte eindigen we met een flink uit de kluiten gewassen besluit over de impact van de Inquisitie op de Vlaamse aanwezigheid, en de handel tussen Flandes en Canarias, a.d.h.v. de casussen die ik voordien heb besproken. Er is in het besluit ook eerst gelet op de positie van de Inquisitie binnen de Canarische maatschappij.
1. ONTSTAANSGESCHIEDENIS VAN DE SPAANSE INQUISITIE[756]
Twaalf jaar na de Moorse inval in Iberië behaalden de christenen in het noorden bij Covadonga hun eerste overwinning. Meer dan zeven eeuwen later pas werd de Reconquista afgesloten met de overgave van Granada. Het spreekt vanzelf dat de strijd tegen, maar ook het samenleven met de Moren, een onuitwisbare stempel heeft gedrukt op Spanje en Portugal. De Joden speelden al die tijd een bemiddelende rol tussen Muselmannen en christenen, maar zouden nooit een eigen gebied bezetten. Misschien is de geschiedenis van elk ander Europees land nog te begrijpen zonder de genoemde etnische groepen in rekening te brengen, die van Iberië hoegenaamd niet.
Vanzelfsprekend is geen zevenhonderd jaar aan één stuk oorlog gevoerd; Spanje was niet alleen conflict, maar ook tolerantie. Aanvankelijk werd dat laatste het best benaderd in het Moorse Al-Andalus[757]. De openheid gaf aanleiding tot het ontstaan van een cultuur die deze van haar christelijke tegenspeler ver oversteeg. Ze bracht reuzen voort als Abubaker, Averroes en Maimónides.
Rond de 11e en 12e eeuw kreeg het Moorse gebied af te rekenen met de invasies van de Almoravieden en de Almohaden. Zij braken met de tolerante traditie en gingen in het offensief tegen de christenen. Alle gevolgen waren nefast; nergens werd een blijvend succes geboekt en de niet-Moorse elite, christenen en vooral Joden, ontvluchtte Al-Andalus. Aangekomen in christelijk gebied, ervaardden ze een totaal ander klimaat dan dat in het zuiden, of dat van onder de Visigotische koningen in de 7de en 8ste eeuw. In de 13e eeuw, onder Fernando III de Heilige en Alfonso X de Wijze, werden Joden en Moren[758] ingeschakeld voor de culturele inhaalbeweging.
Vooral de Joden werden een machtige groep omdat zij in tegenstelling tot de christenen, wel de vuile beroepen[759] mochten uitoefenen, waaronder dat van bankier… Hun status, gekoppeld aan de overtuiging die hen bestempelde als godsmoordenaars, woekeraars en belastinggaarders, deed de haat toenemen. Het proces bereikte een hoogtepunt in 1391 met een golf van geweld, die zich als een bloedvlek over Spanje verspreidde. De hele 15e eeuw bleven de discriminaties toenemen. Om daaraan te ontsnappen, lieten vele niet-christenen zich hals over kop, en met lijfbehoud als enige motief, bekeren tot het Ware Geloof. Ze werden ‘conversos’ (bekeerden) genoemd, of ook ‘marranos’ (zwijnen), want het ontging velen niet dat de ‘nuevos christianos’ (nieuwe christenen) feitelijk een dubbelleven leidden; voor de buitenwereld christen, maar in het geheim praktizerend Moor of Jood.
Om de ‘conversos’ van de oude christenen te kunnen onderscheiden, werden in de 15e eeuw de wetten op de ‘limpieza de sangre’ (zuiverheid van het bloed) opgesteld. ‘Converso’ was men als één of meerdere van de voorouders Jood was geweest. Op grond van de ‘limpieza de sangre’ werden ze nog in een ander isolement gebracht; in 1449 werden ze uitgesloten van kerkelijke en wereldlijke ambten. Toch duurde het nog even voor het Hof op de kar van de bevolking sprong, opgehitst door de Kerk. In 1464 confronteerde een deel van de geestelijkheid en van de adel, Hendrik IV met de ‘moreel-religieuze schade’ die de Joden, de Mohammedanen en de ‘conversos’ aanrichtten onder de katholieke bevolking. Hendrik IV had echter een zwak voor de Moorse cultuur.
Pas met de Katholieke Koningen, Ferdinand en Isabella, werd er ingegrepen. Verslagen uit Andalusië leken erop te wijzen dat de ‘conversos’ immer stoutmoediger werden en zoals in Cádiz, konden profiteren van rivaliteiten onder christelijke machtselites, die iedereen als vriend konden gebruiken. Daarom werd van 1478 tot 1484 de Spaanse Inquisitie gecreëerd, die gedurende het hele Ancien Régime het maatschappelijke leven op het Iberisch schiereiland voor een groot deel bepaalde.
I.t.t. de nog steeds populaire visie[760] die de Spaanse Inquisitie ziet als een relict uit de Middeleeuwen, lijkt ze juist typisch te zijn voor de Nieuwe Tijden en het proces van staatsvorming (of liever: schaalvergroting). De Middeleeuwen waren minder duister en de Renaissance minder verlicht dan men wel zou denken. Het contrast is geforceerd en dus gaat het niet op om de Spaanse Inquisitie te zien als iets dat wijst op een nazomer van de bekrompen (sic) Middeleeuwen.
2. STRUCTUUR EN WERKING VAN DE INQUISITIE
Anders dan de bisschoppelijke inquisitie was de Spaanse variant uit 1478 ondergeschikt aan de koning, en paste ze in de centralisatiepolitiek. Symptomatisch voor de greep van de wereldlijke macht, was dat de districtsindeling niet meer overeen kwam met deze van de kerkelijke bestuurseenheden.
De aan het hof gevestigde ‘Consejo de la Suprema y General Inquisición’ (Raad van de Spaanse Inquisitie) stond in voor de coördinatie, de gezamelijke acties en de controle van de plaatselijke zetels van de Inquisitie. Ze stond onder leiding van de ‘Inquisidor General’ (Algemeen Inquisiteur), omringd door ‘consejeros’ (raadsheren).
In de diverse districten werden eind 15e eeuw regionale inquisitietribunalen opgericht, met aan het hoofd de voorzitter-inquisiteur. De inquisiteurs kwamen uit gegoede families, studeerden artes en rechten (meer dan theologie!) en hadden de titel van licenciaat of doctor. Hun loopbaan begonnen ze als ‘calificador’ (of ‘fiscal’), zeg maar de openbare aanklager die in een proces de rol van de beschuldigende partij overnam. Later werden ze ‘inquisidor’: rechter. Daartoe moest men al een zekere maturiteit bezitten en oud-christen zijn. Ze hadden plichten, zowel in de hoofdplaats (audiënties, verhoren en folteringen bijwonen,…) als elders in het district (inspectiebezoeken, bijwonen van reconciliaties; schuldenaars die zich terug met het Ware Geloof gingen verzoenen na een scheve schaats gereden te hebben,…). De traditie wilde dat de oudste van de drie ‘inquisidores’, die aan een regionaal tribunaal waren verbonden, tot voorzitter-inquisiteur werd benoemd.
Naast de nationale en regionale niveaus had je tenslotte een lokaal niveau met de ‘comisarios’ en de ‘familiares’, gerecruteerd uit de rijke(re) oude christenen. Nauwelijks vergoed, maar genietend van hun prestige, zorgden ze ervoor dat de Inquisitie als een reusachtige spin vanuit Madrid met haar poten rijkte tot de uithoeken van het Spaanse imperium. Dit was fundamenteel, wou men de geloofs-eenheid instellen na een eeuwenlange traditie met de drie grote monotheïsmen op het schiereiland, om van Amerika nog maar te zwijgen. ‘Comisarios’ coördineerden de acties op plaatselijk niveau, zoals arrestaties, verhoren, ratificatie van getuigenissen, confiscaties, etcetera. ‘Familiares’ fungeerden zowat als hun lijfwachten.
2.2 Een inquisitie-proces[762]
Mohammedanen, Lutheranen, Joden, aanhangers van Erasmus, ‘heksen’/‘tovenaars’ of perverten, waren de belangrijkste categorieën die in aanmerking kwamen voor een vervolgingsprocedure. We gaan kort na hoe een proces eigenlijk verliep. Variaties op dit model waren meer regel dan uitzondering…
De aanleiding kon bestaan uit een zelfbeschuldiging (vanuit gewetenswroeging…), een aangifte van een getuige (gelijk wie) of een onderzoek van de Inquisitie. Bij dat laatste vaardigde de Inquisitie een ‘edito de gracia’ (een gratie-besluit) uit: als de schuldigen zich binnen de dertig of veertig dagen aanmeldden en hun medeplichtigen noemden, dan gingen ze vrijuit.
Eenmaal genoeg getuigenissen, minimum twee, ging de ‘calificador’ de stellingen erin kwalificeren; hij maakte uit of het inderdaad om een misdrijf ging en in welke mate.
Vervolgens maakten de ‘inquisidores’ uit of men de beschuldigde moest aanhouden. Indien ja, dan gingen de ‘alguacil’ (gerechtsdienaar), de ontvanger en een ‘notario de bienes’ (een notaris die de inboedel registreerde), aankloppen bij het slachtoffer, dat in de boeien werd geslagen en zijn goederen geconfisceerd zag. Gedurende het proces zouden die onder het toezicht komen van de ‘juez de bienes’ (iemand die de eigendom van de geprocesseerde beheerde), die eventueel buiten het tribunaal werd gezocht en gevonden in hoofde van bv. handelaars. Daarna gingen de ambtenaren van de Inquisitie terug de getuigen opzoeken, opdat deze hun woorden nogmaals ratificeerden en de garantie gaven dat ze niet omwille van persoonlijke vijandschap[763] leugens hadden verkocht. Eenmaal dat gebeurd, bracht men de ‘reo’ (beklaagde) naar de geheime kerkers van de Inquisitie, waar hij van elk contact met de buitenwereld was afgesloten en mocht gissen naar de reden van zijn aanhouding zowel als naar de identiteit van de persoon/personen die daarvoor verantwoordelijk was/waren[764].
Tijdens het eigenlijke proces waren er minstens drie ‘audiencias’(zittingen), met het voorkomen van de beklaagde, waarin een ‘amonestación’ (een waarschuwing) werd uitgesproken. Die verwittiging maande de beschuldigde aan om te gissen naar de reden van zijn aanhouding. Bij een foute gok groeide de aanklacht soms nog aan, bij een juiste bewees hij zijn misdrijf te erkennen en kon hij rekenen op een milde straf. Daarnaast werd gevraagd naar de levenswandel, de afkomst en de geloofsovertuiging. Wie zich katholiek durfde te noemen -en dat was gezien de omstandigheden erg raadzaam- moest de gebeden kunnen opzeggen, een correct kruisteken slaan en te kennen geven in welke kerk hij naar de mis en te biechte ging.
Leverden de eerste ‘audiencias’ niets op, dan volgde de ‘audiencia de la acusación’: de zitting waarin de ‘fiscal’ zijn aanklacht voorlas en vervolgens een zware straf eiste[765]. Onmiddellijk daarop moest de beklaagde puntsgewijs een antwoord geven. Intussen had hij wel een ‘letrado’ of een ‘curador’ toegewezen gekregen: advocaten verbonden aan het Inquisitie-tribunaal, de eerste voor minderjarigen, de tweede voor volwassenen. De rol van de advocaat beperkte zich in dat stadium echter tot het overhalen van de ‘reo’ om de waarheid te zeggen. Bij afloop van de zitting kreeg de beklaagde een kopie van de aanklacht en mocht hij drie dagen nadenken over zijn verdediging, na eerst nog een ‘amonestación’ te hebben gekregen.
De volgende zitting omvatte de ‘conclusion para pruebas’ (besluit middels bewijzen). De ‘reo’ ratificeerde eerst zijn antwoorden van vorige keer, alvorens de ‘fiscal’ ertoe overging om de ‘audiencia de la publicación’ te vragen: de bekendmaking van de getuigenverklaringen zonder hun namen evenwel te vermelden.
Nog in de vorige zitting of in een volgende moest de beklaagde zijn verdediging op papier zetten (of de advocaat deed dit in zijn plaats) en enkele getuigen ten gunste geven, met inbegrip van de vragen die ze gesteld zou moeten worden. Daartoe werden de ‘comisarios’ op pad gestuurd.
Als de verklaringen ten gunste waren opgetekend, volgde de ‘publicación de defensas’: daarin probeerde de advocaat zijn cliënt vrij te pleiten door de beschuldiging te weerleggen of ze als kwaadaardige leugen af te doen. Na de verdediging was het eigenlijke proces ten einde en gingen de ‘inquisidores’ overleggen.
De uitkomst kon bv. inhouden dat de ‘reo’ gefolterd moest worden om nog meer te weten te komen. In dat geval werd de beklaagde daarvan op de hoogte gebracht, vergezeld met het advies om te bekennen. Bleef hij koppig of wist hij gewoon niets meer aan zijn verhaal toe te voegen, in beide gevallen onderging hij ofwel de ‘potro’ (een rektafel), de ‘garrucha’ (een katrol, waaraan de aan de handen vastgemaakte ongelukkige achterstevoren werd omhooggetrokken) of de ‘waterkruik’ (de beklaagde werd op een tafel gebonden met een linnen doek op de mond, waarop men water goot dat hij/zij telkens moest opdrinken om niet te stikken). Dat klinkt wreed, maar al bij al werd foltering niet vaak toegepast, en waren de methodes bij het “vragenuurtje” van de wereldlijke rechtbanken soms een veelvoud erger.
Gingen de rechters over tot een vonnis, dan varieerde dat van vrijspraak tot de brandstapel. Elke veroordeling verplichtte de ‘reo’ tot een ‘auto de fe’ (een daad van Het Geloof). Vond men de zonden niet zo zwaar doorwegen, dan ging het om een ‘auto particular de fe’; in een kerk of een audiëntiezaal zweerde de veroordeelde zijn dwalingen af en verkreeg hij een ‘reconciliación’ (verzoening) met de Kerk. Was het vonnis zwaar tot fataal, dan moest de veroordeelde opdraven in een ‘auto público de fe’; een stoet van veroordeelden eens om de zoveel jaar of maanden, allen in boetekleed. Wie ter dood was veroordeeld, werd op het einde overgeleverd aan de wereldlijke macht om op de brandstapel geplaatst te worden[766]. Indien hij was kunnen ontkomen, werd een beeltenis van hem verbrand. Al wie niet geroosterd werd, kreeg echter jaren cel, boetes en een stigma erbovenop. Het boetekleed werd immers opgehangen in de parochiekerk om te herinneren aan de wandaad.
3. DE VLAMINGEN EN DE INQUISITIE
Eerst geef ik een (relatief) kort overzicht van de zaken, daarna trek ik de nodige conclusies.
3.1 Beknopt chronologisch verslag van de bekende processen en getuigenissen tegen Flamencos (1527-1592)[767]
Zowat alle dossiers zijn onvolledig, ik kan slechts geven wat ik zag.
La Palma 1527: proces tegen Jácome de Monteverde (Jacob van Groenenbergh)
Dit proces werd al besproken bij de levensschets van Jácome[768]. N.a.v. een getuigenis van de handelaar Levin Bonoga (?) werd hij verdacht van Lutherse ketterij. Het bezit van verboden boeken lag aan de basis van de verdenking. De zaak, ingezet op de Canarische eilanden, werd echter afgerond in Sevilla, waar Jácome veroordeeld werd tot een jaar kloosterleven en het verlies van een tiende van zijn reusachtige bezit, dat hij als autonoom suikerplanter had opgebouwd.
Gran Canaria 1548: Lamberto Broque (?) doet boete[769]
In de getuigenis die hierop volgt, wordt melding gemaakt van Lamberto Broque (handelaar), die voor het begin van een preek boete deed omwille van enkele stoute woorden over de pauselijke aflaten. De feiten werden gepleegd in Antwerpen, en enkele Spanjaarden waren er getuige van geweest. Naast de plechtige boetedoening werd Lamberto een maand op retraite gestuurd naar een klooster.
Lamberto had dus Lutherse sympathieën…
Gran Canaria 1548: getuigenis tegen Jacques Ubertin (?) en Diego (?)[770]
Francisco Hernández legde bezwarende verklaringen af tegen Jacques Ubertin en zijn knechtje Diego, beiden tonneliers. Jacques had gelachen met de pauselijke aflaten; “de Castilianen zijn beesten daar ze hun geld aan dergelijke papieren hangen”. Tijdens het gesprek rukte hij iemand zijn aflaat uit de handen en slingerde het rolletje de lucht in. De daar aanwezige Tomas Cataño dreigde Zijne Heiligheid op de hoogte te brengen en vertelde deze getuige achteraf, hoe hij Jacques eerder al bloedworst had zien eten tijdens de vasten. In de discussie die daarop volgde, had de broeder gewaarschuwd voor de toorn van de Heiligen, maar Jacques zei met zoveel woorden dat ze hem toch niet konden horen. De Flamenco zei ook dat men in Flandes niet bad voor houten afbeeldingen. Tenslotte vertelde Francisco dat hij tijdens vastenavond Jacques was tegengekomen met zijn Vlaams knechtje Diego, en toen hij hen vroeg waarom ze geen religieuze activiteit ondernamen[771], antwoordde Diego dat ze liever gingen gaan avondmalen, want daar hadden ze meer baat van.
We zien hier duidelijke Lutherse elementen; tegen de aflaat, tegen het vereren van heiligenbeelden en een a-religieuze houding. De aantijgingen kunnen echter overdreven zijn, zeker als er verklaringen uit tweede hand worden bijgesleurd.
La Palma 1552: proces tegen Diego de Monteverde (Diego van Groenenbergh)[772]
Om de nogal bizarre reden dat Juan de Monteverde door broerlief de huid werd volgescholden, begon Juan een proces in de schoot van de Inquisitie. De uitkomst is mij onbekend, gezien de staat van het document…
La Palma 1557: proces tegen Cornieles Bandique (Cornelis Van Dijck)[773]
Deze rasechte protestant gedroeg zich ronduit arrogant op La Palma. Hij maakte de katholieke bevolking belachelijk en urineerde ostentatief tegen de kruisen langs de weg. De eucharistieviering vond hij wat misplaatst gegoochel; “de priesters slapen een beetje, eten een beetje en drinken een beetje”. Toen de Inquisitie het welletjes vond, trof men een leeg huis aan; de vogel was al gaan vliegen. In 1557 werd dan maar een beeltenis van hem verbrand tijdens de publieke ‘auto de fe’.
La Palma 1566: fragment van het proces tegen Hendrik Augustijn[774]
Herman Jacques, piloot van de Fortuna, een Vlaams schip uit Vlissingen, dat aanlegde in Santa Cruz de La Palma in 1566, getuigde als eerste tegen de ‘maestre’ van het schip, Hendrik Augustijn. Na hem volgden nog andere zijn voorbeeld. Ook Hendrik kwam aan het woord. Sommige getuigenissen zijn pro-Augustijn.
De aanklacht staat bol van de futuliteiten, die wijzen op een zeer onaangename overtocht… Onderweg had de ‘maestre’ gepocht seks te hebben gehad met een vrouw en haar twee dochters. Daarop dreef Jacques de spot met hem door “papa, papa”[775] te roepen en daarbij een fikse boer te laten. Hendrik had voorts de Portugese bemanning in het midden van een storm toegeschreeuwd dat ze de Maagd maar moesten oproepen. Toen de Portugezen het op die manier probeerden tijdens een volgend ontij, riep Hendrik dat hij ze wou zien hangen. Hij vond ze blijkbaar imbeciele “papisten” en riep naar één van hen dat hij de hond aan boord hoger inschatte. Toen de Lusitaniërs hem vroegen of hij niet droomde van de hemel, antwoordde hij dat hij wou leven in een zinnelijke wereld en dat hij nog steeds wachtte op de eerste die uit de hemel zou komen om hem te vertellen wat daar aan de gang was. Wanneer ze langs Fuerteventura vaarden, verweet Hendrik de piloot onbekwaamheid; Jacques verdedigde zich en stelde dat ieder schip op weg naar El Hierro deze route volgde. De communicatie werd bepaald grofsoortig en voor de zoveelste keer gingen beiden op de vuist. De bemanning was te gelaten om beide gekken in zee te schoppen. Tenslotte had Hendrik zijn wens uitgesproken om tussen de Hugenoten te gaan leven in Frankrijk of in Engeland (sic), want hij voelde zich in katholieke landen als een hond.
Deze zaak werd gevoerd voor een wereldlijke rechtbank, vooraleer ze werd opgeëist door de Canarische Inquisitie (in wiens archief ze dus is beland), die ze op haar beurt naar Sevilla zou doorsturen[776]. Naar de afloop is het gissen, maar gezien de tegenstrijdigheid van de getuigenverklaringen[777] en de stellige ontkenningen van Hendrik, gok ik dat hij het voordeel van de twijfel zal hebben gekregen.
Het hele verhaal illustreert dat het geen sinecure was om tijdens de lange overtocht in een notedopje, op een egaal blauw vlak, met elkaar te kunnen leven.
La Palma 1570-1571: getuigenissen en proces tegen Levino Apolonio Gandobrugano (Lieven van Ghentbrugghe)[778]
Het proces kwam al aan bod bij de bespreking van deze figuur. In feite trof de man weinig schuld; als Spaans onkundig lesgever in de grammatica werd hij soms razend en wanhopig tegelijk, en gaf hij aldoor aanleiding tot misverstanden. Het kwam echter niet tot een vonnis, en tenslotte werd de zaak geseponeerd.
La Gomera 1570: getuigenis tegen o.m. Miguel de Monteverde (Michiel van Groenenbergh)[779]
Deze getuigenis en de context ervan, werden eerder al uitvoerig besproken[780]. Kort gezegd kwam het erop neer dat heel La Gomera, en vooral de entourage van de Heer van de eilanden La Gomera en El Hierro, Don Diego de Ayala, (met o.a. Miguel de Monteverde), verdacht werd van ongeoorloofde (handels)contacten met de Franse piraat Jacques de Sores en ondervraagd zou worden. In het getuigenis van één van de bestuurders van La Palma, die de piraten liefst een kopje kleiner had gemaakt, maar precies door Miguel werd verhinderd zoiets te doen, wordt de Flamenco beschreven als dé tussenpersoon (hij was dan ook tolk) van Jacques de Sores en Diego de Ayala. Hij had een sleutelrol gespeeld in de vreedzame afloop van het bezoek van de Fransen.
Of er veroordelingen werden uitgesproken is niet duidelijk, maar uiteindelijk kon de Inquisitie niet anders dan inzien dat gewapend verzet tegen de Fransen zou zijn uitgedraaid op een slachtpartij.
Gran Canaria 1569-’70: getuigenis ten laste en tijdelijke gevangenneming van Cornieles de Mannacre (Cornelis Mannacker)[781]
N.a.v. een getuigenis, waarvan we helaas de inhoud niet konden ontcijferen, werd handelaar Cornieles een tijdje vastgehouden. Of er een proces gekomen is, blijft alsnog onduidelijk. De Flamenco vertelde wel, toen hij kwam getuigen ten gunste op het proces van Daniel Bandama (Daniel Van Damme) in 1575, dat die laatste hem angstvallig meed sinds zijn contact met de Inquisitie. “Daniel ware nochtans welkom geweest, want zo’n brave katholiek weigert men de toegang niet”.
Tenerife of Gran Canaria 1571: getuigenis tegen Thomas Yans (Thomas Jansone?)[782]
Juan Diaz diende klacht in bij de Inquisitie, omdat Thomas Yans in de mis meer oog had voor de architectuur dan voor het altaar. De afloop is onbekend, want het getuigenis werd niet geconsulteerd.
Tenerife 1574: proces tegen Cornieles Bahenden (Cornelis Van Emden)[783]
In Tenerife kreeg deze Flamenco een proces aan zijn broek omdat hij tegen een Engelsman, waarschijnlijk John Druc (partner van Cornieles) of Andrew Barker[784], gezegd zou hebben: “In ’s hemelsnaam, je gaat jezelf toch niet aangeven bij de Inquisitie!”. Daarmee maakte hij zich schuldig aan het beschermen van ketters. Niettemin toonde het Heilig Officie mededogen, want het proces wordt bewaard in een bundel met ‘penitenciados’; mensen met erg lichte veroordelingen die veelal symbolisch waren. Toch moest Cornieles in 1575, waarschijnlijk tijdens de procedure, een tijdje brommen[785]. De Inquisitie zou trouwens nog van Cornieles diensten gebruik maken, tot ze het zich bekloeg[786].
Gran Canaria 1575: fragment van het proces tegen Daniel Bandama (Daniel Van Damme)[787]
Waarschijnlijk naar aanleiding van twee getuigenissen tegen hem in Tenerife, in 1570 en 1572[788], vermoedelijk door Luis Arias, kreeg Daniel in 1575 een proces aan de broek van diezelfde Luis. De zaak werd al eens door ons aangesneden[789].
Het gaat erom dat Daniel Bandama door Luis Arias werd aangeklaagd om woorden tegen het geloof, die de Vlaamse handelaar gesproken zou hebben tien jaar voor aanvang van het proces, toen hij als jongen school liep in Gran Canaria, nadat hij pas uit Flandes was geëmigreerd. Het fragment begint ergens halfweg de zaak, met de verdediging van Daniel. Die was gebaseerd op het feit dat hij met Arias commerciële geschillen had, waardoor Luis & co. valse verklaringen aflegden. Hij erkende misschien iets onorthodox te hebben gezegd, lang geleden op de school, maar verschuilde zich tegelijk achter de aanpassingsproblemen die hij als kleine jongen in een vreemd milieu had ervaren. Niemand verstond hem, behalve de Vlaamse zilversmid bij wie hij inwoonde. Na de verdediging komt een lijst van getuigen ten gunste, maar de vragen die ze gesteld zouden worden, zijn spoorloos. Zo niet de getuigenissen; zeventien stuks, voornamelijk handelend over Daniel’s tijd op de schoolbanken, zijn relaties met Luis Arias en zijn gelovigheid. Vreemd genoeg zijn enkele pro-Arias.
Het einde ontbreekt, wat meteen betekent dat we de afloop niet kennen. We weten wel dat Daniel vanaf eind mei 1574 in de kerkers is beland, om eind mei 1575 naar het hospitaal te worden gebracht[790]. Eind maart 1576 verscheen hij nogmaals voor de Inquisitie in een zaak tegen een te lakse kerkerbewaker die thuis ging slapen i.p.v. “op het werk”, en de deuren van de cellen openzette zodat de gevangenen elkaar ontmoetten in de patio, en er zelfs burleske toneeltjes opzetten met tamboers e.d.m. om zich onledig te houden. Daniel beweerde dat hij al uit de gevangenis was toen dat zich afgespeeld moet hebben[791]. Of hij zich daarmee heeft gered is de vraag; in december van datzelfde jaar zat hij waarschijnlijk opnieuw vast, getuige zijn vermelding in de ‘libro de carcel’ (boek van de kerkers[792])[793]. Interessant is wel een passage die opduikt in het verderop besproken proces tegen Pablo de Angaroa (Pauwels Langerode). Die zou in 1575 iemand gevraagd hebben naar de afloop van de zaak van Daniel en als antwoord hebben gekregen dat hij was vrijgekomen dankzij een beschikking van zijne majesteit Filips II, die de Inquisitie beval elke Flamenco vrij te laten. Dat laatste is zeer twijfelachtig, maar de passage over de vrijlating van een Flamenco in 1575 die Daniel noemde, slaat ongetwijfeld op deze Daniel Bandama[794].
Tenerife? 1579?: procedure tegen Cornieles Bahenden (Cornelis Van Emden)[795]
In 1575 werden te La Laguna op Tenerife, twee Engelsen aangehouden op verdenking van protestantse sympathieën: Andrew Barker en zijn agent John Druc. Die laatste hield zich voordien bezig met de handel in kleding en wijn. Op momenten dat hij afwezig was, nam de Flamenco Cornieles Bahenden het even van hem over.
Diezelfde Cornieles werd door de Inquisitie in 1576 verzocht een inventaris te maken van het bezit en de rekeningen van John Druc en Andrew Barker. Nog voor hij daarmee klaar was, bekloeg John zich er zich over dat het niet betaamde dat Cornieles zijn schulden ging innen, terwijl de Flamenco er nog openstaan had bij hemzelf. Bovendien had Cornieles al eerder zonder zijn toestemming schulden van John geïnd. Hij vroeg dan ook dat men iemand zou sturen naar La Palma, waar Cornieles bezig was met zijn opdracht, om de fraudeur naar Tenerife te brengen. John vreesde dat de Flamenco anders op een schip zou springen naar Flandes.
Ruim vier maanden later stond Cornieles dan toch voor de functionarissen van de Inquisitie in La Laguna. Hij bleek voor de zeer respectabele som van 1185405 maravedís aan schulden t.o.v. John Druc, te hebben geïncasseerd. Toch is het niet duidelijk welk deel sloeg op de periode vóór zijn opdracht van de Inquisitie, en welk daarna. Bovendien beweerden sommige getuigen die een schuld hadden uitbetaald, zoals Pedro Esterlin (Peter Westerling), dat op dat moment zowel John als Cornieles aanwezig waren. Van zijn kant bleef de Flamenco volhouden dat hij iedere geïnde schuld netjes had overgemaakt aan John, toen die nog op vrije voeten was.
Wat er ook van zij, in 1579 was de inventaris nog niet af, zodanig dat de Inquisitie een procedure begon tegen Cornieles wegens de “originele” manier waarop hij de inbeslaggenomen goederen van John en Andrew beheerde en vooral… verduisterde.
De uitkomst is onbekend.
Gran Canaria en La Palma 1559, 1575 en 1580: twee getuigenissen en een fragment van het proces tegen Pablo de Angaroa (Pauwels Langerode)[796]
Het proces tegen handelaar Pablo dateert van 1580, maar er werd nog een getuigenis aan toegevoegd uit 1559 en nog één uit 1575.
In 1559 legde de mulat Pedro de Carias verklaringen af tegen de Flamenco. Toen hij te paard vanuit Telde[797] kwam, ontmoette hij twee jonge Flamencos, waarvan de één hem vroeg om zijn zieke makker op een paard te mogen zetten. Pedro weigerde in eerste instantie met het excuus dat hij erg gehaast was, maar draaide bij toen hij geld kreeg aangeboden. Eenmaal Pablo op het paard was getild en Pedro wandelend met het dier aan de teugels zijn tocht voortzette, schoot het hen beiden te binnen elkaar al gezien te hebben op La Palma. Het gesprek viel plots op de figuur van Cornieles Bandique (Cornelis Van Dijck)[798]; de Flamenco die wegens Lutherse ketterij was veroordeeld, maar had weten te ontkomen. Pablo toonde meer dan gezonde sympathie voor zijn landgenoot en insinueerde dat de Inquisitie Cornieles’ goederen had geconfisceerd uit geldhonger. Voorts stelde hij dat het biechten tegen een priester geen waarde had, dat men geen houten beelden moest aanbidden, en dat wanneer religieuzen sterven, zijn collega’s hem meteen ophemelen terwijl ze weten dat enkel God bevoegd is om te oordelen. Pablo leek gelanceerd, want hij klaagde de vervolging van de “maranos”[799] aan en noemde de Paus een handlanger van de Franse koning en de Turkse pacha (sultan). Volgens Pedro was Pablo afkomstig van een Engels schip, dat te pletter was geslagen op de kust bij Telde, en waarop hij was meegevaren als notaris. Sindsdien woonde hij op het eiland.
Het getuigenis van diezelfde Pedro uit 1575, vertelt hetzelfde verhaal, met enkele onbenullige verschillen i.v.m. de uitlatingen van Pablo.
In 1580 werd Pedro door de Inquisitie opgeroepen om zijn getuigenissen te ratificeren. Hij deed dit en voegde eraan toe dat Pablo hem toendertijd nog had afgeblaft wanneer hij de Flamenco de vraag stelde of hij mens dan wel duivel was.
Iets verderop in het dossier vinden we het verslag van de confiscatie van Pablo’s goederen in zijn huis te Guía[800]. Men trof het één en ander aan, maar doorgaans waren de spullen versleten; een oude tafel met wat stoelen, een krat met vermolmde papieren, twee houten kommen, een alchemistenflesje met wat vloeistof, een grote stoffen zak, twee versleten matrassen, een versierd hoofdkussen, een oude bedsprei, twee “cavanas”[801], een versierd stuk om zijn bed om te vormen tot een hemelbed, enkele mantels en wat linnen, twee stukken muurbehang uit zeer oud linnen, een oude stoel, een oude “cofre de Flandes”[802] met twee sloten en één sleutel, een haakbus, wat beddeplanken en twee banken, een grote ton, een rieten mat, een houtsnijwerkje, enkele aardewerken kruiken, een glas, een brievenstandaard, een kom, een kandelaar en een boor. Enkele goederen werden openbaar verkocht tegen de som van 91,5 nieuwe realen; geld dat zou dienen voor de gevangeniskosten. De rest werd onder beheer geplaatst van Juan Batista de Riverol.
Daarna volgden enkele getuigenissen, waarmee de Inquisitie wilde te weten komen of Pedro te vertrouwen was.
Dan kwam Pablo zelf aan bod. Hij beweerde 38 jaar te zijn en geboren in Antwerpen. Uit het verhaal over zijn ouders kunnen we weinig opmaken; tenzij dat hij in het huis logeerde van de oom van een markies. Geen van zijn grootouders had hij ooit gekend en ook zijn broer Hendrik was hij helemaal uit het oog verloren. Pablo was tot voor een half jaar gehuwd met Isabel Paez die jammerlijk was overleden, en met wie hij de nu 16-jarige zoon Salvador had. Op de vraag of iemand van zijn familie al in contact was gekomen met de Inquisitie, antwoordde hij ontkennend. Op deze over zijn gelovigheid, knikte hij vol overgave. Hij zette een paternoster in, de geloofsbelijdenis en een Ave Maria, maar mocht stoppen. Hij beweerde in Antwerpen en in Leuven te hebben gestudeerd en aldus Latijn te kunnen. Of hij al buiten Castillië was geweest? Nee beweerde Pablo, hij was steeds in Guía gebleven nadat zijn schip in 1559 voor de kust van Telde was vergaan. Hij was wel al eens in La Palma geweest vóór de schipbreuk, tussen 1550 en 1556 om als kleine jongen Spaans te leren, en dan nogmaals meegereisd als notaris op een schip, dat zijn tocht naar de archipel wel had overleefd. Kortom, zijn derde bezoek was definitief geworden.
Als men Pablo vroeg te gissen naar de reden van zijn gevangenzetting, noemde hij een incident met een handlezeres, waarop hij prompt de eerste waarschuwing kreeg om met iets zinnigers voor de dag te komen. Twee zittingen en evenveel verwittigingen later wist Pablo nog steeds niet wat hij had mispeuterd[803]. De ‘fiscal’ dreigde met de publicatie van de aanklacht, waardoor de kans op genade zou afnemen. Enigszins in paniek gokte Pablo naar de naam van de getuige die een persoonlijke vijand zou zijn, maar het ging echter niet om Pedro de Carias… De publicatie van de aanklacht bleef bijgevolg niet uit. In 15 punten werd nogmaals de getuigenis van Pedro uiteengezet. Pablo antwoordde afwisselend met ontkenningen en schokschouderen. Nadien kreeg hij een kopie van de aanklacht en zou hij drie dagen mogen bezinnen over een uitvoeriger antwoord. Doctor Lercaro werd zijn advocaat.
Over die laatste was hij niet geheel tevreden, omdat hij vreesde dat Lercaro geen tijd zou hebben. Een verzoek om hem te vervangen, werd echter afgewezen. Vervolgens meende hij zich te herinneren dat zijn zoon nog van niets op de hoogte was[804] en hij die wel eens dringend moest spreken over zijn toekomst. In een gesprek met Lercaro vertelde Pablo dat alle getuigen logen; Lercaro van zijn kant, moedigde hem aan de waarheid te spreken.
Een ultieme poging om het proces te laten stoppen en onmiddellijk vrij te komen, steunt op een moeilijk te interpreteren bewering. Ca. 1575 zou hij op weg van Guía naar Las Palmas aan een zekere Fadrique Cuellas gevraagd hebben hoe het was afgelopen met het Inquisitieproces van de Flamenco Daniel[805]. Cuellas beweerde dat deze was losgelaten op grond van een beslissing van Filips II, om alle Flamencos gevangen in de kerkers van de Inquisitie, vrij te laten en ze hun goederen terug te schenken. De inquisiteur vroeg onmiddellijk waar deze geschreven order zich nu bevond, waarop Pablo hem aanraadde het dossier van Daniel nog eens in te kijken of navraag te doen op het stadhuis.
Wat er ook van zij, er is nooit meer melding van gemaakt en we kunnen dus besluiten dat het een truc was. Een maand later antwoordde Pablo opnieuw puntsgewijs op de aanklacht. Hij beweerde dat niet hij het was die in 1559 Pedro de Carias had ontmoet en ermee had gediscussieerd, maar een zekere Pablo Delemens (?), een schoenmaker die vanuit Flandes met koopwaar was gekomen. Voor het overige waren zijn antwoorden identiek aan de vorige keer. Hij gokte nog op de getuige ten laste, maar hij had het opnieuw verkeerd voor.
Nog twee maanden later gaf Pablo een lijst van getuigen ten gunste, en de vragen die hen gesteld moesten worden. Onder hen figureren Vlaamse handelaren, zoals Art Tils (?) en Cornieles de Mannacre (Cornelis Mannacker). Het dossier stopt met de schriftelijke verdediging, ondertekend door Pablo en doctor Lercaro. Wat er van de Flamenco is geworden, blijft een open vraag.
La Palma 1581: getuigenis tegen Pedro Van Dalle (Peter van Dale)[806]
De Portugees Goncalianez legde klacht neer tegen deze Vlaamse suikerplanter om naar eigen zeggen zijn geweten te lichten. De eerste aantijging houdt niets in; Pedro zou in 1574 een Frans schip hebben helpen laden, waarvan enkele bemanningsleden een kruis hadden verbrand ergens langs de weg in Tazacorte[807]. De tweede woog al wat zwaarder: in 1578 had hij van een collecteur voor het Heilig Sacrament, Antonio Gonzales, vernomen dat hij van het erf van Pedro Van Dalle was gegooid, toen hij om een bijdrage ging vragen. De Flamenco had nog geroepen: “Ik geef geen geld om de abten hun reet te laten vullen”.
Op de vraag of de Portugees op voet van vijandschap leefde met Pedro, erkende hij enkele processen lopende te hebben tegen de Flamenco.
De motieven achter de getuigenis moeten daarin worden gezocht. Pedro is waarschijnlijk geeneens opgeroepen en de zaak werd volgens mij geseponeerd.
La Palma 1581: getuigenis tegen Antonio de Guisla (Antoon Ghiselinck)[808]
Marcos Hernandes, een vrije neger, legde getuigenis af tegen de uit Brugge afkomstige handelaar Antonio de Guisla. In het gezelschap van die laatste voer hij in 1580 naar Vlissingen. Ginds aangekomen, verbleven ze ten huize van de beruchtste piraat van de stad, Mathias Darca, van wie Marcos beweerde dat hij binnen de maand werd verwacht op Gran Canaria[809]. Ter plaatse ging Antonio bij gelegenheid naar de mis, maar hij kwam erg verward terug. Hij vertelde Marcos een mooie preek te hebben gehoord, maar tot zijn verbazing waren alle heiligenbeelden in de Kerk onthoofd en was er op één van de beelden een papier bevestigd met het opschrift “Paus van Spanje en van de Inquisitie”, hetgeen hij een schurkenstreek vond. Tijdens een andere preek was hij in spontaan gelach uitgebarsten toen de aanwezige vrouwen al zingend antwoordden op de woorden van de predikant. De gelovigen kwamen op hem af, Antonio probeerde nog met “We zijn toch in het huis van God!”, maar verloor toch enkele tanden. Een zondermeer ontroerende sequens, waaruit blijkt dat Flamencos gevestigd op de Canarische eilanden soms de voeling kwijtraakten met hun geboorteland en er bijgevolg niets meer van begrepen. Antonio wist dan misschien vaag wat Calvinisten waren, de Beeldenstorm was aan hem voorbijgegaan.
In Vlissingen zong het Canarisch-Vlaamse gezelschap ook psalmen met de genoemde piraat en zijn vrouw. Tenslotte getuigde Marcos dat hij tijdens de terugtocht gedwongen werd om vlees te eten, hoewel het vasten was. Toen Marcos daartegen bezwaar maakte, werd gedreigd hem overboord te zetten. Eenmaal op Gran Canaria werd hij ingelepeld over de reis en de gebeurtenissen in Vlissingen niets uit te lekken.
Naar mijn aanvoelen is deze getuigenis oprecht, en niet ingegeven door persoonlijke vijandschap. Wat er verder mee gebeurde, is jammergenoeg onbekend.
La Palma 1581: getuigenis tegen Anes de Ansel (?)[810]
Gaspar Pereira legde getuigenis af tegen Anes, omdat hij vier of vijf jaar eerder tijdens een gesprek met de Flamenco het wel erg bizarre verwijt had gekregen dat alles wat in Flandes misliep, zijn schuld was. Gaspar kon er geen knoop aan vastmaken.
Aan deze verklaring zal wel geen gevolg gegeven zijn, gezien het een erg vage klacht betrof, die wel eens op wrok had kunnen berusten.
Gran Canaria 1584: getuigenis tegen enkele Vlaamse zeelieden[811]
Maria Vaez diende klacht in over het baldadige gedrag van enkele Flamencos bij haar thuis in de haven van Las Isletas in Las Palmas. De zeelui hadden eerst geprobeerd wat appels aan te brengen, maar begonnen vervolgens te zingen (?!) en schunnigheden te vertellen tegen een daar aanwezige vrouw, die helemaal ondersteboven de moeder van God aanriep en de snoodaards gebood te vertrekken. Voor het zover was, werd er nog een stevig potje gescholden en gespuugd…
De kans is echter groot dat de Inquisitie ze nooit heeft gevat en de vogels al waren gaan vliegen.
Gran Canaria, Tenerife, Fuerteventura en Lanzarote 1586: proces tegen Thomas Simms en Jan Hendrickx[812]
In 1585 dook langs de kusten van de Canarische eilanden het eskader op van Sir Francis Drake, wellicht de bekendste kaper ooit[813]. Datzelfde jaar werden in Fuerteventura (en Tenerife) een kleine twintig Engelsen opgepakt, onder wie twee Flamencos; Thomas Simms en Jan Hendrickx. Het gezelschap maakte naar alle waarschijnlijkheid deel uit van de vloot van Drake, maar bedacht een verward en niet altijd gelijklopend epos om zijn ware identiteit toch maar niet te moeten prijsgeven… De Inquisitie hechtte er in alle geval weinig geloof aan en sprak zware straffen uit.
Van Thomas Simms hebben we de getuigenis achterhaald. Hij was echter meer Engelsman dan Flamenco, aangezien hij als peuter in 1579[814] met zijn ouders het Kanaal overstak en sindsdien niet meer naar zijn geboorteland was teruggekeerd. Volgens zijn getuigenis was de groep arrestanten in 1585 met het Engelse schip de ‘Prime Rose’ gaan vissen voor de kusten van Newfoundland. Toen ze van daaruit met de vangst koers zetten naar Tenerife, waar de Engelse koopman Josre Lopez hen verwachtte, werden ze ter hoogte van Cabo São Vicente[815] overvallen door twee Franse schepen die ze hun schip afnamen en hen in een kleinere, lekkende schuit zetten. Niet zonder voorafgaand bloedvergieten overigens.
Na overleg besloten ze toch door te varen naar Tenerife opdat Josre Lopez hen zou opvangen en instaan voor de terugreis naar Engeland. Ter hoogte van Fuerteventura werden ze echter nog tweemaal geënterd door Fransen. Uiteindelijk werd iedereen gedwongen in zee te springen en al zwemmend de kust van Fuerteventura te bereiken. Wanneer ze druipnat op het strand stonden te mijmeren, werden ze opgepakt.
Vier lange maanden later, onder bewaking van de autoriteiten, zag Thomas toch de kans om illegaal op het schip van een Portugees de overtocht naar Tenerife te maken. Toen de schipper ’s nachts op het dek de koers wou opmeten, liep hij ergens tegenaan en sukkelde uiteindelijk de zee in, hij verdween in het duister[816]. In Tenerife logeerde Thomas ten huize van Josre tot hij gearresteerd werd dankzij een tip van de gouverneur van Lanzarote aan zijn Tinerfijnse collega.
Van het proces is geen spoor[817], maar het moet hebben plaatsgevonden want in 1587 draafde Thomas op in een publieke auto de fe als ‘reconciliado’; hij werd dus verzoend met de Kerk. Toch kreeg hij honderd zweepslagen en vijf jaar gedwongen dienst op de Spaanse galeien[818]. Die had hij verdiend aan zijn protestantse opvattingen, en aan de uitspraak dat de koningin van Engeland een betere christen was dan de koning van Spanje. Hij was overigens pas beginnen praten na foltering[819].
Jan Hendrickx was intussen al lang gaan lopen, optimaal gebruik makend van het feit dat men hem de stad van Las Palmas als gevangenis had toegewezen, omdat de kerkers overvol zaten. Toch zou hij zijn straf uiteindelijk nog wel krijgen[820].
Tenerife en Gran Canaria 1587: getuigenis tegen Pedro Esterlin (Peter Westerling)[821]
Juan Suarez, advocaat van de ‘Real Audiencia’, getuigde tegen Pedro n.a.v. diens handelscontacten met piraten. Het ging om drie schepen, afkomstig van La Rochelle of Vlissingen, op de vlucht uit de Iberische havens (waar ze met inbeslagname waren bedreigd), en die eerst in Madeira tevergeefs hadden geprobeerd aan een lading wijn te komen. Het lukte wel in Garachico op Tenerife, dankzij Pedro Esterlin die geen last had van scrupules. De piraten betaalden hem 16,5 dukaten.
Een groot deel van de getuigenis is onleesbaar, “dankzij” de rampzalig uitgedraaide restauratiepogingen van een deel van het archief, begin deze eeuw. Normaal liet de Inquisitie zulke zaken niet blauw blauw, i.t.t. de wereldlijke overheid die lakser was, hoewel ze hier aan de basis lag van de klacht…
Tenerife 1587: getuigenis tegen een Vlaamse schipper[822]
Enkele aandachtige kerkgangers hadden gemerkt hoe een Vlaams schipper tijdens de dienst z’n muts over zijn gezicht trok en een slaapje deed. De fysieke beschrijving is karakteristiek; groot, struis gebouwd en met een baard.
Met dergelijke prullen hield zelfs de Inquisitie zich zelden bezig.
Tenerife 1587: getuigenis tegen enkele Vlaamse (?) schepen[823]
Verschillende bewoners van de Tinerfijnse havenstad Garachico legden klacht neer tegen enkele Vlaamse schepen die uitbundig de verjaardag van de koningin van Engeland[824] hadden gevierd. Ik vermoed dat het gaat om Engelse schepen i.p.v. Vlaamse. Anderzijds wapperden de vlaggen volop en men kan de havenbewoners er toch moeilijk van verdenken deze niet te kunnen onderscheiden van Engelse. Of voeren ze onder valse vlag?
Niet zozeer de vreugdesalvo’s die verwarring hadden gesticht bij de bevolking, als wel het gedenken van de geboorte van Spanje’s publieke vijand nr. 1, was erg gewaagd.
Tenerife 1587: procedure tegen smokkelaars[825]
In 1587 brachten functionarissen van de Inquisitie in de haven van Garachico een inspectiebezoek aan een zogenaamd Deens schip, met Deense bemanning. Vermoedelijk logen ze over hun afkomst, die we net als de Inquisitie situeren in de toenmalige Republiek. Als gevolg daarvan werd alles geconfisceerd. De Vlaamse bestemmelingen van de goederen dienden echter met succes klacht in bij de ‘Audiencia’. Diezelfde handelaars, zijnde Pedro Blanco (Pedro de Witte), Simón Brand (Simon Brand) en Andrés Boudaen (Andries Boudaen), zorgden verder nog voor een retourlading inclusief de betaling van een boete van 2000 dukaten en een borg die garandeerde dat de vracht bestemd was voor katholieke gebieden[826]. Tegen de bemanning werd schijnbaar niets meer ondernomen; de tegenstand van de ‘Audiencia’ was er niet vreemd aan. Daarbij kwam dat de kapitein en de facto hoofdverantwoordelijke er in Garachico het bijltje bij neer had gelegd na een arbeidsongeval.
Gran Canaria en Tenerife 1588: getuigenis tegen Jacques (?)[827]
Getuigenis van Hernando de Alvaron (?) Betancor (?) tegen de Flamenco Jacques. Tijdens een theologische discussie die voor iemand uit de 20ste eeuw haast onbegrijpelijk is, kregen beiden het aan de stok over thema’s als de Paus, ketterij, Flandes, etcetera. Jacques moet een protestant zijn geweest, dat blijkt ook uit de bewering dat hij nog in Duitsland en in Engeland had verbleven.
Gran Canaria 1588: getuigenis tegen Art Tils (?)[828]
Pero Velez de Valdes (?) legde klacht neer tegen Art Tils. Uit het weinige dat nog leesbaar is, zouden we kunnen opmaken dat Art het opnam voor een mulat-slaaf die beweerde even mooi te zijn als God.
Dit viel waarschijnlijk te licht uit voor vervolging.
Gran Canaria en Tenerife 1588-‘89: twee getuigenissen ten gunste (?) van Leonardo Juanes (Leonart Jansone?)[829]
De eerste getuigenis komt van de Franse handelaar Gaspar de Molina die uit gewetens-problemen bij de Inquisitie zijn hart kwam luchten over hetgeen hij meegemaakt had ca. 1579-1580 in Antwerpen. Hij deed dat 8 à 9 jaar na de feiten, omdat Leonardo Juanes op de Canarische eilanden was aangekomen die daar toen (althans in de ogen van Gaspar de Molina) een dubieuze rol had gespeeld. Naar aanleiding van zijn informatie werd de Spaanse handelaar Gaspar de Espinosa opgeroepen om het verhaal te bevestigen. Zijn broer Manuel, die net als de genoemden aanwezig was op het tafereel waarover de Molina berichtte, kon niet worden ondervraagd wegens een verblijf op La Española.
Het eerste deel van hun verhaal verliep gelijk…
Op Onze-Lieve-Heer-Hemelvaart van 1579 of 1580 wilden de katholieken vanuit de kathedraal een processie houden door de stad. In die tijd stonden zij echter zwak, want de Orangistische Raad van State had Mathias van Oostenrijk ingehaald als nieuwe landvoogd, en de Spaansgezinde Don Juan verschanste zich in de citadel van Namen. Het was de periode van de Calvinistische Gentse Republiek; een tijd dus dat de protestanten overal in Flandes nagenoeg vrij spel hadden en de katholieken weinig machtsbasis overbleef om op te steunen. Pas met Farnese zou het tij langzaam keren[830].
Het tweede gedeelte komt niet meer overeen, omdat ‘de Molina’ de gebroeders ‘de Espinosa’ uit het oog verloor.
De protestanten stelden voor om de processie enkel rond de kathedraal te laten plaatsvinden. Of de katholieken daar oren naar hadden is niet duidelijk, maar ze werden in alle geval terug de kathedraal ingedreven toen er gevechten losbraken in de voorste linies. Gaspar de Espinosa vertelde dat de een over de ander viel, terwijl de protestanten vuurden op de massa. Terug binnen huilden de vrouwen van schrik en vluchtte ons trio een kapel binnen en vervolgens de kerk buiten. Terwijl ze renden voor hun leven, botsten de gebroerders ‘de Espinosa’ (nu zonder Gaspar de Molina!) plots op de zwaar bewapende Leonardo Juanes[831]. Ze smeekten dat hij hun spaarde al waren ze Spanjaarden, maar Leonardo scheen hen niet slechtgezind en bood ze een schuiloord aan. Na twee dagen verlieten ze die plaats en klopten aan bij Leonardo thuis. Deze vertelde dat aartshertog Mathias, die zelf opgesloten was geraakt met de katholieken tijdens de onlusten en enkel door zijn lijfwachten kon worden ontzet, Willem van Oranje had gevraagd de protestanten die de kerken wilden vernielen tot de orde te roepen. Nadien gingen Leonardo, zijn vrouw en de broers bidden bij de Begijntjes.
Gaspar de Espinosa wees er met klem op dat de Flamenco een goede katholiek was. Hij had hem nog bij verschillende gelegenheden ontmoet op La Palma en er was hem ter ore gekomen dat Leonardo een Franse protestant tijdens een overtocht had uitgemaakt voor “Lutherse hond”, en dat hij met vrouwlief was verhuisd naar Rouen omdat het in Flandes nog steeds slecht ging.
De Molina van zijn kant had precies aangifte gedaan bij de Inquisitie, omdat de gebroeders ‘de Espinosa’ hem hadden verteld dat Leonardo Juanes die tussen de protestanten liep, ook een protestant moest zijn. Had de Molina overdreven, of was Gaspar de Espinosa op zijn woorden teruggekomen, het is niet uit te maken.
La Palma 1589-‘90: fragment van het proces tegen Hanes Avontroot (Hans Avontroot)[832]
Dit proces werd al uitvoerig besproken en in zijn context geplaatst[833]. Kort gezegd draaide het hierom dat Hanes allerlei protestantse uitlatingen deed en bijvoorbeeld ostentatief de regels van de vasten met de voeten trad. Hij kwam er uiteindelijk van af met een waarschuwing en een boete van 200 dukaten voor de gemaakte kosten. Heel erg lang zat hij niet vast; dat dankte hij aan zijn rijkdom, die het hem toeliet de hoge borgen voor zijn invrijheidstelling op te hoesten. In geen enkel ander dossier werd zoveel prietpraat aangetroffen. De reden ligt bij Hanes zelf; daar waar anderen, zij het dan nog met Lutherse opvattingen, zich meestal per ongeluk in de problemen brachten[834], zocht Avontroot het gevaar op. De man stierf niet verwonderenswaardig op de brandstapel in Toledo, in 1633.
La Gomera, La Palma, Tenerife en Gran Canaria 1592: proces tegen Jan Hendrickx
Jan Hendrickx werd al in 1586 opgepakt te Fuerteventura, in het gezelschap van Thomas Simms en een groepje Engelsen die met hun schip hoogstwaarschijnlijk deel uitmaakten van het eskader van Sir Francis Drake. Jan ontliep toen zijn straf door op de vlucht te slaan[835]. Tot mijn verbazing werd in de daaropvolgende publieke auto de fe, geen afbeelding van hem verbrand, maar dat wil niet zeggen dat de Inquisitie hem in 1592 vergeten was.
De manier waarop hij zes jaar na zijn vlucht uit Las Palmas opnieuw in handen viel van het Heilig Officie, is zacht uitgedrukt “opzienbarend”. Het verhaal werd al in het lang en in breed gedaan[836], maar het kwam er in het kort op neer dat hij samen met enkele andere Flamencos gevangen genomen werd in La Gomera door een stel Engelse kapers, die vervolgens een sloep uitrustten om de kust van dichterbij te verkennen, maar het schuitje uit het oog verloren. Resultaat; de bemanning van de sloep strandde volkomen uitgeput op Tenerife. In eerste instantie werden enkel de Engelsen gearresteerd, tot die laatsten -in de hoop op strafvermindering wellicht- aan de Inquisitie vertelden dat Jan Hendrickx één van de gevangenen was geweest van de ‘Prime Rose’ in 1586.
Een proces hebben we niet gezien, maar het moet er gekomen zijn, want in 1597 ging Jan mee in de publieke auto de fe als ‘reconciliado’ (verzoend met de Kerk). Zijn straf bestond uit confiscatie van al zijn goederen en zes jaar internering (drie in de gevangenis, drie in een klooster)[837]. Hij moet ongetwijfeld zijn vrijgekomen in 1599, toen de Republikeinse vloot onder admiraal Pieter van der Does een halfgeslaagde aanval ondernam op Las Palmas, en de stad tijdelijk werd bezet. Tijdens die bezetting werden de celdeuren opengezet[838].
3.2 De gebeurtenissen van 1593-1597; ontmanteling van een smokkelnetwerk[839]
De periode die 1593 voorafging, zijn er weliswaar enkele tientallen Flamencos in (ongewenst) contact gekomen met de Inquisitie, maar men kan niet spreken van een systematische vervolging. Precies daarom wekt de totale ommekeer vanaf 1593, toen een smokkelnetwerk tussen Canarias en de protestantse Republiek werd “ontdekt”, verbazing. Niet alleen vandaag, maar ook in die bewuste periode…
Alles begon op Driekoningendag 1593, met het voor anker gaan in de haven van Las Isletas (Las Palmas) van de ‘San Pedro’, een rijkgevuld schip uit de Republiek. Tijdens de scheepsvisitatie van de functionarissen van de Inquisitie, werden valse paspoorten bovengehaald, die moesten staven dat schuit en bemanning van de Duitse stad Emden[840] kwamen. Toen de inspectie zich richtte tot de jongste opvarende om te weten te komen hoe er onderweg gebeden werd, stortte het hele afleidingsmaneuver ineen. De Inquisitie had het in de gaten gekregen dat ze protestanten waren, en de nieuwe, erg toegewijde voorzitter-inquisiteur, Claudio de la Cueva, liet iedereen “opsluiten”[841] voor ondervraging. Schip en vracht werden gelijk geconfisceerd. De inventaris schatte de totale waarde ervan op 87406 realen.
Eerst werd de benjamin van het gezelschap nogmaals ondervraagd. Hij probeerde terug te krabbelen, maar de la Cueva liet zich niet om de tuin praten en vorderde de andere opvarenden om te getuigen. Buitengewoon interessant waren de verklaringen van koopman Gaspar Nicolaas Claeysen, als eigenaar van het grootste deel van de vracht zowat de belangrijkste man aan boord. Hij ondernam zelfs geen poging meer om de Inquisitie iets wijs te maken, maar onthulde integendeel het bestaan van een enorm smokkelnetwerk tussen de Republiek en meerdere Spaanse gebieden. Het overgrote deel van de schepen die voeren onder Vlaamse of Duitse vlag, waren afkomstig uit de opstandige provincies. Alle Vlaamse, Duitse of Franse paspoorten die de smokkelaars meehadden, waren het werk van één Spanjaard, Gaspar Díaz, die zich in Zeeland had gevestigd en zich met niets anders bezig hield. De goederen waren doorgaans altijd bestemd voor een kransje Vlaamse tophandelaars, zoals Pascual Leardín (Pascal Leardijn?), Juan Flaniel (Jan Flaneel), Nicolás de Bute (?), Valerio Rutis (Valerius Rutis) en Fernando Boudens (Ferdinand Boudaen?). Volgens Claeysen waren zij perfect op de hoogte van de herkomst van de vrachten.
De spijtoptant bleef maar namen noemen. Belangrijk was deze van Anes Avontroot (Hans Avontroot), die vanuit Zeeland een schip had gestuurd naar La Palma, dat er precies een dag later aankwam dan de ‘San Pedro’ in Las Palmas. De la Cueva schreef onverwijld een brief naar het bestuur van dat eiland om hen op de hoogte te stellen.
Inmiddels waren er betwistingen ontstaan over de geconfisceerde vracht. De ‘almojarifaje’[842] van Gran Canaria, Juan Cortés de los Ríos, had geklaagd dat de taksen nog niet betaald waren en hij niet aanwezig had kunnen zijn bij de opmaak van de boedel; terwijl enkele handelaars voor wie de goederen waren bestemd, eisten dat ze zouden worden vrijgemaakt, aangezien ze niet aan die ketterse bemanning toebehoorden… Tot dat laatste was de la Cueva echter niet bereid omdat hij van Claeysen te weten was gekomen met wat voor soort huichelaars hij te maken had.
De voorzitter-inquisiteur wist echter niet hoever hij kon gaan tegen de smokkelaars. Wat moest er gebeuren met de personen die Claeysen had aangegeven en pas vroeg of laat naar Canarias zouden terugkeren? Wat met de delen van de lading die toebehoorden aan personen die altijd in Zeeland hadden verbleven en die men dus juridisch gezien niet mocht aanslaan? Wat tenslotte met de medeplichtige Vlaamse handelaars? Toen hij een advies vroeg aan de ‘Consejo Supremo’, werd hij er nauwelijks wijzer van; alleen inzake de Vlaamse handelaars op Canarias kreeg hij de raad, af te zien van vervolgingen zolang er tegen hen niet genoeg bewijzen waren. Hij moest ze wel waarschuwen in de zin van: “Als jullie momenteel knoeien, is het jullie geraden ermee op te houden!”. Duidelijk een mossel-noch-vis-houding.
De la Cueva besloot zich eerst te bekommeren om de smokkelschepen en hun bemanningen, en zond daartoe een rechtsdienaar naar Tenerife en La Palma. Op dat laatstgenoemde eiland maakte hij een boedelbeschrijving op van ‘La Rosa’, het schip dat ongeveer gelijktijdig met de ‘San Pedro’ in een andere Canarische haven was aangekomen. Veel werk had hij daarmee niet te verrichten; nog voor het Santa Cruz de La Palma had bereikt, was het al geplunderd geworden door Engelse piraten. Minstens even interessant was bijgevolg de arrestatie van Roque Corinsen en Peter Sebastiaan, twee zeelieden die Claeysen had genoemd en voor verhoor op een schip naar Las Palmas werden gezet. Toen zij door de mand vielen, werd meteen de hele bemanning van ‘La Rosa’ opgepakt.
In maart 1593 was het opnieuw prijs: twee schepen onder Duitse vlag, de ‘León Rojo’ en de ‘San Lorenzo’, legden aan in de haven van Las Isletas. De argeloze opvarenden kwamen amper aan wal of ze werden reeds in de kraag gevat. Het wordt stilaan overbodig te zeggen door wie de Inquisitie werd getipt…
Het aantal gevangenen in de kerkers en in de stad van Las Palmas (omdat de kerkers barstensvol zaten), was opgelopen tot meer dan tachtig. De la Cueva reageerde op de uitzonderlijke situatie door wat extra personeel te benoemen. Hoe groot de groep beklaagden dan al mocht zijn, nog steeds dacht de la Cueva de zaak aan te kunnen, zij het in een breder tijdsbestek.
Alles veranderde begin april 1593. De secretaris van het Inquisitie-tribunaal maakte zijn voorzitter de bezwaren over van een rechter van de ‘Audiencia Real’, naar aanleiding van de meervoudige confiscaties van verdachte schepen. Daarnaast had een notoir persoon, Gonzalo Argote de Molina, een klad geschreven van een brief aan Filips II, die hij wou verzenden met instemming van het bestuur van Gran Canaria en zonder medeweten van de Inquisitie. De la Cueva werd bijna hysterisch toen hij erachter kwam dat een belangrijk deel van de Canarische elite ervan overtuigd was dat het optreden van de Inquisitie niet kon en men de zaak tot op het hoogste niveau wenste te brengen. De Molina beweerde tegenover het tribunaal van Daniel Bandama (Daniel Van Damme) en andere Vlaamse handelaars, te hebben vernomen dat Filips II in 1592 reeds, aan de stad Portugalete en de heerlijkheid Biskaje, de toestemming had gegeven om voort handel te drijven met schepen, waarvan men wist dat ze uit de Republiek kwamen. De bewoners hadden geargumenteerd dat zonder de handel met de opstandige provincies de eigen economie gedoemd was. Aan Filips II zou een gelijkaardige concessie worden gevraagd om gelijkaardige motieven. In de brief stond letterlijk dat het beter was de handel toe te staan, zolang de scheepsbemanningen geen ketterij bedreven op Spaanse bodem.
Met name die laatste clausule zorgde voor een verongelijkte de la Cueva. De voorzitter-inquisiteur stuurde een klaagbrief naar de ‘Consejo Suprema’, maar die antwoordde dat hij de zaak beter kon seponeren.
Rond deze tijd van confrontatie tussen de wereldlijke en de geestelijke leiding op de Canarische eilanden, ging in Tenerife opnieuw een verdacht schip voor anker; ‘El pájaro que sube’, met als kapitein Jacques Marcen. Zowel hij als de bestemmeling van de goederen, Pascual Leardín (Pascal Leardijn?), waren door Claeysen genoemd. Pascual wist inmiddels wat er gaande was en vond dat het uitladen maar niet snel genoeg kon gaan; vóór alles kon worden aangeslagen. Eenmaal die klus geklaard, holde hij met Jacques tot bij een bestuurslid van Tenerife, vroeg hem een licentie opdat het schip terug kon uitvaren, en beval tenslotte de schipper om onverwijld het ruime sop te kiezen, ondanks het hondenweer.
Met de vlucht van Jacques Marcen leek het erop dat men in Zeeland snel op de hoogte zou worden gesteld, en aan de serie arrestaties een einde kon komen. Het enige opzienbarende dat voorlopig nog plaatsvond, was het uit de biecht klappen van Juan Leigrave (?), een Vlaams handelaar die het relaas van Claeysen bevestigde. Hij voegde collega Jerónimo Vaniberbe (Jeroom Van der Werven) toe aan het lijstje ‘betrokken Vlaamse kooplui gevestigd op Canarias’.
De relaties tussen de ‘Consejo Sumpremo’ en het tribunaal van Canarias gingen verder decrescendo, omdat de la Cueva het bevel kreeg de invoertaksen van de geconfisceerde goederen aan de douane of het ‘almojarifazgo’ over te maken. De voorzitter vond dat hij wel iets beters te doen had nu zijn kerkers uit hun voegen traden.
In Zeeland gebeurde heel wat meer… Men was sinds de thuiskomst van Marcen op de hoogte gesteld van de situatie op Canarias, wat meteen het signaal was om i.p.v. er de brui aan te geven, dubbel zo intensief valse paspoorten en dito vrijbrieven op te stellen. De teneur was dat alle initiatiefnemende kooplui bijzonder katholiek waren en hun ‘roots’ hadden in de Spaanse Nederlanden. Bevond zich tussen de bemanning dan al eens een Calvinist uit Zeeland, dan was dat met het goeddunken van Alexander Farnese. Als men er geen woord van geloofde, dan mocht men het vragen aan de Zuid-Nederlandse kooplui op Canarias. De stoutste van alle leugens was een kopij van een schriftelijke toestemming (een licent) die Farnese zou hebben gegeven aan de inwoners van Flandes, om handel te drijven met Vlissingen en Middelburg, zolang daar taksen op betaald werden.
Niemand minder dan Jacques Marcen werd in de herfst van 1593 gevraagd en bereid gevonden met alle paperassen terug naar Canarias te reizen en ze te overhandigen aan Valerio Rutis (Valerius Rutis), Pascual Leardín (Pascal Leardijn?), Pedro de Morbeque (Peter van Moerbeke), Juan Flaniel (Jan Flaneel) en Daniel Bandama (Daniel Van Damme). Zijn schip ‘Carnero Dorado’ werd op de reis naar Garachico vergezeld van ‘La Posta’ en ‘La Margarita’. Voor het vertrek kreeg Marcen nog te Vlissingen te horen dat men Miguel Bandama (Michiel Van Damme), familielid van Daniel Bandama en zelf nog een tijd op de archipel gewoond, zou sturen naar het Spaanse hof om het embargo van de Inquisitie op de diverse schepen te doen opheffen. Toen Daniel enkele maanden later n.a.v. de acties van zijn verwant door de la Cueva werd gevraagd wat handelaars uit Antwerpen met deze uit Zeeland te zien hadden, luidde het antwoord: “De kooplui uit Vlissingen en Middelburg hebben vele vrienden in Antwerpen…”.
Toen de drie schepen ankerden in Garachico zond de voorzitter-inquisiteur vanuit Gran Canaria Francisco Alfaro, een functionaris bevoegd voor arrestaties en inbeslagneming. Deze wachtte lang genoeg tot Marcen aan wal was en greep hem met enkele van zijn mannen. Een paar konden ontkomen, renden terug het strand af en zwommen tot aan hun schip. De Inquisitie probeerde vervolgens Marcen om de tuin te leiden: “Nee, alle vrees is ongegrond; laat ons gewoon de schepen eens betreden”. De Flamenco zond eerst twee getrouwen in een sloep om de kapiteins van de twee andere schepen zover te krijgen, maar alvast de ‘Carnero Dorado’ ging er terstond vandoor. Veruit de verstandigste beslissing, want ‘La Margarita’ werd aangeslagen en de bemanning opgeleid en weggebracht.
Wie zich ook niet had laten verrassen, was Pascual Leardín (Pascal Leardijn?). Toen hij hoorde dat Marcen met drie schepen op terugweg was naar Canarias met een lading gericht aan zijn persoon, vluchtte hij manu militari naar La Laguna, een stad op een redelijke afstand van Garachico. Vandaar zond hij een Vlaamse handelaar in de hierboven vermelde havenstad een brief, waarin hij vroeg om Marcen direct na aankomst ervan op de hoogte te brengen dat de Inquisitie achter hem aanzat. Als bleek dat het al te laat was, ontkwam Pascual naar het Iberisch schiereiland. In 1594 kwam hij in Antwerpen een certificaat vragen dat zijn orthodoxie en eerbaarheid moest onderstrepen[843]. Vier jaar later zien we hem nog altijd procederen vanuit Sevilla bij de ‘Consejo Supremo’, tegen de confiscatie van ‘El pájaro que sube’. Jerónimo Vaniberbe (Jeroom Van der Werven) volgde zijn voorbeeld vanuit Canarias. Ook nadien hield het getouwtrek aan, o.m. door de opeising van goederen die zich aan boord bevonden van ‘El Leon Colorado’ door de volgende Flamencos: Pascual Leardín (Pascal Leardijn)[844], Pedro Blanco (Peter de Witte), Jerónimo Vaniberbe (Jeroom van der Werven), Cornieles de Mannacre (Cornelis Mannacker)[845].
De missie van Alfaro had nog maar eens aangetoond op hoe weinig sympathie de Inquisitie kon rekenen en hoeveel steun er was voor de smokkelhandel. Niet alleen de burgemeester van Garachico had Alfaro proberen stokken in de wielen te steken, zelfs de bevolking reageerde furieus en verdrietig toen Marcen werd gegrepen. Velen zagen een belangrijke afnemer van hun producten verdwijnen en daarmee hun eigen grote winsten. De figuur van de la Cueva kreeg een steeds groter ‘Don Quichotte-gehalte’; iedereen bekeek hem als een religieus-sectarische gek.
Van de grote hoeveelheid valse paspoorten, attesten e.d.m., die Marcen had meegebracht uit Zeeland, bereikten er toch nog een paar hun doel dankzij Cornieles de Mannacre (Cornelis Mannacker), die Marcen nog in vrije toestand had kunnen spreken. De zogezegde “bewijzen” werden overhandigd aan de gouverneur van Gran Canaria, die ze op zijn beurt in handen stopte van de la Cueva, in de hoop dat die daarmee tot zijn zinnen zou komen.
Hoewel men nu in de Republiek elk plan had laten varen om nog schepen en mensen te offeren aan een trafiek die toch verloren leek, werd de Canarische Inquisitie door de ‘Consejo Supremo’ in 1594 verboden nog op te treden tegen gelijk welke vreemdeling, vriend of vijand, tenzij hij geloofsmisdrijven had begaan op Spaanse bodem. Overbodig om te zeggen dat het economische motieven waren die hier speelden.
De la Cueva van zijn kant, moest een 27-tal gevangenen uit de kerkers ontslaan, met het bevel in Las Palmas te blijven. Geen enkele die zich daaraan hield; een indicatie van de geringe publieke steun aan de Inquisitie. Over de toestand in de gevangenis maakte hij zich nog meer zorgen; de gedetineerden konden ongestoord communiceren en in mekaars cellen komen. Op die manier werden de verhoren tamelijk zinloos; iedereen had met iedereen afgesproken over wat er gezegd zou worden.
Niettemin konden de inquisiteurs zich stilaan een beeld vormen van de kooplieden die betrokken waren in het smokkelnetwerk. Het ging om ca. 30 personen op de archipel en nog eens zoveel in Zeeland. De groep was erg gesloten en de leden kenden elkaar sinds jaren. Ze kwamen zowel uit de Zuidelijke als uit de Noordelijke Nederlanden[846]. Als Vlaamse betrokkenen in Canarias hadden we o.m.: Joseph Piquer (?), Pascual Leardín (Pascal Leardijn?), Valerio Rutis (Valerius Rutis), Jerónimo Vaniberbe (Jeroom Van der Werven), Jorge van Hoflaquen (?), Daniel Bandama (Daniel Van Damme)[847], Miguel Bandama (Michiel Van Damme), Vicente Pietersen (Vincent Petersen?), Cornieles de Mannacre (Cornelis Mannacker) en Pedro Blanco (Peter de Witte)[848]. Enkele personen in Zeeland waren: Jacques Marcen, een broer van Joseph Piquer (?), Roque en Nicolaas Corinsen, Peter Sebastiaan, Bernard Marcen, Jan Mansen en Fernand Baubert[849]. Deze laatsten hebben verschillende keren op en af gevaren tussen de Republiek en de Canarische eilanden, en wisten perfect hoe de controle functioneerde. Straf was het feit dat ze zelfs een Republikeins paspoort meehadden, voor het geval ze door Engelse piraten werden overvallen. Vanzelfsprekend werd dit overboord gegooid zodra men Canarias naderde. Hetzelfde gold voor de vlaggen. Aan het einde van de reis tenslotte, riep de kapitein nog eens iedereen samen op het dek om uit te leggen hoe de Inquisitie haar inspectie hield, en wat men het best op haar vragen kon antwoorden. In geval iemand zijn mond voorbijpraatte, gebeurde het dat de Vlaamse handelaar die door de Inquisitie was gevorderd om te tolken, zijn landgenoten uit de bres hielp door een eigen versie te geven…
De hele smokkelhandel bestond al van in 1586 of 1587 en had zes jaar verborgen kunnen blijven.
Uiteindelijk heeft iedere gevangene bekend. Sommigen al wat sneller dan de anderen, die herhaaldelijk hun verklaringen bijstelden tot wanhoop en woede van de inquisiteurs[850]. De strafmaat viel mee; zowat iedereen kreeg een aantal jaren kloosterleven in Sevil