Een analyse van de veranderingen in het wereldbeeld van de amerikaanse burgers, sinds 9/11. De impact van de eerste Bush-regering op het wereldbeeld. (Christophe Diercxsens)

 

home lijst scripties inhoud  

 

Voorwoord

 

Dinsdag 11 september 2001, 7u ‘s ochtends. Mijn wekker vraagt mij al 10 minuten om op te staan. Het kost me maar 8 minuten om naar Waterford Mott High School te wandelen, maar de lessen beginnen hier om 8uur. Het is een doodgewone dinsdagochtend in Waterford, Michigan. De zon schijnt nog steeds; het lijkt wel of hij gaat nooit onder. Ik woon hier amper 2 weken en ben al bijna vergeten wat regen is. Wat een verschil met België. Ik vertrek naar school, niet vermoedend dat het huis dat ik op dat moment achterlaat nooit meer hetzelfde huis zal zijn.

 

Dinsdag 11 september 2001, iets voor 10u ’s ochtends. De les wiskunde van Ms. Dostie is nu al bijna 2 volle uren bezig en het begint zwaar te worden. Ik kijk wat rond en merk dat de blikken op het TV-toestel in de hoek van de klas gericht zijn. Een subtiele hint om Ms. Dostie te laten weten dat het bijna 10u is en dat ze de TV dus moet aanzetten om de dagelijkse schoolmededelingen te bekijken. Niet dat iemand ooit aandacht besteed aan de mededelingen, maar een onderbreking van 10 minuten tijdens de les wiskunde lijkt voor iedereen erg welkom te zijn.

 

Dinsdag 11 september 2001, iets na 10u ’s ochtends. De TV gaat eindelijk aan en het geroezemoes kan beginnen. Van de student die gewoonlijk de mededelingen doet is echter geen spoor te bekennen. Ze zijn een nieuwe Hollywood productie aan het voorstellen en het gaat blijkbaar over een brand in het WTC. Het geroezemoes in het lokaal heeft plaatsgemaakt voor luidkeels gelach en domme grappen. De weinigen die naar de voorstelling van de nieuwe film kijken krijgen er echter geen woord uit en worden lijkbleek. Het heeft me werkelijk 2 of 3 minuten gekost voor ik besefte dat er onderaan het scherm ‘CNN live’ geschreven stond en daarnaast ‘Breaking News’.Langzaam maar zeker verplaatsen de blikken zich naar het TV-toestel. Van geroezemoes is er geen sprake meer. Het wordt stil in de klas; muisstil. 28 paar ogen zijn op het scherm gericht en komen er voorlopig niet meer van los, tenzij om de tranen weg te vegen. Enkele minuten later luidt het alarm door de school. Het gebouw wordt vergrendeld en de klaslokalen eveneens. School lockdown. Niemand die nog in of uit het schoolgebouw komt. Een uur later mag iedereen naar huis. Er zijn tranen in bijna alle ogen en iedereen is bang. Een nieuw hoofdstuk in de Amerikaanse geschiedenis is net begonnen.

 

 

I. Inleiding

 

11 september 2001 zal voor altijd een datum zijn die in het geheugen gegrift zal blijven van diegenen die de gebeurtenissen die dag rechtstreeks of onrechtstreeks meegemaakt hebben. Gedurende de ochtend van 11 september 2001 werden de Amerikaanse symbolen voor economische en militaire macht, het World Trade Center en het Pentagon, op wrede manier aangepakt door leden van het terroristisch netwerk Al-Qaeda[1]. Op de avond van de aanslagen kwam president Bush aan in Washington D.C. om daar zijn intussen wel bekende speech te geven. Hij beloofde daarin dat hij niet zou rusten voordat zij de verantwoordelijken voor de aanslagen zich achter tralies bevinden. Hij zou ook geen onderscheid maken tussen terroristen die deze aanslagen pleegden, hebben voorbereid, of op eender welke manier hebben gesteund[2]. Het presidentschap van George W. Bush is die dag, samen met de regering en de Amerikaanse bevolking, plots een andere koers gaan varen.

De reacties van de Bush administratie lieten dus niet lang op zich wachten. De dag na de aanslagen stelden de leden van de NAVO het artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag in werking[3]. Op 14 september maakte de Amerikaanse president $40 miljard vrij om de gevolgen van de aanslagen te kunnen weerstaan en om de nationale veiligheid te garanderen. Niet later als 15 september wordt Osama bin Laden bekend gemaakt als de hoofdverantwoordelijke voor de terroristische aanslagen.

Op 7 oktober 2001, minder dan een maand na de aanslagen, begint het Amerikaans militair offensief in Afghanistan. Dit offensief heeft als bedoeling het terroristisch netwerk van Al-Qaeda uit te roeien, Osama bin Laden te arresteren en het land te bevrijden van de het Taliban regime dat de Afghaanse bevolking al vijf jaar onderdrukt. Op 26 oktober keurt president Bush de erg controversiële US Patriot Act goed. De Patriot Act geeft de federale regering nooit eerder geziene bevoegdheden, die volgens sommigen een inbreuk op de privacy van de burgers vormen. Deze wet geeft de regering onder andere de mogelijkheid om telefoongesprekken af te luisteren, medische en financiële documenten van Amerikaanse burgers te bezichtigen, willekeurige huiszoekingen te verrichten en te allen tijde niet-Amerikaanse burgers te deporteren of op te sluiten zonder gerechtelijk proces[4].

De schade die de aanslagen van 11 september 2001 hebben aangericht is enorm en gaat veel verder dan de 3212 slachtoffers en de 30 gebouwen die op die dag verwoest zijn[5]. De gevolgen van de aanslagen hebben de hele wereld veranderd, maar vooral ook de manier waarop de Amerikaanse burgers naar de buitenwereld kijken.

De economische consequenties waren zichtbaar in verschillende sectoren en dit vooral binnen de VS. Het vertrouwen van de burgers in het gebruik van het luchtverkeer had een dramatische impact op het toerisme en op de verschillende luchtvaartmaatschappijen. Niet alleen het toerisme in de VS leed onder de gevolgen van de aanslagen, maar ook in sommige landen van het Midden-Oosten, zoals Egypte, waar het toerisme veruit de belangrijkste bron van inkomsten is. Verschillende luchtvaartmaatschappijen kenden grote verliezen in 2001 en sommigen gingen zelfs failliet. In 2001 daalde het aantal Amerikaanse luchtpassagiers maar liefst met 50% en het aantal Europese passagiers met 30%[6].

Ook de internationale markten deelden in de klappen van de aanslagen. Europese en Amerikaanse beurzen kenden catastrofale dalingen, de prijs van sommige metalen steeg met buitengewone proporties reeds op de dag van de aanslagen, terwijl banken en verzekeringskantoren over de hele wereld zware verliezen leden en hun personeel drastisch moesten verminderen. Maar de negatieve impact op de economische situatie is nooit uitgedraaid op een wereldwijde economische crisis. Zo kenden de olieprijzen bijvoorbeeld geen fenomenale prijsstijging, omdat de OPEC-landen besloten hadden om de productie van olie op de dag na de aanslagen te verhogen. Ook de Europese centrale banken voerden een slim rentevoetbeleid, dat de ervoor zorgde dat de Europese markten tegen november 2001 weer op pijl kwamen te staan.

Slechts een beperkt aantal sectoren profiteerde werkelijk van de gevolgen van de aanslagen. In de VS waren dat vooral de farmaceutische sector, die door de dreiging van een eventuele biologische aanval op de VS, zoals de anthrax dreiging, de opdracht van de Amerikaanse regering kreeg om antibiotica en vaccins te voorzien voor het geval een dergelijke aanval zich zou voordoen. Twee andere sectoren die na de aanslagen enorme onderzoekssubsidies ontvingen van de Amerikaanse federale overheid waren de militaire sector en de sector voor technologische innovatie. De fobie voor een nieuwe aanval als die van 11 september was zo groot dat alle middelen ingezet werden om de nationale veiligheid te garanderen. De nationale verdediging werd zo belangrijk dat ze een gloednieuw ministerie kreeg, die functie op zich nam; het zogenaamde Departement of Homeland Security[7].

 

De terroristische aanslagen van 11 september 2001 hebben, naast economische, militaire en diplomatieke gevolgen, ook het leven van de Amerikaanse burgers verandert. De eerste reacties van de Amerikanen waren angstreacties. De bevolking werd geconfronteerd met een soort gruwel dat ze nooit eerder meegemaakt had. Angstgevoelens kwamen zich nestelen in het alledaagse leven van de burgers. Velen durfden maandenlang geen wolkenkrabbers meer in te gaan of zagen het niet meer zitten om het vliegtuig te nemen. Anderen weigeren vandaag nog steeds om deel te nemen aan elke vorm van evenement waarvan ze weten dat er een grote massa aanwezig zal zijn.

Voor de meeste Amerikanen was het gevoel van relatieve veiligheid, dat ze heel hun leven gekend hadden, zwaar aangetast door de aanslagen. Voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis werden de burgers namelijk het slachtoffer van een aanval op Amerikaanse bodem. Het idee van de onoverwinnelijkheid van de VS is sinds die dag een illusie gebleken. De Amerikaanse regering heeft er alles aan gedaan om die angstgevoelens zoveel mogelijk te beperken. Zo kwam er meteen na de aanslagen bijvoorbeeld de beslissing om een extra $40 miljoen vrij te maken voor de garantie van de veiligheid van de Olympische Spelen, die in 2002 in het Amerikaanse Salt Lake City plaatsvonden[8]. Andere grote sportevenementen in de VS werden gewoon verplaatst of zelfs afgelast, uit vrees voor terroristische agressie tegenover de Amerikaanse burgers.

Ironisch genoeg brachten de aanslagen ook een korte golf van positieve veranderingen bij de Amerikanen. Zo werden er tijdens en na de aanslagen enorm veel huwelijksaanvragen gedaan en echtscheidingen geannuleerd. Verschillende vrijgezellen zouden die dagen het nachtleven ingestapt zijn, op zoek naar passie en fysieke aantrekking. Dit fenomeen zou later ‘terror sex’ genoemd worden[9]. Negen maanden na de aanslagen deed zich bovendien een baby boom voor in New York.

Een golf van nooit eerder gezien patriottisme overweldigde het land in de dagen na de aanslagen. In zulke momenten is het Amerikaans patriottisme een manier om de angst te verwerken; om steun te betuigen aan de medeburgers en te laten zien dat ze allemaal lijden onder de gebeurtenissen. Miljoenen vlaggen wapperden werkelijk overal, maar ook de verkoop van accessoires als T-shirts, lintjes, pinnen en andere gadgets met de ‘Star Spangled Banner’ op, steeg buiten de normale proporties. Door de angstgevoelens zochten de Amerikanen steun bij hun medeburgers. De verschillen werden aan de kant gezet, om familieleden, vrienden en buurtbewoners te steunen. Bovendien stonden de Amerikanen na de aanslagen ook als een verenigd volk achter de beslissingen van hun president en van hun regering. Tot verschillende weken na de aanslagen was het ronduit onmogelijk om de president en zijn regering te bekritiseren of om te denken op een manier die niet in dezelfde lijn als die van de algemene opinie lag.

Om de angstgevoelens van de Amerikaanse burgers wat te temperen kwam er wereldwijde steunbetuiging en solidariteit vanuit ongeveer elke hoek van de wereld. Zowel buitenlandse leiders als burgers voelden diep mee met de Amerikanen en lieten dat zien met gebeden, kaarsen, stille marsen of bloemen die voor verschillende Amerikaanse ambassades gelegd werden. Vlaggen hingen halfstok in zowat elk land. Verschillende burgers vonden het gevoel van veiligheid waar ze naar zochten, in hun geloof. Zowel de VS als Europa kenden een verdubbeling van het aantal kerkgangers in de dagen na 11 september 2001. Op 23 september kwamen maar liefst 26.000 Amerikanen samen in het stadium van de New York Yankees om een herdenkingsplechtigheid ter nagedachtenis van de slachtoffers van de aanslagen bij te wonen[10].

Naast de gevoelens van verdriet en van angst wekten de aanslagen ook onvermijdelijk haatgevoelens op. De racistische agressie nam op dramatische wijze toe in de periode na de aanslagen. Het geweld tegen de Amerikaanse moslimgemeenschap nam in 2001 maar liefst met 1700 procent toe[11]. President Bush slaagde er na de aanslagen niet in om die golf van geweld en agressie tegen de Amerikaanse moslimgemeenschap te stillen. Hij had nochtans amper twee dagen na de aanslagen aan de Amerikaanse burgers gevraagd dat de Arabische Amerikanen en Moslims niet de gevolgen zouden moeten dragen van de aanslagen, aangezien zij de daders er ook niet van waren. Toch kregen de Amerikaanse Moslims na de aanslagen te maken met rookbommen in moskeeën, vandalisme in hun winkels, mondelinge en schriftelijke beledigingen, maar ook met doodsbedreigingen en effectieve moorden[12]. Om dit zinloos geweld tegen te gaan werden religieuze leiders van andere godsdiensten gevraagd om samen met de Christelijke priesters de misvieringen in New York te houden. In de nationale Kathedraal van New York woonde George W. Bush de eerste grote herdenkingsplechtigheid voor de slachtoffers bij, terwijl Joodse leiders en Moslimleiders samen met de Christelijke priesters de burgers van de stad toespraken.

Veel Amerikanen, en inwoners van New York in het bijzonder, hebben tot maanden na de aanslagen last gehad van trauma’s zoals slapeloosheid, steeds terugkerende beelden van de aanslagen, nachtmerries, of zelfs depressies[13]. Het alcoholgebruik en het roken in New York steeg na de aanslagen met maar liefst 25%. Verschillende Amerikanen zijn uit die problemen gekomen door steun te vinden bij medeburgers, familie of vrienden.

 

In deze inleiding zijn er twee gedragspatronen merkbaar die voorturend terugkeren, in elk facet van de gevolgen van de aanslagen van 9/11. Ten eerste dat de Amerikaanse burgers zwaar getekend geweest zijn door de aanslagen; 9/11 heeft bij de grote meerderheid onder hen sporen achtergelaten. In deze inleiding werd er kort besproken wat die effecten waren, met een speciale nadruk op de emoties en de gevoelens van de Amerikanen. Ook de manier waarop de Amerikaanse burgers voortaan naar de buitenwereld zullen kijken, is door de aanslagen veranderd. Het is belangrijk om die veranderingen vast te stellen, want de Amerikaanse burgers worden buiten de VS maar al te vaak negatief bekeken, omdat ze de gevolgen moeten dragen van bepaalde beslissingen van hun regering. Die beslissingen vallen op internationaal niveau niet altijd in even goede aarde. Als gevolg daarop krijgen veel burgers in de wereld, en Europeanen vormen zeker geen uitzondering op deze stelling, een negatief beeld van de Amerikaanse burgers. De oorzaak hiervan is dat de denkwijze van de Amerikaanse burgers onmiddellijk geassocieerd wordt met de denkwijze van de Amerikaanse politici. Een analyse van opiniepeilingen over het wereldbeeld van de Amerikaanse bevolking kan misschien aantonen dat dit niet noodzakelijk het geval is en dat bovendien 9/11 een grote impact op hun wereldbeeld heeft gehad.

Een tweede gedragspatroon dat merkbaar is in de inleiding en dat bijgevolg steeds terugkeert in de reacties op de aanslagen van 9/11 is het optreden van president Bush. Bush was aanwezig voor de Amerikanen op de avond van de aanslagen zelf en hij zou aanwezig blijven voor de Amerikanen. Zijn ervaring in de omgang met crisissituaties was nochtans beperkt. Als gouverneur van Texas was hij bijvoorbeeld geconfronteerd geweest met de overstromingen in Parker County, waar het water hele steden als Del Rio had overspoeld[14]. Maar geen enkele situatie uit zijn verleden als politicus was ook maar een minimum vergelijkbaar met wat hem te wachten stond bij de aanslagen van 9/11. Toch stond Bush er reeds op de avond van de aanslagen voor het Amerikaanse volk; om het te steunen, te helpen en om hen gerust te stellen. De zelfzekerheid die hij uitstraalde en de manier waarop hij zijn emoties wist te beheersen waren voor de Amerikaanse burgers tekens dat ze op hun president zouden kunnen rekenen in deze moeilijke tijd[15]. President Bush is voor de Amerikaanse burgers een ontzettend belangrijk aspect van hun leven geworden, in de manier waarop ze gingen reageren op de aanslagen van 9/11. Hij heeft mee hun gedrag voor de komende jaren bepaald. Het is daarom interessant om te analyseren welke rol de Bush regering, maar vooral president Bush zelf, gespeeld heeft in de wereldbeeldveranderingen die bij de Amerikanen opgetreden zijn als reactie op de aanslagen van 11 september 2001.

 

 

II. Theoretisch Kader

 

1. Het wereldbeeld van de Amerikaanse burgers

 

1.1. Het wereldbeeld; de publieke opinie over het buitenlands beleid

 

Het wereldbeeld van de Amerikaanse burgers kan even goed verstaan worden als de publieke opinie van de Amerikanen over de buitenwereld. De publieke opinie is echter een moeilijk te vatten begrip. De meningen over het bestaan ervan zijn erg verdeeld en hebben al aanleiding gegeven tot verschillende studies.

Het begrip is een reëel onderzoeksonderwerp geworden toen de Franse filosoof en schrijver, Jean-Jacques Rousseau, het concept is beginnen analyseren[16]. “L’opinion publique” werd in die tijd beschouwd als de mening van een beperkte elite, die van de betere burgerij en niet die van het gewone volk. Die opinie van de maatschappelijke elite was dan in lijn of in tegenspraak met die van de koning of van de lokale heerser. Vandaag wordt de mening van de bevolking eerder als de publieke opinie beschouwd. De samenleving wordt gezien als de som van alle individuen in de maatschappij leven, terwijl de publieke opinie dan de dominante mening van de gemeenschap over een bepaald onderwerp zou zijn. Er heerst nochtans verdeeldheid over bepaalde aspecten van de publieke opinie.

Ten eerste stellen sommigen zich de vraag of het begrip publieke opinie wel degelijk bestaat en of het niet een fictief begrip is. Sommigen beschouwen het als een objectief en meetbaar gegeven, terwijl anderen het beschouwen aks een virtueel begrip[17]. Ten tweede bestaat er onenigheid over hoe de opinie best wordt vastgelegd en of in die vastlegging elke stem even zwaar weegt[18]. Ten derde geloven sommige wetenschappers dat de mening van een ondervraagde bevolking sterk afhankelijk is van de manier waarop een onderzoek opgesteld wordt en hoe vragen gesteld worden in een peiling. Dat de veranderingen in de publieke opinie met andere woorden samengaan met veranderingen in de methodologie[19].

Wat vaststaan, is dat mensen denken over politiek. Ook al doen ze dat niet vaak, toch hebben ze er een persoonlijke visie over. Ze hebben hun mening over beleidsnormen, ook al blijft die mening vaak beperkt tot de beleidsnormen die hun alledaags leven direct beïnvloeden. Die beperkte interesse is echter niet altijd een feit. De mensen ondergaan namelijk de effecten van alle beslissingen die een regering neemt en willen zich dus vaak ook uitspreken over de positieve en de negatieve aspecten van een bepaalde beslissing. Ze hebben hun mening over wat goed is voor de samenleving en wat slecht is voor de samenleving en ze delen die mening met anderen. Mensen zijn sociale wezens; ze leven in groepsverband, in een maatschappij. In hun sociale omgeving delen ze, praten ze en luisteren ze naar anderen uit hun sociale omgeving. Sommige dingen die ze delen zijn ideeën en sommige van die ideeën gaan over politiek. Dat is publieke opinie[20].

 

1.2. Bestaat de publieke opinie?

 

De ideeën over publieke opinie kunnen verdeeld worden in 3 categorieën. Zij die denken dat publieke opinie bestaat, zij die menen dat publieke opinie niet bestaat en zij die geloven dat publieke opinie slechts als een idee bestaat[21]. Bij diegenen die in het bestaan van de publieke opinie geloven, heerst er wel verdeeldheid over de beste methode om die opinie vast te leggen. In de eerste plaats kan de methode van de meerderheid gebruikt worden. Men gaat er dan vanuit dat de mening van de bevolking gelijk is aan hetgeen de meerderheid van deze bevolking denkt. Maar wat gebeurt er als de minderheid die tegen een bepaald beleid is, een politiek veel actievere groep vormt dan die van de meerderheid en haar standpunt met alle beschikbare middelen tot uiting gaat brengen? Door betogingen, petities en andere middelen zou deze minderheid de illusie kunnen creëren bij journalisten, politici en andere burgers dat hun mening de publieke opinie is.

Een andere methode is wanneer de publieke opinie gemeten wordt door peilingen en de antwoorden vervolgens in statische resultaten als tabellen en percentages gegoten worden. Het hoogste percentage wordt dan als publieke opinie beschouwd. Deze methode houdt echter geen rekening met de eventualiteit dat een bepaalde groep sterker voor haar mening uitkomt of meer macht heeft om die uit te drukken. In deze methode geldt het democratisch principe van “één man, één stem”, maar in het dagelijks leven stelt men onvermijdelijk vast dat de opinie van een huisvrouw of een werkloze bijvoorbeeld minder invloed heeft dan die van een minister of een advocaat. Machtsverhoudingen worden dus niet in beschouwing genomen, maar er kan verder geargumenteerd worden over de verplichting om die verhoudingen in de publieke opinie te betrekken.

Wanneer politici of journalisten het in hun verklaringen hebben over onpopulaire maatregelen die door de regering ingevoerd worden of in tegendeel over beslissingen waar de publieke opinie naar verlangde, dan vragen sommige critici zich af op welke studies deze beweringen gebaseerd zijn. Er gaat namelijk zeer zelden een effectieve studie van de verlangens van de burgers vooraf aan het nemen van maatregelen. Dat is ook de reden waarom sommigen het idee van het bestaan van iets als een publieke opinie als fictief beschouwen[22]. De publieke opinie is volgens hen een gevoel dat gecreëerd wordt door mensen die er nood aan hebben, zoals journalisten en politici. Het weerspiegelt bovendien niet de publieke opinie van de hele bevolking, maar is eigenlijk een samenvatting van wat ze in hun familiale kringen en werkomgeving te horen krijgen[23]. Zo zouden mensen een vervormd beeld hebben van iets dat de publieke opinie zou genoemd worden, maar die de mening van de gehele bevolking helemaal niet weergeeft. Mensen trekken namelijk veel vaker op met mensen uit hetzelfde sociaal milieu en hebben bijgevolg ook veel meningen met elkaar gemeen. Op die manier kijken ze enkel naar de mensen in hun onmiddellijke omgeving, hoewel de kans groot is dat die mensen op dezelfde manier als hen denken over de meeste zaken. Mensen die niet in het bestaan van de publieke opinie geloven veronderstellen dus dat de correcte mening van het volk niet gekend kan worden.

De laatste groep gelooft enkel dat publieke opinie als een idee bestaat en vertoont veel overeenkomstige punten met de groep die niet in het bestaan van de publieke opinie gelooft. Ze gaan akkoord met het feit dat het niet mogelijk is om de publieke opinie van een bevolking op een objectieve manier vast te stellen. Maar dat hoeft volgens hen ook helemaal niet. Journalisten en politici doen volgens deze perceptie helemaal geen poging om een objectief beeld te schetsen van de publieke opinie. Ze zijn gewoon overtuigd van het bestaan van het begrip, ook al kan het niet nauwkeurig gemeten worden. De publieke opinie bestaat volgens hen dus wel, maar slechts als een idee dat niet als een objectief gegeven gemeten kan worden[24]. Mensen die beslissingen moeten nemen gaan zich dus afstemmen op het idee dat zij zich persoonlijk vormen van hoe de publieke opinie op deze beslissing, volgens hen, zou reageren.

 

1.3. De Amerikaanse burgers

 

Sinds het ontstaan van de Verenigde Staten heeft dit land altijd al een spectaculaire etnische diversiteit gekend, dat in geen enkel ander land terug te vinden is. Zowat elke blanke Amerikaanse burgers zal u bijvoorbeeld zonder problemen kunnen vertellen vanuit welke Europese landen zijn voorgangers oorspronkelijk zijn of hoeveel procent indiaans bloed er door zijn aders stroomt. Later in de jonge Amerikaanse geschiedenis hebben andere etnische groepen zich bij de bestaande bevolking gevoegd. Volgens het Amerikaanse censusbureau vormt de zwarte gemeenschap in de VS vandaag bijna 13% van de totale Amerikaanse bevolking[25]. Maar in sommige steden in de VS is die proportie heel verschillend. In Pontiac (MI) bijvoorbeeld, zo’n 30 kilometer ten noorden van Detroit, behoort bijna 90% van de lokale bevolking tot deze zwarte gemeenschap. Ook Hispanics zijn massaal vertegenwoordigd in de Amerikaanse bevolking, vooral in het zuiden van California en van Florida. Spaans is zelfs geëvolueerd tot de tweede taal in de VS[26].

Het probleem dat zich bij een dergelijk diverse populatie zou kunnen stellen, is het behouden van de diversiteit wanneer men opiniepeilingen houdt in verband met het buitenlands beleid, het wereldbeeld of andere zaken. Die meningsverschillen moeten behouden blijven in de peiling om een totaalbeeld te verkrijgen met een zo klein mogelijke foutmarge. Het is natuurlijk onmogelijk om aan elke deur in de VS te gaan aanbellen met een vraag en antwoordformulier in de hand. Deze oplossing is onmogelijk om praktische redenen ten eerste, om financiële redenen ten tweede en vooral ook omdat opiniepeilingen vaak de impact van een bepaald evenement willen opmeten. Geen enkel peilingbureau in de VS heeft de middelen om in drie of vier dagen het hele land te ondervragen. Toch is het mogelijk om algemene conclusies over de Amerikaanse burgers te trekken, door slechts een beperkt aantal van deze Amerikanen te ondervragen.

In de eerste plaats moet de bestudeerde bevolking nauwkeurig omschreven worden[27]. Wanneer men echter een studie doet over de opinie van de burgers van een bepaald land, zoals hier het geval is, dan is die bevolkingsomschrijving meteen heel duidelijk. Het gaat namelijk om de bevolking die binnen de nationale staatsgrenzen leeft. Het tweede aspect is de keuze van een methode om naar de opinie van de Amerikaanse bevolking te peilen. Deze methode moet elke Amerikaanse burger gelijke kansen geven om gekozen te worden voor het onderzoek[28]. Er is echter een evolutie vast te stellen in de gebruikte methodes. Bij de eerste opiniepeilingen werkt men enkel met persoonlijke interviews bij de Amerikaanse burgers thuis. Daarna heeft men de telefonie erbij betrokken en een systeem op poten gezet dat ‘Random Digit Dialing’ (RDD) noemt, waarbij telefoonnummers willekeurig worden gekozen uit een lijst van alle geregistreerde telefoonnummers in de Verenigde Staten.

Vandaag tracht men echter meer en meer om het internet bij opiniepeilingen te betrekken, maar die methode moet nog verder uitgewerkt worden[29]. Maar omdat nog lang niet iedereen in de VS over een internetaansluiting beschikt en ook omdat zij die wel over een verbinding beschikken niet altijd weten hoe ze hun opinie kunnen laten blijken, wordt deze methode nog niet als volledig representatief van de hele Amerikaanse bevolking beschouwd. Het kan slechts beschouwd worden als de opinie van de internetgebruikers, die op hun beurt maar een onderdeel van de totale populatie vormen[30]. Hetzelfde probleem deed zich in de jaren ’30 reeds voor met de telefonie. Een ander probleem met opinies via internet is dat die soms ook niet op uitnodiging gebeurd, maar dat het om gaat om gebruikers die vrijwillig hun mening gaan uitspreken. Bovendien kan niemand een internetgebruiker tegenhouden van zijn mening verschillende keren te bekend te maken. Dit is een tweede manier waarop het internet een vertekend beeld van de realiteit kan geven.

In 2002 beschikte 95% van de Amerikaanse bevolking over een telefoonlijn. Daarom is RDD sinds verschillende jaren de methode bij uitstek om publieke opiniepeilingen te doen in de VS. Maar er dreigt echter binnenkort een einde te komen aan de dominantie van RDD voor peilingen uit te voeren. De reden daarvoor is dat de burgers minder en minder bereid zijn tot coöperatie met interviews per telefoon. De mensen hebben minder tijd als vroeger en bovendien is telemarketing via telefoon iets wat deel uitmaakt van het dagelijks leven[31]. Verschillende burgers zijn daar echter niet voor te vinden en plaatsen telemarketing en opiniepeilingen allemaal onder dezelfde noemer. Daarom is het zo belangrijk dat er nieuwe methodes, zoals het gebruik van internet, ontwikkeld worden.

 

1.4. Een beschrijvende analyse

 

Het eerste luik van deze verhandeling wordt, zoals de titel het zegt, een beschrijvende analyse van de veranderingen die zich in het wereldbeeld van de Amerikaanse burgers hebben voorgedaan, als gevolg op de aanslagen van 11 september 2001. Er komt een antwoord op de vraag naar welke specifieke facetten een verandering gekend hebben in het hoofd van de Amerikaanse burgers; op welke verschillende manieren en het beeld dat de Amerikanen voor de aanslagen van de buitenwereld hadden, na die aanslagen veranderd is geweest.

Na een analyse van verschillende Amerikaanse bureaus die zich met opiniepeilingen bij de Amerikaanse burgers bezighouden, zoals Program on International Policy Attitudes (PIPA), World Public Opinion, Harris Interactive, Pew Research Center of zelfs Gallup Polling is vrij snel gebleken dat het beste materiaal zou komen van een organisatie die Chicago Council on Foreign Relations noemt en dit om twee redenen. Ten eerste omdat CCFR zich exclusief focust op het Amerikaans buitenlands beleid en de impact ervan op de Amerikaanse burgers. CCFR doet onderzoek naar hoe de Amerikanen denken over het gevoerde buitenlands beleid en op welke manier het Amerikaanse volk naar de buitenwereld kijkt. De tweede reden heeft te maken met de frequentie waartegen CCFR zo’n studie doet. De eerste studie werd in 1975 gehouden en sindsdien komt er om de vier jaar een nieuwe studie. Zo is er een gepubliceerd geweest in 1999 en is er vervolgens besloten om de volgende studie in 2002 te houden in plaats van in 2003, om op een optimale manier de impact van de aanslagen van 9/11 in die studies te verwerken. Een vergelijking van de studies van 1999 en van 2002 van CCFR gaf voor deze verhandeling het ideale bronnenmateriaal om de veranderingen in het wereldbeeld van de Amerikaanse burgers vast te leggen.

CCFR tracht met haar onderzoeken zo goed mogelijk representatief te zijn voor het hele Amerikaanse volk. Ze selecteren daarom een willekeurig aantal Amerikanen, dat normaal gezien iets boven de duizend ondervraagden ligt, en leggen hen allemaal de volledige vragenlijst van het onderzoek voor. RDD is nog steeds de methode bij uitstek voor de peilingen van CCFR, hoewel de laatste peilingen met de hulp van het internet gebeuren. Het belangrijk te noteren dat niet om een openbare peiling gaat waar iedereen die wenst aan kan deelnemen. Er is wel degelijk een kandidaatselectie en enkel de antwoorden van die geselecteerde groep worden in beschouwing genomen[32]. Om de peilingen niet te vervalsen, door mensen die geen toegang tot het internet hebben, stelt CCFR telkens een computer of een internetaansluiting of beide ter beschikking van de willekeurig geselecteerde Amerikanen die niet over deze middelen zouden beschikken. Op die manier kan CCFR dus een correcte opiniepeiling van de Amerikanen houden door toch maar 1000 tot 1200 onder hen te ondervragen.

 

 

2. De impact van de eerste Bush-regering

 

2.1. De eerste Bush-regering

 

De eerste regering van president George W. Bush is waarschijnlijk een van de minst voorspelbare geworden in de geschiedenis van het Amerikaans presidentschap. Van problemen met de verkiezingsuitslagen, tot een nieuwe oorlog in Irak, om maar niet te spreken over het Enron-schandaal, de spectaculaire schommelingen in zijn populariteit en natuurlijk de enorme impact van de terreuraanslagen van 11 september 2001 op zijn beleid[33]. Al deze factoren, maar vooral de laatst genoemde hebben het presidentschap van Bush keer op keer weer met keerpunten opgezadeld en nieuwe beleidsaspecten op de agenda gebracht, maar ze hebben van zijn presidentschap vooral een interessant onderzoeksonderwerp gemaakt.

De VS raakte door de aanslagen van 9/11 haar illusie van onkwetsbaarheid kwijt en Bush eveneens. Het accent moest en zou na de aanslagen meer op de buitenwereld en haar gevaren komen te staan. Bush heeft in eerste instantie zijn wereldbeeld aangepast aan de evenementen van 9/11. Zijn zoektocht naar een multilaterale coalitie om de strijd tegen het internationaal terrorisme te voeren is daar een oprecht voorbeeld van. Later is hij echter de evenementen op een manier gaan interpreteren zodat ze klopten met zijn persoonlijk wereldbeeld[34], zoals de beslissing om Saddam Houssein van de macht te halen heeft laten zien.

Met zijn volk dat zich na de aanslagen achter hem geschaard had, kon Bush zich ook permitteren om de aanslagen naar zijn goeddunken te interpreteren. Net omdat de steun van zijn volk voor zijn beslissingen zo groot was en omdat de voor zijn populariteit hoogtes had bereikt, die geen enkele Amerikaanse president voor hem had gekend, trok Bush de Amerikanen mee in zijn nieuwe visie van zijn presidentschap; in zijn nieuwe visie op de buitenwereld. Er zijn verschillende factoren die op de veranderingen in het wereldbeeld van de Amerikaanse burgers na de aanslagen hebben gespeeld. Deze verhandeling beperkt zich tot de analyse van één van die factoren: Bush in zijn eerste ambtstermijn.

 

2.2. Een verklarende analyse

 

Nadat het eerste luik van deze verhandeling een beschrijvende analyse heeft gemaakt van de veranderingen in het wereldbeeld van de Amerikaanse burgers, als gevolg op de aanslagen van 9/11, zal het tweede luik een verklarende analyse opbouwen van een van de vele factoren die aan de basis van deze veranderingen liggen. Deze factor is de eerste regering van president Bush. Het argument dat aan de basis van deze verklarende analyse ligt is het feit dat het presidentschap van Bush op een zodanig sterke manier veranderd is geweest als gevolg van de aanslagen, dat die veranderingen ook zijn overgedragen naar de Amerikaanse burgers, die er op hun beurt een nieuwe kijk op de buitenwereld aan hebben overgehouden.

De verklarende analyse argumenteert dat de aanslagen voor een ommekeer gezorgd hebben in de politiek van Bush, die tot dan voornamelijk de nadruk legde op de binnenlandse politiek. De aanslagen hebben op korte termijn drie effecten gehad op het presidentschap van Bush. Ten eerste een gedwongen focus op het buitenlands beleid, met een specifieke focus op veiligheidsaspecten en de oorlog tegen het terrorisme. Ten tweede een ‘rally around the flag’ effect[35]. Dit fenomeen doet zich voor als reactie op sommige evenementen als 9/11 of de gijzeling in de Amerikaanse ambassade in Teheran en illustreert een bepaalde vorm van het Amerikaans patriottisme. De Amerikaanse burgers uiten dan massaal hun steun voor hun president en scharen zich als een verenigd volk achter de Amerikaanse symbolen, zoals de president bijvoorbeeld. Theorieën van onder andere Virginia Chanley zullen wijzen op het feit dat deze twee effecten van 9/11 een enorme golf van vertrouwen van de Amerikaanse burgers hebben gegenereerd in president Bush[36].

Het derde korte termijn effect van de aanslagen dat beschreven zal worden, is ‘agenda-setting’ als gevolg van 9/11. De aanslagen en de gevolgen ervan hebben lange tijd de Amerikaanse media gedomineerd. Daardoor heeft de media de percepties van Amerikanen beïnvloedt en eveneens hun verwachtingen in verband met de reacties van de Amerikaanse overheid op de aanslagen vrij groot gemaakt. Tot op een zeker niveau is de Amerikaanse media mee verantwoordelijk voor de wereldbeeldveranderingen die als gevolg van de aanslagen bij de Amerikanen ontstaan zijn.

De verklarende analyse zal vervolgens aantonen dat het enorme vertrouwen dat net besproken is, gecombineerd met het agenda-setting effect van 9/11 ervoor gezorgd hebben dat Bush zich bewust op het buitenland beleid is gaan fixeren en niet meet verplicht, zoals dat net na de aanslagen het geval was. Op die manier heeft Bush ook zelf de agenda van het Amerikaans beleid kunnen beïnvloeden en zelfs bepalen[37]. Na de aanslagen was Bush quasi almachtig in de Amerikaanse politiek. Omdat hij net zijn eigen politiek ideeën en zijn eigen agenda naar voor heeft kunnen brengen en die vaak ook zonder veel problemen of rechtvaardiging heeft kunnen implementeren, heeft Bush zijn steen bijgedragen tot de mentaliteit- en wereldbeeldveranderingen bij zijn Amerikaanse burgers.

 

 

III. Hoofdtekst

 

A) De veranderingen in het wereldbeeld: een beschrijvende analyse

 

Sinds die fatale dag van angst en opschudding zijn de Amerikanen zich belangrijke vragen beginnen stellen over hun rol en hun plaats in de wereld. Het is overdreven van te stellen dat de Amerikanen plots al hun aandacht op het buitenland gericht hebben, maar ze zijn stilaan beginnen beseffen dat ze misschien toch meer zijn dan gewoon consumenten of een massa aan statistieken[38]. De Amerikanen zijn meer en meer beginnen kijken naar welke plaats de VS in de wereld inneemt en hoe haar internationale machtspositie eruit ziet. In reactie op 9/11 is ook de dreiging van buitenaf belangrijk geworden en gaat er sinds de aanslagen veel aandacht naar welke buitenlandse situaties mogelijke bedreigingen vormen[39].

 

 

1. Internationalisme

 

De dramatische aanslagen van 9/11 hebben een diepe impact gehad op de manier waarop de Amerikaanse burgers naar de buitenwereld kijken en op de manier waarop ze zichzelf plaatsen in die wereld. Er bestaat sindsdien een trend van groeiende aandacht voor wat zich afspeelt buiten de nationale grenzen van de Verenigde Staten en 9/11 heeft daarin een grote rol gespeeld[40]. Gedurende 40 jaar was het Amerikaans internationalisme en het buitenlands beleid gefocust op de bedreiging van de Sovjet Unie tijdens de Koude Oorlog. Het einde van de Koude Oorlog maakte hieraan een einde en kondigde het begin aan van een periode van zeer beperkte Amerikaanse inmenging, van weinig interesse in de buitenwereld en ook van relatieve veiligheid vergeleken met de voorafgaande decennia. De aanslagen van 11 september 2001 hebben echter voor een nieuwe ommekeer gezorgd.

 

1.1. Voor de aanslagen

 

De belangstelling van de Amerikanen voor wat zich in het buitenland afspeelde, was in de periode voor de aanslagen nog beperkt, maar niet minder dan in de decennia die aan de jaren ’90 voorafgingen. Dat er weinig interesse vanwege de Amerikaanse burgers was, vertoonde zich duidelijk in het percentage onder hen dat het nieuws uit binnen- en buitenland volgde. Het nieuws dat al decennia lang het meest gevolgd wordt, is het lokale nieuws, dat door 60% van de Amerikanen bekeken wordt[41]. Nog niet de helft van de Amerikanen is geïnteresseerd in het nationale nieuws en minder dan 30% toont belangstelling voor het buitenlands nieuws[42]. Er is wel een uitzondering in verband met het buitenlands nieuws, wanneer het specifiek gaat om de relatie van de Verenigde Staten met een ander land. In dat geval toont 45% van de Amerikanen zich geïnteresseerd[43].

Deze cijfers zijn een constante in de opiniepeilingen van de Chicago Council on Foreign Relations sinds 1974. Dit is het jaar waarin de Council begonnen is met meningen van de Amerikaanse burgers over het buitenland in kaart te brengen. Er is wel een daling van 4 tot 8% in vergelijking met de peiling van 1994, maar over het algemeen kan de situatie beschouwd worden als een constante. Het is net in die constante dat de aanslagen veranderingen gebracht hebben. Er is meer aandacht van de Amerikanen voor het buitenlands gebeuren, sinds de aanslagen, alhoewel de stijging ook niet enorm is.

 

1.1.1. Bedreigingen voor de VS

 

Wanneer er gepolst wordt naar wat volgens de Amerikanen de grootste bedreigingen voor de Verenigde Staten zijn, speelt het buitenlands gebeuren een minieme rol. Amerikanen vinden dat de binnenlandse problemen veel belangrijker zijn, maar vooral ook dat die een belangrijkere bedreiging voor de maatschappij vormen, dan de buitenlandse. In de periode voor de aanslagen werd er vooral gesproken van het probleem van de criminaliteit, het druggebruik en de opvoeding van jongeren[44]. Er was ook de affaire rond Bill Clinton en Monica Lewinsky, die op dat ogenblik, voor de Amerikanen, de tweede grootste bedreiging voor het land vormde. Deze zaak wordt hier buiten beschouwing gelaten, aangezien het om een zeer tijdelijk probleem ging. Criminaliteit en druggebruik werden dus met respectievelijk 26% en 21% beschouwd als de grootste problemen[45].

Het aandeel van problemen die te maken hadden met het buitenland was gering. Als de som wordt gemaakt van de binnenlandse en de buitenlandse problemen van de top tien van genoemde bedreigingen, dan heeft slechts 7,3% te maken met het buitenland. Meer dan 90% legt de nadruk op de binnenlandse problemen, of ze nu sociaal, economisch of gouvernementeel zijn[46]. Er zijn verschillende verklaringen mogelijk voor dit lage percentage. Het kan ten eerste te maken hebben met de geringe belangstelling van de Amerikanen voor de buitenwereld en haar problemen. Een andere verklaring is dat de Amerikanen sinds het einde van de Koude Oorlog geen bedreiging meer zien die hiermee op gelijke voet staat en dus dat buitenlandse conflicten van kleinere schaal niet als bedreigend voor de VS beschouwd worden. Een laatste verklaring is dat de Amerikanen gewoon tevreden zijn met de manier waarop de president en zijn administratie het buitenlands beleid voeren en dat ze zich daarom niet onmiddellijk bedreigd voelen. Ondanks de zaak Lewinsky genoot president Clinton in zijn tweede termijn namelijk een vrij hoge populariteit, ook op vlak van buitenlands beleid, hoewel hij daar felle kritiek op gekregen had tijdens zijn eerste termijn.

 

1.1.2. Budget van de federale overheid

 

De veranderingen die de burgers graag zouden zien in de uitgaven van de federale overheid verschaffen informatie omtrent de tevredenheid over het gevoerde beleid op bepaalde actieterreinen. De periode voor de aanslagen werd gedomineerd door de vraag van de Amerikaanse burgers naar meer financiële middelen voor het binnenlands beleid, zoals de sociale zekerheid, de criminaliteitsbestrijding of de ziekteverzekering. Bush had zijn beleid namelijk op het binnenlands beleid gefocust en het is ook van daaruit dat de reacties van de publieke opinie kwamen.

Geld voor het buitenlands beleid mocht op het bestaande niveau blijven en soms zelfs drastisch verminderd worden. Het besteedde geld aan buitenlandse programmapunten zoals het verschaffen van economische of militaire hulp aan andere landen moest volgens de burgers sterk verlaagd worden. Ook over het defensiebudget waren de Amerikaanse burgers, voor de aanslagen, nog van mening dat er voldoende geld aan defensie besteed werd en dat het dus gelijk moest blijven[47]. President Bush was voor de aanslagen van 9/11 dan ook helemaal niet gericht op het buitenlands beleid. De Amerikaanse burgers zagen bijgevolg dus ook maar weinig of geen buitenlands beleid debatteerden niet over het feit of er meer of minder overheidsgeld naar bepaalde aspecten van het buitenlands beleid moest gaan.

 

1.2. Na de aanslagen

 

1.2.1. Bedreigingen voor de VS

 

Grote veranderingen hebben zich voorgedaan als gevolg van de aanslagen, onder meer op het vlak van de bedreigingen ten opzichte van de VS. Volgens de opiniepeilingen van CCFR staat terrorisme bovenaan de lijst van de belangrijkste gevaren voor het land. 36% van de Amerikanen vindt dat terrorisme voor de VS het grootste probleem is, terwijl er voor de aanslagen zelfs geen sprake was van terrorisme als bedreiging[48]. Binnenlandse problemen vormden toen de top tien, zoals criminaliteit, economie, onderwijs, werkloosheid of ook druggebruik. Voor het eerst is het echter een buitenlands probleem dat de meeste angst wekt. Iets minder dan de helft van de genoemde bedreigingen heeft te maken met de buitenwereld, terwijl dat er in de peilingen voor de aanslagen slechts een ruime 5% waren.

Hoewel terrorisme de grootste bedreiging vormt volgens de Amerikanen is er nog steeds erg veel aandacht voor de binnenlandse problematiek. Economie, onderwijs en werkloosheid staan namelijk op de tweede, derde en vijfde plaats. Binnenlandse problemen krijgen nog steeds meer aandacht dan de buitenlandse. De groeiende aandacht van de Amerikanen voor de buitenlandse wereld is duidelijk te zien als men nagaat wat volgens hen de grootste buitenlandse bedreiging vormt voor de VS. In 2002 was dat natuurlijk terrorisme, maar in 1999 was dat “Ik weet het niet”, met 21%. Dat is meer dan één Amerikaan op vijf die geen idee had van wat er zich in het buitenland afspeelde. Als gevolg van de aanslagen van 9/11 is dat cijfer gezakt tot 11%[49].

 

1.2.2. Binnenlandse veiligheid

 

De reacties op de aanslagen van 9/11 draaien allemaal rond hetzelfde thema. Net na de aanslagen stelde men een enorme verhoging van het percentage Amerikanen die terrorisme als een hoofdbedreiging beschouwden. Maar zelfs een jaar later blijven Amerikanen geloven dat ze alerter moeten zijn ten opzichte van de buitenwereld en die ook beter moeten kennen. Het besef van kwetsbaarheid is iets dat de meeste Amerikanen diep geraakt heeft. Bijna de helft van de Amerikanen zegt vandaag dat ze veel interesse heeft voor wat zich afspeelt in andere landen en dat cijfer was voor de aanslagen nog minder dan een derde. Ook de belangstelling voor de relaties die de VS onderhoudt met andere landen en voor het binnenlandse nieuws is met indrukwekkende cijfers gestegen. Naast de toenemende aandacht voor het buitenlandse gebeuren vinden ook meer en meer Amerikanen dat de VS een actieve rol moet spelen in de wereld en zeker als het gaat om hun veiligheid te verzekeren door potentiële bedreigingen uit de weg te helpen. Amerikanen hebben altijd al gevonden dat hun land moest instaan voor een actieve veiligheidsrol in de wereld, maar het is voor het eerst sinds de periode na de Tweede Wereldoorlog dat meer dan 70% van de Amerikanen van die mening is[50].

Amerikanen zijn dan ook bereid om meer van hun belastingsgeld te zien vloeien naar ‘Homeland Security’, maar ook naar het verzamelen van informatie over andere landen en naar defensie. Ze zijn zelfs bereid meer belastingen te betalen, als er maar meer geïnvesteerd wordt in die specifieke takken. Homeland Security zag voor het eerst het daglicht in 2002. Vandaag is het budget van Homeland Security voor 2007 reeds door het congres gestemd en ligt het vast op maar liefst 31 miljard dollar. Sinds 2002 zijn er bovendien al duizenden contracten onderhandeld met honderden firma’s van de veiligheidssector, om de onderzoeksprogramma’s en het materieel voor de binnenlandse veiligheid te financieren. Wereldwijd omvat de sector van de veiligheid voor het privé-leven minstens 40 miljard dollar, waarvan de helft in de VS gelegen is[51]. Bovendien groeit de sector sinds de aanslagen van 11 september met 10% per jaar, wat niet verwaarloosbaar is.

Er is dus sinds de aanslagen een duidelijke vraag naar meer veiligheid op Amerikaanse bodem. Ondanks deze veranderingen heeft de Amerikaanse burger nog steeds maar weinig geld over voor economische en militaire hulp aan andere landen. Het liefst mag daar zelfs wat in gesnoeid worden. Het binnenlands budget geniet echter nog steeds veel aandacht. Sociale zekerheid, geld voor het onderwijs en bestrijding van de criminaliteit blijven gevoelige punten in het budget. De aanslagen van 11 september hebben op de vlakken van internationale hulpverlening en binnenlands budget dus maar weinig invloed gehad.

Niet alleen als een aspect van het Amerikaanse beleid, maar ook de persoonlijke veiligheid van de Amerikaanse burgers is na de aanslagen een belangrijk punt geworden. Er heeft zich trouwens een hele uitbreiding voorgedaan in de industrie van producten die de veiligheid van de Amerikanen thuis zou moeten bevorderen. De sector van de angstindustrie beweert dat de oproepen en de bestellingen de dag na de aanslagen begonnen zijn en dat tot vandaag de verkoopscijfers nog abnormaal hoog liggen. Ze zouden sinds de aanslagen verdrievoudigd zijn[52].

 

 

2. Veiligheid en buitenlands beleid

 

2.1. Voor de aanslagen

 

Reeds op het einde van de twintigste eeuw was de bezorgdheid om eigen veiligheid een absolute prioriteit bij de Amerikanen. Ze waren trots op hun positie van belangrijkste wereldleider en beschouwden die rol ook als noodzakelijk. De actieve rol van de VS in de wereld moest voor een meerderheid van de Amerikanen liefst behouden worden en mocht zelfs nog uitgebreid worden. De Amerikanen geloofden trouwens toen al dat de VS tien jaar later een nog belangrijkere rol zou spelen in de wereld, dan aan het eind van de eeuw het geval was. De achterliggende reden hiervoor is heel eenvoudig. 53% van de Amerikaanse burgers gelooft dat de volgende eeuw meer geweld, agressie en conflicten zal brengen dan de voorbije, terwijl een andere 21% denkt dat de situatie ongeveer dezelfde zal blijven[53]. Een voortgezette Amerikaanse grootmacht in de wereld werd dus als een noodzakelijke voorwaarde beschouwd om de veiligheid van de Amerikaanse bevolking te blijven garanderen.

Toch was het einde van de twintigste eeuw een periode waarin de meeste Amerikaanse burgers liever opteerden voor een beperkte Amerikaanse inmenging in de conflicten van de buitenwereld. In vergelijking met het verleden is het vooral de economische agenda die het buitenlands beleid zou domineren en minder de eventuele conflicten waar de VS zich mee zou kunnen bezighouden, dit ondanks het feit dat een aantal conflicten duidelijk om aandacht vragen. Amerikanen zijn daar niet blind voor, maar willen dit meer en meer onder het bewind van de NAVO of de VN zien gebeuren en vooral in samenwerking met een internationale coalitie.

 

2.1.1. Problemen van het Amerikaans beleid

 

De problemen waarmee de Verenigde Staten vooral te maken had in de periode voor de aanslagen, waren volgens de Amerikanen bijna uitsluitend binnenlandse problemen. Wanneer er uitdrukkelijk gevraagd werd naar welke buitenlandse situaties mogelijk problematisch zouden kunnen worden voor de VS, antwoordde meer dan één Amerikaan op vijf dat hij het niet wist. 21% van de Amerikanen was dus niet in staat om één buitenlands probleem op te noemen[54]. Dit cijfer komt overeen met het lage percentage aan Amerikanen dat interesse toont voor het buitenlands nieuws.

De andere antwoorden hebben meestal te maken met conflictsituaties of soms met economische problemen. Het is opmerkelijk dat de VS zelf maar in weinig van de genoemde conflictsituaties verwikkeld is. 12% van de Amerikanen antwoordde toen al dat terrorisme een belangrijk probleem voor het Amerikaanse buitenlands beleid was[55]. Er moet echter wel rekening gehouden worden met het feit dat de opiniepeiling dateert van de periode waarin twee Amerikaanse ambassades in Afrika gebombardeerd werden door terroristen[56]. De militaire luchtaanvallen van de VS als reactie op deze aanslagen waren op dat moment voortdurend in de media.

Naast terrorisme kregen ook de economische situaties vrij veel aandacht van de Amerikanen. 11% beschouwde de toestand van de globale economie als een probleem voor het buitenlands beleid van de VS en 10% vond dat de problemen eerder kwamen van het eigen onevenwicht in de Amerikaanse handelsbalans[57]. De beperkte aandacht van de Amerikanen voor bedreigingen die 4 jaar later helemaal bovenaan op hun lijst zullen staan is merkwaardig. De controle over de verspreiding van wapens stond bijna helemaal onderaan de tabel. Dit punt omvatte echter ook de preventie van nucleaire proliferatie en werd door slechts 7% van de Amerikanen als een belangrijk probleem voor het buitenlands beleid beschouwd[58]. De buitenlandse moeilijkheden die zich helemaal onderaan de lijst bevonden waren Irak en een algemene situatie van oorlog, wat ook de mogelijkheid van een nucleaire oorlog omvatte. Slechts 4% van de Amerikanen vond dat de VS deze situaties moest integreren in haar buitenlands beleid[59]. Er was dus opmerkelijk weinig aandacht voor wat drie jaar later het integrale buitenlands beleid van de VS zou vormen.

 

2.1.2. Buitenlandse bedreigingen

 

In de periode voor de aanslagen was de belangrijke verschuiving in de perceptie van wat volgens de Amerikanen een buitenlandse bedreiging vormt voor de VS, reeds bezig. Die verschuiving houdt in dat er sinds het einde van Koude Oorlog het niet meer hoofdzakelijk naar klassieke bedreigingen van machtige staten gekeken wordt, maar veel meer naar nieuwe bedreigingen, die niet van een staat afkomstig zijn, maar eerder van een bepaalde groep of organisatie die een idee of een geloof willen verdedigen[60]. Toch vormt het gevaar van traditionele bedreigingen ook nog steeds een belangrijk punt. Zo wordt de economische ontwikkeling van China meer en meer als een bedreiging gezien en ook de Russische militaire macht maakt nog deel uit van het lijstje, hoewel beide een dalende trend vertonen. Tenslotte staan regionale etnische conflicten er nog steeds bij, waarschijnlijk door de recente militaire interventies van de Amerikanen in het etnisch conflict van de Balkan.

Wat betreft de cruciale bedreigingen voor de belangen van de Verenigde Staten stond ook in 1999 het internationaal terrorisme reeds op de eerste plaats, met 84% van de Amerikanen die overtuigd waren van dat gevaar[61]. Het is opvallend dat de Amerikaanse overheid het terrorisme aanvankelijk als een veel kleiner probleem beschouwde dan hun burgers. Terrorisme stond voor de overheid pas op de derde plaats van de cruciale bedreigingen. Er kan moeilijk gesteld worden dat slechts een beperkt percentage onder de overheidsambtenaren voor terrorisme vreesde, want het gaat toch om twee derde onder hen die het toen reeds beschouwde als een cruciale bedreiging. Het is echter meer het feit dat twee andere problemen toen nog belangrijker bleken te zijn, dat aantoont dat het terrorisme, voor de aanslagen, niet de absolute prioriteit was in Washington. Verder bleek drie kwart van de burgers ook bang te zijn voor de chemische en biologische wapens, voor de nucleaire proliferatie en voor de verspreiding van verschillende virussen als AIDS of Ebola[62]. In het geval van de mogelijke nucleaire proliferatie draait het vooral om vijanden van de VS die met het bezit van atoomwapens druk zouden kunnen uitoefenen tegen de VS. Het actuele voorbeeld hiervan is natuurlijk de situatie in Iran. Dit zijn de bedreigingen waartegen de VS, volgens haar burgers, het moeilijkst kan optreden om ze te vermijden.

Verder vond een meerderheid van de Amerikanen ook nog, hoewel in mindere mate dan de vorige vier bedreigingen, dat de ontwikkeling van China tot een grootmacht en de toenemende migratiestroom naar de VS een negatief effect zou kunnen hebben op de belangen van de VS. 57% en 55% van de Amerikanen beschouwde die twee elementen als fundamentele bedreigingen voor de VS[63]. De overige vernoemde bedreigingen konden geen meerderheid van de Amerikaanse burgers overtuigen. Het moslimfundamentalisme bijvoorbeeld werd voor de aanslagen slechts door 38% onder hen geteld. Er is ook betrekkelijk weinig vrees voor economische concurrentie, zowel uit Japan, de EU, als die van de lage loonlanden.

 

2.1.3. Het Amerikaans buitenlands beleid

 

De Amerikaanse burgers hebben hun eigen idee over welke de doelen van het buitenlands beleid van de VS moeten zijn. Wanneer er gekeken wordt naar de doelen die de burgers als ‘zeer belangrijk’ beschouwen, dan kan een tabel gemaakt worden van hun prioriteiten op vlak van buitenlands beleid. Deze prioriteiten zijn nauw verbonden met de in de vorige punten besproken buitenlandse bedreigingen en problemen van het buitenlands beleid. Ook situaties die in de nabije toekomst problematisch zouden kunnen worden, horen daar vaak bij[64].

Net voor de aanslagen van 11 september domineerden vier factoren in wat het buitenlands beleid van de VS moest inhouden volgens haar burgers. Bovenaan de lijst stond de verhindering van de nucleaire proliferatie, met 82% van de burgers die het als een ‘zeer belangrijk’ doel beschouwden[65]. In volgorde van belang waren de drie andere elementen het stopzetten van de drugstroom naar de VS, het beschermen van de jobs van de Amerikaanse burgers en de bestrijding van het internationaal terrorisme. Deze drie doelen werden naar voor gebracht door 79% tot 81% van de Amerikanen[66]. Verder scoorden doelen als de verdediging van energievoorraden en het behouden van de Amerikaanse militaire suprematie in de wereld goed. Ook het verminderen van de illegale immigratiestroom naar de VS en een globale verbetering van het milieu waren doelen die nog boven de 50% uitkwamen[67].

Wat meteen opvalt in die rangschikking is dat bijna alle doelen die gesteund werden door meer dan 50% van de Amerikanen, doelen waren waar de Amerikanen zelf het grootste belang bij hadden. Alle doelen die te maken hadden met hulp aan anderen of met andere landen in het algemeen stonden op de onderste plaatsen en kregen veel lagere percentages van steun. De enige uitzondering op deze vaststelling was het bestrijden van de hongersnood in de wereld, dat door 62% van de Amerikanen als ‘zeer belangrijk’ werd beschouwd en daarmee het zesde doel voor het buitenlands beleid vormde[68]. Voor de rest waren de lagere percentages bestemd voor doelen zoals het helpen om de levensstandaard in ontwikkelingslanden te verhogen, democratie brengen naar landen die deze regeringsvorm niet kennen of zwakkere landen beschermen tegen invasies van het buitenland. Minder dan één Amerikaan op drie beschouwde deze doelen als belangrijk. De positieve kant van deze lage cijfers was wel dat ze een stijging van 5% tot 8% inhielden in vergelijking met de vorige peiling[69].

President Clinton had in die periode het promoten van vrije markt economieën tot één van de belangrijkste punten voor zijn buitenlands beleid gemaakt. De burgers hechtten er blijkbaar minder belang aan dan hij, aangezien slechts 34% van de Amerikanen dit doel steunde. Ook militaire altruïstische doelstellingen deden het slecht. 44% van de burgers vond het belangrijk om de veiligheid van de bondgenoten van de VS te garanderen, terwijl 45% onder hen te vinden was om de uitbreiding van de functies van de VN tot de belangrijkste taken van het buitenlands beleid te tellen[70].

De beperkte bereidheid van de Amerikaanse burgers om doelstellingen die te maken hadden met andere landen bij de belangrijkste doelen van het Amerikaans buitenlands beleid te rekenen, lag in dezelfde lijn van eerdere vaststellingen zoals de dalende kijkcijfers voor het buitenlands nieuws en de algemeen dalende interesse voor het buitenlands gebeuren. Ze keren hun rug niet naar de wereld, maar voelen zich minder betrokken tot het buitenlands gebeuren, door de dalende dreigingen van het laatste decennium. De focus ligt daarom meer op de eigen belangen, dan op het belang van de buitenwereld.

 

2.2. Na de aanslagen

 

Na een periode van relatieve rust in het buitenlands beleid van de VS die een tiental jaren heeft geduurd, heeft het gevoel van veiligheid van de Amerikanen weer plaats gemaakt voor angst; angst voor bedreigingen uit het buitenland. Het internationaal terrorisme wordt door meer dan 90% van de Amerikanen gezien als de belangrijkste bedreiging van hun welzijn. Ook de proliferatie, het bezit en de aanmaak van chemische, biologische en nucleaire wapens scoort zeer hoog. Deze angsten zijn niet nieuw; ze stonden al bovenaan in de lijst, ook voor de aanslagen van 11 september, maar het belang ervan is nog meer gestegen. Ook de conflicten in het Midden-Oosten en het moslimfundamentalisme zijn bedreigingen die de Amerikanen steeds meer vrezen[71]. Aan de andere kant zijn er een aantal gevaren waaraan de Amerikaan minder aandacht schenkt dan voordien. Op economisch vlak wordt er bijna geen aandacht meer gewijd aan de groeiende competitiviteit van Europa en van Japan. Ook Rusland doet een grote stap vooruit in het respect van de Amerikanen en is stilaan aan het evolueren van Amerika’s grootste vijand naar een betrouwbare bondgenoot.

 

2.2.1. Het Amerikaans buitenland beleid

 

De strijd tegen het terrorisme is in de ogen van de Amerikaanse burger het belangrijkste punt van het buitenlands beleid om tot binnenlandse veiligheid te komen. Amerikanen zijn dan ook bereid een brede waaier van middelen te aanvaarden om het terrorisme te bestrijden[72]. Het terrorisme uit de wereld helpen staat nu op de eerste plaats op de lijst van doelen die het Amerikaans buitenlands beleid moet bereiken en klom daarmee van de vierde naar de eerste plaats tussen 1999 en 2002[73]. Door de aanslagen van 11 september is de vrees van de Amerikanen om vernietigingswapens in de handen van vijanden te zien, nog groter geworden. Ze hebben namelijk de schade ondervonden, die zulke wapens kunnen aanrichten. Hoewel de Amerikanen de non-proliferatie van massavernietigingswapens al sinds de Koude Oorlog hoog in het vaandel dragen, is er sinds 9/11 een verdere stijging van dit doel waar te nemen in de opiniepeilingen. 90% van de Amerikanen beschouwt dit doel als ‘zeer belangrijk’ en het vormt dan ook de tweede belangrijke doelstelling van het buitenlands beleid, net na de bestrijding van het terrorisme[74].

Vreemd genoeg staan net achter deze twee belangrijkste doelstellingen van het Amerikaans buitenlands beleid, drie doelstellingen die meer te maken hebben met het welzijn van de Amerikanen zelf dan met echt buitenlands beleid[75]. De Amerikaan is bang van feiten die zich in het buitenland afspelen, als er een reële kans bestaat dat die een negatieve invloed zullen hebben op het dagelijks leven in de VS. Jobs van de Amerikaanse burgers veiligstellen is met 85% de derde belangrijkste doelstelling en laat duidelijk zien dat de Amerikaan de effecten van globalisatie vreest[76]. Zo zijn er andere angstvertoningen voor buitenlandse situaties met een potentieel effect op de VS, zoals de drugstoevoer naar de VS door Zuid-Amerikaanse drugsbaronnen of de vrees voor een tekort aan energiebronnen door de conflicten in het Midden-Oosten. De Amerikaanse burgers verwachten meer middelen van de overheid zodat hun angsten weggewerkt kunnen worden.

Het totale resultaat van de doelen van het Amerikaans Buitenlands Beleid brengt in beeld dat de Amerikaan veel meer belang hecht aan het buitenlands beleid wanneer hij er zelf iets mee te maken heeft. Zoals reeds vernoemd in de vorige paragrafen hebben alle belangrijkste doelstellingen een onmiddellijke invloed op de binnenlandse veiligheid in de VS. Vervolgens, wat lager op de lijst, vindt men doelstellingen terug die meer altruïstisch gericht zijn, maar waar de VS toch nog veel baat bij hebben. Dit zijn doelstellingen zoals het behouden van een superieure militaire macht in de wereld, meer zorg dragen voor het milieu, de VN sterker maken of ook nog de veiligheid van bondgenoten van de VS garanderen[77].

Onderaan de lijst staan doelstellingen die de Amerikanen het minst belangrijk vinden voor hun buitenlands beleid en het gaat hierbij uitsluitend over puur altruïstische doelstellingen. Promoten van vrije markt economieën in het buitenland, democratische regeringsvormen opstellen in non-democratische landen en het verbeteren van de levensstandaard in de minst ontwikkelde landen zijn de drie doelstellingen die door de Amerikanen helemaal onderaan de lijst geplaatst worden. Dit is echter nog geen reden om te besluiten dat Amerikanen zich niet druk maken over armoede in de wereld, over mensenrechten en over het lot van ontwikkelingslanden. Hoewel de drie voorgenoemde doelstellingen onderaan de lijst staan, is nog altijd gemiddeld één Amerikaan op drie ervan overtuigd dat die doelstellingen ‘zeer belangrijk’ zijn, wat geen verwaarloosbaar cijfer is[78]. Deze tabel laat dus zien dat de Amerikanen sinds 9/11 meer weten over de buitenlandse wereld. Hun prioriteiten voor het buitenlands beleid van de VS liggen dan ook in het regelen van die bepaalde conflicten en gevaren in het buitenland, die hun binnenlandse veiligheid zouden kunnen bedreigen. Er is aandacht voor armoede en ontwikkelingslanden, maar er is buitengewoon veel belang voor de binnenlandse veiligheid.

 

 

3. De VS als superstaat

 

Er bestaat al jaren geen twijfel meer over het feit dat de Verenigde Staten de grootste militaire en economische macht ter wereld is. Deze positie wordt niet even gemakkelijk aanvaard door alle landen en vooral op militair vlak heeft de VS vaak een negatief imago in het buitenland. Veel mensen zien het als een land van “cowboys” die denken dat ze overal ter wereld doen wat ze maar willen en vaak ook zonder rekening te houden met de plaatselijke bevolking[79]. Wat mensen in het buitenland zien, zijn de resultaten van beslissingen die genomen werden door de Amerikaanse regering, maar die komen niet altijd overeenkomen met het beeld dat de Amerikanen zelf van hun land hebben; met het imago dat ze graag zouden uitstralen.

 

3.1. Voor de aanslagen

 

3.1.1. De Amerikaanse macht in de wereld

 

Amerikanen beschouwden aan het einde van de twintigste eeuw hun land reeds als de grootste economische en militaire macht ter wereld. Op wereldschaal is de VS bovendien ook het belangrijkste land ter wereld op het vlak van invloed op de andere landen. De Amerikaanse macht groeit volgens haar burgers elke dag een beetje meer. Voor de aanslagen was de helft van de Amerikanen overtuigd van het feit dat de VS een belangrijkere rol speelde in de wereld dan 10 jaar voordien[80], hoewel dat de periode was dat de VS een einde maakte aan de Koude Oorlog en aan de communistische Sovjet-Unie. Daarbij komt nog dat 80% van de Amerikanen verwacht dat de macht en ook het globaal belang de VS in de komende 10 jaren nog verder zal stijgen[81]. Geen enkel ander land zal, volgens de Amerikaanse burgers, in de nabije toekomst een even grote machtstoename kennen als de VS.

Een manier om de macht van een hegemoon in wereld uit te leggen is de cyclitheorie van de Internationale Betrekkingen. Deze theorie verdedigt de stelling dat een bepaald land aan de basis van de wereldorde ligt tot het uitgedaagd en overwonnen wordt door een nieuwe hegemoon. George Modelski is een aanhanger van deze theorie; hij stelt dat het bewind van zo’n hegemoon sinds de jaren 1500 telkens ongeveer 100 jaar duurt[82]. De nieuwe hegemoon overtreft de oude telkens, zowel op economisch als op militair vlak[83]. Portugal, Nederland en Groot-Brittannië hebben om de beurt de macht gehad over wat er zich afspeelde op het wereldtoneel. Sinds 1914 is de VS echter onbetwistbaar het machtigste land ter wereld geworden. De Amerikaanse invloed over de wereld wordt gekenmerkt door de overdracht van de Amerikaanse waarden en identiteit aan andere volkeren. Individuele vrijheid, gelijke kansen, eerlijke competitie en materiële rijkdom zijn waarden die vandaag vrijwel overal ter wereld hoog in het vaandel gedragen worden[84]. Modelski geeft elke wereldleider telkens 100 jaar om te heersen over de wereld. In zijn ogen zou het wel eens kunnen betekenen dat de aanslagen van 11 september het einde van de Pax Americana hebben veroorzaakt. Vormt het moslimfundamentalisme werkelijk de bedreiging voor de Amerikaanse dominantie over de wereld? Robert Giplin argumenteert dat dit waarschijnlijk niet het geval is. Zolang het evenwicht tussen de staten behouden blijft en zolang de machtigste staten ter wereld tevreden zijn over de economische en politieke context, zal het internationaal systeem in evenwicht blijven[85]. De machtigste staten ter wereld zijn vandaag tevreden over de politieke en economische situatie in de wereld en zien voorlopig geen noodzaak in het aanvallen van de VS om een einde te brengen aan de Pax Americana. Het moslimfundamentalisme is geen staat en kan volgens Giplin bijgevolg geen bedreiging vormen voor de Pax Americana[86]. Het valt natuurlijk niet uit te sluiten dat een of meerdere staten zich volop gaan associëren met het moslimfundamentalisme. Dat is ook wat de VS kost wat kost tracht te vermijden. Het is dan ook waarschijnlijk dat de Pax Americana nog een toekomst heeft.

Er werd reeds besproken dat de Amerikaanse burgers, voor de aanslagen, maar weinig aandacht hadden voor het buitenlands nieuws en dat ze bijgevolg ook weinig afwisten van eventuele buitenlandse dreigingen voor de veiligheid van de VS. Dat wil echter niet zeggen dat de Amerikanen de wereld de rug toe keerden en dat ze zich niet betrokken voelden tot de conflicten en andere problemen buitenshuis. Integendeel; bijna twee derde van de Amerikaanse burgers vond dat de VS een prominente rol moest spelen in de wereld en in het oplossen van haar problemen, om op die manier haar invloedrijke positie te behouden. Bij de overheidsleden was dat percentage nog veel hoger. 96% onder hen vond dat de VS een leidinggevende rol moest hebben in de wereld[87]. Dat hoog percentage blijkt een constante te zijn in de recente geschiedenis van de VS.

 

3.1.2. Defensie

 

Het uitsturen van Amerikaanse troepen naar het buitenland was in 1999 nog steeds uiterst onpopulair bij de burgers en dit gebeuren krijgt dan ook bij iedere opiniepeiling minder en minder steun[88]. De perceptie van toenemende gevaren in de buitenwereld loopt dus parallel met de afkeer van de Amerikaanse burgers om hun vrienden en familieleden in gevaar te brengen in dergelijke situaties. Dit zou nog steeds de impact kunnen zijn van het ‘Post-Vietnam syndroom’, dat er voor gezorgd heeft dat de inmenging van Amerikaanse troepen in het buitenland voor de Amerikaanse burgers bijna als een trauma omgeschreven kan worden. Vandaag vindt twee derde van de Amerikanen nog steeds dat de interventie in Vietnam niet alleen verkeerd was, maar fundamenteel immoreel. Misschien zal er binnen 30 jaar wel op die manier naar de huidige oorlog in Irak gekeken worden. Het komt namelijk vaker en vaker voor dat journalisten, maar soms ook academici de vergelijking maken tussen Vietnam en Irak[89]. Er werd gepolst naar de bereidheid van het Amerikaans publiek om troepen te sturen naar potentiële conflictsituaties. Moest Irak morgen Saoedi-Arabië aanvallen, of een Arabisch land in Israël of zelfs moest Noord-Korea haar zuiderbuur aanvallen, welk percentage van de Amerikanen zou dan bereid zijn om militaire troepen te sturen, zo nodig in de vorm van een multilaterale missie. Het resultaat is vrij frappant, want geen enkel potentieel conflict kan een meerderheid van de Amerikaanse burgers overtuigen tot het sturen van troepen[90]. De Amerikaanse overheid daarentegen was voor de aanslagen al meer gedreven voor het sturen van Amerikaanse troepen naar conflicten, dan haar burgers. Alle ondervraagde potentiële conflicten, met uitzondering van een volksrevolutie in Cuba, konden een meerderheid van de Amerikaanse overheidsambtenaren overtuigen voor het sturen van troepen[91]. De enige situatie waar, in 1999, een lichte meerderheid van de Amerikaanse burgers wel bereid was om eigen troepen naar het buitenland te sturen, was in het geval van een aanval tegen terroristische trainingskampen. Luchtaanvallen tegen terroristische doelwitten worden dan weer door een veel breder publiek gesteund, namelijk door driekwart van de burgers.

Wat de omvang van het Amerikaanse defensiebudget betreft, is er in de recente geschiedenis maar één dieptepunt geweest, namelijk na de val van de Berlijnse Muur en dus het einde van de Koude Oorlog. In hun uitbundigheid waren er maar liefst 30% meer Amerikaanse burgers te vinden voor de vermindering van het defensiebudget, in plaats van het te verhogen, terwijl dat verschil bij de overheidsleden een kolossale 75% bedroeg[92]. Toch is de wens van het Amerikaans publiek om het defensiebudget te verminderen altijd al lichtjes hoger geweest dan die om het budget te verhogen. Het is dan ook opvallend dat in er 1999 opnieuw een zeer beperkte meerderheid voor een uitbreiding van dat budget genoteerd wordt.

Dit is een direct gevolg van de zonet besproken machtspositie die de VS heeft en ook graag zou behouden. Dat een meerderheid van het Amerikaanse publiek, hoewel zeer bescheiden, voor het eerst sinds het einde van de jaren ’70 weer te vinden is voor een uitbreiding van het defensiebudget, vertaalt zich in een stijging van maar liefst 15% van de Amerikanen die een breder budget wensen[93]. De angst voor de toekomst en de volgende eeuw is dus reëel en wordt zichtbaar in termen van de gewenste defensiemogelijkheden. Ook de verkoop van militair materiaal aan andere landen werd in 1999 nog minder populair. Het was, sowieso, al een beleidsaspect waar de Amerikanen eerder tegen waren, maar in 1999 daalde de steun hiervoor tot minder dan 15%[94]. Opnieuw is de angst voor wat er op internationaal vlak in de toekomst zal gebeuren zichtbaar. Tenslotte is bijna 60% van het Amerikaans publiek van mening dat de militaire hulp aan andere landen ook al verminderd moet worden[95]. Hoe de situatie ook gedraaid of gekeerd wordt; uit de cijfers voor het defensiebudget, de verkoop van wapens en het bieden van militaire hulp blijkt duidelijk dat de trend van angst van de Amerikaanse burgers voor wat deze nieuwe eeuw zal brengen, duidelijk merkbaar is.

 

3.1.3. De aanpak van het terrorisme

 

Uit de opiniepeilingen van de periode voor de aanslagen blijkt dat de Amerikaanse burgers toen meer te vinden waren voor een diplomatische aanpak van het probleem, dan voor een militaire oplossing. Bovendien is de eventualiteit van een aanval op terroristische instellingen de enige situatie waarbij een meerderheid van de Amerikaanse burgers bereid is tot de inzet van grondtroepen. Misschien zijn de Amerikanen toch niet zo uit op oorlog zonder besprekingen, zoals wel vaker van hen gedacht wordt.

De helft van de burgers mag het v