| Bruto Nationaal Geluk in de Derde Wereld. (Jeroen De Smet) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Vrijdag 7 april 2006 … de tweede week van onze rondreis door India. We werden in groepjes verdeeld om PRA (Participatory Rural Appraisal) oefeningen te doen in verschillende dorpjes in het Zuiden van India. Onze groep trok naar een vissersdorpje aan de kust. De tsunami had er genadeloos toegeslagen en had het grootste deel van het dorp weggevaagd… Boten, netten, huizen ... één grote puinhoop. Kort na de tsunami kwam er een stroom van internationale hulp op gang waar ook dit dorpje van profiteerde. Het Salvation Army trok er in geen tijd verschillende stenen huisjes op, de inwoners kregen nieuwe boten, nieuwe netten en nieuwe elektriciteitsvoorzieningen. Bovenop de altijd aanwezige armoede had de tsunami genadeloos het laatste beetje hoop weggespoeld … letterlijk en figuurlijk. Althans, dat dacht ik. Want bij aankomst wachtte ons een ongelooflijk warm onthaal. De vrouwen gingen onmiddellijk aan de slag … thee zetten, stoelen en zeilen om op te zitten…. Mensen zagen ons komen, legden het werk neer en repten zich naar het centrale pleintje om onze vragen te beantwoorden. Je zou denken dat die mensen je niet graag zien komen en je meteen de stempel van “rijke westerling” zullen opkleven. Niets is minder waar. Ze waren oprecht geïnteresseerd, ze wilden alles vertellen, op al onze vragen antwoord geven. Ze deelden hun eten en drinken met ons. We mochten zelfs mee op zee met één van hun bootjes. Toen begon ik na te denken. Die mensen hebben bijna niks. Ze hebben net genoeg water en vis om te overleven. Met wat geluk raken ze net op tijd in een ziekenhuis voor een bevalling ... áls ze daarvoor tenminste genoeg geld hebben. Ze zwoegen en zweten het hele jaar door om hun gezin in leven te houden. En dan zwijgen we nog over natuurrampen zoals tsunami’s of orkanen. Toch leken die mensen gelukkig! Leken gelukkig zeg ik wel ... . Ik kon of durfde het hen wel niet vragen. Het stemde tot nadenken en de volgende dagen werd mijn scriptieonderwerp tastbaar .... Onze reis naar India - en specifiek naar dat dorpje - was een rondreis in en door “onderontwikkeld gebied”, een trip naar “de Derde Wereld”. En toch waren die mensen er (schijnbaar) gelukkiger dan veel mensen in pakweg Gent of Brussel. Ik zag daar lachende, warme en supervriendelijke mensen die het met minder dan niets moeten doen. Wie is er dan “ontwikkeld (developed)”, zij of wij? Kunnen wij - Vlaamse jongeren bijvoorbeeld - beweren dat we ontwikkeld zijn? Ons BBP bedraagt honderden miljarden. Iedereen die hier een job zoekt, kan in principe vrij snel aan de slag. Ons sociale zekerheidssysteem biedt (aan bijna iedereen) voldoende bescherming. In België kan je, als je dit wil, werken en genoeg geld verdienen. Hoe komt het dan dat de zelfmoordcijfers hier jaar na jaar blijven stijgen, vooral onder jongeren? Hoe komt het dat heel veel mensen gebukt gaan onder stress? Dat zo veel mensen eenzaam zijn? Geld is blijkbaar geen garantie op geluk. Kan onze cultuur zich met recht en reden ontwikkeld noemen? Hebben mensen die minder dan niets hebben maar wel gelukkig zijn met wat ze hebben, een ontwikkelde cultuur? Ik meen dat wij geen alleenrecht hebben op het label “ontwikkeld”. Ik denk dat wij van de allerarmste mensen zoals ik ze ontmoette in Zuid-India nog heel veel kunnen leren! Heeft het met hun godsdienst te maken? Met hun cultuur? Met de zon? Met de natuur? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat de kaart van ontwikkelde versus onderontwikkelde landen dringend moet hertekend worden. We moeten ermee ophouden om geld te koppelen aan ontwikkeling. We moeten de zaken met een andere, nieuwe bril bekijken. Het dient wel beklemtoond te worden dat het niet de bedoeling is heel de Derde Wereld op één hoop te gooien. We kunnen niet ontkennen dat mensen uit ontwikkelingslanden ongelukkiger (kunnen) zijn dan de mensen uit de geïndustrialiseerde Wereld. Wanneer jij en je kinderen sterven van honger of dorst, van uitputting of ziekte, wanneer je land verscheurd wordt door oorlog, wanneer je lijf en lede moet zien te redden en halsoverkop wegvluchten, wanneer kinderen geen kinderen mogen zijn maar moeten vechten, kan je de term ‘geluk’ zelfs niet in de mond nemen. Ik wil er alleen maar op wijzen dat het label “developed” een nieuwe invulling moet krijgen. De vraag is dan natuurlijk welke nieuwe invulling(en) we geven aan het begrip “developed”.
Een eerste (nieuwe) stap werd gezet door de introductie van de HDI, de Human Development Index. Deze index meet drie zaken: levensverwachting, analfabetisme en scholingsgraad, en het BNP per capita. Maar ook deze index houdt met te weinig zaken rekening en is naar mijn mening onvolledig. De koning van Bhutan begreep dit ook. Hij filosofeerde al in de jaren ’80 over een specifiek Bhutanees pad naar ontwikkeling, een ontwikkeling gestaafd op normen en waarden die eigen waren aan de Bhutanese cultuur, instellingen en spirituele denkwijze. Deze denkwijze vormde de basis voor het concept “Bruto Nationaal Geluk”, een concept dat voor het eerst gepostuleerd werd in de volgende uitspraak van de koning van Bhutan: “Gross National Happiness is more important than Gross National Product” (ULLA K. en GALAY K., 2004: iix). Voor het eerst in de geschiedenis werd de orthodoxe ontwikkelingstheorie in vraag gesteld. Men probeerde ontwikkeling niet enkel en alleen in functie van materiële termen te zien. De nadruk moest liggen op het feit dat voor ontwikkeling, het materiële meer een middel was dan een doel. Deze denkwijze is mijn rode “scriptie”draad.
In een eerste deel neem ik het begrip “human development” onder de loep. Ik beschrijf in het kort de oorsprong van het concept. Daarna bespreek ik de Human Development Index. Ik schets de geschiedenis, wat deze indicator bereikt heeft en welke de tekortkomingen zijn.
Dit laatste is het ideale bruggetje naar het tweede hoofdstuk van deze scriptie; “Bruto Nationaal Geluk”. De oorsprong en filosofie hiervan voeren ons naar Bhutan, en worden besproken in de eerste twee subparagrafen. Daarna tracht ik “geluk” te analyseren, want geluk is een zeer subjectief en moeilijk te kwantificeren begrip. Ik onderzoek of geluk kan gemeten worden, en zo ja, hoe. In het laatste deel van het tweede hoofdstuk maak ik de sprong van het geluk van individuen naar het geluk van landen. Ik onderzoek of het geluk van een land kan gemeten worden, en - belangrijker nog - of het kan vergeleken worden.
Het derde en laatste hoofdstuk is een korte empirische studie. Hierin gebruik ik data van de World Database of Happiness, en selecteer het BNG van een dertigtal ontwikkelingslanden. Daarna bekijk ik of deze gegevens gecorreleerd zijn met vijf andere variabelen: de economische toestand, de levensverwachting bij de geboorte, de toegang tot drinkbaar water, de toegang tot sanitaire basisdiensten, en de officiële ontwikkelingshulp. Dit is meteen het sluitstuk van deze scriptie.
1.1. Oorsprong van het concept
Het concept “human development” (HD) zoals het nu al te vaak in de mond wordt genomen, werd voor het eerst geformuleerd in het Human Development Report (HDR) van het United Nations Development Program (UNDP) van 1990. In dit rapport heeft het UNDP voor het eerst HD gedefinieerd, en heeft hierbij een maatstaf voorgesteld om HD te meten, namelijk de Human Development Index (HDI).
Vóór 1990 had men een totaal andere kijk op ontwikkeling. Vanaf het begin van de ontwikkelingssamenwerking, dus na WO 2, veronderstelde men dat ontwikkeling louter een lineaire zaak was. Men nam hierbij het Westen als maatstaf, en definieerde de ontwikkeling van andere landen en gebieden in de wereld in termen van niveaus ten opzichte van de Westerse ontwikkeling. HD werd beschouwd en gedefinieerd in economische en monetaire termen, en de beschikbare maatstaven waren het Bruto Nationaal Product Per Capita (BNP/cap) of het Bruto Binnenlands Product Per Capita (BBP/cap)[1]. De Wereldbank (WB) bijvoorbeeld publiceert in zijn jaarlijkse World Development Report (WDR) onder de World Development Indicators (WDI), een geactualiseerde classificatie van landen. De grenzen hiervan worden afgebakend door het BBP/cap en worden uitgedrukt in dollars. De WB onderscheidt hierbij vier groepen landen, zoals onderstaande tabel weergeeft. De gegevens hierbij dateren wel van 2001.
Tabel 1. Inkomensclassificatie van de Wereldbank.
|
|
BNP/cap |
aantal landen |
|
Hoge inkomenslanden |
> 9250 $ |
± 50 landen |
|
Hoge middelinkomenslanden |
2976 $ tot 9250 $ |
± 40 landen |
|
Lage middelinkomenslanden |
746 $ tot 2976 $ |
± 50 landen |
|
Lage inkomenslanden |
< 746 $ |
± 60 landen |
(Bron: WALRAET, 2005: .3)
Deze zuiver economische opdeling van landen is de voorbije vijftig jaar niet gespaard gebleven van kritiek. Volgens Noorbakhsh (NOORBAKHSH, 1998: 517) dateren de eerste kritieken al van 1954, toen het eerste HDR van de VN werd uitgegeven. Zo wordt er gesteld dat ze geen rekening houdt met de interne inkomensverdeling van landen, en dat ze door alleen rekening te houden met het BNP/cap andere dimensies van armoede negeert. Het voorziet eveneens niet in de berekening van afschrijvingen en depreciaties, de meest aangehaalde kritiek op het BNP (DASGUPTA, 2003: 29). Als reactie op dergelijke bedenkingen werden er doorheen de jaren verschillende alternatieven ontwikkeld die als meer volwaardige ontwikkelingsgraadmeters werden gezien, en dus de “ontwikkeling van de wereld” beter in kaart konden brengen. Tabel 2 geeft een kort overzicht van de opeenvolgende ontwikkelingsgraadmeters.
Tabel 2. Ontwikkelingsgraadmeters.
|
Indicator |
Beschrijving |
|
Transport Index |
Meet verscheidene niveaus van transportvoorzieningen in een land. |
|
Poverty Headcount |
Meet het bevolkingspercentage onder de armoedegrens binnen een land. |
|
Human Poverty Index |
Deze index bestaat uit vier delen: - Het bevolkingspercentage dat niet verwacht wordt de leeftijd van 40 jaar te bereiken. - De alfabetiseringsgraad. - Het bevolkingspercentage dat geen toegang heeft tot basisgezondheidszorg en proper water. - Het percentage kinderen onder 5 jaar met ondergewicht. |
|
Gender-related Human Development Index |
Meet hetzelfde als de HDI (zie later), maar de drie variabelen zijn aangepast voor ongelijkheden tussen mannen en vrouwen. |
|
Corruption Perception Index |
Meet de corruptie in een land. |
|
Human Freedom Index |
Meet het respect voor de beginselen van de Verklaring voor de Rechten van de Mens. |
|
Good Governance Index |
Meet de mate van “good governance”. |
(Bron: WALRAET, 2005: 4-10)
Alle bovenvermelde indicatoren kunnen een nuttige aanvulling vormen op de zuiver economische opdeling van landen. Ze dragen elk hun steentje bij tot de globale beeldvorming van de mate van ontwikkeling van landen. Ontwikkeling is immers een zeer ruim begrip, en omvat zoveel aspecten dat geen enkele indicator aanspraak kan maken op de ultieme classificatie. Zoals hierboven al werd vermeld, heeft de Verenigde Naties (VN), meerbepaald het UNDP, getracht een indicator te ontwikkelen die volgens hen de mate van menselijke ontwikkeling het best benadert, en die de dominantie van de neoliberale economische indicatoren moest tegengaan (OTHICK, 1983: 67 en KHAN, 1991: 164). Dit was de Human Development Index (HDI), die ontwikkeld werd na een grondige herdefiniëring van het begrip HD in 1990.
In het HDR van 1990 wordt het begrip “human development” geherdefinieerd. Hierin wordt gesteld dat HD een proces is waardoor mensen meer keuzes krijgen. De keuzes die mensen maken kunnen in principe oneindig zijn, en kunnen veranderen in de tijd. De belangrijkste keuzes van mensen zijn het leiden van een lang en een gezond leven, onderwijs, en kunnen genieten van een basislevensstandaard. Bijkomende keuzes zijn politieke vrijheid en de garantie op mensenrechten en integriteit. Als de drie basiskeuzes niet beschikbaar zijn, zullen er vele andere eveneens onbereikbaar zijn. HD, zo stelt het rapport, behandelt twee aspecten. Enerzijds de creatie van menselijke mogelijkheden (capabilities, cfr. Sen en Nussbaum) zoals een betere gezondheid, kennis en vaardigheden, en anderzijds de mate waarin mensen gebruik maken van die verworven mogelijkheden, ten behoeve van vrije tijd, productie, culturele aangelegenheden, … Tussen deze twee zaken moet er een balans zijn, zoniet kan dit resulteren in een aanzienlijke frustratie. Inkomen verwerft in heel dit verhaal een belangrijke plaats maar niet dé belangrijkste. Het is een noodzakelijke voorwaarde voor HD, maar geen voldoende. De focus van het ontwikkelingsverhaal moet liggen op de mensen zelf, en niet op de expansie van inkomen en rijkdom (UNDP, 1990: 10-11). Om dit alles te operationaliseren, heeft het UNDP een ontwikkelingsgraadmeter ontwikkeld die dit concept in een cijfer zou moeten kunnen gieten. De index werd “Human Development Index” gedoopt, en wordt in de volgende paragraaf uitvoerig onder de loep genomen.
1.2. Human development index
1.2.1.Omschrijving
Het meten van HD kan het best gebeuren aan de hand van vele variabelen, om een zo globaal en volledig mogelijk beeld te verkrijgen. De realiteit is echter dat er voor verschillende zaken weinig of geen relevante data en statistisch materiaal voorhanden is. Anderzijds zou ook teveel variabelen niet wenselijk zijn. Dit kan eveneens voor een zeer onduidelijk en verwarrend beeld zorgen, waardoor beleidsmakers de belangrijkste trends over het hoofd zouden kunnen zien. De vraag is dus: waar leggen we de nadruk op? In het HDR 1990 wordt voorgesteld om bij het meten van HD de nadruk te leggen op drie essentiële elementen van het menselijke leven: ouderdom, kennis en een degelijke levensstandaard (HDR 1990: 9-16).
Voor de eerste component, ouderdom, wordt de levensverwachting bij de geboorte gebruikt als indicator. Het belang van deze factor behoeft weinig uitleg, de meeste mensen zouden het immers zeer prettig vinden oud te kunnen worden. Dit stelt hen in staat bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, doelstellingen die vereisen dat ze een bepaalde leeftijd halen. Daarnaast is de link met andere elementen, zoals voeding, een goede gezondheid en scholing eveneens van belang. Deze zaken vertonen een nauwe correlatie met de ouderdom van mensen (HDR 1990: 11).
De indicator die wordt aangewend om kennis te operationaliseren is geletterdheid. De geletterdheid van mensen geeft eigenlijk maar een ruwe schatting van hun toegang tot onderwijs, zeker van de toegang tot goed onderwijs. Maar geletterdheid is de eerste stap in de opbouw van kennis, als mensen niet kunnen lezen zullen ze nooit in staat zijn dingen te leren (HDR 1990: 12).
De derde component van HD is het bezit van voldoende nodige middelen om een degelijke levensstandaard te kunnen handhaven. Deze is wellicht het moeilijkst te kwantificeren. Hiervoor hebben we immers gegevens nodig over de toegang tot land, tot kredietmogelijkheden, over het inkomen, … Aangezien data over deze zaken vaak zeer beperkt zijn, kunnen we niet anders dan hiervoor een inkomensindicator gebruiken. Het per capita inkomen is voor de meeste landen in de wereld voor verschillende jaren bekend, en dus onmiddellijk bruikbaar. Probleem is wel dat de indicatoren van verschillende landen moeilijk te vergelijken zijn. Ze bevatten immers ook de niet-verhandelbare goederen en diensten, en worden vervormd door afwijkingen in wisselkoersen, tarieven en taksen. Met 1 dollar kan iemand immers verschillende hoeveelheden van dezelfde goederen kopen, afhankelijk van de locale economische situatie. Deze gedachtegang gaat trouwens ook schuil achter de “BigMac Currency[2]” van The Economist (MORSE, 2004: 8). Het reële BNP per capita, aangepast voor de koopkrachtpariteit[3], kunnen we echter wel gebruiken. Deze indicator geeft ons een betere schatting van de relatieve kracht van mensen om goederen te kopen en om het bezit over bepaalde middelen te verwerven (SCHREYER en KOECHLIN, 2002: 34). Er is echter nog één aspect waarmee we rekening moeten houden, namelijk de afnemende meeropbrengsten in het transponeren van inkomen naar menselijke mogelijkheden. Met andere woorden, mensen hebben geen overvloed nodig aan financiële middelen om een degelijke levensstandaard te handhaven. Om dit te bewerkstelligen, nemen we het logaritme van de bovenvermelde indicator, en bekomen we aldus LOG ( reële BNP per capita ) als derde component (HDR 1990: 12).
Vooraleer de HDI kan berekend worden, moet er voor elk van de drie componenten een index gemaakt worden. Om dit te doen, worden er voor elk van de dimensies minimum- en maximumwaarden gekozen. Figuur 1 verduidelijkt dit.
Figuur 1. Omzetting indicator in een index.

(Bron: HDR 2005: 341)
De waarde van elke component wordt uitgedrukt in een getal tussen 0 en 1 door middel van de volgende formule: Index = (eigenlijke waarde – minimum waarde) / (maximum waarde – minimum waarde). De HDI wordt daarna berekend als een gemiddelde van de drie indices. De waarden voor de drie oorspronkelijke componenten worden weergegeven in tabel 3. Dit zijn echter niet de oorspronkelijke waarden. Zoals in een volgende paragraaf wordt uitgelegd, maakte men tot 1994 gebruik van geobserveerde maxima en minima. Vanaf 1994 legde men de grenzen dan definitief vast.
Tabel 3. Minimum- en maximumwaarden van de HDI.
|
Indicator |
maximumwaarde |
minimumwaarde |
|
Levensverwachting bij de geboorte |
85 |
25 |
|
Geletterdheid |
100 |
0 |
|
Reëel BNP per capita |
40000 |
1000 |
(Bron: HDR 2005: 341)
Alle bovenvermelde indicatoren hebben echter één gemeenschappelijke fout: het zijn gemiddelden, waardoor grote afwijkingen in de totale populatie worden verhuld. Zo zijn er vaak grote verschillen in de levensverwachting tussen mannen en vrouwen, en wordt inkomen nog steeds niet rechtvaardig verdeeld tussen beide geslachten. Indicatoren kunnen op allerlei wijzen aangepast worden om hieraan te verhelpen. De meest gebruikte methode hierbij is gebruik te maken van de Gini-coëfficiënt. Deze coëfficiënt geeft een getal weer tussen 0 en 1, 0 zijnde volledige gelijkheid en 1 volledige ongelijkheid. De coëfficiënt wordt zeer vaak gebruikt om de inkomensongelijkheid weer te geven, en wordt grafisch voorgesteld door de Lorenz-curve. We stuiten hier weer op het probleem van dataverzameling. Toen het HDR 1990 werd geschreven, waren er voor minder dan een kwart van de 130 landen waar de HDI voor berekend werd, data beschikbaar om de Gini-coëfficiënt te berekenen. Gegevens over de levensverwachting en de geletterdheid voor verschillende inkomensgroepen bestonden gewoonweg niet. Laat staan gegevens over politieke vrijheid, persoonlijke veiligheid, … Nu, 16 jaar later, is dit uiteraard een ander zaak. Op de recente ontwikkelingen hieromtrent kom ik in een later hoofdstuk nog terug. Belangrijk hier is dat het rapport de tekortkomingen van de oorspronkelijke HDI erkent, wegens te weinig betrouwbare gegevens voor de 130 landen. Het HDR 1990 stelt dat er nog meer aspecten zijn van HD die hierin niet worden opgenomen, maar stelt eveneens dat het opnemen van nog meer indicatoren zou leiden tot onoverzichtelijkheid voor beleidsmakers. Het zou zo ingewikkeld worden, dat de hoofdzaken niet meer van de bijzaken kunnen worden onderscheiden. Ze focussen dus op drie aspecten van HD en laten de rest links liggen.
1.2.2.Evolutie
De HDI is vanaf zijn introductie in 1990 niet gespaard gebleven van kritiek. Het analytische raamwerk en de methodologie die schuilgaan achter de HDI kwamen zwaar onder vuur te liggen, en de kritiek kwam van verschillende kanten. Academici, onderzoekers, beleidsmakers, en ontwikkelingsactivisten hebben er via hun scepticisme voor gezorgd dat de HDI enkele belangrijke veranderingen heeft ondergaan. Ik zet deze hieronder op een rijtje.
De directe berekening. Vanaf 1991 berekende men de HDI direct. De berekening van 1990 gaf immers een te negatief beeld weer. De HDI leek een gemiddelde te zijn van allerlei verliezen. Door de index direct te berekenen kwam er een positiever beeld naar voor (MZAUMDAR, 2003: 538).
Opleidingsgraad. In 1991 voegde men een extra component aan de variabele geletterdheid, namelijk het gemiddelde aantal jaren scholing. Samen met de geletterdheid werd dan de overkoepelende variabele “opleidingsgraad” gevormd. Aan geletterdheid werd een gewicht van 2/3 toegekend en aan het gemiddelde aantal jaren scholing 1/3. Het gemiddelde aantal jaren scholing werd echter maar vaag berekend en sommige van de data bleken geen realistische weerspiegeling te zijn van de realiteit. Daarom werd de variabele in 1995 vervangen door het totale aantal leerlingen in de eerste, de tweede en de derde graad (JAHAN, 2004: 7).
Maxima en minima. Tot 1994 werden in genormaliseerde variabelen geobserveerde maxima en minima gebruikt. Dit zorgde wel voor serieuze problemen. Ten eerste kon men onmogelijk weten of de veranderingen in de waarde van de HDI van een land het gevolg waren van ofwel betere prestaties, ofwel het veranderen van het streefdoel. Ten tweede was het onmogelijk om betekenisvolle intertemporele vergelijkingen te maken. De geobserveerde maxima en minima veranderen immers van jaar tot jaar ten gevolge van veranderingen in de streefdoelen. Om aan deze problemen het hoofd te bieden werden er in 1994 vaste minima- en maximawaarden geïntroduceerd (zie tabel 3 voor deze waarden). Deze waren gebaseerd op de trends van de betreffende variabelen en op verwachte waarde in de komende 25 jaar. Vanaf dan was men in staat om trends te onderzoeken in de verschillende reeksen (MZAUMDAR, 2003: 538).
Inkomen. Hoewel men in het HDR 1990 voorstelt om van het reële BNP per capita het logaritme te nemen, werd het BNP gedurende de acht daaropvolgende jaren boven een bepaalde grens drastisch aangepast via een bepaalde regressie. Drie observaties waren in dit opzicht relevant. Ten eerste lag de grens op het gemiddelde inkomen in de wereld en werd hiervoor verondersteld dat elke persoon als een lid van de globale gemeenschap ten minste dit niveau zou moeten hebben om zijn basiscapaciteiten op te bouwen. Ten tweede was de aanpassing zo drastisch dat 35 000 $ werd gereduceerd tot 321 $. Ten derde worden de middeninkomenslanden door deze aanpassing zwaar afgestraft. Om aan deze problemen te verhelpen, werd er in 1999 opnieuw gesteld dat de formule van het logaritme algemeen moest toegepast worden (NOORBAKHSH, 1998: 518 en MZAUMDAR, 2003: 540).
1.2.3.Wat heeft de HDI bereikt?
Toen de HDI in 1990 geïntroduceerd werd, hadden de makers niet het flauwste besef van de mogelijke impact. Deze index heeft verschillende beleidsbeslissingen beïnvloed en is onderworpen aan massa’s academische onderzoeken. Volgens Jahan zijn de belangrijkste verwezenlijkingen van de HDI de volgende (JAHAN, 2004: 9-12).
Het heeft mensen duidelijk gemaakt dat geld en per capita inkomen niet gelijk zijn aan menselijk welzijn. Deze zienswijze heeft ervoor gezorgd dat er anders wordt gekeken naar ontwikkeling en dat ontwikkeling anders geanalyseerd wordt. Bij de beschouwing van ontwikkeling kijkt men nu dus verder dan alleen naar de economische groei.
De HDI rangschikking zorgt voor een gezonde en zeer wenselijke competitie tussen verschillende landen. Vele landen willen immers hun buren of concurrenten de loef afsteken. In Noorwegen bijvoorbeeld wordt er steeds meteen gekeken naar hun rangschikking ten opzichte van die van Zweden, in India hun rang ten opzichte van die van Pakistan, … Zulke competitie zorgt ervoor dat de beleidsmakers van een bepaald land wel degelijk gaan onderzoeken waarom ze achterlopen en ze zullen meteen ook de nodige maatregelen willen nemen om hun positie het volgende jaar te verbeteren.
De HDI is geëvolueerd tot een instrument van publieke communicatie en heeft bijgedragen tot vele beleidsdebatten en dialogen. NGO’s en instellingen van de civiele maatschappij van verschillende landen hebben de HDI aangewend om hun eisen in de schijnwerpers te zetten en regeringen onder druk te zetten in bepaalde materies. Naast de nationale aangelegenheden, wordt de HDI eveneens gebruikt bij verscheidene internationale en globale evenementen. Zo werden bijvoorbeeld genderspecifieke HDI-data bij de Vierde Wereld Conferentie over Vrouwen in Beijing gebruikt om de nog steeds zwakke positie van de vrouw ten opzichte van de man te beklemtonen.
Door de berekening van de HDI is men zeer bedreven geworden in het controleren, evalueren, en produceren van systematische en betrouwbare data. Het heeft eveneens geleid tot het voortbrengen van nieuwe en meer systematische data, zowel op het globale niveau als op het nationale niveau.
De HDI heeft gezorgd voor een enorme massa aan empirische studies en academische onderzoeken die trachten de HDI theoretisch te verfijnen en statistisch op punt te stellen. Het academisch onderzoek concentreert zich hierbij niet alleen op een beoordeling van de index (de consistentie, de statistische eigenschappen, de verklarende kracht, …) maar stelt eveneens verschillende verfijningen voor. Daarnaast zijn er studies, zoals deze, die zich concentreren op de vraag of er geen andere elementen van HD in opgenomen moeten worden. Ander onderzoek houdt zich dan weer met de dataverzameling bezig.
1.2.4.Tekortkomingen
Onafgezien van wat de HDI heeft bereikt, vertoont deze index toch enkele belangrijke tekortkomingen, tekortkomingen die - zoals later zal blijken -, de basis vormen voor alternatieve ontwikkelingsindicatoren zoals BNG (Bruto Nationaal Geluk). De HDI leidde tot een storm van kritiek, vooral in het begin van de jaren ’90 (KELLY, 1991: 315). In het begin ging het dan vooral over technische zaken, zoals de dataverzameling (MORSE, 2004: 7). Whitehouse en Winderl (WHITEHOUSE en WINDERL, 2005: 395) stellen dat er in wezen drie belangrijke uitdagingen verbonden zijn aan de HDI en de componenten ervan. Ten eerste focust de HDI louter en alleen op de kwantitatieve aspecten van ontwikkeling, zoals het BNP, het aantal scholen, ... De kwalitatieve kant van ontwikkeling wordt volledig verwaarloosd. Ten tweede is de keuze van de componenten en de operationalisering van de formule uitgevoerd door experts uit het Westen, door mensen uit ontwikkelde landen die dus ook beïnvloed zijn door Westerse normen en waarden. Zo stelt ook Blaikie dat de HDI een “universalising and totalising set of Western values” is (BLAIKIE, 2000: 1050). Als laatste stellen de auteurs dat de HDI een universele maatstaf is, die daardoor onmogelijk in staat is rekening te houden met culturele en regionale diversiteiten in termen van ontwikkelingsprioriteiten, traditionele waardesystemen, ... De HDRs geven ons een beeld van de toegang tot scholen en gezondheidsinstellingen, maar zeggen bijvoorbeeld niets over de toegang tot tempels, kerken en moskees. Morse (MORSE, 2004: 7) stelt dat de belangrijkste tekortkoming van de HDI ligt in het feit dat deze geen milieuaspecten opneemt in de berekening, hoewel de VN in het HDR van Armenië van 1996 wel gesteld heeft dat ze de mogelijkheden om dit te doen onderzochten (UNDP, 1996).
Uit dit inleidende hoofdstuk moet duidelijk zijn dat het begrip "ontwikkeling" een zeer gecontesteerd begrip is met veel gezichten en waar geen eenduidige definitie op kan worden geplakt. Vele jaren van onderzoek hebben verschillende indicatoren voortgebracht, indicatoren met elk hun zwakke en sterke punten. De HDI is hiervan de meest bekende, en benadert volgens velen best het begrip "development". Anderen, zoals Streeten, stellen dit dan weer in vraag (STREETEN, 1995: 37). In wat volgt zoek ik naar een nieuwe invalshoek, een nieuwe indicator, gekoppeld aan een nieuwe denkwijze: Bruto Nationaal Geluk. De filosofie hierachter is - zoals zal blijken -, zeer eenvoudig maar naar mijn mening zeer krachtig. Ik begin het volgende hoofdstuk met een korte inleiding over het ontstaan en de geschiedenis van BNG.
2.1. Oorsprong
De geschiedenis van BNG brengt ons naar Bhutan, een boeddhistische staat tussen enkele van de hoogste pieken van de Himalaya. Het land is vrijwel ongeschonden uit de koloniale 20e eeuw gekomen en is de 21e eeuw ingegaan als “the last Shangri-la[4]” (O’DONNELL, 2005: 54). Voor vele andere geïsoleerde theocratieën in de Himalaya zoals Tibet, Sikkim, Mustang en Ladakh bleek de geopolitieke realiteit van de 21e eeuw immers nefast. Bhutan is de laatste jaren uitgegroeid tot één van de meest modieuze toeristische trekpleisters, vooral dan onder beroemdheden en Japanse boeddhistische pelgrims die aangetrokken worden door het exclusieve karakter van de staat. Om het aantal toeristen dat hun land bezoekt binnen de perken te houden, behoudt de staat het recht dagelijks zeer hoge prijzen te vragen aan de toeristen, prijzen die kunnen oplopen tot 200 $ per dag (O’DONNELL, 2005: 55) Internet en televisie doken pas in 1998 op, en roken is er verboden! Toeristen hebben het gevoel dat ze terugkeren in de tijd…
De vierde koning van Bhutan, Koning Jigme Singye Wangchuck kwam eind jaren ’80 als eerste met het principe van Bruto Nationaal Geluk naar voor. Nochtans is de idee achter BNG veel ouder. Onder Wangchuck’s heerschappij begon Bhutan aan een hele reeks veranderingen en moderniseringen. Deze wijzigingen hadden zowel geplande als ongeplande effecten op het leven, de maatschappij en de cultuur van de Bhutanese bevolking. Jigme Wangchuck kwam aan de macht in 1974, en volgde zijn vaders voetsporen. In zijn kroningstoespraak zei hij: “the most important task before us at present is to achieve economic self-reliance to ensure the continued progress of our country in the future” (MANCALL, 2004: 9). In het midden van de jaren '80 begon hij specifieker te spreken over een Bhutanees pad naar ontwikkeling, een ontwikkeling gestaafd op waarden die eigen waren aan de Bhutanese cultuur, instituties en spirituele denkwijze. Dit in tegenstelling tot waarden die bepaald werden door externe factoren. Deze denkwijze vormde de basis voor het concept “Bruto Nationaal Geluk”, een concept dat voor het eerst gepostuleerd werd in de volgende uitspraak van de koning: “Gross National Happiness is more important than Gross National Product” (ULLA en GALAY, 2004: iix). Voor het eerst in de geschiedenis werd de orthodoxe ontwikkelingstheorie in vraag gesteld. Er werd voor geijverd dat ontwikkeling niet enkel en alleen moest gezien worden in materiële termen. De nadruk moest komen te liggen op het feit dat voor ontwikkeling het materiële meer een middel was om dit te bereiken, eerder dan een doel op zichzelf. Jigme Wangchuck stelde dat BNP het doel en de maatstaf van de economische ontwikkeling geworden was, maar dat kosten om dergelijk doel te bereiken buiten beschouwing werden gelaten in het beleid van de Westerse landen (ULLA en GALAY, 2004: ix). Door van BNG het doel van de economische ontwikkeling te maken, zouden de onderliggende processen hiervan niet ontkracht worden, er zou eerder een nieuwe vorm aan gegeven worden in het teken van een zeer belangrijk, maar vaak uit het oog verloren doel, met name geluk. Bhutanese regeringsleiders hebben BNG bij verschillende gelegenheden en in verschillende contexten besproken de jaren nadat Jigme Wangchuck dit voor het eerst in de mond nam. Telkens weer merkte de regering dat er belangrijke internationale aandacht voor dit concept was, en dat de filosofie achter dit begrip een ideaal raamwerk vormde waarbinnen nagedacht kon worden over de Bhutanese nationale ontwikkelingsprojecten. Al gauw werd toch duidelijk dat de idee verder op punt moest worden gesteld, en dit op vier verschillende niveaus (ULLA en GALAY, 2004: x). Ten eerste moest BNG theoretisch in detail uitgewerkt worden. Wat waren de filosofische pijlers van het boeddhisme? Is het alleen maar een boeddhistisch concept, of vinden we dit eveneens terug in andere culturen en bij andere religies? Heeft het morele en filosofische implicaties voor culturen en gemeenschappen buiten Bhutan? Ten tweede zag men de noodzaak in om BNG theoretisch uit te werken, om dit vervolgens te kunnen toepassen in andere domeinen, zoals het economische, het sociale, het culturele en het spirituele. Wat betekent BNG in deze verschillende domeinen? Hoe verschilt een economisch beeld gestaafd op BNG van de traditionele economische modellen? Ten derde was er de vraag hoe men dit concept in beleidstermen zou kunnen vertalen. Hoe moesten de aanwezige grondstoffen bijvoorbeeld toegekend worden om dit doel te bereiken? Ten slotte stelde zich de vraag hoe BNG in de praktijk te brengen. Hoe moest men het bestaande beleid veranderen om met de objectieven van BNG rekening te houden? Welke impact heeft BNG op de civiele maatschappij en diens verschillende instellingen? Wat zijn de implicaties van BNG voor decentralisatie? Dergelijke vragen vormden de basis voor de internationale golf van onderzoeken en academische publicaties die volgden op de introductie van BNG door Jigme Wangchuck. In juli 1999 gaf het Centre for Bhutan Studies een bundel papers uit, die gewijd waren aan het onderwerp. In deze bundel - die kan teruggevonden worden onder de naam “Gross National Happiness”- bevinden zich verschillende nationale en internationale papers, allemaal uitgegeven naar aanleiding van het Zilveren Jubileum van de kroning van Jigme Singye Wangchuck. De bundel bleek echter veel meer impact te hebben (ULLA en GALAY, 2004: xii). Door de publicatie ontstond er een internationaal forum ter discussie van het concept. In januari 2001 bijvoorbeeld werd het eerste Internationale Seminarie over BNG gehouden in Zeist, Nederland met als thema “GNH – As challenged by the concept of Decent Society”. In november 2002 stelde het Centre for Bhutan Studies voor om een internationale conferentie te houden in Bhutan zelf. Het seminarie is uiteindelijk doorgegaan in Thimphu van 18 tot 20 februari 2004. De papers die daar werden besproken, komen van over heel de wereld en zijn een zeer belangrijke bron van informatie voor mensen die zich onderzoeksmatig in dit onderwerp wensen te verdiepen.
2.2. Filosofie
De filosofie achter BNG, zoals die gecommuniceerd werd door Jigme Singye Wangchuck, steunt op een interpretatie van geluk zoals die onderricht werd door Boeddha. Om het ultieme geluk te bereiken raadde Boeddha zijn volgelingen immers aan om zich te concentreren op het ontwikkelen van hun innerlijke tevredenheid. Vertrouwen op externe factoren (zoals het BNP) voor het bereiken van geluk is verkeerd en zou enkel tot ongeluk leiden (VAN WILLENSWARD, 2004: 217).
Volgens de boeddhistische leer zijn er drie soorten gevoelens: “tshor-ba”, vreugdevolle, “bde-sdung”, pijnlijke en “btang-snyoms”, neutrale gevoelens (TASHI, 2005: 484-485). De vreugdevolle gevoelens symboliseren geluk, iets dat iedereen nastreeft, van bij de geboorte tot aan de dood. Dit gevoel houdt echter vaak een contradictie in. In onze zoektocht naar dit geluksgevoel houden we ons vaak bezig met wereldlijke praktijken, waardoor negatieve gevoelens van verlangen, angst en onwetendheid de kop opsteken. Deze drie negatieve emoties, of drie giffen, zijn de primaire emoties. Ze worden in verband gebracht met het menselijke bestaan en staan het bereiken van het ware en ultieme geluk in de weg. De boeddhistische leer kan een cruciale rol spelen in het verwijderen van deze drie emoties en zodoende een weg aanreiken naar waar geluk. Boeddha stelt hierbij wel dat het zeer moeilijk is voor menselijke wezens om dit geluk te bereiken, en wel door hun extreme gehechtheid aan gunstige zaken. Daarom ook dat de boeddhistische filosofie de mens beschrijft als een “Dod-khamspa”, een “wenswezen” dat leeft in de “Dod-khams”, de “wenswereld”. Het tweede type gevoel is het pijnlijke gevoel of het lijden. Dit gevoel is het tegenovergestelde van het eerste. Het derde gevoel - het neutrale - staat niet voor vreugde, noch voor pijn. Het kan wel getransformeerd worden naar de eerste twee gevoelens, naargelang de omstandigheden, de situatie en de activiteiten die er op dat moment mee geassocieerd worden. Zoals blijkt, staat de ontwikkeling van geluk centraal in de boeddhistische doctrine. Er zijn onmetelijk veel wegen naar dit geluk. Geluk kan op duizend en één manieren bereikt worden, zowel op individueel als op collectief niveau. Geluk is een kwaliteit van de geest en is een gevolg van een positieve mentale ingesteldheid. Deze houding houdt onder meer volgende zaken in: anderen nooit kwaad berokkenen, het verlangen om de mensen in onze omgeving te helpen en tevreden zijn met het leven en wat men heeft. Om het ultieme geluk te ontwikkelen, moet men een bepaalde geest ontwikkelen, een geest die verlicht is, intellectueel en beschaafd. Men moet zich wijden aan de filosofische doctrine van Boeddha en z’n gedachten en handelingen in het dagelijkse leven voortdurend analyseren. Iedere mens die gelukkig wil zijn, moet in z’n geest een duidelijke lijn trekken tussen geluk en ongeluk, en deze scheiding moet vertaald worden naar handelingen en in het dagelijkse leven toegepast worden. Indien een natie het ultieme geluk wenst te bereiken, moet iedereen deze mentale transformatie doorgaan, vooral de beleidsmakers. Indien alle burgers hun geest ontwikkeld hebben, zal dit zich vertalen in goede daden. Dit is de weg naar de ideale maatschappij, een maatschappij waarin iedereen gelukkig is …
Nu de oorsprong van en de filosofie achter BNG duidelijk zijn, ga ik verder in op het begrip “geluk”. Een correcte interpretatie van dit begrip is nodig om BNG juist te kunnen plaatsen en te vatten.
2.3. Geluk
2.3.1.Inleiding
Onderzoek rond geluk is lange tijd afhankelijk geweest van filosofische speculaties. Omdat er geen duidelijke maatstaven waren om geluk te kwantificeren, konden veronderstellingen niet empirisch gestaafd worden. De veronderstellingen die rond geluk gemaakt werden, bleven dus lange tijd onzeker en speculatief. Vanaf het begin van de jaren ’80 zorgden de sociale wetenschappen voor een doorbraak. Enquêtes en bevragingen - een door de sociale wetenschappen geïntroduceerde techniek - zorgden er immers voor dat wetenschappers nu een redelijk duidelijk beeld konden krijgen van geluk. Het onderzoek dat nu naar geluk gedaan wordt, maakt zeer vaak deel uit van het onderzoek naar QOL (Quality Of Life), in het Nederlands vertaald KVL (Kwaliteit Van het Leven) (VEENHOVEN, 1997: 29). Ik geef kort een woordje uitleg bij deze onderzoeksdiscipline.
Onderzoek naar KVL maakt deel uit van de “maatschappelijke stuurkunde” en werd ontwikkeld als een alternatief om het concept van materiële welvaart het hoofd te bieden en werd gezien als het nieuwe, multidimensionele en complexe doel dat maatschappijen moesten nastreven (NOLL, 2005: 3) . Het tracht na te gaan wat een “goed leven” juist is, en in hoeverre de realiteit overeenstemt met bepaalde normen. Het doel van dergelijke studies is te komen tot een betere levenswijze. Concreet betekent KVL (VEENHOVEN, 1997: 30): het aanwezig zijn van voorwaarden die men noodzakelijk acht voor een goed leven en daarnaast een goed leven leiden als dusdanig. Als men spreekt op het niveau van de maatschappij, dan is enkel de eerste betekenis bruikbaar. We kunnen niet stellen dat een land een “goed leven leidt”, enkel de burgers afzonderlijk kunnen dit doen. Als men bijvoorbeeld zegt dat de levenskwaliteit van een land slecht is, dan bedoelt men daarmee dat er bepaalde voorwaarden niet aanwezig zijn, zoals voldoende voedsel, voldoende huisvesting, goede gezondheidsdiensten, … Op het individuele niveau worden beide definities toegepast. Als er bijvoorbeeld gesteld wordt dat de KVL van iemand slecht is, dan bedoelt men dat er bepaalde voorwaarden voor die persoon ontbreken, voorwaarden die noodzakelijk zijn om een goed leven te leiden, en / of dat die persoon wegkwijnt als dusdanig. Het is echter niet zo dat als iemand een slecht leven leidt, hij noodzakelijk niet de voorwaarden bezit om een goed leven te leiden en omgekeerd. Iemand kan zeer rijk en succesvol zijn, en dus de middelen hebben om een goed leven te leiden, maar toch een slecht en ongelukkig leven leiden. Omgekeerd kan iemand die zeer arm is en amper middelen heeft om te overleven, toch gelukkig zijn. We kunnen een onderscheid maken tussen deze varianten door te spreken van “vermoedelijke KVL” en “schijnbare KVL” (VEENHOVEN, 1997: 30). Geluk is één van de indicatoren van de schijnbare KVL, en geeft ons samen met indicatoren van de mentale en fysieke gezondheid, een beeld van hoe goed mensen welvaren.
2.3.2.Definitie
Geluk is een gemoedstoestand. In het dagdagelijkse gebruik – lees spreektaal - wordt het begrip gebruikt om zowel voorbijgaande, vluchtige gevoelens als duurzame appreciatie voor het leven aan te duiden. Tijdens het verdere verloop van deze scriptie zal het telkens gaan over de laatste betekenis, de duurzame appreciatie voor het leven. Op de vluchtige gemoedstoestand van mensen ga ik hier niet dieper in. Sommige auteurs zoals Sivaraksa gaan ervan uit dat geluk niet echt kan gedefinieerd worden en dat het iets is dat iedereen kent, maar dat je het niet echt kan of mag omschrijven (SIVARAKSA, 2004: 413). Anderen, zoals Christopher, menen dat er geen universele definitie op geluk kan geplakt worden, en wijzen hier op cultureel verschillende percepties van geluk (zie verder) (CHRISTOPHER, 1999: 152). Nog anderen, zoals Veenhoven, menen dat het perfect te omschrijven valt. Ik sluit me aan bij de mening van Veenhoven en kan geluk als dusdanig omschrijven als de mate waarin iemand de algemene kwaliteit van zijn huidige, gehele leven positief beoordeelt (VEENHOVEN, 1997: 33). Met andere woorden, het duidt aan in hoeverre mensen gelukkig zijn met het leven dat ze nu leiden en het wordt niet beïnvloed door bijvoorbeeld het consumeren van alcohol of het sterven van een hond (WINDERL en WHITEHOUSE, 2004: 395). Het woord geluk wordt dus niet gebruikt om een optimale levensappreciatie aan te duiden. Het gaat om een “maat”, zoals de concepten gewicht of lengte. De appreciatie wordt hierbij gedaan door een “persoon”, niet door een volledige gemeenschap of een geheel land. Een volledig land kan immers niet stellen dat het gelukkig is. We kunnen wel zeggen dat de meeste burgers ervan gelukkig zijn. Met het woord “beoordelen”, wordt een intellectuele activiteit bedoeld, wat als gevolg heeft dat dit concept niet van toepassing kan zijn op bijvoorbeeld dieren of kleine kinderen. De enquêtes worden dan ook alleen maar afgenomen bij volwassen mensen. Het woord “algemene” in de definitie, wijst erop dat alle criteria van het leven in overweging moeten worden genomen (hoe het aanvoelt, in hoeverre het leven overeenkomt met bepaalde verwachtingen, hoe gewenst een dergelijk leven is, …). Het gaat hierbij om het “gehele” leven, en niet om specifieke delen ervan zoals het werkleven. De beoordeling door mensen van het leven kan immers gaan over verschillende periodes: hoe het leven geweest is, hoe het nu is, en hoe het waarschijnlijk in de toekomst zal zijn. Deze beoordelingen hoeven niet noodzakelijk overeen te stemmen. In deze scriptie zal de focus liggen op de voldoening van iemands “eigen” huidige leven, wat impliceert dat het niet gaat om de beoordeling van het leven in het algemeen. Het gaat om het persoonlijke leven. Het moet eveneens duidelijk zijn dat de voldoening van het huidige leven niet gelijk is aan de gemoedstoestand van de persoon op dat moment. Een persoon kan zich immers op dat ogenblik toevallig “goed in z’n vel voelen”, maar wel ontevreden zijn met zijn huidige leven. De totale beoordeling moet “positief” zijn, dat spreekt voor zich.
Beoordelingen van het huidige leven kunnen in vele opzichten verschillen. Een belangrijk punt betreft hier de zekerheid: er zijn mensen die met zekerheid hun geluk kunnen beoordelen, maar er zijn er ook die zelfs na lang en diep nadenken geen een eenvoudig antwoord kunnen geven. Een ander verschilpunt kan gaan over de mate van doordachtheid van de beoordeling. Sommige mensen oordelen eerder intuïtief, terwijl anderen er zeer grondig over moeten nadenken. Een laatste moeilijkheid betreft het zogenaamde “valse geluk” (VEENHOVEN, 1997: 33) . Sommige mensen kunnen zichzelf wijsmaken dat ze gelukkig zijn, terwijl ze dit eigenlijk helemaal niet zijn. Hoe en in welke mate met deze zaken rekening kan worden gehouden, valt buiten het bestek van deze scriptie.
2.3.3.Verschil met andere concepten
Om verder te verduidelijken wat er juist met geluk bedoeld wordt, is het nuttig om dit concept duidelijk te onderscheiden van andere, maar wel gerelateerde concepten. In principe kunnen concepten van levenskwaliteit onderverdeeld worden via twee kenmerken (VEENHOVEN, 1993: 6), waardoor we een matrix verkrijgen zoals in tabel 4 wordt weergegeven. Voor de duidelijkheid laat ik de termen die gebruikt worden in het engels, vertalingen kunnen immers voor verwarring zorgen.
Tabel 4. Vier verschillende concepten van levenskwaliteit.
|
|
Outer qualities |
Inner qualities |
|
Life chance |
Livability of environment |
Life-ability of the person |
|
Life results |
Utility of life |
Enjoyment of life |
(Bron: VEENHOVEN, 1993: 6)
De eerste onderverdeling die hierbij wordt gemaakt is die tussen kansen en uitkomsten, tussen potentieel en werkelijk. M.a.w., er wordt een onderscheid gemaakt tussen de kansen op een goed leven, en een goed leven zelf. De tweede onderverdeling is die tussen uiterlijke en innerlijke levenskwaliteiten, dus tussen extern en intern. Bij extern gaat het om de kwaliteit van het milieu, bij intern om de kwaliteit van het individu. Ook Lane maakt deze onderverdeling (LANE, 1994: 229). In het bovenste gedeelte van het schema zien we twee varianten van de potentiële levenskwaliteit. Met “livability of environment” worden de voorwaarden voor een goede natuur bedoeld, en met “life-ability of the person” de innerlijke levenskansen. We moeten ons in het rechterkwadrant bovenaan dus de vraag stellen: “hoe goed zijn we uitgerust om de problemen in het leven aan te kunnen?”. Sen noemt deze variant “capability”, evenals Nussbaum (SEN, 1992: 30). Het kwadrant links onderaan, “utility of life”, kan ook aangeduid worden als “meaning of life”. Het verwoordt de veronderstelling dat een goed leven goed is voor allerlei zaken. Het laatste kwadrant, dat rechts onderaan, is het voor ons relevante concept van “enjoyment of life”. Het draait hier om de innerlijke resultaten van het leven. Voor dit kwadrant bestaan veel benamingen naast “enjoyment of life”, zoals “subjectief welzijn” (HAYBRON, 2005: 2 en VEENHOVEN, 1997: 33), “levensvoldoening” en uiteraard “geluk”. Haybron stelt bijvoorbeeld: “We may define life satisfaction as having a favourable attitude toward one’s life as a whole” (HAYBRON, 2005: 2). Het woord levensvoldoening heeft volgens Veenhoven echter het voordeel dat het subjectieve meer gewicht krijgt dan bij geluk (VEENHOVEN, 1997: 33). Geluk wordt, vooral door filosofen, meer gebruikt om een objectieve toestand aan te duiden. Men spreekt dan ook vaak van “subjectief geluk”, om zo misverstanden te vermijden. Bij “subjectief welzijn” is het duidelijk dat het het subject is die de beoordeling maakt, het is echter niet zo duidelijk wat het subject juist beoordeelt. Subjectief welzijn wordt immers niet alleen gebruikt voor de voldoening van een leven als geheel, maar eveneens voor specifieke ongemakken en kortstondige gemoedstoestanden.
Zelfs nu duidelijk is dat het gaat om de subjectieve tevredenheid met het leven, zijn er toch nog concepten die geassocieerd worden met “geluk”. Ook deze kunnen opgedeeld worden via twee criteria. We krijgen zo een nieuwe matrix.
Tabel 5. Verschil met andere concepten van subjectieve tevredenheid.
|
|
Tijdelijk |
Blijvend |
|
Aspecten van het leven |
Instant satisfactions |
Domain-satisfactions |
|
Het gehele leven |
Top experience |
Happiness |
(Bron: VEENHOVEN, 1993: 9)
De onderverdeling die we hier kunnen maken is de volgende: aspecten van het leven versus het leven als geheel, en tijdelijke versus blijvende voldoening (VEENHOVEN, 1993: 9). Het kwadrant links bovenaan stelt de tijdelijke vreugde van bepaalde aspecten uit het leven voor, zoals het genoegen dat men voelt bij het zien van een goede film. In het kwadrant daaronder - “top experience” - kunnen we de kortstondige maar zeer intense gevoelens van levensvoldoening onderbrengen. Deze verschillen van blijvende gevoelens van voldoening, en kunnen volgens Diener zelfs schadelijk zijn voor de blijvende voldoening via hun desoriënterende invloed (VEENHOVEN, 1993: 10). In het kwadrant rechts boven, de “domain satisfactions”, kunnen we voorbeelden plaatsen als voldoening over een huwelijk, voldoening over een job, ... Het gaat daarbij over verschillende aspecten van een leven. Wanneer iemand blijvend tevreden is over zijn gehele leven - dus over alle aspecten - kunnen we zeggen dat die persoon “gelukkig” is.
2.3.4.Meting
Geluk meten is eigenlijk vrij eenvoudig. Door zijn subjectieve aard kan het alleen gemeten en gekwantificeerd worden door de betrokkene ernaar te vragen. Het is echter vrijwel onmogelijk om aan iemands uiterlijk te zien hoe die persoon het leven ervaart. We kunnen de beoordeling van mensen over de algemene kwaliteit van hun huidige, volledige leven dus alleen maar toetsen aan de hand van enquêtes. Vragen naar iemands geluk kan wel op veel verschillende manieren gebeuren. Aanvankelijk, toen de eerste studies naar geluk begonnen, werd voorkeur gegeven aan indirecte vraagmethoden. Men vroeg dus niet rechtsreeks naar iemands geluk, maar men kon dit wel opmaken aan de hand van een aantal andere antwoorden. Inmiddels wordt geluk vooral gemeten via directe vragen, vaak in de context van grootschalig enquêteonderzoek. Een typische vraag in dergelijke enquêtes is volgens Marks de volgende: “If you consider your life as a whole, on a scale of 0-10, how satisfied would you say you are?” (MARKS, 2004: 323). De enquêtemethode veronderstelt echter wel dat de mensen een mening hebben over hun geluk. Sommigen menen dat geluk niet meetbaar is, ze beweren dat vele mensen niet stilstaan bij het wel of niet gelukkig zijn. (VEENHOVEN, 1998: 61). Volgens hen leven sommige mensen van dag tot dag, anderen gaan de vraag liever uit de weg, of ze moeten het antwoord gewoonweg schuldig blijven. Sterker nog, sommige wetenschappers beweren dat er mensen zijn die het begrip niet eens kennen. Stel dat mensen wel kunnen zeggen of ze al dan niet gelukkig zijn, dan is er nog de vraag of ze dit wel correct kunnen overbrengen aan de enquêteur. Omstandigheden tijdens het interview en de enquêteur zelf kunnen immers voor serieuze vertekeningen zorgen. Verder is er het probleem van de sociale wenselijkheidvertekening. Sociale wenselijkheid wil zeggen dat mensen antwoorden wat er sociaal wenselijk is, zodat hun antwoorden meer zeggen over presentatiegedrag dan over hun geluk[5]. Ten slotte is er de kwestie van de vergelijkbaarheid tussen verschillende personen. Misschien hebben bepaalde antwoordcategorieën zoals “redelijk gelukkig” een verschillende betekenis voor verschillende mensen? Verschillen in levenservaring zouden hier misschien een rol kunnen spelen (VEENHOVEN, 1998: 61). Als al deze bezwaren waar zouden zijn, dan meten enquêtevragen naar geluk dus vooral storing (error), zowel systematische als willekeurige storing. Het werkelijke geluk in het leven wordt dan nauwelijks of zelfs helemaal niet gemeten.
Ruut Veenhoven heeft deze vragen en nog veel meer aan een grondig onderzoek onderworpen, en is tot de conclusie gekomen dat geluk zich wel degelijk goed laat meten aan de hand van grootschalige publieksenquêtes (VEENHOVEN, 1998: 84). Na lezing van zijn publicaties kan ik me achter zijn mening scharen. Ik zal op basis van deze conclusies bekijken of geluk in landen kan worden gemeten en kan vergeleken worden. Eerst en vooral overloop ik kort de geschiedenis van internationale enquêtes die geluk meten. Deze enquêtes - die nog steeds vrij schaars zijn – bevatten een schat aan belangrijke informatie.
2.3.5.Geschiedenis van enquêtes
Om het geluk van mensen in een welbepaald land te kennen en om er een gemiddelde geluksbeleving op te kunnen plakken, zijn enquêtes onder een representatief deel van de bevolking nodig. Zulke enquêtes werden voor het eerst afgenomen in de jaren ’50 in de geïndustrialiseerde wereld (VEENHOVEN, 1993: 83). In het begin werd geluk vooral “per ongeluk” geregistreerd in enquêtes over gezondheid ed. Later werd geluk zelf een vaak terugkerend onderwerp. Het werd voornamelijk gemeten in de hierna volgende enquêtes.
2.3.5.1. Internationale enquêtes
Na de Tweede Wereldoorlog zijn er verschillende internationale enquêtes gehouden over allerlei soorten waarden en verlangens binnen samenlevingen. Het hoofddoel van deze studies was om bepaalde internationale verschillen en gelijkenissen bloot te leggen, om zo de internationale samenwerking te promoten. De eerste was de “Tension”-studie die kort na WO2 in 11 verschillende landen werd gehouden (VEENHOVEN, 1993: 83). In 1960 voerde Cantril zijn wereldbekende World Survey uit in 14 verschillende landen (ZUBAIDA, 1967: 212). Deze studie werd in 1975 grotendeels gekopieerd door de Kettering/Gallup World Survey, en produceerde dus gelijkaardige gegevens (GALLUP, 1976: 460 ). In 1980 werden er twee grote internationale studies over waarden uitgevoerd. De ene was een Japans alternatief en behelsde identieke enquêtes in 13 verschillende landen. De andere studie, de World Value Study 1, omvatte 22 verschillende landen (VEENHOVEN, 1993: 83). We moeten ook de tweejaarlijkse enquêtes van de Europese Commissie (EC) vermelden die sinds 1974 in alle landen van de EU wordt afgenomen. De nadruk van deze “Eurobarometer” enquêtes ligt op de ontwikkeling van waarden voor Europese integratie, maar persoonlijk geluk komt hier ook aan bod (EC, 1974: 2).
2.3.5.2. Nationale levenskwaliteitenquêtes
Sinds de jaren ’60 hebben veel welvarende landen één of ander soort van “Sociaal Indicatorensysteem” ontwikkeld. Deze statistische systemen zijn in het leven geroepen om de levenskwaliteit in de betrokken landen te evalueren en om sociale problemen in een zeer vroeg stadium te kunnen ontdekken. In de meeste gevallen gaat het om periodieke enquêtes die bij een representatief deel van de bevolking worden afgenomen. Vragen die hierbij gesteld worden zijn bijvoorbeeld: “hoeveel geld hebt u gespaard?”, “hebt u werk?”, “bent u al dan niet sociaal geïsoleerd?”, … Daarnaast worden er ook vragen gesteld over de subjectieve evaluatie en tevredenheid van deze leefomstandigheden. Dan zijn het vragen in de aard van: “bent u tevreden met uw werk?”, “bent u tevreden met uw relatie?”, … Het is bij dit soort vragen dat de appreciatie van het leven in z’n geheel aan bod komt (VEENHOVEN, 1993: 83).
2.3.5.3. Nationale groepsenquêtes
Naast de bovenvermelde nationale levenskwaliteitenquêtes, zijn er veel landen die grootschalige bevolkingsenquêtes houden die de personen in kwestie lange tijd volgen. Het doel hiervan is meestal zicht te krijgen op veranderingen in bepaalde sociaal-economische variabelen zoals het inkomen, het werk, de huisvesting,… Soms worden er eveneens gegevens verzameld over de gezondheid en houding van mensen. Heel soms worden er in deze studies geluksindicatoren geëvalueerd, zoals in het geval van de “American Panel Study on Income” van 1968 tot 1972 en in de jaarlijkse Duitse “Socio-Economic Panel” die wordt gehouden sinds 1985 (VEENHOVEN, 1993: 84).
2.3.5.4. Andere
Vaak worden vragen over het geluk van mensen opgenomen in studies over de mentale gezondheid, verslavingen, vrijetijdsgedrag en politieke voorkeuren van mensen. Ik ga hier niet verder in op dergelijke enquêtes.
2.4. Bruto Nationaal Geluk
2.4.1.Inleiding
Al het voorgaande had als doel het begrip “Bruto Nationaal Geluk” juist te kunnen plaatsen. Nu duidelijk is waar dit begrip vandaan komt, hoe het ontstaan is, welke filosofie erachter schuilt, en wat geluk juist is, kan ik de term definiëren. Een algemeen aanvaarde definitie van BNG is er echter nog niet. Algemeen wordt aangenomen dat het een poging is om een maatstaf te creëren die met meer zaken rekening houdt dan het BNP of de HDI, een maatstaf die gebruik maakt van holistische en psychologische principes. Er is evenmin een algemeen aangenomen berekening om BNG te kwantificeren, om er dus met andere woorden een cijfer op te plakken. Hieronder zet ik kort uiteen hoe ik dit concept zie en stel ik tevens een definitie voor.
De term Bruto Nationaal Geluk bestaat uit drie delen: Bruto, Nationaal en Geluk. De belangrijkste van die drie is uiteraard Geluk. In de vorige paragrafen heb ik in detail verteld wat er onder dit toch wel complexe begrip kan verstaan worden. Het is de mate waarin iemand de algemene kwaliteit van zijn huidige, gehele leven positief beoordeelt. Bruto heeft hier niks te maken met het economische concept van bruto versus netto. We zouden eigenlijk ook van netto nationaal geluk kunnen spreken. Maar de term bruto klinkt bekender, de meeste mensen kennen immers BNP, meestal niet NNP (netto nationaal product). Door van bruto te spreken, wordt de link met BNP en BBP veel duidelijker. Als laatste is er het woord nationaal. Dit woord is wel belangrijk en kan voor zeer veel verwarring zorgen. In de economie maakt men immers een onderscheid tussen BNP en BBP. Nationaal staat dan voor de som van de nationale productiefactoren, bijvoorbeeld Belgen waar ook ter wereld. Binnenlands staat daarentegen voor de som van de productiefactoren die zich binnen de Belgische landsgrenzen bevinden, of die nu de Belgische nationaliteit hebben of niet. Bij BNG wordt dus, als je de term letterlijk ontleedt, het geluk bedoeld van alle mensen van een bepaalde natie, alle inwoners dus die een bepaalde nationaliteit hebben. Het BNG van Bhutan zou dan het geluk zijn van alle Bhutanezen ter wereld, waar ze zich ook bevinden. Dit is, zoals vrij snel duidelijk zou moeten zijn, niet correct als je bekijkt voor welk doel dit begrip in het leven geroepen is en welke de achterliggende filosofie is. Het gaat immers om het geluk van mensen binnen een bepaalde geografische zone. Mensen die allen te maken hebben met dezelfde (corrupte) regering, dezelfde weersomstandigheden, dezelfde gezondheidszorg… Een Congolees die in Congo woont zal uiteraard een andere geluksbeleving ervaren dan een Congolees die in België verblijft. Bij het begrip BNG moest de link met het economische duidelijk zijn. Maar om juist te zijn, zou men dus moeten spreken van Bruto Binnenlands Geluk, en niet van Bruto Nationaal Geluk. De term BNG is echter wereldwijd al zo ingeburgerd geraakt, dat het zeer verwarrend zou zijn om deze te veranderen. In het verdere verloop van deze scriptie zal ik de term BNG wel blijven gebruiken, hoewel deze dus strikt genomen incorrect is. BNG kan dus gedefinieerd worden als de mate waarin de inwoners van een bepaald geografisch afgebakend gebied de kwaliteit van hun huidige, gehele leven positief beoordelen.
2.4.2.Meting
Als we aannemen dat alle inwoners van een land in dezelfde mate meetellen, kunnen we het BNG van een bepaald land bepalen als het gemiddelde geluk van de inwoners. Dit gemiddelde kan bekomen worden door, zoals in het vorige hoofdstuk uitvoerig besproken is, enquêtes af te nemen, waarbij aan een aantal willekeurig gekozen mensen bepaalde vragen worden gesteld (zie bijlage 1). Van de resultaten van dergelijke steekproeven kan men dan het gemiddelde nemen door een eenvoudige wiskundige bewerking.
2.4.3.Twijfels over vergelijkbaarheid
2.4.3.1. Vergelijking nationale gemiddelden
De vraag is nu of dergelijke land-gemiddelden kunnen vergeleken worden. Er kunnen bij de vergelijking van gemiddelden immers externe complicaties optreden. Men spreekt hier dan over de “cultural bias”, ter onderscheiding van de gewone measurement bias. Met cultural bias wordt het feit bedoeld dat mensen bepaalde fenomenen verschillend kunnen interpreteren en evalueren naargelang hun cultuur[6]. Dit verschilt dus duidelijk van de gewone meetfouten die kunnen optreden bij enquêtes en steekproeven. Zo concluderen Uchida, Norassakkunkit en Kitayama in hun onderzoek naar de culturele verschillen in de perceptie van geluk dat de Europese-Amerikaanse culturen geluk voornamelijk definiëren en beleven als persoonlijk succes, terwijl dit in Oost-Aziatische culturen vooral geïnterpreteerd wordt als de realisatie van sociale harmonie (UCHIDA, NORASAKKUNKIT en KITAYAMA, 2004: 234). Tiberius daarentegen, zoals Veenhoven, concludeert dat die verschillen zeer klein zijn en dat we wel degelijk geluk tussen verschillende landen kunnen vergelijken (TIBERIUS, 2004: 310).
Velen betwijfelen ook of het begrip geluk wel overal gekend is in de wereld. Het zou wel eens een louter Westers concept kunnen zijn, dat enkel in individualistische en kapitalistische culturen zoals de onze betekenis heeft. Wat er juist gemeten wordt met de enquêtes hangt eveneens af van de woorden die gebruikt worden in de vraagstelling. Termen zoals geluk en voldoening zijn soms moeilijk te vertalen, waardoor er eigenlijk iets anders gemeten wordt dan louter en alleen het geluk zoals het hierboven gedefinieerd is. Tot slot kan men stellen dat er eveneens verschillen kunnen zijn in de geluksschalen die men in gedachten heeft. Het gaat hier echter niet om verschillen door individuele aanleg of levenservaring (want dergelijke verschillen heffen elkaar op in landgemiddelden), maar om systematische cultuurverschillen. Volkeren en culturen die doorheen de geschiedenis veel te lijden hebben gehad, onderscheiden hoogst waarschijnlijk wel meer graden van ongeluk dan volkeren die het altijd goed hebben gehad. Hierdoor rapporteren ze echter bij een zelfde mate van levensvoldoening een hogere score in vergelijking met het tweede volk. In dit verband wordt eveneens vaak verwezen naar een lagere pijngrens bij natuurvolkeren. Uit deze bedenkingen kan men aldus concluderen dat de gerapporteerde landverschillen meer te maken hebben met een verschil in rapportage dan met verschillen in geluk. Ruut Veenhoven (VEENHOVEN, 1998: 8) heeft zich in een onderzoek in ‘98 als eerste en bijna als enige over deze vragen gebogen en heeft op basis van empirische gegevens en literatuur een antwoord proberen bieden. Hij blijft vrij vaag en z’n bevindingen kunnen moeilijk wetenschappelijk genoemd worden. Toch zijn ze interessant. Ik zet ze hieronder kort op een rijtje.
De eerste bedenking ging over de vraag of het begrip geluk overal bekend is in de wereld. Veenhoven stelt dat een blik in de woordenboeken ons hierover informatie kan bieden. Tot nog toe zijn er steeds woorden voor geluk gevonden. Er zou geen concreet bericht zijn over talen waarin het begrip onbenoemd zou zijn. “In ieder geval wordt een gelukkige gezichtsuitdrukking overal herkend en lijken alle talen daar woorden voor te hebben” (VEENHOVEN, 1998: 8), stelt hij. Als vragen over geluk goed geïnterpreteerd worden dan zou dit eveneens moeten blijken uit correlaties tussen antwoorden op verschillend geformuleerde vragen. In de literatuur heet dit “congruente validiteit”. Deze methode veronderstelt echter wel dat eerst wordt vastgesteld welke vragen het begrip geluk omvatten. Veenhoven heeft daartoe een selectie gemaakt van items op basis van “face-validity[7]” (VEENHOVEN, 1998: 10). Hierbij kwamen alleen maar vragen in aanmerking die duidelijk verwijzen naar de evaluatie van het leven als geheel. Daarna werden op basis van de onderzoeksresultaten intercorrelaties berekend. Op het individuele niveau werden in de literatuur 294 correlaties gevonden. De mate van correlatie bleek niet indrukwekkend, rond de + 0.50. Dit zou deels te wijten zijn aan verdunning door meetfouten (VEENHOVEN, 1998: 10). De correlatie tussen identieke items in één interview bedroeg ongeveer + 0.65, en na correctie voor meetfouten kwamen ze op een correlatie van + 0.75. Dit duidt al op een aanzienlijke overeenstemming, zij het geen volledige (VEENHOVEN, 1998: 10). Op landniveau bleken de correlaties echter veel hoger. De intercorrelaties waren respectievelijk + 0.90 (geluk-levenstevredenheid), +0.61 (geluk-gevoelsbalans), en +0.61 (levenstevredenheid-gevoelsbalans). Deze resultaten weerleggen de stelling dat een verschillende interpretatie van vragen vergelijkingen tussen landen onmogelijk zou maken. Bij de verschillende bewoordingen van de vraag zien we toch weer steeds dezelfde rangorde van landen. Wat de laatste bemerking betreft, deze over de verschillen in geluksschalen tussen verschillende landen, stelt Veenhoven dat deze vraag niet direct te beantwoorden valt (VEENHOVEN, 1998: 11). Naar zijn mening is het niet mogelijk de innerlijke beleving te meten zonder het gebruik van woorden. We kunnen hier hoogstens stellen dat het bestaan van grote verschillen in ervaringsbereik niet zo aannemelijk is vanuit evolutionair perspectief.
2.4.3.2. betekenis van verschillen
Stel dat we op dit punt aannemen dat geluk kan gemeten worden, dat het gemiddelde geluk van een land kan bepaald worden, en dat deze gemiddelden van verschillende landen kunnen vergeleken worden. Dan stelt zich nog de vraag of deze verschillen in geluk iets zeggen over de leefbaarheid en de kwaliteit van de samenlevingen. Geluk kan immers meer zeggen over de manier waarop mensen naar het leven kijken, dan over de eigenlijke kwaliteit van hun leven. Mensen kunnen misschien gelukkig zijn in een slechte maatschappij en ongelukkig in een goede. Deze kritiek wordt op drie manieren onderbouwd (VEENHOVEN, 1998: 6).
Ten eerste wordt soms gesteld dat geluk maar een idee is. Het zou een oordeel zijn, en het menselijk oordelingsvermogen is niet onfeilbaar met als gevolg dat geluksoordelen verkeerd kunnen zijn. Hier spreekt men dan van zogenaamd “vals geluk” (HEWAVITHARANA, 2004: 514). Psychoanalytische critici zien veel fout gaan bij het aflezen van de menselijke geest. Zo zouden gewaarwordingen van falen en wanhoop bijvoorbeeld uit de geest verdrongen worden. Het idee van geluk daarentegen zou in dat geval deel uitmaken van een egodefensieve strategie. De marxistisch getinte critici zien de fout daarentegen vooral in de veronachtzaming van de sociale positie waarin men leeft. Weldenkende arbeiders zouden niet gelukkig moeten zijn onder het kapitalisme (VEENHOVEN, 1998: 6).
Een tweede kritiek stelt dat geluk relatief is. Geluk is een oordeel, en bij oordelen wordt er vaak vergeleken met een maatstaf. Een gangbare theorie van geluk is dan ook dat mensen de realiteit van hun bestaan beoordelen aan de hand van ideeën over hoe hun bestaan zou moeten zijn. Er zijn van deze theorie verschillende varianten, die elk een verschillende maatstaf benadrukken: vergelijken met het leven van anderen (sociale vergelijking), vergelijken met eigen ervaringen uit het verleden, vergelijken met wat reëel mogelijk lijkt en wat men reëel mogelijk acht, … Volgens Michalos (MICHALOS, 1985: 364) zegt geluk van de burger weinig over de kwaliteit van de samenleving. De eerste reden die hij hiervoor aanhaalt is dat vergelijkingsmaatstaven sterk cultureel bepaald zijn. Wat in het ene land als een armoedig bestaan geldt, wordt in een ander land als een succes gezien (zie eveneens p.22 onderaan). Geluk is in deze zin de mate waarin het leven voldoet aan bepaalde plaats- en tijdgebonden eisen, en kan dus niet zinvol vergeleken worden buiten die context. Een tweede reden die hij aanhaalt is dat maatstaven zich voortdurend aanpassen aan de realiteit. Bij voorspoed blijken ze omhoog te gaan en bij tegenspoed gaan ze omlaag. Geluk kan daarom wel schommelen, maar daarom nog niet duurzaam veranderen. Mensen zouden volgens deze visie uiteindelijk overal ongeveer even gelukkig of ongelukkig zijn, ongeacht de kwaliteit van hun leefomstandigheden en de samenleving.
De derde en laatste kritiek stelt dat geluk een volkstrek is. Er kan hier gesproken worden van een constructionistische visie op geluk. Deze stelt dat geluk een tamelijk vaste voorstelling is, en dus meer een “trek” is dan een “staat”. Vele psychologen zien individueel geluk als een karaktertrek of als een hardnekkige “attitude” (VEENHOVEN, 1998: 6). In deze lijn van denken hebben vele psychologen de geobserveerde verschillen in geluk benoemd in termen van “volkstrek”. Zo zou de relatief lage geluksscore van Frankrijk voortkomen uit de redelijk cynische houding van de Fransen die in het verleden vaak te lijden hadden onder oorlog, nepotisme en revoluties (VEENHOVEN, 1998: 6). Ook hier is de moraal van het verhaal dat geluk niets zou zeggen over samenlevingen. Zoals ik in de vorige paragraaf gedaan heb, zal ik hieronder de bevindingen van Veenhoven op een rijtje zetten, aangezien hij de eerste en enige is die dergelijke vragen over geluk aan een grondig onderzoek onderwierp..
Wanneer geluk slechts een arbitrair gedachtespinsel zou zijn, zo stelt Veenhoven, dan zal het inderdaad weinig te maken hebben met de werkelijke kwaliteit van een maatschappij. Hij ontkent dit . In zijn onderzoek bleken er immers sterke verbanden te bestaan tussen geluk en levenskansen, levensvaardigheden en levensgebeurtenissen (VEENHOVEN, 1998: 14). Hoe beter die zijn, hoe gelukkiger mensen zijn. Als geluk maar een idee is, zou het ook snel moeten kunnen wisselen. Zijn onderzoek heeft echter uitgewezen dat dit niet het geval is. Geluk blijkt vrij stabiel te zijn doorheen de tijd (VEENHOVEN, 1998: 14). Tevens zouden we in de correlaten van geluk ook grote verschillen moeten zien tussen culturen. Dat, stelt Veenhoven, blijkt echter maar in beperkte mate het geval te zijn. Uit de gegevens blijken vooralsnog meer overeenkomsten dan verschillen tussen culturen. Dit zou er op wijzen dat de voorwaarden voor het mense