Een bijdrage tot de studie van de crisis van 1740: Brugge en het Brugse Vrije. (Maarten Savels)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

II. Inleiding

 

Mijn interesse voor het onderwerp van deze thesis werd gewekt door de lessen van professor Vandenbroeke over economie en demografie en door een taak die ik in de tweede kandidatuur moest maken over dezelfde crisis in de parochie Dudzele. Vooral het feit dat men aan de hand van wat “droge” cijfers over graanprijzen, geboorten, huwelijken en sterften een erg rijke wereld kan reconstrueren, sprak mij enorm aan. Daarnaast was het erg stimulerend om mee te schrijven aan de geschiedenis van een stad zoals Brugge, waar ik sinds een zestal jaar woon en waar ik regelmatig heb rondgekuierd, op zoek naar inspiratie.

 

Toen ik navraag deed naar een onderzoek over de crisis van 1740, bleek dat dit onderwerp nog maar zelden was behandeld. Er bestond toen namelijk maar één studie die het onderwerp breedvoerig aanpakte: het onderzoek naar de crisis in de stad Leuven van de hand van Gisèle Van Houtte. In haar besluit stelt deze mevrouw dat de crisis van 1740 een belangrijk onderwerp is, maar dat het nog erg onderbelicht is gebleven. Dat is ook zo. Naast haar werk zijn er nog maar een paar werken verschenen die dezelfde crisis in de Nederlanden behandelen. Deze werken focussen zich meestal op iets anders, waar de crisis van 1740 toevallig ook mee te maken heeft (zoals de studie over oproer in de Zuidelijke Nederlanden van Karin van Honacker) en zijn hoofdzakelijk gericht op Brabant. Enkel John Post weidde een uitgebreide studie aan dit onderwerp, maar zijn nadruk ligt op Europa in zijn geheel. Nochtans is dit onderwerp een belangrijke factor in de studie van de industriële revolutie. Het blijkt namelijk dat deze revolutie maar heeft kunnen plaatsvinden door een demografische revolutie, die zich ongeveer rond 1700 in gang zette. Daarvoor werd de bevolking min of meer stabiel gehouden door oorlog en crisis. De zogenaamde crises van het klassieke type vormen een belangrijke factor in die stabilisatie. Dit zijn periodes van grote sterfte en voedselschaarste, die voortvloeien uit slecht weer en een gebrekkige oogst, gevolgd door het uitbreken van allerlei epidemies en door armoede en honger. Het staat vast dat deze “natural checks” op de bevolking –zoals ze door Thomas Malthus werden genoemd- na 1700 begonnen te verminderen om uiteindelijk volledig weg te vallen. De bevolking begon toe te nemen en het pad werd geëffend naar de Eerste Industriële Revolutie. Binnen dit kader wordt 1740 vaak de laatste grote klassieke crisis genoemd. Ik ben er dan ook van overtuigd dat een beter begrip van deze crisis kan leiden tot een beter begrip van de demografische revolutie en de industriële revoluties en dus kan bijdragen tot het weerleggen van de kritiek van Toffler in zijn boek “The third wave”. Hij stelde namelijk dat we 200 jaar na dato er nog steeds niet in zijn geslaagd om de industriële revolutie te begrijpen en te verklaren.

 

Ik ga uit van de hypothese dat de problemen die Brugge kende, inderdaad veroorzaakt werden door het slechte weer. De winter van 1739 op 1740 staat namelijk bekend als een zeer strenge winter, die het graan op de velden deed bevriezen. Mijn eerste hoofdstuk zal dan ook geweid zijn aan de weersomstandigheden tussen 1730 en 1745. Het doel is om te controleren of deze winter inderdaad zo streng was als beweerd wordt. Om dit te onderzoeken, kan ik steunen op een aantal kronieken uit die tijd, die heel wat informatie bieden over het weer en allerlei andere interessante fenomenen in de stad en erbuiten. Er is ook het naslagwerkje van J. Buisman: Bar en boos, zeven eeuwen winterweer in de lage landen. Dit werkje geeft een overzicht van de weersomstandigheden van de meeste jaren sinds 1200, maar concentreert zich voornamelijk op Nederland. Daarnaast is het van belang om een blik te werpen op de oogst. Het weer kan misschien wel slecht zijn, maar dat is niet noodzakelijk gekoppeld aan een slechte oogst. De vraag is hier dus of de oogst inderdaad zo slecht was dat het voortbestaan van de mensen bedreigd werd. Een tweede belangrijk punt vormen de graanprijzen. Deze stijgen niet alleen door een slechte oogst, maar ook door kunstmatige schaarste ten gevolge van het achterhouden van voorraden. Om dit na te kijken, zijn er twee belangrijke bronnen te vinden. Een eerste bron vormen twee graantellingen, die opgesteld werden in het Brugse Vrije naar aanleiding van de crisis. Als tweede bron beschikt de vorser over het ongelofelijk nuttige werk ‘Dokumenten voor de geschiedenis van prijzen en lonen in Vlaanderen en Brabant’. Geen enkele historicus die economische of sociale onderwerpen binnen Vlaanderen behandelt, kan dit werk negeren.

 

In het tweede hoofdstuk zal ik controleren welke impact eventuele schaarste en duurte hadden op de demografie. Bij dergelijke problemen breken er vaak epidemies uit en loopt het aantal sterfgevallen enorm hoog op. Was dit in Brugge ook het geval, of kon men dit vermijden? Was Brugge een “ville tombeau”, een stad met een sterfteoverschot? Het lijkt me ook interessant om de situatie in Brugge eens te vergelijken met deze in een aantal parochies uit de omliggende kasselrij van het Brugse Vrije. Een onderzoek naar de nataliteit en de nuptialiteit kan zeker ook interessante resultaten opleveren, aangezien ook deze factoren vaak werden geaffecteerd in een klassieke crisis. Om dit te onderzoeken beschikken we over de parochieregisters van Brugge. Hier wordt de historicus trouwens een handje geholpen door zijn collega’s van de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde. Deze mensen zijn momenteel bezig al de parochieregisters in een database te plaatsen, waardoor namen zoeken of tellingen uitvoeren in een handomdraai kan gebeuren.

 

In het derde hoofdstuk zal ik een blik bieden op de armoede en de armenzorg. Een dergelijke crisis zal ongetwijfeld de mensen armer maken. De belangrijkste vraag is dan ook hoeveel mensen als arm beschouwd werden. Was dit slechts een klein percentage, of waren het er juist heel veel? Een tweede belangrijke vraag is hoe ze opgevangen werden. Werden ze aan hun lot overgelaten of konden ze ergens terecht om steun te krijgen? Kon iedereen steun krijgen en wie kon waar aankloppen? Welk soort steun kregen ze: enkel voedsel, of kregen ze ook onderdak, medicijnen, kledij of geld? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, heb ik vooral de rekeningen van een aantal Brugse instellingen doorgenomen, zoals de parochiale dissen, de Berg van Charitate, de Beurs der Armen en de Berg van Barmhartigheid.

 

In het vierde hoofdstuk komt dan de reactie van het volk zelf aan bod. Wat deden deze mensen om het hoofd boven water te houden in deze moeilijke tijden? Lieten zij hun stem horen aan de overheid en hield deze er op zijn beurt rekening mee? Een belangrijk begrip is hier de “Moral politics of the crowd.” Dit is een verder doorgedreven vorm van de “Moral economy of the crowd” van Edward Thompson. Deze “Moral politics” houden een verwachtingspatroon in van het volk, aldus Karin van Honacker. Het volk verwacht namelijk dat de overheid voor het volk zorgt en dat het hen beschermt tegen crisissen zoals deze van 1740. Het komt erop neer dat de overheid een aantal maatregelen moet afkondigen om de crisis te bedwingen. Deze maatregelen zijn niet noodzakelijk effectief, maar het volk verwacht nu eenmaal dat ze genomen worden, anders komen ze in opstand. De maatregelen dienen dus niet zozeer om de crisis onder controle te krijgen, maar om de mensen gerust te stellen. Het concrete onderzoek naar de reactie van het volk wordt belemmerd door het feit dat de mening of de mentaliteit van het volk zelden of nooit werd neergeschreven. Het enige moment waarop dit daadwerkelijk gebeurde, was in gevallen van conflict. Bronnen waarin dergelijke conflicten gedetailleerd werden genoteerd, zijn de criminele registers, die ondervragingen en vonissen bevatten. Voor het Brugse Vrije beschikken we over de zogenaamde “Crimboucken”. Voor Brugge zijn het “Crimineel informatieboek” en het “Crimineel examinatieboek” bewaard gebleven. Aan de hand van deze bronnen moet het mogelijk zijn om een beeld te krijgen van de eventuele misdaden die het volk beging om in leven te blijven, wat hun motivatie was, en hoe de overheid hierop reageerde.

 

In het laatste hoofdstuk zal ik me richten op de overheid. De belangrijkste vraag is hoe de verschillende besturen reageerden op de crisis. Waren ze geïnteresseerd of niet? Hielden ze rekening met de “Moral politics” of luisterden ze niet naar de stem van het volk? Daarnaast is het belangrijk om te controleren of hun eventuele interventies effect hadden. Hebben ze de crisis verzacht of juist verergerd door ondeskundig ingrijpen. De bronnen die ik hiervoor zal gebruiken zijn de registers van de schepencolleges van Brugge en het Brugse Vrije, alsook de lijsten met de hallegeboden en de plakkaten van Brugge. Ook de documenten in verband met de korenmarkt en de korenmeters kunnen een interessante aanvulling vormen.

 

 

III. Lijst van gebruikte afkortingen

 

-B.T.F.G. = Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis

-B.T.N.G. = Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis

-H.K.M.V.C. = Heemkundige Kring Maurits Van Coppenolle

-R.A.B. = Rijksarchief Brugge

-S.A.B. = Stadsarchief Brugge

-S.B.B. = Stadsbibliotheek Brugge

 

 

IV. Bibliografie

 

1. Gebruikte archiefbronnen

 

A. Rijksarchief Brugge

 

Fonds Brugge:

 

Fonds Brugse Vrije, registers:

Fonds Brugse Vrije, bundels:

 

B. Stadsbibliotheek Brugge

 

 

C. Stadsarchief Brugge

 

 

2. Literatuurlijst

 

 

V. Het weer, de oogst en de prijzen

 

Weer en oogst zijn twee zaken die nauw met elkaar verbonden zijn. Om een optimale oogst te hebben, moet het weer enigszins meezitten. Het weer is echter nooit optimaal, maar kleine problemen worden meestal gemakkelijk ondervangen. Af en toe is het weer daarentegen zodanig slecht dat de hele oogst bedreigd wordt, wat op zijn beurt de subsistentie van het volk in het gedrang brengt. In dit hoofdstuk zal ik dan ook een beknopt overzicht geven van de weersomstandigheden voor de periode 1730-1745, omdat deze mijns inziens de directe aanleiding zijn voor de crisis van 1740. In een tweede deel zal ik dan de oogst in het Brugse Vrije proberen te bespreken aan de hand van twee tellingen die uitgeschreven werden door de schepenen van het Vrije. Het derde deel van dit hoofdstuk zal ik dan wijden aan de prijzen van de graanproducten om te controleren hoe zwaar de impact van de slechte oogst op de prijzen was.

 

1. De weersomstandigheden

 

Over de weersomstandigheden van 1730 tot en met 1738 valt niet veel te melden. De Nederlanden werden telkens geconfronteerd met zachte tot zeer zachte winters, met uitzondering van de winter van 1731 – 1732, die als koud wordt gekarakteriseerd. De zomers zijn meestal aan de warme kant. Er zijn dan ook weinig tot geen problemen met de oogst. In de zomer van 1738 beginnen de problemen. Er valt veel regen en het regent bijna dagelijks. De neerslag blijft aanhouden tot en met de zomer van het jaar 1739. Deze overvloedige neerslag zet in sommige gebieden de velden blank en is de directe aanleiding voor de slechte oogsten van 1739. Op zich was deze situatie niet zo erg, maar het is de winter van 1739 – 1740 die de genadeslag geeft. De vorst begint vroeg. Reeds op 8 oktober vriest het in delen van Frankrijk en Duitsland, waardoor de wijnoogst getroffen wordt. Vanaf 26 oktober begint het ook in de Nederlanden te vriezen; een vorst die de hele maand november aanhoudt. December was echter wat warmer, zonder vorst, maar met veel regen. Het volk verwachtte niet dat de winter weer strenger zou worden, maar de vrieskou sloeg hard toe[1]. Ik laat hier even de Brugse schepen Custis –een ooggetuige- aan het woord. "In het beginsel van het jaer 1740, daegs voor dry Koningen-dag is alhier te lande eene seer felle koude opgestaen, de welcke duerde tot in de maendt van April daer naer, soodanigh dat de Vruchten der aerde ten meerderendeele bevrosen waeren: men versekert selfs dat dese koude grooter is geweest als de gene van het jaer 1709"[2]. Het vriesweer begint dus op 5 januari en zou aangehouden hebben tot 8 maart. Daarna zou het af en toe nog eens gevroren hebben, wat leidde tot een totaal van ongeveer 77 vriesdagen. De koudste dag was 11 januari. Toen was de temperatuur maar liefst 18° C onder nul[3]. Verder viel er nog sneeuw tot en met 3 mei, toen er nog een halve voet (ongeveer 14 cm) sneeuw viel. Volgens de schepen Schouteet lag de binnenscheepvaart drie maanden stil. De dikte van het ijs aan het Minnewater bedroeg op een bepaald moment ongeveer 5 Brugse voet, wat overeenkomt met 137 cm [4]. We moeten echter op onze hoede zijn met dit soort meldingen, want overdrijvingen werden vaak niet geschuwd en precieze metingen werden vaak niet verricht. We hebben echter wel vergelijkingsmateriaal uit de Republiek. De heren Petrus van Musschenbroek, Nicolaas Duyn en Jan Noppen deden op wetenschappelijk verantwoorde wijze allerlei waarnemingen en schreven die ook systematisch neer. Volgens hen lag de trekvaart maar 10 weken vast en bedroeg de dikte van het ijs maar maximaal 96 cm[5]. Deze cijfers blijven niettemin impressionant.

 

Na de koude winter volgt er ook een koude lente. In Maart stijgen de temperaturen zelden of nooit boven de 5° C en blijft het erg droog. Ook april en mei zijn veel kouder dan normaal en worden regelmatig gekenmerkt door sneeuw- of hagelbuien. Pas op het einde van mei komen de eerste bladeren aan de bomen. Ook de zomer blijft aan de frisse kant (warmste dag in de Republiek: 29 augustus met slechts 22° C). De zomer van 1740 is dan ook de koudste zomer van de hele 18e eeuw.

 

Het was dus erg koud in het hele jaar 1740. Toch was het effect op de oogst niet zo slecht als gevreesd werd, ze was zelfs vrij goed, omdat een sneeuwtapijt in de meeste gevallen de gewassen voldoende had beschermd. Het grootste probleem was dat men de oogst maar zeer laat kon binnenhalen, veel later dan normaal het geval was[6]. Dit werd echter gecombineerd door slechte oogsten van het jaar ervoor, waardoor er te weinig voedsel over een langere periode moest gespreid worden: de kern van het voedselprobleem in de jaren 1740 – 1741.

 

Na 1740 wordt het weer beter. Even is er paniek wanneer een koudegolf toeslaat in oktober en november, maar daarna wordt het weer zachter. In de lente van 1741 is er nog wat wateroverlast doordat de sneeuw en het ijs hoger in de bergen nu pas beginnen te smelten (de zomer van 1740 was niet warm genoeg om ze volledig te doen afsmelten) en de rivieren doen opzwellen. Vanaf midden 1741 is het weer min of meer op zijn plooi en vormt het geen grote hinder meer voor de oogst[7].

 

 

2. De oogst in het Brugse Vrije

 

Op 30 april 1740 ordonneert het Brugse Vrije een graantelling voor alle parochies. Ze doen dit waarschijnlijk na een aantal alarmerende berichten uit Brugge en uit twee parochies, met name Bekegem en Gistel[8]. Deze telling werd uitgevoerd door de hoofdmannen van elke parochie. Ze werden opgedragen om iedere inwoner te bezoeken en de voorraden neer te schrijven van tarwe, rogge, haver, sucrioen (zomergerst), boekweit, masteluin en peulvruchten. Daarnaast moeten de hoofdmannen vermelden hoeveel iedereen nodig heeft om vier maanden te overleven, het vee te voeden en om te kunnen zaaien (de "slete") en hoeveel graan er daarna over of tekort is. Als er tekorten zijn, moeten ze vermelden welke graansoort er tekort is en hoeveel ze ervan nodig hebben. De opzet is dus goed en veelbelovend: een uitgebreide en gedetailleerde telling, en dat in het Ancien Regime (het prestatistische tijdperk)! Helaas zijn de resultaten ronduit bedroevend. Veel hoofdmannen hebben de opdracht niet goed begrepen of weigeren om ze goed uit te voeren. Sommige akten zijn goed, maar de meeste niet en het totaal is onsamenhangend, oncompleet en verwarrend. Ten eerste hebben heel wat parochies niets teruggezonden (of zijn de stukken verloren geraakt). Ten tweede zijn de formulieren niet goed opgesteld. Veel hoofdmannen vermelden niet alle soorten graan. Enkel tarwe wordt altijd vernoemd; rogge, sucrioen en haver meestal; de rest slechts sporadisch. Verder worden veel verschillende maateenheden gebruikt om de voorraden weer te geven: hoeden, zakken, spijnders, vaten, maten en razieren. Nu zou dat geen problemen mogen geven voor omrekeningen, maar de hoofdmannen verzuimen ook om te zeggen van waar hun maat komt. Een voorbeeld kan dit verduidelijken: de voorraden van Mannekensvere werden weergegeven in razieren[9], maar er wordt niet gezegd welke razier: de Oostendse, de Nieuwpoortse of de Veurnse. Het verschil tussen deze drie is groot: de Oostendse razier bedraagt 184,92 liter, de Nieuwpoortse 166 liter en de Veurnse 144 à 145 liter. De regel zegt dan dat de meest waarschijnlijke maat die van de dichtstbijzijnde stad is, maar Mannekensvere ligt in de buurt van alledrie de genoemde steden. Nu bestaat de mogelijkheid dat de schepenen van toen perfect wisten welke razier hier bedoeld werd, maar ik heb het niet meer kunnen achterhalen. Een ander probleem met de telling is dat de hoofdmannen soms enkel vermelden hoeveel graan ze teveel of tekort hebben, maar niet wat hun totale voorraden zijn, of dat ze wel de volledige voorraad opgeven, maar niet zeggen of ze tekort of teveel hebben. Daarnaast speelt ook het particularisme nog sterk. Veel hoofdmannen zullen dergelijke inmenging van bovenaf niet geduld hebben of zullen bang geweest zijn dat hun parochie teveel graan zou moeten afstaan voor Brugge. Ze zullen dan ook minder opgeven dan er werkelijk is zodat hun parochie althans geen honger zou moeten lijden of dat hun kooplieden extra winst zouden kunnen maken door de schaarste kunstmatig nog wat op te drijven. Bovendien zullen veel lokale besturen wel beseft hebben dat het wegvoeren van grote ladingen graan uit het dorp het volk tot oproer zou kunnen aanzetten.

 

De eerste telling was dus niet goed genoeg uitgevoerd om nuttig te zijn. Het schepencollege van het Vrije vertrouwde de telling niet. Op 5 mei werd door de centrale overheid een nieuwe telling geordonneerd. Het Vrije besliste om de nieuwe telling dan ook beter te organiseren. Deze keer werden de hoofdmannen niet gevraagd om alles te noteren. In de plaats daarvan kreeg elke schepen een aantal parochies toegewezen om te visiteren en om alle voorraden neer te schrijven. De vorm van de telling werd behouden, dus dezelfde graansoorten werden opgeschreven en ook de "slete" en de tekorten moesten genoteerd worden. Helaas is ook deze telling niet bevredigend uitgevoerd. Het grootste probleem blijft de "slete". Ook de schepenen van het Brugse Vrije zijn daarin nogal slordig. Sommigen geven enkel weer hoeveel graan de parochie over of tekort heeft, terwijl anderen enkel de totale voorraad opgeven, maar geen moeite doen om te bepalen of dit genoeg is. Daarnaast vind ik de tweede telling ook weinig betrouwenswaardig, want ik ben ervan overtuigd dat een aantal schepenen hun taak niet grondig hebben gedaan of hebben kunnen doen. Volgens de data van de tellingen blijkt dat sommige schepen twee tot drie parochies per dag telden. Zoiets lijkt me onmogelijk zonder dat de plaatselijke besturen daarbij hielpen en dan kan de hoger gemelde kritiek van particularisme weer gebruikt worden om de betrouwbaarheid van de telling in vraag te stellen. Toch is de tweede telling in veel opzichten al een stuk beter. Zo gebruiken alle schepenen dezelfde inhoudsmaat. Op een paar uitzonderingen na, waar de Gentse zak wordt gehanteerd, gebruikte men de Brugse hoet. In elk geval is de hoeveelheid perfect naar liter om te rekenen. Wat de graansoorten betreft, valt op dat de voorraad tarwe wederom het best geteld werd. Ze komt in haast elke akte voor. Daarnaast zijn haver, rogge, boekweit en sucrioen regelmatig vermeld. Het hangt een beetje af van de schepen tot schepen. Masteluin, peulvruchten en koolzaad worden maar sporadisch vermeld. Daarnaast vermelden sommige schepenen ook hoeveel inwoners een bepaalde parochie telt. De meest betrouwbare gegevens heb ik uit de akten geselecteerd voor een dieper onderzoek (zie tabel 1).

 

Tabel1: Aantal inwoners en graanvoorraden (in liter) in 13 parochies van het Vrije (mei 1740)[10]

Parochie

Inwoners

Tarwe

Rogge

Sucrioen

Haver

Andere

Totaal

Minimale slete

Verschil

Aartrijke
[11]

640,0

49163,3

0,0

0,0

72375,1

2121,3

123659,7

76800,0

46859,7

Bekegem

140,0

0,0

1720,0

0,0

0,0

430,0

2150,0

16800,0

-14650,0

Dudzele

981,0

42140,0

0,0

9632,0

0,0

0,0

51772,0

117720,0

-65948,0

Eernegem

170,0

4902,0

28552,0

3096,0

26316,0

9632,0

72498,0

20400,0

52098,0

Gistel

536,0

17200,0

0,0

15824,0

1588,5

0,0

34612,5

64320,0

-29707,5

Ichtegem

630,0

573,3

37553,3

0,0

43947,9

5418,0

87492,5

75600,0

11892,5

Koekelare

1200,0

6106,0

61289,3

0,0

118639,6

9202,0

195236,9

144000,0

51236,9

Leke

487,0

25284,0

18146,0

15566,0

24919,3

4529,3

88444,6

58440,0

30004,6

Roksem

220,0

774,0

13588,0

3182,0

4765,4

1032,0

23341,4

26400,0

-3058,6

St.-Jan-in-Eremo

700,0

5676,0

1032,0

4128,0

992,8

1720,0

13548,8

84000,0

-70451,2

St.-Margriete

210,0

4816,0

344,0

3612,0

397,1

344,0

9513,1

25200,0

-15686,9

Westkerke

170,0

10148,0

18232,0

3956,0

9133,8

1290,0

42759,8

20400,0

22359,8

Zerkegem

260,0

3354,0

11782,0

1892,0

1489,2

3755,3

22272,5

31200,0

-8927,5

Totaal

6344,0

170136,6

192238,6

60888,0

304564,7

39473,9

767301,8

761280,0

6021,8

 

Tabel 1 toont ons de voorraden van de belangrijkste graansoorten in de maand mei van 1740. De gegevens stammen enkel uit de tweede telling. De kolom "minimale slete" bevat de theoretische hoeveelheid graan die het aantal opgegeven inwoners nodig hebben voor hun onderhoud voor vier maanden (tot de volgende oogst). Dit bevat niet de hoeveelheid die nodig is om te zaaien, noch het voedsel voor het vee: enkel het absolute minimum voor de menselijke subsistentie. In de laatste kolom staat het verschil tussen de totale graanvoorraad van een parochie en de theoretische, minimale slete. De cijfers zijn in het beste geval benaderingen van de werkelijkheid en zijn gebaseerd op de schattingen van de schepenen van het Brugse Vrije en op de cijfers van de hoofdmannen. Het zijn dus slechts ruwe cijfers, maar ze vormen wel reeds een indicator.

 

Haver is duidelijk de meest gekweekte graansoort. Dit was in normale omstandigheden echter geen voedselgraan voor de mens, maar wel voor het vee. In uitzonderlijke momenten werd het wel gebruikt, onder andere om havermoutpap van te maken. De twee volgende graansoorten zijn tarwe en rogge. Dit waren de belangrijkste soorten om brood van te maken en tevens de meest geconsumeerde soort. Rogge werd ook veelvuldig toegepast in de jeneverstokerij. Daarna volgt sucrioen ofwel zomergerst, dat voornamelijk gebruikt werd om bier van te brouwen. De categorie "andere" omvat boekweit, masteluin en peulvruchten. Boekweit werd vaak gegeten in de vorm van pannekoeken, masteluin was een mengeling van tarwe en rogge en werd gebruikt als broodgraan en peulvruchten werden vaak gegeten in soep, maar in tijden van nood werden deze zogenaamde "ronde granen" ook op de korenmolen gegooid om tot brood te verwerken.

 

Als we de hoeveelheden van al deze graansoorten overschouwen, zien we dat het volk eigenlijk genoeg graan bezat om die vier maanden tot de volgende oogst te overleven. Dit is echter een onjuist beeld. Ten eerste moesten de boeren van hun voorraden een deel aftrekken om te kunnen zaaien. Ze moesten ook hun dieren kunnen voeden en daarnaast werd er ook een deel weggevoerd om steden zoals Brugge of Oostende te bevoorraden. Het is echter ook een feit dat de hierbovenstaande cijfers een onderschatting zijn van de realiteit. Er was natuurlijk meer voedsel dan dat. De boeren hadden vee dat geslacht kon worden en er waren nog andere groenten dan peulvruchten. Er waren ook nog andere producten, zoals koolzaad, die verkocht konden worden om graan uit Holland te kopen. Daarnaast is de gegeven hoeveelheid graan zeker niet correct. De tellingen werden blijkbaar erg snel uitgevoerd en konden dus niet grondig zijn. Er zijn nog allerlei factoren die de juiste weergave in de weg stonden. Een aantal schepenen vermelde niet of hun rapport enkel de overschotten vermeldde of de gehele voorraad. We moeten ook rekening houden met de zwakheid van de menselijke geest: misschien werden een aantal schepenen wel omgekocht om minder aan te geven. Al deze factoren zorgen ervoor dat de telling een hoogst onzekere bron van informatie is. Het is erg moeilijk om een goede conclusie te trekken uit bovenstaande cijfers, ook omdat we over geen vergelijkingsmateriaal beschikken waarmee we de opgegeven voorraden zouden kunnen toetsen. Gelukkig bevat de telling niet alleen kwantitatief materiaal, maar ook een aantal op- en aanmerking van de schepenen die ons kunnen helpen met het inschatten van de situatie.

 

In totaal werden er 68 parochies in de akten opgenomen, maar een aantal tellingen zijn met zekerheid verloren gegaan (onder andere die van Koolkerke, Sint-Pieters-op-de-dijk, Wenduine en Nieuwmunster)[12]. Bij elf parochies werd vermeld dat er genoeg graan aanwezig was om het volk in leven te houden en zelfs om een deel ervan te verkopen aan Brugge. De parochies in de onmiddelijke nabijheid van de stad werden zelfs opgedragen om een deel van hun overschotten meteen op de markt te brengen[13]. Bij 25 parochies werd er echter vermeld dat er tekorten waren. Het opvallendste is dat bij sommige parochies beide opmerkingen werden gemaakt. Dat komt omdat veel parochies wel genoeg van bepaalde graansoorten hebben, maar niet van andere. Na een nader onderzoek blijkt dat tarwe en sucrioen meestal voldoende aanwezig zijn. Veertien parochies hebben voldoende tarwe voor uitvoer en twaalf hebben genoeg sucrioen. Vooral rogge is het grote probleemproduct, maar veel parochies vragen ook om tarwe. In een aantal gevallen werd ook vermeld dat er graan bevroren was op de velden. Het gaat hierbij telkens over tarwe. We mogen er dus vanuit gaan dat beide wintergranen een slechte oogst hebben opgeleverd, maar het lijkt me dat de rogge er het ergst aan toe was. Dat valt erg slecht voor het volk, dat in tijden van duurte vaak overschakelde van het duurdere tarwe op het goedkopere rogge. Het resultaat is dat men moet overschakelen op nog ongebruikelijkere soorten. Zo wordt in Nieuwmunster melding gemaakt van sucrioenbrood[14] en in Brugge was boekweit blijkbaar een populair product (zie hoofdstuk over het volk). In Sint-Pieters-Kapelle wordt melding gemaakt van tarwemeel dat gemengd werd met sucrioen en erwten[15].