| Brugse haveninfrastructuur in de 18de eeuw (1700-1790) (Jorg Timmerman). |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk 5: De scheepvaart in de Brugse haven tijdens de 18e eeuw.
Het vatengeld was een heffing, die was ontstaan sinds het octrooi van 25 mei 1673, op alle goederen die via het water werden getransporteerd. Van Oostende naar Brugge en verder van Brugge naar Gent.
Vanuit Oostende naar Brugge diende er per vat vier stuivers te worden betaald en van Brugge naar Gent was dit bedrag vijf stuivers. Het lastgeld werd door een collecteur geïnd aan de Dampoort, voor de schepen die het kanaal Oostende-Brugge gebruikten.
Voor de schepen die de vaart Brugge-Gent bevoeren moest het geld aan het Minnewater betaald worden. De schepen moesten deze heffing tweemaal betalen ( dit wil zeggen, bij de heen- en terugreis). Deze heffing werd pas stopgezet in het jaar 1714. [103]
Deze belasting werd ingesteld om het graafwerk aan de kanalen in de voorgaande periode te dekken. [104] In 1701 bedroeg de totale tonnenmaat van Brugge naar Gent 8855. In 1703 was dit gedaald tot 6508. In 1704 steeg dit tot boven de 10000 ton uit. In 1707 was er een daling tot onder de 7000 ton (6899 ton). In 1713 kwam dit totaal opnieuw boven de 10000 ton uit.
Op het kanaal Oostende - Brugge lag de tonnenmaat, berekend op basis van het vatengeld een stukje hoger. Boven de 14000 in 1701. In 1703 was er eveneens een daling tot net onder de 7000 ton. In 1704 was er een stijging tot boven de 11000 ton. In 1707 was er parallel aan de gegevens van het kanaal Brugge - Gent een daling.
Bij de Oostendse Vaart bleef, in tegenstelling tot de Gentse Vaart, de tonnenmaat wel boven de 7000. In 1713 was er een sterke toename tot boven de 14048 ton. [105]
De gegevens lieten niet toe om het aantal schepen of de tonnenmaat per schip te berekenen. [106]
Er zijn gegevens bewaard gebleven over de ontvangst van het sasgeld, dat de schepen aangerekend werd die het sas van Slijkens passeerden.
Die heffing bedroeg vijf stuivers per vat en moest in beide vaarrichtingen worden betaald (zeewaarts als landinwaarts). Die gegevens tonen aan dat in 1701de totale tonnenmaat 10240 ton bedroeg. In 1704 zakte dit tot 9072 ton. In 1707 was dit verder gedaald naar 5995 ton. In 1710 nam dit nog af tot 3815 ton. In 1711 was er een kleine toename tot 3905 ton. In 1712 zette die stijging zich verder tot 5639 ton. [107]
De gegevens over deze heffing boden hier wel de mogelijkheid om vast te stellen hoeveel schepen er dit sas waren doorgevaren.
In 1701 bedroeg dit aantal 717. In 1704 was er een daling tot 516 schepen.
In 1707 zakte dit naar 258. In 1710 werd een dieptepunt bereikt met 190 schepen.
Er ontstond een opleving tot 206 schepen in 1711. Deze opwaartse beweging zette zich door in 1712, toen 285 schepen werden geteld.
Hier was het ook mogelijk om het gemiddeld aantal ton per schip te berekenen.
In 1701 bedroeg dit 14,28 ton. In 1704 was dit opgelopen tot 17,58 ton.
In 1707 was dit al 23,23 ton. Terwijl er in 1710 een neerwaartse beweging ingezet werd, zodoende bedroeg het gemiddelde 20,08 ton per schip. Deze daling zette zich verder in 1711, het gemiddelde bedroeg hier nog 18,96 ton per schip. Een licht herstel werd waargenomen in 1712, het gemiddelde steeg hier tot 19,78 ton. [108]
Als men meer te weten wil komen over de havenactiviteit te Brugge, is het noodzakelijk en belangrijk om de rekeningen met de opbrengst van het lastgeld door te nemen.
Het lastgeld was een heffing van 0,5% op de waarde van alle handelswaren die te land of via het water de Oostenrijkse Nederlanden binnenkwamen. Deze heffing werd voorgesteld door de Brugse handelaars, om met de opbrengst hiervan de eerder besproken werken (reiniging en uitdieping) van de kanalen te financieren.
Op 24 februari 1724 stond de centrale overheid toe dat het lastgeld werd geheven.
Er bestaan rekeningen van 1724 tot 1790, met in deze periode tussendoor wel heel wat hiaten. [109]
Wanneer gesproken wordt over lastgeldheffing te Brugge, dan moet voor ogen worden gehouden dat de opbrengst hiervan niet volledig te Brugge zelf werd geïnd, maar dat andere plaatsen in het Brugse hier ook toe bijdroegen: met name te Blankenberge, Westkapelle, Houke, Middelburg (in de omgeving van Maldegem), “Stroobrughe” en St-Laurent (nu St-Laureins). De opbrengst van deze plaatsen was zeer gering.
Op basis van de gegevens voor 1787, leert een berekening dat al de andere plaatsen samen, in dit jaar maar voor 3,5% tot het totaal van het lastgeld voor het gebied Brugge bijdroegen. De meeste jaren werd de bijdrage van die andere inningsplaatsen, zelfs niet afzonderlijk vermeld. Men spreekt dan over de opbrengst van het departement Brugge (zonder nog het onderscheid tussen het hoofdbureau en de andere plaatsen te maken).[110]
Bij het opvolgen van de ontvangst van het lastgeld te Brugge is het opvallend dat na 1724, het jaar van ontstaan van deze heffing, de inkomsten boven de 14000 gulden uitstijgen. In 1725 lagen de inkomsten weliswaar een stuk hoger dan die van 1726, maar toch bleef hier de opbrengst 14289 gulden. In 1732 liep dit op tot 18080 gulden.
Na 1732 werd de 18000 gulden niet vlug meer bereikt.
Toch bleven de jaaropbrengsten van 1735, 1736 en 1738 flink boven de 14000 gulden.
In 1739, was er een dieptepunt van 11412 gulden. Een jaar later was er opnieuw een herstel tot boven de 14000 gulden. Vanaf 1742 werd duidelijk en zonder uitzondering een dalende tendens vastgesteld. Deze bereikte haar dieptepunt in 1748 met een opbrengst van slechts 981 gulden. In 1749 onderging de heffing een opzienbarende stijging en kwam het tot een opbrengst van 18926 gulden.
Dit verrassende herstel hield de daaropvolgende jaren aan, hoewel de opbrengsten pas laat (1768) terug de kaap die in 1749 werd bereikt, zouden overschrijden. De inkomsten bleven met uitzondering van 1751 boven de 12000 gulden. De opbrengst van 1757 lag lager dan die van 1756.
Gezien er geen gegevens gevonden werden voor de periode 1758 – 1766 is het heel moeilijk te concluderen of die daling zich verder gezet zou hebben. In 1767, het eerste jaar dat de cijfers terug bekend zijn, lagen de inkomsten boven de 17000 gulden, terwijl dit in 1768 opliep tot boven de 21000 gulden.
In 1777 lagen de inkomsten een heel stuk lager, weliswaar boven de 14000 gulden.
Die daling zette zich verder tot en met 1781, toen de inkomsten maar 11433 gulden bedroegen. Vanaf 1782 was er opnieuw een stijging. Waarna de lastgeldontvangst opnieuw naar een dieptepunt evolueerde (1787 – 1790). [111]
Op basis van dezelfde gegevens over het lastgeld was het mogelijk het aandeel van Brugge te berekenen ten opzichte van het totaal. Het aandeel van Brugge lag aanvankelijk zeer laag; 11,27 %. Om één jaar later fors te stijgen tot 70,24 %.
Vervolgens bleef het Brugse aandeel (voor de jaren waar cijfers bekend waren) boven de 60 %. Vanaf 1739 daalde dit tot 59 %. Sinds 1744 daalde dit onder de 50 %.
In 1746 bedroeg het Brugse aandeel nog amper 20,21 %. In 1747 hernam het aandeel zich tot 28,68 %. In 1748 werd een laag punt bereikt, slechts 11,37 %.
Hierna kwam het Brugse aandeel opnieuw boven de 55 %. Met als hoogtepunt het jaar 1755 waar de inkomsten terug stegen tot 63,15 %. In 1767 was dit 64,06 %.
Vanaf 1777 ontstond nogmaals een daling; van 44 % tot 34,6 % in 1781.
In 1783 was er een lichte opleving. In 1789 bedroeg het Brugse aandeel 30,46 %. [112]
D / Sasgeld aan het Predikherensas.
In het Brugse stadsarchief bevinden zich de lijsten met de opbrengst van het sasgeld dat werd aangerekend bij het doorvaren van dit sas aan de toen net voltooide coupure (“van passeerende en repasserende schepen”). Zowel ongeladen als geladen schepen werden aan deze regel van betaling onderworpen. Het sas werd opengesteld vanaf 26 oktober 1753.
|
Jaren |
Zeeschepen |
Pleiten |
Binnenlanders |
Koggen |
|
1753 |
1 |
27 |
206 |
20 |
|
1754 |
87 |
212 |
1625 |
56 |
|
1755 |
39 |
288 |
1540 |
42 |
|
1756 |
-- |
41 |
582 |
111 |
De opbrengst van de sasgelden bedroegen:
In 1753 137 gulden.
In 1754 1212 gulden.
In 1755 1146 gulden.
In 1756 359 gulden. [113]
Dit geld werd geïnd door het ballasten van schepen. Men rekende hiervoor een oord per last. [114] De afvarende zeeschepen werden met ballastaarde opgevuld om veiligheidsredenen. Die ballastaarde was afkomstig van de zuivering van het kanaal Brugge-Oostende. [115] Van maart 1784 tot oktober 1789 is er een lijst bewaard met de naam van de schepen, de kapiteins alsook de hoeveelheid aarde die werd gebruikt. Op basis van deze gegevens is er de mogelijkheid om af te leiden hoeveel schepen er vertrokken vanuit Brugge, wat de gemiddelde tonnenmaat was van de schepen die vanuit Brugge vertrokken. Naar alle waarschijnlijkheid lag het aantal zeeschepen dat uit Brugge vertrok een stuk hoger. Het was toen waarschijnlijk ook al zo, dat de meeste kapiteins probeerden om een vracht te regelen voor de terugreis. Het was evident dat deze schepen niet met aarde werden beladen, of indien dit gebeurde in beperktere mate,wat dan weer zou kunnen leiden tot een mogelijke onderschatting van de tonnenmaat.
Het is opvallend dat het grootste aantal schepen hier werd genoteerd in 1784: met name ging het hier om 255 exemplaren. Daarna ging dit aantal naar omlaag, om zich iets te hernemen in 1787 en 1788. Het aantal vaartuigen bleef weliswaar sterk onder de hoeveelheid die in 1784 werd opgetekend. Na 1788 was er plotseling een heel sterke daling in 1789: in dit jaar werden te Brugge slechts 24 schepen van ballastaarde voorzien. [116]
Wat de gemiddelde tonnenmaat van de schepen betrof; is het opvallend dat die, op basis van dezelfde lijst, 43,92 ton bedroeg in 1784. Dit liep zeer sterk op in het daaropvolgende jaar; namelijk tot 87,04 ton. In de vier laatste jaren lag de tonnenmaat een heel stuk lager, dan in 1785, maar toch bedroeg ze nog steeds meer dan 60 ton per schip en bijgevolg was dit toch een stuk hoger dan in het eerste jaar van de lijst.
Wat de totale hoeveelheid uitgeballaste aarde betrof: dit gegeven vertoonde logischerwijze een identiek patroon als dat van de scheepsbewegingen: een nooit geëvenaarde hoeveelheid in het eerste jaar, gevolgd door een blijvende daling tot 1786, een korte toename en vervolgens een sterke daling.
Bij de tonnenmaat was er toch een grotere stabiliteit vanaf 1786. Hier bleven ook de waarden hoger dan in het startjaar.
Het kaaigeld werd aan die schepen aangerekend die vanuit de Noordzee langs de Oostendse haven, te Brugge aan de komkaai aankwamen. Er werd een stuiver per vat aangerekend. Dit geld werd geheven “bij directie” door de deken en de hoofdmannen (bestuur) van de Kamer van Koophandel.
Deze kaaigeldlijst bevatte de datum van aankomst, de naam van de scheepskapitein, de koopman voor wie de lading bestemd was, de tonnenmaat en het betaalde bedrag.
Deze lijst begon in 1769 en eindigde in 1789.
Aan de hand hiervan bleek er grosso modo een stijging te zijn vanaf 1769 tot 1777.
De jaren 1778 en 1779 vertoonden een inzinking. Terwijl er vanaf 1780 opnieuw een stijging was met als absolute topjaar 1782 (368 schepen). Ook in 1783 en 1784 bleven er meer dan 300 schepen toekomen. Vanaf 1786 ontstond er een sterke daling. Wat het totaal aantal ton per jaar betrof. Dit evolueerde van 7987 ton in 1769 tot 18140 ton in 1775. Daarna ontstond er een nieuwe daling tot 13174 in 1778. Hierna ging dit opnieuw in stijgende lijn met als piek een totaal van 35131 ton (in 1783).
Na dit tijdelijke succes ging het bergafwaarts, in 1788 een pover totaal van 6595 ton.
Wat toont het kaaigeld ons in verband met de tonnenmaat van de schepen?
In 1769 lag de gemiddelde tonnenmaat op 74,64 ton. Hierna ontstond een stijging boven de 80 ton. Een inzinking was er in 1772. In 1773 / 1774 en 1775 lag het gemiddelde opnieuw boven de 80 ton per schip.
In 1776 / 1777 en 1778 lag dit aanzienlijk lager. Vanaf 1779 kwam het gemiddelde in de buurt van 90 ton. In 1781 werd voor het eerst de 90 ton overschreden.
In 1783 werd de kaap van 100 ton gepasseerd. In de jaren 1786 en 1788 zette deze stijging zich voort. [117]
G / De cijfergegevens overgenomen uit gepubliceerde en niet gepubliceerde werken.
1. Het sasgeld aan het Kattegat.
Deze gegevens stelden de hr. Coornaert in staat te berekenen hoeveel schepen er vanuit de Oostendse Vaart aan het Kattegat toekwamen. Deze heffing bedroeg vier groten.
De gegevens zijn doorlopend bewaard vanaf 1624 - 1625 tot 1753 – 1754 (wanneer de post sasgeld niet meer werd ingevuld).
Hieronder volgt een tabel overgenomen uit het werk van de hr. Coornaert. [118]
Gezien de tijdsperiode van mijn werk, heb ik mij bij die overname beperkt tot alle gegevens vanaf 1701.
|
Jaren |
Schepen |
Jaren |
Schepen |
Jaren |
Schepen |
|
1700-01 |
753 |
1718-19 |
539 |
1736-37 |
542 |
|
1701-02 |
802 |
1719-20 |
438 |
1737-38 |
449 |
|
1702-03 |
798 |
1720-21 |
577 |
1738-39 |
520 |
|
1703-04 |
964 |
1721-22 |
622 |
1739-40 |
565 |
|
1704-05 |
992 |
1722-23 |
635 |
1740-41 |
675 |
|
1705-06 |
1013 |
1723-24 |
690 |
1741-42 |
821 |
|
1706-07 |
550 |
1724-25 |
468 |
1742-43 |
722 |
|
1707-08 |
578 |
1725-26 |
582 |
1743-44 |
800 |
|
1708-09 |
566 |
1726-27 |
651 |
1744-45 |
863 |
|
1709-10 |
563 |
1727-28 |
458 |
1745-46 |
769 |
|
1710-11 |
576 |
1728-29 |
491 |
1746-47 |
668 |
|
1711-12 |
470 |
1729-30 |
548 |
1747-48 |
733 |
|
1712-13 |
560 |
1730-31 |
508 |
1748-49 |
866 |
|
1713-14 |
581 |
1731-32 |
552 |
1749-50 |
1033 |
|
1714-15 |
648 |
1732-33 |
702 |
1750-51 |
221 |
|
1715-16 |
614 |
1733-34 |
547 |
1751-52 |
676 |
|
1716-17 |
556 |
1734-35 |
586 |
1752-53 |
111 |
|
1717-18 |
547 |
1735-36 |
530 |
1753-54 |
“de somme van…..” |
Het aantal schepen nam na 1700-01 (753 schepen) vlug toe tot 1013 in 1705-06.
In 1706-07 werd dit bijna gehalveerd tot 550.
Vanaf 1707-1708 bleef het aantal schepen tot in 1711-12 rond 570 steken.
In 1711-12 volgde een daling tot 470.
In 1712-13 ontstond een heropleving tot 560 schepen.
In 1714-15 was er een stijging tot boven 600 schepen.
In 1716-17 was er opnieuw een kleine daling tot rond 550 schepen.
Een dieptepunt werd bereikt met 438 vaartuigen in 1719-20.
Vanaf 1720 zette zich een herstelbeweging in met het jaar 1723-24 als hoogtepunt (690 schepen).
In 1724-25 was er een redelijk scherpe daling tot 468 schepen.
Na twee jaren buiten de 400-categorie geweest te zijn, zakte het scheepsaantal in 1727-28 opnieuw tot 458.
Vanaf 1729-30 lagen de bewegingen boven de 500.
Met 1732-1733 als uitschieter (702 schepen).
Vanaf 1733-34 lagen de cijfers steeds een heel eind boven de 500.
Een inzinking tot 449 schepen vond plaats in 1737-38.
Hierna ontstond een stijgende lijn tot 821 vaartuigen in 1741-42.
Na een lichte inkrimping was er een uitschieter in 1744-45 met 863.
Na een minder drukke periode (met als minimumwaarde, nog steeds meer dan 650 schepen), was er een herstel met zelfs een topper van 1033.
In 1750-51 was er een forse inzinking van de cijfers (slechts 221 bewegingen werden genoteerd).
Het jaar daarop was er reeds een herstel, tot 676.
In 1752-53 werd het laagste aantal bewegingen in die periode (1700-1754), in deze door mij overgenomen reeks opgetekend (namelijk 111 schepen).
Andere interessante gegevens zijn zeker deze door W. Demeulenaere in zijn licentiaatsthesis, over de Brugse Kamer van Koophandel in de 18e eeuw, verwerkte gegevens. Namelijk de inkomsten van het kraanrecht alsook van het verhuren van stapelruimte voor koopwaren in de magazijnen van de kom.
G. 2
Het kraanrecht, was de betaling voor het gebruik van de kranen op de kom.
Hieronder volgen de overgenomen gegevens. (Helaas was er geen vermelding in het werk van de hr. Demeulenaere, van de eenheid waarin de ontvangst van het kraanrecht werd uitgedrukt).
|
1770 |
138.13.0 |
|
1771 |
151.10.3 |
|
1772 |
Onbekend |
|
1773 |
Onbekend |
|
1774 |
164.9.9 |
|
1775 |
190.1.3 |
|
1776 |
135.9.0 |
|
1777 |
Onbekend |
|
1778 |
109.14.3 |
|
1779 |
253.6.9 |
|
1780 |
285.10.6 |
|
1781 |
458.1.9 |
Deze rekening vertoonde een lichte stijging van 1770 tot 1771. Deze zette zich verder in 1774 en 1775. Er ontstond een terugval in 1776-1778.
Vanaf 1779 was er bijna een verdubbeling van de cijfers. Deze stijging liep verder tot in 1780 en 1781.
G.3
Bij de ontvangst van het magazijnrecht werd de eenheid wel gegeven, het betrof hier guldens Vlaams courant.
|
1773 |
313.12.6 |
|
1774 |
2800.3.3 |
|
1775 |
Onbekend |
|
1776 |
2509.0.3 |
|
1777 |
2095.4.3 |
|
1778 |
1627.8.0 |
|
1779 |
Onbeken |
|
1780 |
3098.18.9 |
|
1781 |
4224.9.0 |
|
1782 |
4140.3.9 |
|
1783 |
4490.11.9 |
|
1784 |
Onbekend |
|
1785 |
3327.9.5 |
|
1786 |
3583.4.12 |
|
1787 |
2133.10.3 |
De magazijnrekeningen vertoonden een inkomstencijfer van 313-12-6 gulden Vlaams courant. In 1774 was dit toegenomen tot 2800 gulden. In 1776 was er nog een lichte stijging merkbaar tot 2509 guldens. In 1777-1778 was er echter een periode van mindere inkomsten aangebroken.
In 1781-82 en vooral 1783 bereikten deze cijfers hun hoogste pieken (boven de 4000 gulden voor elk van deze jaren). In 1785 lag de opbrengst onder de 4000 gulden (3327).
In 1786 was er een lichte toename tot 3500 gulden. Om in 1787 te dalen tot een ontvangst van 2133.10.3 gulden. [119]
Verdere informatie over de scheepvaartactiviteit tijdens het laatste kwart van de 18e eeuw levert de hr. Vanden Berghe, die de te Brugge afgeleverde zeebrieven heeft onderzocht.
Aantal zeebrieven afgeleverd te Brugge (1778 - 1787).