| Meisjesonderwijs te Brugge 1900-1930. (Mieke Brichaux) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK II: BRUGS ONDERWIJS IN DE NEGENTIENDE EEUW
1. De toestand van het onderwijs in West-Vlaanderen
De provincie West-Vlaanderen was op het eind van de negentiende eeuw een achtergesteld gebied op het vlak van onderwijs en alfabetisering. In 1866 telde deze provincie 58,42 procent ongeletterden. Enkel in Oost-Vlaanderen was het nog meer bedroevend gesteld met de alfabetiseringsgraad van de bevolking. Daar was 60,12 procent van de bevolking ongeletterd.[61] Meer cijfers over de alfabetiseringsgraad van de bevolking zijn terug te vinden in het onderzoek van Ingrid Cottens. De resultaten van dit onderzoek worden besproken in het derde deel van dit hoofdstuk.
In de laatste drie decennia van de negentiende eeuw werd het volksonderwijs in West-Vlaanderen degelijk uitgebouwd. Het aantal scholen steeg voelbaar, in 1893 telde West-Vlaanderen 547 scholen en in 1905 telde de provincie 716 lagere scholen.[62] Het aantal leerkrachten steeg in evenredigheid, van 1252 in 1893 naar 2091 in 1905.[63] Maar het aantal leerlingen steeg het meest spectaculair, van 64 746 in 1893 naar 103 792 in 1905.[64]
2. Economische toestand in de Brugse binnenstad.
Tijdens het laatste kwartaal van de negentiende eeuw heerste er in West-Vlaanderen een zware economische crisis. Niet alle industriële sectoren waren door deze crisis even zwaar getroffen. De landbouw leed onder de crisis maar dankzij enkele herstructureringen kon deze sector het hoofd boven water houden. De huisnijverheid werd het zwaarst getroffen, vooral de kantnijverheid kreeg het hard te verduren, omdat de vraag naar deze producten sterk gedaald was.[65] In deze kantnijverheid waren veel vrouwen actief, daarom vind ik het belangrijk hier dieper op in te gaan. De sociale toestanden in de kantnijverheid
De kantproductie vertegenwoordigde in de negentiende eeuw een groot deel van de inkomsten van de Brugse gezinnen. De kantnijverheid bleef, ondanks moeilijke omstandigheden, tot diep in de twintigste eeuw het hoofd boven water houden. In economisch moeilijke tijden werd de ‘spellenwerkster’, die meestal tot de laagste sociale klasse behoorde, gedwongen om telkens meer te produceren voor een lager loon. Desondanks bleef kant een luxeartikel waar de handelaars grote opbrengsten uit haalden. Het grootste deel van de opbrengst bleef aan de vingers kleven van enkele tussenpersonen.[66]
De mistoestanden in de kantnijverheid werden vooral veroorzaakt door interne gebrekkige communicatie. De grootste factor die zorgde voor de uitbuiting van deze arbeidsters was dat de arbeid hoofdzakelijk huisnijverheid betrof. Dit bood voor de Vlaamse vrouwen de mogelijkheid om een extra inkomen te verwerven dat ze konden combineren met het huishouden.
In de organisatie van de kantnijverheid speelden drie groepen een belangrijke rol; de kantwerksters, de koopvrouwen en de fabrikanten. De kantwerkster was enkel producent en stond op de laagste trap in het productieproces. De koopvrouw was de tussenpersoon en regelde de productie naar de wens van de fabrikant. Deze fabrikant was de laatste schakel in het productieproces en stond aan de top van de hiërarchische piramide.[67]
In haar werk maakt Martine Bruggeman een onderscheid tussen de verschillende vrouwen die in de kantnijverheid actief waren. De groep van kantwerksters bestond volgens haar uit verschillende soorten arbeidsters; beroepskantwerksters die geen huishouden hadden en huismoeders die hun dagtaak verdeelden tussen het huishouden en het kantklossen. Deze laatste groep vrouwen deelden hun dag op die manier in dat er nog tijd overbleef om te kantklossen. Door deze strikte dagindeling bleef voor de ‘spellenwerkter’ weinig vrije tijd over. Tenslotte was er een groep die aan kantklossen deed als amusement, de extra inkomsten die door dit tijdverdrijf veroorzaakt werden waren natuurlijk welkom.[68]
De kleine en middelgrote ondernemingen en de tertiaire sector deden het relatief goed. Ze konden op die manier het overschot aan arbeidskrachten in de agrarische sector recupereren. De stad Brugge had daarnaast te lijden onder de crisis die veroorzaakt werd door het faillissement van de Bank Dujardin. Het gemeentebestuur van Brugge zag een redding in het ontwerp van het project ‘Brugge-zeehaven’ maar men zou nog twintig jaar moeten wachten vooraleer dit in voegen zou treden.
De visserij, die de derde belangrijke sector was in de steek, bood weinig werk. Haar productie bleek niet te beantwoorden aan de nationale vraag, want de invoer van vis overtrof de uitvoer.[69]
3. Analfabetisme onder de Brugse bevolking
Ingrid Cottens berekende voor de periode 1750-1860 de graad van geletterdheid voor de West-Vlaamse bevolking. Een schematische uitdrukking van resultaten in procenten ziet er als volgt uit:[70]
|
PERIODE |
MANNEN |
MANNEN |
MANNEN |
VROUWEN |
VROUWEN |
VROUWEN |
|
|
Stad |
Platteland |
Totaal |
Stad |
Platteland |
totaal |
|
Ancien Regime |
60 |
50 |
55 |
52 |
44 |
48 |
|
Franse tijd |
56 |
57 |
51 |
43 |
35 |
39 |
|
Hollandse Tijd |
60 |
43 |
52 |
54 |
36 |
45 |
|
België |
67 |
52 |
59 |
54 |
48 |
51 |
Uit deze cijfers blijkt dat de West-Vlaamse mannen meer geletterd waren dan de vrouwen uit deze provincie. In de Belgische tijd bedroeg het aantal geletterde vrouwen in West-Vlaanderen 51 procent tegenover 59 procent geletterde mannen. In deze periode werd het voor meisjes niet zo belangrijk geacht om degelijk onderwijs te volgen. De jongens werden waarschijnlijk sneller naar school gestuurd dan de meisjes. Dit verklaart de achterstand die meisjes in die periode hadden op het vlak van onderwijs.
Een andere belangrijke conclusie die we uit dit onderzoek kunnen trekken is dat het platteland over het algemeen minder geletterd was dan de stad. Dit kan waarschijnlijk te wijten zijn aan de gebrekkige uitbouw van het onderwijs. De wet van 1842 probeerde dit probleem te verhelpen. Deze wet verplichtte iedere gemeente om een eigen school op te richten. Daardoor werden de plattelandsgemeenten gedwongen om werk te maken van een eigen onderwijsinstelling.[71]
Uit een studie van Callewaert over analfabetisme bleek dat dit fenomeen een veel voorkomend verschijnsel was.[72] Het analfabetisme lag zeer hoog, daarom wou Callewaert onderzoeken of dit een klassengebonden verschijnsel was. Hij deelde de bevolking in volgens bepaalde kenmerken: beroep, inkomen, economische situatie en levensgewoonten. Hij onderscheidde in zijn werk de volgende sociale klassen:
1. BOURGEOISIE
2. MIDDENKLASSE
3. AMBACHTSKLASSE
4. WERKLIEDEN
5. ZONDER BEROEP
Volgens Callewaert moeten de onderwijzers tot de middenklasse gerekend worden. Binnen deze categorie zijn 2090 analfabeten gerekend. Het aantal mensen dat hij tot deze categorie rekent vermeldt hij er spijtig genoeg niet bij.
De sociale klasse met het laagste ontwikkelingspeil was volgens het onderzoek van Callewaert de klasse van de werklieden. Hij legt dit lage ontwikkelingspeil in verband met de lage lonen die deze mensen uitbetaald kregen. De kinderen van deze werklieden bleven volgens Callewaert meestal ook analfabeet. Met het oog op deze lagere sociale klassen ging de gemeentelijke overheid de kosteloze scholen in de stad oprichten. De meeste scholen waren in het begin van de negentiende eeuw betalende scholen. Daardoor was het onderwijs voor de lagere sociale klasse meestal te duur, waardoor hun kinderen geen onderwijs konden volgen.[73]
B. Brugs lager onderwijs in de negentiende eeuw
1. De schoolstrijd
Op de vooravond van de schoolstrijd telde Brugge zeventien vrije instellingen, meestal voor meisjes. De bewaar - en adultenscholen van het vrije schoolnet telden de meeste leerlingen en waren daardoor kwantitatief de meerdere van de gemeentescholen. Te Brugge waren er 39 vrije bewaarscholen, waarvan er vijf werden bestuur door de ‘dames de la commission des écoles gardiennes libres’.[74]
Uit de cijfers die Jean-Marie Lermyte aangeeft in zijn artikel blijkt dat de het aantal gemeentescholen steeg in de periode na de invoering van de wet van 1842. Hij geeft aan dat in 1842 West-Vlaanderen 658 scholen telde. Van deze scholen was procentueel 27 procent een gemeenteschool, 36 procent een aangenomen school en 37 procent een vrije school. In 1878 was 48 procent een gemeenteschool, 24 procent een aangenomen school en 28 procent een vrije school.[75] Deze cijfers nuanceren op het eerste zicht het monopolie van de katholieke kerk op het onderwijs. In Brugge is een duidelijke opgang van het gemeentelijk onderwijs op te merken. Daar kom ik in het volgende onderdeel op terug.
In zijn artikel vermeldt Lermyte de verdeling van het aantal leerlingen per onderwijsnet. Hij geeft deze verdeling weer in percentages en hij vergelijkt 1842 met 1878.[76]
In 1843 zag die verdeling van de leerlingen per onderwijsnet in West-Vlaanderen er als volgt uit:
|
|
GEMEENTELIJK ONDERWIJS |
AANGENOMEN ONDERWIJS |
VRIJ ONDERWIJS |
|
Percentage jongens |
38,3 |
38,4 |
23,2 |
|
Percentage meisjes |
11,8 |
60,1 |
27,9 |
|
Totaal |
24,5 |
48,9 |
25,5 |
Uit deze tabel kunnen we afleiden dat de vrije scholen procentueel het minst aantal leerlingen hadden. Waarschijnlijk komt dit doordat het gemeentelijk onderwijs kosteloos was, vrije scholen waren te duur voor de gewone gezinnen. De jongens waren mooi verdeeld over de aangenomen en de gemeentelijke scholen. Meisjes gingen overduidelijk het meest naar een aangenomen school. Een mogelijk verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat aangenomen scholen meer onder hoede stonden van de katholieke kerk. Uit literatuur van verschillende werken bleek dat men meisjes liever naar katholieke scholen stuurde. Volgens mij speelt deze factor hier zeker mee.
In 1878 zag diezelfde verdeling er als volgt uit:
|
|
GEMEENTELIJK ONDERWIJS |
AANGENOMEN ONDERWIJS |
VRIJ ONDERWIJS |
|
Percentage jongens |
78,7 |
6,7 |
14,5 |
|
Percentage meisjes |
24,1 |
47,9 |
27,9 |
|
Totaal |
51,9 |
26,9 |
21,1 |
Het percentage leerlingen in het aangenomen onderwijs is in deze periode sterk gedaald in vergelijking met datzelfde percentage in 1842. Het gemeentelijk onderwijs kende in deze periode een ware opgang. Vooral het aantal jongens in het gemeentelijk onderwijs steeg sterk. Ook het aantal meisjes steeg in deze scholen, maar op een minder uitgesproken manier. De meisjes bleven overwegend naar de aangenomen scholen gaan. Het vrij onderwijs ging achteruit, zeker bij het onderwijs voor jongens is een sterke daling op te merken. Dit valt, volgens mij, te verklaren uit het feit dat de gemeentescholen kosteloos waren. Er gingen telkens meer jongens uit de lagere sociale klasse onderwijs volgen, waardoor het aantal jongens in het gemeentelijk onderwijs steeg.
Tussen 1878 en 1884 wou het Brugse stadsbestuur, onder impuls van burgemeester Visart, de liberale maatregelen van de regering en gouverneur boycotten. De wet van 1878 op de laïcisering van het onderwijs stuitte op verzet van het katholieke stadsbestuur. De Brugse bisschop J. Faict stuurde brieven rond waarin hij pleitte tegen het gemeentelijk onderwijs. Hij zette de parochiepriesters aan om alle middelen te gebruiken om het stadsonderwijs te ontvolken. Het aantal leerlingen per onderwijsnet bleef onduidelijk aangezien de cijfers door beide partijen regelmatig werden gemanipuleerd. Vanuit katholieke hoek probeerde men in te spelen op de schuldgevoelens van de leerkrachten, het effect van deze actie bleef echter onduidelijk.[77]
De liberale regering sloeg terug en liet in 1878 een vierde jongensschool en een nieuwe meisjesschool openen.
Na de schoolstrijd veroverden de katholieken de meerderheid in het parlement, dit had gevolgen voor het onderwijs te Brugge.[78] De katholieken veroverden opnieuw de macht over het onderwijs binnen de stad. Daardoor kwam het katholieke onderwijs opnieuw op de voorgrond, de katholieke zuil gaf zichzelf uiteraard alle voordelen. Door de expansie van het katholiek onderwijs werd het stedelijk onderwijs gefnuikt in haar ontwikkelingskansen. Voor meisjes bleef enkel de school in de Ganzestraat bestaan. Er bleven nog drie gemeentelijke jongensscholen bestaan: ‘Sarepta’ aan de Lange Rei, ‘De Rame’ in de Jeruzalemstraat en ‘de Bolle’ in de Mortierstraat.[79] De gemeente nam wel een uitgebreid aantal scholen aan, waardoor de invloed van het gemeentelijk onderwijs enigszins aanwezig bleef.
2. Het gemeentelijk lager onderwijs
2.1. Algemeen beleid
Brugge telde in het begin van de negentiende eeuw talrijke grote en kleine scholen, deze scholen werden gefinancierd door de stad of stonden op eigen benen. De scholen die volledig van stedelijke initiatieven afhankelijk waren stonden bij de bevolking bekend als ‘stadsarmejongens- en meisjesscholen’. In die scholen konden de leerlingen gratis onderwijs verkrijgen.[80]
Uit een rondschrijven op 11 november 1828 van de schoolopziener leren we dat de minister van onderwijs de wens uitsprak om ‘eenen speciale en eigene stadsarmeschool op te rigten’.[81] In datzelfde jaar telde de stad ongeveer 2600 behoeftige kinderen tussen vijf en dertien jaar. Voor 1400 jongens bestond geen school, behalve de school van Broeders van Liefde.
Voor meisjes bestond er wel onderwijs; de leerwerkhuizen of leerscholen waar ze leerden textiel te verwaardigen. Daarnaast bestonden er kantscholen, zoals de beroemde De Foereschool.[82]
De eerste stedelijke jongensschool werd in 1829 opgericht, de Commissie der Burgerlijke godshuizen stelde voor de nieuwe school een lokaal beschikbaar. Omdat deze school een groot succes kende werd in 1839 stadsschool nummer 2 voor jongens opgericht in de Mortierstraat. Deze school stond bij de lokale bevolking bekend als ‘De Bolle’. Niettegenstaande de opening van deze nieuwe scholen diende men door het hoge leerlingenaantal de lokalen in de stadshallen te gebruiken. De gemeenteraad beschouwde de lokalen in de Hallen als ‘pour servir de moyen à la 3ième école’. Men had duidelijk behoefte aan een nieuwe gemeenteschool voor jongens. In 1841 opende de derde stadsarmenschool zijn deuren, deze school noemde men onder de bevolking ‘De Rame’ en bevond zich in de Ganzenstraat.[83]
Doorheen de negentiende eeuw bestonden binnen de Brugse binnenstad verschillende scholen die door de gemeente werden gefinancierd. Het Bureau van Liefdadigheid zorgde voor een stijging van het leerlingenaantal. Dit blijkt uit het werk van Hilde Vanden Berghe ‘Parmi les inscrits on compte 1809 élèves dont les parents sont devenus par le Bureau de Bienfaisance et 662 dont les parent ne reçoivent pas des secours’.[84] Vanuit het College van Burgemeester en schepenen werden verschillende initiatieven ondernomen om behoeftige kinderen te helpen. Tijdens de winter gaf het gemeentebestuur de opdracht klompen en zakken onder de leerlingen uit te delen.
In 1842, na uitvaardiging van de eerste wet op lager onderwijs[85], waren reeds drie stedelijke jongensscholen in de binnenstad aanwezig. Het gemeentebestuur vond dit aantal voldoende en ging toen niet over tot de oprichting van nieuwe scholen. Het volksonderwijs werd in de stadsarmenscholen onderwezen, de gegoede klasse stuurde haar kinderen naar betalende scholen die ver buiten het bereik lagen van de volksklasse.[86] Het kwam echter niet bij hen op dat in hun stad nog altijd geen gemeentelijke meisjesschool aanwezig was. De oprichting van een stedelijke meisjesschool leek op dat moment nog geen prioriteit voor het gemeentebestuur. Het zou nog een tijdje duren voordat de gemeente een meisjesschool zou oprichten.[87]
Voor meisjes bestonden er de ‘écoles adoptées’, dit waren katholieke scholen die de gemeente mocht aannemen en controleren. Tot deze aangenomen scholen rekende men vier meisjesscholen; de zusters Apostolinen, de Coletienen, de Maricolen en de Jozefienen; en één jongensschool; de Broeders van Liefde.[88] Blijkbaar liet het gemeentebestuur de meisjesscholen liever in handen van het vrij onderwijs. Over het statuut van de aangenomen scholen lag het gemeentebestuur regelmatig in discussie. Sommigen verkondigden de stelling dat ‘Il n’existe à Bruges qu’une seule école adoptée, celle des Frères de la Charité’.[89] Deze stelling zorgde voor veel controverse binnen de gemeenteraad die doorheen de negentiende eeuw bleef aanslepen. Zorgde deze visie voor een slechtere behandeling van het meisjesonderwijs? Hierover blijft het artikel van Hilde Vanden Berghe onduidelijk.
Het Brugs stadsbestuur toonde een groeiende belangstelling voor onderwijs, die interesse werd bepaald door politieke motieven. De Brugse politici hadden er belang bij om de sympathie van de bevolking te winnen. Daarnaast was er een ingreep van de regering Rogier-Frère-Orban waardoor de gemeenten verplicht werden om het aantal meisjesscholen op te voeren. De eerste gemeentelijke meisjesschool werd in 1860 opgericht onder leiding van Jeanette Jacobs. Deze school bevond zich tussen de Sint-Jacobs en de Naaldenstraat. Vijf jaar later werd de tweede meisjesschool opgericht in de Ganzenstraat, naast de jongensschool. De school stond onder leiding van Lucie Engels, zij had al ervaring met stedelijk onderwijs in Antwerpen.[90] Tenslotte besliste men in 1874 om een derde gemeentelijke meisjesschool op te richten langs de Lange Rei. Deze school noemde men onder de bevolking ‘Sarepta’.[91]
De oprichting van deze scholen had gevolgen voor het meisjesonderwijs in de binnenstad. Het aantal aangenomen meisjesscholen verminderde aanzienlijk, te Brugge werden vijf aangenomen scholen omgevormd tot vrije scholen. Als gevolg hiervan waren er in het arrondissement Brugge in 1878 twintig gemeentelijke jongens-, negen meisjes- en acht gemengde scholen en zes aangenomen scholen voor meisjes en één voor jongens.[92]
Maar de katholieken zullen snel het overwicht op het onderwijs binnen de gemeente overnemen. Kinderen uit gegoede families volgden privaatonderwijs bij de katholieke instellingen, waardoor het gemeentelijk onderwijs een groot deel van haar publiek verloor. Daarnaast had het Brugse stadsbestuur weinig ambitie om een eigen school op te richten. In het algemeen had de bevolking meer vertrouwen in de onderwijsactiviteiten van parochies en religieuze orden.[93]
2.1.1Vergelijking tussen gemeentelijk onderwijs voor meisjes en voor jongens
Zoals eerder aangegeven werd het kosteloos meisjesonderwijs later opgericht dan het kosteloos jongensonderwijs. De opleiding voor meisjes lag voor de oprichting van deze instelling grotendeels in handen van religieuze congregaties. De meisjes werden in deze privé-scholen getraind in typisch vrouwelijke vaardigheden. In de Brugse binnenstad ontstond het fenomeen van de kantscholen, zoals de school van Leo De Foere in de Sint-Annaparochie.[94]
Hilde Vanden Berghe stelt in haar werk dat het jongensonderwijs van het gemeentebestuur meer aandacht kreeg dan het meisjesonderwijs. Ze beargumenteert deze stelling met het feit dat de gemeentelijke jongensscholen aanzienlijk vroeger werden opgericht dan de meisjesscholen. De jongensscholen telden daarnaast meer leerlingen dan de meisjesscholen. Dit betekent niet dat Brugse meisjes in de negentiende eeuw geen onderwijs volgden. Ze volgden over het algemeen onderwijs in de religieuze instellingen.[95] Op deze instellingen zal ik later terugkomen.
In het midden van de negentiende eeuw lieten veel meisjesscholen, die door religieuze congregaties geleid werden, jongens toe. M. de Corte, de toenmalige diocesaan inspecteur en afgevaardigde van de Bisschop van Brugge, zag niet in waarom de congregaties betalende jongens zou weigeren als ze behoeftige jongens aanvaardde. De seksescheiding binnen het onderwijs bleef toch een feit: er was een verschillende ingang, andere leerkrachten en de jongens bleven slechts tot de eerste communie. In sommige gemeentescholen kregen jongens en meisjes les van dezelfde leerkracht, er was slechts één ingang voor de school en iedereen kon er les volgen tot zestien of zeventien jaar. Deze maatregelen waren ondenkbaar in het katholiek onderwijs.[96]
Hilde Vanden Berghe stelt in haar licenciaatsverhandeling dat arme meisjes meestal les volgden in de niet betalende afdelingen van religieuze congregaties. In deze scholen waren de onderwijsmethoden van lage kwaliteit.
2.1.2 De leerkrachten en hun sociale afkomst
Uit onderzoek bleek dat de mannelijke en vrouwelijke leerkrachten uit een aparte sociale klasse afkomstig waren. Frank Simon nam in zijn werk aan dat de mannelijke leerkrachten voornamelijk afkomstig zijn uit de lagere sociale klassen. In dit werk stelt hij:
‘Recrutering uit de arbeidersklasse bleek echter zeldzaam te zijn. Beursaanvragen wezen erop dat vele gezinnen niet de middelen bezaten de onderwijsstudies te bekostigen. Het geringe aantal vaders, stemgerechtigd in het censitaire kiesstelsel, bevestigen trouwens deze stelling. Slechts twee derde van de vaders oefenden slechts één beroep uit. De pas afgestudeerde onderwijzers stamden daarenboven uit gezinnen, die gemiddeld 7-8 kinderen telden, allen ten laste van het gezinshoofd. Opmerkelijk daarbij was het hoge aantal normaalstudenten van wie de moeder weduwe was.’[97]
Uit brieven waarin normaalschoolstudenten een studiebeurs aanvroegen bleek dat deze studenten uit de vroegere stadsarmenscholen afkomstig waren. De brieven werden meestal geschreven door de moeders van deze studenten. Soms werden jongens uit hetzelfde gezin onderwijzer, waarschijnlijk om de kosten van de studie te drukken.
Soms oefenden onderwijzers in de eerste helft van de negentiende eeuw een bijberoep uit om hun loon aan te vullen. Hieruit blijkt dat de lonen van onderwijzers in deze periode laag lagen.
Over de sociale positie van onderwijzeressen is men in studies over deze periode behoorlijk onduidelijk. Men is er in de bronnen wel over eens dat de onderwijzeressen een hogere sociale positie kenden dan hun mannelijke collega’s.[98]
3. Het katholieke net
In dit onderdeel ga ik zowel in op de instellingen voor jongensonderwijs als de instellingen voor meisjesonderwijs. Op die manier is het onderscheid tussen zowel jongensonderwijs als meisjesonderwijs duidelijk te schetsen. Over de katholieke lagere scholen werd niet veel informatie bewaard. De instellingen waarover informatie bewaard werd werden in dit werk opgenomen.
3.1 Het bisschoppelijk beleid
Door de grondwet werd de vrijheid van onderwijs in het prille België wettelijk vastgelegd. Dit betekende dat het onderwijs in het begin van de negentiende eeuw een monopolie van de katholieke kerk was. Door de eerder aangehaalde wet van 1842 werd dit monopolie nog versterkt.
Vanuit antiklerikale hoek kwam veel kritiek op dit monopolie van de katholieke kerk. De tegenstanders argumenteerden dat de katholieken een te grote macht hadden op het onderwijs. Om die macht te breken wilden ze hun eigen net verstevigen. Ze namen maatregelen om het gemeentelijk onderwijs beter uit te bouwen. Die maatregelen stuitten op verzet uit katholieke hoek, wat resulteerde in de schoolstrijd.
De katholieke kerk bleef niet achter bij het nemen van allerlei maatregelen om haar dominante positie te versterken. De Brugse bisschop nam allerlei maatregelen waardoor de positie van het katholiek onderwijs versterkt werd. Hij kon dit principe waar maken door de volgende maatregelen in te voeren.
Nog voor de wet van 1879 goedgekeurd werd lanceerde de bisschop het principe van ‘unusquisque parochus habeat suam scholam’ (in iedere parochie een katholieke school).[99]
Mgr. Faict organiseerde op 16 januari 1880 de vrije schoolinspectie in zijn bisdom. Per decanaat werden twee geestelijke schoolinspecteurs aangesteld die het katholiek onderwijs moesten controleren. In het aartsbisdom Brugge werd één inspecteur aangesteld. De bisschop stelde daarnaast ook leken aan die moesten instaan voor drie of vier decanaten.[100]
Er werden door de bisschop allerlei organisaties opgericht die het katholiek onderwijs geldelijk moesten ondersteunen. Aan het hoofd van het bisdom kwam een bisschoppelijk schoolcomité, in ieder decanaat werd een decanaal comité opgericht en iedere parochie kende een parochiaal comité. Ieder comité bestond uit geestelijken en leken die moesten toezien op de organisatie van het katholiek onderwijs. Op aandringen van de bisschop werden alle katholieke schoolcomités op 29 november 1879 definitief opgericht.[101]
Op 4 september 1879 publiceerde de bisschop van Brugge de ‘Instructiones practicae’. In dit werk veroordeelde hij alle leerkrachten, leerlingen en de ouders die hun kinderen aan deze scholen toevertrouwden. Toch trachtte de bisschop om de storm een beetje te temperen. Hij vroeg aan zijn clerici om de liberale wet niet te zwaar aan te vallen vanuit de preekstoel. Ze zouden kunnen in aanvaring komen met artikel 268 van het strafwetboek, wat zou kunnen leiden tot een veroordeling.[102]
Voor de schoolstrijd liet de katholieke overheid zich niet in met de inhoud van het onderwijs. Op 28 februari 1880 kondigde Mgr. Faict een algemeen leerprogramma af. Dit leerprogramma hield de volgende vakken in: ‘Katholieke godsdienst en zedenleer, lezen, schrijven, hoofd - en cijferrekenen, het wettig stelsel van maten en gewichten, moedertaal, vaderlandse geschiedenis, aardrijkskunde, tekenen, zang en in de meisjesscholen naai – en breiwerk vormden de verplichte vakken, maar met de toestemming van de inspectie kon dat pakket uitgebreid worden.’[103] Het godsdienstonderwijs werd in deze periode sterk gereglementeerd. De leerkrachten moesten twee maal per dag godsdienst onderwijzen op vaste uren, het eerste uur ’s morgens en het eerste uur ’s middags. De bisschop schreef de morgen – en avondgebeden voor die in de klassen dagelijks moesten opgezegd worden. Men beargumenteerde deze maatregelen als volgt: ‘De godsdienstige en zedelijke opvoeding wordt overal ter herten genomen; de onderwijzer is er gestadig mede bezig, en met iever neemt hij alle gelegenheden te baat om de grondbeginselen van godsdienst en zedenleer te ontwikkelen.’[104]
In 1880 werd de eerste katholieke schoolconferentie in West-Vlaanderen georganiseerd. De plaats van dit gebeuren was Roeselare. Deze conferenties bestonden uit theoretische uiteenzettingen en praktische leeroefeningen. De leerkrachten moesten thuis werken bespreken, zoals de drie bisschoppelijke brieven tegen het wetsontwerp van 1879.[105] Uiteraard moesten ze zich uitspreken ten voordele van het standpunt van de bisschop.
Het Sint – Gregoriusblad werd vanaf 1880 uitgegeven als ‘orgaan der katholieke scholen’. In dit tijdschrift werd elk vak benaderd vanuit een godsdienstig – zedelijk standpunt. Men hoopte aan de hand van deze aanpak van de schoolvakken het volgende te verkrijgen: ‘eenen afkeer voor de nuttelooze uitgaven, voor de geldverkwistingen, voor de dronkenschap en andere ondeugden, die niet alleen hunne ziel maar ook hunne stoffelijke belangen schadelijk zijn.’[106]
Het katholieke verzet had grote gevolgen voor het onderwijs in West-Vlaanderen. Lermyte geeft in zijn artikel aan dat door de negatieve houding van de bisschoppen het gemeentelijk onderwijs een slechte bijklank kreeg. Nagenoeg 60 procent van de leerlingen verliet op het eind van de jaren 1880 het gemeentelijk onderwijs. Dit komt neer op twee derden van de jongens en een derde van de meisjes die voordien naar de gemeenteschool gingen.[107]
Op 15 december 1880 telden de West-Vlaamse katholieke scholen 34 584 jongens en 38 580 meisjes. Als we dit vergelijken met het aantal leerlingen in het gemeentelijk onderwijs, volgde 75 procent van de jongens en 85 procent van de meisjes katholiek onderwijs.[108]
We kunnen stellen dat de maatregelen die de katholieke kerk in het kader van de schoolstrijd gedaan heeft niet zonder resultaat waren. Er was als het ware een nieuwe, triomfantelijke opgang van het katholiek onderwijs op te merken. Tegen eind 1885 werd een derde van alle West-Vlaamse gemeentescholen afgeschaft. Een andere overwinning van het katholiek onderwijs op het officieel onderwijs was de wet van 1895. Door die wet werd het begrip ‘aanneembare school’ anders ingevuld, het werd ‘een vrije school die door de gemeente niet was aangenomen, maar omdat ze toch aan allerlei voorwaarden daartoe voldeed, voortaan door de staat zou gesubsidieerd worden.’[109]
3.2 Andere soorten katholiek onderwijs
3.2.1 De zondagsscholen
Het fenomeen van de zondagsscholen ontstond door de Concilie van Trente (1545-1563). In deze concilie besliste men om een beter godsdienstonderricht te geven. Op die manier was het mogelijk om de ‘geuzenrij’ tegen te bestrijden. Door de provinciale concilies van Mechelen (1570 en 1574) werd aangedrongen om parochiale zondagsscholen op te richten voor het behoud van het geloof en van de goede zeden.
De bestaande godsdienstscholen werden opengesteld op zon – en feestdagen, op die manier hoopten de religieuze leiders de arme jeugd te bereiken. Het was de bedoeling om het godsdienstonderwijs in de moedertaal te doceren en daarbij geleidelijk lezen en schrijven te onderwijzen.[110]
In de negentiende eeuw kenden de zondagsscholen in Brugge een groot succes. De schooltjes kampten met een huisvestingsprobleem. Ze vonden geen plaats om de scholen op te richten en ze waren meestal toegewezen op donaties van rijke gelovigen. Zo schonk een telg uit de familie de Schieter Van Caprycke een gebouw in de Nieuwe Gentweg, waar een zondagsschool zijn intrek mocht nemen.[111]
De bisschop van Brugge was tevreden met de inzet van zijn geestelijkheid op het gebied van onderwijs na 1830. In 1845 hadden, volgens zijn cijfers, bijna 200 West-Vlaamse gemeenten een zondagsschool onder hun hoede. Aanvankelijk waren deze scholen enkel bedoeld voor het catechismusonderwijs maar men voerde later algemene vakken in. [112]
In 1875 bezat Brugge drie zondagsscholen met ongeveer 4600 leerlingen. De leerlingen, die tussen 7 en 12 jaar oud waren, werden voorbereid op hun eerste communie. Ze hadden in de voormiddag les van 8u30 tot 11 uur en moesten de mis bijwonen.
Na de lessenreeks werden de leerlingen onderworpen aan een algemene overhoring van de ‘catechismus’. Als de communicanten de proef ‘met ere’ doorstonden betekende dit dat de betreffende leerling de antwoorden op de vragen letterlijk uit het hoofd kende. Als aanmoediging voor deze proef werden er prijzen uitgereikt. Gerrit De Waele geeft in zijn werk aan dat de prijzen democratisch verdeeld werden: ‘voor de jongens: 80 vesten, 188 broeken, 758 sjerpen, 90 zakdoeken; voor de meisjes: 266 broeken, 76 kleedjes, 37 rokken, 200 voorschoten…er waren nog 2226 hemden, samen 3921 beloningen, zonder gewag te maken van de uitdeling van 3000 broden, 3000 koeken, 200 zakken kolen.’[113] Hierbij wil ik bemerken dat in de bron die De Waele aangeeft geen melding gemaakt wordt van een soort verdeelsleutel. Het is onduidelijk in welke verhouding deze prijzen verdeeld worden, dan pas zouden we kunnen oordelen of de prijzenuitreiking democratisch was.
De leerlingen die reeds hun eerste communie gedaan hadden volgden les in de namiddag van 1u45 tot 4u. Naast godsdienstonderricht werden ze onderwezen in algemene vakken: lezen, schrijven en het opstellen van brieven.[114]
3.2.2 De kantscholen
Brugge staat tegenwoordig bekend voor haar kantwerk, vele toeristen kopen graag het dure kantwerk als souvenir voor het thuisfront. Het kantwerk dat deze toeristen aankopen werd niet in Brugge geproduceerd. In de negentiende en begin twintigste eeuw daarentegen was de kantnijverheid voor veel vrouwen uit de lagere sociale klasse een bittere realiteit. Het oprichten van kantscholen voor de meisjes uit deze klassen werd daardoor als noodzakelijk geacht om de kwaliteit van hun werk te verbeteren.
Het onderwijs in het kantwerk kende reeds een lange geschiedenis. Men vond bronnen terug uit de zestiende eeuw waarin de kantscholen reeds vermeld werden.[115] In de negentiende eeuw bestonden verschillende instellingen om het kantklossen aan te leren. Als het meisje oud genoeg was kon ze in de leer gaan in een ‘spellenwerkstersschool’. Deze scholen waren ruimschoots aanwezig in de Brugse binnenstad. De meisjes leerden er de belangrijkste patronen klossen. Soms was er aan deze ‘spellenwerkstersschool’ een ‘leerschool’ verbonden waar de meisjes de meest elementaire beginselen van lezen, schrijven en rekenen zich konden eigen maken.[116] Naast een summiere opleiding kregen de meisjes een christelijk gerichte opvoeding, dit was zelf het geval in de lekenscholen. Alle kantwerkscholen stonden onder het toezicht van de lokale pastoor, wat de invloed van de katholieke kerk in onderwijsinstellingen groter maakte. De inspectie die toezicht hield op deze scholen stond eveneens onder toezicht van de pastoors. Eigenlijk kunnen we invloed van de kerk op deze schooltjes niet onderschatten.[117]
3.2.2.1 Privé-instellingen
Deze scholen waren de eigendom van alleenstaande dames die enkele meisjes leerden kantwerken. Doordat het onderwijs op kleine schaal gebeurde is het moeilijk om dit te reconstrueren aan de hand van de bronnen. Het kantwerk werd hen gratis aangeleerd maar in ruil voor het geleverde materiaal moesten de meisjes twee jaar of meer werken in dienst van de lerares. De schooljuffrouw probeerde zoveel mogelijk profijt te halen uit haar leerlingen.
De kantschooltjes werden terecht door hun tegenstanders gezien als haarden van kinderarbeid. Ze werkten, net als de leerwerkhuizen, een grote discussie in de hand.[118]
3.2.2.2 Kantschool van de Zusters Apostolinnen
Deze zusters wilden arme meisjes tegen zielsgevaren behoeden en wilden deze kinderen een verantwoorde opvoeding geven. Rond 1900 bezaten de Zusters twee kantscholen, één in de Jeruzalemstraat en een andere in de Molenmeers. Beide scholen waren populair aangezien ze toen samen 400 leerlingen telden.
De leerlingen werden onder druk gezet om te produceren aan de hand van straffen en beloningen. Als men overdag niet goed doorkloste en het werk niet af was werd de schort van het meisjes op het werk gelegd. De leerlinge moest dan zonder schort naar huis gaan, wat voor haar een grote schande was. Daarnaast betekende dit dat het beoogde loon op het eind van de maand niet uitbetaald zou worden, wat een nog groter drama was.[119]
Het leergeld in de Jeruzalemschool bedroeg 1,75 frank per maand. De school in de Molenmeers daarentegen was voordeliger voor de leerlingen, daar bedroeg het schoolgeld 1,25 frank.[120] Als dit vergelijken met de prijzen van het Koninklijk Instituut Spermalie blijkt dat de kantscholen behoorlijk democratisch ingesteld zijn.[121]
3.2.2.3. De Foereschool
Léon de Foere was vanaf 1810 priester in de Sint-Annaparochie te Brugge. Door zijn werk kwam hij in contact met de zware armoede en sociale wantoestanden die in zijn parochie heersten. Hij besloot daarom om in zijn parochie een kantschool op te richten. In die periode bestonden reeds enkele kantscholen, toch was een school met een caritatieve instelling nog niet aanwezig in de stad.[122] Deze priester had naast zijn aandacht voor het onderwijs eveneens aandacht voor het politieke gebeuren. Hij was voorstander van een maatschappij waar het gezag van de kerk kon waargemaakt worden zonder staatsinmenging. Deze ideeën publiceerde De Foere in zijn tijdschrift ‘Spectateur’, de opbrengst van dit tijdschrift werd volledig besteed aan de kantschool.[123]
Léon de Foere wou een werkhuisschool voor volksmeisjes oprichten waarin ze ‘ontvangen worden om kosteloos opgebragt te worden in de grondregel der religie en de christelijke zedeleer, als ook het aanleren van een ambacht, waervan alle winst aen hunne ouders zou overgemaekt worden.’[124]
Op 13 augustus startte de school onder leiding van zeven zusters van Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart. De school was enkel toegankelijk voor kinderen van ouders die werden gesteund door het Bureau van Weldadigheid. Door zijn politieke opvattingen werd de Foere uiteraard regelmatig op de korrel genomen, hij werd in 1817 zelf gearresteerd. Na twee jaar gevangenschap kwam hij uiteindelijk weer vrij. Tijdens zijn afwezigheid was de school uitgegroeid tot een bloeiende instelling. Daardoor gingen enkele zusters zich vestigen in de Garenmarkt waar ze een ‘Arme meisjesschool’ oprichtten.
Door de schoolwet van 1883 werd de school op de Garenmarkt opnieuw gesloten. De wezen verhuisden en de zusters gingen in de Paalstraat wonen. Op het eind van de negentiende eeuw kende de Foereschool nog steeds succes. De school telde 160 leerlingen en stond onder leiding van zes religieuzen.[125]
C. Het middelbaar onderwijs voor meisjes in de negentiende eeuw.
Zowel liberalen als katholieken stelden een groot belang in de uitbouw van een eigen schoolnet. Men wou jongeren met de eigen ideologie doordringen, om als ze hun intrede in de maatschappij maakten de ideologische peiler zouden verdedigen.
In alle ideologische peilers werd belang gehecht aan de uitbouw van een eigen meisjesonderwijs. Men zag vrouwen als de draagsters van de cultuur omdat ze de behoedsters waren van het gezin. Via de opvoeding zouden vrouwen de standpunten van de eigen ideologie verdedigen. Haar levensbeschouwingen werkten als een soort richtingsaanwijzer voor de opvattingen van het ganse gezin. In dit licht is het begrijpelijk dat de verschillende netten een strijd zouden starten met als inzet ‘de ziel van het kind’.[126]
1.Het middelbaar onderwijs georganiseerd door de overheid
De liberale regering onder leiding van Charles Rogier wou tussen 1847 en 1852 een eind stellen aan het monopolie van de katholieke kerk op het middelbaar onderwijs. Ze moesten met lede ogen aanzien hoe de katholieke kerk alsmaar meer macht op het onderwijs ging verwerven. Om daar een eind aan te stellen werd op 1 juni 1850 een wet van kracht die hieraan een eind zou stellen. Er werden tien koninklijke athenea en vijftig rijksmiddelbare scholen opgericht. Mits staatstoezicht kregen de gemeenten de toelating om zelf middelbaar onderwijs op te richten of een vrije school aan te nemen.[127] De regering was de enige instelling die de leerkrachten in athenea of rijksmiddelbare scholen mocht benoemen. Men controleerde deze onderwijsinstellingen aan de hand van inspecteurs en een plaatselijk administratief bureau. Dit bureau mocht advies geven in verband met de leerboeken en had inspraak in de benoemingen van leerkrachten.[128]
Deze maatregelen konden rekenen op een groot verzet vanuit de clerus. Ze hadden het er moeilijk mee dat ze geen inspraak kregen in de benoeming van leerkrachten. De geestelijken werden enkel aangesteld om het godsdienstig onderwijs in de rijksnormaalscholen te verzorgen.[129] De clerici hadden het er waarschijnlijk moeilijk mee dat hun invloed op het onderwijs door deze maatregelen aan banden werd gelegd.
Op 9 juni 1852 verloren de liberalen de meerderheid in het parlement. De katholieke kerk kreeg door deze gebeurtenis meer inspraak in de vorming van het onderwijs. Regionaal werden er akkoorden gesloten tussen de katholieke overheid en de athenea. Dit gebeurde onder meer in Antwerpen, deze overeenkomst stond later bekend als de ‘conventie van Antwerpen’.
De wet van 1 juni 1850 voorzag geen inrichting van middelbaar onderwijs voor meisjes. De meisjes bleven aangewezen op privé – scholen en religieuze instellingen. De scholen geleid door zustercongregaties waren voor meisjes een wijd verspreid fenomeen. De overheid had weinig controle op deze soort van onderwijs, omdat hier geen inspectie vanwege de overheid aanwezig was. De kerkelijke overheid had enkel oog voor het religieuze aspect van de opvoeding voor deze meisjes. Een eerder theoretische opleiding leek voor de overheid geen prioriteit voor het meisjesonderwijs.
De privé – scholen bestonden naast de eerder aangehaalde scholen die geleid werden door zustercongregaties. Deze privé-scholen waren ontstaan op particulier initiatief en waren door het hoge schoolgeld niet toegankelijk voor leerlingen uit lagere sociale klassen. Het middelbaar onderwijs voor meisjes stond inhoudelijk op een laag niveau. Het onderwijzend personeel was niet degelijk opgeleid voor haar taak omdat de opleiding voor onderwijzeressen stond nog niet op punt stond. In 1849 bestonden slechts tien onderwijsinstellingen die officieel erkend werden als opleidingsinstituten voor onderwijzeressen.[130]
Vanuit zowel vrijzinnige als vanuit feministische hoek reageerde men op deze mistoestanden in het meisjesonderwijs. Onder meer Isabelle Gatti de Gamond protesteerde hiertegen door een eigen middelbare school voor meisjes op te richten (zie supra). Deze school was de eerste middelbare school in België die gesticht werd vanuit een gemeentelijk initiatief. Er kwam kritiek op de instelling vanuit katholieke hoek omdat er geen godsdienstonderwijs werd gegeven.
De wet van 1 juni 1850 gaf weinig middelen om het meisjesonderwijs te verbeteren. In deze wet gaf artikel 28 de staat de mogelijkheid aan de gemeenten en provincies om subsidies te verlenen voor het onderwijs. In januari 1870 werd het voorstel geformuleerd om vanuit de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken 50 000 frank te spenderen aan het middelbaar rijksonderwijs voor meisjes.[131]
Toen de katholieken in datzelfde jaar aan de macht kwamen maakten ze deze maatregel ongedaan. Kervijn de Lettenhove, de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken formuleerde het als volgt: ‘ … de meisjesscholen waaraan de subsidies ten goede moesten komen, slechts gezien konden worden als lagere scholen met voortgezet programma, waardoor ze dus onder de wet op het lager onderwijs van 1842 vielen.’[132] Uit dit commentaar blijkt dat de katholieken niet hoog opliepen met het middelbaar onderwijs voor meisjes, ze stellen het zelf gelijk aan lager onderwijs. In de praktijk was dit waarschijnlijk het geval, omdat de middelbare scholen voor meisjes zo’n bedroevend laag niveau kenden.
In 1878 kwamen de liberalen opnieuw aan de macht, waardoor ze hun progressieve maatregelen voor het onderwijs opnieuw konden verder zetten. Er werden maatregelen genomen die het meisjesonderwijs kwalitatief moesten verbeteren. Enkel scholen die inspectie vanwege de overheid toestonden kregen een subsidie toegekend, de scholen kregen een officieel leerprogramma voorgeschoteld, er werden officieel erkende schoolboeken ingevoerd en de scholen moesten een financieel verslag kunnen voorleggen.
Door een latere wet van 1881 werd de vorming van de leraressen geïnstitutionaliseerd. In Luik ontstond de eerste normaalschool voor regentessen.[133]
In West-Vlaanderen was de toestand van het middelbaar meisjesonderwijs volledig in handen van het katholieke net. Dit bleek uit de cijfers die Marijke Verbeke aangeeft over het middelbaar meisjesonderwijs in 1881.[134] Ze telde het aantal middelbare meisjesscholen in deze periode en deelde ze in per ideologische strekking.
|
PROVINCIES |
Gemeentelijke school door de staat gesubsidieerd |
Gemeentelijke school niet door de staat gesubsidieerd |
School geleid door religieuze congregatie |
School geleid door leken |
Totaal aantal instellingen |
|
Antwerpen |
|
|
9 |
4 |
13 |
|
Brabant |
4 |
2 |
24 |
10 |
40 |
|
West-Vlaanderen |
|
|
20 |
2 |
22 |
|
Oost-Vlaanderen |
|
|