Studie van de Belgische brouwerijsector. (Frederick Vanneste)

 

home lijst scripties inhoud  

 

1. Inleiding

 

Iedere Belg drinkt wel eens graag een biertje want het maakt deel uit van onze cultuur. De brouwerijsector is een begrip in de Belgische economie, de enige grote Belgische multinational is dan ook niet toevallig een brouwerij. We merken al snel dat België het centrum is van de brouwerijsector omdat bijna alle grote brouwers zich in België en zijn buurlanden gevestigd hebben. De reden hiervoor heeft alles te maken met de geschiedenis van de sector.

De laatste jaren komt de sector steeds in het nieuws met overnames. Maar overnames worden enkel gedaan om er voordelen uit te halen, meestal om kosten te drukken door bepaalde afdelingen samen te voegen. Dit heeft natuurlijk een gevolg voor de werkgelegenheid.

Vroeger vond je bijna geen Belgisch bier in het buitenland, maar door het ontstaan van grote brouwerijgroepen en een verbeterde infrastructuur, is bier een exportproduct geworden.

Er zijn een aantal ingrijpende veranderingen aan de gang in de sector. Er is de consolidatie van de sector, er zijn de belangrijke technologische evoluties en ook de voorkeuren van de consument zijn erg veranderlijk.

Van jongs af aan ben ik reeds geïnteresseerd in alles wat met brouwen te maken had. Daarom heb ik dan de richting gevolgd van industrieel ingenieur biochemie optie brouwerij. Vandaar was het voor mij dan ook maar een kleine stap om dit onderwerp te behandelen.

Omdat het economische aspect van de sector nooit aan bod gekomen is in mijn studies van industrieel ingenieur, probeer ik via dit werk me vertrouwd te maken met dit aspect.

In dit werk zal ik proberen een beeld te schetsen de Belgische brouwerijsector.

 

 

2. Geschiedenis

 

2.1. Oudheid

 

“De eerste bierbrouwers vind je 9000 jaar geleden terug in Mesopotamië, tussen de Tigris en de Eufraat. In het zuiden van Mesopotamië lag Sumerië, waar archeologen kleitabletten uit 3000 voor Christus gevonden hebben met in spijkerschrift het oudste brouwrecept ter wereld.” [1] Het bier en de wijze waarop dit gemaakt werd, is echter niet zoals we dat nu kennen. Men bakte een soort brood van emmer (soort tarwe), dat aan de buitenkant gaar was, maar van binnen nog week. Men liet het brood weken in water en liet het gisten. [2] Nadat Babylon Sumerië veroverd had, nam het brouwen toe. Koning Hammurabi (1728-1686 VC) van Babylon stelde een reeks strikte wetten, de codex Hammurabi, op met betrekking tot de productie en verspreiding van bier. [3] Daarna vond het bier zijn weg naar Egypte. De staatsbrouwerijen produceerden gerstewijn. Farao Ramses II, bijgenaamd de brouwersfarao, kondigde zeer strenge regels af betreffende bier.

Bier kwam tegen 5000 VC via twee stromingen het zuiden van Europa binnen: via de Danubische stroom (Oost-Europa) en de Mediterrane stroom (Middellandse Zee). [5]

 

Figuur 2‑1: De Codex Hammurabi [3]

 

2.2. Romeinen

 

In de eerste eeuwen van het Romeinse rijk werd er bier gebrouwen. Geleidelijk aan legden de Romeinen zich vooral toe op de productie van wijn en plantten volop wijngaarden aan. Maar in de noordelijke streken waar de druiven omwille van een minder gunstig klimaat geen kans maakten, ging men graan verbouwen waarvan onder andere bier gebrouwen werd. Dionysius werd god van de wijn nadat hij eerst geregeerd had als Sabazios, de archaïsche god van het bier. [6] De Germanen waren de eerste, die de tussenstap van het broodbakken oversloegen en ontdekten dat uit ontkiemde en gedroogde graankorrels ook bier gebrouwen kon worden. Zij maakten van graan een beslag en lieten dat vergisten. Bier was echt geliefd bij de Germanen. [2] “De Romeinse geschiedschrijver Tacitus beweerde dat de Germanen honger en koude konden weerstaan, maar zich lieten verleiden door dorst naar bier. Bij de Scandinaven, Kelten en Germanen gold bier als een beloning voor hun helden en was het een offer aan hun goden. Tot op vandaag wordt in Europa het meeste bier geproduceerd en gedronken in die landen waar de Romeinse invloed niet allesoverheersend geweest is: Schotland, Engeland, Nederland, Noord-Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije en natuurlijk België. Men heeft het wel eens over de Europese bierenriem, een gordel van bieren die over Europa loopt.” [1]

 

 

2.3. Middeleeuwen

 

Na de val van het Romeinse Rijk kreeg de Kerk controle over de landerijen. Geestelijken en monniken konden lezen en schrijven en hielden zich bezig met het ontcijferen van de Griekse geschriften waarin onder andere de brouwprocédés van het oude Egypte bewaard waren. [1] De kloosters gingen zich hierdoor bezig houden met het brouwen van bier. Bier was ook een oplossing voor het verontreinigde water. Tot in de elfde eeuw werd bierbrouwen een activiteit die enkel door de clerus mocht worden beoefend. De geestelijken schreven de recepten van hun "geestrijke drank" op perkament. In die tijd gebruikte men nog geen hop als conserveringsmiddel en/of smaakmaker, maar gruit. Gruit is een kruidenmengsel met vooral gagel en rozemarijn en verder o.a. duizendblad, laurierbessen, salie, enz. [2] De brouwer was verplicht om het gruit te kopen in het plaatselijke gruithuis. In Brugge kan men nog steeds het “Gruuthuuze” bezoeken.

 

Figuur 2‑2: Het was vooral de monnik die bier brouwde in de middeleeuwen [7]

 

De monniken behoorden, in die tijd, tot de hoogst opgeleide mensen en zij brachten het bierbrouwen dan ook naar hoog niveau. Omstreeks het jaar 800, waren het waarschijnlijk de monniken van het klooster van Weihenstephan in Duitsland die als eerste hop gebruikten om het bier langer houdbaar te maken. Aangezien in veel landen een hele industrie was ontstaan rond gruit en ook de overheden inkomsten hadden uit het zogenaamde gruitrecht, heeft het tot ongeveer 1320 geduurd, voordat er in de Lage landen hopbier werd gebrouwen. [8]
“De patroonheilige van de brouwers is Sint-Arnoldus, een riddermonnik uit Tiegem bij Oudenaarde die leefde van 1040 tot 1087. Hij werd Benedictijn en stichtte de abdij van Sint-Pieter te Oudenburg. Daar begon hij bier te brouwen omdat puur drinkwater toen te onzuiver was. Van Sint-Arnoldus bestaan heel wat afbeeldingen met de roerstok in de hand.” [1]
Bier brouwen was buiten de kloostermuren verboden. Toch werden hier en daar burgerbrouwerijen opgericht. We moeten nog enkele eeuwen wachten alvorens brouwen gemeengoed wordt van het gewone volk.
In de veertiende en vijftiende eeuw schoten brouwerijen als paddestoelen uit de grond. Bier werd een populaire volksdrank. [9]
In 1364 verplichtte Karel IV, Keizer van Duitsland, de brouwers bij het brouwen van bier volgens de "Novus Modus Fermentandi Cervisiam" hop te gebruiken. Met deze verordening wordt Brabant in tegenstelling tot het Graafschap Vlaanderen, dat onder het gezag van de Franse koning viel, verplicht hop te gebruiken. [10] De Franse koning hanteerde het gruitrecht dat kruiden maar geen hop voorschreef. Hop belet dat bier verzuurt. Daarom verbeterde in Brabant de bierkwaliteit spectaculair. Het bactereostatisch effect van hop maakte dat de gistflora de overhand kon nemen: zo ontstonden de bieren van hoge gisting.
Ten tijde van de grote epidemieën van pest en cholera werden aan bier geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven. In die periode werd het water voor dagelijks gebruik uit rivieren en grachten gehaald en het water was dus verantwoordelijk voor het verspreiden van de ziektekiemen. Bier was dankzij het kookproces bij het brouwen kiemvrij en bood derhalve een veilig alternatief voor water.[9] In de 14 en 15 eeuw verenigden de brouwers zich in gilden. Deze gilden vormden in diverse Vlaamse streken machtige, kapitaalkrachtige groepen. Voor de vorsten, die met deze gildenvorming rekening moesten houden, was de bierproductie een belangrijke bron van inkomsten. In Luik bijvoorbeeld werden de accijnzen op het bier gebruikt voor het onderhoud van de stad en ook Leuven en Diest hadden hun welstand aan de brouwerij te danken. [11]
Het Brouwershuis op de Grote Markt in Brussel, waar vandaag de Unie van Belgische Brouwers alsook een biermuseum gevestigd zijn, getuigt nog van de vroegere welvaart die de brouwersgilden genoten in de Middeleeuwen. Het brouwen binnen corporatieve gilden leidde tot het gebruik van bepaalde brouwrecepten in bepaalde gebieden. Zo ontstonden de verschillende streekbieren, met elk hun typische smaak. Dat liet eveneens toe dat op bieren die uit andere streken werden ingevoerd, belastingen konden geheven worden. [11]

 

Figuur 2‑3: Afbeelding van het Reinheitsgebot [13]

 

Wegens grondstoffentekorten door slechte oogsten en andere omstandigheden werden soms de traditionele grondstoffen vervangen door andere. Vermits deze vervangingen een risico voor de gezondheid betekenden, werd op 23 april in 1516 het beroemd geworden “Reinheitsgebot” uitgevaardigd door keurvorst Wilhelm IV van Beieren te München. Het Reinheitsgebot duidt de grondstoffen aan die moeten gebruikt worden bij de bierbereiding: namelijk water, gerstmout, hop en gist, en geen andere granen of vreemde toevoegingen. [12] Deze wet is nu nog steeds van kracht in Duitsland.

In de 17de eeuw vestigden zich veel brouwerijen en stokerijen in “vrijsteden” zoals Hoegaarden en Lembeek, die vrijgesteld waren van accijnsheffingen.

 

 

2.4. 18e en 19e eeuw

 

De bestorming van de Bastille door een grote volksmenigte op 14 juli 1789 is het voorlopige hoogtepunt van een opstand die de geschiedenis inging als de Franse Revolutie. Op 12 juli 1790 stemde de Nationale vergadering de ‘Burgerlijke Grondwet voor de Geestelijkheid’. [13] Dit waren een reeks wetten die de macht van de kerk sterk verzwakten. De Franse Omwenteling (1792-1794) betekende het einde van de kapitaalkrachtige brouwersgilden. Tegelijkertijd werden veel kloosters vernield en daarmee ging ook een groot deel van de brouwersactiviteiten binnen de kloostermuren verloren. In die periode was er herhaaldelijk een wisseling tussen Oostenrijks en Frans bewind. [11] Napoleon maakte een einde aan deze periode van onrust in België en herstelde het economisch leven. Geleidelijk groeiden de lokale brouwerijen tot werkelijke bedrijven uit. In de eerste decennia van de 19de eeuw telde bijna elk dorp in België een eigen brouwerij. Op 7 februari 1831 krijgt België een van de meest vooruitstrevende grondwetten van Europa, waarin onder andere vrijheid van godsdienst en vrijheid van vereniging gewaarborgd worden. Hierdoor wordt het opnieuw mogelijk kloosters op te richten. [15]

In 1833 werd diastase, het versuikerende enzym uit mout, ontdekt door Payen en Persoz. [12] In 1880 telde België 2576 brouwerijen met 10.609 werknemers. [16] 1876 was ongetwijfeld een heel belangrijk jaar in de geschiedenis van het bier door de uitvinding van de koelmachine door Carl von Linde. [17] Hierdoor kon men gebruik maken van lage gisting. Dit is een gisting die gebeurt bij lage temperaturen. Datzelfde jaar deed zich nog een andere belangrijke verandering voor. Door de ontdekkingen van Louis Pasteur, de grote Franse natuurkundige, was het mogelijk geworden spijzen en dranken te conserveren (pasteuriseren). [17] Louis Pasteur ontdekte ook dat er verschillende soorten gistcellen voorkomen en dat niet alle gisten even geschikt zijn voor een goede gisting. [6] In 1883 slaagde de Deen Emil Christian Hansen er in om een reincultuurmethode te ontwikkelen. Dit is een gistcultuur die bestaat uit 1 soort gistcellen. [12] In deze tijden werden de Belgische brouwerijscholen opgericht waarin met de publicaties van Pasteur over bierbereiding rekening gehouden werd.

 

Figuur 2‑4: Louis Pasteur (1822-1895) [18]

 

 

2.5. 20ste eeuw

 

Tegen 1900 waren er 3223 officiële brouwerijen in België. (Tabel 2-1) Leuven had er 17 en Hoegaarden zelfs 34. Ook aan herbergen was er geen tekort: 185.036 of één per 32 inwoners. [1] Het aantal groeide verder tot 3387 in 1907. De stijging was het gevolg van succesvolle promotiecampagnes en gunstige kredietvoorwaarden vanwege de fabrikanten van brouwketels, moutproducenten en hophandelaars. [16]
De brouwerij Wielemans in Vorst (Brussel) behoorde toen op Europees gebied tot de grootste en modernste. Wielemans beschikte ook over een aansluiting op het spoorwegnet, zodat het zijn bier kon exporteren. [19] In tegenstelling tot Wielemans bleef de brouwerijsector tot na de Eerste Wereldoorlog heel sterk regionaal en lokaal georiënteerd. Alleen wanneer de brouwerij kon beschikken over typische brouwerspaarden werd het bier ‘geëxporteerd’ naar wat verderop gelegen steden en gemeenten. [19]

 

Figuur 2‑5: Tot na de tweede wereldoorlog gebruikte men koperen brouwketels [20]

 

De bloeiende brouwerijnijverheid kreeg het opnieuw hard verduren tijdens de Eerste Wereldoorlog. De koperen ketels, het materiaal en het wagenpark worden opgeëist door de Duitse troepen. [6] Na de Eerste Wereldoorlog neemt het aantal brouwerijen verder af. In 1920 waren er nog maar 2013 over. (Tabel 2-1) De brouwerijen die na de eerste wereldoorlog terug waren opgestart mechaniseerden zich tijdens het interbellum. In de jaren 30 hadden de brouwerijen het moeilijk door de economische crisis.
De brouwerijen kregen een nieuwe klap te verwerken tijdens de oorlog van '40 - '45. Opnieuw werden grondstoffen schaars, maar dit keer werd beroep gedaan op 'erzatz' grondstoffen (bieten, reductosesiroop, etc.), weliswaar van mindere kwaliteit. [9]

 

De Belgische brouwerijnijverheid 1900 – 2003

 

Aantal

Producitie

Import

Export

Verbruik

 

Brouwerijen

(in 000 Hl)

(in 000 Hl)

(in 000 Hl)

(in 000 Hl)

per hoofd

1900

3.223

14.617

149

5

14.761

221

1910

3.349

16.019

272

9

16.282

219

1920

2.013

10.408

201

47

10.562

143

1930

1.546

16.099

228

10

16.317

202

1940

1.120

12.488

65

7

12.546

149

1950

663

10.140

97

5

10.232

118

1960

414

10.110

378

205

10.283

112

1970

232

13.015

739

973

12.781

132

1980

143

14.291

969

2.315

12.945

131

1990

126

14.141

648

2.752

12.037

121

1995

115

14.528

593

4.608

10.513

104

1999

112

14.575

703

5.072

10.206

100

2000

113

14.734

804

5.474

10.064

99

2001

117

14.966

877

5.857

9.986

98

2002

118

15.696

744

6.539

9.901

96

2003

115

15.650

1.023

6.738

9.935

96

Tabel 2-1: De brouwerijnijverheid in België tussen 1900 en 2003 [21]

 

Niet alleen het bier zelf, ook de flessen stelden problemen. Er konden geen kroonkurken meer vervaardigd worden, en men kwam op het idee beugelflessen te fabriceren. De afsluitrubbers voor deze flessen konden vervaardigd worden uit versleten autobanden. Toen ook in deze materialen tekorten opdoken, werd het verplichte statiegeld ingevoerd. Daardoor konden de bierflessen voortaan gerecupereerd en hergebruikt worden. [11]
Na de tweede wereldoorlog telde België nog 755 brouwerijen. [19] In de naoorlogse periode krabbelde de brouwindustrie langzaam uit het dal. Kenmerkend hiervoor waren de horizontale concentraties: veel brouwerijen produceerden naast bier ook mineraalwater en limonades. [2] Aangezien de productie hiervan geen hoge technische eisen stelt en distributie via dezelfde kanalen kan gebeuren als die van het bier, wordt door deze productenspreiding de omzet verhoogd en kunnen de algemene onkosten erdoor verlaagd worden.
Intussen heeft zich in het brouwen zelf een zodanige specialisatie voltrokken zodat het mouten tegenwoordig grotendeels wordt overgelaten aan gespecialiseerde mouterijen, die autonoom werken.
Op de dag van vandaag zijn vele kleine brouwerijen, meestal familiebedrijven verdwenen of opgekocht door de grotere. Ons land telde in 2003 115 brouwerijen. (Tabel 2-1)

 

 

3. De productiefactoren

 

3.1. Knowhow

 

3.1.1. Secundair onderwijs

 

Specifieke opleiding voor de brouwerijsector bestaan niet op secundair niveau. Toch heeft het grootste deel van de werknemers uit de sector een diploma van secundair onderwijs. Een brouwerij heeft veel hefvorkchauffeurs, vrachtwagenchauffeurs, schoonmaakpersoneel, mechanici, elektronici, etc. nodig. Dit zijn allemaal opleidingen van secundair niveau.

 

3.1.2. Hoge scholen en universiteiten

 

Omdat België een brouwerijland is, zijn er een aantal Belgische brouwerijscholen ontstaan. Deze scholen zijn door de hervormingen van het onderwijs terecht gekomen in afdelingen van de hogescholen.

De vier instellingen die nog een brouwerijafdeling hebben zijn de volgende:

· Hogeschool Gent

· Sint-Lievens Hogeschool Gent

· Instituut Meurice in Brussel

· Katholieke Universiteit van Leuven

Brouwers maken echter maar een zeer klein deel uit van het personeelsbestand van de brouwerij. In de brouwerij werken mensen met alle soorten diploma’s: vertalers, economisten, ingenieurs, laboranten, etc.

 

3.1.3. Onderzoeksinstellingen

 

Het is vooral in de brouwerijen zelf dat er onderzoek gebeurd. De brouwerijsector is immers zeer geconsolideerd, zodat er enkele kapitaalkrachtige ondernemingen zijn ontstaan. Deze ondernemingen zijn in staat onderzoeksprojecten te financieren en kunnen door hun grootte de projecten terug verdienen. Hierdoor ontstaat een concurrentieverschil tussen de grote brouwerijgroepen en de kleine brouwerijen. Een ander probleem zijn de dagelijkse analyses. Het labo en zijn meetapparatuur zijn ontzettend duur.

Een kleine brouwer kan zich geen uitgerust labo veroorloven, waardoor hij onmogelijk kan tippen aan de continue kwaliteit van de grote brouwersgroepen.

De grote groepen kunnen dan ook hun labo inzetten om onderzoeksprojecten te ondersteunen.
De analyses van KMO-brouwerijen gebeuren dan ook vooral in onafhankelijke labos, vaak in labos van onderwijsinstellingen. Voor nieuwe technologie en kennis baseren de KMO-brouwerijen zich op het publiek onderzoek van EBC en specifiek in België op de studiedagen van de brouwerijafdelingen.

 

3.1.3.1. European Brewery Convention [22]

De EBC werd opgericht in 1946. De EBC heeft als doel om een standaard op te stellen voor alle Europese brouwers en mouterijen. De organisatie promoot:

· De ontwikkeling van de kennis en technologie voor brouwerij en mouterij

· Handleidingen om het best met analyses en technologie om te gaan

· De transfer van kennis vanuit andere industrieën naar de brouwerij en mouterij.

 

Figuur 31: Logo van EBC [22]

 

De organisatie probeert te handelen als een Europese adviesorganisatie voor brouwerij en mouterij in overleg met het CBMC (Unie van Europese Brouwers) en andere organisaties.
De EBC heeft zijn eigen standaarden en eigen methodes die te vinden zijn in EBC-analytica. Elke twee jaar is er een brouwerijcongres waar de nieuwste technologie en kennis met betrekking tot de brouwerij en mouterijsector te vinden is.

 

3.1.3.2. Studiedagen en Cerevisiae

De brouwerijgedachte wordt sterk gehouden door de oud-studentenbonden van de vier overgebleven brouwerijafdelingen in ons land. Ze hebben de krachten gebundeld in Cerevisiae. Cerevisiae is een driemaandelijks tijdschrift met wetenschappelijke artikels over brouwerij en biotechnologie.

De drie hogescholen geven elk jaar een studiedag, met daarop mensen uit de onderwijsinstellingen die er de stand van hun onderzoek komen presenteren. Daarnaast zijn er ook wetenschappers van brouwerijen en toeleveranciers die er hun intern onderzoek of hun nieuwe technologie komen presenteren. Deze studiedagen zijn vooral belangrijk voor de KMO-brouwerijen.

 

 

3.2. Kapitaal

 

De aandelen van slechts twee Belgische brouwers staan genoteerd op de beurs. Inbev en Duvel Moortgat staan genoteerd op Euronext Brussel [23]. Het grootste deel van het kapitaal is afkomstig van de families die ooit de brouwerijen hebben opgericht. De stichting interbrew groepeert het familiekapitaal van Inbev. Bij de fusie tussen Ambev en Interbrew verwierven de Brazilianen 44% van de stichting Interbrew die 56% van Inbev bezit. De stichting Interbrew controleert hierdoor Inbev. De stichtende families bezitten 56% van de stichting Interbrew en hebben daarbovenop nog een vrij pakket van 17% van de Inbev-aandelen. [24]

Ook de meeste kleine brouwerijen zijn nog altijd in het bezit of onder controle van privé-personen of een groep familieleden..

 

 

3.3. Ruimte, energie en infrastructuur

 

De meeste brouwerijen zijn in de streek rond Brussel gelegen. Historisch gezien hebben deze brouwerijen zich beter kunnen ontwikkelen door het “Novus Modus Fermentandi Cervisiam”, door de specifieke micro-organismen in de Brusselse lucht, door het geschikte grondwater, de ideale verkeersinfrastructuur en de beschikbaarheid van hop en mout.

 

3.3.1. Grondwater

 

De smaak en de kwaliteit van het bier wordt in grote mate gekenmerkt door het grondwater. Bier bestaat voor immers 90% uit water. Een bier kon hierdoor tot voor kort slechts op één bepaalde plaats gemaakt worden. Door de technologische vooruitgang is het nu mogelijk geworden om overal ter wereld een zelfde bier te maken omdat het grondwater gemakkelijk gecorrigeerd kan worden om zo het specifieke grondwater te verkrijgen dat kenmerkend is voor het betreffende bier.

 

3.3.2. Klimaat

 

“Het grootste gedeelte van de commerciële hopproductie in de wereld gebeurt tussen de 35ste en de 55ste breedtegraad, aan beide kanten van de evenaar.

 

Figuur 3‑2: Enkel de hopbellen worden gebruikt [2]

 

Gebieden met een breedtegraad kleiner dan 35 zijn minder geschikt vermits de daglengte tijdens het groeiseizoen kleiner is. De daglengte heeft een belangrijk effect op de opbrengst. De bloei wordt beïnvloed door de daglengte. De bloei grijpt plaats als de daglengte relatief kort is nadat de plant een bepaalde hoogte heeft bereikt. De opwaartse groei stopt als de bloei begint. Een lange dag is belangrijk omdat dit het bloeitijdstip uitstelt totdat de plant zijn volledige hoogte heeft bereikt. Een toenemende temperatuur kan het bloeien versnellen. “ [25]
België heeft ook een klimaat dat ideaal is om gerst de kweken. Er wordt ook veel gerst ingevoerd vanuit Frankrijk, Duitsland, Tsjechië, Nederland, Denemarken en Groot-Brittannië. Op het veld zal de gerstkorrel kiemen wanneer er voldoende water en zuurstof aanwezig zijn en de temperatuur boven de 5°C is. [26]

 

3.3.3. Belgische verkeersinfrastructuur

 

De aanwezigheid van waterlopen en de haven van Antwerpen zijn belangrijk voor de overgebleven mouterijen in België. Enerzijds zijn de waterlopen belangrijk voor de aanvoer van graan, vooral uit het noorden van Frankrijk. Anderzijds wordt de mout wereldwijd uitgevoerd. De mout wordt hiervoor eerst via de waterlopen naar Antwerpen getransporteerd om dan wereldwijd verdeeld te worden.
Door de consolidatie van de brouwerijsector zijn veel brouwerijen gesloten geworden. Om de afzetgebieden van die brouwerijen te kunnen bedienen wordt vooral gebruik gemaakt van vrachtwagens. Via het schitterende snelwegennetwerk kan geheel Europa vlug bediend worden. Inbev heeft in dit opzicht zijn bottelarij en brouwerijen in Frankrijk gesloten. Frankrijk wordt nu volledig vanuit België bediend met gebotteld bier.
In het begin van de negentiende eeuw was ook het spoorwegnet vrij belangrijk voor de sector, vandaag de dag worden de spoorwegen vooral gebruikt voor de aanvoer van graan naar de mouterijen.

 

3.3.4. Energie

 

Om te brouwen maakt men gebruik van stoom. Verwarmen met stoom gaat snel. De meeste brouwerijen hebben installaties om zelf hun stoom te maken. Het warme water dat overblijft wordt gebruikt voor de verwarming van de eigen gebouwen en bij sommige brouwers ook voor de verwarming van de omwonenden, zoals het geval is bij de brouwerij van Haacht.

 

 

3.4. Arbeid

 

Vroeger was brouwen een ambacht. Een brouwer was bezig met het volledige brouwproces. Vandaag de dag is alles geautomatiseerd. Alle stappen van het brouwproces zijn opgesplitst in aparte afdelingen. Door de consolidatie van de sector zijn bepaalde taken gecentraliseerd. Het gevolg is dat arbeidskrachten zeer gespecialiseerd zijn en ze geen kennis meer hebben van het volledige productieproces.
Komt hierbij dat de loonkost in België en zijn buurlanden zeer hoog is. Toch is en blijft dit het centrum van de brouwerijsector. Het gevolg is dan ook dat een brouwerij enorm kapitaalintensief geworden is, terwijl er amper nog arbeiders rondlopen. Dit is ook te merken aan de investeringen, zie 3.2.

De voordelen van schaaleffecten in de brouwerijsector zijn enorm groot.

Het labo voor een grote en middelgrote brouwerij zijn juist hetzelfde. Er zijn evenveel mensen nodig voor een brouwsel van 100 hl als voor een brouwsel van 10.000 hl, mits de capaciteit van de brouwzaal aangepast is.

 

 

4. De macro-economie

 

4.1. Productie, omzet en toegevoegde waarde

 

De totale productie van de Belgische brouwerijen is de afgelopen honderd jaar amper veranderd. Gemiddeld wordt er 15 miljoen hl bier geproduceerd. Wel is er een verschuiving te merken. In vergelijking met 1900 wordt vandaag een groot deel van de productie uitgevoerd. (Tabel 2-1) In 2003 werd er volgens de Unie van Belgische brouwers 15.650 duizend hl bier (Tabel 2-1) geproduceerd en volgens FOD economie 15.920 duizend hl (Tabel 4-1).

In 2003 was de brouwerijsector goed voor een omzet van 1.685,1 miljoen euro of een aandeel van 5,56% van de voedingsnijverheid. In 2004 steeg de omzet tot 1.811,4 of een aandeel aan 5,8%. De mouterijen waren in 2003 goed voor een omzet van 329,5 miljoen euro of een aandeel van 1,09%. In 2004 daalde de omzet echter tot 298,4 of een aandeel van 1%. (Bijlage 4-1)

De geleverde waarde van bier bedroeg 1.347 miljoen euro. (Tabel 4-1) [21]

De toegevoegde waarde bedroeg in 2000 634 miljoen euro voor de brouwerijen en 10 miljoen euro voor de mouterijen. [27]

 

 

Eenheid

2000

2001

2002

2003

Geleverde waarde van bier

Mln Euro

1.172

1.210

1.268

1.347

Productie

000 hl

15.509

15.068

15.063

15.920

Tabel 4‑1: Geleverde waarde en de productie van bier in België volgens FOD economie [28]

 

 

4.2. Werkgelegenheid en investeringen

 

Volgens de centrale raad voor het bedrijfsleven werkten er in 2002 5.673 personen in de brouwerijsector (Nace-bel 1596) en 217 personen in de mouterijen. Tezamen zijn dit 5890 personen, waarvan 4159 in Vlaanderen, 1300 in Wallonië en 214 in Brussel. [30] Sinds 1995, toen er nog 7002 personen in de sector werkten, is een continue daling op te merken van de werkgelegenheid. (Tabel 4-2)

Volgens het federaal planbureau waren er in 1995 14.494 personen direct of indirect tewerkgesteld bij de productie van alcoholische dranken. [27] [29] De totale tewerkstelling die in 1995 direct of indirect kan verbonden worden met de verdeling van alcoholhoudende dranken bedroeg 76.034 personen. [21] [23]
In 2003 waren de brouwerijen de grootste investeerder uit de voedingssector met een aandeel van 14,5 %. De investeringen zijn gestegen van 91,9 miljoen euro in ’98 tot 150,4 miloen euro in 2003. In 2004 vielen de investeringen sterk terug tot 130,2 miljoen euro. Ook de Belgische mouterijen hebben hun investeringen opgetrokken van 6,9 miljoen euro in ’98 tot 19,2 miljoen euro in 2004. (Bijlage 4-1)

 

Jaar

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

Tewerkstelling

7002

6717