De houding van de Belgische pers tegenover het plan voor Europese eenmaking van Briand 1925-1932. (Andreas Provo)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Belgie is altijd al een van de grootste voorstanders geweest van de Europese Unie, en elke stap in de verdere ontwikkeling ervan werd in de meeste Belgische kranten op applaus onthaald.

Voor de Tweede Wereldoorlog was er ook al een poging om de Europese landen de weg naar een economische en eventueel zelfs politieke unie te wijzen. De situatie was echter helemaal anders. De Europese mogendheden mochten dan al een vredesverdrag hebben getekend, de oorlog duurde eigenlijk gewoon voort, een these die de meeste hedendaagse historici, zoals o.a. E. Hobsbawm verdedigen. Europa was nog duidelijk verdeeld in winnaars en verliezers, de enen onder de vlag van Frankrijk, de andere onder de vlag van Duitsland. Enkel het Verdrag van Locarno betekende een lichte breuk in de oorlogslogica. Een van de ontwerpers van dat akkoord, de Franse minister van buitenlandse zaken, Briand, lanceerde in de jaren van relatieve windstilte die op Locarno volgden het idee van een Europese Unie, vooral gebaseerd op het model van de Paneuropese Liga van graaf Coudenhove-Kalergi, die een Europese Unie naar het model van de Verenigde Staten van Europa ambieerde. Het onderzoek van de thesis spitst zich toe op wat deze idee teweeg bracht in de Belgische pers.

 

 

1 Methodologie en toelichting

 

We zijn op zoek gegaan naar drie Nederlandstalige kranten en drie Franstalige kranten aan de hand van enkele criteria. Het eerste criterium was de oplage, het is duidelijk dat de dagbladen een groot deel van krantenlezend Belgie moesten bereiken om relevant te zijn. Het tweede criterium was een ideologische spreiding: elke grote ideologische strekking, de socialistische, de christen-democratische en de liberale moest in twee van de zes kranten vertegenwoordigd zijn. Het derde en laatste criterium betrof de aard van de krant. Om echt bruikbaar te zijn, moest de krant opinierend zijn. De zes kranten die uiteindelijk zijn geselecteerd, zijn De Standaard, Het Laatste Nieuws en Vooruit, en La Libre Belgique, La Gazette en Le Peuple. Oorspronkelijk was als Franstalige krant La Dernière Heure gepland, maar vermits die krant geen opinierende krant is, werd ze vervangen door La Gazette.

Deze zes kranten heb ik niet gedurende de hele periode onderzocht, maar tijdens negen periodes waarin de Europese eenmaking op een of andere manier in het nieuws kwam. Soms lag daarbij de nadruk op het kwantitatieve, zoals de periode rond het congres van de Pan-Europese Liga in Wenen, maar grotendeels gaat het om periodes waarin de opinierende artikels de Europese problematiek als onderwerp hebben, zoals de periodes rond de vele conferenties die in de periode plaats hebben, of rond de samenkomsten van de Volkenbondsraad. Bij elke periode wordt in een paragraaf uitleg gegeven over de redenen voor de selectie ervan. De essentie van de thesis vormen dus vooral de kwalitatieve analyses van de commentaarstukken, het kwantitatieve komt maar mondjesmaat aan bod.

Ik heb bewust geen onderscheid gemaakt tussen de opiniërende artikels en de redactionele, omdat in de onderzochte periode geen sprake was van de vrije tribune zoals we die nu kennen. De auteurs van artikels die niet van een lid van de redactie uitgingen, waren bijna altijd te liëren aan de krant zelf, zoals Louis De Brouckère voor Le Peuple. De enige artikels waar dit niet voor geldt, zijn de oproepen van Coudenhove-Kalergi die in de meeste kranten verschijnen. De redactionele en opiniërende artikels worden dus op dezelfde manier behandeld onder de gemeenschappelijke noemer van opiniestukken.

De nadruk ligt dus duidelijk op een inhoudelijke analyse. Voor elke periode werden vooral die artikels gezocht waarin werkelijk kant gekozen wordt, waar duidelijk een mening in naar voren komt.

 

Er is betrekkelijk veel literatuur te vinden over het interbellum, maar over het plan-Briand is er betrekkelijk weinig literatuur te vinden. Het belangrijkste werk is ‘Le Plan Briand d’Union fédérale européenne’ samengesteld door Antoine Fleury, naar aanleiding van een colloquium over het plan-Briand in september 1991. In het werk worden de houdingen van de verschillende Europese regeringen ten opzichte van het plan verduidelijkt in bijdragen door auteurs uit de landen zelf afkomstig. Voorts het werk van Michel Dumoulin, ‘L’idée européenne dans l’entre-deux-guerres’ dat goed de Belgische positie uit de doeken doet. Voorts heb ik ook belangwekkende boeken gevonden in het Studie-en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (SOMA) en natuurlijk in de UG.

 

De thesis is ingedeeld drie grote delen : literatuur, onderzoek en besluit. Het hoofdstuk over de literatuur is drieledig: eerst wordt de Europese context geschetst tussen 1919 en 1932, vervolgens worden al de aspecten van de Europese bewegingen en het plan-Briand geanalyseerd en tenslotte is er een bondig hoofdstukje dat de bestudeerde kranten van naderbij bekijkt. Het onderzoek is chronologisch opgedeeld in negen periodes, waarbij aan het begin van elke periode wordt uitgelegd waarom de periode van naderbij is bekeken. Aan het eind van het onderzoek volgt een samenvatting waarbij van elke krant de belangrijkste accenten worden onthouden. Het besluit volgt op het eind.

 

 

2 Probleemstelling

 

In 1929 stelde Aristide Briand in een indrukwekkende speech voor de Volkenbondsraad een Europese eenmaking in het vooruitzicht, een idee die hem reeds sinds 1925, ten tijde van Locarno, had beziggehouden. Nadat al de Europese regeringen gematigd positief hadden gereageerd, werd in het daaropvolgende jaar een studiecommissie in het leven geroepen om de mogelijkheid van een Europese eenmaking der douanetarieven te bestuderen, en verdere economische samenwerking te onderzoeken. De commissie kwam voor de laatste keer samen eind 1932 en werd dan vergeten. Het is de bedoeling van deze thesis te weten te komen hoe de Belgische pers tegenover dit voorstel stond.

Daartoe werden zes kranten onderzocht gedurende negen periodes waarin de Europese eenmaking, economisch of politiek, op de agenda stond. De zes kranten vertegenwoordigen een zo wijd mogelijk politiek spectrum, van sterk conservatief (La Gazette) tot uitgesproken links (Vooruit – Le Peuple). Deze kranten moeten een duidelijk overzicht bieden van het perslandschap van het interbellum.

De hoofdbetrachting van de thesis is nagaan of er een eenvormig beeld van de Europese eenmaking bestond in de Belgische pers. Besteedt ze er veel aandacht aan en plaatst ze het nieuws dus op de voorpagina of beschouwt ze het bij voorbaat reeds als een verloren gevecht? Worden er aan de problematiek veel opiniërende artikels gewijd? Komen buitenlandse commentatoren aan het woord?

Vervolgens zijn er veel bijkomende vragen die kunnen gesteld worden met betrekking tot de context waarin de Europese integratie wordt gezien. Zo zag graaf Coudenhove-Kalergi, de stichter van de Pan-Europese Liga de noodzaak van een verenigd Europa ook in het licht van de overheersing van de Verenigde Staten van de wereldscène. Wordt een versterking van de Europese solidariteit in de kranten eveneens beschouwd als een wapen tegen het economisch overmachtige Amerikaanse blok? Wordt het doen vervagen van de grenzen van Europa vooral gehuldigd als een oplossing voor de economische problemen of is het erop gericht de vrede in Europa bewerkstelligen? Of zijn er nog andere strategische redenen waarom een blad het Europese project wel of niet genegen zou zijn? Zijn er specifieke punten in het voorstel van de Franse minister van buitenlandse zaken die op tegenstand stuiten? Reiken de kranten eventueel alternatieven aan die beter op de Europese realiteit inspelen?

Als zou blijken dat de kranten van mening verschillen, waar liggen dan de voornaamste breuklijnen? Vallen de kranten te groeperen naargelang hun standpunt over het plan-Briand? Volgen de breuklijnen de ideologische strekkingen liberaal, socialistisch of christen-democratisch?  Ook de communautaire kwestie mag in een onderzoek over de Belgische pers niet ontbreken. Is er een duidelijk verschil tussen de Franstalige en Nederlandstalige kranten? Leggen de twee taalgroepen andere klemtonen?

Tenslotte is het ook de bedoeling de literatuur die na afloop is verschenen te vergelijken met wat in de kranten is verschenen. Legt de literatuur dezelfde klemtonen? Hebben de kranten oog voor andere aspecten van het plan dan de literatuur?

In het besluit hopen we een antwoord te kunnen bieden op al deze vragen.
 

 

I. Literatuur

 

1: De internationale scène van 1919 tot 1932

 

Op de Eerste Wereldoorlog volgde een periode van economische ontwrichting in heel Europa. De Angelsaksische wereld, de neutralen, en Japan probeerden met een deflatiepolitiek hun economieën weer stabiel te krijgen. Dat lukte min of meer, maar de landen die de oorlog verloren hadden konden in deze trend niet meegaan. De monetaire stelsels van Duitsland en Oostenrijk, en ook van Rusland, stortten volledig in. Het bedrijfskapitaal was zo goed als nihil en de Duitse economie was daardoor erg afhankelijk van buitenlands, voornamelijk Amerikaans, kapitaal. Toen de inflatie onder controle was, kon men eindelijk weer op een economische groei rekenen. Deze groei was echter relatief, want de werkloosheid bleef hoog, vooral in West-Europa. Enkel in de Verenigde Staten draaide de industriële productie op volle toeren. Deze economie voedde dan ook de hele industriële wereld met kapitaal, in de eerste plaats de oorlogvoerende landen, en dit maakte die landen zeer kwetsbaar voor crisissen, toen de Amerikanen hun geld terugtrokken na de ineenstorting van Wall Street eind 1929.  Niemand wist echt goed een antwoord te bieden op de crisis, en daardoor grepen de meeste landen terug naar protectionistische maatregelen in de hoop zo het eigen territorium te beschermen tegen de malaise, zelfs de universele baken van de vrijhandel, het Verenigd Koninkrijk. [1] De maatregelen bleven niet beperkt tot het verhogen van douanetarieven: vele van deze regeringen gingen ook over tot het subsidiëren en via regelingen bevoordelen van de eigen landbouw. Het maakte van de periode van 1919-1932 een bijzonder woelige tijd, politiek en sociaal.

 

1.1 De periode na het Verdrag van Versailles

 

a) Spanningen tussen de Europese grootmachten

 

Toen generaal Clemenceau na het ondertekenen van de wapenstilstand in 1918 zei dat het misschien moeilijker was de vrede te bewerkstelligen dan de oorlog te winnen, bedoelde hij dat ook werkelijk zo. Zelfs na de ondertekening van Versailles lag het moeilijkste nog voor de boeg: het behoud van een duurzame vrede. Frankrijk zag dan ook met lede ogen aan hoe de bondgenoten uit de oorlog zich één voor één terugtrokken van het Europese toneel. De oude Franse bondgenoot Rusland had af te rekenen met een burgeroorlog en moest zich daardoor afzijdig houden, en het zag er niet naar uit dat dit na de oorlog zou veranderen, zeker nu Rusland niet meer rechtstreeks aan Duitsland grensde. Er viel van deze kant geen medewerking te verwachten voor het tegenhouden van een Duitse expansie. Het Verenigd Koninkrijk kwam terug op zijn beslissing om na de oorlog een garantieverdrag te sluiten met de Fransen en de Belgen, dat bij een aanval van een van de naties aan de Rijn een oorlogsverklaring aan de aanvaller zou betekenen. De Verenigde Staten sloten zich helemaal op en participeerden zelfs niet meer in de door president Wilson in het leven geroepen Volkenbond. Frankrijk reageerde hierop door de hardste lijn aan te houden in het afhandelen van de vredesvoorwaarden, en zich met de nieuwe Oost-Europese landen te verbinden door bilaterale verdragen te sluiten.

Voor Groot-Brittannië was de situatie anders. De hegemonie over de wereldzeeën was bedreigd, en de Britten wilden dan ook eerst hun positie op dit vlak veilig stellen vooraleer zich opnieuw in de Europese machtsstrijd te werpen. Ze redeneerden dat een pakt veel te veel van hun manschappen in beslag zou nemen voor de bezetting en voor de controle van de voorwaarden, en daardoor hun positie buiten Europa verder zou verzwakken. Voor Engeland was het dan ook zaak zo snel mogelijk een terugkeer naar de vooroorlogse stabiliteit te bewerkstelligen, om de economische trein weer op gang te trekken en de militaire uitgaven te beperken tot het minimum. Het ging er dus voor de Engelsen niet om de Duitsers écht alle verplichtingen van het vredesverdrag strikt te doen naleven, maar eerder om de Duitsers hun verlies te doen aanvaarden, waarop er weer over de voorwaarden zou kunnen onderhandeld worden. Ze trachtten de Fransen van deze standpunten te overtuigen, maar vingen bot. De Fransen waren immers niet op uit om politieke stabiliteit te bewerkstelligen, maar om de natie die in 50 jaar tijd twee keer haar territorium was binnengevallen zoveel mogelijk en zo lang mogelijk te verzwakken.

Britain and France were thus in total disagreement on the means through which lasting peace in Europe could be achieved, and on their policies towards Germany. The result was a series of conflicts between the two powers in their policies towards eastern and south-eastern Europe, over the key issues of reparations, disarmament and security, and over the role and activities of the League of Nations.” [2]

De Duitsers kregen niet alleen te maken met de zware economische problemen die de naoorlogse regelingen met zich meebrachten: zij kregen ook niet verteerd dat ze als enige schuldigen van de oorlog waren aangewezen. Ze trachtten op alle manieren de voorwaarden van het Verdrag van Versailles versoepeld te krijgen.

 

b) De Volkenbond en de herstelbetalingskwestie

 

De Volkenbond werd in 1919 opgenomen in het Verdrag van Versailles en trad in werking op 10 januari 1920. Zijn doel was tweeledig: eerst en vooral gaat het om een organisatie die via internationale coöperatie de vrede en veiligheid wil bevorderen, maar de Volkenbond wil ook de materiële en intellectuele samenwerking tussen de verschillende volkeren in de hand werken. Het is een bond van onafhankelijke staten, zonder supranationale macht. De band met de Volkenbond is geregeld door een verdrag, dat elk land in zijn vrijheid van handelen beperkt en duidelijke richtlijnen aan de ondertekenaars oplegt. Indien tussen twee leden van de Volkenbond een geschil ontstaat, dan kan er een beroep worden gedaan op de Volkenbond. Het oordeel dat deze velde, kon echter door de Volkenbond zelf als instelling, niet afgedwongen worden met militaire middelen, enkel met financiële sancties.

Reeds eind 1920 werd de Volkenbond met de eerste problemen geconfronteerd. De door het Verdrag van Sèvres opgerichte staat Armenië werd door zowel Rusland als Turkije in zijn bestaan bedreigd. De Volkenbond kon echter niet ingrijpen doordat hem geen middelen werden verschaft door de leden van de Opperste Raad van de geallieerden, die nog dateerde uit de oorlog, en Armenië werd in december bij de Sovjet-Unie gevoegd. Het was een teken aan de wand voor de problemen die nog zouden komen. De verdragen van de Parijse voorsteden werden overal met allerhande problemen geconfronteerd waar het de uitvoering van de besluiten betrof: er was het conflict tussen Duitsland en Polen omtrent Opper-Silezië, de oorlog tussen Griekenland en Turkije, en tal van andere grensconflicten in het hertekende Europa. Vooral de Griekse kwestie baarde de Europese grootmachten heel wat kopzorgen. Turkije verkreeg uiteindelijk een wapenstilstand, die eigenlijk een herziening van het Verdrag van Sèvres, waarin Griekenland delen van de kusten van Klein-Azië had toegezegd gekregen inhield, en dus een overwinning voor de Turken. Het was een typisch voorbeeld van de werking van de Volkenbond, die ondanks het mandaat dat de organisatie had gekregen om de verschillende geschillen op te lossen, nauwelijks in staat was met enig gezag op te treden. In 1923 dan kwamen de grootmachten zelf in het stuk voor, omtrent de herstelbetalingskwestie.

In deze kwestie kwam de Volkenbond helemaal buitenspel te staan doordat de geallieerden, die zeker in de beginjaren het beleid van de Volkenbond domineerden, het onderling oneens waren (cf. supra). Frankrijk trok reeds in 1920 de Ruhr binnen, omdat Duitsland tegen de afspraken van het Verdrag van Versailles in, een politiemacht had ontplooid om de communistische opstand in het Ruhrgebied de kop in te drukken, en bleef de regio bezetten tot alle Duitse troepen het gebied hadden verlaten. Ook België, dat door een geheim militair akkoord was gebonden aan Frankrijk (cf. infra), nam deel aan de bezetting. Enkele jaren later was het hek opnieuw van de dam. Duitsland was in de besprekingen met betrekking tot de boete die het moest betalen aan de geallieerden, niet geneigd tot een compromis. Het liet in augustus 1922 dan ook weten dat het de herstelbetalingen niet meer kon opbrengen en vroeg uitstel voor zes maanden. De Fransen weigerden echter van hun harde lijn tegenover Duitsland af te wijken en bezetten in januari samen met België opnieuw de Ruhr, om beslag te leggen op de hout-en steenkool productie, en zo een onderpand te hebben om Duitsland tot zijn verplichtingen te dwingen.[3] De actie werd internationaal op grote verontwaardiging onthaald. De Verenigde Staten en Groot-Brittannië protesteerden met klem, en Frankrijk en België beseften dat ze de kwestie uiteindelijk niet in hun eentje konden oplossen. Duitsland rekende immers op de steun van de twee Angelsaksische grootmachten om zijn standpunt niet af te zwakken en niet te zwichten voor de druk. Bovendien waren de Amerikanen de voornaamste kredietverleners van de Duitsers, en waren de Fransen (samen met alle andere Europese oorlogvoerende landen) dus onrechtstreeks afhankelijk van het Amerikaanse geld. Het precaire evenwicht waarop de Duitse Staat balanceerde (mislukte putch van Hitler in München, ineenstorting van de mark, communistische regering in Saksen) deed de Fransen uiteindelijk toch besluiten aan de onderhandelingstafel te gaan zitten.[4] Deze en andere ontwikkelingen hadden mede als gevolg dat meer linkse regeringen aan de macht kwamen in de periode van 1925-1926.

 

c) De Belgische positie-inname

 

Het Belgische beleid werd na de oorlog vooral afgestemd op dat van Groot-Brittannië. Globaal werd er gestreefd naar een garantieverdrag dat zowel de Britten als de Fransen zou verbinden tot een militair ingrijpen bij Duitse dreiging. Toen duidelijk werd dat dit er niet zou komen wegens de stugge houding van Groot-Brittannië, werd gekozen voor een zij-aan-zij standpunt met Frankrijk. Het vooroorlogse neutraliteitsstatuut werd opgegeven en in het begin van 1920 werd begonnen met de voorbereiding van een Frans-Belgisch militair akkoord. Die onderhandelingen verliepen moeizaam, maar een uitkomst werd gevonden dankzij de Belgische deelname aan de Ruhrbezetting van april 1920. Deze deelname bemoeilijkte echter nog de relatie met de Britten, die vreesden door België meegesleurd te worden in een harde politiek tegen Duitsland. [5] Er zat voor België dus niets anders op dan zich te richten op Frankrijk, hoewel dit voor de publieke opinie nooit volledig onderkend werd, en er volgehouden werd dat er nog steeds werd gestreefd naar een garantie van Engeland. Het geheim militair akkoord werd ondertekend op 29 juli 1920 en na een rel rond de doortocht van Frans-Poolse wapens door België werd het akkoord door het parlement geloodst. België richtte zich dus nu in de buitenlandse politiek op Frankrijk. De conservatieve regering Hymans realiseerde zich bovendien dat niet enkel het akkoord met de Fransen een harde lijn tegenover Duitsland impliceerde, maar dat die harde lijn ook nodig was om het budgettaire plaatje rond te krijgen. Die harde lijn mondde in 1922 uit in de tweede Ruhrbezetting samen met Frankrijk. Deze actie was niet alleen tegen Duitsland gericht, maar ook tegen de Fransen, die als ze als enig land de Ruhr zouden bezetten, de controle zouden verwerven over de grondstoffenhandel via Antwerpen.[6] Het internationale imago van België had echter sterk te lijden onder de bezetting, die voor de internationale gemeenschap het ultieme bewijs vormde van het vazalschap van België ten opzichte van Frankrijk. Er gingen tijdens de bezetting stemmen op, vooral vanwege Franse zijde, om het Rijnland richting onafhankelijkheid te bewegen. Het Rijnlandse separatisme was echter voor de Belgen een stap te ver: het was te duur en het zou de Duitse herstelbetalingen nog meer in gevaar brengen. De financiële situatie was in de jaren 1922-1923 bovendien zo precair geworden, dat er voor België niets anders meer opzat dan zich financieel te gaan richten op de Angelsaksische landen. Intussen waren door de Ruhrbezetting op binnenlands vlak de spanningen tussen socialisten en conservatieven ernstig opgelaaid, zowel in Frankrijk als in België, waardoor in 1924 andere regeringen, met andere visies over de Europese harmonie, aan het bewind kwamen.

 

1.2 Locarno en internationale ontspanning

 

a) Het Verdrag van Locarno

 

Tegen eind 1924 was de infrastructuur in Europa grotendeels hersteld, en die ontwikkeling had tot gevolg dat de Europese economische wereld er weer behoefte aan had commerciële betrekkingen met Duitsland aan te knopen, ondanks het feit dat Versailles stipuleerde dat aan de commerciële discriminatie van Duitsland maar een einde zou komen tien jaar na de oorlog, dus in ’28. Bovendien betekende het aantreden van het kabinet van Herriot in Frankrijk een radicale ommezwaai voor de Franse buitenlandse politiek. Het Dawes-plan, dat in de zomer van 1924 werd ondertekend, was een eerste stap in de ommekeer. Het doel van de Fransen was enerzijds een versterking van de Volkenbond te bewerkstelligen, en anderzijds de Franse veiligheid te garanderen door de banden met Engeland te versterken, waar net zoals in Frankrijk een linkse regering, onder Ramsay MacDonald, aan de macht was gekomen. Die Engelse Labourregering zong het niet lang uit, maar Chamberlain, de minister van buitenlandse zaken van de conservatieve regering, bracht de toenaderingspolitiek van de Fransen niet in gevaar. [7]

De toenaderingspolitiek van Frankrijk resulteerde in het Verdrag van Locarno. Dat verdrag was gebaseerd op een voorstel van de Duitsers van 1922, dat door de conservatieve regering Poincaré was afgewezen en dat een niet-aanvalspact tussen Frankrijk, Duitsland, Engeland en België inhield. Het uiteindelijke Verdrag viel uiteen in twee delen, omdat Frankrijk de veiligheid van de landen aan de Oostgrens, zijn bondgenoten Polen en Tsjecho-Slowakije, wou betrekken in het pakt, maar Duitsland daar weigerachtig tegenover stond. Voor Polen en Tsjecho-Slowakije werd dus een andere oplossing gezocht: Frankrijk herhaalde eenzijdig zijn garanties tegenover de twee landen en er werd beslist dat geschillen tussen de landen zouden beslecht worden door middel van arbitrage. De onderhandelingen daarover aan de oevers van het meer van Locarno verliepen voorspoedig en op 15 oktober werd het verdrag ondertekend. Aan het verdrag werd een belangrijke conditie toegevoegd: de toetreding van Duitsland tot de Volkenbond. 

De toetreding van Duitsland had echter heel wat voeten in de aarde. Stresemann eiste dat Duitsland meteen een permanente zetel zou krijgen, maar weigerde anderzijds enkele van de afspraken die gemaakt waren in de Volkenbond te onderschrijven.  Zo was het onder meer afgesproken dat er repressieve maatregelen zouden komen bij een agressie tegen een van de leden van de Volkenbond en dat aan de troepen die zouden ingezet worden tegen de agressor, door alle leden vrije doortocht zou worden gegarandeerd. Stresemann had echter reeds een Russische aanval tegen Polen in gedachten, waarbij Franse troepen over het Duitse grondgebied zouden trekken tegen Rusland, met wie Duitsland na het Verdrag van Rapallo op zeer goede voet stond. Uiteindelijk trad Duitsland toch toe in september 1926. [8]

Het Verdrag van Locarno, samen met het Dawes-plan voor de herstelbetalingen en de toetreding van Duitsland tot de permanente raad van de Statenbond, zorgde voor een gevoelige ontspanning van de internationale betrekkingen.

 

b) Terugtrekking uit het Rijnland, ontwapening en het Kellogg-Briand Pakt

 

Briand en Stresemann, die voor het akkoord te Locarno de Nobelprijs ontvingen, trachtten de ingeslagen weg de volgende jaren te volgen. Samen met Chamberlain slaagden ze erin enkele hete hangijzers onder handen te nemen, te beginnen bij de ontruiming van het Rijnland. De eerste stappen die werden gezet waren de gesprekken tussen Briand en Stresemann te Thoiry, waar werd afgesproken dat in ruil voor de stabilisatie van de franc met de steun van Duitsland, Frankrijk het Rijnland meteen zou evacueren en het Saarland zou teruggeven op middellange termijn. [9] De evacuatie van het Rijnland vond uiteindelijk plaats tijdens de maand maart van het jaar 1927.

Direct na Locarno was reeds een conferentie voor ontwapening gepland. Daartoe werd een voorbereidende commissie in de Volkenbond ingericht. Daarin zetelden niet enkel Europese landen: ook de Verenigde Staten en de USSR maakten er deel van uit. Deze voorbereidende commissie werd het toneel van voortdurende twisten en de sessies ervan kregen bijna meer aandacht dan de zittingen van de voltallige raad. De commissie begon haar werkzaamheden in mei 1926 met het oog op het houden van een conferentie over het onderwerp in de zomer van 1927.[10] De conferentie werd door de voortdurende Frans- Britse tegenstellingen telkens weer uitgesteld, en de voorbereidende commissie kwam niet verder, dan het voorstellen van enkele ontwapeningsprocedures, terwijl het de bedoeling was dat ze kwantitatieve voorstellen zou doen met betrekking tot de grootte van de legers. Om de malaise enigszins te verdoezelen, werd een vlootconferentie in Londen gehouden. Aanvankelijk werd er van uitgegaan dat alle grote vlootmogendheden, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Japan, Frankrijk en Italië zouden deelnemen, maar de laatste twee deden uiteindelijk niet mee. En aangezien GB en de VS maar zeer moeizaam tot overeenstemming kwamen, kon de vlootconferentie de problemen van de voorbereidende commissie voor ontwapening niet verhelen. Integendeel, ze werden er nog extra door in de verf gezet. [11] De conferentie zou uiteindelijk pas in 1932 worden georganiseerd.

Ondanks deze mislukkingen waren de meeste Europese regeringen een zeer pacifistische politiek toegedaan, en aangezien de Volkenbond op dat vlak geen voldoening kon bieden, werd er naar een andere manier gezocht om een duurzame vrede een stap dichterbij te brengen. Briand nodigde daarom de Amerikanen uit om een pact te ontwerpen dat de oorlog buiten de wet zou stellen en waarbij beide landen zich engageerden om elkaar niet aan te vallen.[12] Dat was eigenlijk ietwat absurd, want de Fransen en de Amerikanen hadden hoegenaamd geen enkele reden om elkaar aan te vallen, en de kans dat het tussen de twee landen tot een oorlog zou komen was zo goed als nihil, maar het psychologisch effect van het Pact was zeer groot, vooral in de VS. Het pact kwam er en iedereen werd ertoe uitgenodigd zich bij het Kellogg-Briand Pact aan te sluiten. De aansluiting van de andere grote mogendheden holde het pact echter enkel nog uit. Niemand van de Europese diplomaten was er van overtuigd dat het Pact een oorlog zou kunnen voorkomen.

 

c) Economische voorspoed

 

Tegen 1925 had de Europese economie zich grotendeels hersteld tot op het niveau van voor de oorlog. Het Dawesplan, waarin Frankrijk aan een deel van de herstelbetalingen verzaakte, bracht de economie van Duitsland weer op gang, door middel van omvangrijke leningen, waarvan de terugbetaling over heel lange termijn zou geschieden (tot 1988). Na 1925 namen de Europese mogendheden talrijke initiatieven om de economische doorbraak meer kracht te geven. Zo sloten staalproducenten uit Frankrijk, België, Luxemburg en Duitsland in 1926 een staalkartel, waarbij in 1927 ook Tsjechoslowaakse en Oostenrijkse staalfabrikanten aansloten. Ook in andere sectoren, b.v. de chemische sector en de oliesector, werden kartels gevormd. Er waren echter nog talrijke hindernissen te overwinnen om de Europese economie beter te organiseren. De opsplitsing van het Oostenrijks-Hongaarse rijk had het transport in Europa aanzienlijk bemoeilijkt en de naties konden het niet laten toch het protectionisme in stand te houden, waarvan de drijfveren veeleer in de politieke dan in de economische sfeer te vinden waren. In 1927 werd een economische conferentie samengeroepen met de bedoeling de situatie te ontzenuwen, maar ze bereikte geen enkel noemenswaardig resultaat. Toch waren er talrijke politici die in de Volkenbond voor een matiging van de tolbarrières pleitten, zoals de Belgische minister Hymans, wiens rede in de Volkenbond enigszins in de schaduw kwam te staan van de toespraak van Briand (waarover later meer). [13] Ondanks de problemen die er waren, was iedereen het er toch over eens dat de voorspoed in Europa was teruggekeerd.

 

1.3 De crisis en haar repercussies 1930-1932

 

a) Economische ineenstorting en politieke radicalisering

 

De euforie over de economische heropleving en de nieuwe productiemethodes in de industrie, maar vooral in de landbouwsector, had ertoe geleid dat de productie tegen 1929 een eigen leven was beginnen te leiden en geen rekening meer hield met de vraagvariabele. Van zodra die stokte, kon een crisis niet lang uitblijven. Eind september 1929 maakte paniek zich meester van de New Yorkse beurs en vanaf dan begint een neerwaartse spiraal die zich maar enigszins herstelt vanaf 1932. De reactie op de crisis is in de meeste Europese mogendheden ongeveer dezelfde: de diverse regeringen, van welke politieke kleur ze ook zijn, zien als enige oplossing het verscherpen van de protectionistische maatregelen. De vrees voor een ontwaarding van de munt en van hogere sociale lasten jagen de tolmuren recordhoogtes in. Zelfs het oude bastion van de vrijhandel, Groot-Brittannië, neemt er zijn toevlucht toe. Doordat de Aziatische en andere buiten-Europese mogendheden op dezelfde manier reageerden, verviel een grote afzetmarkt voor de Europese bedrijven. Deze evolutie was al voor 1929 begonnen, daarna gingen de regeringen nog verder: het streefdoel was volledige autarkie. De Amerikanen, die heel de wederopbouw van Europa met leningen hadden gefinancierd, wilden opeens al hun geld terug, hetgeen vooral de Duitsers zuur opbrak. De hele Europese economie stortte tijdens het jaar 1930 geheel in.[14] De prijs van de goederen daalde van 1930 tot 1932 met een derde, en die van de grondstoffen met de helft.[15]

Als gevolg daarvan trad een algemene radicalisering van de politieke krachten in, in zowat alle Europese naties, maar eerst en vooral in Duitsland, waar de crisis het hardst voelbaar was. In 1930 waren er 12000 faillissementen en de werkloosheid trof 3 miljoen werknemers. De misnoegdheid bij het Duitse volk over het gevoerde beleid was dan ook groot, en in september behaalde de NSDAP van Adolf Hitler 107 zetels in de Duitse Rijksdag, tegenover 12 twee jaar voordien. Ook de communisten boekten uitzonderlijke vooruitgang. Kanselier Bruning begon met de socialisten bij decreet te regeren en zag zich genoodzaakt het parlement naar huis te sturen. Het politieke gevecht verplaatste zich naar de straten, waar voortduren gebikkeld werd tussen het Rood Front van de communisten en de SA, de militie van de nationaal-socialisten. In 1932 werden er vervolgens presidentsverkiezingen gehouden: Hitler behaalde in de tweede ronde 36 procent van de stemmen, tegenover 54 voor Hindenburg.

 

b) Het antwoord van de Volkenbond

 

De Volkenbond had weinig of geen ervaring in economische aangelegenheden. Zo waren de herstelbetalingen en de schulden bewust buiten het bevoegdhedenpakket gehouden dat aan de Volkenbond werd toevertrouwd. Enige uitbreiding van die bevoegdheden was altijd tegengehouden door de grootmachten uit vrees dat iets supranationaal zou kunnen beslist worden of dat hun protectionistische maatregelen zouden ondermijnd worden. De Raad kon dan ook niets anders doen dan lijdzaam toekijken. Nu staat wel vast dat er veel meer mogelijk was geweest als de mogendheden, in plaats van zich in autarkieën op te sluiten, samengewerkt hadden om de crisis te bestrijden. Het tegenovergestelde gebeurde. De weinige invloed die de Volkenbond had in economische aangelegenheden, zoals bij het organiseren van economische conferenties, werd gestaag afgebouwd na 1929.

De twee belangrijkste verwezenlijkingen van de Bond op economisch gebied waren de conventie over de tewerkstelling van buitenlanders, de conventie over het afschaffen van import- en exportrechten en het toltarievenbestand. De conventie over de buitenlanders was een lege doos, maar de andere twee verwezenlijkingen waren wel degelijk van groot belang. Na 1930 werden beide echter opgedoekt; de conventie doordat Polen de gemaakte afspraken niet ratificeerde en de andere mogendheden dat als voorwendsel gebruikten om het af te voeren en het tarievenbestand struikelde over het niet deelnemen van enkele vooraanstaande mogendheden.

De meest vooraanstaande leden van de Volkenbond konden het bovendien veel moeilijker eens geraken over tal van kwesties, onder meer over de ontwapening. De relaties tussen Duitsland en Frankrijk, Frankrijk en Italië en in het algemeen de verliezers en de winnaars van de oorlog verzuurden in snel tempo. Bij de verliezers van de oorlog, of alleszins de mogendheden die zich door het Verdrag van Versailles gefnuikt voelden, gingen de nationalistische tendensen meer en meer de bovenhand voeren. [16]

 

c) België en de crisis

 

Pas in de tweede helft van 1930 sloeg de crisis in België echt toe. De staal- en textielsector kregen ernstige klappen te verduren en de werkloosheid nam gestaag toe. België had vooral te lijden onder de economische maatregelen van de hem omringende naties. De ondergewaardeerde Belgische munt was altijd een troef geweest voor de Belgische economie, maar die troef kon niet meer uitgespeeld worden door de devaluaties van de andere Europese munten. België was ook al steeds een land geweest dat door zijn ligging het meest baat had bij vrijhandel. Ook die troef viel weg toen de meeste economieën in zichzelf keerden, en regeringen de douanetarieven gevoelig verhoogden.

België trachtte daarom regionale initiatieven te ontwikkelen, en dat lukte ook. In 1930 trad België toe tot de Oslo-conventie en in 1932 tot de Ouchy-conventie. Deze conventies hadden de bedoeling de vrijhandel te garanderen, en het mislukte toltarievenbestand nieuw leven in te blazen.[17]

 

 

2. Het Europese Project

 

2.1 De Europeïstische bewegingen

 

De idee van een verenigd Europa leefde reeds bij vele denkers en politici voor de Eerste Wereldoorlog. Voorbeelden zijn Napoleon, Saint-Simon, Victor Hugo, Giuseppe Mazzini en Friedrich Nietzsche. Toch bleef het enkel bij denkbeelden van alleenstaande personen, tot geëngageerde drukkingsgroepen kwam het nooit. De eerste Europese bewegingen kwamen vanaf 1923 tot stand, wanneer bij politici het besef begon door te dringen dat de Volkenbond een inefficiënt instrument was om de vrede te garanderen, en bovendien de spanningen tussen de Europese grootmachten, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland weer hoog begonnen op te lopen. 

 

a)  De politieke bewegingen

 

De belangrijkste was ontegensprekelijk de pan-Europese beweging van graaf Richard Coudenhove-Kalergi. Deze beweging draaide volledig rond zijn stichter. Coudenhove-Kalergi was net zoals zovele Duitssprekende onderdanen van Oostenrijk-Hongarije na de Eerste Wereldoorlog een Tsjechisch onderdaan geworden en was door zijn afkomst zelf een symbool voor vereniging van culturen en nationaliteiten (Coudenhove- Kalergi was de zoon van een Japanse vrouw en een Oostenrijks-Hongaarse diplomaat van Grieks-Nederlandse origine). In 1924, een jaar na de publicatie van zijn eerste boek m.b.t. een verenigd Europa, stichtte hij in Wenen de beweging ‘Pan-Europa’. In april verscheen de eerste editie van een nieuw tijdschrift, ook Pan-Europa genoemd, en de beweging richtte brieven aan parlementairen en leiders om hen van het Europese ideaal te overtuigen. Coudenhove- Kalergi schuimde vanaf 1926 ook zelf de Europese hoofdsteden af om daarover gesprekken te voeren en werd quasi overal op instemmende toon onthaald (in het Italië van Mussolini bvb. niet, maar daar rekende Coudenhove- Kalergi op de steun van oppositieleden zoals Benedetto Croce, Gaetano Salvemini en Francesco Nitti[18]. De beweging had een groot succes: belangrijke leden van de pan-Europese Unie waren o.m. Thomas en Heinrich Mann, de Oostenrijkse eerste minister Seipel, Yvon Delbos, een Frans minister, de Duitse kamervoorzitter Loebe, de Tsjechische president Benes en vele anderen[19] en reeds 2 jaar na de stichting werden op het Congres van de beweging in Wenen in 1926 delegaties van 24 landen in Europa ontvangen . Ondanks het feit dat er tijdens de periode tussen de twee wereldoorlogen nog een zeer groot aantal boeken over Europa werden geschreven, bleef het boek ‘Pan-Europa’ hét symbool bij uitstek van het nadenken over Europese integratie. Het staat stil bij alle argumenten voor de eenmaking: het eind van de Europese hegemonie in de wereld, de noodzaak van het opwerpen van een dam tegen het communisme, het gevaar van een nieuwe oorlog, de economische gevolgen van de versnippering van Europa, enz… en geeft een duidelijke geografische definitie van het Europa dat de pan-Europese beweging als doel zou moeten hebben  (Groot-Brittannië bvb. maakt geen aanspraak door zijn gigantische koloniale imperium en Rusland heeft een té zeer van het West-Europese model verschillende staatsinrichting), het institutionele kader krijgt een wat vagere invulling[20]. De bewering dat de Europese eenmaking een utopie was, weerlegde Coudenhove- Kalergi door erop te wijzen dat de eenmaking in het voordeel van een overweldigende meerderheid van de Europese bevolking was, en dat enkel de minderheid die aan de macht was, dat weigerde te erkennen.

Op ongeveer hetzelfde moment van de stichting van Pan-Europa, in 1924, publiceerde de Deen Christian Frederik Heerfordt zijn eerste boek, getiteld ‘Een nieuw Europa’. Heerfordt ziet de Unie anders dan Kalergi: hij ziet namelijk in de Unie niet alleen Europese landen, maar ook bijvoorbeeld de hele Angelsaksische wereld en zelfs Zuid-Amerika. Hiervoor geeft hij drie redenen: een Europese Unie kan niet zonder participatie van Engeland, een participatie van Engeland is niet mogelijk zonder het erbij nemen van zijn koloniale imperium, en uit een participatie van de Engelse kolonies vloeit de participatie van alle Engelssprekende Amerikaanse landen voort. Ongeveer op dezelfde manier als Coudenhove- Kalergi probeert hij zijn publicatie onder de Europese elite te verspreiden, maar het boek oogstte lang niet zoveel succes als ‘Pan-Europa’. De propaganda die Heerfordt op de verschillende regeringen afvuurt is daarom niet minder. Hij stuurt onder meer brieven naar de Franse regering en de Europese ambassades, en bezoekt verscheidene West-Europese landen.

Er waren ook een aantal politici die de Europese eenmaking een warm hart toedroegen. Politici echter verschillen van propagandisten en intellectuelen door het feit dat ze de problemen veel realistischer benaderen. Ze mogen bovendien de publieke opinie niet uit het oog verliezen. Walter Rathenau schrijft reeds tijdens de oorlog dat het nodig is dat de tolbarrières tussen de Europese landen moeten worden neergehaald. Joseph Caillaux bekritiseert in 1920 het Verdrag van Versailles omdat het nalaat de economische harmonie in Europa te bestendigen en in 1921 spreekt hij zich uit voor een economische en monetaire unie. Elmer Hantos, Hongaars staatssecretaris, beroept zich op de idee van de Verenigde Staten van Oostenrijk van voor 1914. Een Oost-Europese Unie tussen Roemenië Oostenrijk, Hongarije, Polen, Joegoslavië en Tsjechoslovakije zou politieke, economische en sociale aangelegenheden gemeenschappelijk kunnen regelen. Zijn ideeën werden op de conferentie voor een economische unie in Centraal-Europa bestudeerd, en worden nog opgerakeld in 1931 en ’32 in het kader van de Europese Federatie van Aristide Briand. Zelfs Trotsky publiceerde in de Pravda een pleidooi voor een Europese Unie (‘De Verenigde Werkliedenstaten van Europa’) gericht tegen Amerika. 

Locarno betekende een ommekeer voor de Europese internationale politiek van het interbellum, en de inspanningen van Locarno voor de vrede mondden zowat bij elke politicus die erbij betrokken was, in de eerste plaats Briand en Stresemann, maar ook bij Herriot, uit in een Europeïstisch standpunt.

 

b)  De economische bewegingen

 

In maart 1925 lanceren verschillende Europese topfiguren onder impuls van Charles Gide, een Frans econoom, een oproep voor de vorming van een ‘Europese douane-unie’ (UDE). Hun doel is ‘de faire de l’Europe, en lui donnant conscience de son unité, un grand marché libre ouvert à la circulation des marchandises, des capitaux et des hommes…’ [21]. De economische verstandhouding tussen de landen onderling is volgens de onderschrijvers een essentiële voorwaarde voor de politieke verstandhouding. Eigenlijk is dit document nog veel meer gericht tegen de op dat moment van kracht zijnde tolbarrières, dan het ingaat op het oprichten van een daadwerkelijke tolunie in Europa. De UDE schrijft naar aanleiding van de internationale economische conferentie van 1927 een memorandum, dat de unie veel minder vaag en veel realistischer omschrijft. Het zou gaan over een reeks van multilaterale verdragen die protectionistische maatregelen moeten verhinderen, een soort economische wapenstilstand. In een eerste stap zouden de naties de douanetarieven kunnen blokkeren, en dan in stappen de tarieven verlagen om zo te komen tot een volledig open markt. Ook in geografisch opzicht zou het in stappen verlopen: eerst de West-Europese naties en vervolgens de Oost-Europese en de zuidelijke naties. In deze zin stelt de UDE ook na de crisis van 1929 een douane-unie tussen Frankrijk, Duitsland en hun buurlanden voor. Dit document heeft een zeer duidelijke invloed op de eindtekst van de conferentie: ze maant de leden van de Volkenbond aan onmiddellijk te beginnen met het nemen van maatregelen om de douanetarieven te drukken.

In de jaren ’20 gaan er ook in industriële kringen stemmen op voor economische samenwerking. Onder impuls van de Pan-Europese Unie worden in verschillende industriële sectoren afspraken gemaakt die de concurrentie tussen landen moeten verminderen.[22]

 

c)  Intellectuele bewegingen

 

De oorlog laat een diepe impressie achter op de intellectuele wereld na de oorlog. Toch leidt dit niet altijd noodzakelijk naar een pro-Europese visie. Bij een aantal intellectuelen was dit wel het geval.

Het bekendste voorbeeld van een dergelijk auteur is José Ortega y Gasset, een Madrileen die had gestudeerd in Duitsland. Hij schrijft dat de Europese eenmaking een historische noodzakelijkheid is en dat ze nodig is om de Europeanen een ‘supplément d’âme’ te geven.

Nog een auteur die het vermelden waard is, is Carlo Sforza, die een diplomatieke en politieke loopbaan combineerde met het schrijven van artikels voor culturele tijdschriften. Zijn visie is gebaseerd op de Frans-Duitse as. «C’est d’eux en réalité que dépendra la paix de l’Europe.»[23] Hij mikt op een federale structuur gebaseerd op economische banden tussen de landen maar is niet optimistisch over de slaagkansen van zo’n unie omwille van de politieke situatie op het eind van de jaren ’20.

Andere namen van Europees geëngageerde auteurs zijn Jules Romains, Benedetto Croce en Hermann von Keyserling.

 

2.2 Het project van een Europese Federatie van Briand

 

a) De Europese idee vóór 1929

 

Na Locarno was er iets veranderd in de visie van de meeste Europese politici. Het Rijnpact en het Dawesplan waren namelijk door zowel de Fransen als de Engelsen als utopisch afgedaan tussen 1919 en 1923, en het gevoel was er dat er nu met een bloeiende vredespolitiek kon begonnen worden. Hierbij was de roep voor een Europese eenmaking nooit veraf. Het is opmerkelijk hoe vaak in de interviews met Briand en Stresemann reeds het woord ‘Europa’ en ‘europees’ in de mond genomen werd. Het doet Jacques Bariéty besluiten dat Briand reeds lang voor zijn toespraak voor de vergadering van de Volkenbond in 1929 dacht aan een toekomstig project voor Europese federatie. [24] In 1926 aanvaardde Briand een erevoorzitterschap van de Paneuropese Liga van Coudenhove-Kalergi, alhoewel hij niet alle punten van het programma van de Liga onderschreef. Het was voor hem eerder een tactische zet in de buitenlandse politiek van Frankrijk, het Europese project zelf was pas voor later. De jaren 1927 en 1928 lijken een stap terug in het Europese denken, maar dat is slechts schijn. De succesvolle opname van Duitsland in de Volkenbond, het internationale staalverdrag tussen Frankrijk, Duitsland, het Saarland (nog bezet gebied op dat moment), België en Luxemburg en het einde van de intergeallieerde bezetting van Duitsland zijn maar enkele van de verwezenlijkingen van die jaren.  On “faisait de l’Europe”, tout naturellement, pas à pas, sans ressentir le besoin de la définir, de le dire et d’employer le mot. [25] Pas aan het einde van 1928 kan men echt spreken van een negatievere atmosfeer tijdens de vele besprekingen in Europa, zoals omtrent de minderhedenkwestie in Polen. Voor Briand was er dan ook nog de persoonlijke teleurstelling over het Kellogg-Briandpact.

“…ce “pacte de renonciation à la guerre” signé à Paris le 27 août 1928 par Briand et le secrétaire d’Etat américain,(…), fut en faite pour lui (Briand) une grave déconvenue. (…), Briand avait en tête la conclusion d’un traité bilatéral franco-américain qui, de quelque manière, ramènerait les Etats-Unis dans les affaires européennes aux côtés de la France,(…). Or Washington refusa d’entrer dans cette voie(…). Il en résulta le pacte de 1928, magnifique proclamation d’intentions pacifiques, mais acte diplomatique sans une valeur réelle: l’avenir devait hélas, le montrer” [26]

Zodoende dacht Briand, ook door de financiële problemen van Frankrijk met de VS, dat het niet alleen in het belang van de vrede, maar ook in het belang van het buitenlands beleid van Frankrijk was om een soort Europees front te vormen.

 

b) Het hoogtepunt van ‘Le Plan Briand’ (sept. 1929-sept. 1930)

 

Drie jaar, van 1929 tot 1932, heeft het Europese federatieproject van Briand in de steigers gestaan, van de charismatische toespraak voor de Algemene vergadering van de Volkenbond in Genève tot de niet-hernieuwing van het mandaat van de studiecommissie voor een Europese Unie in mei 1932.

Reeds in juli 1929 doet het gerucht de ronde dat de regering Poincaré een initiatief ontwikkelt om tot een Europese Unie te komen. In augustus wordt Briand zelf, voordien enkel minister van buitenlandse zaken, tevens eerste minister van de Franse regering. Hij vermeldt dan al in de Kamer van Volksvertegenwoordigers dat het probleem van de Europese organisatie hem bezighoudt. Zijn toespraak van 5 september is op te delen in 5 fasen. Eerst brengt hij de idee naar voren zonder ze letterlijk te vermelden, maar door referentie te maken aan zijn persoonlijk engagement in europeïstische verenigingen, daarna excuseert hij zich als het ware aan het adres van de Volkenbond, en tracht hij zich zoveel mogelijk in te dekken en de afgevaardigden aan de idee te doen wennen. In zijn derde stap formuleert hij de idee openlijk in juridische en vlotte termen en propageert hij zijn eigen denkwijze over hoe de Unie zou moeten worden georganiseerd. Hij benadrukt in zijn vierde stap dat het economische in zijn visie absoluut voorrang moet krijgen op het politieke, en dat in zijn visie de soevereiniteit van de staten zeker niet in gevaar was. Tenslotte suggereert hij het aanstellen van een studiecommissie binnen het kader van de Volkenbond om het idee een meer concrete vorm te geven.

De reacties op het voorstel waren bijna van alle kanten positief te noemen. Spanje verzekerde onmiddellijk dat het geen struikelblok zou zijn bij het vormen van een federaal Europa. Stresemann, de Duitse minister van buitenlandse zaken, vond zelfs dat Briand veel te voorzichtig was en dat het absurd was dat de reis van Duitsland naar Tokio 20 dagen in beslag nam, terwijl een trein door Europa bij elke grens een uur vertraging opliep (deze verklaringen waren wel verschillend in betekenis van wat er binnenskamers werd gezegd). De Italiaanse minister van buitenlandse zaken Scialoja was misschien nog de minst enthousiaste waarnemer, maar ook hij prees de solidariteit en de vredesgedachte waarvan de idee uitging, niet zonder evenwel ook op de moeilijkheden ervan te wijzen. William Graham, de Britse afgevaardigde, wees erop dat de kroon altijd streefde naar vrijhandel, en dat als het project voor Europese Unie die idee huldigde, er van Engelse kant allerminst bezwaren zouden komen. [27]

Deze reacties waren echter enkel reacties voor de pers en de publieke opinie. Binnenskamers was bijna geen enkel land het plan écht genegen. Na de officiële voorstelling van het memorandum van de Franse regering in mei 1930 waren de reacties dan ook al veel koeler. Stresemann was in oktober 1929 gestorven, de beurs van Wall street was de 24ste oktober ingestort, en op de economische conferentie van Genève was het veeleer de nationale politiek, dan de internationale solidariteit die de boventoon voerde. Het memorandum zelf is een korte tekst opgedeeld in 2 delen, een preambule, en de eigenlijke voorstellen. In de preambule geeft Briand alle argumenten voor een Unie en een recapitulatie van de speech van 5 september.  De voorstellen zijn drieledig. Het eerste voorstel (in het memorandum: nécessité) is een pact van algemeen karakter om de morele eenheid van Europa te bevestigen en de solidariteit ook in een document vast te leggen. De tweede ‘noodzaak’ bestaat erin een mechanisme te installeren die de Unie de instrumenten geeft haar taak uit te voeren. Welke instrumenten? Een representatief orgaan, een executief orgaan en een service de secrétariat. Ten derde geeft Briand aan dat in de handelingen van deze organen, het economische ondergeschikt moet zijn aan het politieke, vanwege het feit dat alle vooruitgang in economische kwesties afhangt van de vooruitgang in de Europese veiligheidskwestie. En tenslotte geeft Briand de sectoren aan waarin hij Europese samenwerking nodig acht: algemene economie, transport, communicatie, financiën, arbeid, hygiëne, intellectuele samenwerking, interparlementaire relaties, en administratie. [28]

Alle 26 regeringen aan wie het memorandum was geadresseerd gaven een antwoord. Toch waren al deze antwoorden veeleer ingegeven door een nationaal belang dan door het belang van een federaal Europa. Allen geven ze aan dat er inderdaad een noodzaak bestaat tot Europese samenwerking. Tussen de lijnen echter kan men een zekere terughoudendheid lezen. Van de traditioneel neutrale landen is die terughoudendheid te verklaren vanuit een vrees voor een uitholling van de Volkenbond; andere landen, vooral dan Groot-Brittannië zagen in het voorstel een poging tot politieke hegemonie van Frankrijk. Ook de Duitsers, alhoewel welwillend naar de buitenwereld toe, gaven het memorandum geen kans. Geen enkele regering gaat in haar interesse voor het voorstel verder dan te zeggen dat ze bereid was tot periodieke bijeenkomsten. Bovendien waren alle regeringen, behalve de Spaanse, de Griekse en de Joegoslavische, de mening toegedaan dat in tegenstelling tot wat het memorandum stelt, het economische primeert op het politieke, of er toch minstens evenwaardig aan is. Duitsland en Hongarije namen de gelegenheid van het memorandum te baat om aan te dringen op aanpassingen van het vredesverdrag, en Italië ging nog een stap verder in het destabiliseren van het Franse initiatief door te wijzen op het feit dat ook naties buiten de Volkenbond, zoals Rusland en Turkije, tot de Unie moesten kunnen toetreden. De Franse regering stelde vervolgens een rapport op dat eigenlijk maar weinig aandacht besteedt aan de echte bezwaren van de verschillende Europese regeringen, en vooral alle positieve dingen tracht te onthouden. Op het eind van het rapport wordt een commissie aangesteld die zich met de organisatie van de Unie moet bezighouden.

 

c) Het einde van het plan Briand

 

De installatie van deze commissie liep niet van een leien dakje. Briand moest zich eerst van steun verzekeren bij de Engelse minister van buitenlandse zaken Henderson, en pas dan kon de commissie met een unaniem Europees koor achter zich van start gaan. De unanieme stemmenronde verborg evenwel de diepe kloof die bestond tussen Engeland en bijvoorbeeld Zwitserland, dat wel wat zag in een echte Europese Unie, met alle organen waarvan Briand de Unie had voorzien in zijn memorandum.

De Britten waren intern verdeeld: het idee dat Europa een vrijhandelszone zou worden kende in het traditioneel liberale Engeland een grote aantrekkingskracht. Bovendien stuwden de strenge protectionistische maatregelen van de Amerikaanse regering de Engelse waren meer naar het continent. Toch was de vrees dat een Unie teveel zou gekant zijn tegen de VS, groter dan de wil om een douane-unie aan te vatten. Ramsay MacDonald deed het plan af als een dagdroom van een idealist en vond dat men maar beter overging tot de orde van de dag, waar het verlagen van douanetarieven bovenaan op de lijst stond. [29] De Nederlanders, die samen met enkele Scandinavische landen de laagste douanetarieven hadden van de Europese mogendheden, waren tegen elk plan gekant dat de positie van buiten-Europese markten zou benadelen. De Nederlanders waren wel te vinden voor verlaging van douanetarieven of tenminste een tijdelijke bevriezing ervan, zoals de Belgische eerste minister Hymans op 5 september 1929 had voorgesteld net voor Briand zijn plan voor een Europese Unie had voorgesteld.[30] In Tsjechoslovakije, dat na het verdrag van Versailles de Fransen steeds dankbaar bleef voor hun steun tijdens de onderhandelingen, was president Benes reeds na de toespraak bij voorzichtig optimisme gebleven, hoewel “wait and see” een juistere weergave van zijn houding was. Uit het antwoord op het memorandum van mei 1930 kan men al een iets meer pessimistische houding afleiden. Het voorstel om ook Rusland bij de Unie te betrekken, kan gelden als een sabotagemanoeuvre.[31] Duitsland had na de dood van Stresemann in oktober 1929 een scherpe bocht genomen. Curtius was helemaal niet zo toegevinggezind als zijn voorganger en zeker niet zo gesteld op de Frans-Duitse as. Curtius was er op uit om de machtssfeer in Zuid-Oost-Europa te vergroten en was zeer sceptisch over de efficiëntie van de Volkenbond die hij nog steeds als een machtsinstrument van Frankrijk zag. De conferenties van Den Haag die eindelijk de ontruiming van het Rijnland geregeld hadden gaven de Duitsers ook meer vrijheid en onafhankelijkheid om zich binnen het machtsveld van Europa te bewegen. Mussolini was sowieso al geen voorstander van het afstaan van macht aan een hoger orgaan, en zag in de weerbarstige houdingen van Hongarije en Duitsland, die geen Europese Unie zou aanvaarden tenzij op basis van absolute gelijkheid, en dus niet op basis van de verdragen van Versailles en Trianon., een mogelijkheid om die weerbarstige houding een legitiem karakter te geven. Alleen de Griekse regering-Venizelos aanvaardde zonder enige opmerkingen het plan-Briand. [32]

Hoe werkte nu deze commissie? Ze begon haar werk op 23 september 1930, wanneer de economische omstandigheden onderhand absoluut catastrofale proporties aannamen. Briand, de voorzitter van de commissie, probeerde de weg te wijzen naar concrete intiatieven voor de unie, en zo de commissie die eigenlijk alleen mogelijkheden moest bestuderen, om te vormen tot een orgaan dat in de unie van Briand paste. Briand, die notitie genomen had van de vele opmerkingen die gekomen waren op de stelling dat het politieke voorrang moest krijgen op het economische, vatte aan met het economische hoofdpunt: de tolbarrières tussen de verschillende landen. Enkele cijfers van augustus 1929: in Polen bedroegen de douanetarieven zo’n 30 à 35 procent van de waarde van de ingevoerde producten, in Tsjechië en Hongarije 25 à 30 %, in Frankrijk, Duitsland, Italië en Joegoslavië 20 à 25 %, in België, Oostenrijk en Zweden 10 à 15 %, en Nederland en Groot-Brittannië hebben barrières van minder dan 10% (het gaat hier enkel over fabrieksgoederen)[33]. Na oktober 1929 en het begin van de crisis waren deze tarieven enkel nog verhoogd, ondanks de intentieverklaringen van de verschillende naties op de economische conferenties en in de Volkenbond. De commissie besliste op initiatief van Briand drie zaken, namelijk het inrichten van drie agrarische conferenties, één voor een akkoord over graan tussen Oost- en West-Europese landen, een tweede over de export van overschotten, en een derde over de oprichting van een internationaal kredietorgaan voor landbouw. Deze conferenties hadden echter geen enkel resultaat (behalve een akkoord van Duitsland met zijn buren over graantarieven). Deze mislukking was te wijten aan de Britten die zich categoriek verzetten tegen voorkeursbehandelingen voor Oost-Europese landen vanwege West-Europese landen. Briand voelde nadien dat hij alleen op tegenkanting zou kunnen regelen, niet alleen op het economische vlak, wanneer een subcommissie besliste dat de unie ook toegankelijk moest zijn voor niet-leden van de Volkenbond. Het politieke klimaat bleef door de crisis maar verslechteren en de grootmachten leken minder en minder in de echte macht van de Volkenbond te geloven. De derde samenkomst van de commissie vond plaats net nadat Duitsland zijn intentie had te kennen gegeven een douaneakkoord te sluiten met Oostenrijk. Deze beslissing was een provocatie, vermits het een impliciete poort was naar een Anchluss, die verboden was door het Verdrag van Versailles. Het rapport voor de XIIde bijeenkomst van de Volkenbond was dan ook erg mager: het document geeft goed weer hoe geïsoleerd de commissie wel was van de organen waarop ze een invloed moest uitoefenen.Toch kon Briand het mandaat van de commissie met nog een jaar verlengen. Het tweede jaar werd de commissie maar twee keer samengeroepen, net na de XIIde bijeenkomst van de Volkenbond en net voor de XIIIde. In het midden van het politieke jaar, in maart stierf bovendien Briand. Het was eigenlijk onduidelijk of de commissie reeds vóór hem of na hem, ophield te bestaan. Hoe dan ook was dit het einde van het plan Briand. De volgende pogingen om een Europese integratie te bewerkstelligen, waren eerder gericht op het bouwen van een dam tegen Nazi-Duitsland dan echt op een eenmaking af te stevenen.

 

d) De houding van België tegenover het Plan-Briand

 

België vertegenwoordigt in de discussie omtrent het plan voor een Europese federatie een ambiguë positie: enerzijds is ons land het plan niet ongenegen, en is Frankrijk bovendien al dan niet door een akkoord beklonken, Belgiës voornaamste bondgenoot. Toch prevaleren de twijfels. De passage in het memorandum die het politieke een hogere plaats toekent dan het economische deed vele haren ten berge rijzen. Het economische was voor België van absoluut groter belang. De manier waarop na eerst de Verenigde Staten hun markt afschermden in de late jaren ’20, en zeker na de krach van Wall Street, had de Europese naties en niet het minst België zorgen gebaard. Toen ook de Britse conservatieve partij op de noodzaak van protectionisme begon te hameren, achtte de Belgische minister het nodig van een signaal te geven. In samenspraak met de Engelse leider Mac Donald stelde Hymans op 5 september voor een economische wapenstilstand af te sluiten, waarop de verschillende naties konden beslissen hoe ze konden zorgen dat de toltarieven niet oneindig de hoogte bleven ingaan. België was dus zeker voorstander van economische samenwerking, maar die moest niet beperkt worden tot de Europese naties, maar ook betrekking hebben op de Verenigde Staten en andere naties die niet in de Volkenbond zetelden. [34] Toen de economische crisis in 1930 echt naar Europa was komen overwaaien en de grote agrarische producenten op autarkische maatregelen overschakelden trad België dan ook toe tot het initiatief van Nederland en enkele Scandinavische landen, die een regionale economische unie in het leven had geroepen (Oslo-conventie, december 1930).

Het Plan-Briand was dus gewoon niet opportuun voor België, ook door het feit dat het politieke klimaat doordrongen was van scepticisme tegenover het plan. De eerste reactie van Joseph Mélot, ambtenaar op het bureau voor de Volkenbond van het ministerie van buitenlandse zaken, op Briands toespraak, spreekt boekdelen:

“Briand, d’abord lourd et fatigué, s’est animé ensuite, a repris son ton et son éloquence d’autrefois. Il a presenté et défendu sa fameuse idée de fédération européenne. Trop bon avocat d’une mauvaise cause, il a persuadé une partie de cette assemblée, composée pourtant d’hommes d’expérience, qu’on pouvait songer à établir des liens fédéraux entre toutes les nations d’Europe. Sourions, l’entreprise n’est pas encore réalisée.” [35]

Het enige werkelijke effect dat het Plan-Briand op de Belgische politieke wereld had was dat het de visie op de Europese zaken veranderde.[36]  De Ouchy-conventie tussen België, Nederland en Luxemburg moet ook in die veranderde visie gezien worden: het was in de eerste plaats een poging om Groot-Brittannië en eventueel ook Frankrijk en Duitsland uit hun economisch isolement te trekken. 

 

 

3. De Belgische pers tijdens het interbellum

 

3.1 De Standaard

 

De krant ‘De Standaard’ ontstond in 1914 op initiatief van Frans Van Cauwelaert, dr. Alfons Van de Perre en Arnold Hendrix, om een Vlaams gezinsblad uit te geven. De voorloper, ‘Ons Volk Ontwaakt’ kende onmiddellijk succes en droeg bij tot de oprichting van ‘De Standaard’ maatschappij, die als enige doel het uitgeven van een katholiek , Vlaams dagblad te Brussel had. De lanceringsdatum was vastgesteld op 22 november 1914, maar de oorlog gooide roet in het eten, waardoor enkel een brochure werd uitgegeven met het programma van het toekomstige blad. Het eerste nummer verscheen dan toch op 4 december 1918. In 1925 begon een strijd om de macht in de krant tussen de eerder gematigde flaminganten in de redactie zoals directeur Van Cauwelaert zelf in de eerste plaats en hoofdredacteur Cordemans, en radicalere flaminganten zoals afgevaardigd beheerder Karel De Baerdemaecker en Arnold Hendrix, die eveneens in de raad van bestuur zetelde[37]. Uiteindelijk werd het pleit gewonnen door de radicalere Vlaamsgezinden: in 1929 werd de krant overgenomen door Gustaaf Sap, die de hoofdredacteur Cordemans (gesteund door Van Cauwelaert) verving door Jan Boon.

Dat de Standaard christelijk geïnspireerd is, steekt hij niet onder stoelen of banken, maar de ideologie wordt evenmin breed over de pagina’s uitgesmeerd. De christelijke overtuiging is eerder een achterliggend kenmerk dan een opgedrongen levensvisie. Het is wel steeds een uitgesproken Vlaamsgezinde krant geweest. In het programmanummer kondigde De Standaard aan zich te willen inzetten voor de gelijkheid tussen Vlamingen en Walen. Geen vijandigheid, maar samenwerking was het motto. Op die manier zou men dan kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van de hele Belgische staat. Onder impuls van Gustaaf Sap en diens familie evolueerde de krant meer naar de Vlaams-Nationalistische strekking. Gaston Durnez wijst erop dat de binnenlandredactie van de Standaard steeds meer bij rechts aanleunde, terwijl de redactie buitenland meer links geïnspireerd was.

De regering Poullet-Vandervelde, de eerste waarin christen-democraten met socialisten regeerden, werd principieel gesteund door de Standaard, maar hield het niet lang uit, en de monetaire crisis die ze veroorzaakte, werd met zoveel exclusiviteit aangepakt door de tripartite regering Jaspar I, dat er heel wat kritiek uit flamingantistische hoek werd geleverd. Ook deze regering viel snel, en een conservatieve regering o.l.v. Jaspar kwam aan de macht. Deze zorgde voor heel wat verdeeldheid binnen de Standaardredactie. De legerhervorming die zorgde dat de opleiding in de moedertaal werd gegeven, maar die het Frans als commandotaal behield werd door de Standaard aanvaard, maar medewerkers als Gustaaf Sap konden zich er niet in vinden. Deze laatste begon dan ook met een geleidelijke overname van de aandelen van de Standaard, en begon tegelijkertijd de druk op te voeren langs flamingantistische zijde. De verkiezing van Borms in 1929 verscherpte nog de tegenstellingen en op 1 mei 1929 nam Sap volledig de macht over door het ontslag van Cordemans als hoofdredacteur en de aanstelling van Jan Boon. Maar van deze machtswissel was in het dagblad zelf erg weinig te merken[38].  Ze uitte zich wel in een vijandigere houding tegenover de Franstalige katholieke, maar in de eerste plaats belgicistische krant La Libre Belgique.

 

3.2 Het Laatste Nieuws

 

Het Laatste Nieuws werd opgericht in 1888 door Julius Hoste, de Brusselse burgemeester Buls en senator Goblet d’Alviella. Hoste bleef na een korte periode als enige initiatiefnemer over en de krant kende een relatief succes. De familie Hoste bleef vervolgens altijd de macht behouden (tot in 1987, wanneer de familie Van Thillo de touwtjes in handen krijgt).

De krant stelde zich op als liberaal Vlaams, humanistisch en ook antiklerikaal. Deze opvattingen komen echter nooit heel expliciet over, zoals in de socialistische kranten. Ze zijn enkel tussen de lijnen te lezen. De verwezenlijkingen van regeringen waartoe geen liberalen behoren krijgen net zo goed applaus van het Laatste Nieuws, zoals onder meer na het Verdrag van Locarno blijkt. In communautaire kwesties kiest ze altijd de kant van de flaminganten, maar dit op meer gematigde manier dan de Standaard. Het gaat ook nooit uitgesproken polemieken aan met andere kranten. Het buitenlandse nieuws tijdens de behandelde periode wordt verslagen in een aparte rubriek, getiteld ‘Buitenlandsch Overzicht’,  die wordt samengesteld door Hoste jr., die ook grotendeels de opiniestukken over buitenlandse gebeurtenissen op de voorpagina voor zijn rekening neemt. 

 

3.3 Vooruit

 

Vooruit werd gesticht door Edward Anseele te Gent in 1884, het jaar dat de arbeiders voor het eerst mochten stemmen voor de werkrechtersraden. Anseele had de bedoeling een dagblad te maken dat de socialistische gedachte zou verspreiden. Een jaar daarna werd de Belgische werkliedenpartij gesticht waarvan Vooruit van dan af een partijorgaan zou worden.

De krant vertegenwoordigt dus enkel de partijstandpunten. De krant werd in het eerste deel van het interbellum geleid door Pol De Visch, vanaf 1927 door Gust Balthazar die de rol van bestuurder vanaf dan combineerde met die van hoofdredacteur die tot dan Ferdinand Hardijns was.De redactie buitenland werd gevormd door het enige redactielid dat een kennis bezat van het Frans en het Engels, namelijk Jozef De Graeve. Vanaf 1923 kreeg die zelfs een eigen rubriek op de eerste pagina: het Buitenlandsch Overzicht.

In 1925-1926 verslapte de aandacht voor het buitenland, eerst door de verkiezingen, die de krant de facto in een propagandamachine omtoverden, en vervolgens, na de overwinning van socialisten en christen-democraten, door de regering Poullet-Vandervelde, die alle aandacht van het partijblad opslorpte. De enige zaken die dan ook echte aandacht kregen waren de verwezenlijkingen van socialistische ministers zoals de garantie van Engeland verkregen op de conferentie van Locarno in oktober 1925.

Na het aan het bestuur komen van Gust Balthazar, onderging het dagblad enkele ingrijpende veranderingen: zo verdween de dagelijkse rubriek van Jozef De Graeve. Er kwam meer nieuws uit de ontspanningssector, waardoor integrale verslagen van conferenties en vergaderingen op het achterplan geraakten. De Vlaamse kwestie won aan belang in de krant, die ijverde voor amnestie.

 

3.4 La Libre Belgique

 

La Libre Belgique verscheen voor de oorlog als Le Patriote, en was met de bedoeling van een katholiek tegengewicht voor de liberale bladen opgericht door de gebroeders Jourdain. Tijdens de oorlog verscheen het blad clandestien onder de naam La Libre Belgique en na de oorlog bleef die naam behouden.

La Libre Belgique gaat door als een degelijk, conservatief en katholiek blad. Het is gekant tegen alles wat de orde kan verstoren en het beschouwt het koningshuis als de beste garantie voor stabiliteit. Het is in de het entre-deux-guerres ook bijzonder sterk gekant tegen de socialisten.

De krant is ook fervent antiflamingant. Het is op sommige momenten, zeker na de Eerste Wereldoorlog, niet overdreven van een ware mediaoorlog te spreken tussen ‘De Standaard’ en ‘La Libre Belgique, nochtans de twee voornaamste katholiekgezinde bladen van het land. Rond de vernederlandsing van de Gentse Universiteit citeren de kranten elkaar bijzonder vaak in negatieve bewoordingen.

Haar conservatisme uit zich in volle steun voor het Frans-Belgisch militair akkoord van 1920, en in 1923 steunt ze, echter niet letterlijk maar impliciet, de beslissing om de Ruhr te bezetten samen met Frankrijk[39]. In 1925 begroet ze de regering Vandervelde in de volgende bewoordingen: “Plus que jamais il est vrai de dire qu’il n’y a plus en Belgique qu’une solide digue devant le péril rouge: le Parti Catholique” en les socialistes “corrompront nos administrations, notre magistrature en y fourrant leurs créatures et en y faisant régner un esprit nouveau qui ne serait ni favorable à l’intérêt public, ni sympathique aux catholiques”.

In het algemeen wordt hoe dan ook veel minder aandacht besteed aan buitenlandse politiek dan aan binnenlandse aangelegenheden:

“Ce genre de conflit (de strijd tussen de partijen in de regeringen van nationale eenheid na WO I) occupe, dans La Libre Belgique, plus de place que les faits de politique étrangère. Il n’arrive pratiquement jamais que l’on envoie un journaliste à l’étranger.”[40]

 

3.5 La Gazette / La Nouvelle Gazette

 

La Gazette ontstaat in 1878 door de overname en naamverandering van een andere krant: Le Progrès de Charleroi. De krant noemt zichzelf “un organe en quelque sorte officiel du parti libéral, un journal qui sera la chose du parti tout entier sans être à vrai dire la chose de personne...” [41]. De krant richt zich in de eerste plaats tegen het klerikalisme, maar na de oprichting van de socialistische partijen verandert hij het geweer van schouder en wordt hij meer en meer antisocialistisch waarbij hij meer voor de rechten van o.m. zelfstandigen en ondernemers ijvert. Het socialisme en het communisme zijn tijdens het interbellum volgens de krant de gevaarlijkste krachten: in een oproep aan de lezers om vrienden aan te moedigen de krant te kopen, lezen we deze passage:

“Plus il y aura de gens qui liront la Gazette, plus il y aura de gens qui penseront comme elle, plus il y aura donc de gens qui comprendront la nécessité impérieuse pour tous les Belges, soucieux de leurs intérêts comme de ceux du pays, de s’unir et de se grouper, sans distinction d’opinions philosophiques ou religieuses, pour faire face à l’ennemi commun: le socialisme et le communisme, ce qui est la même chose.”[42]

De krant is zeer sober van uitzicht, er staan geen foto’s in, enkel tekst. De auteurs van de artikelen worden niet vermeld, tenzij als het gaat om figuren uit het publieke domein. De eerst pagina van de krant is gewoonlijk gewijd aan opiniestukken, in een willekeurige volgorde wat betreft het onderwerp. De krant beslaat slechts 4 pagina’s, een enkele keer 6.

 

3.6 Le Peuple

 

Een jaar na Vooruit werd Le Peuple gesticht, eveneens als partijorgaan van de pas gestichte BWP/POB. Het ontstond door een samengaan van de weekbladen La République en La Voix de l’Ouvrier. De directeur van het blad tijdens het interbellum was Joseph De Wauters die ook verscheidene keren minister was. Toen die in 1929 overleed werd hij eerst ad interim opgevolgd door een ander zwaargewicht in de BWP, Louis De Brouckère die ook eerder al een rol had in het dagblad, en later door Arthur Wauters, de broer van Joseph.

De krant besteedt relatief veel aandacht aan buitenlandse zaken, maar enkel om het belang van de socialistische verwezenlijkingen te benadrukken, of, als de socialisten er niet in betrokken waren, er de tekortkomingen van aan het licht te brengen. De hoofdredacteur ‘Buitenland’ is Jexas, die steeds een scherpe pen bovenhaalt tijdens de regeringen van Jaspar en niet aarzelt om het socialistische belang boven het nationale belang te plaatsen, zoals onder meer tijdens de onderhandelingen over de herstelbetalingen zal blijken (cfr. Infra). De communautaire kwesties laat de krant voor een groot deel over zijn kant gaan.

 

 

II. De pers

 

1. Eerste periode: het Verdrag van Locarno (10 – 11/1925)

 

De hoeveelheid artikels die over het Verdrag van Locarno verschijnen is voor ons onderzoek nauwelijks van belang. Het gaat ons vooral om de associatie die met Europa wordt gemaakt. Daarom hebben we voor deze periode enkel de opiniërende artikels onder de loep genomen, en onderzocht in welke mate de verschillende kranten in het Verdrag een aanloop zien naar een meer geïntegreerd Europa, en hoe ze deze evolutie inschatten. Zijn ze optimistisch over het bereikte resultaat in Locarno of niet? Zien ze het als een eindpunt of als een beginpunt voor Europese besprekingen?

 

a) De Standaard

 

Voor de Standaard hebben we 2 artikels gevonden die uitgebreid ingaan op de implicaties die het Verdrag heeft voor de nieuwe verhoudingen in Europa. Op 14 oktober, nog tijdens de voorafgaande besprekingen, lezen we op de voorpagina een uitgebreid artikel over wat het Verdrag van Locarno allemaal behelst, en welk belang er mag aan toegekend worden. Het gaat uit van de Engelse correspondent van de Standaard, en het artikel bekijkt dus de Belgische positie vanuit Engelse hoek. Het belicht vooral de mentaliteitswijziging die nodig was om deze doorbraak te bekomen.

«De Conferentie van Locarno, en dat is wellicht haar grootste verdienste, heeft onder de Europeesche grootmachten een gansch nieuwe verhouding in het leven geroepen. Talloze bareelen zijn gevallen en met ongeveinsde oprechtheid heeft men mekaar ter conferentiezaal de hand gedrukt. De oorlogspsychose verzwond om plaats te maken voor die gezonde, reale opvatting der dingen, welke door een beperkte, maar helderziende elite sedert jaren aangepredikt wordt. Het is een merkwaardige verandering, welke voor de komende tijden het beste doet verhopen.»[43]

Het artikel bevat voorts enkele kritische noten met betrekking tot het Frans-Belgische militair akkoord en benadrukt dat het belangrijk is dat in het Verdrag de relatie van Frankrijk met Duitsland en de relatie tussen België en Duitsland in een aparte paragraaf worden behandeld.

Het tweede artikel verscheen op 16 oktober, na de ondertekening van het Verdrag, en bevat concretere bedenkingen over de gevolgen van het verdrag voor de Europese diplomatie, maar men moet het wel situeren in de wat euforische fase meteen na de ondertekening. De toon is uiterst optimistisch.

«Het was een verheugende tijding, de bekroning van veel diplomatisch overleg, van veel toenaderingszin, van veel vredelievendheid. Het is de inzet eener nieuwe vredesperiode in Europa, daar vooreerst het grootsche akkoord bestaat om den oorlog uit te sluiten als middel tot regeling van geschillen in het Westen, terwijl het land dat er zich aan zou vergrijpen een zeedelijke verantwoordelijkheid zou oploopen, welke als een ontzettende last op zijn schouders zou drukken en het tegenover de menschheid als misdadiger zou bestempelen. Meteen kreeg de kwestie der veiligheid voor de landen, die bij het pact betrokken zijn, een nieuw fundament en teekende het uitzicht op de toekomst zich af met hoopvolle kleuren.»(…)

«Locarno is dan de triomf van het gezond verstand geworden in Europa, de triomf van het hersteld vertrouwen, na bitteren strijd, de zegepraal eener gezonde reaalpolitiek.»[44]

Heel het artikel is in deze trant geschreven, het optimisme hoeft men er bij wijze van spreken niet tussen de lijnen te gaan zoeken. Voorts komt het streven naar een Verenigd Europa bij de commentatoren van De Standaard niet voor, behalve in een interview met Emile Vandervelde, die als minister van buitenlandse zaken de Belgische belangen op de conferentie in Zwitserland behartigde. Hij zegt letterlijk: «Het einddoel, dat is het oprichten van de Vereenigde Staten van Europa, wordt erdoor naderbij gebracht, zooals M. Briand in zijne sluitingsrede verklaarde.» De Standaard gaat hier niet verder op in.

 

b) Het Laatste Nieuws

 

In Het Laatste Nieuws vonden we 4 artikels die de evolutie van de Europese politiek becommentariëren. Op 6 oktober neemt de krant een artikel uit de Manchester Guardian als aanleiding om de toestand van Europa te bekijken en de vele aspecten van de aanstaande conferentie uit de doeken te doen. De journalist legt er de nadruk op dat de leden van de conferentie moeten opletten dat ze niet vallen over kleine twistpunten, zoals het Frans-Belgisch militair akkoord, of de Keulse kwestie, maar ook dat de conferentie zich niet verbrandt aan al te grote ambities en dus niet moet proberen alle kwalen van West-Europa te genezen.[45]

Het tweede artikel is ook een waarschuwing voor de conferentie-afgevaardigden: het mag nooit de bedoeling zijn om de conferentie te gebruiken om andere mogendheden te benadelen of te beschadigen, indien men op vredesgebied iets wil bereiken. Deze twee artikels doen uitschijnen dat men er absoluut niet zeker van was dat de conferentie de goede afloop zou krijgen die ze uiteindelijk had.

Het volgende artikel, dat verschijnt op 15 oktober, als de conferentie naar haar einde toegaat, heeft h