| Televisie in Burkina Faso: een analyse van de manier waarop kijkers hun ervaringen verbinden met televisieboodschappen. (Barbara Schepens) |
| home | lijst scripties | inhoud |
1. Korte schets van het onderzoek
Door een samenwerkingsverband tussen de vakgroep Afrikaanse talen en culturen van de universiteit van Gent en het commerciële productiehuis RosProductions kregen vier studenten van de RUG en ikzelf de kans om twee maanden veldonderzoek te verrichten over de ontwikkeling van het massamedium televisie in Burkina Faso, meer bepaald in de hoofdstad van Burkina Faso, Ouagadougou. RosProductions houdt zich vooral bezig met het leveren van materiaal en aanbieden van ondersteuning aan mediaprojecten in Burkina Faso en andere West-Afrikaanse landen. Verder houdt RosProductions zich eveneens bezig met het maken van reportages, videoclips en dergelijke die aan diverse televisiezenders in en buiten Ouagadougou verkocht worden. Televisie is een nieuw en urbaan medium in West-Afrika en speelt een prominente rol in de informatieverspreiding van de bevolking in de steden. Televisie kent een grote verspreiding en heeft mogelijk een zekere impact op de kijkers. Via het veldonderzoek trachtten wij zicht te krijgen op de penetratie van het medium televisie in Ouagadougou. Daarnaast probeerden wij gegevens te verzamelen over het socio-economische profiel van de televisie.
Het onderzoek was ‘multi – sited’: wij opereerden in verschillende discontinue ‘sites’. De basis was de familie waar wij twee maanden verbleven. De families werden gekozen in samenwerking met een medewerker van RosProductions. In elke familie was een ‘buddy’ aanwezig van onze leeftijd, die als begeleidster fungeerde en ons wegwijs maakte in Ouagadougou. In deze ‘site’ opereerden wij individueel. In andere ‘sites’ die te maken hadden met specifieke media - producten zoals diverse internationale en lokale televisieprogramma’s - werkten wij in groepsverband. RosProductions zorgde in het begin van ons onderzoek voor de nodige contactpersonen en informanten. Academische ondersteuning ter plaatse was er in de persoon van professor Balima, een docent aan het departement Kunsten en Communicatie van de universiteit van Ouagadougou.
Het onderzoek beklemtoonde dat televisie, ondanks z’n macht, zijn publiek niet als passief mag aanzien, maar als actieve kijkers die productief bezig zijn met het hermaken van de waargenomen beelden.
Dat
voor dit onderzoek Burkina Faso gekozen werd als onderzoeksterrein is niet
vreemd. Sinds 1966 wordt in Burkina Faso om de twee jaar het Fespaco[1]
georganiseerd met als doel het zorgen voor de ontwikkeling van de Afrikaanse
cinema. In Ouagadougou is eveneens de zetel van het FEPACI[2]
gelegen. Door de specifieke politiek van het nationaal centrum voor cinema in
Burkina Faso zijn er niet minder dan zestig realisatoren in Burkina, een groot
aantal techniekers en acteurs en minstens veertig cinema’s. Burkina Faso is op
het vlak van film en televisie één van de meest dynamische landen van Afrika.
(http://www.syfia.com/presse/psprod.asp?ocID=ps1132-201)
Na een 5-tal weken deel te nemen in het leven van de familie Ouedraogo, hun kijkgedrag en omgang met de televisie in het dagelijkse leven te observeren en na het afnemen van tientallen personen betrokken bij verschillende mediaproducten merkte ik op dat het medium televisie duidelijk wordt geïncorporeerd in hun dagelijkse leven in het bijzonder en dat van de Ouagalezen in het algemeen. In deze thesis zal ik vooral kijken naar de manier waarop buitenlandse programma’s een rol spelen in het leven van de Burkinabese bevolking. En dan meer bepaald hoe buitenlandse soaps en telenovelas deel uitmaken van hun leven.
Ik wil in de eerste plaats nagaan of kijkers bepaalde zaken die zij waarnemen gaan imiteren. Geven bepaalde buitenlandse programma's een aanzet tot het veranderen van bijvoorbeeld het uiterlijk zoals kledingsstijl en haartooi? Wat precies kan daartoe aanleiding geven? Speelt de populariteit van een programma daarin een rol? Komt het omdat het publiek zich sterk identificeert met sommige personages? Denken mensen dat bepaalde attitudes veranderen onder invloed van de televisie. Zoals bijvoorbeeld het ontwikkelen van andere opvattingen over de liefde tussen een man en een vrouw.
Vervolgens wil ik nagaan op welke manier de grens tussen de wereld van fictie en die van de eigen realiteit wordt overschreden. Wanneer mensen vertellen over bepaalde personages uit televisieprogramma’s, trekken zij de narratieven door naar hun eigen ervaringen. Zij spreken niet alleen over hun eigen ervaringen, maar ook over de mogelijke ervaringen die anderen kunnen hebben. van de televisie. Hoe gebruiken mensen hun ervaringen uit het dagelijkse leven om betekenis te geven aan bepaalde programma’s? Kan televisie gebruikt worden om sociale problematieken bespreekbaar te maken?
Ten derde ga ik na of televisie kan dienen als referentiepunt voor de circulatie van bepaalde woorden en taalstijlen. Volgens Bakhtin (1981:p.293) heeft "mass media the potential to magnify and even create the 'socially charged life' of certain linguistic forms". Op welke manier kunnen woorden die uitgedrukt worden in televisieprogramma’s gaan circuleren in het alledaagse taalgebruik? Media-uitdrukkingen worden vaak niet op dezelfde wijze door iedereen gedecodeerd. Sommige woorden of uitdrukkingen waargenomen op de televisie worden uit hun context gehaald en in een andere context geplaatst. Wat heeft hier aanleiding toe?
Op al deze onderzoeksvragen zal geprobeerd worden een antwoord te geven in deze thesis aan de hand van analyses van het verzamelde materiaal tijdens het veldwerk en vergelijking met literatuur over dergelijk onderzoeksonderwerpen. Maar alvorens hiertoe over te gaan, beschrijf ik kort de gebruikte onderzoeksmethodes tijdens ons veldwerk. Nadien geef ik kort een beschrijving van de bronnen waarvan ik gebruik maakte om mijn thesis te kunnen uitwerken.
3.1. Veldwerk
Met vijf studenten vertrokken wij voor twee maanden, van 20 augustus tot 19 oktober 2000 naar Ouagadougou, met als doel het onderzoeken van de media en zijn gebruik in Ouagadougou. Het project bestond gedeeltelijk uit een 'audience ethnography'. De basis van het onderzoek was de familie waar we verbleven. In de familie gingen wij individueel te werk. Belangrijk was te kijken naar wat het publiek deed met de beelden die werden uitgezonden. De ontvangen beelden worden objecten van conversatie en gaan een eigen sociaal leven leiden.
Via etnografische weg probeerden we de receptie, interpretatie, productie en reproductie van ideeën en televisiefragmenten te ontrafelen en te beschrijven. Het gebruiken van etnografie als onderzoeksmethode bij mediastudies voor het onderzoeken van 'audiences' is vrij recent. Bij etnografische studies wordt gebruik gemaakt van verschillende kwalitatieve technieken zoals onder andere focusgroepen en diepte-interviews. Via de receptieanalyse zet men zich hierbij af tegen de klassieke benaderingen van de boodschap en van het publiek. De kijkers, zo stelt men, is niet passief, weerloos, 'stupid and naive'. De boodschappen die door de media - en populaire cultuur worden aangeboden, zijn geen gesloten teksten met één afgeronde betekenis. Het is integendeel zo dat deze teksten polysemisch dienen te worden opgevat en slechts in de lokale consumptie een bepaalde betekenis krijgen. Dergelijke teksten veronderstellen m.a.w. actieve en creatieve consumenten, die op basis van hun culturele en sociale identiteit een bepaalde contextgebonden betekenis aan de tekst geven. Wat dus globaal aangeboden wordt, is zodanig dat het steeds lokaal dient te worden ingevuld, ingepast in de plaatselijke cultuur. Het is nu zo dat niet alleen de lokale consument zich de producten toeëigent die de transnationale cultuurindustrieën hun aanbiedt, maar dat ook de lokale producent dit doet. Men transformeert de geijkte grammatica en genres van de globale culturen, past ze aan de eigen lokale cultuur aan, vermengt ze met eigen, bestaande genres en creëert op die manier nieuwe syntheses (L. Van Poecke & H. Van den Bulck, 1994:p.15-16)
De opvatting dat het mediapubliek passief was, herhaalde men grotendeels in neomarxistische kritische theorieën waarin men sprak van een dominante ideologie die opgelegd werd aan verschillende publieken en resulteerde in culturele integratie en vals bewustzijn. Televisie "was thought to deflect from the 'serious' business of class struggle" (Moores, 2000: 3) Aan de ene kant hebben we een model dat 'het publiek' construeert als zijnde een homogene massa, een beetje zoals in veel gevallen nationale bevolkingsgroepen worden gevormd tot een homogene massa. Aan de andere kant wordt 'het publiek' geportretteerd als heterogeen, als intellectueel en/of moreel gelaagd of gedifferentieerd naargelang hun gevoeligheid of beïnvloedbaarheid. Verschillen tussen groepen worden naar voor gehaald, maar deze verschillen zijn vooral gebaseerd op noodzakelijke veronderstellingen. (Moores, 2000: 3-4)
Alhoewel de etnografische onderzoeksmethode ook aan kritiek onderhevig is, stelt Moores dat onderzoekers die kwalitatieve onderzoeksmethodes hanteerden vaak gezocht hebben om culturele praktijken te verklaren door dezen te plaatsen in relatie tot ruimere interpretatieraamwerken en structuren van macht. Moores omschrijft dit als ‘kritische etnografie’. (Moores, 2000: 5) Deze vorm van etnografie is een benadering die de interpretaties die zijn geconstrueerd door de consument in het dagelijkse leven ernstig neemt. (Moores, 2000: 5)
Bij een etnografische onderzoeksmethode wordt de nadruk gelegd op interactie: doordat wij twee maanden in één familie verbleven, kon een intieme relatie opgebouwd worden met de gezinsleden. Door betrokken te zijn in het persoonlijke en sociale leven van de familie kregen we een breder beeld van hen en ook omgekeerd. Het gedeeltelijk analyseren van de verzamelde data vond al plaats tijdens het veldwerk. Door het nader bekijken van de aangetekende notities in mijn logboek, de reeds uitgevoerde transcripties van bepaalde interviews, het houden van focusgroepen, verkregen documenten zoals thesissen over mediastudies in Burkina Faso en dergelijke raakten wij vertrouwd met de verworven informatie. Dit hielp ons om verdere onderzoeksvragen te ontwikkelen die wij stelden bij volgende contacten. Gelijklopende opvattingen over bepaalde media-indrukken doken op in verschillende interviews.
3.2. Onderzoeksmethodes
3.2.1. Inleiding
Voor ons etnografisch veldwerkonderzoek kozen wij voor het werken met kwalitatieve onderzoeksmethoden. Het werken met dergelijke onderzoeksmethoden wordt als nuttig beschouwd sinds de komst van de 'actieve kijker' opvatting. Dergelijke methode stelt het verkrijgen van een 'native's point of view' voorop. Bij zulke benadering kan men verschillende waarnemings - en analysetechnieken gebruiken, zoals het organiseren van focusgroepen, afnemen van diepte-interviews en nog tal van andere technieken. Een combinatie van kwalitatief onderzoek met andere onderzoeksstrategieën is eveneens mogelijk. Bij kwantitatief onderzoek wordt eerder gebruik gemaakt van gesloten vragen waarbij men vaak een keuze moet maken uit een aantal antwoordalternatieven. De veronderstelling hierachter is dat iedereen de vraag op dezelfde manier begrijpt en de referentiekaders identiek zijn. Variaties worden hierdoor beperkt en als minder betekenisvol beschouwd. (Hüttner, 1995: 540-541)
3.2.2. Participerende observatie
Omdat wij bij het veldwerk gebruik maakten van een etnografische onderzoeksmethode begon ons onderzoek in de eerste plaats in de familie zelf. Tijdens mijn verblijf logeerde ik in de Mossi familie, Ouedraogo. De familie Ouedraogo bestaat uit vijf kinderen en de ouders. Ook verblijven er nog twee familieleden bij het kerngezin, onder wie mijn buddy Bernadette, een nichtje van de vader. Zij is 21 jaar en gaat nog naar school en was van plan om dit jaar een cursus informatica te volgen. Door twee maanden te verblijven in dezelfde familie werd een intieme relatie opgebouwd met alle leden van het gezin en andere personen daarbuiten. Bovendien nam ik zoveel mogelijk deel aan andere activiteiten waar het gezin bij betrokken was, zo ging ik onder andere één keer mee naar de kerk op zondag, vergezelde Bernadette naar feestjes en bracht ik samen met de ouders bezoekjes aan andere familieleden.
Door in de eerste plaats mee te kijken naar de televisieprogramma's die de familieleden volgden en hun gedrag hierbij te observeren, werd na enkele weken duidelijk naar welke programma's hun voorkeur uitging en voor welke programma's men afhaakte. Deze gegevens werden nog duidelijker door het opstellen van kijkschema's per week. Deze vergeleken wij verder tussen de vijf verschillende families. De interpretaties die daaruit voortkwamen vormden de aanzet voor het werken met andere vormen van kwalitatief onderzoek.
3.2.3. Interviews
Om meer achtergrondinformatie te verkrijgen over het medialandschap in Burkina Faso, de productie en consumptie van verschillende programma's uitgezonden door de T.N.B. en dergelijke besloten wij interviews af te nemen bij medewerkers van de T.N.B. Met de hulp van RosProductions werden wij geïntroduceerd in de werking van de T.N.B. Omdat wij in het begin van onze veldwerkperiode nog geen concreet onderzoeksthema voor ogen hadden, stelden we in de interviews vooral algemene vragen. Eerst en vooral namen we interviews af met producers van lokale programma's. Vooraf stelden wij een vragenlijst op die diende als enige ondersteuning bij het afnemen van het interview. Aan de hand van de antwoorden van de respondenten breidden wij deze vragen ter plaatste uit. De aangeboden informatie gaf ons richtlijnen voor het opstellen van vragen voor verdere interviews. Andere contactpersonen werden ons voorgesteld door de reeds geïnterviewde medewerkers van de T.N.B. Deze tientallen interviews verschaften ons belangrijke informatie over instituten die ons verder konden helpen bij ons onderzoek. Wij namen onder andere interviews af met personen van het Fespaco, de directeur van het D.C.N. [3], Moustapha Tiombiano, directeur van radio Horizon FM en gewezen televisiezender T.V.Z. en het C.F.P.I.[4] Aan de universiteit van Ouagadougou, hadden wij een aantal gesprekken met professor Balima. Ons bezoek aan het ministerie van Kunsten en Communicatie leverde echter geen informatie op daar er van medewerking geen sprake was.
3.2.4. Focusgroepen
Wij organiseerden drie focusgroepen tijdens onze veldwerkperiode. Met de samenwerking van een moderator gespecialiseerd in het leiden van focusgroepen organiseerden wij een eerste focusgroep met 10 jongens tussen 18 en 25 jaar in het 'Centre d' Informations des Jeunes sur l'Emploi et la Formation'. Deze 10 jongens waren allen studenten verbonden aan dit centrum. De samenwerking met een moderator ter plaatse was onder andere nuttig bij het samenstellen van een focusgroep. De moderator zocht ook voor ons een geschikte locatie om het gebeuren te laten plaatsvinden en leidde het gesprek. Dit omdat wij toch wel leken waren op dit gebied.
Een tweede focusgroep werd gehouden met alle ‘buddies’ uit de vijf families. Als locatie namen wij de thuisomgeving van één van de ‘buddies’ om de discussie te laten verlopen in een vertrouwde omgeving. Het gesprek werd geleid door één van de studenten, de anderen stelden sporadisch enkele bijkomende vragen.
Een derde focusgroep vond eveneens plaats in het 'Centre d' Informations des Jeunes sur l' Emploi et la Formation', deze keer zonder moderator. De groep bestond uit 10 meisjes, zowel moslim als katholieke meisjes tussen 20 en 25 jaar.
Het hanteren van een focusgroep blijkt succesvol te zijn als onderzoeksstrategie voor het begrijpen van verschillende publieken. Omdat het bij dergelijke strategie belangrijk is dat de respondenten zich op hun gemak voelen, moet ervoor gezorgd worden dat het merendeel van de respondenten elkaar al kennen voor het interview plaatsvindt. Een goed contact met de interviewer is eveneens wenselijk. Bij de tweede focusgroep was dit al het geval, alvorens de twee andere focusgroepen te organiseren, hebben wij in de bar verbonden aan bovenvermeld centrum iets gedronken en wat geconverseerd om elkaar beter te leren kennen. Dit stelde hen al een beetje op hun gemak voor de start van het interview. Met uitzondering van de tweede focusgroep keken we vooraf naar een aflevering uit een lokale soap. Meer bepaald naar ‘Au royaume d’Abou’, een programma dat handelt over het leven van Abou en zijn meerdere vrouwen. ‘Au royaume d’Abou’ is heel populair in Burkina Faso en vormde bovendien een belangrijk aanknopingspunt voor de daaropvolgende conversatie. De discussie verliep open en ongestructureerd en behandelde verschillende aspecten van het medium televisie. De discussie werd telkens geleid door de moderator/ interviewer terwijl de respondenten meningen naar voor brachten en interageerden met elkaar.
3.2.5. Diepte-interviews
Na het uitvoeren van de interviews met producenten en ander personeel van de TNB (cf.3.2.3.) en het houden van focusgroepen (cf.3.2.4.) kozen wij om nog verder kwalitatief te werk te gaan. Zoals eerder aangehaald kan men bij kwalitatief onderzoek gebruik maken van verschillende waarnemings-en analysetechnieken. Diepte-interviews zijn daarbij een belangrijke methode. Een relevante eigenschap van dergelijke interviews is hun openheid en ongestructureerd karakter. Dit laat de onderzoeker toe op een vrij flexibele wijze vragen te formuleren in een onwillekeurige volgorde. Hoe groter de flexibiliteit, hoe minder gestructureerd het interview verloopt. Open vragen geven de onderzoeker ook de mogelijkheid om dieper in te gaan op de antwoorden van de respondenten om zo gedetailleerde informatie te verkrijgen. De rijkdom van de data hangt volledig af van de interviewer. Indien de verstandhouding tussen de interviewer en respondent goed zit, laten dergelijke interviews de interviewer ook toe om delicate thema's of moeilijk bespreekbare onderwerpen aan te snijden. Op deze manier sneden wij onder andere thema’s aan zoals polygamie en aids. Alvorens van start te gaan met de diepte-interviews maakten we aan de hand van de reeds verworven informatie een ruwe schets van de vragen die aan bod zouden komen. In veel gevallen pasten we de vragen aan tijdens het interview aan de antwoorden die de respondenten gaven. Bijvoorbeeld wanneer zij de vraag niet goed begrepen - waarbij soms de oorzaak bij ons als interviewers lag door het verkeerd vertalen van de vraag - of wanneer de respondent niet veel zei. Ik benadruk nogmaals dat de vooropgestelde vragen slechts een richtlijn vormden want bij diepte-interviews bepaalt ook de respondent voor een stuk welke richting het interview zal uitgaan.
Het grootste nadeel van het gebruiken van diepte-interviews is de hoeveelheid tijd die nodig is om informatie te verzamelen en de afgenomen interviews te transcriberen en analyseren. Niettemin bleek het toepassen van dergelijke onderzoeksvorm een handig werkinstrument te zijn. Uiteindelijk interviewden we 17 mensen. De duur van de gesprekken varieerden van 20 minuten tot anderhalf uur. Op één uitzondering na vonden de interviews bij de respondenten thuis of bij vrienden plaats. Eén interview vond plaats in de werkomgeving.
Kwalitatief onderzoek geeft weinig ruimte om te generaliseren, maar we hebben geprobeerd om een even groot aantal mannen als vrouwen te interviewen. Dit vertaalde zich in 9 mannelijke en 8 vrouwelijke respondenten. De leeftijd van de geïnterviewden varieerde van 16 tot 63 jaar met een overwicht van mensen onder de 30 jaar. Slechts drie 50-plussers werden geïnterviewd. De reden hiervoor was praktisch van aard. Oudere mensen spreken meestal enkel lokale talen, in dit geval het Mooré en het Dyula. In twee gevallen dienden wij met een tolk te werken, op deze manier werd niet alle informatie overgebracht en het interview bemoeilijkt. De respondenten selecteerden we toevallig. De enige voorwaarde die wij stelden was dat zij een televisie hadden en regelmatig keken. In de eerste plaats interviewden wij mensen uit de families waar wij verbleven. Via een lid uit mijn familie selecteerden we de anderen. Het betreft hier kennissen van dat ene familielid die in dezelfde wijk woonden. Alle personen kwamen uit lage middenklasse - gezinnen met uiteenlopende opleidingsniveaus.
3.3. Geraadpleegde bronnen
Een groot deel van het bronnenmateriaal gebruikt voor mijn thesis verzamelde ik tijdens de veldwerkperiode. Ik geef kort een opsomming van dit materiaal. Ten eerste zullen doorheen de thesis stukken transcripties worden aangewend afkomstig van de interviews die wij afnamen met mensen werkzaam aan de nationale staatszender van Burkina Faso, de TNB[5], en mensen gespecialiseerd in de communicatiewetenschappen zoals professor Balima. Alsook transcripties van de afgenomen diepte-interviews en focusgroepen. Ten tweede gebruik ik getranscribeerd beeldmateriaal zoals een documentaire over de populariteit van het programma ‘Marimar’. Ten derde zal ik citeren uit thesissen en andere werkdocumenten afkomstig van de universiteit van Ouagadougou en andere informatieve centra. Ten vierde zullen kijkschema’s van de familie Ouedraogo gebruikt worden die ik elke week opstelde. Ten laatste dient het logboek me als geheugensteun en verduidelijking.
Na de veldwerkperiode zocht ik naar literatuur voor het ondersteunen van mijn thesis. De boeken die ik gebruik in mijn thesis, zijn afkomstig uit de koninklijke bibliotheek van Brussel, de bibliotheek communicatiewetenschappen aan de universiteit van Gent en de bibliotheek Afrikaanse talen en culturen aan de universiteit van Gent. Op het internet vond ik nog twee artikels en was het mogelijk om het boek ‘Taking soaps seriously’ van Intintolli te downloaden.
In hoofdstuk 1 geef ik een omkadering van het uitgevoerde project. Nadien bespreek ik wat in deze thesis zal onderzocht worden. Ook geef ik aan welke methodes ik hanteerde tijdens de veldwerkperiode. In een laatste deel van dit inleidende hoofdstuk zet ik alle geraadpleegde bronnen op een rijtje.
In hoofdstuk 2 geef ik kort een algemene schets van Burkina Faso, de plaats waar ik mijn veldwerk verrichte.
In hoofdstuk 3 bespreek ik het medium televisie in Afrika. Nadien zal ik deze schets toepassen op het televisielandschap in Burkina Faso en bespreek ik het aanbod van binnen – en buitenlandse programma’s. In het laatste deel van dit hoofdstuk zal ik – rekening houdend met het aanbod van de programma’s aangeboden door de TNB – het kijkersgedrag van de familie waar ik verbleef analyseren. Dit is relevant in de context van de thematiek die verder in mijn thesis aan bod komt.
In hoofdstuk 4 bespreek ik eerst en vooral de evolutie van de theorieën rond effectstudies. Nadien worden een aantal algemene indrukken weergegeven over deze ‘topic’. Vervolgens wordt de ‘shift’ in kledij besproken die plaatsvond naar aanleiding van de Braziliaanse telenovela ‘Marimar’. Dit wordt gelinkt aan een onderzoek over verandering in kledij uitgevoerd door een student sociologie aan de universiteit van Ouagadougou.
In hoofdstuk 5 bespreek ik, aan de hand van een Braziliaanse telenovela ‘Marimar’ hoe parasociale interactie plaatsvindt. Eerst zal kort de oorsprong en betekenis van een telenovela worden besproken. Nadien geef ik uitleg over de Braziliaanse telenovela. In een tweede deel van het hoofdstuk leg ik de relaties uit die bestaan tussen kijkers en televisieprogramma’s. De parasociale interactie die daar deel van uitmaakt, zal verder worden toegelicht. In een laatste deel van het hoofdstuk zal ik voorbeelden aanwenden van parasociale interactie aan de hand van gesprekken die plaatsvonden rond het programma ‘Marimar’.
In hoofdstuk 6 zal ik aan de hand van een uitdrukking uit een Burkinabees programma ‘Vis à Vis’ uitleggen hoe spreekvormen worden gedecontextualiseerd en gerecontextualiseerd door ‘audiences’.
In hoofdstuk 7 wordt een algemeen besluit geformuleerd waarin ik een aantal concluderende bemerkingen neerzet met een terugkoppeling naar de uiteenzettingen uit de vorige hoofdstukken.
Hoofdstuk 2: Korte schets van Burkina Faso
In dit hoofdstuk zal ik kort wat achtergrondinformatie geven over Burkina Faso zelf. In een eerste punt komen de verschillende bevolkingsgroepen uit Burkina Faso aan bod. In een tweede punt geef ik een korte schets van de geschiedenis van Burkina Faso en de oorsprong van de Mossi–rijken omdat de familie waar ik twee maanden verbleef tijdens mijn veldwerk tot deze bevolkingsgroep behoorde.
1. De verschillende bevolkingsgroepen in Burkina Faso
De bevolking van Burkina Faso omvat ongeveer 60 etnische groepen. Ik geef hierbij kort een overzicht van de belangrijkste bevolkingsgroepen. De grootste bevolkingsgroep (ca. 50%) vormen de in het centrale deel van het land gevestigde Mossi. De Mossi, ook Mosi of Moshi, is een volk uit Burkina Faso en omringende landen. De Mossi waren vanaf de 13de–14de eeuw georganiseerd in verschillende vorstendommen, die, in tegenstelling tot de grote rijken van Mali en Ghana, tot eind 19de eeuw bleven functioneren. Op religieus gebied hangt nog ruim de helft van de Mossi het animisme aan, Ca. 30%, voornamelijk stedelingen, is islamitisch. De rest is katholiek. De Mossi zijn bekend om hun – merendeels diervormige – maskers die clan-totems voorstellen en worden gebruikt bij begrafenissen en in de vooroudercultus. Daarna volgen de nomadische Fulani (10%), die langs de noordelijke grens wonen. De Fulani, ook Fulbe of Peul zijn een islamitisch, niet-negroïde volk, verspreid over West-Afrika. De Lobi (7%) in het zuidwesten, behoren tot de semi-Bantoevolken. De Mandé (7%) vindt men in het noordwesten. Hun taal behoort tot de Niger-Congotalen. Ruim de helft van de Mandingo is islamitisch. Zij zijn voornamelijk landbouwers en kooplieden, die vaak ver weg trekken om hun producten te verhandelen. De Bobo (7%) leven in het zuidwesten. De Gourma vormen 5 % van de totale bevolking van Burkina Faso. De Senufo beoefenen landbouw en jacht. Zij zijn matrilineair georganiseerd. Hun religie is gecompliceerd. Het initiatieritueel van de jongens voltrekt zich in verschillende stadia. De in het land levende buitenlanders (ca. 150.000) zijn bijna uitsluitend Fransen.
Meer dan de helft van de bevolking is gevestigd in het centrale deel van het land, daarvan gelegen streken. Vooral het oosten is dun bevolkt. Slechts 17% van de bevolking woont in de steden, zoals Ouagadougou, Bobo Dioulasso, Koudougou en Ouahigouya. (Microsoft Encarta, 1993 –2000).
2. Geschiedenis van Burkina Faso
De geschiedenis van Burkina Faso[6] valt samen met die van het voornaamste volk in het gebied, de Mossi, die vanaf de 14de eeuw in de savannen van West - Afrika koninkrijken hadden gesticht en weerstand hadden geboden aan de zuidwaartse expansie van de Islam. Over de oorsprong van de Mossi–rijken doet de volgende legende de ronde: “De koning van Gambaga had een dochter die Yennenga heette. Zij was beroemd om haar schoonheid en moed. Ze leerde alle mogelijke gevechtstechnieken en leidde de troepen van haar vader naar eclatante overwinningen. Tijdens één van haar veldtochten sloeg haar paard op hol en voerde haar ver de wildernis in. Uiteindelijk wist een olifantenjager haar paard te stoppen. Ze trouwde met hem en kreeg een zoon die ze Ouédraogo (hengst) noemde, naar het paard dat hen bijeen had gebracht” Ouédraogo zou later Tenkodogo veroveren, waarmee een begin werd gemaakt met de stichting van de Mossi – koninkrijken in het huidige Burkina Faso. De namen Ouédraogo en Yennenga komen nog veel voor in Burkina Faso. De familie waar ik verbleef, heette ook Ouédraogo. De Mossi – koninkrijken wisten zich te handhaven te midden van andere, veel grotere rijken in West-Afrika. De koningen beheersten hun land tot in alle uithoeken via een hiërarchie van provincieministers, districthoofden en dorpshoofden. Met hun legers te paard wisten de Mossi hun territorium te beschermen tegen aanvallen van buitenaf en geregeld nieuwe gebieden te veroveren. (KIT, 1992: 6-7)
Frankrijk drong het gebied binnen aan het einde van de 19de eeuw, toen de belangrijkste twee rijken, dat van Ouagadougou en dat van Ouahigouya, beide beheerst door een Moro Naba (= leider van de Mossi), op het punt stonden te verbrokkelen. In 1896 werden ze door P. Voulet door een verdrag met lokale vorsten tot een Frans protectoraat verbonden. In 1919 werd Burkina Faso gevormd als afzonderlijke Franse kolonie, waartoe delen van Opper-Senegal en Niger werden afgescheiden. In 1932 werd de kolonie opgeheven en het gebied verdeeld over Ivoorkust, Mali en Niger. De kolonie werd in 1947 heropgericht als onderdeel van Frans West - Afrika. In 1958 werd Burkina Faso een zelfstandige staat binnen de Franse Gemeenschap en op 5 augustus 1960 een onafhankelijke republiek met M. Yaméogo als president. In januari 1966 zette de stafchef van het leger, luitenant-kolonel S. Lamizana, de president af, schortte de grondwet op en riep zichzelf uit tot staatshoofd. Het leger behield de macht, maar stond in 1970 een nieuwe grondwet en verkiezingen toe. In 1971 werd een burgerregering gevormd, die in 1974 evenwel door Lamizana werd afgezet. De onrust in het land was mede een gevolg van de in 1973 in Burkina Faso en andere Sahellanden uitgebroken hongersnood. In oktober 1977 werd, bij de terugkeer naar een burgerregering, het uit 1974 daterende verbod op de politieke partijen opgeheven. In 1978 vonden presidentsverkiezingen en verkiezingen voor de nieuwe ‘Assemblée’ plaats. Lamizana werd tot president gekozen. Er volgde een tijd van grote politieke onrust en in mei 1979 werden de politieke partijen verboden. Op 25 november 1980 werd een staatsgreep gepleegd door kolonel Saye Zerbo, die op zijn beurt in 1982 moest wijken voor de arts Jean-Baptiste Ouédraogo. Deze benoemde de jonge legerkapitein Thomas Sankara tot minister-president. Sankara was populair in het leger en onder boeren, maar niet bij de hogere, conservatieve legerstaf. Een jaar later liet Ouédraogo hem zelfs enige tijd gevangen zetten. Op 4 augustus 1983 werd Ouédraogo zelf afgezet bij een staatsgreep onder leiding van Sankara. De naam van de staat werd op 2 augustus 1984 veranderd van Boven - Volta in Burkina Faso. Thomas Sankara werd op 15 oktober 1987 afgezet en vermoord door Blaise Compaoré die zichzelf tot president uitriep. In juni 1991 werd in een nationaal referendum met 93% van de stemmen een nieuwe grondwet aangenomen. Deze grondwet voorzag in een meerpartijenstelsel, waarmee een einde kwam aan dertien jaar militair bewind. Nadat Compaoré aanvankelijk de macht wenste te behouden, werden in mei 1992 toch algemene verkiezingen gehouden. De partij van Compaoré behaalde een absolute meerderheid en in juni 1992 werd Youssouf Ouédraogo eerste minister. Hij propageerde een streng bezuinigingsprogramma. In maart 1994 werd premier Youssoef Quédraogo vervangen door Roch Marc Kaboré. President Compaoré benoemde in februari 1996 Kadre Desiré Ouédraogo tot premier. Bij de parlementsverkiezingen van mei 1997 behaalde het Congrès pour la démocratie et le progrès van president Compaoré een ruime meerderheid. Voor de presidentsverkiezingen van 15 november 1998 lieten de belangrijkste politieke opponenten het afweten, waardoor Blaise Compaore met overgrote meerderheid opnieuw tot president werd gekozen. Door de verbetering van de economie en de onverminderde steun van het leger lijkt de positie van Blaise Compaore voorlopig onaantastbaar, maar het verdwijnen van politici in het recente verleden, de dodelijke ‘ongelukken’ vanonder meer de journalist Norbert Zongo, en de weinig democratische voorbereiding van de verkiezingen, hebben een toenemende instabiliteit tot gevolg. ( Microsoft Encarta, 1993 – 2000)
Hoofdstuk 3: medialandschap in Burkina Faso
In dit hoofdstuk zal ik eerst in het kort een algemene schets geven van de ontwikkeling van het medium televisie in Afrika. Vervolgens bespreek ik het televisielandschap in Burkina Faso en het aanbod van de programma’s van de TNB, de nationale zender. In het laatste deel van dit hoofdstuk zal ik deze algemene schets toepassen op het kijkgedrag van de familie waar ik verbleef tijdens mijn veldwerk.
1. Ontwikkeling van het medium televisie in Afrika
Het medium televisie in Subsaharaans Afrika lijkt een elitair en urbaan fenomeen te zijn. Televisie werd gebruikt om de politieke doelen van de machthebber te promoten, vooral deze van de staatshoofden. Het medium televisie kwam op in Afrika met de installering van een televisiestation in Ibadan, Nigeria in 1959. Een tweede station volgde al vlug in Enugu, Nigeria. Op deze manier beschikte Nigeria over twee televisiestations voor zij onafhankelijk werden. Het medium televisie werd eveneens geïntroduceerd in Kenia, Zimbabwe en Zambia voor hun onafhankelijkheid. In het merendeel van de andere landen kwam er televisie na de onafhankelijk in het midden van de jaren zestig. Soms werd de installering vertraagd door financiële moeilijkheden of politieke overwegingen. Sommige landen waren in het begin tegen het nieuwe massamedium zoals Mali en Tanzania.
Alhoewel de meeste Afrikaanse landen nu beschikken over televisie, is de penetratie zeer laag. Een reden daarvoor is de afwezigheid van elektriciteit in de rurale gebieden en ook de hoge kosten van televisies zelf. Afrikaanse regeringen gebruikten de belofte van onderwijs via televisie als de wortel die nodig was om deze dure service te rechtvaardigen. In de jaren zeventig was het uitzenden van televisieprogramma’s operatief en hadden zij twee functies. De televisie deed dienst als persoonlijke machtsmiddel van de president en het voorzag in goedkoop entertainment. De beweging van de televisie als medium voor entertainment kreeg een nieuwe impuls in de jaren tachtig toen een groot aantal landen hun aantal uitzenduren vergrootte. Een toenemende programmering van entertainment gaat hand in hand met een stijging van de import van buitenlandse programma’s. Deze buitenlandse programma’s waren voornamelijk afkomstig uit Europa en de Verenigde Staten. Frankrijk kent een lange geschiedenis van culturele programmering in zijn voormalige kolonies en de francofone landen van de vroegere Belgische kolonies. Het cijfer van geïmporteerde uitzendingen is toegenomen in deze landen waar de diensten van CFI beschikbaar werden. Private Franse belangen verhandelen eveneens hun diensten in Afrika zoals Canal Plus en La Cinq. (Bourgault: 1995)
2. Televisielandschap in Burkina Faso
Burkina Faso was één van de eerste landen in Franstalig Afrika die een televisiezender oprichtten. In juli 1963 werd in Burkina Faso de eerste nationale televisie opgericht met als naam ‘La Volta Vision' onder de leiding van een Fransman, Jean Louis Badjo. De verwachtingen waren hoog: "Le nouveau média devait forger le sens de la nation, participer au processus de développement culturel, économique et social en servant d'intermédiaire entre populations et pouvoirs politiques". (Sanon, 1989: 5) De uitzendingen begonnen op vijf augustus 1963. In het begin stond de bevolking kritisch tegenover dit nieuwe mediaproduct omdat Burkina Faso te kampen had met problemen zoals analfabetisme en gezondheidszorg waaraan het geld beter kon worden gespendeerd. In deze context werd de televisie door het merendeel van de bevolking niet gezien als, zoals reeds vermeld, een middel om het proces van de ontwikkeling in het land te stimuleren maar als een luxeproduct dat men in de context van de gangbare problematiek onaanvaardbaar was. Balima benadrukte dat de bevolking de televisie beschouwde als “une opération de prestige pour les plus aisés et les plus riches, notamment les dirigeants de l'époque”. (Kanzie, 1998: 13) Dit werd eveneens gezegd tijdens een focusgroep met onze ‘buddies’ “ et puis maintenant il y a la télé. Beaucoup de gens ont la télé mais avant ce n’était pas comme ça avant c’était rare. Quand tu avais une télé ça voulait dire que tu étais bien placé quelqu’un aisé quelqu’un riche quoi” (focusgroep ‘buddies’, 26/09/2000) Andere kritieken leverde men op de uitzendingen zelf. Zo zouden de programma's niet genoeg gevarieerd zijn en waren er bij gebrek aan uitzendmateriaal veel heruitzendingen. Op bevel van generaal Sangoulé Lamizana stopte men op drie januari 1966 de uitzendingen. Pas in 1969 werden de uitzendingen hervat, zonder echter iets aan de interne infrastructuur van de televisie te verbeteren. De grootste knelpunten bleven het gebrek aan degelijk materiaal zoals opnamecassettes, gebrek aan variatie in de programma's, slecht opgeleide technische ploegen en een afwezigheid van een echte ontwikkelingspolitiek van het medium. Verder markeerde het onstabiele politieke regime in Burkina Faso, de afwezigheid van een mediabeleid in het algemeen en een televisiebeleid in het bijzonder en de ontoereikendheid van financiële middelen de verschillende bruuske omwentelingen van de televisie in Burkina Faso. In 1974 kwam er een ommekeer in de publieke opinie. Door het uitzenden van oorlogsbeelden van Burkina Faso tegen Mali raakte de bevolking massaal geïnteresseerd in het vrij nieuwe medium. Deze uitzending was de eerste grote reportage buiten Burkina Faso en mensen die geen televisie hadden konden de beelden exclusief volgen op publieke plaatsen. In 1978 werd in het kader van de samenwerking met Frankrijk nieuw technisch materiaal ter beschikking gesteld zoals de videocamera Sony 1/2 en de 16 mm film. En in 1979 werd kleur geïntroduceerd door het aanschaffen van SECAM. Tot 1982 bleven de uitzendingen beperkt tot Ouagadougo. Door de invoering van de CRT [7] konden kopies van programma's die uitgezonden werden in Ouagadougou ook worden waargenomen in de tweede grootste stad van Burkina Faso, Bobo-Dioulasso. In een tweede fase van de invoering werden de CRT verbonden met Ouagadougou door satelliet. In een tijdspanne van acht jaar werden op deze manier zeven belangrijke agglomeraties van het land, zoals Koudougou, Ouahigouya, Dédougou en Fada van televisie-uitzendingen voorzien. (Kanzie, 1998: 13-16)
Met Thomas Sankara als nieuwe president in Burkina Faso en het RDP [8] veranderde in augustus 1983 het statuut van de televisie, televisie was niet langer meer een object van ontspanning voor de rijken, maar een instrument van vorming, instructie en educatie voor het grotendeel van de bevolking. Plots kreeg het merendeel van de bevolking toegang tot het medium televisie. De naam van de nationale televisie veranderde van 'La Volta Vision' naar 'Television Nationale Burkina' [9] omdat onder Sankara het land van naam veranderde. Boven-Volta werd Burkina Faso. Technisch was er nog werk aan de winkel. Voor de vernieuwing van de technische ploegen keerde men Frankrijk de rug toe en ging men op zoek naar andere partners en financierders. Het huidige regime aanvaardde niet langer de imperialistische politiek van Frankrijk. Het Franse systeem SECAM werd vervangen door het Duitse PAL. Andere financiële hulp verkreeg men onder andere van Libië en Japan. Op deze manier vernieuwde men de infrastructuur van de productie en de uitzendingen van de TNB. Door deze nieuwe financieringen werd in 1985 de studio en de regie vernieuwd. In 1992 werd door de modernisatie van Onatel[10] de televisie verder verspreid in het binnenland. Voor het eerst kreeg men in Bobo-Dioulasso de mogelijkheid om gelijktijdig met Ouagadougou programma's te volgen. In 1996 begon de TNB oude installaties te vervangen door moderner materiaal, men veranderde ook van plaats. Hierdoor kon men meer nationale programma's te produceren. (Kanzie, 1998: 16-18)
Tot op vandaag heeft men in Burkina Faso drie keer geprobeerd om private televisiestations op te richten. Twee van de drie initiatieven hebben het niet overleefd wat onmiddellijk de beperkte overlevingsmogelijkheid van dergelijke ondernemingen aantoont. De confessionele televisiezender 'Canal Viim Koega' wordt geleid door dezelfde persoon als radio L.V.D. en valt onder hetzelfde administratief advies. De zender begon uit te zenden in 1996 op UHF-frequentie en de uitzendingen bestaan voornamelijk uit muzikale programma's en religieuze uitzendingen. Deze confessionele zender overleefde in tegenstelling tot de twee commerciële zenders. De eerste 'Multimédia’ werd opgericht door de producer Jacob Sou in maart 1994. Sou was de eerste die een private televisiezender oprichtte in Burkina Faso. Hij verliet Burkina Faso in 1986 om zich te vestigen in Ivoorkust. In 1992, bij de vrijmaking van de radiowerking, diende hij een aanvraag in om een pan-Afrikaans privaat televisiestation op te richten. De kosten waren echter te hoog, zodat hij besloot zich te beperken tot Burkina Faso. Vanaf 1992 zond hij met een kleine ploeg - verkregen door hulp van een Franse partner- enkele evenementen uit. In 1993 verkreeg hij een licentie om uit te zenden in Ouagadougou. In plaats van de gevraagde VHF-frequentie, dezelfde frequentie als de TNB, kreeg hij een UHF-frequentie, wat een duurdere technische ploeg vereiste. Vanaf 1994 begon hij televisieprogramma's uit te zenden: het aanbod bestond voornamelijk uit films en enkele studio-opnames. Multimédia stopte zijn activiteiten in juli 1999. (Balima, 2000: 124-125 ) Een tweede commerciële zender 'T.V.Z.' werd opgericht door Moustapha Thiombiano, de directeur van radio Horizon FM. Deze zender heeft slechts enkele dagen uitgezonden tijdens het Fespaco '95. Volgens Soulemanye, chef van de programmatie had T.V.Z. geen licentie en zond deze uit op de VHF-frequentie. T.V.Z. werd beschuldigd een piraatzender te zijn en werd verboden. “Elle a fait des essais mais il y avait un problème de canal. Il y a un loi aussi qui existe qui fait que dans tous les pays du monde ce sont des canaux de diffussins qui existent pour les chaînes à structure publique et les chaînes indépendantes pour ne pas dire privées au confectionnelles. Je crois que le promoteur du T.V.Z. voulait utiliser le même canal que la TNB. En terme de droit international ce n’était pas possible. On a du lui expliquer, je crois qu’il n’avait pas compris et ça fait une bataille où l’opinion nationale l’a même soutenu en passant qu’on voulait pas du tout qu’il ouvre une chaîne parce qu’il va concurrer la télévision nationale” (interview Soulemanye, 13 september 2000, TNB) Volgens Thiombiano echter diende hij zijn programma's stop te zetten omdat zijn zender heel populair was bij de Ouagalezen, wat als gevolg had dat bijna niemand meer geïnteresseerd was in de programma's aangeboden door de T.N.B. (Balima 2000: p.124-125)
We kunnen hiermee besluiten dat het monopolie van het televisielandschap in Burkina Faso in handen is van de staat met de T.N.B. als enige zender, met uitzondering van de nog bestaande lokale, maar wankelende televisiezender C.V.K. De enige concurrentie is deze van internationale stations zoals TV5, maar hiervoor heeft men een speciale antenne nodig die veel geld kost, en enkele zenders die toegankelijk zijn met parabolische antennes. (Balima, 2000: 153)
3. Evolutie van het aanbod van binnen-en buitenlandse programma’s van de T.N.B.
De programma's van de TNB bestonden tot in 1978 voor meer dan de helft uit buitenlandse programma's. Dit aanbod van buitenlandse programma's was vooral afkomstig uit Frankrijk en Duitsland. In het begin van het televisiestation waren deze voornamelijk afkomstig van de O.C.O.R.A.[11] , van verscheidene persagentschappen en soms van Amerikaanse ambassades. De samenwerking met Duitsland kwam er in 1978 na de vorming van radio- en televisieagentschappen in Cologne. Deze samenwerking werkt mogelijk gemaakt door TRANSTEL. Met Thomas Sankara als nieuwe president nam het overwicht van Franse programma's af, maar bleek het aanbod van andere buitenlandse programma's toe te nemen. Voor dit overaanbod van buitenlandse programma's waren tal van redenen. Ten eerste was het goedkoper om buitenlandse programma's uit te zenden dan zelf programma's te produceren. "Au contraire de la radio dont les programmes sont peu coûteux, ceux de la télévision ainsi que les coûts de fonctionnement et de maintenance des équipements exigent des investissements importants. Peu nombreux sont donc les pays qui peuvent assurer les charges nécessaires. La conséquence, sans doute la plus néfaste, est la proportion importante des productions étrangères diffusées par le télévisions Africaines." (Sanon, 1989: 30) Ten tweede telt Burkina Faso ongeveer 60 verschillende etnieën: het is heel moeilijk om programma's te produceren die tegemoet komen aan de noden van de gehele bevolking. Met het Frans als officiële taal is het dan ook niet verwonderlijk dat het aanbod van programma's vooral uit buitenlandse uitzendingen bestaat.
Franse uitzendingen werden ter beschikking gesteld sinds 1961, toen een akkoord werd ondertekend voor culturele samenwerking tussen Burkina Faso en Frankrijk. Daarin werd gesteld dat: " le gouvernement de la république française et le gouvernement de Haute-Volta décident d'oeuvrer en commun pour l'épanouissement des sciences des arts et des lettres et la connaissance respective de leur patrimoine culturel…. Elles aideront, sous réserve des règlement en vigueur dans chaque pays les échanges de documents, matériels et expériences dans le domaine des publications du film et de la radiodiffusion. Les deux parties s'engagent de même à faciliter par tous les moyens et notamment par l'emploi des techniques de communication audiovisuelles, la connaissance de leur vie nationale respective" (Soma, 1986: 33) De uitwisseling verliep echter unilateraal. Het materiaal dat werd aangeboden bestond voornamelijk uit series, feuilletons, documentaires en films die voor 90 % afkomstig waren van TF1, Antenne 2 en FR3. Een nieuw samenwerkingsakkoord kwam er in 1985 voor cultuur, sport, audiovisuele communicatie en de pers tussen Frankrijk en Burkina Faso. Dit herbevestigde in grote lijnen het akkoord opgesteld in 1961. Het enige verschilpunt was de nadruk die gelegd werd op de rol die de samenwerking moest spelen in de ontwikkeling van de audiovisuele communicatie en de pers. In functie daarvan werd onder andere technische assistentie aangeboden. Ook schonk men nieuw materiaal en technisch personeel opgeleid door het Institution Nationale de la Communication Audiovisuelle. Tot in 1974 koos Frankrijk zelf welke programma's werden opgestuurd. Per trimester werd een catalogus opgestuurd om de Afrikaanse televisiezenders in Franstalig Afrika toe te laten zelf te kiezen welke programma's uit het voorgestelde aanbod zij wilden hebben. De programma's konden echter niet van op voorhand bekeken worden aangezien enkel de titels van de uitzendingen met een korte inhoud voorhanden waren. Kan men dan hierbij nog spreken van een vrije keuze? Bij het verkrijgen van de programma's werden deze eerst bekeken door het personeel van de TNB en eventueel gecensureerd als deze niet in overeenstemming waren met de gangbare opvattingen van de ‘Burkinabé’. Scènes waarin racistische onderwerpen of naaktheid in voorkwamen werden uitgewist. ( Soma, 1986: 33-34)
Een duidelijke evolutie in het programma-aanbod zien we anno 2000. 50% van de programma's worden nu door de TNB geproduceerd, 30% is nog afkomstig van het CFI, partner op het Franse niveau. Soulemanye Ouedraogo, programmaleider, verduidelijkt dat het CFI "est un instrument de coopération qui a un manque de programmes destiné à plus de quarante chaines dans le monde donc chaque chaine a un fois par mois une revue qui s'appelle 'l'écran professionelle' ou CFI consigne l'essentiel de sa gris de programmes du mois à venir les télévisions enregistrent les programmes qui leur conviennent ou rediffuser sur la chaine donc sur la TNB on a à peu près 30% de reprise de programmes de CFI." ( interview Soulemanye, /10/2000) Verder zorgt Transtel voor een aanbod van 10% programma's. De rest van de programma's zijn afkomstig van aankopen op niveau van de TNB en programma's die aan de TNB worden voorgesteld door institutionele partners, ambassades en privé producties uit Burkina Faso zoals RosProductions. Vroeger was men door financiële redenen genoodzaakt om, wat betreft buitenlandse programma's, uit te zenden wat men kreeg. Omdat men nu niet meer zoveel afhangt van buitenlandse programma's, kan men meer rekening houden met de inhoud van de programma's en niet langer met de afkomst. Volgens de huidige directrice van de T.N.B., Aline Koala, is het probleem van het belang van buitenlandse programma's onoplosbaar. Het ministerie vindt het spijtig dat buitenlandse programma's een stapje voor hebben op de lokale producties. De T.N.B. heeft gewoon de financiële middelen niet om een groot aanbod van lokale programma's aan te bieden. Ook zijn er volgens de directrice duidelijke tekens waar te nemen die op de populariteit van buitenlandse programma's wijzen. (Balima, 2000: p.127) "Quand il y a une coupure de courant et qu'un épisode de 'Femmes de Sable' ne passe pas, la télé est surchargée de coups de fils demandant que l'on reprogramme l'épisode. Cela ne se passe jamais pour aucun autre programme. Il faut donc respecter aussi les goûts du public." (Balima, 2000: p.127).
Ondanks het feit dat nog de
helft van de programma’s bestaan uit buitenlandse programma’s, rukken de lokale
producties op en deze moeten zeker en vast niet onderdoen aan de internationale
overspoeling. Niet minder dan vier feuilletons geproduceerd door Burkinabese
realisateurs zijn te zien op de TNB. ‘Kady Jolie’ van Idrissa Ouedraogo, ‘Les
Jeunes Branchés’ van Issoufou Tapsoba, ‘Vis-à-Vis’ van Abdoulaye Dao en ‘Au
Royaume d’Abou’ van Patrick Martinet en Stanislas Soré. Twee andere series zijn
in aanmaak: een vervolg op ‘A nous la vie’ en ‘Sita’ van Hébié Hissa. Met de
verhoogde aanmaak van lokale producties ziet men kans om meer ‘images africaines
pour publics africains’ te creëren. De chef van de programma’s Soulemanye
Ouedraogo verduidelijkte in een artikel van ‘Syfia International’: “Les
télévisions africaines, du fait de leurs faibles moyens, ont longtemps souffert
de la surabondance des productions étrangères. Il y avait donc une grande soif
des Africains pour des images africaines, dans un contexte de divertissement et
de lecture plus positive de leur société. Une sorte d’effet miroir longtemps
attendu.”
(http://www.syfia.com/presse/psprod.asp?ocID=ps1132-201)
4. Aanbod van programma’s van de TNB verbonden met het kijkgedrag van de familie Ouedraogo Frederic
4.1. Voorstelling van de familie Ouedraogo
Alvorens het kijkgedrag van de familie Ouedraogo te analyseren, wil ik voor alle duidelijkheid een schets geven van mijn familie en enkele leden van het huis die we kunnen omschrijven als tijdelijk kijkerspubliek.
Aan het hoofd van de familie staan vader en moeder Ouedraogo, Frederic en Marguerite. Zij hebben vijf kinderen: Eric (19 jaar), Pelagie (16 jaar), Lea (12 jaar), Natasha (10 jaar),Willy (8 jaar). Eveneens aanwezig in het huis gedurende de ganse periode van mijn veldwerk waren Bernadette (21 jaar), een nichtje van de vader, Rasmani (15 jaar) een neef van de familie en Pauline, de huishoudster. De familie behoort tot de Mossi bevolkingsgroep. Met uitzondering van Willy, sprak iedereen zowel Frans als Mooré, één van de officiële talen in Burkina Faso. Alle leden van de familie waren katholiek, wat ook weerspiegeld werd in hun kijkgedrag. Zo werd er gedurende de twee maanden dat ik in de familie verbleef maar één keer gekeken naar de protestantse zender C.V.K.. Die ene keer dat zij keken was bij de uitzending van een tekenfilm waarbij enkel de jongste kinderen aan het kijken waren. Toen Marguerite voor de televisie kwam zitten, schakelde zij onmiddellijk over naar de T.N.B. Bij de bespreking van het kijkgedrag zal ook duidelijk worden dat Frederic weinig programma’s bekeken heeft, de reden daarvoor is dat hij bijna nooit in het huis aanwezig was. Indien hij thuis was, keek hij wel altijd.
4. 2. Analyse van de kijkschema’s
Om het kijkgedrag te kunnen analyseren, maakte ik elke week een kijkschema van de kijkers. Deze kijkschema’s heb ik verder verwerkt door gebruik te maken van verwerkingstabellen. De dagen dat er gekeken wordt en naar welke programma’s men kijkt, staan op de Y-as, de namen van de kijkers op de X-as. Na elke verwerkingstabel geef ik kort weer welke allianties er zoal ontstaan rond bepaalde programma’s. Ik merk hierbij wel op dat de verschillende kijkschema’s grotendeels gelijklopend bleven gedurende twee maanden, met uitzondering van de eerste tien dagen waarbij zij iets meer televisie keken. Ik denk dat dit kwam omdat de familie op de hoogte was van de bedoeling van mijn onderzoek en zij dachten dat de televisie de gehele tijd diende aan te staan tijdens mijn aanwezigheid.
Figuur 1 [Figuren ontbreken]
Figuur 1 b
Figuur 2
In de tweede tabel heb ik alle programma’s in volgorde van het bekijken door de verschillende leden van de familie gezet. Alsook heb ik vermeld hoeveel programma’s door elk lid worden bekeken. Men ziet horizontale lijnen die bijna alle gezinsleden verbinden rond de programma’s ‘Au Royaume d’Abou’ en ‘Vis à Vis’. Dit is niet verwonderlijk, beide programma’s zijn ontzettend populair bij de Burkinabese bevolking. Deze horizontale lijnen gelden vooral tijdens de week. In het weekend zijn het vooral de vrouwen die blijven verderkijken. De mannen haken af of kiezen hun eigen programma’s. Hoeveel programma’s men bekijkt, hangt af van de plaats die men inneemt in het gezin. Mama Marguerite, Bernadette, Pelagie, Natasha en Lea kijken het meest. Dit is niet verwonderlijk. Tijdens de veldwerkperiode was het grote vakantie, de kinderen hadden veel tijd om televisie te kijken. Alsook Marguerite die vooral ’s avonds televisie keek, nadat alle huishoudelijke taken vervuld waren. Dat het hier vooral de vrouwen en meisjes zijn die televisie kijken, is niet verwonderlijk. Bij een studie van professor Balima over ‘Les publics et la consommation televisuelle’ in Burkina Faso merkt Balima op dat het kijkerspubliek grotendeels uit vrouwen bestaat. Als reden daarvoor geeft hij aan dat «Le fait symptomatique est la plus grande propension des femmes à regarder la télévision. Ce moyen d’information étant souvent consommé à domicile en raison de son coût d’investissement, il constitue, pour les femmes une opportunité d’usage plus intensif parcequ’elles sont plus souvent à la maison que les hommes» (Balima, 2000: 36) Willy kijkt meestal mee met zijn zussen, maar hij mist alle late programma’s en geen enkele tekenfilm. Dit is normaal als men rekening houdt met het feit dat hij nog maar acht jaar oud is. Pauline, zoals eerder vermeld neemt het grootste deel van de huishoudelijk taken op zich. Tijdens de vroege kijkuren is zij aan de slag met andere zaken dan televisie kijken, vandaar het lage aantal bekeken programma’s. Vader Frederic kijkt zelden of nooit televisie, tijdens mijn onderzoek heb ik hem maar één keer televisie zien kijken, namelijk naar een sportuitzending. Aangezien hij de ganse dag uitwerkend is en elke avond het huis verlaat, kan dit ook niet anders. Eric en Rasmani kijken vooral naar de topprogramma’s en sportuitzendingen. Rasmani kijkt daarbij ook nog veel naar programma’s uitgezonden na 22.00u.
Als men globaal kijkt naar het aantal uren dat televisie wordt gekeken door de verschillende leden van de familie, kan men niet zeggen dat de leeftijd daar een grote rol in speelt, zowel de kinderen als de volwassenen (met uitzondering van vader Frederic) consumeren ongeveer evenveel uren televisie. Deze bevinding maakte Balima eveneens «En somme, dans le capitale le taux d’exposition est très élevé à tous les âges. La télévision a fini d’être un phénomène de classe à Ouagadougou où elle a déjà toutes les caractéristiques d’un moyen de communication populaire (Balima, 2000: 38)
Deze tabel geeft ook aan welke programma’s het meest worden bekeken. Zoals eerder aangehaald vormen ‘Au royaume d’abou’ en ‘Vis à Vis’ de topprogramma’s. Nadien volgen de ‘Dessin animé’. Dat de tekenfilms nog hoog scoren in de familie, komt doordat er nog veel kinderen aanwezig zijn. En zelfs volwassenen kijken wel eens graag naar een tekenfilm. ‘Amis pour la vie’ is een buitenlandse serie en vooral populair bij de jongeren. Dit valt op in de kijkschema’s. ‘Les bons dimanches’ is een animatieprogramma waarin elke week een Burkinabese beroemdheid wordt uitgenodigd. Dat er zoveel naar gekeken wordt, heeft misschien te maken met de veelzijdigheid van het programma. Een gesprek met de lokale beroemdheid staat centraal, maar daarnaast worden er tevens spelletjes georganiseerd, sketches opgevoerd en tal van bekende muzikanten treden op. Eveneens wordt elke zondag een groep van mensen uitgenodigd om het programma bij te wonen. Een buitenlandse serie die het meest wordt bekeken in de familie is het science-fiction programma ‘Stargate’. Hier haken de meeste kinderen af, misschien omdat het programma niet altijd even goed te verstaan is. Toen Bernadette naar Stargate aan het kijken was, zei ze mij dat je het programma heel goed moet volgen, anders begrijp je er niets van omdat het futuristisch is. Het journaal scoort nog tamelijk hoge kijkcijfers. Ik merk hier wel bij op dat de televisie aanstaat wanneer het journaal begint, maar er wordt niet altijd even aandachtig gekeken. Meestal zet men zich voor de televisie, maar is men ondertussen bezig met andere zaken. Wanneer echter de president verschijnt op het scherm, kijkt wel iedereen met aandacht. Films worden getoond op zaterdag – en zondagnamiddag. Men toont buitenlandse films die in het Frans zijn gedupt. Dat er niet altijd evenveel leden van de familie kijken, komt door het tijdstip dat de films worden vertoond. Vaak is men nog bezig met andere taken op dit moment. Toch zijn ze nog heel populair. Balima geeft de reden aan van hun succes «Les facteurs de ce succès tiennent à cet engouement des publics pour la littérature du rêve (…) dans la recherche frénétique de l’action avec les séries policières, les films d’horreur et les westerns» (Balima, 2000: 48) Op woensdagavond werden Afrikaanse films uitgezonden, ik heb in de familie hier nooit iemand zien naar kijken. Programma’s zoals ‘Musique traditionelle’, ‘Contes et legendes’ en ‘Informations en Mooré’ halen geen hoge kijkcijfers. Dit zijn allen culturele programma’s en ik had de indruk dat de jeugd daar niet echt in is geïnteresseerd. Tijdens een tweede interview met Balima legde hij uit waarom hij dacht dat de jongeren minder geïnteresseerd waren in culturele programma’s “c'est vrai que les jeunes sont en moins intéresser par la tradition orale par la culture traditionelle et ça c'est le phénomène aussi des medias hé on fallait les medias avec les programmes transnationaux avec des feuilletons avec les chansons modernes avec les cinémas et aussi avec les voyages bon les gens ont tendance à laisser la culture traditionelle à ceux qui habite aux zones rurales ceux qui habite la ville ont tendance maintenant a mené une autre vie de celle de la société traditionelle vous avez parfaitement raison c'est sans doute dommage mais je crois que cette une situation qui ne va pas s'améliorer on (XX) mesure qu'on avance dans le temps la culture traditionnelle sera relié à l'arrière plan ça c'est sûr. «(Interview II Balima, /09/2000, universiteit) In het eerder vermelde onderzoek van Balima, blijkt ook dat culturele programma’s maar door weinig mensen bekeken worden. Met als reden «En fait, nombre de ces programmes ont un relent fortement culturel, et exigent de ce fait un certain effort d’intellectualisation auquel répugne le téléspectateur moyen, certains sont jugés plutôt insipides parcequ’ils ne véhiculent pas d’informations intéressantes et appropriées au contexte national tels les programmes typiquement français. (Balima, 2000: 49) ‘Magazine des sports’ haalt weinig kijkcijfers en wordt vooral door jongens bekeken. ‘Le coupable’, eveneens een buitenlandse serie wordt enkel door Bernadette en Rasmani bekeken. Nochtans is het een populair programma in Burkina Faso. Dat er niet meer leden van de familie kijken naar deze serie komt waarschijnlijk omdat het programma laat wordt uitgezonden, namelijk om 22.30u. Meestal wordt ‘le coupable’ wel heruitgezonden op dinsdagnamiddag. Uit de cijfers blijkt dat er door meer mensen wordt naar gekeken. Dat enkel Marguerite kijkt naar de PMU (uitslag van de paardenrennen) komt omdat zij een fervente paardengokster is. Elke avond was zij druk in de weer met het opmaken van mogelijke winnende reeksen. Zij mist geen enkele uitzending van de PMU, wanneer zij uit huis ging op dat moment, vroeg zij de kinderen om de nummers te noteren. Zij vertelde me dat ze nu nooit meer zou vergeten om dit kansspel te spelen omdat zij éénmaal niet officieel had meegedaan en net dan de kans had om geld te winnen.
Figuur 3
In de volgende tabel heb ik de programma’s onderverdeeld in twee grote blokken. Het eerste blok is het aantal bekeken Afrikaanse programma’s, het tweede blok het aantal bekeken buitenlandse programma’s. In die tabel wordt duidelijk dat er meer gekeken wordt naar buitenlandse dan naar Afrikaanse programma’s. Toch is het verschil heel klein. Hieruit kunnen we afleiden dat het Burkinabese publiek wel degelijk is geïnteresseerd in de programma’s die de TNB zelf produceert. Alhoewel men in de interviews , wat later zal blijken, vaak het tegenovergestelde beweert. Men heeft nu ook de kans om naar meer Afrikaanse programma’s te kijken aangezien het aantal programma’s die van het buitenland afkomstig zijn sterk gedaald zijn. De TNB begint meer zelf te produceren.
Om het geheel wat overzichtelijk te maken heb ik het percentage berekend van het aantal bekeken programma’s in het gezin Ouedraogo. Het aantal bekeken buitenlandse programma’s bedraagt iets meer dan 52%, het aantal Afrikaanse programma’s iets minder dan 48%.
Tabel: Aantal bekeken programma’s in de familie Ouedraogo
Hoofdstuk 4: Indrukken van de Ouagalese bevolking over gedragsmatig experimenteren met percepties uit televisieprogramma’s
In dit hoofdstuk zou ik willen nagaan of de Burkinabesen vinden dat mensen naar aanleiding van het bekijken van buitenlandse programma’s gaan experimenteren met de zaken die ze waargenomen hebben op de televisie. Programma’s die niet tot hun eigen cultuur behoren of afbraak doen aan hun eigen cultuur. Ik benadruk dat het hier gaat om meningen van Burkinabese mensen zelf en er in dit stuk niet gezocht wordt naar mogelijke effecten die televisie zou kunnen hebben op het sociale gedrag van mensen die aan dit medium worden blootgesteld.
In een eerste deel geef ik de evolutie weer van een aantal ontwikkelde theorieën over de betekenis en invloed van de televisie. Vervolgens zal ik een aantal algemene indrukken weergeven van wat volgens een aantal Burkinabezen veranderd is in de maatschappij door de komst van de televisie. De indrukken zijn afkomstig uit een aantal diepte-interviews die wij afnamen op het einde van onze veldwerkperiode.
In een tweede deel zal ik gedetailleerd uitleggen hoe de kledij is veranderd en of het medium televisie daarin een rol speelt. De bevindingen zullen worden vergeleken worden met een studie over ‘Le rôle de la télévision dans la transmission des pratiques vestimentaires aux Ouagalais’ uitgevoerd door Compaore Zakaria, een student die afstudeerde aan de universiteit van Ouagadougou. Zakaria onderzocht of televisie een rol speelt in het proces van het ‘adopteren’ van kledij en op welke manier dit gebeurt.
1. De evolutie van sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de betekenis en de invloed van de televisie
Of televisie al dan niet een effect heeft op zijn publiek is zeker en vast het meest onderzochte gebied in mediastudies. Veel kritiek werd geuit over de onmacht van massacommunicatie-onderzoek om tot duidelijke conclusies te komen over de mogelijke impact van televisie. Ik geef hier enkele van de belangrijkste theorieën weer die men gebruikte om de effecten te onderzoeken die televisie kan hebben op zijn kijkers.
1.1. De cultivatie-theorie van Gerbner
Traditioneel betekende ‘effectenonderzoek’ de blootstelling van toevallig geselecteerde groepen aan verschillend experimenteel materiaal. Op deze manier kon men gespecificeerde antwoorden uit de verschillende groepen met elkaar vergelijken. Enkel door gecontroleerde blootstelling en met een toevalsteekproef kon causaliteit worden getest. Deze types van experimenten werden bekritiseerd omwille van hun onnatuurlijke karakter. Al de experimenten vonden namelijk plaats in laboratoria. Sommige onderzoekers hebben geprobeerd om deze kritieken te overwinnen zonder het algemene raamwerk van het causale argument te verwerpen. (Livingstone, 1990) Een voorbeeld daarvan is de cultivatie-theorie van Gerbner. Gerbner legt de nadruk op het zien van televisieprogramma’s in de natuurlijke omgeving over een lange tijd. Hij werkt ook niet met ‘echte’ controlegroepen omdat iedereen direct of indirect wordt blootgesteld aan het materiaal dat gerelateerd is aan een vooropgestelde hypothese. Zijn derde vernieuwing bestaat uit het verbinden van studies over mogelijke effecten van televisie op zijn kijkers met een analyse van de programma’s zelf. Zo maakt hij een stimulus die zogezegd de kijkers expliciet moet beïnvloeden zonder die stimulus te reduceren tot een geïsoleerd segment. Gerbner toonde bijvoorbeeld aan dat bij mensen die vaak televisie kijken de kans groter is dat zij de wereld zien zoals deze op televisie wordt weergegeven. Met andere woorden stelt Gerbner dat wanneer we de ‘effecten’ van televisie herdefiniëren als indirect, gradueel, gegeneraliseerd en symbolisch televisie dan een consequent, maar klein effect kan hebben op zijn kijkers. Belangrijk bij Gerbner is dat hij teksten als symbolisch ziet. Zo wordt de symbolische betekenis van programma’s belangrijk in plaats van de literaire betekenis. Deze ruimere tendens verandert de traditionele opvatting van televisieprogramma’s en de rol van de kijkers. De kijker wordt als iets minder passief beschouwd. Gerbner argumenteert bijvoorbeeld dat het tonen van geweld op televisie niet noodzakelijk betekent dat mensen aggressiever zullen worden, maar dat het geloof van de mensen in de wet zal toenemen. Als men ziet dat de ‘slechten’ steeds gearresteerd worden of gedood worden, zouden kijkers geloven dat de wereld rechtvaardig is. (Livingstone, 1990) Uiteraard dienen hier ook enkele methodologische kanttekeningen geplaatst te worden bij deze kwantitatieve consumptie-analyses. Vaak wordt in de analyse van een cultivatiehypothese niet genoeg rekening gehouden met mediërende factoren. Dit brengt ons bij de problematiek van de causaliteit en de moeilijkheid om de correlatie-en cultivatiegegevens te interpreteren. Zo is het niet altijd eenvoudig om oorzaak en gevolg van elkaar te onderscheiden. Men moet zich ook de vraag stellen of de televisie wel een coherent geheel is van beelden en of er niet eerder moet gekeken worden naar de diepgaande verschillen in de televisie-boodschappen. In het verlengde van deze kritiek dient ook de visie omtrent de passieve kijker beschouwd te worden, aan wie de mogelijkheid om de boodschap te selecteren en afzonderlijk te interpreteren wordt ontnomen. Zonder twijfel kan de cultivatie-benadering interessante gegevens opleveren, maar deze benadering gaat voorbij aan de complexiteit en de mediërende werking van de concrete dagelijkse ervaringen. (Biltereyst, 1995: 72-74)
1.2. ‘Uses and gratifications’-theorie
Wat publieken doen met teksten is het onderwerp van de ‘uses and gratifications’-theorie in de massamedia. In deze benadering onderlijnt men dat kijkers enkel naar televisie kijken om hun behoeften te bevredigen. Kijkers zouden voornamelijk televisie kijken voor ontspanning, omdat televisie een sociaal nut heeft, om een beeld te krijgen van de realiteit of om informatie te zoeken. (Livingstone, 1990:35) Deze benadering gaat ervan uit dat de media en hun boodschappen nauwelijks enige invloed uitoefenen wanneer ze niet beantwoorden aan de behoeften van de gebruikers. Met deze benadering is men in staat om bij een ruim publiek te peilen naar de aard van de consumptie als mediator voor media-effecten. De ‘uses and gratifications’-benadering heeft vooral de verdienste om volwaardig rekening te houden met de selectiviteit en de activiteit van het publiek en documenteert de variabiliteit in de respons. Ondanks de verschillende voordelen werd de ‘uses and gratifications’-benadering slechts zeer uitzonderlijk gehanteerd en niet diepgaand ontwikkeld. De redenen hiervoor dienen volgens Biltereyst te worden gezocht in de ruimere kritiek en bezwaren tegen het gangbare ‘uses and gratifications’- onderzoek. Zo werd reeds vroeg gewezen op het gebrek aan een stevige onderliggende theoretische basis. Verder zou deze benadering te veel uitgaat van een impliciet model van selectiviteit en activiteit van het individu. Op die wijze zou het publiek te vaak buiten de specifieke culturele context gezien worden. De variabiliteit in het gebruik wordt voornamelijk gezocht in individuele psychologische verschillen, waarbij sociologische en subculturele determinanten, van belang in het betekenisgevende proces, over het hoofd worden gezien. Ook haalt deze benadering haar kennis over het concrete kijkgedrag en mediagebruik uit de expliciete verklaringen van de respondenten zelf. Kijkers zouden zich niet terdege bewust zijn van de complexiteit van het eigen kijkgedrag. Deze benadering tracht het kijkgedrag te verklaren en de motivatie daarvoor te achterhalen, maar zou daarbij ook te weinig oog hebben voor het belang van de betekenissen, die bij de concrete consumptie van specifieke programma’s worden gecreëerd. Kenmerkend hiervoor is de geringe aandacht voor de tekst en voor de concrete literatuur of interpretatie. Al deze vormen van kritiek verklaren waarom deze benadering slechts in geringe mate inspirerend werkte voor de behandeling van deze problematiek. (Biltereyst, 1995: (95-96) Ik wil hierbij toch opmerken dat ik persoonlijk vind dat kijkers zich toch min of meer bewust kunnen zijn van het eigen kijkgedrag. Alsook dat zij zich kunnen voorstellen wat de eventuele gevolgen zouden zijn van het kijkgedrag van verschillende publieken.
1.3. De ‘actieve kijker’ receptietheorie en het einde van de effectstudies
De ‘uses and gratifications’-school samen met de opkomst van de sociale waarneming in de traditionele massacommunicaties heeft geleid tot de nu wijdverspreide notie van de ‘actieve kijker’. Parallel met de opkomst van de ‘actieve kijker’ loopt de introductie van de receptietheorie. (Livingstone, 1999) Receptie-onderzoek wordt in de literatuur op nogal uiteenlopende wijzen omschreven. Biltereyst gebruikt de omschrijving van Jensen en Rosengren bij het definiëren van receptie-onderzoek: «It covers various forms of qualitative empirical audience research which, to different degrees, seek to integrate social-scientific and humanistic perspectives on reception» (Biltereyst, 1995: 101) In de meeste omschrijvingen wordt verwezen naar het betekenisproducerende proces van de interactie tussen een ‘tekst’ (of programma) en een bepaalde (groep) ontvangers. Receptie-onderzoek is dan een verzamelnaam voor verschillende, onderling vrij heterogene benaderingen, die op zoek gaan naar het complexe betekenisgevende proces van de interactie tussen een tekst (programma) en een ontvanger binnen een natuurlijke socio-culturele context. Een gelijkwaardige positie wordt toegekend aan zowel de boodschap als het publiek. Receptie-onderzoek is in aanpak dan ook fundamenteel multi-methodisch. Het voert een dubbele analyse door, waarbij het onderzoek van de tekst wordt geplaatst naast de analyse van de interpretatie ervan door de ‘lezer’. Terwijl de tekstuele analyse veelal verloopt via de semiotiek en de ‘discourse analysis’, worden de ontvankelijkheid en de betekenisinterpretatie bij de ontvanger onderzocht aan de hand van diepte-interviews en participerende observatie.
De belangrijkste inspiratiebron voor receptie-onderzoek wordt gevormd door de Britse ‘Cultural Studies’ en het daar ontwikkelde ‘encoding/decoding’-model. Dit model, ontworpen voor de analyse van de maatschappelijke betekenis van televisie-boodschappen, zet zich expliciet af tegen het gangbare effectenonderzoek. Hall en zijn medewerkers waren van mening dat zowel de productie– (‘encoding’) als de ontvangstzijde (‘decoding’) belangrijke, evenwaardige momenten vormen, die onderzocht dienen te worden indien men greep wil krijgen op de maatschappelijke betekenis en invloed van een televisieprogramma. ( Biltereyst, 1995: 100-101) Dit zal duidelijk worden in hoofdstuk 6 waar besproken wordt hoe spreekvormen uit televisie-programma’s worden gedecontextualiseerd en gerecontextualiseerd, zowel langs de productiezijde als langs de ontvangszijde. De aantrekkingskracht van Hall’s model was enerzijds gelegen in de genuanceerde visie op het maatschappelijke beïnvloeding en het betekenisgevende proces van televisieboodschappen. Anderzijds onderstreept de benadering ook het belang van de activiteit van de ontvanger.
Een belangrijk onderzoeksobject is de receptie van succesvolle genres en programma’s binnen de categorie fictie. Naast onderzoek rond Braziliaanse telenovelas en Britse soaps werd nogal wat aandacht besteed aan het internationale succes van VS-programma’s. En dan specifiek de aandacht voor de aantrekkingskracht van Amerikaanse fictie-programma’s voor niet-Amerikaanse kijkers. Een voorbeeld van receptie-onderzoek is het onderzoek van Liebes en Katz. Dit onderzoek concentreerde zich op de receptie van ‘Dallas’ door een 350-tal respondenten van uiteenlopende etnische oorsprong te interviewen. Een deel van het onderzoek vond plaats in Israël, een ander deel in de VS en Japan. Er werden focusgroepen georganiseerd waarbij de respondenten thuis één aflevering van ‘Dallas’ bekeken en er uitgebreid over werden geïnterviewd. Centraal bij de analyse van de interviews stond de vraag naar de uiteenlopende vormen van betrokkenheid en decodering van het programma door de verschillende etnische groepen. Men ondervond dat het programma zeker en vast niet op een slaafse manier werd gerecipieerd. Het bekijken van 'Dallas' bleek een complexer decoderingsproces in te houden dan in heel wat elitaire mediastudies wordt beweerd. Zo bleek de tekst in hoge mate te worden geïnterpreteerd vanuit de eigen culturele achtergrond, ervaringen en waardenpatronen van de verschillende etnische groepen. Liebes en Katz gaven hierbij aan dat de afstand tussen het programma en de cultuur van de ontvangers van doorslaggevend belang is in de soorten betrokkenheid en receptie.
Receptie-onderzoek heeft een belangrijke rol gespeeld in het aanzwengelen van de hele discussie rond de geldigheid van de stellingen omtrent de schadelijke invloed van vreemde televisie. Het heeft de discussie omtrent ‘cultureel imperialisme’ uitgediept op micro-analystisch vlak. Deze studies geven vooral aan dat vreemde programma’s door de kijker op een actieve, vervormende wijze worden gedecodeerd. Het bekijken van geïmporteerde programma’s kan dan al een escapistische functie vervullen. Nog belangrijker is dat het aanleiding geeft tot introspectie, reflectie en conversatie over de eigen wereld. Het proces van onderhandeling tussen de kijker en het programma gaat gepaard met een selectie en een vervormde toeëigening van de boodschap. Het bekijken van televisie-programma’s is zo een voortdurend proces van mediatie, dat aanleiding geeft tot reflectie en discussie over het eigen leven en de persoonlijke situatie. Door dit proces van mediatie en selectie te beklemtonen wijzen receptiestudies op de beperkte geldigheid van de harde ‘cultuurimperialistische’ stellingen. Op grond van de concrete ervaringen op micro-niveau relativeren zij de vaak veronderstelde aanvaarding van de normatieve en ethische waarden van de boodschappen van geïmporteerde programma’s. (Biltereyst, 1995: 105-107)
1.4. De interpretatieve kijker
Onderzoekers herconceptualiseren nu media-effecten als zijnde gradueel, symbolisch en cognitief. Zij beïnvloeden het denken van de mensen. Media-effecten leiden daarom niet altijd tot gedragsverandering, maar kunnen ook waarnemingen, sociale interacties, emoties en attitudes veranderen. Als dit het geval is, moet men er zeker en vast van uitgaan dat het publiek een actieve rol speelt in het creëren van betekenissen. Livingstone verwijst hierbij naar een passend citaat van Roberts en Bachen «The basic link between media content and human social behaviour is forged in the interaction between information transmitted by the media on the one hand and human information processing on the other (…) differences in response may derive from variations in how similar messages are interpreted by different people or by similar people under differing conditions» (Livingstone, 1990: 18) Vooraleer men kan kijken of televisie een effect heeft op zijn kijkers, of het hierbij nu gaat om gedragsverandering of verandering van attitudes of waarnemingen, moet men eerst en vooral zien hoe de programma’s worden waargenomen en begrepen door de kijkers. Wanneer kijkers bepaalde programma’s interpreteren gebruiken zij niet alleen de informatie die hen aangeboden wordt in het programma, maar ook hun ervaringen met dat programma en hun eigen persoonlijke en sociale ervaringen met het fenomeen dat wordt voorgesteld. Zij integreren deze verschillende bronnen op een coherente en complexe manier. (Livingstone,1990: 17-18) Om het probleem van de interpretatie verder uit te werken gaat Livingstone de manier na waarop kijkers betekenis geven aan personages in televisiedrama. In televisiedrama moet elk personage bekeken worden in interactie met de andere personages. Deze gevolgtrekking is belangrijk omdat personages door schrijvers gebruikt worden om verschillende narratieve thema’s voor te stellen. Conflicten en overeenkomsten tussen verschillende personages stellen dieperliggende boodschappen voor omtrent de relaties tussen verschillende sociale thema’s.
2. Een aantal algemene indrukken over verandering van attitudes bij de Burkinabese bevolking
Tijdens 17 diepte-interviews stelden wij aan 9 mannen en 8 vrouwen tussen de 16 en 63 jaar de vraag «Est-ce que vous pensez que les comportements des gens changent quand ils voient beaucoup des programmes étrangères?» Soms werd er doorgevraagd naar bijvoorbeeld verandering in kledij, ideeën over de vrouw, ideeën over geweld, over democratie, enzovoort. Deze bijkomende vragen werden voornamelijk gesteld wanneer de geïnterviewden een kort antwoord gaven. De meeste geïnterviewden en dan vooral de jongeren zeiden dat de manier van kledij veranderde, waar ik straks uitvoerig op terug zal komen. Het merendeel van de geïnterviewden zag de televisie als oorzaak van veranderingen in de samenleving. In wat volgt geef ik een aantal indrukken van de dingen die veranderd waren volgens de respondenten in de Burkinabese maatschappij onder invloed van de televisie. Daarin zal blijken dat alle geïnterviewden, wanneer zij spreken over ‘verandering’, voornamelijk spreken over veranderingen in attitudes en sociale relaties. Deze veranderingen kunnen plaatsgevonden hebben onder invloed van de televisie. Livingstone haalde aan dat media-effecten zich niet beperken tot louter gedragsverandering. Het is hier ook niet mijn bedoeling om op een rijtje te zetten welke gedragingen veranderd zouden kunnen zijn onder invloed van de televisie. Ik geef enkel een aantal indrukken weer over de mogelijke verandering van attitudes die naar boven kwamen in de antwoorden van de respondenten aan de hand van receptie-onderzoek.
«Avant le marriage ça ne se faisait pas comme ça. Mais maintenant ça se fait à la (X) souvent même vont se marrier même sans consulter les parents donc vous voyez que tout est changé trop changé. On se marie comme on s’est vu, on se sépare comme on s’est unit. Donc c’est comme ça, donc vous voyez tout est changé trop changé» (interview Andrea, 12/10/2000)
In dit stuk haalt Andrea een veranderende attitude aan die in verband staat met het huwelijk. Ze beklemtoont dat men nu zelf zijn partner kan kiezen zonder dat de ouders tussenkomen, men wordt niet meer uitgehuwelijkt. In de focusgroep die gehouden werd met onze ‘buddies’ snijdt men eveneens het thema uithuwelijken aan naar aanleiding van een gesprek over de polygamie van Abou in het programma ‘Au royaume d’Abou’. De ‘buddies’ zagen het programma ‘Témoignage au Féminin’, een Burkinabees praatprogramma voor vrouwen waarin verschillende vrouwenproblematieken aan bod komen, als oorzaak voor de vermindering van gedwongen huwelijken. «Maintenant on peut dire avec la sensibilisation Témoignage au Féminin on sensibilise les marriages forcés. Ce sont des trucs rares, avant si on te donnait un mari et puis tu refuses on te banni de la famille hein» (focusgroep ‘buddies’, 29/09/2000) Alhoewel de praktijk van het uithuwelijken nog bestaat, zegt Bernadette dat het dankzij sensibilisatie sterk is verminderd. Doordat men erover spreekt op de televisie, gaat men zich er waarschijnlijk ook sterker tegen verzetten.
Tijdens een avondje uit met mijn ‘buddy’ Bernadette en haar vrienden Herman en Alino praatten wij over polygamie en de liefde en relaties in Burkina Faso en daarbuiten. Op een bepaald moment kusten Herman en Bernadette. Mijn ‘buddy’ zei dat het nu geen kwaad kon, niemand kende haar op deze plaats. Gelukkig, want men vindt het ongehoord dat men kust in het openbaar. Naar aanleiding van wat Bernadette zei, sprak ik hierover tijdens een interview met Andrea
B Il y a des autres choses que nous avons entendu qu’on ne peut pas embrasser quelqu’un dans la rue. Est-ce que ça a changé maintenant ou
A Bon ici (…) avant notre naissance je peux dire, mais maintenant c’est comme vous venez de me poser la question ça a changé. Nous les jeunes on n’a plus d’honte, on s’enfou de ça. Nous le faisons, ce qui n’a pas honte hein. Mais si tu faisais ça devant une vieille comme ça mais tu es (X) ils vont t’insulter, ils vont dire mais regardez eux là mais c’est des bordèles là. Pourquoi faire ça? La maison, là chambre est là pour ça « (interview Andrea, 12/10/2000)
Vroeger was er in een Mossi-samenleving sprake van een bijna onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van ondergeschikten aan meerderen. De leden van een gezin moesten het gezinshoofd gehoorzamen, vrouwen hun echtgenoten, jongens hun oudere broers en neven, meisjes hun oudere zusters en nichten. (Ettema, 1992: 14) Andrea zegt dat dit voor haar geboorte nog het geval was, dat de jongeren dienden te gehoorzamen aan de ouderen wat betreft hun gedrag met een vriendje. Dat zij bepaalden wat toegelaten en gepast was. Maar wat de ouderen nu ook zeggen of ervan vinden, men trekt het zich niet meer aan. Misschien heeft dit wel te maken met het feit dat men andere attitudes met betrekking tot relaties en de liefde ziet in buitenlandse programma’s. Nauw daarbij aansluitend is wat Henri, de broer van Bernadette mij eens zei tijdens een informeel gesprek. Hij vertelde dat het vroeger ongehoord was dat een jongen bij een meisje bleef slapen voor zij getrouwd waren. Men mocht elkaar bezoeken, maar zeker en vast niet de slaapkamer betreden. Nu was dit veranderd, af en toe mocht zijn vriendinnetje blijven overnachten. Een gelijkaardige verandering in sociale relaties haalde ook Franceline Oubda aan naar aanleding van een gesprek over ‘Hélène et les garçons. «J’ai critiqué l‘émission ‘hélène et les garçons’ vous voyez des jeunes de moins de 17 ans qui font l’amour dans la rue. Vraiment ça choque nos mentalités ici même les gens s’aiment c’est toujours dans la case, c’est à l’intérieur qu’on fait ça, mais voir les gens s’attraper les mains dans la rue» (interview Franceline, 3/10/2000) ‘Hélène et les garçons’ werd een tijdje uitgezonden in Burkina Faso, maar men schafte de serie af nadat de T.N.B. klachten van ouders ontving. Het strookte niet met het leven van de Burkinabese jeugd. Zoals Kristel aanhaalde in een interview “ Hélène et les garçons nous on aimait ça pourtant ils ont coupé parcequ’on dirait que les gens se plaignaient que ça correspondait pas à la vie des jeunes ici (…) C’était les comportements des jeunes peut-être, qu’ils s’embrassaient au hasard, ils s’amusaient beaucoup peut-être c’est ça, donc ils ont coupé” (interview Kristel Kafando, 18/10/2000) Het kan niet dat jongeren elkaar kussen of elkaar de hand geven in het openbaar. Dit toonde men net wel in ‘Hélène et les garçons’. Uit angst dat jongeren deze attitude zouden overnemen, schafte men de serie af. Zoals eerder aangehaald deed Bernadette het toch, maar wel in het donker.
Dat het wel degelijk mogelijk is dat jongeren zulke attitudes willen imiteren, blijkt uit het volgende. Zoals eerder aangehaald is het vooral het thema van de liefde en de verleiding die de kijkers van ‘Marimar’ aanspreekt. Men wil dezelfde liefde beleven als Marimar en Sergio. Men kijkt naar de manier waarop ze met elkaar omgaan in de liefde en zien soms het gedrag van Marimar en Sergio als een voorbeeld van hoe ‘echte’ liefde zou moeten zijn. «Marimar (…) on est en train d’apprendre comment Marimar elle se portait avec Sergio (…) sa façon de parler la séduction il y a tout» (focusgroep ‘buddies’) Het lijkt alsof Marimar gezien wordt als een inwijding in ‘la grammaire amoureuse’ een term die Pasquier gebruikte bij een studie over het programma ‘Hélène et les garçons’ . Pasquier ondervond onder andere dat het programma zo populair was omdat het dienst deed als een ‘rite d’initiation à la grammaire amoureuse’. De jongeren waren voornamelijk geïnteresseerd in de manier waarop de mannen en vrouwen met elkaar omgingen. De serie werd gezien als een verhaal waarin alle problemen die men in de liefde kan ondervinden, werden besproken. Eveneens toonde men de manier waarop verliefde mensen met elkaar omgaan. Pasquier veralgemeent dit door te zeggen dat het onder andere door het zien van films is dat men te weten komt of men al dan niet de ogen moet sluiten bij het kussen, hoe een man een vrouw moet vasthouden, hoe een vrouw zichzelf aantrekkelijk kan maken, enz. (Pasquier, 1995) En dit is waarschijnlijk wat Bernadette bedoelt, men droomt van een gelijkaardige liefde als deze van Marimar en Sergio. Ze beschouwt hun handelen als een voorbeeld om dezelfde liefde te kunnen verkrijgen. Dit haalde men ook aan in de documentaire over de populariteit van Marimar. Als men spreekt over ‘Marimar’ als ‘educatief’ programma, heeft men het vaak over de manier waarop Marimar zich gedraagt. «Dans les films Marimar ce qui m’intéresse ce que je vois c’est un film qui donne beaucoup d’idées aux femmes et aux hommes. Marimar est très bon parceque c’est éducatif et aussi ça, je dis que ça donne aussi des conseils surtout aux gens» (Documentaire van de TNB: ‘Les Burkinabés et Marimar’)
In het onderzoek van Gillespie over de manier waarop jongeren praten over het programma ‘Neighbours’ zeiden vele meisjes dat ze zich door bepaalde codes die geldig zijn in hun maatschappij belemmerd voelen om zichzelf openlijk uit te drukken. Deze codes gelden opdat de jongeren hun ouderen zouden respecteren en gehoorzamen. In ‘Neighbours’ ziet men echter andere gedragingen van de jongeren. De jongeren zijn er vrijer en hebben meer controle over hun eigen leven. Gillespie meent dan ook dat de jongeren vooral geïnteresseerd zijn in ‘Neighbours’ omdat ze zien hoe de jongeren daar opkomen voor zichzelf. Hoe zij zich, vooral verbaal, verzetten tegen hun ouders en ouderen. (Gillespie, 1995: 168-169) Kristel Kafando zei in een interview dat onder invloed van de televisie meisjes zich beginnen te gedragen als ‘des petites blanches’. «A la télé on voit des filles, des blanches qui insultent les parents. Des filles qui répondent mal à leurs parents. La maman dit i tu dis o. C’est à dire tu t‘en fou tu l’insultes. Il y a des filles qui essaient de faire la même chose. Quand elles font ça les parents disent que c’est de l’impolitesse, c’est un manque d’éducation. Des fois même les vieux peuvent bannir la fille à cause de ça. En Afrique le waq est très puissant ils te bannissent là ça va te suivre et à ce moment si tu pars pour te marier avec quelqu’un que tes parents ne voulaient pas, vous n’aurez jamais d’enfants. Ça c’est le malheur que tes parents ont rejeté sur toi parceque tu n’as pas respecté tes parents.» (Interview Kristel Kafando, 18/10/2000) Kristel merkt een verandering op in de mentaliteit van de jongeren. De jongeren gehoorzamen minder. Het respect voor ouderen neemt af volgens Kristel omdat zij op televisie jongeren zien die zich op deze wijze gedragen. Als voorbeeld van ongehoorzaamheid haalt Kristel het huwen met iemand aan waaraan de ouders hun toestemming niet hebben gegeven. Dit ligt een beetje in de lijn van wat Andrea aanhaalde. Men mag dit echter niet veralgemenen. In het tweede deel van dit stukje transcriptie zegt Kristel dat men moet opletten met het ongehoorzaam zijn, want in Afrika is de ‘waq’ heel sterk. Bij ongehoorzaamheid, kan men een vloek over iemand uitwerpen. In vele informele gesprekken met Bernadette en haar vrienden spraken wij over bezweringen, magie, marabouts, enz. Ik denk persoonlijk dat er niet veel jongeren zijn die huwen zonder hun ouders en ouderen te raadplegen, omdat het geloof in deze praktijken wijd verspreid is. Bovendien wordt er toch nog veel waarde gehecht aan de familie.
3. Verandering van kledij onder invloed van de televisie
Zoals bovenvermeld, haalden de meeste respondenten, en dan vooral jongeren, het veranderen van kledij aan als hen werd gevraagd naar gedragsverandering onder invloed van de televisie. Hier wil ik toch even vermelden dat we verandering van kledij moeilijk kunnen beschouwen als een gedragsverandering. Vooral de Braziliaanse telenovela Marimar zag men als oorzaak van de veranderde klederdracht in Burkina Faso. Tijdens een interview met Franceline Oubda zegt zij wanneer ze over Marimar spreekt «Les filles jeunes s’identifient à ce personnage là à travers sa manière de s’habiller, de se coiffer, de porter ses chaussures. Ce n’est pas toujours positive (…) son habillement sa coiffure ses vêtements ce n’est pas souvent adopté à nos réalités. Ce que je veux dire c’est quand on imite quelque chose, il faut imiter en tenant compte de ton milieu parcequ'il y a des habilles quand nos filles portent ici, ça frappe nos mentalités. Les gens ne veulent pas voir ça quand on parle de sexy, notre public ne connaît pas ce que c’est le sexy. Donc on voit une fille avec une tenue assez chose, ils trouvent que ce n’est pas correct» (interview Franceline Oubda, 3/10/2000, TNB) Hiermee verwijst Oubda naar de minirok die ontzettend populair werd na het zien van de kledij van Marimar. Het zijn vooral de jongeren die deze trend overnemen. Wat niet wil zeggen dat de traditionele kledij volledig verdwijnt uit het straatbeeld, de minirok en de ‘pange’ wisselen elkaar af. Thuis wordt de ‘pange’ gedragen, maar wanneer men uitgaat draagt men de minirok. Mijn ‘buddy’ Bernadette droeg steeds een minirok wanneer we naar een discotheek gingen, maar alleen wanneer haar vriend haar niet vergezelde. Hij vond het ongehoord dat zij dit droeg. Dat de minirok voor een grote controverse zorgde in Burkina Faso, zal blijken uit het volgende. Een dans die voor het ogenblik heel populair is in Burkina Faso is de ‘mapouka’. Deze dans komt oorspronkelijk uit Ivoorkust. De ‘mapouka’ is een traditionele Ivoiriaanse dans waarin rijkelijk met het achterwerk wordt gezwierd. Bij de dans werd de ‘pange’ gedragen. Recent wordt de ‘pange’ wel eens vervangen door een minirok. Wanneer mensen deze dans dan zien op de televisie reageert men vaak verontwaardigd, zoals Honoré zei in een interview naar aanleiding van een gesprek waarin wij vroegen of de oudere generatie niet akkoord ging met het uitzenden van bepaalde thema’s. «Je fais allusion à certaines pratiques tel que le mapouka pour que c’est un danse traditionel ivoirienne qui a été développé par des musiciens jusqu’à transformer cette pratique là et remettre à des filles de danser et j’allais dire presque nu pour l’Afrique. C’est inconcevable on ne peut pas se permettre de se présenter ce que nous appellons nos partis intimes publiquement. Donc quand une vieille femme voit ça bon vraiment elle trouve que ce n’est même pas bon, la télévision n’est même pas bien» (Interview Djigma Honoré, 9/10/2000)
In een studie van Compaore Zakaria werden enquêtes afgenomen met mensen die al langer dan één jaar in Ouagadougou verbleven. In totaal nam hij bij 133 mensen een enquête af. Het merendeel bestond uit vrouwen en de leeftijd varieerde van ongeveer15 tot 50 jaar. In die enquêtes werd onder andere duidelijk dat het vooral personages zijn uit films en feuilletons waaraan men zich spiegelt om bepaalde kledij over te nemen
“ Le fait que d’une façon générale les sujets féminins représentent non seulement 73,06% de ceux qui disent que leur style d’habillement est proche de celui des personnages télévisuels et qu’elles sont proportionnellement plus nombreuses dans chaque groupe de sujets qui disent que leur style d’habillement est proche de ceux de tel ou tel personnage de la télévision” (Compaore, 1992: 40-41) Soulemanye maakt duidelijk dat men aan de hand van het zich identificeren met een bepaald personage een bepaalde ‘style’ overneemt. Hij verwijst naar de identificatie met het personage Marimar uit de gelijknamige serie en het overnemen van de minirok. “Un acteur pour qui on a beaucoup d’estime on va même jusqu’à s’identifier à cet acteur ou à cette actrice. Il y a des valeurs comportementales j’allais dire c’est un comportement d’échange c’est un gout qui change (…) c’est des robes tailleurs c