| Herkomst: literatuur. Bestemming: vrijheid. Hafid Bouazza’s representatie in de media. (Kim van Kaam) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Fascinatie voor de publieke intellectueel: voorwoord
Hafid Bouazza fascineert mij waarschijnlijk voornamelijk omdat ik het niet met hem eens ben. Ik las zijn werk van achter naar voren, dat wil zeggen, ik begon met het laatste boek en raakte geïnteresseerd. Ik vond dat hij de integratieproblemen rond Marokkaanse allochtonen in Nederland zo mooi blootlegde. Zijn literatuur wierp er voor mij een ander licht op. Ik houd van geëngageerde literatuur, voor mij is maatschappelijke betrokkenheid een van de belangrijkste functies van literatuur, dus besloot ik me meer te verdiepen in zijn werk. Ook het werk van andere ‘allochtone auteurs’ trok mijn aandacht. Is er sprake van een nieuwe stroming? Ondanks het feit dat er enige overeenkomsten waren (ze komen allemaal uit Marokko, maar zijn met de Nederlandse cultuur ‘groot’ geworden), leek dat toch niet het geval te zijn. Vooral Bouazza viel buiten de boot. Bij nadere inspectie bleek, tot mijn grote verbazing, dat hij ondanks zijn werk niet met zijn Marokkaanse afkomst geassocieerd wilde worden. Zijn werk was slechts een weerspiegeling van zijn verbeelding. Geen engagement of cultuurkritiek bij Bouazza! Dit verschil tussen Bouazza’s opvattingen en mijn lezing van zijn werk, boeit mij erg. Het is dan ook op deze discrepantie dat ik mij in deze scriptie richt. Mijn lezing is namelijk geen uitzondering. Recensenten, journalisten, maar ook wetenschappers zijn op zoek naar de ‘allochtoon’ in Bouazza’s werk. Bouazza verzet zich hier volop tegen. Terecht? Volgens hem zijn de media gericht op buitenliteraire factoren en wordt hij als schrijver niet in de Nederlandse traditie geplaatst, waar hij thuis zou horen.
Ondertussen schrijft Bouazza wel opiniestukken in verschillende kranten die heel wat stof op doen laaien. Deze Bouazza als publieke figuur lijkt lijnrecht tegenover de Bouazza als schrijver te staan. Hier maakt Bouazza gretig gebruik van de aandacht die de media hem geven. Zijn status als schrijver-intellectueel lijkt met een publiek optreden bevestigd te worden. Maar in hoeverre is dit een door de media opgelegde titel? De analyse van de complexe verhouding die Bouazza met de media heeft zal in deze scriptie uitmonden in de vraag of Bouazza inderdaad een publieke intellectueel is en hoe het optreden van de intellectueel in de publieke sector zijn status beïnvloedt.
Om deze vragen te beantwoorden, heb ik geput uit een verzameling van zeventig recensies en interviews over en met Bouazza. Deze verzameling is geenszins compleet, ik heb voornamelijk gebruik gemaakt van de verzameling die Literom aanbiedt. Dit corpus aan teksten is meer dan voldoende om een steekhoudend beeld te geven van de receptie van Bouazza’s werk en zijn eigen kijk op zijn schrijverschap en intellectualisme. Daarom heb ik mijzelf een uitputtende zoektocht naar meer informatie onthouden.
De termen intellectueel en intellectualisme zijn niet eenduidig. Door de opkomst van de termen in een historisch klimaat van oppositie hebben zij een negatieve connotatie gekregen. De oppositionele rol is, zoals zal blijken uit deel één van deze scriptie, wellicht onlosmakelijk verbonden met de intellectueel, de negatieve connotatie mijns inziens niet. Van Dale geeft er de volgende definitie aan: ‘1 iem. met een hoge algemene ontwikkeling, die beschouwelijk is aangelegd, zorgvuldig nadenkt en verstandelijk overweegt […] 2 (in ’t mv.) de m.n. wetenschappelijk ontwikkelden die merendeels hoofdarbeid verrichten en als de voortbrengers en beheerders van de cultuur worden beschouwd, de geestelijke elite.’[1] In deze scriptie zal ik mede op zoek gaan naar meer passende definitie die ik goed kan toepassen op Bouazza’s situatie. Een aantal omschrijvingen zullen dan ook behandeld worden.
Ik richt mij voornamelijk op de publieke arbeid die de intellectueel verricht, het publieke veld is namelijk de arena waarin de intellectueel zijn ideeën uit. Waar ik ‘intellectueel’ schrijf, bedoel ik dan ook ‘publieke intellectueel’. De twee termen zal ik door elkaar gebruiken. Maar zoals uit deel een zal blijken, is ook de term publieke intellectueel niet eenduidig. In dit deel bespreek ik theorieën over intellectuelen van het midden van de negentiende eeuw tot heden. Aan de hand van dit deel stel ik enkele vragen met betrekking tot Bouazza’s situatie. In deel twee zal probeer ik die vragen te beantwoorden. Dat deel richt zich volledig op Hafid Bouazza en de toepassing van de theorie op zijn situatie.
Deze scriptie was niet geschreven zonder de onvoorwaardelijke steun van mijn geweldige familie en lieve vrienden. Ik wil hen allen dan ook bedanken voor hun begrip, steun, op- en aanmerkingen tijdens het proces. Paula, bedankt voor je ‘eerste blik’, zeer nuttig. Bregje, bedankt voor je laatste analytische inzichten. Papa, bedankt voor je ‘onacademische’ visie. Olaf, dankjewel voor de vormgeving. En ‘last but not least’ heel hartelijk bedankt, Jos Joosten voor je steun, geduld, kritische (maar helaas onleesbare) kanttekeningen en goede begeleiding.
Kim van Kaam
Utrecht, juni 2006
Dostojewski, Ter Braak, Sartre, Said: de lijn der intellectuelen
‘Tot nu toe werd ik op straat vooral aangesproken door mensen die me kenden van de televisie of van een essay uit de krant, maar nu begin ik te merken dat ze mijn boeken ook hebben gelezen’, zegt Hafid Bouazza in een interview begin 2004.[2] De media brengen Bouazza steeds in de gelegenheid te reflecteren op zijn schrijverschap, zijn achtergrond en visie op de maatschappij, en hij lijkt er gretig gebruik van te maken. Vanaf zijn debuut verschijnt de schrijver steeds met enige regelmaat in de media, wat hem bekend maakt. Eerst binnen de literaire wereld, door zijn aanhoudende protest tegen het etiket ‘allochtone schrijver’. Vervolgens ook bij een groter publiek, door zijn televisieoptredens en opinieartikelen. Dit geeft hem de status van publieke intellectueel. Maar Bouazza’s vermeende intellectuelendom lijkt niet zelfverkozen. De media lijken hem deze categorie binnen te schuiven. Het debat over de islam is het laatste decennium erg actueel, en Bouazza, als afvallige, in dat opzicht erg interessant. Met zijn kritische houding tegenover de gebruiken van de islam, de integratie van moslims in de Nederlandse samenleving en de houding van de Nederlandse overheid, schaart hij zich in een lange traditie van intellectuelen die zich allen afzetten tegen hun achtergrond, een dominante overheid of andere maatschappelijke misstanden. In dit eerste deel zal ik aan de hand van een aantal al dan niet primaire theorieën een beeld geven van de ontwikkeling die intellectuelen hebben doorgemaakt sinds hun ontstaan in het midden van de negentiende eeuw in tsaristisch Rusland.
A.F. van Oudvorst schreef in 1991 een historisch overzicht van de intellectueel, De verbeelding van de intellectuelen.[3] De ondertitel van dit werk luidt ‘literatuur en maatschappij van Dostojewski tot Ter Braak’ en dat is precies de tijdspanne die het boek beslaat: van ongeveer 1850 tot 1940. Het woord ‘intellectueel’ werd pas rond de eeuwwisseling geïntroduceerd, Van Oudvorst houdt de Dreyfus-affaire, waarbij Franse intellectuelen zich inzetten voor de vrijspraak van een Joodse generaal, hiervoor verantwoordelijk. Voor die tijd werden intellectuelen aangeduid met ‘intelligentsia’, een uit Rusland afkomstige term waarmee oorspronkelijk de radicale oppositie tegen het tsaristisch bewind bedoeld werd. De term ‘oppositie’ lijkt onlosmakelijk verbonden met de term ‘intellectuelen’, volgens Van Oudvorst verwijst de laatste term naar ‘een kritische houding ten opzichte van de gevestigde orde, de vigerende tradities en het gezag.’[4] Hij schrijft dat de intellectueel zich kenmerkt door een polariteit tussen geest en macht, en geeft vervolgens zijn definitie van intellectuelen: ‘publicisten, wetenschappers, een aantal vertegenwoordigers van vrije beroepen (zoals schrijvers, kunstenaars, artsen, advocaten), voor zover deze representanten van intellectuele activiteiten zich op enigerlei wijze en uit hoofde van intellectuele waarden manifesteren in een publieke rol.’[5] Het zijn deze ‘intellectuele waarden’ die volgens Van Oudvorst de complexiteit van de term bepalen. De term heeft dan ook geenszins een eenduidige betekenis, niet alleen syntactisch en semantisch, ook sociologisch wisselt de betekenis van ‘intellectueel’. Daarbij hebben de intellectuelen zelf vaak ook een beeld van wat hun taken en betekenis binnen de samenleving zijn. In zijn boek gaat Van Oudvorst uit van de klassieke twee-eenheid van ‘leven’ en ‘werk’ en maakt hij een onderscheid tussen het engagement van de auteur en van het werk. Van Oudvorst poneert de hypothese dat het engagementsfenomeen samenhangt met de term intellectuelen. De Dreyfus-affaire bewijst dit, maar volgens Van Oudvorst is de relatie alomvattend: ‘Dat literatuur evenzeer kan bijdragen tot het beeld van een werkelijkheid als om het even welk wijsgerig stelsel of wetenschappelijke theorie bewijst bijvoorbeeld het voorbeeld van Vaders en zonen; de receptie van Toergenjews roman was van beslissende betekenis voor het groeiende zelfbewustzijn van de Russische intelligentsia en voor de verspreiding van de term “nihilist”.’[6]
De intelligentsia ontstond in Rusland als oppositie tegen het tsaristisch regime. Zij vormde geen sociaal-economische klasse, hun eenheid was veelal ideologisch van aard. Zij deelden een morele verontwaardiging over sociale misstanden, een afkeer van het bureaucratische tsaristisch bewind en het streven naar radicale hervormingen. In het negentiende-eeuwse Rusland ontbrak er tussen de adel en het volk een substantiële burgerlijke klasse. De intelligentsia viel dan ook tussen volk en staat in en was vervreemd van beide kampen. Tijdens de negentiende eeuw evolueerde de intelligentsia zich van aristocratisch naar plebejisch tot revolutionair. Na de revoluties van 1848 ontstond tegenover de Russische adel (de dworianstwo) de raznotsjintsi. Zij vormden een groep zonder duidelijke sociale positie die zich aan de universiteiten meldden, waar de intelligentsia ontstond. Tegen 1860 vormden zij een serieuze bedreiging voor het adellijke overwicht. De raznotsjintsi waren veel radicaler dan hun intellectuele voorgangers die meer vasthielden aan conventies en gevestigde reputaties. Ze hadden niets te verliezen aangezien de adel hen strikt buiten het establishment hield. Deze ‘alles-of-niets’-instelling creëerde het klimaat voor de ondergang van het tsarisme.
De literatuur was in de negentiende eeuw het middel bij uitstek voor de intelligentsia om hun ideeën te ventileren. Door de grote censuur en het gebrek aan vrije meningsuiting, konden intellectuelen hun ideeën niet via directe wegen naar buiten brengen. De literatuur gaf hen de kans hun opvattingen op symbolische wijze te brengen. Rusland had in die tijd te kampen met hoge analfabetismecijfers, een groot deel van het beoogde publiek werd dan ook niet bereikt. Daardoor viel de afkomst van de auteur bijna volledig samen met de afkomst van zijn publiek. Dit creëerde een morele eenheid. Van Oudvorst behandelt twee van de grootste Russische auteurs uit dit tijdperk die elkaar tegelijkertijd verafschuwden, Toergenjew en Dostojewski.
Toergenjew verwerkte in bijna al zijn werk sociale, politieke en wijsgerige actualiteiten en schilderde steeds een realistisch beeld van een bepaald milieu in een bepaalde periode. Hij behoorde tot de eerste generatie intelligentsia, die de aristocratische bovenlaag van de samenleving vormde. In de jaren veertig van de negentiende eeuw komt Toergenjew in botsing met de nieuwe generatie intellectuelen die veel radicaler en meer revolutionair gericht is. Van dit conflict doet hij in Vaders en zonen (1862) verslag. Naast de polemiek die deze roman opleverde met de nieuwe generatie, droeg hij ook bij tot de verspreiding van de term nihilist. Het nihilisme ontstond als intellectuele beweging die het individu wilde bevrijden van traditionele bindingen. In 1861 vonden revoluties plaats en verschenen manifesten aan de universiteiten van enerzijds de vreedzame nihilistische socialisten die zich ontwikkelden tot populisten en anderzijds de meer gewelddadige revolutionaire anarchisten. Deze stroming binnen het nihilisme ontwikkelde zich tot een terroristische groep die uiteindelijk tsaar Alexander II vermoordde.
Dostojewski schreef over de radicalisering van de intelligentsia Boze geesten (1871-1872). Het onderwerp ontleent hij aan een geruchtmakende affaire met een criminele intellectueel. Dostojewski wil met deze ideeënroman niet alleen een toespeling maken op de roman Vaders en zonen van zijn rivaal Toergenejew, het is ook een afrekening met zijn eigen verleden als sociaal-revolutionair. Volgens hem is het nihilisme een ontsporing van de intelligentsia, waar de eerste generatie intellectuelen schuld aan heeft. Dostojewski heeft deze ideeën opgedaan tijdens zijn tienjarige ballingschap in Siberië. Daar heeft hij zich van atheïstisch socialistisch radicaal ontwikkeld tot conservatief cultuurcriticus die zijn geloof hervonden heeft. Ook ontdekt hij het volk en hij bekeert zich tot de nationale gedachte.
Van Oudvorst geeft een uitgebreide beschrijving van Boze geesten en bespreekt de literair-historische, ideologische en historisch-sociologische implicaties ervan. Mijns inziens gaat Van Oudvorst daarin erg ver. Hij lijkt de roman op de werkelijkheid te plakken en laat de romanpersonages gelden als spreekbuizen voor Dostojewski’s ideeën, zonder rekening te houden met het symbolische, fictieve en subjectieve aspect van literatuur. Van de scheiding die hij in zijn inleiding maakte tussen het engagement van enerzijds het werk en anderzijds de auteur is hier weinig meer over. Van de andere kant impliceert de hypothese dat intellectualisme samenhangt met engagement dat een strikte scheiding niet te maken is.
Het verband tussen engagement en intellectualisme blijkt uit de Dreyfus-affaire aan het eind van de negentiende eeuw. Van Oudvorsts boek is ingedeeld in drie delen. Het eerste gaat in op de hierboven besproken Russische intelligentsia, het tweede deel heet ‘De intellectuelen’ en behandelt het ontstaan van de intellectuelen zoals wij die nu kennen, de semantische complexiteit van de term, de sociologie rond het fenomeen en enkele intellectuele theorieën. Volgens Van Oudvorst staat de Dreyfus-affaire model voor ‘engagement op grond van intellectuele waarden’ en mag hij daarom in geen enkele studie over intellectuelen ontbreken.[7] De zaak-Dreyfus draait om Alfred Dreyfus, een Franse officier die in 1894 tot levenslang wordt veroordeeld wegens spionage voor de Duitse vijand. Dreyfus’ schuld staat echter nooit onomstotelijk vast. Dreyfus komt oorspronkelijk uit de Elzas, dat sinds 1870 weer bij Duitsland behoort. Niet al zijn familieleden hebben de Elzas sindsdien verlaten en voor de Franse nationaliteit gekozen. Daarbij komt Dreyfus uit een familie van rijke joodse industriëlen; het antisemitisme en nationalisme leeft in die tijd en hebben zeker een rol gespeeld bij zijn aanhouding. Na een paar jaar slagen Dreyfus’ naasten erin zijn onschuld te bewijzen. Het proces wordt herzien, Dreyfus vrijgelaten, maar niet vrijgesproken.
Dat is in 1898 voor Georges Clemenceau en Émile Zola de reden een open brief aan de president van de republiek te schrijven. Deze brief, ‘J’accuse’, wordt ondertekend door professoren, schrijvers, kunstenaars, journalisten en academici. Zij worden de intellectuelen genoemd. De Dreyfus-affaire geeft een beeld van de verscheurdheid die op dat moment in Frankrijk heerste. Aan de ene kant staan de Dreyfusards, revisionisten die zich baseerden op de beginselen van de republiek van 1789. Aan de andere kant staan de antidreyfusards, die een conservatief-nationalistische en militaristische conceptie van Frankrijk najagen, gesymboliseerd door het koningschap en het leger. De bekendheid en hevigheid van de affaire is in grote mate te danken aan de pers, die zich als opiniemacht profileerde. De intellectuelen hebben hun ontstaan deels aan de media te danken. Maar ook onder de antidreyfusards waren schrijvers en andere publieke figuren. Met het ontstaan van de intellectuelen, ontstonden ook de anti-intellectuelen. De benaming kan zowel in positieve als negatieve context gebruikt worden, wat de complexiteit rond de term heeft veroorzaakt.
Het woord ‘intellectueel’ wordt omgeven door een polysemie aan betekenissen. Door de polemieken rond het manifest van Zola en Clemenceau heeft de term een negatieve connotatie gekregen en werd het verbonden met oppositie. In de loop der tijd is de term intellectueel gepolitiseerd en heeft het een emotieve betekenis gekregen die de term verbindt met de negatieve connotatie die het door de historische context waarin het ontstond gekregen heeft.
In het volgende hoofdstuk behandelt Van Oudvorst de vraag waarin, sociologisch gesproken, de aard van het intellectueel-zijn gelegen is, waarom men intellectuelen als een aparte sociale categorie kan beschouwen. Intellectuelen vormen in beginsel een elite ‘die, sociologisch gesproken, de rol opeist culturele waarden van humanistische oorsprong te handhaven tegenover de elites van de macht, het bezit, de technocratie en wat dies meer zij.’[8] Onderzoekers benaderden de term achtereenvolgens als een sociale klasse of elite, als een cultuurscheppende categorie en als een vorm van kennis.
De elitetheorieën bezien de intellectuelen als een idealistische categorie. Het traditionele elitebesef hield geen stand in de twintigste eeuw, de intellectuelen verloren toen hun hoge stand en aanzien. De nadruk verschoof naar de intellectuele functie binnen het culturele proces met de komst van de cultuurtheorieën. Die richtten zich op de functie van de intellectueel als bemiddelaar tussen zijn culturele rol en zijn positie. In deze benadering heeft de intellectuele categorie als functie de cultuur te vormen met literatuur, kunst, religie en wijsbegeerte. De verschillende opvattingen over cultuur bepalen binnen deze theorie de functie van de intellectuelen. Enerzijds kan men cultuur ruim opvatten, zodat ook de beschaving eronder valt. Intellectuelen hebben dan een leidinggevende functie op vrijwel alle gebieden. Anderzijds beperkt een nauw cultuurbegrip de functie van intellectuelen tot een creatieve categorie. De derde benadering richt zich voornamelijk op intellectuelen als ‘men of ideas’. Voorstanders van deze opvatting zien intellectuelen als andersdenkenden die zich met hun ideeën proberen te engageren binnen de maatschappij. Deze ideeën hebben wel een gunstig cultureel, politiek en dus intellectueel klimaat nodig om wortel te kunnen schieten.
Om nader in te gaan op de kennissociologische benadering van intellectuelen bespreekt Van Oudvorst twee centrale figuren binnen deze theorie, die elkaar min of meer opvolgden: Karl Mannheim en Th. Geiger. In 1929 verscheen van Mannheims hand Ideologie und Utopie, waarin hij de kennissociologische theorieën toepast op politieke en sociale denkvormen. Hij stelt een synthese van verschillende wereldbeschouwingen voor om het versnipperde Duitsland weer tot een geheel te maken. Die synthese diende bewerkstelligd te worden door de ‘freischwebende Intelligentz’. Volgens Mannheim vormde deze categorie geen sociale klasse, maar was zij een gedifferentieerd samenvoegsel van intellectuelen uit alle lagen van de bevolking. Hun culturele vorming zou de eenheid van de groep uitmaken, hun ongebondenheid heeft voor Mannheim juist veel positieve kanten. Zo konden zij verschillende groepen binnen de samenleving representeren. Mannheims theorie heeft een enigszins messianistisch karakter, dat vanuit de vooroorlogse historische context verklaart kan worden. Hij wilde de intellectuelen betrekking laten hebben op de gehele samenleving, zonder zich aan te sluiten bij een specifieke politiek partij. Zij werpen zich op als pleitbezorgers van het algemeen belang. Volgens Van Oudvorst gingen de Dreyfusards in 1898 ook zo te werk, met als algemene opdrachtgever ‘het waarheidsgebod’. Geiger zette zich af tegen de ideeën van Mannheim. Volgens hem is er een onderscheid tussen de ontwikkelden, de intellectuelen en de intelligentsia. De eerste groep zijn de cultuurconsumenten die gebruik maken van de creatieve arbeid van de andere twee groepen. De intelligentsia is het culturele brein, en de intellectuelen vormen een culturele laag die kennis en culturele waarden toepassen in professionele situaties. Volgens Geiger is er geen actieve politieke rol weggelegd voor de intellectuelen door de scheiding die er bestaat tussen geest en macht. Zij kunnen wel de rol van criticus van de macht spelen.
De antithese tussen geest en macht die Van Oudvorst aan de hand van Geiger opwerpt, is zo interessant dat hij er een hoofdstuk aan wijdt, waarin hij in gaat op de relatie van de intellectuelen tot de politiek. Daartoe bespreekt hij de drie grootste Europese machten en hun intellect. In Duitsland ontstonden intellectuele uitingen pas vanaf de opkomst van het expressionisme. Zij kantten zich tegen het bestaande politiek bestel en pleitten voor een revolutie. Maar de meeste geleerden hielden zich afzijdig of hielden het bij een conservatieve revolutie. In Frankrijk hadden de intellectuelen van oudsher een meer bevoorrechte positie ten opzichte van de politiek, zij vormen daarin een uitzondering. Naar later zal blijken, neemt Frankrijk in het hele debat over intellectuelen een aparte positie in. Engeland blijft het meest achter op dit gebied. Daar ontwikkelt zich geen revolutionaire intellectuele groep kunstenaars. Van Oudvorst komt tot de volgende conclusie: ‘Op enige afstand van de nationale en historische details laten zich, grof genomen, drie mogelijkheden onderscheiden: de intellectueel oefent kritiek uit op het politieke systeem, neemt eraan deel of trekt zich terug in de ivoren toren.’[9] Deze drie mogelijkheden kunnen praktisch ingedeeld worden als moralisten en critici, politici en revolutionairen en ten slotte ambtenaren en ingenieurs. Van Oudvorst stelt dat voornamelijk technische wetenschappers zich terug zullen trekken in de ivoren toren, omdat hun functie te nauw samenhangt met de politiek om er expliciet kritisch tegenover te staan. Mijns inziens ziet hij daarbij over het hoofd dat ook terugtrekking een intellectueel statement kan zijn. Baudelaires decadentisme vormt hier wellicht een goede illustratie van. Hij zal geen heil en toekomst in de samenleving waar hij in leefde en keerde in zichzelf. In zijn werk liet hij de donkere kanten van de maatschappij zien. Dit was zijn vorm van kritiek op de maatschappelijke misstanden van zijn tijd, net als die van andere decadenten. En het existentialisme enkele decennia later gaat ervan uit dat jezelf afwenden of afzijdig houden ook een standpunt is. Hier kom ik later nog op terug bij de bespreking van Sartres engagementstheorie.
‘De crisis van het op rede en empirie gebaseerde waarheidsbegrip is een symptoom van een aftakelingsproces dat men met behulp van termen als decadentie, fin de siècle of ondergang heeft willen benoemen en diagnostiseren. Deze termen verwijzen naar een algemene crisis van de zekerheden die het ideologische fundament vormden waarop de liberale burger van de 19e eeuw zijn rijk van vooruitgang en democratie had gevestigd.’[10] Zo begint Van Oudvorst het laatste hoofdstuk van deel twee van zijn boek. De crisis die de burgerlijke cultuur rond de eeuwwisseling in zijn greep had werd veroorzaakt door de opkomst van het alles ondermijnende nihilisme. Thomas Mann is volgens Van Oudvorst een van de grootste vertegenwoordiger van de crisis. In zijn in 1924 verschenen Bildungsroman Der Zauberberg doet hij verslag van ‘de ideologische controversen die de Europese burgerijen verdeelden aan de vooravond van de eerste wereldoorlog.’[11] Mann was een romantisch-conservatief die zich keerde tegen de democratische vooruitgang van de twintigste eeuw. Zijn pleidooi voor een ‘unpolitischen’ houding die zich richt op het humanistisch-idealistisch ontwikkelingsideaal van geest en cultuur stond recht tegenover de ontwikkeling van de eerste democratische Duitse republiek waar ook Mann zich uiteindelijk aan zou moeten onderwerpen.
In het derde deel van De verbeelding van de intellectuelen introduceert Van Oudvorst het begrip engagement. Pas sinds 1945 is de term wijdverbreid en door iedereen gebruikt als de sociaal-politieke houding die intellectuelen zich aanmeten. Ondanks de late introductie van de term is de toepassing ervan niet beperkt tot de afgelopen zestig jaar, althans dat vraagt Van Oudvorst zich af: ‘Definieert de intellectueel zich als intellectueel door zijn engagement? Is een “ongeëngageerde intellectueel” een contradictio in terminis, en een geëngageerde intellectueel een pleonasme? Moeten we onder engagement alle vormen van politieke betrokkenheid van intellectuelen verstaan, individueel en collectief, in alle historische perioden, of moeten we zoeken naar meer specifieke soorten gedrag?’[12] Ten einde deze vragen te beantwoorden en een beeld te geven van de betekenisontwikkeling van de complexe term, gaat Van Oudvorst in op vier verschillende betekenisdimensies van engagement: lexicaal, wijsgerig, politiek en literair.
Lexicaal gezien heeft het woord een Franse oorsprong, het betekent: stelling nemen, partij kiezen. De wijsgerige betekenis van engagement komt vooral voort uit de existentiefilosofie tussen 1930 en 1950. Sartre heeft zijn theorieën hierover uiteengezet in verschillende essays, onder andere L’existentialisme est un humanisme (1946). Volgens Sartre is het ieders taak zich verantwoordelijk op te stellen en een kritische houding aan te nemen tegenover de maatschappij. Sartre ontleende de term engagement aan twee andere theoretici, Mounier en Marcel. In Mouniers opvatting mocht de burger zich enerzijds niet inlaten met de liberaal-burgerlijke individualistische cultuur die hem zou afscheiden van de gemeenschap, anderzijds moest hij zich verzetten tegen het marxisme dat hem op zou laten gaan in het collectief. Mounier maakte geen scheiding tussen individu en gemeenschap, volgens hem maakt het laatste deel uit van de persoon. De opvatting van engagement als een betrokken houding en verantwoordelijkheid voor de samenleving is karakteristiek voor de periode van het existentialisme.
Ook in politieke zin staat Sartre bekend als de grootste voorvechter van het engagement. Volgens hem houdt ook niet kiezen een keuze in. Wederom is Sartre niet de eerste bij wie we een politiek engagement tegenkomen. Al voor de Tweede Wereldoorlog werd de term gebruikt door Nizan. Zijn theorie draait om de centrale formule: onthouding is een keuze. Mounier trachtte ook te theoretiseren over het politieke engagement. Zijn formule luidt: ‘partij kiezen zonder partijman te zijn.’ Volgens hem is het onmogelijk communist en geëngageerd tegelijk te zijn. Van Oudvorst stelt hier tegenover dat er een te grote verscheidenheid is aan soorten en vormen van intellectualisme en engagement. Een onpartijdige doch kritische houding is dus wat hem betreft onmogelijk. Zijn criterium om van engagement te kunnen spreken is: ‘mits of voorzover deze activiteiten niet in botsing komen met de kritische habitus die eigen is aan de rol van intellectueel.’[13]
In de literaire betekenis van engagement ontkomt men wederom niet aan Sartres theorieën. Uit zijn essayistische pamflet uit 1948 Qu’est-ce que la littérature? blijkt een zeer kritische houding tegenover het establishment. Sartre richt zich voornamelijk op de verhouding tussen schrijver en publiek die sinds de negentiende eeuw ernstig verstoord is. Hij wil literatuur zijn maatschappelijke functie teruggeven, het engageren zodat de lezer zich bewust wordt van zijn of haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ook hier geldt: je niet engageren is ook een standpunt. Vanwege het belang en de uniciteit van Sartres essay, laat ik Van Oudvorsts studie even los om uit te wijden over dit pamflet.
Sartre behandelt in zijn essay drie vragen: wat is schrijven, waarom schrijven en voor wie schrijft men. Vervolgens past hij deze drie vragen toe op de situatie van 1947. Centraal komt te staan de relatie tussen schrijver en publiek. Sartre gaat uit van de vrijheid van deze twee factoren die het bestaan van de literatuur uitmaken. Hij richt zich daarbij alleen op de prozaschrijver. Volgens hem kan poëzie, net als muziek en beeldende kunst, niet geëngageerd zijn, omdat woorden in poëzie als dingen worden gebruikt: ‘Poets are men who refuse to utilize language. (…) Nor do they dream of naming the world, and, this being the case, they name nothing at all, for naming implies a perpetual sacrifice of the name to the object named, or, as Hegel would say, the name is revealed as the inessential in the face of the thing which is essential. (…) In fact, the poet has withdrawn from language-instrument in a single movement. Once and for all he has chosen the poetic attitude which considers words as things and not as signs.’[14]
Omdat literatuur, proza dus, wél geëngageerd kan zijn, stelt Sartre de schrijver in zijn eerste hoofdstuk drie vragen, ten eerste: met welk doel schrijf je? Schrijven is voor Sartre onthullen. Door te spreken en schrijven onthult men een bepaalde situatie, legt men die vast. De tweede vraag is: welk aspect van de wereld wil je onthullen? Welke verandering wil je aanbrengen? ‘The “committed” writer knows that words are action. He knows that to reveal is to change and that one can reveal only by planning to change.’[15] De laatste vraag luidt: waarom liever het ene dan het andere veranderen? Deze vraag leidt uiteindelijk tot de volgende hoofdvraag van het essay: ‘since we think that the writer should commit himself completely in his works, and not in an abjectly passive rôle by putting forward his vices, his misfortunes, and his weaknesses, but as a resolute will and as a choice, as this total enterprise of living that each one of us is, it is then proper that we take up this problem at its beginning and that we, in out turn ask ourselves: “Why does one write?”’[16]
Volgens Sartre schuilt er in iedere schrijver een diepere en nadere drang, die gedefinieerd kan worden als scheppingsdrang. Deze drang vormt de achterliggende reden van iedere kunstschepping. Maar scheppen gaat niet samen met onthullen: ‘Thus, in perception, the object is given as the essential thing and the subject as the inessential. The latter seeks essentiality in the creation and obtains it, but then it is the object which becomes inessential.’[17] Dit proces komt nergens zo vaak voor als binnen literatuur. De relatie tussen schrijver en lezer is essentieel in literatuur. De lezer maakt het kunstwerk concreet. Schrijven doe je niet voor jezelf, maar voor je lezer. Sartre stelt, dat de schrijver een beroep doet op de vrijgevigheid van de lezer, hij wil dat de lezer mee werkt bij de productie van zijn werk. Hier komt wat Sartre noemt de dialectische paradox van lezen aan de oppervlakte: niet alleen de schrijver wendt zich tot de vrijheid in de lezer, daardoor wendt ook de lezer zich tot het vrije in de schrijver. ‘The more we experience our freedom, the more we recognize that of the other; the more he demands of us, the more we demand of him.’[18] Lezen is een contract van vrijgevigheid tussen schrijver en lezer. Deze conclusie leidt tot de veronderstelling dat er alleen goede en slechte romans geschreven worden: ‘The bad novel aims to please by flattering, whereas the good one is an exigence and an act of faith.’[19] Geloof in vrijheid, dat is het enige onderwerp van de vrije schrijver. Zo kan een neger wel een goede roman schrijven, al zou deze gaan over discriminatie door zijn blanke mede-mens. De blanke lezer zou zich niet willen identificeren met de onderdrukker en pleiten voor de vrijheid van de negers. Maar er zou nooit een goede roman geschreven kunnen worden die pleit voor antisemitisme, omdat dit niet uitgaat van vrijheid. Alleen democratie past volgens Sartre bij proza. Door te schrijven, vraag je om vrijheid. En als je schrijft, ben automatisch geëngageerd. Dit leidt tot de derde en laatste hoofdvraag uit Sartre’s essay. Waaraan ben je geëngageerd, tot wat verplicht dat engagement je? Kortom: voor wie schrijft men?
Om deze vraag te beantwoorden, moet Sartre eerst het begrip vrijheid relativeren. Want er bestaat uiteindelijk geen gegeven vrijheid. Een schrijver schrijft altijd voor tijd-, land-, ras-, en klassegenoten. Hun vrijheid, en identiteit, wordt verworven in de historische situatie, die bepaalt wat de verwachtingen zijn waar zij aan toe moeten leven. In dit hoofdstuk bespreekt Sartre de verhoudingen tussen de schrijver die een ideologie probeert te ontwikkelen en zijn publiek in een aantal periodes. In de Middeleeuwen was dit vrij lastig, omdat lezen en schrijven was gereserveerd voor geestelijken, die voornamelijk de Heilige Schrift lazen. Schrijver en publiek vielen dus samen. In de zeventiende eeuw lagen deze verhoudingen, ondanks de secularisatie, grotendeels hetzelfde. Alleen de bovenste laag van de samenleving kon schrijven, wat betekende dat zij ook las. De schrijver (en lezer) paste zich aan de bestaande ideologie aan.
Sartre maakt een onderscheid tussen potentieel en echt publiek. Tot en met de zeventiende eeuw bestond het potentiële publiek niet, zij kwam pas in de achttiende eeuw in beeld, volgens Sartre. In die eeuw werd de lezerskring uitgebreid met de burgerij. Dat veroorzaakte enige spanning. De schrijver moest kiezen tussen twee echte publieken: schrijven voor de bourgeoisie of de heersende klasse. In de achttiende eeuw ontstond ook de autonomie van de letterkunde en daarmee het engagement: er werd opgeroepen tot opstand en revolutie tegen het establishment. Maar als de ‘gelijkheid’ is bereikt, zou er voor de schrijver niets meer overblijven. Hij zou zich moeten aanpassen aan de overheersende ideologie zoals in de zeventiende eeuw. In de negentiende eeuw keert de schrijver zich dan ook tegen al zijn lezers, door de eenwording van zijn publiek. Dit vormde het fundamentele conflict tussen schrijver en lezer. Enerzijds kon de schrijver ervoor kiezen zich tegen de elite te keren, in voordeel van de massa en opnieuw de dualiteit tussen twee publieken te creëren, anderzijds kon hij zich van de samenleving afkeren. En in de negentiende eeuw koos de literatuur voor het laatste: hij vervreemdde van de maatschappij, weigerde zich te onderwerpen aan een publiek en een onderwerp. De schrijver wilde zich afwenden van de bourgeoisie, maar behoorde er tegelijkertijd ook toe: ‘He showed it by his clothes, his food, the way he furnished his home, and the manners he adopted, but he did not do it. It was the bourgeoisie which read him. It was the bourgeoisie alone which maintained him and decided his fame. […] Since he did not bring himself to do this [zich afwenden van de bourgeoisie en binden aan een andere klasse, KvK], he lived in a state of contradiction and dishonesty since he both knew and did not want to know for whom he was writing.’[20]
De schrijver verkeerde in een staat van eenzaamheid die hem de overtuiging gaf dat hij voor zichzelf of voor God schreef. Dat laatste gaf een goddelijke, metafysische dimensie aan zijn literatuur die zich afzonderde van de maatschappij. In deze tijd ontstonden de literaire salons waar het credo ‘l’art pour l’art’ een centrale rol speelde. Kunst werd de verheven vorm van het zuivere verbruik. Volgens Sartre hebben de schrijvers uit de negentiende eeuw de literatuur hiermee verraden. Zij hadden zich in de maatschappij moeten integreren en de eisen van het proletariaat moeten verduidelijken. Sterker nog: volgens Sartre had een geëngageerde literatuur de opkomst van het marxisme af kunnen zwakken. Vervolgens schetst Sartre zijn ideologische visie op literatuur. Hij maakt allereerst het onderscheid tussen het ideale en het werkelijke publiek van een schrijver. Het ideale publiek van een schrijver is de hele samenleving, de hele bevolking die het onderwerp van zijn literatuur zou uitmaken. De ideale relatie tussen schrijver en publiek zou dan ook alleen maar kunnen ontstaan in een klassenloze democratie: ‘Actual literature can only realize its full essence in a classless society. Only in this society could the writer be aware that there is no difference of any kind between his subject and his public. For the subject of literature has always been man in the world.’[21] Sartres voorstel is utopisch, daar is hij zich ook van bewust: ‘It is possible to conceive this society, but we have no practical means at our disposal of realizing it.’[22] Daarom is het van belang ons af te vragen wat de situatie van de schrijver in 1947 is, wat zijn publiek is, waarover hij schrijft en waar hij over zou moeten schrijven.
In dit laatste hoofdstuk past Sartre de drie eerder gestelde vragen toe op de historische situatie waarin hij leeft. Hij beperkt zich daarbij tot de situatie van de Franse schrijver: ‘I am speaking about the French writer, the only one who has remained a bourgeois, the only one who has to adjust himself to a language which a hundred and fifty years of bourgeois domination have broken, vulgarized, slackened, and stuffed with “bourgeoisisms”, each of which seems a little sigh of ease and abandon.’[23]
Sartre deelt de literatuur van 1947 in drie generaties in: de eerste is begonnen voor de eerste wereldoorlog. Dat is de gevestigde orde van het decadentisme en het realisme die de ondergang van de literatuur hebben ingeluid, zoals hierboven beschreven. De tweede generatie is van na 1918. Zij vormden het surrealisme. Ook deze stroming zocht een ivoren toren, dit keer niet om de bourgeois te ontvluchten, maar om uit het menszijn te springen. Het surrealisme wordt door Sartre bestempeld als een vernietigingstraditie. Revolutionaire surrealisten hingen het communisme aan. Niet omdat zij geloofden in de communistische ideologie of de dictatuur van het proletariaat. Zij parasiteerden als het ware het communisme, omdat zij wel geloofden in de revolutie als zuiver geweld die zij via het communisme konden bereiken. De surrealisten hadden geen banden en dus geen lezers, wat hun ondergang inluidde. Een tweede stroming van na 1918 die Sartre noemt is het humanisme. Zij vertegenwoordigden de middenklasse, maar was daar weinig succesvol in. De derde generatie die Sartre onderscheidt, is zijn eigen generatie die kort voor de oorlog of net erna is begonnen met schrijven. Zij ontstond in een klimaat van meedenkers, radicalen en extremisten. De oorlog en het nationaal-socialisme hebben een duidelijke impact op deze generatie gehad. Zij werd geconfronteerd met de historie en het feit dat de mens deel uitmaakt van deze historie: ‘All at once we felt ourselves situated.’[24] Oude technieken voldeden niet meer: ‘In the stable world of the pre-war French novel, the author, placed at a gamma point which presented absolute rest, had fixed guide-marks at his disposal to determine the movements of his characters. But we, involved in a system in full evolution, could only know relative movements. […] Since we were situated, the only novels we could dream of were novels of situation, without internal narrators or all-knowing witnesses.’[25]
Na 1945 was Frankrijk (en de rest van Europa) bezig met wederopbouw. Literatuur paste zich aan en schrijven werd een echt beroep. Volgens Sartre hoort literatuur niet te beschrijven, maar te ondernemen: geschiedenis maken, net als de mens en de wereld. Hij stelt een verschuiving voor van een literatuur van de exis naar een literatuur van de praxis: ‘Praxis as action in history and on history; that is, as a synthesis of historical relativity and moral and metaphysical absolute, with this hostile and friendly, terrible and derisive world which it reveals tot us. There is our subject.’[26] Om deze literatuur te schrijven, is er een overzicht van het publiek nodig. Door de globalisering en industrialisering van de kunst is het publiek versnipperd en meer abstract geworden. Volgens Sartre zijn er wel lezers, maar geen publiek.
Door de Koude Oorlog is de bourgeoisie haar status en ideologie kwijtgeraakt, Sartre noemt haar de ‘zieke man van Europa’. Maar de onderdrukte klassen, de onderste klassen van de samenleving zijn onbereikbaar geworden door hun ideologie: zij zijn afgesloten door het ijzeren gordijn van het communisme. Doordat het de schrijvers onmogelijk gemaakt wordt een kant te kiezen, vallen zij buiten de geschiedenis. Daarom moeten de schrijvers van 1947 zich richten op drie vragen: wie zijn onze verborgen lezers? Bijvoorbeeld onderwijzers, niet-communistische volksfracties, de kleine burgerij. Hoe veroveren wij dit publiek? Door de massamedia te gebruiken. En ten derde: Hoe maken wij een organische eenheid van lezers, luisteraars en kijkers? Volgens Sartre moet lezen een broederschap zijn. De schrijver moet de mens als absoluut doel zien en zijn onderwerp als het middel om zijn doel te bereiken: ‘In short, we must militate, in our writings, in favour of the freedom of the person and the socialist revolution.it has often been claimed that they are not reconcilable. It is our job to show tirelessly that they imply each other.’[27]
Sartre ziet het socialisme als de weg naar de vrijheid; schrijvers moeten in de literatuur een standpunt innemen, dat is de essentie van literatuur. Om vrijheid te bereiken, moet de schrijver enerzijds kritisch zijn op zijn ‘instrument’. Dat instrument, de taal, moet schoongemaakt worden, ‘zieke’ woorden moeten verwijderd worden, dat is de taak van de schrijver. Anderzijds moet de schrijver de taal uitbreiden om haar aan de historische situatie aan te passen. Sartre noemt dit de literatuur van negativiteit en constructie. In deze literatuur dienen schrijvers de wereld en haar misstanden weer te geven en er getuigenis van af te leggen. In de literatuur van de praxis gaat het niet om beschrijven of verklaren, waarnemen is hier een handeling geworden. De schrijver onthult de wereld. Om dit te bereiken is er een democratisch, socialistisch Europa nodig, volgens Sartre. De schrijver kan kiezen voor de vrijheid en zo een oorlog voorkomen en de literatuur redden.
Tot slot schrijft Sartre dat hij geenszins het manifest van een beweging heeft willen schrijven, hij heeft enkel een situatie beschreven: ‘A literature of praxis is coming into being in the age of the unfindable public. That’s the situation. Let each one handle it in his own way. His own way, that is, his own style, his own technique, his own subjects.’[28] Sartre vraagt de schrijver alleen om te kiezen, om de literatuur te redden. Want hoewel de wereld absoluut zonder literatuur kan, kan literatuur nog veel beter zonder de wereld, schrijft hij.
Van Oudvorst noemt het literatuurvoorstel dat Sartre doet in zijn beknopte samenvatting situatieliteratuur waarin het subjectivisme van talloze personages zegeviert. De omslag die hij hiermee inluidt in de literatuur loopt volgens Van Oudvorst parallel aan de crisis van het waarheidsbegrip die leidde tot de experimenterende moderne romans. Hierdoor heeft het essay wellicht de naam theorie van de geëngageerde literatuur gekregen. Van Oudvorst stelt, dat het essay veeleer een programma is voor de Franse schrijver in 1947. Sartre paste zijn theorie namelijk te pas en te onpas aan de historische situatie aan.
Literair engagement is pas na de Tweede Wereldoorlog ontstaan, maar wordt met terugwerkende kracht toegepast op eerdere literaire stromingen of genres. ‘In alle gevallen verwijst de term naar de verantwoordelijkheid van de auteur als intellectueel, een gedachte die zich verzet tegen het l’art pour l’art of de in deze eeuw (om begrijpelijke redenen) vaak gepropageerde theorie van de autonomie der literatuur.’[29] In zijn definitieve definitie van literair engagement gaat Van Oudvorst uit van een ideologische overtuiging, op politiek, religieus of sociaal niveau. Mijns inziens is geëngageerde literatuur niet perse ideologisch, dat blijkt ook uit Sartres essay. Hij stelt het socialisme als middel om tot een bepaald doel te komen, de vrijheid voor ieder mens. Het socialisme is voor hem geen absolute overtuiging. Zijn engagement gaat uit van het onthullen van de wereld en haar misstanden. In mijn mening gaat geëngageerde literatuur in op de maatschappelijke situatie en de problemen die daarin spelen, maar hoeft zij niet een ideologisch standpunt in te nemen. Volgens Sartre zou dat zelfs de uiteindelijke vrijheid weer beperken.
In de laatste twee hoofdstukken van zijn boek bespreekt Van Oudvorst de twee bekendste Nederlandse ‘auteurs engagées’: E. du Perron en Menno ter Braak. Opvallend is dat Van Oudvorst deze twee schrijvers apart van elkaar beschrijft en bijna niet ingaat op hun samenwerking in Forum, het tijdschrift dat de twee mannen verbindt. Hij bespreekt ieders persoonlijke engagement en de denkbeelden die spreken uit hun werk en negeert daarbij de mogelijke causale verbanden of de invloed die zij op elkaar gehad zouden kunnen hebben.
Pas in de jaren dertig van de vorige eeuw ten tijde van de opkomst van het totalitarisme in Italië en Duitsland, engageerde Du Perron zich. Hij voelt zich verscheurd tussen twee politieke standpunten. Enerzijds is Du Perron een individualist, anderzijds leidde zijn afkeer van de bourgeoisie hem naar het communisme. Hij had veel contact met Gide en Malraux, beider communistische bekering (respectievelijk uit religieus oogpunt en militarisme) had veel invloed op hem. Hij voelde zich gedwongen tot een communistische bekering, maar zijn persoonlijke individualistische opvattingen hielden hem tegen. Over deze persoonlijke strijd schrijft hij in 1934 De smalle mens. Omdat een keuze afgedwongen wordt en hij voor je gemaakt wordt als je zelf niet kiest, kiest Du Perron uiteindelijk voor een individualistisch bestaan en keert zich af van de politiek. In 1935 verschijnt de modernistische roman Land van herkomst waarin hij zijn positie als antipoliticus en partijloze probeert af te bakenen. Van Oudvorst schrijft over deze roman: ‘Het land van herkomst verhoudt zich tot De smalle mens als de praktijk tot de theorie. De romanwerkelijkheid concretiseert de denkbeelden uit de essays; ze toont ze als het ware in actie. De ideeën worden tot leven gebracht door de personages; aan de interactie van de laatsten ontlenen ze dynamiek.’[30]
Volgens Van Oudvorst wordt Du Perrons engagement gekarakteriseerd door een tweestrijd: enerzijds wil de individualistische schrijver zich afzijdig houden van de politiek, anderzijds neemt hij wel degelijk stelling tegen het fascisme. Voor Du Perron was er voor de intellectueel geen politieke rol weggelegd, zijn engagement was van morele aard. Hij is de voorloper van de Sartriaanse intellectueel die zich schuldig voelde over zijn bourgeoise afkomst. Ook Du Perron was zich bewust van de existentiële stellingname dat afzijdigheid ook een keuze impliceert. Dat bewustzijn creëerde de tweestrijd waarin Du Perron leefde.
Ook Menno ter Braaks engagement ontstond pas met de opkomst van de fascistische regimes rond 1933. Van Oudvorst noemt zijn engagement van culturele aard, hij wil de burgerlijk-humanistische cultuur koste wat kost beschermen. In 1930 verschijnt Carnaval der burgers waarin hij een pleidooi houdt tegen de verabsolutering van de gevestigde burgerlijke waarden. De intellectueel heeft volgens hem de taak de chaos in de orde te herscheppen, de anarchie in de maatschappij te introduceren, een ‘eenheid-in-veelheid’ te maken in de uniforme burgerlijke cultuur.
In Ter Braaks latere werk gaat hij meer individualistisch dan generaliserend te werk. In Politicus zonder partij uit 1934 geeft hij blijk van een meer nihilistisch vitalisme, en introduceert hij de ‘honnête homme’. Dit is de verpersoonlijking van de politicus zonder partij. Deze individualist gebruikt humor als wapen tegen de geest van de ernst, hij is een eeuwige oppositiefiguur. Zonder echter de betrokkenheid in de maatschappij uit het oog te verliezen. Van Oudvorst noemt dit een ‘democratische neiging tot gewoonheid’: ‘Humor en avontuur bleken echter niet opgewassen tegen de ernst van de politieke situatie die zich na 1934 steeds duidelijker begon af te tekenen. Politicus staat in het teken van de negatie, alle verkapt-humanistische honnêteté ten spijt. De komende gebeurtenissen confronteerden Ter Braak met de noodzaak, zich positiever dan in dit boek het geval kon zijn, in te zetten voor de bestaande democratische verhoudingen.’[31] Daarom schrijft hij in 1937 Van oude en nieuwe christenen, waarin de tweedeling ‘menselijke waardigheid/is christelijke gelijkheid’ centraal staat. De intellectueel stond voor een paradox: enerzijds is hij deel van de Europese cultuur, anderzijds moet hij het volk ook beschermen tegen die cultuur die het volk massaal van zijn vrijheid beroofde. Ook in Van oude en nieuwe christenen gaat Ter Braak uit van de honnête homme, die de morele en intellectuele superioriteit heeft. Volgens Ter Braak moet het christendom geseculariseerd worden en zijn belangrijkste aspect verheven: het gelijkheidsstreven.
Ter Braak centreerde zijn ideeën over intellectualisme rond drie polen: cultuur, elite of intellectuelen en de politiek of het engagement. Van Oudvorst trekt hieruit drie conclusies over Ter Braaks engagement:
1. Ter Braaks denkbeelden over intellectualisme vormen een elitetheorie, waarin de honnête homme het middelpunt is. Ter Braak gaat uit van een nieuwe, genivelleerde elite.
2. Deze theorie vormt een bijzonder aspect van zijn beoordeling van de Europese cultuur. De honnête homme was de belichaming van de nieuwe cultuur, waarin de genivelleerde elite haar kennisideaal overbracht op een groeiende massa.
3. Net als Du Perron, was Ter Braaks engagement primair van culturele aard. Door de gebeurtenissen vanaf 1935 was het politiek engagement noodzaak: ‘De taak die Ter Braak voor de politiek geëngageerde intellectueel zag weggelegd is die van criticus van de macht; niet vanuit het quasi-onaantastbare standpunt van de schoolmeeser die de Waarheid in pacht meent te hebben, maar dat van de persoonlijk verantwoordelijke cultuurdrager die naar een evenwicht zoekt tussen de geest en de macht, zonder evenwel blind te zijn voor de machiavelliaanse aspecten van de tweede factor.’[32]
Menno ter Braak pleegde bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zelfmoord. Wellicht vanuit het standpunt dat zijn streven geen positieve uitwerking had gehad en het fascisme zijn macht sterk had uitgebreid. In het licht van zijn werk en zijn nihilistische opvattingen zou zijn zelfmoord wellicht verklaarbaar kunnen zijn. Van Oudvorsts uiteenzetting blijft echter haken in de eerste helft van de jaren dertig. Mijns inziens een verloren kans om de positie van de intellectueel een extra dimensie te geven. Blijkbaar kan een intellectueel in het geval van Ter Braak niet zonder vrijheid en is hij niet bereid te leven zonder die vrijheid. Zijn positie als intellectueel werd natuurlijk bedreigd met de bezetting van de nazi’s, die hun geesteswerk niet konden waarderen (de gijzeling van intellectuelen, wetenschappers en schrijvers in St. Michielsgestel is hier een voorbeeld van). Ik vraag mij af hoe Sartre had gehandeld als hij voor de keuze had gestaan zich aan te passen aan een vrijheidsbeperkende ideologie of zichzelf de eeuwige vrijheid te geven.
Van Oudvorsts studie bespreekt ongeveer een eeuw intellectualisme van Dostojewski in de negentiende eeuw tot Ter Braak rond 1930, met een klein uitstapje naar het engagement van Sartre net na de oorlog. Hij beschrijft het ontstaan van engagement en intellectualisme. Opvallend is dat deze twee termen pas in de twintigste eeuw ontstaan zijn en zij met terugwerkende kracht worden toegepast op de letterkundige geschiedenis. Wellicht zou men de twintigste eeuw de eeuw van het engagement kunnen noemen. Door de globalisering en nivellering hebben schrijvers niet alleen een groter publiek, zij hebben daarmee ook een groter onderwerp. Hun ideeën bereiken en beïnvloeden mensen over de hele wereld en niet alleen de mensen uit hun eigen ‘stand’. Uit Van Oudvorsts studie blijkt dat de positie van schrijvers nooit eenduidig is geweest, voor henzelf niet, maar ook voor hun publiek niet. Dat heeft niet alleen te maken met de problematiek van het concrete ontstaan aan het begin van de twintigste eeuw van het verschijnsel. Sartre stemde zijn doel en engagement steeds af op de historische situatie. Die situatie blijft steeds veranderen en dus blijft de positie van de auteur complex en problematisch.
Ook aan het eind van de twintigste eeuw, zelfs aan het begin van het nieuwe millennium, is er nog discussie over wat geëngageerde literatuur, wat engagement nu eigenlijk inhoudt. In 2002 verscheen The public intellectual, een verzameling essays van verschillende wetenschappers (nagenoeg allen letterkundigen) over de publieke intellectueel en zijn of haar engagement.[33] In haar introductie gaat redactrice Helen Small in op de benaming ‘public intellectual’: in wezen is deze term een pleonasme. Het ontstond in de Verenigde Staten ongeveer een decennium geleden en verspreidde zich naar Groot-Brittannië. In de rest van Europa heeft de term minder bekendheid. De bundeling essays richt zich dan ook voornamelijk op de VS en Groot-Brittannië en het verschil tussen ‘hun’ intellectuelen. Frankrijk heeft een aparte positie als ‘intellectgrootheid’: ‘But in so far as French accounts of the decline of the intellectual, and his (almost always “his”) potentially for re-emergence, are different in tenor and explanatory framework from their American and British counterparts, it may be […] because French intellectual culture has so far been reluctant to come to terms with the implications multiculturalism – and even, more fundamentally, to endorse the “reality” of social groupings.’[34]
Het grootste deel van de schrijvers in the bundeling is Amerikaans, sommigen zijn Brits. Enerzijds geeft dit een wat eenzijdige benadering van de moderne opvatting van intellectualisme, anderzijds is de intellectueel misschien ook een universeel verschijnsel (Bourdieu bepleit een universele, transnationale gemeenschap van autonome intellectuelen, de ‘Internationale des intellectuels’). Hoewel de Franse intellectueel een uitzonderingspositie bekleedt en er veel verschillen zijn met andere Westerse intellectuelen, delen zij het streven naar de ontwikkeling van een meer generaliserende, meer algemene taal om over intellectualisme en het publiek te praten. Jeremy Jennings’ bijdrage gaat over het verschil tussen Amerikaanse, Britse en Franse intellectuelen. Hij stelt dat Frankrijk het enige land is, waar theorieën over intellectuelen als die van Foucault, Sartre en Bourdieu nog aanhang vinden. Daaruit kan worden afgeleid dat de intellectueel in Frankrijk nog niet verdwenen is, of ten onder is gegaan in de massamedia. Jennings wil deze situatie vergelijken met die in de VS en Groot-Brittannië, waar de intellectueel volgens hem wel een stille dood is gestorven. In de VS heeft er een verschuiving plaatsgevonden. De intellectueel verdween door zijn academiesering, specialisering en professionalisering uit de publieke sfeer in de academische sfeer aan de universiteiten. Daarnaast heeft er met de opkomst van het postmodernisme volgens Jennings een ware cultuuroorlog gewoed: ‘The post-modern, to critics and friends alike, amounts to a theoretical attack upon the beliefs of the philosophes in the claims of normative rationality, and thus, on this account, undermines the epistemological authority of the intellectual.’[35] Een andere oorzaak van de ondergang van de Amerikaanse intellectueel is volgens Jennings het multiculturalisme en de daarmee samenhangende globalisering en dus de opkomst van de massamedia. Volgens Jennings worden daardoor de problemen binnen de maatschappij genegeerd, omdat de nadruk op het buitenland komt te liggen. De intellectueel plaatst zich dan als intellectueel in een marginale positie. Volgens Jennings heeft Bill Gates meer te vrezen van straatdemonstraties dan van de Amerikaanse intellectuele elite.
Het bestaan van Britse intellectuelen is niet algemeen erkend, en als ze al bestaan, hebben ze de reputatie saai te zijn. Volgens Jennings is dit een misvatting. Groot-Brittannië heeft wel degelijk een geschiedenis van intellectuelen. Zij waren verbonden met de elite, de exclusieve bovenlaag van de samenleving. Doordat hun autoriteit inmiddels is weggevallen en de elite niet meer exclusief is, zijn volgens Jennings ook de Britse intellectuelen verdwenen.
Tot slot vraagt Jennings zich af waarom het klimaat in Frankrijk wel geschikt is voor de publieke intellectueel. Wat is er precies anders aan de situatie daar? Hij noemt vier mogelijkheden. Ten eerste zijn volgens hem de Franse universiteiten kwalitatief een stuk slechter dan de Britse en Amerikaanse. Het intellectuele leven valt in Frankrijk dus automatisch buiten de academische wereld en blijft binnen de publieke sferen. Ten tweede zijn de linkse groeperingen, die de intellectuelen voortbrengen, meer gericht op de samenleving dan op de politiek. Ten derde bestaat er in Frankrijk een grote antipathie tegen de gevestigde orde die gesymboliseerd worden door het liberalisme, en tegen de globalisering die de focus op de eigen samenleving blokkeert. Tot slot noemt Jennings het Franse nationalisme: ‘The claim, it should be remembered, is that in America multiculturalism had reduced intellectuals to marginality, while Britain (and especially in England) the loss of a settled sense of national identity has deprived intellectuals of the object in whose name they have been likely to speak.’[36] De Fransen zien zichzelf niet als multicultureel en richten zich meer op hun eigen samenleving. Dat bepaalt hun uitzonderingspositie.
De verschillende essays richten zich op zeer uiteenlopende onderwerpen binnen het overkoepelende geheel van intellectualisme. Daarbij laten de auteurs het verschijnsel intellectueel niet ontspringen aan de Dreyfusaffaire aan het eind van negentiende eeuw. Veel van de artikelen gaan op zoek naar de meer historische wortels van het intellectualisme. Het artikel van Rita Copeland begint zijn zoektocht in de antieke tijd en eindigt aan de grote universiteiten in de vijftiende eeuw. Maria de Grazia beschrijft de intellectuele ontwikkeling die het Shakespearepersonage Hamlet op de planken meemaakte. Edward W. Said en Stefan Collini schreven meer theoretische artikelen waar ik hier dieper op in zal gaan.
In zijn artikel verbindt Said de rollen van intellectueel en schrijver met elkaar. Volgens hem is het sinds het einde van de Koude Oorlog moeilijker geworden beide termen los van elkaar te definiëren, door de globalisering kan iedereen verschillende rollen spelen en verschillende posities aannemen. Maar volgens Said gaat het te ver te zeggen dat de schrijver-intellectueel (Said verbindt niet alleen de twee rollen, maar ook de twee termen) helemaal verdwenen is: ‘there still seems to be a great deal of life in the ideas and the practices of writers-intellectuals that touch on, and are very much part of, the public realm. There wouldn’t be discussions like the present if that weren’t the case.’[37] Het bewijs daarvoor is volgens Said de autoriteit en waarde die veel mensen in Islamitisch-Arabisch, Franse en Engelse taalgebieden nog aan intellectuelen hechten. De VS spelen een aparte rol in het debat. Door de vergaande professionalisering en specialisering is expertise onmisbaar geworden in de Amerikaanse discussie. Daarbij is de Amerikaanse samenleving erg gericht op politiek en overheid. Een intellectueel die zich niet op dat gebied gespecialiseerd heeft, of geen interesse heeft zich te kanten tegen gevestigde machten, maakt weinig kans te overleven. ‘Profit and celebrity are powerfull stimulants’, schrijft Said.[38]
De link tussen schrijvers en intellectuelen is volgens Said pas de afgelopen decennia tot stand gekomen. Van oorsprong hebben zij verschillende rollen, de intellectueel werd meer negatief benaderd door zijn rol als criticus, terwijl de schrijver een meer verheven rol kreeg door de creatieve, scheppende functie die hij heeft. ‘Yet during the last years of the twentieth century the writer has taken on more and more of the intellectual’s adversarial attributes in such activities as speaking the truth to power, being a witness to persecution and suffering, supplying a dissenting voice in conflicts with authority.’[39] Het grootste voorbeeld hiervan is Salman Rushdie. Ik voeg hier nog hedendaagse schrijvers als Orhan Pamuk, Jonathan Safran Foer en Philip Roth aan toe. Maar mijns inziens is de link tussen schrijvers en intellectuelen niet van de laatste decennia. Zoals Van Oudvorst aantoont in zijn studie, was literatuur in het Rusland van de negentiende eeuw het middel bij uitstek om sociale misstanden aan de kaak te stellen en zich tegen de gevestigde orde te keren zonder door de censuur te worden gedwarsboomd. Ook Sartre deed een beroep op de schrijver om zich in zijn literatuur te keren tegen de bourgeoisie. Schrijvers en intellectuelen zijn geen elkaar totaal overlappende rollen. Een schrijver hoeft niet geëngageerd en dus intellectueel te zijn en andersom hoeft een intellectueel geen romans te schrijven, maar in mijn mening zijn de twee functies van oorsprong met elkaar verbonden. Dat lijkt mij geen verschijnsel van de afgelopen jaren. Volgens Said is de nieuwe publieke sfeer die ontstaan is door de globalisering verantwoordelijk voor de overlapping van schrijvers en intellectuelen; hij zal zich dan ook richten op de overeenkomsten die de twee functies hebben.
De technologische ontwikkeling van de afgelopen decennia hebben een informatieversnelling teweeg gebracht. Men bereikt via het Internet een veel groter publiek en moet zich daar ook van bewust zijn. Maar: ‘This makes it very difficult for writers to take common assumptions between them and their audiences for granted, or to assume that references and allusions are going to be understood immediately.’[40] Hier is een parallel met Sartre te trekken. Ook hij ondervond het probleem van de massamedia. Het publiek wordt minder specifiek en dus ‘onvindbaar’. Ook taal kan hier een probleem spelen. Daarom moeten volgens Sartre schrijvers de taak op zich nemen deze ‘schoon te maken’. Daar tegenover staat dat het gebruik van de massamedia en alle platforms die zij beschikbaar stellen juist discussie kan uitlokken. Sartre wilde de media gebruiken om de aandacht van het publiek te trekken, omdat hij wist dat dat met literatuur alleen niet zou lukken. Ook Said lijkt zoiets voor te stellen. Het publiek wil zich laten horen en de intellectueel is het middel om dat doel te bereiken: ‘What I mean is that the existence of individuals or groups seeking social justice and economic equality, and who understand that freedom must include the right to a whole range of choices affording cultural, political, intellectual, and economic development, ipso facto will lead one to a desire for articulation as opposed to silence. This is the functional idiom of the intellectual vocation.’[41]
Said wijst erop dat de intellectueel geen makkelijke taak toebedeeld is. Media worden uiteindelijk door grote overheden beheerst en beïnvloed, iedere gebeurtenis wordt door deze ‘mainstream-media-government’ bepaald. Ondanks de grote waarden die Amerikanen hechten aan het ‘First Amendment’, het recht op vrije meningsuiting en vrije pers, is de invloed die Amerikaanse overheden en economieën hebben op de media het grootst, omdat de VS de enige wereldmacht is. Identiteit, natie en traditie zijn constructies, schrijft Said, geconstrueerd door overheden als oppositie tegenover de vijandige ‘Ander’. Het is de taak van de intellectueel het publiek bewust te maken van deze constructies, zodat deze doorgeprikt kunnen worden.
Said wil geen ‘masterplan’ voorstellen; doelen moeten worden bereikt en geformuleerd vanuit de steeds veranderende historische situatie. Ook hier zie ik weer een parallel met Sartre, die ook geen programma op wilde leggen, maar de historische situatie bepalend achtte voor de werkwijze die de schrijver of intellectueel zich aan zou meten. Said stelt het als volgt: ‘Part of what we do as intellectuals is not only to define the situation, but also to discern the possibilities for active intervention, whether we then perform them ourselves or acknowledge them in others who have either gone before or are already at work – the intellectual as lookout.’[42] Said verwacht geen concrete oplossingen van de schrijver-intellectueel, maar zegt dat deze er ook niet aan ontkomt zich bezig te houden met maatschappelijke problemen. Mijns inziens heeft Said een enigszins messianistische opvatting van de intellectueel als redder van het publiek. De schrijver-intellectueel tegen de rest van de wereld, lijkt zijn credo. Vooral de globalisering heeft de gevestigde orde uitgebreid en tot ‘grote vijand’ gemaakt. Opvallend is dat Said zich expliciet richt op die culturen waar hij kennis van heeft, de Islamitisch-Arabisch, de Engelse, Amerikaanse en de Franse. Hij is daarmee erg consequent met zijn eigen theorie: bewustzijn van het brede publiek dat de globalisering tot gevolg heeft gehad en bewustzijn van de taal- of cultuurproblemen die dat met zich mee kan brengen.
Stefan Collini lijkt zich daarvan veel minder bewust. Hij richt zich voornamelijk op Groot-Brittannië, al lijkt dat niet perse zijn bedoeling. In zijn artikel wil hij de ‘gewoonheid’ van intellectuelen benadrukken. Volgens Collini worden intellectuelen te vaak als ‘andere mensen’ benaderd. Enerzijds wordt hun rol te glamoureus beschreven, anderzijds wordt de term vaak in negatieve context gebruikt. Daarbij wordt intellectualisme vaak gezien als iets dat alleen anderen in andere samenlevingen of andere tijden hebben. Collini onderscheid drie contexten waarin de term ‘intellectuelen’ gebruikt wordt. Sociologisch gezien refereert de term aan sociale functies van de intellectueel. In subjectieve context verwijst de term naar de individuele intellectueel. En tot slot noemt Collini de meest dominante context, de culturele. In deze context opereert volgens hem de publieke intellectueel. Collini wijst in dit verband op de ambiguïteit van de term: ‘insofar as individuals occupy the role of the intellectual, they are by definition playing a “public role”, since it is precisely the movement between their initial specialized or creative activity on the one hand and addressing the wider audience on the other that constitutes the activity of the intellectual. In this sense, to speak of “the public role of intellectuals” risks being as pleonastic as speaking of, say, “the military role of soldiers.”’[43] Dit verbindt volgens Collini de schrijver met de intellectueel, omdat schrijvers publieke figuren zijn en dus intellectuelen. Ik vraag mij af of dit de twee termen wel zo onlosmakelijk verbindt. Is iedere schrijver ook een publieke figuur? Is een schrijver automatisch intellectueel? En als dat zo is, hoe positioneert het credo ‘l’art pour l’art’ zich daar dan in?
Volgens Collini worden intellectuelen altijd bestempeld als het ‘andere’, in andere tijden, in andere landen en andere culturen. Hij richt zich hierbij voornamelijk op Engeland waar er consensus lijkt te bestaan over het feit dat Groot-Brittannië geen intellectuelen kent, of dat deze in ieder geval geen intelligentsia vormen, niet dissident zijn en geen autoriteit vormen. Dit in tegenstelling tot het grote aantal invloedrijke intellectuelen dat Engeland in zijn verleden kende. Maar dit is een verschijnsel dat zich in alle landen voordoet, vrij universeel is. Frankrijk vormt hierop, wederom, de uitzondering.
Collini concludeert dat intellectuelen ‘gewoon’ zijn: ‘”Ordinary” in the sense that they are indeed part of the cultural landscape of all complex societies; ordinary in the sense that it is neither unthinkable nor shocking to recognize that the noun ‘intellectual’ might regularly be applied to some of one’s friend or one’s colleagues or even, in some circumstances, oneself; and, above all, ordinary in the sense that carrying on the activities characteristic of intellectuals should not be seen as exceptionally heroic or exceptionally difficult or exceptionally glamorous or – and I realize that here I particularly lay myself open to misunderstanding – even exceptionally important.’[44]
Conclusie
Oppervlakkig gezien lijkt uit de vrij uitgebreide beschrijving van een aantal theorieën over intellectuelen hierboven een aantal kenmerken te destilleren waaraan een intellectueel zou moeten voldoen. Ten eerste zou een intellectueel zich moeten keren tegen de gevestigde orde. Alle grote intellectuelen hadden een socialistisch georiënteerd wereldbeeld en zagen het als hun taak maatschappelijke misstanden bloot te leggen. Daarmee scharen zij zich veelal aan de linkerkant van het politieke spectrum en krijgen zij het etiket van oppositie en dissident opgeplakt. Een negatieve connotatie dus. Aan intellectualisme lijkt onlosmakelijk anti-intellectualisme verbonden. Ten tweede lijkt, om een bloeiend intellectualistisch klimaat als in Frankrijk te creëren, een sterk gevoel van nationale identiteit gewenst. De intellectueel moet zich richten op zijn eigen maatschappij en zich niet te veel aantrekken van de globalisering. Dat zou zijn eigen positie marginaliseren en zijn publiek versnipperen. Daar tegenover staat, dat de globalisering op de informatieverspreiding een positief effect heeft. De intellectueel is niet meer gebonden aan zijn eigen klasse of stand, maar kan meer mensen bereiken en meer mensen kunnen hem bereiken. De relatie tussen de intellectueel en zijn publiek staat centraal. De intellectueel moet zich ten allen tijde bewust zijn van het publiek dat hij wil bereiken. Vaak zal het beoogde publiek niet samenvallen met het daadwerkelijk publiek. Met de vergaande globalisering zal die scheiding steeds kleiner worden. Ten derde. De intellectueel is autonoom en onafhankelijk en leidt een ongebonden bestaan. Hij is een zogenaamde partijloze die zich onbevooroordeeld moet inzetten voor de gemeenschap. Tot slot is de intellectueel een schrijver. Of liever andersom, de schrijver is een intellectueel. En niet zomaar iedere schrijver, in het bijzonder de prozaschrijver. Het symbolische woordgebruik van poëzie belemmert het maatschappelijke structuren en constructies bloot te leggen.
Dit rijtje is onvolledig en absoluut niet maatgevend, dat is duidelijk. De problematiek en discussies rond intellectualisme gaan verder dan dit rijtje ‘kenmerken’. Waarom zou intellectualisme beperkt zijn tot de socialistische oppositie? Van Oudvorst gaf in zijn bespreking van de Dreyfus-affaire al aan dat zich onder de anti-dreyfusards ook intellectuelen bevonden. Ook de gevestigde orde is een intellectuele klasse, lijkt mij. Het is de negatieve connotatie die de intellectuelen met ‘links’ en oppositie verbond. Ook het ongebonden, objectieve bestaan dat de intellectueel zou moeten leiden, lijkt mij niet haalbaar. Daarbij houdt het zich voortdurend tegen de gevestigde orde kanten ook een standpunt in. In mijn mening is het juist de taak van de intellectueel een standpunt in te nemen en de opiniebladen te vullen. Het publiek krijgt op die manier een breed spectrum aan meningen voorgeschoteld en kan zijn of haar eigen waarheid daaruit destilleren. Hierboven beschreef ik al dat ik mijn twijfels heb bij het huwelijk dat schrijver en intellectueel volgens sommige wetenschappers gesloten lijken te hebben. Zoals engagement en grotendeels ook intellectualisme etiketten zijn die met terugwerkende kracht op eerdere literaire stromingen zijn geplakt, zo kan het misschien ook met individuen werken. Is de positie van intellectueel per se zelfverkozen? En hoe zit het dan met het verschil tussen het engagement van de auteur en dat van zijn werk? Hangen die met elkaar samen, of kunnen zij ook los van elkaar bestaan? Is iedere schrijver geëngageerd en een intellectueel? Of zijn intellectualisme en maatschappelijke betrokkenheid niet zo nauw met elkaar verbonden? Over dit laatste lijkt inmiddels redelijke consensus te bestaan. De twee termen impliceren elkaar, een aspect van het intellectueel-zijn is in ieder geval de publieke factor en het engagement dat men in die publieke rol tentoonspreid. Maar hoe krijgt iemand een publieke rol? Verkiest men die zelf? Hoe groot is de rol van de media binnen dit proces?
Dit zijn moeilijk te beantwoorden vragen die het debat rond intellectualisme complex maken. In het geval van Hafid Bouazza worden ze wel opgeroepen. Hij lijkt zich, vooral aan het begin van zijn schrijvercarrière, afzijdig te willen houden van enige maatsschappelijk betrokkenheid. Langzamerhand lijkt hij meer los te komen in de interviews en aan het begin van deze eeuw treedt hij zelf (autonoom) naar buiten als opiniemaker. Maar over zijn werk zegt hij dat hij er geen geëngageerd beeld uit wil laten spreken. Gaat de autonomie van de literatuur zo ver, dat men dat toch van zijn werk kan zeggen? Is Bouazza ook geëngageerd als zijn werk dat niet is? En heeft hij zijn positie als autoritaire publieke figuur te danken aan zichzelf, of hebben de media hem die ‘gegeven’? Een anekdote uit Saids artikel illustreert dit. Al is hij literatuurwetenschapper, in de VS tel je niet mee als je geen mening hebt over politiek. Said schrijft dan ook dat hij geen enkel interview heeft gegeven waarin niet naar zijn politieke voorkeuren en meningen over politieke situaties wordt gevraagd. Zijn publieke functie als intellectueel dwingt hem zich politiek te engageren. Enerzijds is deze situatie misschien specifiek voor de VS, anderzijds is het misschien op een ander niveau vergelijkbaar met de Nederlandse situatie. Ook hier worden te pas en te onpas ‘experts’ om hun mening gevraagd. Vaak is het onduidelijk wat hen tot experts maakt. Zo ook in Bouazza’s geval: zijn afkomst en verleden maken hem blijkbaar tot ‘islamexpert’. Zijn schrijverschap maakt zijn expertise alleen maar geloofwaardiger. Blijkbaar wordt een bepaald engagement van de schrijver verwacht. Wordt deze verwachting opgelegd door het publiek, of de media? Op deze en bovenstaande vragen wil ik, aan de hand van de hier besproken theorieën en kanttekeningen daarbij, recensies die over Bouazza’s boeken zijn geschreven, de interviews met hem en zijn opinieartikelen, in deze scriptie nader ingaan en proberen een antwoord te vinden.