Bormsfonds. Vereniging zonder winstoogmerk (1927-1990). Merksem. (Hans Vandenhouten)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1: De Historische wortels

 

HOOFDSTUK 1. Borms en zijn Groeningerwachten te Merksem (1903-1918)

 

11 Juli 1302. Op de Groeningekouter bij Kortrijk werd de beroemde veldslag tussen het Franse ridderleger en het, bijna uitsluitend uit ambachtslieden en boeren bestaande, Vlaamse leger uitgevochten. Onder aanvoering van de dappere vrijheidsstrijders Jan Breydel en Pieter de Coninck wierp Vlaanderen eindelijk het Franse juk van zich af, lezen we in talrijke eigentijdse verhalende bronnen. Meer dan zes eeuwen later werd diezelfde Guldensporenslag weer brandend actueel en nauw verbonden met de Vlaamse Beweging.[11] Men ging de vrijheidsstrijd van 1302 zien als het symbool van de Vlaamse emancipatiestrijd in de verfranste Belgische staat.

 

Dit hoofdstuk over Borms in Merksem is gebaseerd op heel wat literatuur en brieven uit diens persoonlijke correspondentie. Ondanks het chronologische verloop van dit deel maken de opeenvolging van verscheidene verenigingen het de lezer niet altijd makkelijk te begrijpen. De periode van de eerste wereldoorlog is echter noodzakelijk in het licht van de volgende stap naar de uiteindelijke vorming van de Bormsfonds vzw.

 

De oprichting van de Merksemse afdeling der Groeningerwachten

 

Meer en meer was in het begin van de 20ste eeuw duidelijk dat de eerder besloten taalwetgeving in het slop dreigde te raken door het halsstarrige hanengekraai der Walen ter behoud van een Franstalig België. Het was de tijd dat Vlamingen zich blauw ergerden aan de Franstalige straatnamen en uithangborden, of de Franstalige administratieve correspondentie. Wel was in 1898 ondermeer de Gelijkheidswet gestemd, waardoor voortaan de Belgische wetten zowel in het Nederlands als in het Frans bekrachtigd, afgekondigd en bekendgemaakt werden, maar de Vlamingen eisten meer.[12] Regelmatig organiseerden de verschillende groeperingen petities en manifestaties over de taalregeling in de administratie of voor de vernederlandsing van het onderwijs. De groep van ontevreden Vlamingen was op het einde van de 19de eeuw uitgegroeid tot een brede populistische stroming met verscheidene kleine en grote organisaties, die radicaal tegenover een antiklerikale Waalse beweging ging staan en vond dat Vlaanderen, net als bij de Slag bij Groeninge, moest gered worden van het uitdeinend franskiljonse gevaar.

Zo was in 1909 onder impuls van ondermeer George Roose de eerste Groeningerwacht (genoemd naar de locatie bij Kortrijk waar de Guldensporenslag plaatsvond) gesticht te Antwerpen, op dat moment het ontluikende mekka van de Vlaamse Beweging. Deze vereniging wilde, onafhankelijk van alle partijpolitiek, de Vlaamse Beweging tot ontwikkeling brengen door te informeren over de Vlaamse strijd op kunst-, letterkundig en economisch gebied.[13] Alles wat de Vlaamse zaak op dat moment vooruit kon helpen, was voer om een organisatie uit de grond te stampen en militanten aan zich te binden. Vrij snel volgde er ook bij de Antwerpse Groeningerwacht een uitbreiding en werden er op lokaal niveau verscheidene onderafdelingen gesticht. In 1911 richtten enkele Vlaamsgezinden een wacht op te Merksem waarbij we de namen van August Borms, Albert van den Brande, Cyriel Rousseeu, Lode Van Damme, Louis Roosens, Jan Hainaut en Karel Waternaux terugvinden. In tegenstelling tot de pro-Frans Waalse beweging kon binnen deze Vlaamse strekking van een latent anti-Belgisch sentiment op dat moment nog geen sprake zijn.[14] Het zou pas tijdens de eerste wereldoorlog zijn dat heel wat Vlaamsgezinden, vooral onder invloed van de Duitse Flamenpolitik, radicaliseerden en zich tegen de Belgische staat richtten.

Meest opvallende figuur binnen die Merksemse Groeningerwacht was August Borms, de plaatselijke voorzitter van het Davidsfonds.[15] Reeds tijdens zijn studies in het Klein Seminarie te Sint-Niklaas en later aan de Leuvense universiteit, waar Borms Germaanse filologie studeerde en mede de Wase studentenclub oprichtte, kwam hij voortdurend in contact met het Vlaamse ideeëngoed. Ook tijdens zijn driejarig verblijf te Peru, waar hij het onderwijs hielp reorganiseren, zag hij met lede ogen aan hoe Spaanstaligen de taal van de Inca’s onderdrukten.[16] Toen hij in 1909 werd benoemd aan het Antwerpse atheneum, dat voor de oorlog reeds een kweekplaats van radicale Vlaamsgezindheid was, vestigde hij zich met zijn kroostrijk gezin te Merksem en ging ook daar al zijn energie stoppen in acties binnen het kader van de Vlaamse beweging. [17] Vanaf die periode was Merksem onlosmakelijk verbonden met de naam van Borms; vaak zou gesproken worden over de Bormsgemeente.

 

De Merksemse afdeling van de Groeningerwacht zond brieven vanuit het lokaal Belle Vue aan de Bredabaan 226 naar Vlaams-nationale bladen om onrecht jegens hun moedertaal aan de kaak te stellen en richtte zangavonden in voor het volk.[18] De liederen werden aangeleerd door de heren J. De Klerk en K. Bernaerts elke maandagavond in zaal De Volkslust, waar ook de lokale toneelafdeling vurige Vlaamse toneelstukken opvoerde. Om hun vereniging meer bekendheid te geven, verbond de Groeningerwacht haar naam aan talrijke manifestaties en vieringen, als de Sporenfeesten. Voor de inkomsten rekende de afdeling op de verkoop van liedenbundels en lidkaarten. Ereleden betaalden jaarlijks 5 BEF. en kregen 2 kaarten voor de vijfjaarlijkse feesten. Kaarten van tweede rang waren er voor de begunstigde leden die hier 2,5 BEF. voor over hadden.

De Merksemse Groeningerwacht werkte samen met Pro Westlandia, een cultuurvereniging die de liefde voor de Nederlandse taal en cultuur in Frans-Vlaanderen weer tot leven wilde brengen.[19] Vooral de figuur van Cyriel Rousseeu, als de rechterhand van Borms, verscheen in die beginjaren op de voorgrond als een leidende figuur van Pro Westlandia.[20] In 1906 verliet Rousseeu de West-Vlaamse poldergrond en week uit naar Antwerpen. Als trambestuurder trad hij er in dienst, waardoor hij niet meteen beantwoordde aan de opvatting dat het activisme enkel stoelt op de intellectuele middengroepen.[21] Tijdens zijn werktijd werd hij voortdurend geconfronteerd met de Franse taal en de onderdrukking van het Nederlands. Toen hij vier jaar later Borms voor de eerste maal hoorde spreken op het jaarlijkse Taal –en Geschiedkundig Congres, waar hij voor de vernederlandsing van het onderwijs predikte, werd dat het begin van een lange vriendschap.[22] Het was ook Rousseeu die Borms vroeg het voorzitterschap van de Merksemse Groeningerwacht op zich te nemen.[23] Door de samenwerking van Pro Westlandia -waar Rousseeu secretaris was- en Groeningerwacht gingen Borms en Rousseeu elkaar bijna dagelijks treffen. Voor Borms waren de bijeenkomsten in de Westhoek het begin van vele reizen doorheen het Vlaamse land om zijn idealen te verkondigen. Telkenmale was Borms’ optreden een daverend succes.[24] Zijn sterke stem weerklonk door heel de zaal als hij actuele politieke kwesties, zoals de legerkwestie of de strijd om de vernederlandsing van de Gentse universiteit, aansneed. [25] Het zou hem de naam ‘Klok van Vlaanderen’ opleveren.

 

We mogen stellen dat Borms vanaf zijn Antwerpse periode zich zeer bedrijvig toonde binnen verscheidene organisaties, met de Groeningerwacht voorop, om zijn doel te verwezenlijken. Vaak was hij op pad voor meetings, lezingen, voordrachten in het hele Vlaamse land. Uit de enorme briefcorrespondentie die hij naliet, concludeert Rsozka dat Borms besefte dat hij niet alleen de kar kon trekken.[26] Belangrijke figuren als volksvertegenwoordiger Alfons Van de Perre of germanist Jozef Goossenaerts werden door Borms meermaals gecontacteerd en uitgenodigd tot een lezing voor de Groeningerwacht. Op die manier probeerde hij ook hen voor zijn strijd te winnen. Een strijd voor meer Vlaanderen binnen België, al zou hij die unionistische visie nu snel laten varen.

 

Doorbraak van Antwerps activisme

 

In de zomer van 1914 marcheerden de Duitse soldaten over Belgisch grondgebied. De Duitse inval zorgde in België voor een sterk nationaal gevoel, een identificatie van de bevolking met vorst en vaderland. Er kwam een regering van nationale eenheid tot stand en de Godsvrede werd door koning Albert I afgekondigd.[27] Met die Godsvrede hoopte de vorst dat Vlamingen en Walen eensgezind probeerden de Duitse invaller tegen te houden. Snel zou blijken dat de onvrede van de Vlamingen en Borms veel groter was dan de Godsvrede van de vorst. Borms collaboreerde en trok heel zijn Groeningerwacht mee.

 

Uit Vlaamsgezinde kringen trokken een groot aantal vrijwilligers naar het front, waardoor ook het werk van de Groeningerwachten stil kwam te liggen.[28] Voor hun vertrek namen zes leden van de Merksemse afdeling kort afscheid van voorzitter Borms, die hen moed insprak.[29] Borms bleef op dat moment nog loyaal aan België en toonde zich zeer sterk anti-Duits. Op 13 augustus verscheen in Het Handelsblad het artikel ‘Zij zullen hem niet temmen’ waarin Borms de vaderlandse belangen verdedigde en zijn broeders opriep in zijn kielzog te varen.[30] Kort daarop ondernam Borms, op vraag van twee welgestelde Merksemnaren, een reis naar de Franse havenstad Le Havre om de Belgische regering te overhalen hun zonen vrij te stellen van de dienstplicht.[31] Het bood Borms de gelegenheid om in contact te treden met de frontsoldaten.

Op het einde van het eerste oorlogsjaar hervatte de Antwerpse Groeningerwacht haar werkzaamheden onder leiding van voorman Jozef Van Wetteren en enkele andere radicale flaminganten waaronder Jef van Hoof, Cyriel Rousseeu, Hugo van den Broeck en ook August Borms, die een uitnodiging kreeg als voorzitter van de Merksemse afdeling.[32] Op 29 november vond de eerste vergadering plaats in het lokaal De Vlaamse Leeuw op de Antwerpse Keyserlei waar onderwerpen als de bestuurlijke scheiding en zelfbestuur voor Vlaanderen de revue passeerden. Op één van die bijeenkomsten in januari 1915 bracht Borms een brief mee van August Willekens, lid van de Merksemse Groeningerwacht en oorlogsvrijwilliger.[33] De brief bevatte het onthutsende artikel van Gerard Harry ‘L’ Union morale et verbale des races’ verschenen in Le Petit Journal van 21 december 1915 te Parijs.[34] Er waren geruchten dat de Wallinganten de oorlog wilden gebruiken om de taalverworvenheden van de Vlaamse Beweging terug te schroeven, wat de Duitse geheime dienst alleen maar probeerde aan te wakkeren om zo de Vlamingen voor zich te winnen.[35] Borms repliceerde hierop in Het Handelsblad van 23 januari met het artikel ‘Vlamingen Waakt’.[36] De dag erop verscheen het in Het Vlaamsche Nieuws. Overal werd verkondigd dat het Vlaamse volk moest volharden in de strijd en reageren tegen de franskiljonse beschuldigingen. Borms zou langzaam verglijden in activistisch vaarwater, maar toonde zich nog steeds loyaal ten opzichte van de Belgische regering. Over meer dan een verdoken verlangen naar zelfstandigheid mag nog niet gesproken worden en het bleef bij vage leuzen als ‘noch Duits noch Frans, maar Vlaams’ en ‘Een vrij Vlaanderen in een vrij België’. Het werd een situatie van geven en nemen tussen bezetters en Vlamingen. En langzaamaan werd de Duitse hulp dan toch gerechtvaardigd om Vlaanderen los te maken van de verdrukkende Belgische staat.[37]

Ondertussen was in 1915 Antwerpen Boven, het orgaan van de Groeningerwachten van Antwerpen en omstreken, De Groeningerwacht als veertiendaags dagblad opgevolgd.[38] Langs deze weg kon Borms het standpunt van de radicale flaminganten vertolken. Om het blad verder te zetten moest Borms toelating vragen aan de Duitse overheid. Zijn goede vriend Cyriel Rousseeu vergezelde hem aangezien die reeds contacten met perscensor Max Gerstenhauer i.v.m. de krijgsgevangenenacties onderhield.[39] Medewerkers van het blad waren naast voortrekker Borms, Jozef Van Wetteren, advocaat Jozef Van den Broeck en Karel Waternaux.[40] Vanaf 1916 besloot de beheerraad voor de naam Ons Land te kiezen om ook buiten Antwerpen de nodige bekendheid te verwerven in de strijd voor het Antwerps activisme.

 

In juni 1915 kwam het tot een breuk tussen de Antwerpse pers en de Duitse bezetter, naar aanleiding van de al dan niet opname van Duitse oorlogsberichten in de dagbladen.[41] Het stadsbestuur met voorman Louis Franck slaagde er niet in de situatie recht te trekken en de Antwerpse pers besloot dan maar hun editie stop te zetten. Borms had toen al enkele artikels geschreven in Het Vlaamsche Nieuws hetgeen tot een nauwere samenwerking met Raf Verhulst had geleid.[42] Op 24 juni werd een vergadering belegd die het blad moest redden van een nakende verdwijning door financiële problemen. Bovendien kon de krant door het wegvallen van de concurrentie meteen voor een monopolie zorgen in de stad.[43] Ten gunste van de activisten werd door de bezetter het plan goedgekeurd en verhinderd dat een nieuw Franstalig dagblad het levenslicht zou zien.[44] Enkel Merksemnaar Albert van den Brande zegde zijn steun toe en werd naast Borms hoofdredacteur. Zo evolueerde de oorspronkelijk liberale krant Het Vlaamsche Nieuws tot een neutraal propagandablad en een stembuis van de Jong-Vlaamse idealen. Bovendien subsidieerden de Duitsers de editie.[45] Op die manier werd Borms de eerste flamingant die bezweek voor de Duitse bezetter en een einde maakte aan de Godsvrede.[46] Tot dan had Borms zich binnen het activisme steeds unionistisch gezind getoond: hij eiste een vorm van zelfbestuur voor Vlaanderen binnen het Belgisch staatsverband. Vanaf nu stelde hij zich echter op het radicale, anti-Belgische Jong-Vlaamse standpunt, dat in oktober 1914 te Gent was ontstaan.[47]

Dat Jong-Vlaamse programma was voornamelijk het werk van Jan D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard, predikant van de hervormde gemeente Gent, die stond voor de vernietiging van België en hervormingen op gebied van de taal en het onderwijs.[48] Borms werd met zijn dagblad Het Vlaamsche Nieuws de tolk van die stroming binnen de Vlaamse Beweging te Antwerpen en ook op manifestaties verdedigde hij het radicale beginselprogramma van Domela.[49] Enkel zijn Groeningerwacht volgde, anderen niet.[50] Lokaas en cadeau van de Duitse bezetter moest de vernederlandsing van de Gentse universiteit worden. [51]

 

Komiteit tot ondersteuning der Merxemsche krijgsgevangenen

 

Vrij snel na de uitbraak van de oorlog, kwam de eerste hulp op gang. In Brussel werd al in 1914 de eerste organisatie, Agence belge de renseignements pour les prisonniers et les internés, opgericht die zich bekommerde om het lot van de Belgische krijgsgevangenen.[52] Op 4 maart 1916 startten leden van het Algemeen Nederlands Verbond (A.N.V.), waaronder Karel Angermille, Jozef Van Wetteren, August Borms en Cyriel Rousseeu, met een onderafdeling van Volksopbeuring, tegenhanger van een andere solidariteitsvereniging Komiteit voor Hulp en Voeding, dat het Vlaamse volk moest voorzien in de levensnoodzakelijke goederen en de krijgsgevangenen in Duitsland met have en goed bijstond.[53] Ook de Merksemse Groeningerwacht ontvouwde een kleinschaliger initiatief met het Komiteit ter ondersteuning van de Merksemse krijgsgevangenen, waarbij ze rekende op lokale steun om dorpsgenoten in gevangenschap materieel te voorzien.

 

In het juli-nummer van Antwerpen Boven staat te lezen dat de oud- penningmeester der Groeningerwacht Aloïs Valgaeren, krijgsgevangene te Alten Grabow en goede vriend van Borms, de sigaren die hem door zijn Merksemse vrienden werden toegezonden goed ontvangen had.[54] Deze werking van de Merksemse afdeling stond los van de brede organisatie binnen de Raad van Vlaanderen, die Rousseeu en Borms samen hadden opgestart. Begin november kreeg het plan van de Groeningerwacht-Merksem concreet gehalte en kwam een comité tot stand ter ondersteuning van de Merksemse krijgsgevangenen. Borms werd voorzitter, geflankeerd door de leden van de wacht en afgevaardigden van de verscheidene Merksemse groeperingen. Uit het archief van het Merksemse hulpcomité voor de krijgsgevangenen mogen we stellen dat Borms vaak afwezig was door ziekte en zijn drukke reisprogramma. In de winter van 1917 was het gezin Borms bovendien naar Brussel verhuisd door de activiteiten aldaar van de Raad van Vlaanderen.[55] Ondervoorzitter Roosens nam daarom het voortouw op de vergadering, doch Borms bleef de vereniging steeds van nabij volgen.

Voor de stichtingsvergadering van 21 november 1915 in het Vlaams Huis aan de Bredabaan 430 werd een mededeling gezonden aan alle Merksemse verenigingen om toe te treden tot een verbond dat solidair was voor zijn medeburgers.[56] De oproep vond respons bij vijftien organisaties van verscheiden pluimage[57]: voetbalclub Amical S.C., Davidsfonds (waar Borms tijd voorzitter was), middenstandsvereniging De Kleine Burger, Groeningerwacht, Katholieke Turnkring Hou ende Trouw, Koninklijke Harmonie, Kunst en Wetenschappelijke Kring, Liberale Werkliedenpartij, Merxemsche voetbalclub, buurtgroep Onder Ons, hondenclub Politie Hond, Studiekring Gildenhuis, Sport Billiart, toneelgroep Vriendenkring en de Wielrijdersclub. Om geld te vergaren werd beroep gedaan op de medewerking van alle ‘stroboeren’, bijnaam van de Merksemse inwoners. Afgevaardigden met een herkenningsteken gingen van deur tot deur om de giften, boeken, enz. in ontvangst te nemen.[58] De eerste omhalingen brachten 1.118,98 BEF. op en de grote handelaars tekenden in op een lijst voor een bedrag van 787,50 BEF[59] Daarnaast ging men op bezoek bij de families van gevangengenomen oorlogsslachtoffers om hen een hart onder de riem te steken en te vragen wat ze nodig hadden.[60] Om enige bekendheid aan hun werking te geven werden per zone strooibrieven rondgedeeld.[61]

Ondanks waardering van het gemeentebestuur, vroeg de burgemeester zich toch af of het wel gepast was in deze oorlogstijd feesten in te richten om fondsen te vergaren. Zo werden er op geregelde tijdstippen cinemavoorstellingen, sportmanifestaties, tentoonstellingen, toneelstukken… georganiseerd[62] We vinden in Antwerpen Boven een aankondiging van De Kunst en Wetenschappelijke Kring, gevestigd in het Merksemse Gildenhuis, dat op eerste en tweede kerstdag een prachtige tentoonstelling van handwerk op touw had gezet.[63] De inkom was gratis, maar er zou ook een tombola georganiseerd worden ten voordele van het Merksems comité.

Na beraad zegden ook de priesters van de twee Merksemse parochies Sint-Fransiscus en Sint-Bartholomeus hun steun toe.[64] Het liefdadigheidssermoen kreeg groen licht van de Duitse overheid en de omhaling in de kerk mocht gebeuren door de leden van het comité.[65] Voortdurend ging men op zoek naar nieuwe initiatieven die het nodige geld konden opleveren. Borms opperde het voorstel om Vlaamse almanakjes te verkopen waarvan de 5 ct. winst per boekje naar het comité zou gaan.[66] De overschot kon verkocht worden door bereidwillige vrouwen op de liederenavonden van de Groeningerwacht. Met getuigenissen van gevangen genomen soldaten riep penningmeester van het comité Lode Van Damme in het artikel ‘Werking voor de Krijgsgevangenen’ van Het Vlaamsche Nieuws de mensen nogmaals op om de jongens te blijven ondersteunen. [67]

 

Maar de werking liep niet altijd van een leien dakje. Intern trad verdeeldheid op wanneer de heer Neybergh uit het comité werd geweerd, wat tot een conflict leidde met de socialistische strekking binnen de werkgroep. Het waarom van zijn verwijdering is niet meteen af te leiden uit de verslagen en ook niet terug te vinden in andere bronnen. Het voorval werd afgewend met de belofte dat Neybergh zich terugtrok, maar dat het bestuur geen vervanger aanstelde.[68] Na een bezoek aan de Duitse overheid bracht Borms het verrassende nieuws mee dat de werking van het comité onwettig was en dat het bestuur verplicht was aanvullende inlichtingen te verschaffen over de werking.[69] Ondertussen mocht de werking geen openbare plechtigheden meer organiseren, enkel de geldinzamelingen die gezien werden als een privé-initiatief konden wel verdergaan.

De zendingen mochten wel doorgaan al hoopte het bestuur enigszins nieuwe wegen te kunnen bewandelen die minder moeilijkheden meebrachten. Verscheidene leden bezochten regelmatig de Rode Kruisburelen op de Meirplaats en de Mechelse Steenweg 23 voor enige informatie.[70] Zo was men te weten gekomen dat de liefdadigheidsinrichting Leonidas haar zendingen van kleding enkel deed via het Rode Kruis.[71] In het voorjaar van 1916 besliste het bestuur om de collectieve verzendingen van boeken, blokschoenen en voedsel via bemiddeling van Leonidas te verrichten.[72] De boeken die het inbinden waard waren, bracht het comité naar drukkerij Scheltiens waar ze ingenaaid werden. Soms zond het comité de boeken rechtstreeks naar Rousseeu.[73] Bij de pakjes werd een kaart gestoken die de gevangenen moesten terugsturen.[74] Zo wist men of het pakket goed was aangekomen. Vaak stuurden de gevangenen een briefje of een portret terug naar de vereniging als een teken van dank.[75] De vrouwelijke leden van de Groeningerwacht werden belast met het pakken van de versnaperingen.[76] Om voedsel voor bederf te vrijwaren, verkocht het comité het overschot om nog een kleine winst te maken.[77]

Men wist dat er in Zwitserland een comité was gesticht dat op vaste tijdstippen brood verzond naar de krijgsgevangenen.[78] Na inlichtingen van de Duitse overheid werd echter duidelijk dat vanaf 1 juli 1916 geen afzonderlijke zendingen van brood of eetwaar meer mochten gedaan worden langs het neutrale buitenland.[79] Om de moeilijke organisatie enigszins uit de weg te gaan, trachtte het bestuur van het comité de werking uit te breiden en te binden aan andere organisaties. Er zouden plannen hebben bestaan tussen de Antwerpse randgemeenten Deurne, Borgerhout en Merksem om de daaraan verbonden plaatselijke comités te laten samensmelten.[80] Niet veel later werd er wel een Verbond der Groeningerwachten opgericht die de afdelingen overkoepelde.[81] Te Antwerpen was het Werk der Invaliden gevestigd ten behoeve van noodlijdende invaliden. Het wilde onderhandelen om binnen het Komiteit tot ondersteuning der Merxemsche krijgsgevangenen een afdeling van het Werk op te nemen. Borms maakte duidelijk dat het comité enkel ten goede mocht komen aan de Merksemse burgers, maar had toch geen bezwaar tegen een aansluiting op voorwaarde dat de bestaande werking er geen nadeel van ondervond. Echter na rijp beraad besloot het bestuur op de volgende vergadering toch niet op het voorstel van het Invalidenhuis in te gaan.[82]

 

Naarmate de oorlog vorderde kregen de hulpcomités het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. De zendingen van pakjes door Belgische families kenden een schaarser verloop, zodat de druk kwam te liggen op het Nationaal Comité. Die hoopte op steun van de subcomités en subsidies van de Belgische regering.[83] Door de stijgende marktprijs van levensnoodzakelijke goederen zocht het Merksems comité danig naar nieuw kapitaal en men richtte zich naar de Nederlandse markt om schaarse goederen aan te kopen.[84] Ook bij de boeren trachtte het bestuur een graantje mee te pikken. Herman Van Puymbrouck werd gevraagd zich te richten naar de Boerenbond om de kas te spijzen maar hij weigerde omdat hij niet echt overweg kon met enkele leden van het comité.[85] Slechts na lang aandringen nam Van Puymbrouck de taak op zich, maar ook de piste van de Boerenbond leek achteraf weinig op te brengen.[86]

Op 29 september 1916 kreeg Borms een brief van een Duitse officier uit Keulen die de inzamelingen en ondersteuning ten gunste van de krijgsgevangenen uiteindelijk goedkeurde.[87] Het plaatselijke bureel van de bezetter te Merksem gaf hierna ook haar fiat. De werking van het comité ging daarna nog korte tijd verder, maar zou niet meer de resultaten bereiken van de beginjaren. Het laatste verslag werd geschreven op 17 augustus 1917.[88]

 

Vlaams Economisch Secretariaat en Vlaamse Arbeidersgemeenschap

 

De charismatische leider Borms had in Merksem heel wat teweeg gebracht. De plaatselijke afdeling van de Groeningerwacht was reeds voor de oorlog het meest actief met afgevaardigden als Borms en Waternaux die zich onderscheidden door hun spreekvaardigheid, ook buiten de eigen gemeente. Andere figuren waren penningmeester Lode Van Damme en secretaris Jozef Vercalsteren, Cyriel Rousseeu en Albert van den Brande die zich ook in verenigingen naast de Groeningerwacht niet onbetuigd lieten. Na de oorlog zou men over Merksem spreken als het Kleine Berlijn, maar uit een analyse van Vrints over de concentratie van activisten in de Antwerpse randgemeenten lijkt deze bijnaam enigszins overdreven.[89] Al zal het aanzien van de figuur Borms hier ook wel veel mee te maken hebben. Naast het fonds voor de krijgsgevangenen vinden we te Merksem nog andere Vlaams geïnspireerde verenigingen terug waar collega’s van Borms een belangrijke plaats vertegenwoordigden.

 

Begin december 1916 werd het Merksemse Vlaamsch Economisch Secretariaat (VES) opgericht voor de studie van de economische en sociale toestanden.[90] Doel was de Vlaamse ondernemers en werkgevers te groeperen. In hun Tijdschrift voor Ekonomische en Sociale Vraagstukken vinden we artikels terug van G. Roose, L. Van Damme en K. Waternaux over de problematiek van huisarbeid, de zware industrie in Vlaanderen, enz.[91] Het kreeg subsidies van Volksopbeuring en had lokalen aan de Antwerpse Prinsesstraat 16 en de Bredabaan 610 in Merksem. [92] Aan het hoofd stonden de Groeningerwachters Lode Van Damme en Karel Waternaux, die beide een economische achtergrond hadden. [93]

Bij het VES was ook de Vlaams Arbeidersgemeenschap (VAG) aangesloten.[94] Deze commissie met 1.500 leden zette zich in voor het Vlaamse arbeidsproces en had een blad uitgegeven onder de naam De Vlaamse Arbeider.[95] Voor de afdeling Merksem was het opnieuw Waternaux die regelmatig optrad op meetings en artikels publiceerde over een actief flamingantisme, zonder het socialisme te willen uitschakelen.[96] De gemeenschap deed er aan alfabetisering en wekelijks werden er voordrachten gehouden (ondermeer van vrijgelaten activistische krijgsgevangenen zoals Aloïs Valgaeren). Activistische literatuur konden de burgers raadplegen in de economisch en sociale bibliotheek.[97] Men mag stellen dat het activisme op die manier in alle geledingen van de samenleving was doorgedrongen, ook in Merksem. Toch sloten de meeste arbeiders zich niet aan vanuit het gedachtegoed der activisten, maar zagen de kans te profiteren van de materiële voordelen.[98]

 

Zelfbestuur en hulp aan de krijgsgevangenen

 

Intussen was Borms, samen met Cyriel Rousseeu, intensief bezig met boekenzendingen naar de Vlaamse krijgsgevangenen in Duitse kampen. Vooral naar Göttingen, dat de aanblik kreeg van een exclusief Vlaams gevangenkamp, waar de Duitse gastheer het plan had opgevat om de gevangenen warm te maken voor de Vlaamse zaak door hen te winnen voor haar Flamenpolitik.[99] Later konden deze gevangenen Duitse bondgenoten worden bij de inrichting van een vazalstaat op het Belgische grondgebied.[100] Borms zelf hoopte op een eigen bestuur in Vlaanderen en richtte samen met enkele andere Vlamingen de Raad van Vlaanderen(1917-1918) op, die uiteindelijk niet meer zou zijn dan een luchtkasteel van een kleine groep dromers.

 

Rousseeu begon de boekeninzameling samen met enkele Groeningerwachters en de Verbroedering der Vlaamsche Tol -en Accijnsbeambten om het lot van die krijgsgevangenen te verbeteren.[101] Alle Antwerpse kerkgemeenschappen werden door hem aangeschreven in naam van de Groeningerwacht om de parochianen te mobiliseren voor het inzamelen van boeken.[102] In hun brieven drongen gearresteerde intellectuelen er al langer op aan boeken op te sturen om de verveling en het heimwee naar het thuisland te verdrijven.[103] Om toestemming te krijgen voor de verzendingen had Rousseeu carte blanche nodig van perscensor Max Gerstenhauer, die in die tijd de Flamenpolitik in Antwerpen belichaamde. Al snel zou er kritiek volgen van Rousseeu op het Fransgerichte Rode Kruis dat hij ervan verdacht Nederlandstalige boeken achter te houden.[104]

 

Vanaf het verschijnen van Consciences meesterwerk De Leeuw van Vlaanderen was de Vlaamse natie gezien als een onderdeel binnen de Belgische Staat.[105] Meer dan 75 jaar later werd voor ditzelfde Vlaanderen onder de activisten de messen geslepen om zich los te scheuren met de hulp van de bezetter. Borms probeerde dit te organiseren en had zich opgeworpen als voortrekker bij de oprichting van de Raad van Vlaanderen die de diverse radicale activistische kernen moest groeperen.[106] Op de koudste dag sinds het begin van de oorlog 21 januari 1917 huldigde de Merksemse Groeningerwacht de ‘Klok van Vlaanderen’ in zaal Victoria te Merksem.[107] Borms werd er gevierd als het onvermoeibare boegbeeld van het activisme en kreeg een zilveren gedenkpenning overhandigd.[108] Er waren toespraken van Jozef van Wetteren als voorzitter van de Groeningerwacht, Karel Angermille namens Volksopbeuring, Jef Van Extergem en ook Cyriel Rousseeu. [109] Zijn goede vriend roemde Borms in een uitgesponnen rede als de wijze leider die de Vlamingen de weg wees naar een toekomst voor het ‘land van de leeuw’. [110] In deze bijeenkomst zag Borms de eerste wapenschouw die moest leiden naar de overwinning van het activisme.[111] Borms eindigde zijn rede met de woorden van Schiller uit Willem Tell, op de Rütli: “Wij zijn één volk; wij zullen ons niet laten scheiden nu we staan in ’t gevaar!”[112] Twee weken later op de Vlaamse landdag was de Raad van Vlaanderen een feit. Aanwezig die dag waren ondermeer A. Borms, H. Van den Broeck, L. Van Damme, K. Waternaux, e.a.[113] Het uitroepen van deze raad was voor de anti-Belgische Vlaams-nationalisten het symbool van de volkomen zelfstandigheid van Vlaanderen.[114]

 

Het oorspronkelijke plan om een centrale raad te stichten kwam van de radicale Gentse groep van Jan D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard, die een vertegenwoordigend lichaam dat de kern van het parlement en de regering van de toekomstige soevereine staat Vlaanderen wilde vormen.[115] Het waren deze ultraflaminganten dan ook die meteen de toon zetten binnen het bestuur en bleven ijveren voor de soevereine Vlaamse staat en pro-Duitse stellinginname, een visie die Borms ook deelde.[116] De gematigde activisten als ondermeer Lodewijk Dosfel en volksvertegenwoordiger Leo Augusteyns wilden niet verder gaan dan een samenwerking uit eigenbelang met de bezettende macht om bepaalde doeleinden van de Vlaamse Beweging te verwezenlijken. Ook Frans Van Cauwelaert toonde scherp verzet tegen de strekking van Domela, die alles wilde vernietigen wat de vooroorlogse Vlaamse Beweging had opgebouwd.[117]

 

De Commissie van Gevolmachtigden, 1917 (v.l.n.r.): A. Borms, J. De Decker, A. Jonckx, A.Brys, F. Brulez, P. Tack, F. Heuvelmans, L. Meert, E. Verhees, K. Heynderickx en T. Vernieuwe. (AMVC)

 

 

De Raad van Vlaanderen was het begin van een verregaande collaboratie. Dat werd duidelijk wanneer een afvaardiging van de Raad als eerste publieke optreden naar Berlijn trok.[118] De activisten beseften dat hun lot verbonden was met het wedervaren van de Duitse militaire macht. Borms verklaarde:”Wij vragen teveel. De Duitsers moeten zegevieren en hebben daartoe veel volk nodig. Van de Duitse overwinning hangt ook het lot van Vlaanderen vast. Wij kunnen eisen dat ons volk goed behandeld wordt; Verkrijgen we dit, dan hebben wij reeds veel bereikt.”[119] De Rijkskanselier von Bethmann-Hollweg kon de Raad echter geen garanties geven over de toekomstige politieke identiteit van Vlaanderen.[120] De Duitsers wilden enkel dat het activisme bleef verder leven door in een eerste fase bescherming te verlenen aan de Vlaamse taal, de Gentse universiteit te vervlaamsen, een binding te scheppen tussen Vlaanderen en Nederland en later in een volgende stap met de steun aan de Raad van Vlaanderen.[121] Door de Vlaamse vervreemding van België kon de bezetter het land verzwakken waardoor België aan de onderhandelingstafel minder machtig zou zijn.[122] De reis naar Berlijn zorgde voor een ware schokgolf in Antwerpen en de ontreddering was compleet.[123] De gematigd activisten, waaronder Lodewijk Dosfel en Reimond Speleers, eisten de onmiddellijke ontbinding van de Raad.

 

Onder flaminganten, die weigerden samen te werken met de bezetter omdat hun volksgenoten als dwangarbeiders werden weggevoerd, bleef men afkerig van een toetreden tot het activisme.[124] Propaganda werd het sleutelwoord om de afscheiding van Vlaanderen toch af te dwingen. Borms en zijn publieke optredens moesten de oplossing brengen in een debat waar ervan Belgisch loyalisme geen sprake meer kon zijn.[125] De meerderheid in de Raad van Vlaanderen wenste radicaal een einde te maken aan een Belgisch staatsverband.[126] De meeste waren voorstander van een nauw met Duitsland verbonden koninkrijk. Slechts enkelen koesterden het verlangen naar een Groot-Nederland. Eind 1917 viel de Raad in een impasse. Daarop overviel Borms de Raad, zonder gemeenschappelijk overleg, met het voorstel meteen de politieke zelfstandigheid van de staat Vlaanderen uit te roepen. Het voorstel werd in grote verwarring aangenomen en vervolgens riep het bestuur een tweede Raad samen.

 

Naast de Vlaamse zelfstandigheid bleef ook de propaganda en het onderhoud van de krijgsgevangenen in Duitsland de gemoederen beroeren. Borms stelde de Raad van Vlaanderen voor om geregeld vooraanstaande Vlamingen naar Göttingen te sturen. Tussen mei 1917 en juli 1918 ondernam hij zelf verscheidene propagandareizen naar de Duitse krijgsgevangenenkampen waar hij de kern van zijn Vlaamse strijdmacht trachtte te ronselen.[127] Cyriel Rousseeu kreeg er een vaste stek als afgevaardigde van de Raad van Vlaanderen om de propaganda te leiden, dankzij zijn ervaring met de krijgsgevangenenacties. Een ander lid van de Groeningerwacht Jozef Van Wetteren werd één van de bestuurders van ‘Nationaal Verweer’ -waarvan Borms voorzitter was- en hield zich bezig met de verwerving van Vlaamse krijgsgevangenen voor het activisme.[128] Deze eigen Vlaamse Rijkswacht zou haar embryonale fase nooit ontgroeien. Ook de Commissie van Gevolmachtigden, het uitvoerend orgaan van de Raad van Vlaanderen, kon niet voldoen aan de verwachtingen. De

uitroeping van de Vlaamse zelfstandigheid was niet erkend door de Duitse regering en de Raad functioneerde niet als parlement door het ontbreken van een door verkiezingen gewettigd bestaan.

 

     

Spotprenten Borms: August Borms werd beschimpt op vele prenten waarop hij afgebeeld stond in Duits uniform. Op de rechterfoto als minister van Verweer met een klok in de hand als ‘Klok van Vlaanderen’ en een leeuw met pinhelm aan de leiband.(AMVC)

 

De doorstroming naar het activisme bleek geen makkelijke onderneming. Ondanks de propaganda zorgde de mistroostige behandeling van krijgsgevangenen zowel bij de kampbewoners als het thuisfront ervoor dat er een blijvende afkeer voor het activisme bleef bestaan.[129] De radicale houding die Borms poneerde in zijn steun aan de Duitse bezetter deed hierbij geen goed. Ondanks de vele teleurstellingen en de vervreemding van de Belgische staat was bij de Vlaamse arbeiders en middengroepen het verlangen tot zelfstandigheid kenbaar niet zo opvallend aanwezig om over te gaan tot samenwerking met de Duitse bezetter en dus het opgeven van de Godsvrede.[130] Bovendien was hen al snel duidelijk geworden dat de Raad niet meer was dan een marionettenorganisatie die strak aan de leiband van de Duitse diensten in Berlijn liep.[131]

De activistische elitegroep slaagde er niet in greep te krijgen op de kleine massa die hen niet scheen te begrijpen. Daarbij kwam nog eens de druk van de passieve groepering binnen de Vlaamse beweging en van kardinaal Mercier. Mercier waarschuwde zijn clerus en seminaristen zich van enige medewerking aan de administratieve scheiding en van politiek zonder meer te onthouden.[132] Ook wilde hij de katholieke scholen niet onderwerpen aan de inspectie van de nieuwe activistische overheid. Hij werd zo een mikpunt binnen de Flamenpolitik. Ook na de oorlog bleef hij zich verzetten tegen de radicale flamingantenbeweging en waarschuwde zijn onderdanen dat “ la tentative de faire prédominer chez nous la race sur l’ unité de la patrie est contraire à un devoir moral et chrétien, la piété patriotique…Ceux qui veulent me comprendre me comprendront.”Of zoals Wils vertaalde: “De gewettigde liefde voor de eigen taal mocht nooit de vrijheid van de anderen in de weg staan”.[133] Tot slot was er de botsing met het zuiden van het land waar binnen brede bevolkingsgroepen de Belgische vaderlandsliefde aangewakkerd was. De Duitse bezetter kon deze Vlaamsgezinde, activistische minderheid in het land dan ook niet langer au serieux nemen.

 

Na de oorlog was het met de Groeningerwachten en de comités gedaan.[134] Het werd geen stille dood, wel in mineur. Het gros van de activisten koos de vlucht naar Nederland, zoals Albert van den Brande die zich niet langer met de Vlaamse beweging inliet.[135] Anderen werden in opzienbarende processen veroordeeld tot de zwaarste straf, “levenslange opsluiting”. Het was een zware slag in het gezicht van menig Vlaamsgezinde en de kelk diende tot op de bodem geledigd te worden. Rousseeu werd bij verstek tot achttien jaar veroordeeld, maar zou na zijn terugkeer uit Roosendaal door het assisenhof in 1921 weer worden vrijgepleit.[136] Borms werd al eens op 8 januari 1918 door het Belgisch gerecht gevangengenomen wegens landverraad bij de uitroeping van een zelfstandig Vlaanderen.[137] Door tussenkomst van de bezetter werd deze arrestatie toen ongedaan gemaakt. De meeste activisten hadden na verloop van tijd een verlichting van hun straf gekregen. Toch had deze uitkomst bij sommigen diepe wonden geslagen.

Een tragisch voorbeeld is de dood van Jan Hainaut, eerste ondervoorzitter van de Merksemse Groeningerwacht en later oprichter van een afdeling te Ekeren.[138] Na de oorlog gearresteerd en veroordeeld tot tien jaar voor medewerking aan de Vlaamse Arbeidersgemeenschap en Antwerpse Gouwraad. Zijn gezin met vijf kinderen zat door het wegvallen van de enige kostwinner totaal aan de grond en toen zijn vrouw in 1920 overleed, leek de situatie hem uitzichtloos. Op drieënveertigjarige leeftijd pleegde Hainaut zelfmoord in de gevangenis te Sint-Gillis. De droom van een onafhankelijk Vlaanderen was voor hem uiteengespat en had niets opgeleverd.

Borms bleef er wel in geloven, al moest hij dan de Belgische justitie weerstaan die over hem moest oordelen. Zijn proces moest een orgelpunt vormen en daar had hij veel voor over.

 

 

HOOFDSTUK II. Steunfonds der Familie Borms (1920-1927)

 

Na de wapenstilstand brokkelde het activistische bolwerk snel af. Pas op 8 februari 1919 werd Borms voor een tweede maal gearresteerd te Brussel, nadat hij nog korte tijd met zijn gezin in Keulen had doorgebracht.[139] Onder de schuilnaam Cathot dook hij onder en deed de deur van zijn schuilplaats enkel open als men het wachtwoord ‘vrij of dood’ juist had.[140] Tijdens zijn proces toonde hij geen berouw voor zijn activistische praktijken en eiste voor zichzelf de zwaarste straf. Voor hem was het proces een aanklacht van de Belgische justitie tegen Vlaanderen.

 

Arrestatie en veroordeling van August Borms

 

Enkele maanden voor zijn arrestatie had hij een brief gestuurd aan Josué De Decker, voormalig voorzitter van de Commissie der Zaakgelastigden.[141] Borms schreef De Decker dat hij thans een zware familiale last te dragen had. Het gezin telde zes kinderen tussen drie en vijftien jaar en als vader hoopte Borms dat ze goed onderwijs konden genieten. Hij rekende hiervoor op de steun van een Vlaams Steunfonds zodat een katholieke opvoeding aan een Vlaamse of Nederlandse kostschool mogelijk was. Voor zijn vrouw wilde hij een burgerlijk bestaan waarborgen op het platteland, liefst in haar dorpje Waasmunster of in de buurt van Dendermonde waar haar moeder woonde. Uit de periode te Peru wist Borms dat zijn vrouw Cesarina Smet, Rientje zoals Borms zijn vrouw vaak noemde, mogelijk gebukt ging onder heimwee naar haar vertrouwde omgeving. Als dit opnieuw het geval mocht zijn, zou Borms niet aarzelen het gezin naar Brussel te laten terugkeren. Voorlopig kon het gezin zijn intrek nemen aan de Rogierlaan 306 te Schaarbeek. Ook een mogelijkheid was misschien Nederland, waar Leo Simons uit Den Haag voor de opvang kon zorgen. “Als De Decker zich over de familie bekommerde”, sloot Borms af, “zou het offer voor Vlaanderen veel lichter wegen.”

Elf dagen na zijn arrestatie stuurde Borms vanuit zijn cel een briefje aan zijn vrouw.[142] Eindelijk kon hij haar schrijven over de aanhouding op zijn kamer in de Jerichostraat en hoe hij daarna samen met de andere gearresteerden naar de gevangenis van Vorst werd overgebracht. Borms wist dat zijn vrouw zwaar te lijden had bij de gedachte aan zijn gevangenschap. Nogmaals drukte hij haar op het hart dat het om een offer voor Vlaanderen ging en dat hij geenszins spijt had van de gedane zaken. Ook al diende zijn gezin daarvoor op de tweede plaats te komen. De censuur twijfelde lang of de brief wel kon worden doorgelaten, zodat zijn vrouw hem met heel wat vertraging ontving. Op 4 mei 1919 probeerde Borms in een nieuwe brief zijn vrouw gerust te stellen.[143] “Ook aan deze situatie is er een goede kant. Dit grote ongeluk, dat ons gescheiden heeft, heeft het niet tevens tot gevolg dat de kinderen een betere opvoeding zullen krijgen, dan wij ze konden geven?” Blijkbaar had Borms garanties gekregen bij De Decker over mogelijke steun voor zijn gezin.[144]

 

De wet van 30 april 1919 zorgde ervoor dat de activisten voor assisen verschenen.[145] Bijna alle activistenleiders werden veroordeeld. Het proces van Borms zou in het oog springen en begon op 2 september 1919. De romanticus Borms kon die belangstelling enkel maar toejuichen en greep de kans om zich met dit proces een martelaarsrol aan te meten.[146] Het ging niet om de veroordeling van een activist, maar om de bescherming van Vlaanderen tegen België. Door de sterke identificatie van Borms met de Duitse collaboratie kon rond België en de troon een hergroepering van de politieke krachten plaatsvinden. Deze anti-Vlaamse politiek dreef vele Vlaamsvoelenden naar een positiever beeld tegenover het activisme en Borms. De samenwerking met de Duitsers had volgens hen enkel maar tot doel gehad de Vlaamse belangen te vrijwaren.

Bij zijn eerste ondervraging had Borms Hendrik Borginon -die onder andere Lodewijk Dosfel en Wies Moens verdedigde- naar voor geschoven als zijn raadsman maar deze had vriendelijk bedankt voor de zware opdracht.[147] In de plaats werd Emiel Jaak Schiltz aangesteld die Borms gedurende dit zeven maanden durend proces moest verdedigen.[148] Alhoewel Schiltz aanvankelijk weinig sympathie koesterde voor het activisme, had deze Antwerpse advocaat na de oorlog zijn houding danig veranderd en zou hij naast August Borms ook de activistische advocaat Adelfons Henderickx verdedigen voor assisen. Later drong Borms aan nog een tweede advocaat toe te voegen omdat hij met Schiltz van mening verschilde over de te volgen processtrategie.[149] Borms wilde met dit proces een berechting van het activisme in zijn geheel uitlokken en voor hem moest zijn advocaat dan ook ‘vrij of dood’ pleiten.[150] Een onderhoud met de Leuvense pleiter Edmond Van Dieren bracht een gunstig resultaat. Toch werd het moeilijk het nodige kapitaal voor de advocaaterelonen bijeen te brengen. ”Zijn vrouw Rientje had al 500 BEF. schuld bij de bakker en er was de maandelijkse huishuur”, schreef Borms aan zijn broer.[151] Ondertussen had ze de piano moeten verkopen om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van het kroostrijke gezin met vijf kinderen. Het gezin Borms had het zeker niet makkelijk in die dagen toen de enige kostwinner van de familie een zware straf te wachten stond. Ook moreel was het een zware dobber voor zijn echtgenote, al dacht Borms zelf vooral aan zijn proces en het belang ervan voor de Vlaamse zaak.[152]

 

Tijdens het proces behandelde de rechtbank ondermeer het inkomen van Borms, die als leraar aan het atheneum een luttele 6.500 BEF. verdiende.[153] Tot oktober 1916 had hij in een klein huisje te Merksem gewoond en goedkope levensmiddelen van dorpsgenoten kunnen kopen. Toen hij naar Brussel verhuisde, leek hij die voordelen te verliezen. De financiële druk was groot in de grootstad, zeker voor zo’n uitgebreid gezin. Uit Merksem riepen de advocaten ondermeer de heren René Meyer en August Willekens op als getuigen.[154] Apotheker Meyer verklaarde dat Borms voorzitter was van het Davidsfonds, maar dat hij betere posities opofferde voor de Vlaamse zaak. Meer bekend was oud-soldaat August Willekens. Voor hij in 1914 naar het front trok, had hij samen met vijf andere leden van de Groeningerwacht een bezoek gebracht aan hun voorzitter Borms. Willekens getuigde over de brief die hij naar Borms had gestuurd over de slechte omstandigheden voor de Vlamingen aan het front. Verder onderzocht het gerecht Borms’activistische rol bij het overnemen van Het Vlaamsche Nieuws en het oprichten van de Raad van Vlaanderen.

 

Op 9 september veroordeelde assisen Borms ter dood, tot 10 jaar verlies van zijn burgerrechten en tot het betalen van de gerechtskosten. Op de zeven schuldvragen in verband met de aanslag tegen de Belgische Staat werd eenparig positief geantwoord. Borms mocht tevreden zijn over zijn advocaten die ‘vrij of dood’ zonder verzachtende omstandigheden gepleit hadden.[155] Voor een man met zo’n groot gezin blijft deze keuze toch merkwaardig en valt volgens Luc Vandeweyer enkel te verklaren als zou Borms gedreven zijn door een volkomen gebrek aan inzicht in wat zich in de realiteit afspeelde.[156]

Toen het vonnis werd uitgesproken was het tumult in de rechtszaal groot. Tot het volk gericht riep Borms de bekende strijdkreet van Consciences boek De kerels van Vlaanderen: ‘Vliegt de blauwvoet’….’Storm op zee’.[157] Eén persoon schreeuwde dat ze voor zijn vrouw en kinderen zouden zorgen.[158]

 

Bedrijvige Borms achter de tralies

 

Na zijn veroordeling werd Borms in december naar het ‘grote graf ‘-zoals Borms het in één van zijn brieven noemde- te Leuven overgebracht.[159] Tijdens zijn studentenjaren (1896-1901) was hij met zijn vrienden vaak voorbij deze gevangenis gewandeld.[160] Vanuit de gevangenis probeerde Borms zijn Vlaamse vrienden toch te steunen en van buitenuit kreeg hij zelf ondersteuning van verscheidene hulporganisaties, zoals het Martelaarsfonds.

 

Voor zijn verhuis naar Leuven diende hij zich aan voor een medische keuring waaruit bleek dat hij sinds zijn gevangenschap vijftien kilo was aangekomen.[161] Borms leed aan zwaarlijvigheid. Daar zou hij gedurende zijn lange opsluiting voortdurend moeten tegen vechten. Aan Emmanuel de Bom schreef hij in 1925 dat voorzichtigheid geboden was want hij had reeds verscheidene celgenoten geveld zien worden door een beroerte.[162] ‘Enkel nog gevangenisvoedsel wilde hij eten, terwijl hij leefde als een opgesloten trappist.’

De eerste die Borms in de cel in de Leuvense gevangenis kwam bezoeken was Mevrouw Maria de Groodt-Gillis, voorzitster van het Martelaarsfonds.[163] Borms zou hierover zijn dank uitspreken aan Anna Mortelmans, ook een voortrekster van dit fonds, in een brief van 21 oktober 1921.[164] Van de gelegenheid maakte hij gebruik zijn situatie uit te leggen en zijn verlangen te uiten opnieuw een gelijke behandeling als de gevangengenomen activisten in de omringende landen te krijgen. Zo wilde hij Ons Vaderland lezen, een langer bezoek van zijn echtgenote en ’s morgens licht krijgen in zijn cel, omdat omkleden in de duisternis om half zes in de morgen volgens hem geen lachertje was. Ook zijn gezondheid had te lijden onder het gevangenschap. Naast overgewicht was door de dokter waarschijnlijk slagaderverkalking vastgesteld. Al dacht Borms dat het ook wel rheuma of bepaalde zenuwstoornissen konden zijn. Hij sloot de brief af met de bezorgdheid voor zijn gezin. Hij koesterde de vaste hoop dat God en de Vlaamse strijdgenoten zijn gezin zouden blijven steunen, hoe lang zijn opsluiting ook mocht duren. Met die zekerheid dacht Borms nog veel te kunnen doorstaan.

Zo bleef hij bij het Martelaarsfonds ook ijveren om anderen te ondersteunen. Veel vertrouwen had hij in Lode Craeybeckx die na zijn vrijlating hoopte rechtsstudies aan te vatten, maar niet genoeg studiegeld kon voorleggen. Ook hoopte Borms dat oorlogsvrijwilliger Antoon Pira dezelfde steun kon krijgen die Borms zelf mocht genieten dankzij het fonds. Als het geld op was, offerde Borms graag zijn wekelijkse pakje op.[165]

Zijn goede vriend Cyriel Rousseeu had een minder hoge dunk van het Martelaarsfonds. Zijn vrouw en kind ontvingen driemaal 75 BEF. van het fonds toen het Belgische gerecht hem veroordeelde.[166] Volgens Rousseeu werden bepaalde mensen meermaals bevoordeeld door hun stand of door het medelijden van de vrouwelijke leden van het fonds.[167] Waarschijnlijk was zijn onvrede ingegeven doordat hij bij zijn eerdere verblijf in Nederland reeds moeilijkheden had om in zijn eigen bestaansmogelijkheden te voorzien.[168] Toen kreeg hij van het Hulpcomité voor uitgeweken Vlamingen te horen, dat wegens gebrek aan financiën hij geen steun meer kon ontvangen. Uit pure miserie had hij toen maar besloten zich aan te geven in België.

 

Borms hoopte bij de ‘moeder van de Vlaamse gekerkerden’, zoals hij Mevrouw Gillis wel eens placht te noemen, meer los te weken dan enkel steun voor gelijkgezinden.[169] Van zijn vrouw had hij gehoord dat de herdenkingsavonden te Antwerpen een diepe indruk op haar hadden nagelaten. Met groot genoegen had Borms vastgesteld dat hierdoor het uithoudingsvermogen van zijn echtgenote danig gesterkt was. Daarom achtte hij de tijd gekomen om enkele grote herdenkingsbetogingen te organiseren. Borms vond 6 september 1922, ook de dag van zijn vonnis een jaar eerder, een gepaste datum voor een grootse betoging. Tevens kon de dood van Marten Rudelsheim en van Herman Baccaert, een persoonlijke vriend van Borms, op gepaste wijze herdacht worden. In datzelfde smokkelbriefje legde hij ook de wens voor om een Russisch kindje te steunen.[170] We mogen stellen dat Borms sinds zijn gevangenschap steeds probeerde de Vlaamse zaak op de voorgrond te houden door betogingen en herdenkingen te organiseren. De steun voor zijn gezin bleef ook een grote bezorgdheid, al was het soms wikken en wegen.

Zijn eerste verblijf in Leuven was slechts van korte duur want weldra volgde een verhuis naar de gevangenis van Sint-Gillis. Daar vernam hij dat -onder druk van ondermeer het Vaticaan - de executie volgens een besluit van 14 januari 1920 werd omgezet in levenslange hechtenis.[171] Ondanks dit blijde nieuws was Borms niet veel later zwaar aangedaan toen hem het bericht bereikte van de zelfmoord van Jan Hainaut. Ook het neerschieten van zijn vroegere leerling Herman van den Reeck op de verboden Guldensporenviering te Antwerpen van 1920 zou bij Borms de nodige indruk achterlaten.[172] Van den Reeck’s begrafenis groeide uit tot een grote betoging waarop flaminganten plechtig zwoeren zijn dood te zullen wreken door de franskiljonse machtsposities in Vlaanderen te vernietigen.[173] Voor sommigen waren de offers voor Vlaanderen zwaar te dragen en Borms probeerde vanuit de gevangenis dan ook zijn vrienden te steunen.

 

Over het proces van zijn goede vriend Cyriel Rousseeu werd hij tijdens de dagelijkse wandeling ingelicht door zijn Vlaamse kameraden die De Schelde lazen. Zelf weigerde hij officieel immers dagbladen te lezen als protest tegen het verbod Ons Vaderland te ontvangen. In 1919 was Rousseeu bij verstek tot 18 jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar nu hij teruggekeerd was wachtte hem een nieuw proces.[174] In een brief gaf Borms Rousseeu de raad rustig te blijven en stelde hem voor dat hijzelf de grootste schuld op zich zou nemen, zoals het ook in werkelijkheid gebeurd was.[175] Borms had zijn kameraad in het activisme geïntroduceerd en hem gevraagd afgevaardigde van de Raad van Vlaanderen te worden. Voor het proces van Rousseeu stelde hij voor een goede raadsman in te schakelen, al zou zo iemand wel het nodige geld kosten. Het was advocaat Edmond Van Dieren, reeds advocaat tijdens Borms’ proces, die de opdracht aanvaardde om Cyriel Rousseeu te verdedigen.[176] Volgens Borms moesten de door Rousseeu geholpen krijgsgevangenen nu maar voor het nodige geld zorgen, wat ook gebeurde. Anders zou hij vragen aan het Martelaarsfonds om niet langer pakjes te sturen en het geld te gebruiken voor de proces- en verdedigingskosten. In juli dat jaar werd Rousseeu overigens vrijgesproken van zijn medewerking aan de hervorming van de Belgische instellingen door de Raad van Vlaanderen.

Borms was ondertussen teruggekeerd naar de gevangenis van Leuven en kreeg cel 310 toegewezen waar hij gedurende negen jaar zou verblijven.[177] Het gevangenisregime was niet zo streng als in Sint-Gillis zodat Borms niet echt afgesloten bleef van de beweging buiten de muren.[178] In Leuven scheerde de briefcorrespondentie dan ook hoge toppen en was zijn cel een druk bezocht ‘pelgrimsoord’. Al moest Borms rekening houden met de censuur en diende hij de afzenders vaak te waarschuwen als hij weer eens de dienst van de censuur om de tuin zou leiden. In de hoofding van het briefpapier van de gevangenis Leuven schrapte hij meestal de Franse vertaling en kopte hij AVV-VVK met de cijfers 310, zijn celnummer. Ook de bezoeken aan zijn cel werden restrictief behandeld door de bevoegde instanties. Zo moest men op voorhand een brief met de lijst van mogelijke bezoekers sturen aan het gevangenisbestuur die hierover haar fiat moest geven.

 

Stichting Steunfonds

 

Toen Borms veroordeeld werd, ontstond bij zijn Merksemse vrienden uit de Groeningerwacht en het Komiteit ten behoeve van de Merxemse Krijgsgevangenen het idee om hun oud-voorzitter te ondersteunen. In concurrentie met het Studiefonds en het Martelaarsfonds hoopte ze op lokaal niveau heel wat geld te kunnen inzamelen door omhalingen en steunlijsten.

 

Ook de medestanders uit Merksem maakten dankbaar gebruik om hun leider Borms te gaan bezoeken in zijn cel. In september 1920 stuurde Lode Van Damme een brief naar Mevrouw Borms om klaarheid te krijgen over de slechte gezondheidstoestand van haar echtgenoot.[179] Tevens werd gepolst naar de werking van een Bormsfonds of iets dergelijks, dat reeds gesticht was om Borms te helpen, maar daar danig in leek tekort te schieten. Over welk fonds er hier sprake was, is niet meteen duidelijk. Mogelijk gaat het over het Martelaarsfonds. De Merksemnaren hoopten in korte tijd zelf voor de nodige ondersteuning te kunnen zorgen. Op dezelfde dag werd in het Merksems Gildenhuis de eerste vergadering van het Steunfonds der Familie Borms belegd.[180]

Borms kende het geluk dat er voor hem zo’n steunactie georganiseerd werd. Andere activisten die lange tijd binnen de celmuren verbleven, moesten het met heel wat minder stellen. Antoon Jacob en Roza de Guchtenaere waren vrijgezel, maar Jef Van Extergem was, net als zijn goede vriend Borms, vader van een jong gezin.[181] De familie Van Extergem kon enkel rekenen op de steun van de Internationale Rode Hulp (I.R.H), die bovendien niet zo heel veel geld ter beschikking stelde.[182] Bovendien stierf zijn vrouw Bertha enkele weken na zijn gevangenschap, waardoor hij de zorg voor zijn dochtertje Maria aan zijn ouders diende over te laten.

 

In de zeven jaar dat er sprake was van een Merksems Steunfonds der Familie Borms kende het bestuur weinig tot geen veranderingen. Die grote stabiliteit vonden we ook reeds terug bij het hulpcomité voor de krijgsgevangenen. Men wist dat men de krachten moest bundelen en dat het gevaar extern te zoeken was. Er waren genoeg mensen die de Bormsgezinden het licht in de ogen niet gunden. Bovendien was er de onderlinge concurrentie tussen de organisaties ten behoeve van Borms. Ter bescherming en democratisering van de interne werking kwamen de leden overeen dat de officiële brieven door iedereen dienden ondertekend te worden en voor bezoeken aan Borms schreef het bestuur steeds alle namen op de visitatielijst.[183] Niemand werd tekort gedaan of achtergesteld. Beslissingen nam het fonds met eenparigheid van stemmen, wat doorheen de jaren vaak tot moeilijkheden zou leiden als het bestuur op de wekelijkse vergaderingen niet voltallig aanwezig kon zijn.[184] Alle leden waren inwoners van Merksem en hadden een Vlaamsvoelende achtergrond. Die opvallende belangrijke homogeniteit van de ledengroep zou ook door het andere geslacht niet kunnen doorbroken worden. Over het al dan niet opnemen van vrouwen in het Steunfonds ging vaak een moeizaam debat vooraf.[185] Uiteindelijk vinden we in de verslagen enkel Mevrouw Sterckens terug die het lidmaatschap werd aangeboden, maar zij zou vriendelijk bedanken voor de eer. Anderhalf jaar later polste het bestuur opnieuw vrouwen voor de werking, zonder resultaat. Het zou wachten zijn tot de oprichting van het Bormsfonds, alvorens er van een bredere werking sprake kon zijn.

 

Voorzitter van het steunfonds (1920-1927) was Louis Roosens, die eerder al een rol had gespeeld in de Groeningerwachten en in het Comité voor de Merksemse krijgsgevangenen waar hij vaak als ondervoorzitter bij afwezigheid van Borms de vergadering leidde. Van beroep was hij handelaar, zoon van Victor Roosens de eigenaar van een grote maalderij.[186] Na de eerste wereldoorlog was hij nooit in beschuldiging gesteld en uit onderzoek mogen we stellen dat hij buiten de voornoemde activiteiten zich verder niet echt heeft ingelaten met het Vlaams activisme. In Merksem was hij niettemin een bekwaam en voornaam persoon. In de voetsporen van zijn vader werd hij in juli 1920 aangesteld als katholiek gemeenteraadslid.[187] Een functie die hij met volle overgave zou blijven bekleden, ook toen hij in 1929 schepen van openbare werken werd. Net als zijn broer pastoor Constant Roosens was hij daarnaast bedrijvig in het Merksemse verenigingsleven. Op foto’s bij de stichting van het Davidsfonds- Merksem vinden we hem terug als ondervoorzitter, naast figuren als voorzitter August Mennes, Jan en René Meyer e.a.[188] Tevens nam hij gedurende ruim dertig jaar het voorzitterschap van het Nationaal Werk der Volkstuinen waar en was hij lid van het Merksemse Borstlijdersfonds, een organisatie voor T.B.C-patiënten.[189]

Net als in het comité voor de krijgsgevangenen bekleedde Lode Van Damme in het Steunfonds opnieuw de taak van secretaris- penningmeester. Voor de oorlog had hij samen met zijn mentor Hugo Van den Broeck de eerste Vlaamse Verbroedering van Telegrafisten opgericht. Van den Broeck was tijdens de oorlog leider geweest van het Vlaamsch Persbureau en vluchtte na de oorlog uit angst voor een zware straf naar Nederland waar hij later hoofdredacteur werd van De Limburgse Koerier.[190] De Vlaamse Verbroedering van Telegrafisten bestond uit telegraaf -en postbedienden die voornamelijk ambtenaren van lagere en middenkaders waren en onderwijs genoten hadden, maar in hun carrièremogelijkheden beknot werden door de verfransing van de administratie.[191] Ook Van Damme behoorde tot het kransje van Merksemse Groeningerwachters en was een goede vriend van Borms. Ze woonden niet alleen beiden in de Merksemse Eendrachtstraat, maar het was ook Borms die Van Damme aan een bijverdienste hielp als bediende bij de uitgeverij van Het Vlaamsche Nieuws, toen hij niet langer tevreden kon zijn met het gereduceerde loon dat hij kreeg als ordeklerk bij de telegraafbedienden.[192] In maart 1919 werd hij gearresteerd wegens de vermeende samenwerking met Karel Waternaux in het VES en de VAG.[193] Zijn naam kwam immers verscheidene malen voor in Vlaams-nationale literatuur, die naast propagandamateriaal en briefwisseling met Borms in beslag werd genomen bij zijn arrestatie. Vrij snel liet men Van Damme terug vrij, terwijl Waternaux ondertussen reeds naar Nederland gevlucht was. Net als zovele activisten kreeg ook Van Damme omwille van zijn overtuiging problemen met zijn staatsbetrekking.[194] ‘Wegens deze onvaderlandse praktijken’, zo verklaarde de rekenplichtige van de Antwerpse Telegrafen, werd hij ontslagen.[195] In dezelfde periode werd hij bij de oprichting van de politieke partij Het Vlaamsche Front afdeling Merksem benoemd tot secretaris. Zijn band met de Frontpartij zou enkele malen belangrijk zijn om langs deze weg het nodige geld te vinden, ook al had het steunfonds nooit rechtstreekse politieke binding met welke partij dan ook.

Het bestuur werd verder ingevuld met ondervoorzitter Jef Muys (gemeenteraadslid) en bijgevoegd secretaris Jozef Goris (bureauchef). Andere leden waren Eugène Muys (pianomaker), August Willekens (boekhouder), Victor de Jong (meubelmaker), Jef van Oers (machinist), Felix Seghers (sigarenhandelaar), Hippoliet Gijssels (beenhouwer) en Martin Sutherland (kapper). Ze werden gekozen als afgevaardigden van de voornaamste Vlaamse verenigingen in Merksem (bv. Van Damme voor Het Vlaamsche Front, de Jong voor het Davidsfonds, …) en dienden allen aanwezig te zijn op de wekelijkse vergaderingen in het Gildenhuis of ten huize van voorzitter Roosens. Van een strikte hiërarchie binnen het fonds was toen niet echt sprake. Zo werd van alle leden verwacht dat ze in eigen naam het nodige geld samen brachten.

 

Tabel. 1 Ledenlijst en ingezameld kapitaal door Steunfonds der Familie Borms: (1920-1927)

 

 

Slechts in de laatste jaren van het Steunfonds drong een uitbreiding zich op om de grote financiële problemen het hoofd te bieden. In 1926 werd beslist het comité uit te breiden met de heren Jozef Vercalsteren, Benoit Ceuppens en Deruelle. Eind 1927 nam de opgerichte Bormsfonds vzw de taak en een gedeelte van het bestuur over en werd er werk gemaakt van een gevoelige uitbreiding van het ledenaantal.

 

Financiële organisatie

 

Tussen 1920 en 1927 slaagde het Steunfonds erin 39.608,35 BEF. aan Mevrouw Borms over te maken. Voor het gezin Borms was dit een hele steun. Zonder broodwinner was het voor Borms’ echtgenote niet makkelijk het kroostrijke gezin van zes kinderen te blijven onderhouden. Steeds was het daarom zoeken bij het Steunfonds naar nieuwe initiatieven die enigszins iets konden opleveren.

 

Tabel 2. Stortingen aan Mevrouw Borms door Steunfonds der Familie Borms (1920-1927)

 

 

 

Het doel van de vereniging was om het kroostrijke gezin Borms zoveel mogelijk moreel en materieel te ondersteunen.[196] Uit een onderhoud met Mevrouw Borms was gebleken dat ze er alleen voorstond en dat ze hoopte te kunnen rekenen op de steun van het fonds om in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen te voorzien. Elke maand wilde men daarom een eenvormig bedrag aan Mevrouw Borms geven, afhankelijk van de bereikte inzamelingen. Na stemming en gemaakte berekeningen werd eind 1920 voor de eerste maal 250 BEF. overgemaakt.[197] Men richtte tevens een klein reservefonds op dat als aanvulling kon dienen in de maanden dat de vastgestelde som niet bereikt zou worden. Om het nodige geld bijeen te brengen hoopte men op de steun van de Vlaamsgezinde verenigingen te Merksem en vooral de teruggekeerde krijgsgevangenen die tijdens de oorlog de steun hadden genoten van het Komiteit tot ondersteuning der Merxemsche Krijgsgevangenen, waarvan Borms voorzitter was geweest.[198] Wekelijks zijn er afrekeningen van de giften die ingezameld werden door de leden door middel van een inschrijfschriftje.[199] Gulle gevers werden door het Steunfonds persoonlijk bedankt en indien gewenst niet bij naam genoemd in het verslag.[200] De eerste maand werd een bedrag van 280,62 BEF. bijeengebracht.

 

Opvallend is de eerste rondzendbrief van het fonds naar de besturen van de Vlaamse organisaties te Merksem.[201] Zo staat er te lezen dat het Steunfonds, in een opwelling van christelijke liefdadigheid, het Martelaarsfonds wilde ontlasten dat reeds voor 72 politieke gevangenen te zorgen had en ook nog eens zijn steun wilde geven aan de activistenleider Borms. Het leek er echter niet op dat het Martelaarsfonds haar hulp en toezendingen aan Borms een halt toeriep, laat staan dat Borms dit al gewild had. Tijdens de maand oktober werden grote sommen binnengehaald, vooral in de gemeente Schoten.[202] Door dit succes wilde men ook trachten in de Merksemse randgemeenten een werking op te richten, echter zonder gevolg.

 

Kort daarop schreef het bestuur van het Steunfonds een brief aan Borms om hem in te lichten over het bestaan van de werking. [203] Voor het eerste bezoek aan zijn cel door een afvaardiging van het fonds werden zes leden aangeduid, die voorzien van versnaperingen en sigaren naar Leuven trokken. [204] Tijdens het gesprek toonde het bestuur zich optimistisch over de toekomst en merkte men op dat de werking vlot verliep. De geldbronnen waren nog lang niet uitgeput en het vooropgestelde uitkeringsbedrag werd reeds overtroffen. Borms diende zich dan ook weinig zorgen te maken over de materiele toestand van zijn gezin. Vanaf dan zou een afvaardiging van het fonds Borms jaarlijks een bezoek brengen in de Leuvense gevangenis. Het was telkenmale een hele opgave om hiervoor toestemming te krijgen van het bestuur van de gevangenis. Wel werd er vaak gecorrespondeerd: met Kerstmis en Nieuwjaar, juli-vieringen, andere feesten,…of werd een cadeau afgegeven zoals o.a. een pelsmantel.[205]

 

Doorheen de jaren mogen we stellen dat de meeste leden de verplichting tot inzameling goed opgevolgd hebben. Eind december 1922 ontstond er wel wrevel met Victor de Jong die voor de maanden augustus, september en oktober zijn inschrijvingen niet afrekende. Meteen besliste het bestuur ook al de ontvangstboekjes van de aanwezige leden op die vergadering te controleren met het kasboek. Er zouden geen onregelmatigheden worden aangetroffen. Uit de jaarverslagen valt op te maken dat er groot verschil was tussen de bijdragen der verschillende leden. Zo brengen Roosens, Seghers, Sutherland en Van Damme een veelvoud binnen van de andere leden.[206] De maand juli was vaak een succesmaand wat te verklaren valt door de Vlaamse feestdag en de bijhorende manifestaties, als bloemenverkoop e.a.

Door de grote inzamelingen mocht men fier vaststellen dat het bedrag voor de echtgenote van Borms op korte termijn kon verhoogd worden naar 300 BEF.[207] Naast de vaste bijdragen werd het gezin Borms ook met Nieuwjaar en het Sinterklaasfeest een bijdrage toegestopt. Voor sinterklaas werd het voorstel geopperd om persoonlijk aan de kinderen iets te gaan overhandigen. Het geven van cadeaus tijdens dit kinderfeest was een initiatief dat in Merksem ook op grote schaal georganiseerd werd onder leiding van de heren Jan Meyer en Hippoliet Gijssels.[208]

Vijf maanden na het ontstaan van het fonds was de zending aan Mevrouw Borms bijna verdubbeld tot 400 BEF. Bij het begin van het nieuwe jaar was men immers te weten gekomen dat de twee oudste zonen van Borms waren teruggekeerd uit Nederland. [209] Onder de vleugels van de moeder hadden ze opnieuw hun intrek genomen in het huis te Brussel.[210] De twee oudste kinderen, de meisjes Anita en Rosita die in Peru geboren waren, bleven les volgen aan de kostschool Sint-Anna in het Nederlandse Oudenbosch (Noord-Brabant).[211] Het Steunfonds wilde daarom 100 BEF. extra aan Mevrouw Borms te storten, in afwachting van meer inlichtingen. Men vond het nodig zich te beraden over de toekomst van de kinderen, ook al was er reeds het Komiteit voor de Opvoeding der Kinderen Borms van professor Scharpé die dergelijke zaken behandelde. Men was te weten gekomen dat er gesproken werd om twee zoontjes van Borms te plaatsen in het Sint-Eduardusgesticht te Merksem.[212] De beste oplossing leek volgens het bestuur toch om de kinderen onder de hoede van de moeder te laten, afhankelijk van de vooruitzichten voor Borms. De zendingen van 300 BEF. zouden de gezinskosten in dat geval niet langer dekken en men moest op zoek gaan naar nieuwe inkomsten. Vanaf 1924 betaalde men maandelijks 100 BEF. meer uit, zoals afgesproken. Deze stortingen van 400BEF. bleven tot het einde van de werking van het Steunfonds behouden.[213] Ook in de financieel moeilijke tijden trachtte men de hulp aan Mevrouw Borms te waarborgen, al diende men voortdurend op zoek te gaan naar nieuwe initiatieven.

 

Martelaarsfonds en andere verenigingen

 

Voor een kleine organisatie als het Steunfonds was het vaak moeilijk inzamelingen te organiseren. Bij de stichting van het Steunfonds was afgesproken dat men onafhankelijk wilde blijven en niet een onderafdeling zou worden van gelijk welke andere solidariteitsverenging, zoals het Martelaarsfonds.[214]. Aanvankelijk bleef ze strikt dit plan aanhouden, maar ze wist ook dat de onderlinge concurrentie op belangrijke Vlaamse manifestaties ongezond was. Daarom besloot het Steunfonds samen te werken tijdens de juli-viering, waar ze samen met het Martelaarsfonds van Maria Gillis bloempjes verkocht. Bij deze bloemenverkoop bleef het aanvankelijk, pas later zouden er ook gezamenlijke feesten worden georganiseerd.

 

De herdenking van de Guldensporenslag was steeds nadrukkelijker een Vlaams symbool geworden, waaraan verscheidene Vlaamse verenigingen een bijdrage leverden[215]. Bij het Vlaamse feest van 1921 wist het Steunfonds overeenstemming te bereiken om de opbrengst af te staan ten voordele van de ondersteuning van Borms. Op die 11juli-samenkomst werd Borms bejubeld en groeide hij uit tot het symbool van Vlaanderen en de amnestie-actie. Toen de regering in datzelfde jaar voorstelde om Borms vrij te laten op voorwaarde dat hij zich zou onthouden van politiek, weigerde hij. De morele steun van buiten de muren was in die beslissing voor Borms van groot belang geweest. Door die weigering werd de symboolwaarde alleen maar groter en ook bij de verscheidene ondersteuningsfondsen groeide het besef dat men de werking moest blijven uitbouwen voor deze martelaar van het Vlaamse volk, zoals hij vaak werd aangesproken.

Jaarlijks verkocht het Martelaarsfonds bij de 11 juli-viering geelzwarte bloempjes, waaraan ook het Steunfonds na verloop van tijd aan meewerkte.[216] Zo groeide een innige samenwerkingsband tussen Steunfonds en het Martelaarsfonds. Elke maand werd het bestuur van het Martelaarsfonds door het Steunfonds op de hoogte gebracht van het gestorte bedrag aan Mevrouw Borms. Toch bleef het Martelaarsfonds in eigen naam een bijdrage van 280 BEF. leveren aan het gezin.[217] Een jaar later was het Steunfonds al heel wat minder geneigd om met het Martelaarsfonds samen te werken. Het bestuur van het fonds bestelde in eigen naam bij Mevrouw Gillis duizend bloemen waarvan de opbrengst daarna in eigen kas kon worden gestort.[218] De organisatie van de jaarlijkse bloemenverkoop bleef doorlopen tot de oprichting van het Bormsfonds eind 1927. Daarnaast bleef het Steunfonds aandringen bij het Martelaarsfonds om bij andere belangrijke gelegenheden hulp te bieden en kon het af en toe rekenen op een grote gift.[219]

 

Feesten ten voordele van het goede doel

 

Net als ten tijde van de hulp aan de krijgsgevangenen rekende het Steunfonds ook nu op feesten die de kas moesten spijzen. Vaak ging het om uitgebreide comités, samengesteld uit verscheidene verenigingen, die samen het feest organiseerden. Op één van die vieringen, waarbij het Steunfonds samenwerkte met de Merksemse Frontpartij, liep het echter fout, wat leidde tot een financiële kater. Ook de samenwerking met het Martelaarsfonds bereikte een dieptepunt.

 

Het eerste solidariteitsfeest van het Steunfonds op 6 november 1920 bracht 100 BEF. zuivere boni op.[220] Aan bestuurslid Victor de Jong werd meteen opgedragen contact op te nemen met Juliaan Platteau te Antwerpen ten einde de medewerking te verkrijgen om een toneelvoorstelling te organiseren in het begin van het nieuwe jaar.[221] Voor de organisatiekosten rekende het fonds op de rijke heren uit Merksem en de goedwil van de Vlaamse kringen.

1921 was tevens het jaar van de amnestie, toen de eerste meetings in Antwerpen plaatsvonden.[222] In navolging van het Martelaarsfonds onderzocht het Steunfonds de mogelijkheid om met zijn werking deel te nemen aan deze beweging.[223] Het fonds liet foto’s van Borms drukken en een zomerfeest organiseren met een tweeledig doel. Enerzijds als propagandamiddel voor de amnestie, anderzijds kon dit het nodige geld binnenbrengen.[224] Ook zou er een propagandareis volgen naar Brussel wanneer een bezoek werd gebracht aan Borms.[225]

Door de behaalde successen in de maanden juli-augustus werd het geplande feest verschoven naar 30 oktober 1921, tevens om de verkoop van Martelaarsbloempjes en de feestelijkheden van de 11de juli niet te hinderen.[226] Opnieuw hoopte het fonds op de medewerking van alle Vlaamse verenigingen van de gemeente.[227] In de volgende vergadering hadden drie kringen afgevaardigden gestuurd: Davidsfonds, Het Vlaamsche Front en de Vlaamse Oud-Strijders.[228] Het Martelaarsfonds van Antwerpen gaf toelating zijn naam voor het inrichten van het feest te gebruiken. Ter gelegenheid van het herdenkingsfeest zou een brief worden overhandigd aan Borms ondertekend door alle sympathisanten van het fonds. Jozef Goris en Martin Sutherland werden belast met de afrekeningen van de kaarten en programma’s. Victor de Jong moest voor de culturele inrichting van de avond zorgen, terwijl Jozef Muys samen met enkele vrienden moesten toezien op de ordehandhaving.[229] Uiteindelijk mocht men tevreden zijn met een slotsom van 516, 88 BEF.[230]

In december 1921 waren dan de eerste scheurtjes in de band met het Martelaarsfonds.[231] Toen kreeg het bestuur van het Steunfonds een brief met het verzoek een deel van de opbrengst van het feest te storten in de kas van het Martelaarsfonds. Na rijp beraad besloot het fonds daar niet op in te gaan wegens de tegenvallende financiële resultaten van de voorbije maanden.

Uit het jaarverslag van 1921 was gebleken dat de maandelijkse inzamelingen ontoereikend bleken en dat reeds een 600 BEF. diende te worden bijgepast vanuit het reservefonds.[232] Daarnaast was er een achteruitgang van de inkomsten in de laatste acht maanden tegenover het jaar ervoor. Om dit in de toekomst te vermijden opteerde het bestuur om de maandelijkse inzamelingen te vergroten, de bijzondere giften uit te breiden, meer feesten te organiseren en het actieveld uit te breiden naar de randgemeenten.

Het zou niet enkel het Steunfonds zijn dat met de nodige financiële moeilijkheden kampte, ook het Martelaarsfonds ging onder gelijkaardige problemen gebukt.[233] Uit hun halfjaarlijkse verslagen die gedrukt en verspreid werden voor ‘ijveraars en ijveraarsters van het Martelaarsfonds’ waren in de rekeningen tekorten terug te vinden van 6.688, 69 BEF.[234] Deze schuld probeerde de organisatie weg te werken met het oprichten van een reservefonds -net als bij het Steunfonds- en het uitbreiden van de financiële steun waarbij men opnieuw rekende op de sponsoring van het radicaal flamingantische blad De Schelde. [235]

 

Uit solidariteit zouden de leden van het Steunfonds de ingerichte portretverkoop van het Martelaarsfonds op de Bormsavond van 9 februari 1922 steunen. Men hoopte eigenlijk nog een graantje mee te pikken van de uiteindelijke opbrengst. Maar onderhandelingen met Mevrouw Gillis in zake de verkoop van de Borms’ foto’s op de herdenkingsvond van zijn aanhouding brachten aan het licht dat de opbrengst teleurstellend was.[236] Het bestuur van het Martelaarsfonds had aan Mevrouw Borms slechts 50 BEF. kunnen overhandigen, waardoor het overschot onvoldoende was om nog een klein gedeelte in de kas van het Steunfonds te storten. In de plaats deed het Martelaarsfonds een toegeving door te beloven het Steunfonds tegemoet te komen als de toelage aan Mevrouw Borms niet bijeengebracht kon worden.

 

In tussentijd plande de Vlaams-nationalistische partij Het Vlaamsche Front voor het winterseizoen een vertoning ten voordele van het Steunfonds. Het voorstel werd warm verdedigd door Van Damme, die lid was van Het Front, en die beloofde de overige leden van de werking op de hoogte te stellen.[237] Er ging echter één en ander mis hetgeen enorme financiële consequenties zou hebben.[238]

Over het feest, gepland op 7 oktober 1922, werd bij het Steunfonds gedurende lange tijd niet meer gesproken, maar ondertussen ging Het Vlaamsche Front wel verder met de organisatie. Men had de naam Steunfonds gebruikt als de grote organisator van het feest. De toneelafdeling van Het Vlaamsche Front werd immers verzocht die avond niet op te treden onder die naam maar voor een gelegenheidsnaam te kiezen om geen problemen te krijgen met de Katholieke Vereeniging Merxem.[239] Deze organisatie was eigenaar van zaal Victoria, gelegen vlak naast het Merksemse gemeentehuis en het politiebureel, en had deze ter beschikking gesteld.[240] Het Vlaamsche Front had de nodige folders en plakbrieven laten drukken en verspreid. Verkeerdelijk had men over het hoofd gezien dat er de naam Het Vlaamsche Front opstond. De Katholieke Vereeniging Merxem trok zich daarom terug, hoewel er reeds een voorschot betaald werd.[241] Het grootste slachtoffer was uiteindelijk het Steunfonds dat zich moreel verplicht voelde om de gemaakte onkosten te vergoeden.

Aan de Fronters en Katholieken werd door het Steunfonds opgedragen geen ruchtbaarheid aan de zaak te geven om de werking niet in diskrediet te brengen en tevens niet de politieke onpartijdigheid in het gedrang te brengen. Uiteindelijk zou gekozen worden de schade van 81,50 BEF. te vergoeden met de persoonlijke penningen van de leden en niet met de kas van het Steunfonds.[242] Onder de leden had deze complexe situatie toch voor de nodige misverstanden gezorgd aangaande het mandaat dat zij vervullen binnen de kring van het werking. Voor eens en altijd werd vastgelegd dat de personen die als lid in het Steunfonds zetelen dit doen in persoonlijke naam en door het fonds niet kunnen aanzien worden als afgevaardigden van een of andere vereniging. Bovendien was de financiële situatie nu zo geëvolueerd dat maatregelen zich opdrongen.

 

Eind 1922 groeiden de plannen om een nieuwe werking in het leven te roepen binnen een andere kring. Deze zou dan als een onderafdeling van het Steunfonds beschouwd worden en in zekere mate zelfstandig kunnen optreden, mits de verplichting om regelmatig af te rekenen met de kas van het fonds.[243] Een eerste brief hierover werd naar Adiel Debeuckelaere, gezonden met het verzoek samen te werken ten voordele van de familie Borms.[244] Uit de gevoerde besprekingen was het Steunfonds overeengekomen dat Debeuckelaere zou trachten nieuwe ondersteuners aan te werven die dan geld konden storten per postcheck.

Waarschijnlijk paste dit binnen de uitbreidingsoperatie van het Steunfonds in die periode. Uit het jaarverslag was gebleken dat de inkomsten drastisch gedaald waren en dat meer en meer geput diende te worden uit de reserves. De wens van vorig jaar om de inkomsten te verhogen kon niet worden ingewilligd, integendeel trouwens. Tot op heden had het fonds het moeten stellen met een gesloten kring van negen leden en een bescheiden organisatie. Volgens Van Damme was de tijd rijp de werking op brede schaal en openbaar te voeren.[245]

Toen Borms in een artikel van De Ploeg de Vlamingen opriep om steun te geven voor zijn gezin vond ook het Steunfonds de tijd gekomen op de kar te springen.[246] Naar de redacties van De Ploeg en het weekblad Vlaanderen werden brieven gezonden met de vraag tot ondersteuning.[247] Een maand later werd opnieuw een artikel in De Ploeg gedrukt waarin het slecht gevangenisregime van Borms werd uitgeklaard.[248] “Daarom moest men alle medestanders er op wijzen dat er nu al maanden goed werk werd verricht door het Martelaarsfonds in het algemeen en door het Steunfonds in het bijzonder. Met alle middelen en een Vlaams hart moest dan ook getracht worden dit laatste werk te steunen om de voorman de nodige steun te geven.” Het resultaat volgde snel. Van Debeuckelaere ontving men 100 BEF., door de redactie van De Ploeg werd 50 BEF. ter hand gesteld. als bijzondere gift uit Nederland.[249] Later ontving men van Debeuckelaere nog eens 150 BEF. en daar bleef het dan bij. Ondanks deze financiële injectie, naast een nieuw feest van Het Vlaamsche Front, de giften van De Schelde en de bloemenverkoop samen met het Martelaarsfonds, bleef de ondersteuning van Mevrouw Borms op 300 BEF. staan. Opvallend is ook de gift van het Martelaarsfonds in september 1923, wat er op wees dat er nog samengewerkt werd.

 

Amnestiedebat met Antoon Jacob

 

Ook Borms zou een poging doen de werking uit te breiden. Hij stuurde een brief met de aanbeveling het fonds in contact te brengen met zijn goede vriend Antoon Jacob.[250] Deze Jacob was net vrijgekomen uit de gevangenis en wilde een enorme amnestieactie opzetten voor Borms. Het Steunfonds hoopte hieraan mee te werken, en zo zelf de nodige inkomsten op te strijken.

 

De vrijzinnige filoloog Anton Jacob had nog samengewerkt met Borms bij Het Vlaamsche Nieuws en maakte deel uit van de unionistische fractie in de Raad van Vlaanderen.[251] Tijdens zijn gevangenschap had hij het plan opgevat een meeting te willen inrichten ter ere van Borms en hem tot kandidaat voor het parlement willen uitroepen, buiten iedere partijorganisatie om.[252] Hierdoor kwam hij in problemen met Het Vlaamsche Front doordat er op die manier twee nationalistische lijsten zouden worden gevormd. De voorman van de Antwerpse Fronters Herman Van Puymbrouck ging hierop zelf lobbyen bij Borms om hem op de eigen lijst op te nemen.[253] Borms weigerde. Toen Jacob vrijgelaten werd op 21 november 1923 bleef hij het vertrouwen genieten van Borms en zag hij de kans schoon zijn vriend te gebruiken als een geducht wapen in een poging Het Vlaamsche Front te ontdoen van de Godsvrede. Jacob en de groep rond het weekblad Vlaanderen, waartoe ondermeer ook Josué De Decker en Robrecht de Smet behoorden, vonden deze Godsvrede immers een rem op de ontwikkeling van het Vlaams nationalisme en wilden Het Vlaamsche Front naar hun hand zetten. Week na week schreef het weekblad aan haar lezers over de oprichting van een nieuwe Vlaamse Beweging die moest optreden in de buitenlandse politiek, de Belgische vijanden als vrienden beschouwen en dus bij Duitsland aanleunen.[254] Vooral de oude garde van de Vlaamse beweging met ondermeer Alfons Van de Perre, Frans Van Cauwelaert en Lodewijk Dosfel moest het ontgelden. Het hele plan werd uiteindelijk afgeblazen, nadat ook een poging om Borms en zichzelf op de lijst van de Frontpartij te krijgen mislukte. Voor de groep rond het weekblad Vlaanderen, tegenstanders van Het Vlaamsche Front, was het eigenlijk niet om Borms te doen. Borms werd verweten naïef te zijn en diegene te volgen die het mooist kon praten. Hendrik Cayman, die ook bij de groep Vlaanderen behoorde, verklaarde “In Borms heeft alleen het offer waarde; dat hij dit heeft kunnen brengen bewijst niets voor de degelijkheid van zijn inzicht.”[255] Borms wist dat hij een vedettestatus had bereikt en deed er alles aan om dit beeld ook te bevestigen.[256] Hij was de activist met de meest celjaren, die weigerde in te stemmen met een vervroegde vrijlating, dat hoofddoel was van de amnestieactie, en die geleidelijk aan het symbool werd van een door België vernederd Vlaanderen.

Het Dr. Jacob-comité onder leiding van Maria van Gastel en Maria Gillis, voorzitster van het Martelaarsfonds, barstte daarna van ambitie om de amnestie-actie voor het symbool van de activistische collaboratie Borms tot een goed einde te brengen. Het amnestiedebat werd tot dan vooral in de kolommen van dag -en weekbladen gevoerd, ook in Nederland en Zuid-Afrika waar er heel wat begrip was voor de activisten.[257] Maar op 16 januari 1921 had in de Antwerpse Hippodroom een eerste grote meeting voor amnestie plaats. Bij die meeting hadden meer dan vijfduizend mensen hun stem laten horen en een bedrag van 6.000 BEF. werd ingezameld voor het Martelarenfonds.[258] Op zondag 25 november 1923, vier dagen na zijn vrijlating, kreeg Jacob een huldebetoging in het Hippodroompaleis te Antwerpen. Op zijn verzoek veranderde de manifestatie in een amnestiemeeting en een hulde aan Borms.[259] Het bestuur van het Steunfonds besloot niet langer te talmen en de brief meteen door te sturen naar Jacob met het verzoek om op die meeting van zondag een omhaling te mogen doen.[260] Het onderhoud met Jacob leverde uiteindelijk niets op. De opbrengst van de omhalingen op zijn meetings dienden uitsluitend te worden besteed aan de door hem gevoerde amnestie-actie.[261] Wel wees hij hen door naar het secretariaat van Het Vlaamsche Front te Antwerpen waar ze een lijst met mogelijke inschrijvers in de provincie konden vinden. Eén van de ondersteuners van het fonds had voorzitter Roosens voorgesteld om in verband met die amnestie-actie bij kardinaal Desiré Mercier een audiëntie aan te vragen ter gelegenheid van zijn priesterjubileum en hem dan tevens te verzoeken zijn invloed te willen gebruiken ten gunste van vrijlating van Borms.[262] Een brief werd gestuurd waarin het bestuur Borms’ strenge katholieke achtergrond benadrukte om Mercier overhalen zijn macht te gebruiken voor de vrijlating van Borms.[263] Men kreeg nooit een antwoord op de brief, wat niet zo onlogisch was. Borms wilde meer dan enkel de eentaligheid voor Vlaanderen. België moest kost wat kost vernietigd worden en in deze visie kon de kardinaal zich blijkbaar helemaal niet vinden.

 

Studiefonds voor de kinderen van getroffen Vlamingen[264]

 

Naast het Martelaarsfonds was ook het Komiteit voor de opvoeding der Kinderen Borms een geduchte concurrent. Het oorspronkelijke doel van dit komiteit, dat gesticht werd in 1921, was het geven van financiële steun aan de kinderen van de ter dood veroordeelde en in de gevangenis verblijvende August Borms, opdat deze hun studies zouden kunnen voortzetten.[265] De grote voortrekker was Lodewijk Scharpé die ook meewerkte aan de amnestieregeling om de politieke gevangenen zo snel mogelijk vrij te krijgen. [266] Toen die amnestiewerking toch niet het verhoopte resultaat opleverde, ging Scharpé op bezoek bij Borms en besloot zich te bekommeren over diens kinderen.[267] Op 30 oktober 1923 stichtte het Leuvense Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (K.V.H.V) een eigen Kinderen- Bormsfonds om de studentenbijdragen een bestendig karakter te geven. [268] Scharpé had van meet af aan een grote verantwoordelijkheid aan de studenten gegeven. Hoewel ze de werking moesten garanderen, konden ze steeds beroep doen op het bestendige college waarin Vlaamse intelligentsia hen met raad en daad bijstonden.

 

Het Steunfonds ging azen op de gelden van het Komiteit voor de opvoeding der Kinderen Borms en het bestuur van het Steunfonds besloot daarom een brief te sturen naar dit comité.[269]

Als antwoord kreeg het Steunfonds, net als bij een eerste brief aan het Studiefonds, dat men al het mogelijke zou doen hen te helpen. Wanneer een jaar later de kastoestand van het Steunfonds der Familie Borms kritiek was, werd besloten opnieuw een aanvraag in te dienen bij bestuurslid Hilaire Allaeys.[270] De concurrentie tussen de fondsen was echter groot. Elke organisatie probeerde op zijn manier het nodige geld in te zamelen en zijn werking uit te breiden over een groter gebied.

Ook het Studiefonds had steunlijsten in dagbladen en de Leuvense studenten deden omhalingen op hun vergaderingen die aan de geldbeheerder Dr. Allaeys gegeven werden.[271] In Merksem werden door het Steunfonds stappen gezet in de richting van de Merksemse scheepsbouwer Emiel Beuckeleers om van hem toelating te verkrijgen om een tuinfeest in te richten op de weiden van Bouckenborg gelegen achter het Galjoen.[272] Deze heer schonk ons als bijzondere gift 100 BEF. doch kon het bestuur de gevraagde toelating niet verlenen. Verder werd een oproep gedaan aan de uitgeweken Vlamingen in Nederland om het Steunfonds bij te staan.

 

Mogelijke vrijlating van Borms

 

In 1925 bestond de kans dat Borms vrijkwam, en meteen werden bij het Steunfonds de nodige maatregelen genomen. Het bestuur keek uit naar een woning en probeerde via De Schelde een extra inspanning te doen om geld in te zamelen. Het Steunfonds had nog meer reden tot vieren want de vereniging bestond vijf jaar. Toch was duidelijk dat als de organisatie de werking nog eens vijf jaar wilde verder zetten men werk diende te maken van een breder initiatief, zeker nu het financieel nog moeilijk te bolwerken was.

 

Borms schreef in februari 1925 een brief aan het Steunfonds waarin hij duidelijk maakte dat er sprake was van een vervroegde invrijheidsstelling.[273] Borms zou in die brief ook aandringen op woongelegenheid bij zijn vrijkomst. Verschillende voorstellen passeerden de revue; ofwel een kamer huren, ofwel een huis kopen.[274] Om Borms niet met een te hoge financiële last op te zadelen werd alleen navraag gedaan naar huizen van 50.000 BEF. maximum. Borms verklaarde in een brief dat hij niet kan ingaan op het voorstel om een woning te kopen, omdat hij dan de indruk zou geven winst uit de zaak te willen puren.[275] Daarom koos het fonds na overleg met Borms om tegen zijn vrijlating een kleine woning te huren.[276]

 

Toch bleef de financiële situatie verre van rooskleurig en daarom besloot het bestuur het deposito op de Scheldebank met 500 BEF. te verminderen om met deze som het maandelijkse tekort aan te vullen.[277] Voor de eerste maal overwoog de bestuursraad om de hulp aan het gezin Borms terug te schroeven. Ook Borms werd hierover ingelicht, die als gevolg daarvan het Pallietershuis en Het Vlaamsche Front verzocht om het fonds ter hulp te komen, wat ook gebeurde. [278] Telkens vinden we in de verslagen bijdragen van het Pallietershuis die de 600 BEF. overstegen. Er volgde een onderhoud met Herman Van Puymbrouck, hoofdredacteur van De Schelde over de uitbreiding van de werking en de slechte financiële situatie.[279] Het Steunfonds had net een rekening gekregen van Het Vlaamsche Front die de belastingen van Mevrouw Borms betaald had. Het Steunfonds diende het bedrag van 512, 65 BEF. terug te betalen aan Het Vlaamsche Front en gaf aan Mevrouw Borms de raad mee in het vervolg zich rechtstreeks naar het fonds te richten. Er werd overeengekomen dat Van Puymbrouck zou onderhandelen met de andere beheersleden van De Schelde om de stortingen in de krant onder de hoofding ‘Bormsfonds’ aan het Steunfonds te laten toekomen. Toen in oktober 1926 het Steunfonds hierover opnieuw toenadering zocht, was er opnieuw een discussie met het Martelaarsfonds, dat ook meende recht te hebben op die giften, omdat het de laatste jaren vaak steun had gekregen van De Schelde via de rubriek Brievenbus, waarin lezers konden vragen stellen in de krant en in ruil voor een antwoord diende men 1 à 2 BEF. te storten aan een goed doel of voor de Vlaamse propaganda.[280]

 

In 1925 bestond de vereniging 5 jaar en dat werd gevierd door het comité te vereeuwigen op foto door Merksems bekende fotograaf Bulens. Zittend: Martin Sutherland, Louis Roosens, Jozef Goris. Staand: Jozef Muys, Lode Van Damme, Jef Van Oers, Felix Seghers, Eugeen Muys en Victor de Jong. (Heemkundige kring Merksem)

 

Na een onderhoud met Lode Van Damme besloot Ward Hermans dat het Martelaarsfonds het gevangenisvoedsel van Borms niet langer ging betalen zolang beide verenigingen niet tot een overeenkomst konden komen over de zaak met de gestorte gelden in De Schelde. Het Steunfonds stelde daarop voor om voor de helft van de 300 BEF. kostende maaltijden in te staan, maar het Martelaarsfonds accepteerde dat niet en dreigde de zaak op de spits te drijven in de pers. Daarom bleef uit voorzorg de secretaris van het Steunfonds Jozef Vercalsteren in contact met Herman Van Puymbrouck om toch maar De Schelde aan de zijde van het Steunfonds te houden. Een voorstel van Ward Hermans om samen te smelten werd van de hand gewezen.

 

Uiteindelijk bracht het ‘Bormsfonds’ in De Schelde van 1 juli tot einde december 1926 de som van 3.592, 10 BEF. op, of ongeveer 600 BEF. per maand. [281] Om de zaak met het Martelaarsfonds op te lossen stelde Borms voor deze inkomsten af te staan aan het Martelaarsfonds.[282] Het vroeger voorstel van het Steunfonds strekte verder en voorzag de tussenkomst van het fonds om de helft van het eten van Borms -omgerekend zo’n 150 BEF.- te betalen.

Na de gemeenteraadsverkiezing in 1926 en het voorlopig van de baan zijn van de meest dringende financiële zorgen zag het Steunfonds het moment gekomen om ook op andere terreinen zijn stem te laten gelden. Het rekende op de steun van De Schelde en knoopte contacten aan met de gekende Vlaamse kringen, alsook Frans Van Cauwelaert, Hubert Melis en Camille Huysmans om de amnestie-actie te ondersteunen.[283]

Ter gelegenheid van het amnestievoorstel dat ging neergelegd worden in de Kamers, schreef men een brief aan de Vlaamse vertegenwoordigers van Kamer en Senaat, waarin het Steunfonds verzocht de amnestiekwestie, met in het bijzonder de invrijheidsstelling van Borms, eindelijk tot een goed eind te brengen. [284] Ook de Waalse volksvertegenwoordigers en de Mechelse aartsbisschop Van Roey kregen diezelfde brief. [285] Voor het Steunfonds was het zeker dat Borms nog dat jaar vrijkwam en de eerste organisatorische plannen werden reeds aangevat.[286] Bij de heer Schoeters, lid van de Vlaamse Oud-strijders, en de leden van de Antwerpse Frontafdeling polste het bestuur voor de oprichting van een organisatiecomité.

Men keek hoopvol de toekomst tegemoet. Als Borms vrijkwam, was het de uitgelezen kans voor het Steunfonds om uit te groeien tot een brede groepering. Op zondag 8 januari 1928 vergaderde het bestuur van het Steunfonds der Familie Borms in het Vlaams Huis. [287] Een laatste maal besliste de vergadering geld te storten aan Mevrouw Borms. Een overschot op de balans van 11.082,77 BEF. hevelde penningmeester Van Damme over naar de nieuwe Bormsfonds vzw. Uiteindelijk keerde het Steunfonds tussen 1920 en 1927 39.608, 35 BEF. uit aan Mevrouw Borms uit en 2.950 BEF. aan haar echtgenoot. Op het einde van de vergadering dankte de voorzitter zijn leden en overhandigde hen een dankbriefje samen met een foto van Borms. Bovendien kregen ze het lidmaatschap van het nieuwe Bormsfonds aangeboden. Om de twee maanden was men van plan samen te komen met de leden om de nieuwe werking te herbekijken.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[11] Guldensporenslag, http://www.gva.be/dossiers/-g/guldensporenslag/recent.asp

[12] Gelijkheidswet, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[13] Groeningerwacht, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[14] A. VRINTS, Bezette stad: Vlaams-nationalistische collaboratie in Antwerpen tijdens de Eerste Wereldoorlog (Algemeen rijksarchief. Studies over de Eerste Wereldoorlog 5. -Archives générales du royaume. Etudes sur la Première Guerre mondiale 5), Brussel, 2002, p. 34.

[15] A. BAEYENS, Bijdragen tot de studie van het Vlaams activisme. 3: Het activisme te Antwerpen: gedachteinhoud van de Antwerpse activistische pers (1914-1918), deel 1, 1973 (Katholieke Universiteit Leuven. Universiteit Leuven. Faculteit van de Letteren en Wijsbegeerte. Departement Geschiedenis, onuitgegeven licentiaatsverhandeling), p. 121.

[16] J. VINKS, o.c, p. 25.

[17]- Borms, August, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

 - A.W. WILLEMSEN, Het Vlaams Nationalisme 1914-1940, Groningen, 1958, p. 6.

[18] Merksem, Heemkundige Kring, Groeninghe, s.d.

[19] Pro Westlandia, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[20] Rousseeu, Cyriel, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[21] A. VRINTS, o.c., p. 211.

[22] M. BRANTS, Activisme en activisten te Antwerpen (1914-1918): analyse van houdingen en motieven, 1980, (Rijksuniversiteit Gent. Faculteit van de Letteren en wijsbegeerte. Departement Geschiedenis, onuitgegeven licentiaatsverhandeling), p. 167-168.

[23] Volk en Staat, 7 november 1942.

[24] J. VINKS, o.c., p. 35.

[25] M. NUYTTENS en M. SOMERS, Een nieuwe kijk op Pro Westlandia, in: De Franse Nederlanden, 9(1984), p. 45-64.

[26] B. RZOSKA, o.c, p. 36-37.

[27] Frontpartij, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[28] Groeningerwacht, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[29] J. VINKS, o.c., p. 46.

[30] Borms, August, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[31] AMVC, R777/H, Gedenkschriften Cyriel Rousseeu, deel IV, p. 250.

[32] A. BORMS, Bijdrage tot de geschiedenis van het Antwerpsch aktivisme, in: Voor 1830-na. Een bundel opstellen en gedichten met 13 platen, Santpoort, 1930, p. 98.

[33] -J. VINKS, o.c., p. 62.

 -A. BORMS, o.c., p. 95.

[34] L. WILS, Flamenpolitik en aktivisme:Vlaanderen tegenover België in de Eerste Wereldoorlog, (Davidsfonds. Keurreeks 126), Leuven, 1974, p. 95.

[35] Frontbeweging , in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[36] A.W. WILLEMSEN, o.c., p. 8-9.

[37] L. VANDEWEYER, Collaboreren en arbeiders deporteren! Dilemma’s voor activisten en Duitsers tijdens de Eerste wereldoorlog?, in: Brood en Rozen. Tijdschrift voor de Geschiedenis van Sociale Bewegingen, 1(1996), p. 15.

[38] Antwerpen Boven, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[39] M. BRANTS, o.c., p. 176.

[40] L. WILS, Flamenpolitik en aktivisme…, p. 99.

[41] D. VANACKER, Het aktivistisch avontuur, Gent, 1991, p. 62.

[42] Borms, August, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[43] A. BAEYENS, Het Vlaamsche Nieuws: weerspiegeling van het Antwerps aktivisme?, in: De Vlaamse beweging tijdens de eerste wereldoorlog, Leuven, 1974, p. 6.

[44] D. VANACKER, o.c., p. 62.

[45]-A. VRINTS, o.c. , p. 70.

 -A. BAEYENS, Het Vlaamsche Nieuws…, p. 8.

[46] Antwerpen-stad, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[47] Jong-Vlaanderen, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[48] A.W. WILLEMSEN, o.c., p. 4-5.

[49] L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging-II. Geschiedenis van het Davidsfonds 1914-1936, Deel II, Leuven, 1985, p. 24.

[50]-J. VINKS, o.c., p. 89-92.

 -A. VRINTS, o.c., p. 61-62 en 65.

[51] A. Borms(1878-1946), televisieprogramma: Boulevard, Brussel, BRTN- Belgische Radio en Televisie Nederlands, 16 oktober 1996, 30min.

[52]J. VERHAEGHE, Documenten over Belgen die tijdens de eerste wereldoorlog in Duitsland gevangen waren of in neutrale landen geïnterneerd, in; Belgisch tijdschrift voor militaire geschiedenis, december 1982, p. 745.

[53] J.VINKS, o.c., p. 88.

[54] Antwerpen Boven. Orgaan der Groeningerwachten van Antwerpen en omstreken, juli-nummer 1915.

[55] J. VINKS, o.c., p. 97.

[56] Het Vlaamsche Nieuws, 26 mei 1916.

[57] L. J. MICHIELSEN en L. VAN SOOM, Merksem tussen Nu en Toen, (Merksemse Kring voor Heemkunde) Merksem, 1984, p. 203, 212, 233, 292, 361, 384, 394, 407 en 427.

[58] Antwerpen Boven. Orgaan der Groeningerwachten van Antwerpen en omstreken, december 1915.

[59] Het Vlaamsche Nieuws, 26 mei 1916.

[60] Merksem, Verslagboek komiteit, 21 november 1915.

[61] Merksem, Verslagboek komiteit, 1 december 1915.

[62] - Merksem, Verslagboek komiteit, 4 januari 1916.

 -Merksem, Heemkundige Kring, Groeninghe, Brieven Lode Van Damme aan Vriendenkring, 16 november

 1916 en 29 september 1916.

[63] Antwerpen Boven. Orgaan der Groeningerwachten van Antwerpen en omstreken, december 1915.

[64] -Het Vlaamsche Nieuws, 26 mei 1916.

 - AMVC, R777/H, Gedenkschriften Cyriel Rousseeu, deel IV, p. 255.

[65] Merksem, Verslagboek komiteit, 31 oktober 1916 en 30 januari 1916.

[66] Merksem, Verslagboek komiteit, 27 januari 1916.

[67] Het Vlaamsche Nieuws, 26 mei 1916.

[68] Merksem, Verslagboek komiteit, 27 januari 1916.

[69] Merksem, Verslagboek komiteit, 4 januari 1916.

[70] -Merksem, Verslagboek komiteit, 23 december 1915.

 - AMVC, R777/H, Gedenkschriften Cyriel Rousseeu, deel IV, p. 255.

[71]- Merksem, Verslagboek komiteit, 4 januari 1916.

 - Lijst der hulp- en voedingsinrichtingen en der oorlogswerken van Antwerpen: zetel, doel en samenstelling der komiteiten. Répertoire des organismes de secours et de ravitaillement et des oeuvres de la guerre d'Anvers: siège, but et composition des comités, Antwerpen, s.d., p. 50.

[72]- Merksem, Verslagboek komiteit, 20 januari 1916 en 20 september 1916.

 -K. COOL, Het leven van de Vlaamse krijgsgevangenen in Duitsland in de Eerste Wereldoorlog, (Algemeen rijksarchief. Studies over de Eerste Wereldoorlog 8. Archives générales du royaume. Etudes sur la Première Guerre mondiale 8), Brussel, 2002 , p. 52.

[73] Merksem, Verslagboek komiteit, 23 maart 1916.

[74] K. COOL, o.c., p. 49.

[75] Merksem, Verslagboek komiteit, Uittreksel uit het jaarverslag 1915-16.

[76] Merksem, Verslagboek komiteit, 27 januari 1916.

[77] Merksem, Verslagboek komiteit, 6 april 1916 en 20 april 1916 .

[78] -Merksem, Verslagboek komiteit, 20 januari 1916.

 -K. COOL, o.c., p. 49.

[79] Merksem, Verslagboek komiteit, 22 juni 1916.

[80] Merksem, Verslagboek komiteit, 10 mei 1916.

[81] A. BAEYENS, Bijdragen tot de studie van het Vlaams activisme…, p. 123.

[82] Merksem, Verslagboek komiteit, 24 februari 1916.

[83] K. COOL, o.c., p. 53.

[84] Merksem, Verslagboek komiteit, 23 maart 1916.

[85] Merksem, Verslagboek komiteit, 13 juli 1916.

[86] Merksem, Verslagboek komiteit, 26 november 1916.

[87] Merksem, Verslagboek komiteit, Brief aan August Borms, 29 september 1916.

[88] Merksem, Verslagboek komiteit, 17 augustus 1917.

[89] A.VRINTS, o.c., 255.

[90] A. BAEYENS, Bijdragen tot de studie van het Vlaams activisme…, p. 46.

[91] Tijdschrift voor Ekonomische en Sociale Vraagstukken, 1(1918), nr. 2, p. 1.

[92]A. BAEYENS, Bijdragen tot de studie van het Vlaams activisme. .., p. 160.

[93]Waternaux stond ook aan het hoofd van het Antwerps propagandabureau. De hoofdzetel van dit bureel, het Centrale Vlaamsch Propagandabureau, was te Brussel gevestigd en werd gesteund door de bezetter. Borms was er, als gevolmachtigde van Nationaal Verweer, kind aan huis om inlichtingen in te winnen betreffende mede –en tegenstanders van de Vlaamse zaak. Het werd door Borms beschouwd als de voorloper van de geheime politie die hij hoopte op te richten. De lokalen van de Antwerpse afdeling waren net als het VES gevestigd in het gebouw aan de Prinsesstraat.

-A.L. FAIGNAERT, Verraad of zelfverdediging. Bijdragen tot de geschiedenis van den strijd voor de zelfstandigheid van Vlaanderen tijdens den oorlog van 1914-18, Kapellen, 1932, p. 687.

[94] D. VANACKER, o.c., p. 326.

[95] A. VRINTS, o.c., p. 217.

[96] M. BRANTS, o.c., p. 37.

[97] A. VRINTS, o.c., p. 217.

[98] IDEM, p. 218.

[99] L. VANDEWEYER, Collaboreren en arbeiders deporteren!... , p. 16 .

[100] K. COOL, o.c., p. 125.

[101] A. VRINTS, o.c., p. 41.

[102] K. COOL, o.c., p. 146.

[103] IDEM., p. 94.

[104] IDEM, p. 93.

[105] L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging-II. ..p. 183.

[106] Raad van Vlaanderen, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[107] Het Vlaamsche Nieuws, 21 januari 1917

[108] Huldebetoon aan Dr. Aug. Borms, ingericht door de Groeningerwacht-Merksem, 21 januari 1917, Merksem, 1917, 2de druk, p. 30.

[109] A.L. FAIGNAERT, o.c., p. 510.

[110]Huldebetoon aan Dr. Aug. Borms,… p. 25-26.

[111] IDEM, p. 36.

[112] A.L. FAIGNAERT, o.c., p. 512.

[113] IDEM, bijlage I.

[114] L. VANDEWEYER, De politieke rol van August Borms tussen 1918 en 1933, in; Verschaeviana, jaarboek 1986, p. 97.

[115] Raad van Vlaanderen, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[116] L. WILS, Flamenpolitik en aktivisme:…, p. 195.

[117]Op dat moment was Van Cauwelaert één van de belangrijkste vertegenwoordigers van het actief passivisme, de benaming van flaminganten die niet samenwerkten met de Duitsers. Van Cauwelaert veroordeelde wel het activisme, maar schreef de gematigde activisten niet af. Hierin verschilde hij van de godsvrede-flaminganten met boegbeeld studentenleider Leo Van Puyvelde. Volgens oud-studentenleider van Puyvelde stond België nog steeds voorop en was er geen zekerheid dat de gematigden of actieve passivisten na de oorlog niet met de activisten zouden samenwerken.

B. DE WEVER, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe orde. Het VNV 1933-1945, Tielt, 1994, p. 31.

[118] Borms, August in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[119] L. VANDEWEYER, Collaboreren en arbeiders deporteren!... , p. 18.

[120] A.W WILLEMSEN, o.c., p. 25.

[121] L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging-II. …, p. 26.

[122] B. DE WEVER, Greep naar de macht. …, p. 22.

[123] A. VRINTS, o.c., p. 99.

[124] L. VANDEWEYER, De politieke rol van August Borms … , p. 97.

[125] H.J. ELIAS, De Eerste Wereldoorlog en zijn onmiddellijke nasleep, augustus 1914 - november 1919, Antwerpen, 1971, p. 87 en 90.

[126] A.W. WILLEMSEN, o.c., p. 27.

[127] J. VINKS, o.c., p. 116.

[128] K. COOL, o.c., p. 170.

[129] L. VANDEWEYER, Collaboreren en arbeiders deporteren!... , p. 21.

[130] A.W. WILLEMSEN, o.c., p. 41.

[131] L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging-II. …, p. 48.

[132] Mercier, Désiré J., in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[133] L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging-II…, p.84.

[134] Groeningerwacht, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[135] -A.W. WILLEMSEN, o.c., p. 75.

 -Brande, Albert van den, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[136] Rousseeu Cyriel, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[137] Borms, August, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[138] Hainaut, Jan, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[139] Borms, August, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[140] B. RZOSKA, o.c., p.44.

[141]Deze commissie was de opvolger geweest van het uitvoerend orgaan van de Raad van Vlaanderen, de Commissie van Gevolmachtigden, en kon eigenlijk beschouwd worden als het verlengstuk van het Duitse bestuur in Vlaanderen. In die raad was Borms bevoegd voor Nationaal Verweer, niet meer dan een ploeg vechters die de kleine activistische groep moest beschermen tegen de groeiende en openlijk betoonde volkswoede.

 -AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan J. De Decker, 8 november 1918.

 -Commissie der Zaakgelastigden, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[142] A. BORMS, Tien jaar in den Belgischen kerker, Borgerhout, 1930, p. 27.

[143] IDEM, p. 40-41.

[144] B. RZOSKA, o.c., p. 44.

[145] D. VANACKER, o.c., p. 361.

[146] L. VANDEWEYER, De politieke rol van August Borms …, p. 84.

[147] J. VINKS, o.c., p. 136.

[148] Schiltz, Emiel J., in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[149] J. VINKS, o.c., p. 142.

[150] B. RZOSKA, o.c., p. 44.

[151] AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan zijn broer, 24 augustus 1919.

[152] B. RZOSKA, o.c., p. 44.

[153] -August Borms voor het gerecht, Brussel, 1920, p. 24.

 -AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan A. Mortelmans, 21 oktober 1920.

[154]August Borms voor het gerecht, …, p. 178 en 179.

[155] B. RZOSKA, o.c., p. 44.

[156] L. VANDEWEYER, De politieke rol van August Borms … , p. 83.

[157] H. CONSCIENCE, De kerels van Vlaanderen, Antwerpen, 1880.

[158] J. VINKS, o.c., p. 162.

[159] AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan C. Rousseeu, 4 maart 1920.

[160] J. VINKS, o.c., p. 169.

[161] A. BORMS, o.c., p. 105.

[162] AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan E. De Bom, 8 augustus 1925.

[163]Deze vereniging was opgericht vlak na de oorlog, ter ondersteuning van ‘door de repressie getroffen’ activisten. De vereniging trok zich het zware gevangenisregime van alle Vlaamsgezinden zeer sterk aan. Zeker na het overlijden van de Vlamingen Dumortier, Jan Hainaut, Mertens, Verbraeken, Plentinx en Marten Rudelsheim in de gevangenis, drong het fonds aan op een meer gematigd celbeleid

- J. VINKS, o.c., p. 169.

- AMVC, M282, Archief Martelaarsfonds, Brief Martelaarsfonds aan J. Goossenaerts,, 17 september 1920.

-Martelaarsfonds,in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[164] AMVC, B745, Archief August Borms, Brief van Borms aan A. Mortelmans, 21 oktober 1920.

[165] AMVC, B745, Archief August Borms, Brief Borms aan Martelaarsfonds, s.d.

[166] M. BRANTS, o.c., p. 188.

[167] AMVC, R777/H, Gedenkschriften Cyriel Rousseeu, deel XI, p. 874-875.

[168] M. BRANTS, o.c., p. 188.

[169] AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan Mevr. en M. Gillis, 8 maart 1922.

[170] AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan Mevr. en M. Gillis, s.d.

[171] D. VANACKER, o.c., p. 361.

[172] B. RZOSKA, o.c., p. 48-49.

[173] A.W. WILLEMSEN, o.c., p. 89.

[174] Rousseeu, Cyriel, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[175] AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan C. Rousseeu, 3 maart 1921.

[176] M. BRANTS, o.c., p. 188.

[177] J. VINKS, o.c., p.171.

[178] L. VANDEWEYER, De politieke rol van August Borms , p. 84.

[179] Merksem, Verslagboek Steunfonds, Brief Steunfonds aan Mevr. Borms, 15 september 1920.

[180] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 15 september 1920.

[181] De Voorpost, 26 februari 1928.

[182] W. VANDENABEELE, Een linkse klok voor Vlaanderen. Jef Van Extergem (1898-1945), in: BOEVA, L., e.a. Jef Van Extergem: medestanders en tegenstanders?, (Instituut voor Marxistische Vorming), Brussel, 1998, p. 14.

[183] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 22 september 1920 en Brief Steunfonds aan August Borms, 14 november 1920.

[184] Merksem, Verslagboek Steunfonds, jaarverslag op 31 december 1922.

[185] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 2 februari 1921.

[186] L. VAN SOOM, Merksem in 1000 zichten en gezichten, (Merksemse Koninklijke kring voor Heemkunde), Merksem, 1989, p. 314.

[187]L. J. MICHIELSEN en L. VAN SOOM, Zo was Merksem, (Merksemse Kring voor Heemkunde), Merksem, 1983, p. 64-68.

[188]L. VAN SOOM, Merksem in 1000 zichten en gezichten…, p. 7.

[189]-L. J. MICHIELSEN en L. VAN SOOM, Zo was Merksem, (Merksemse Kring voor Heemkunde), Merksem, 1983, p. 71.

 -L. VAN SOOM, Merksem in 1000 zichten en gezichten…, p. 22.

[190] Broeck, Hugo A.R. van den, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[191] A. VRINTS, o.c., p. 213.

[192] Interview met Gust Van Damme door Hans Vandenhouten, 22 november 2003.

[193]Gazet van Antwerpen, 13 maart 1919.

[194] A. VRINTS, o.c., p. 361.

[195] Merksem, Privé-archief Lode Van Damme, persoonlijke briefwisseling, Brief L. Van Damme aan het bestuur van ‘Recht voor Allen’ , 4 augustus 1920.

[196] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 15 september 1920.

[197] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 13 oktober 1920.

[198] Merksem, Verslagboek Steunfonds, Brief Steunfonds, 27 september 1920.

[199] -Merksem, Verslagboek Steunfonds, 6 oktober 1920.

 -Merksem, Blauwe kaft Bormsfonds Schimpen, inschrijfboekje van Jozef Vercalsteren.

[200] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 27 september 1927.

[201] Brieven werden gezonden naar; Studiekring ‘Storm’, Vlaanderen’s zonen, Katholieke Jonge Wacht ‘Onze Haard’, Syndikaat van Handel en Nijverheid, Patronaat St. Joannes Berchmans, Patronaat St. Jozef, Kruisverbond, Hoop der Toekomst, Vlaamsche Meisjesbond, Vrouwengile St. Fransciscus en St. Bartholomeus, Van Maerlant, Het Vlaamsche Front, Werkmanskring ‘Vrede Merksem’, Liederavonden voor het Volk, Davidsfonds, Boerenbond en Katholieke Vereniging bij M. Meganck.

- Merksem, Verslagboek Steunfonds, Brief Steunfonds aan het bestuur van een Merksemse vereniging, 20 september 1920.

[202] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 20 oktober 1920.

[203] Merksem, Verslagboek Steunfonds, Brief Steunfonds aan A. Borms, 14 november 1920.

[204] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 1 december 1920.

[205] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 3 mei 1925.

[206] Zie tabel 2. Stortingen aan Mevrouw Borms door Steunfonds der Familie Borms (1920-1927) op p. 38(supra).

[207] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 3 november 1920.

[208] L. J. MICHIELSEN en L. VAN SOOM, Merksem tussen Nu en Toen, (Merksemse Kring voor Heemkunde), Merksem, 1984, tweede druk, p. 217.

[209] AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan A. Mortelmans, 21 oktober 1920.

[210] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 5 januari 1921.

[211] De Ploeg, 3 maart 1924.

[212] Merksem, Verslagboek Steunfonds. 2 februari 1921.

[213] Merksem, Steunfonds der Familie Borms, Afrekening op 31 december 1927.

[214] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 15 september 1920.

[215] Guldensporenslag, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[216] Merksem, Verslagboek Steunfonds. 27 juni 1921.

[217] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 3 augustus 1921.

[218] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 28 juni 1922.

[219] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 4 september 1923.

[220] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 24 november 1920.

[221] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 22 december 1920.

[222] Amnestie - na Wereldoorlog I, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[223] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 16 maart 1921.

[224] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 18 mei 1921.

[225] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 27 juni 1921

[226] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 3 augustus 1921.

[227] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 21 september 1921.

[228] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 5 oktober 1921.

[229] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 26 oktober 1921.

[230] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 9 november 1921.

[231] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 14 december 1921.

[232] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 18 januari 1922.

[233] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 8 februari 1922.

[234] Merksem, Privé-archief Het Martelaarsfonds, Knipsels, Aan de Ijveraars en Ijveraarsters van het Martelaarsfonds, zonder datum.

[235] De samenwerking van het Martelaarsfonds en het Steunfonds met de krant De Schelde kan best als merkwaardig beschouwd worden. Het Antwerpse dagblad schaarde zich in 1919 volledig achter de Belgische eisen aangaande Duitse herstelbetalingen en voor een betere Rijnverbinding. In een artikel van 25 januari 1919 naar aanleiding van een proces tegen een activist werd Borms nog tot de schoften gerekend die zware misdaden op hun kerfstok hadden. Een maand later heette Borms één van de zuiverste idealisten, die alles voor hun ideaal veil hebben. Maar toen Pol de Mont hoofdredacteur geworden was, dreef ook De Schelde mee op de golven van de Vlaams-nationalistische stroom. De ommekeer was een gevolg geweest van de haatcampagne door de franskiljons tegen alles wat Vlaams heette en de discriminatie van de Vlaamse tegenover de Waalse collaborateurs. Unaniem wezen de Vlaamsgezinde bladen op de onrechtvaardigheid van de straffen, die in geen verhouding stonden tot de gepleegde misdrijven. Die ommekeer bracht het Bormsfonds drie jaar later een medium op dat hen de kans gaf hun werking te promoten en het nodige geld binnen te halen

-A.W. WILLEMSEN, o.c., p. 119.

[236] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 22 februari 1922.

[237] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 28 juni 1922.

[238] Merksem, Verslagboek Steunfonds. 6 september 1922.

[239] W. DE MEULDER, 't Vlaams huis van Merksem: tussen twee wereldoorlogen, Merksem, 1992, p. 15.

[240]Deze vereniging van katholieken was opgericht in 1920 met een drieledig doel. Zalen verhuren en inrichten, eigendommen als feestmateriaal e.a. aanbieden en de aankoop en verkoop van winkelwaar. In het bestuur zetelden de voorname personen van de gemeente Merksem met Jozef Nolf, tevens Merksems katholiek burgemeester, als voorzitter.

- L.J., VAN DE VLOED, Merksem in foto's, 1875 – 1925, (Koninklijke Merksemse Kring voor Heemkunde), Merksem, 2001, p. 254.

[241] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 27 september 1922.

[242] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 27 september 1922.

[243] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 22 november 1922.

[244] Als doctor in de letteren had De Beuckelaere binnen de studentenbeweging de nodige bekendheid genoten en was tijdens de oorlog uitgegroeid tot de leider, de ‘ruwaard’, in de organisatie van de frontbeweging. Na de oorlog werd hij vrijgesproken in een controversieel proces dat qua ideologie lijnrecht stond tegenover dat van Borms. Niemand van de getuigen die iets wist over de interne keuken van de Frontbeweging praatte zijn mond voorbij en ook Debeuckelaere bleef zijn samenwerking met de Duitsers en het aanzetten tot desertie van Belgische soldaten ontkennen. Volgens A.W. Willemsen had het gerecht in de verkeerde richting gezocht, door te speuren of Debeuckelaere geen geld had ontvangen van de Duitsers. Niets kon worden bewezen en hierdoor werd hij van alle schuld vrijgepleit. In de jaren ’20 bekleedde Debeuckelaere een parlementair mandaat voor Het Vlaamsche Front.

-De Beuckelaere, Adiel, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

-Merksem, Verslagboek Steunfonds, 6 december 1922.

[245] Merksem, Verslagboek Steunfonds, jaarverslag op 31 december 1922.

[246] De Ploeg, 10 februari 1923.

[247] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 20 februari 1923.

[248] De Ploeg, 10 maart 1923.

[249] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 21 november 1923.

[250] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 8 januari 1924.

[251] Jacob, Antoon, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[252] L. VANDEWEYER, De politieke rol van August Borms …, p. 86.

[253] B. RZOSKA, o.c., p. 50.

[254] L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging-II. Geschiedenis van het Davidsfonds 1914-1936, Deel II, Leuven, 1985, p. 171-172.

[255] L. VANDEWEYER, De politieke rol van August Borms …,, p. 93.

[256] B. RZOSKA, o.c., p. 52.

[257]-Amnestie - na Wereldoorlog I, in; NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

 -Bormswacht, 3 maart 1925.

[258] Bormswacht, 1 maart 1925.

[259]A. BORMS, Borms- en amnestie-aktie van het Dr. Jacob-comité, (Uitgave van het Dr. Jacob-comité Antwerpen 1), Antwerpen, 1924.

[260] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 21 november 1923.

[261] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 29 juli 1924.

[262] Merksem, Verslagboek Steunfonds. 13 mei 1924.

[263] Merksem, Merksems Steunfonds der Familie Borms, Brief aan Eminentie Mercier, 16 mei 1924.

[264] In de NEVB lezen we bij het artikel over het Scharpé-fonds van de hand van Frans van der Elst en Nico Wouters dat er een verband is tussen het Bormsfonds en het Studiefonds voor de kinderen van getroffen Vlamingen. Het ging echter om twee zelfstandige solidariteitsorganisaties van een verscheidene periode die elk apart steun gaven aan het gezin Borms.

- Scharpé- fonds, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[265] Scharpé- fonds, in: NEVB, CD-ROM, Tielt, 1998.

[266] Hij maakte in die periode deel uit van het comité voor amnestie samen met ondermeer Emiel Vliebergh, Frans Daels, advocaat Edmond Van Dieren, Hilaire Allaeys en Alfons Van de Perre.

-I. VAN DE LEEST, Lodewijk Scharpé (1869-1935), professor in de Germaanse filologie te Leuven, 1989, (Katholieke Universiteit Leuven. Faculteit van de Letteren en Wijsbegeerte. Departement Geschiedenis, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling), p. 205.

[267] J. VINKS, o.c., p. 175.

[268] Volgens De Standaard breidde in 1924 het Kinderen-Bormsfonds zich uit tot Studiefonds voor de kinderen van getroffen Vlamingen. Het was Borms zelf die in een brief aan Scharpé had aangedrongen om ook de kinderen van andere strijdgenoten ter hulp te komen. Hierop werd door het studiefonds besloten de werking te organiseren over gans Vlaanderen en toenadering te zoeken tot het Martelaarsfonds en enkele meisjesbonden. . Er waren vijf afdelingen van dit fonds ten behoeve van kinderen: Oost-Vlaanderen (Notaris Persyn), Antwerpen (H.J. De Vleeschauwer), Brabant (Berten Pil), Limburg (R. Borgignon) en West-Vlaanderen (X). Naast studentenleider Albert Catry, Adiel Debeuckelaere werd ook Mevrouw Gillis, voorzitster van het Martelaarsfonds, opgenomen in de Raad van Advies. Tussen 1926 en het einde van Borms’ gevangenisleven bleef er sprake van een uitgebreide briefcorrespondentie tussen Borms en Lodewijk Scharpé over de steun aan zijn kinderen.

-L. VAN DE LEEST, o.c., p. 206.

-L. VOS, Bloei en ondergang van het AKVS: geschiedenis van de Katholieke Vlaamse Studentenbeweging,

1914-1935 , deel II,Leuven, 1982, p. 21-22.

- De Standaard, 24 oktober 1935.

-AMVC, B745, Archief August Borms, Brief A. Borms aan Lodewijk Scharpé, 11 november 1926, 12 december 1926, 14 april 1927, 24 september 1928 en 25 oktober 1928.

[269] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 29 juli 1924.

[270] Merksem, Verslagboek Steunfonds. 22 februari 1925.

[271] Ons Leven, 12 januari 1924.

[272] L. J. MICHIELSEN en L. VAN SOOM, Merksem tussen Nu en Toen, (Merksemse Kring voor Heemkunde) Merksem, 1984, tweede druk, p. 126.

[273] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 12 september 1924.

[274] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 28 september 1924.

[275] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 6 oktober 1924.

[276] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 19 oktober 1924.

[277] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 5 juli 1925.

[278] -Merksem, Verslagboek Steunfonds, 9 augustus 1925, 11 juli 1926 en 6 augustus 1926.

[279] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 1 oktober 1926.

[280] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 1 oktober 1926.

[281] Ondermeer volgende artikels in De Schelde, 20 september 1926, 28 september 1926 en 22 november 1927.

[282] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 6 februari 1927.

[283] Merksem, Verslagboek Steunfonds, 21 oktober 1926.

[284] Merksem, Verslagboek Steunfonds. 5 december 1926 en Brief aan Hooggeachte Heer, 15 december 1926..

[285] Merksem, Verslagboek Steunfonds. 9 januari 1927.

[286] Merksem, Verslagboek Steunfonds. 9 januari 1927.

[287] Merksem, Verslagboek Steunfonds. 8 januari 1928.