De invloed van belangengroepen op de beleidsvorming. Onderzoek naar de rol van de Boerenbond tijdens het overleg rond de financiering van de BSE-testen. (Ria Binst)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

 

“Eén van de belangrijkste taken van de Boerenbond is de belangenverdediging van boeren en tuinders op zowel gemeentelijk, regionaal, provinciaal, Vlaams, als federaal, Europees en zelfs wereldvlak. Dat gebeurt door studiewerk, advies aan de beleidsverantwoordelijken, politieke vertegenwoordiging, deelname aan overlegorganen en acties.”[1]

 

Met deze zinsnede hopen we de lezer warm te maken voor het onderwerp van deze eindverhandeling. De focus ligt namelijk op de initiële vraag of belangengroepen al dan niet invloed hebben op de beleidsvorming. Specifiek betreft het de belangenverdediging door een grote en oude organisatie, namelijk de Boerenbond.

     Het is een algemeen verschijnsel dat velen zich niet van de indruk kunnen ontdoen dat de invloed van deze organisatie aanzienlijk is, en dan voornamelijk op politiek vlak. De verhalen hieromtrent zijn talrijk, maar hoe zit het nu in de werkelijkheid? Heeft de Boerenbond werkelijk zoveel invloed en macht of zijn het enkel verzinsels? Hebben ze eerder een directe dan indirecte impact op het beleidsproces? Ondanks dat velen overtuigd zijn van de invloed van de Boerenbond, is er nog maar weinig concreet onderzoek naar gebeurd. Toch is er onlangs onderzoek verricht naar de macht van de Boerenbond. Maar hier lag de nadruk voornamelijk op de vraag via welke wegen deze belangengroep invloed kan uitoefenen op het gevoerde beleid.[2] Wij willen echter nagaan of de Boerenbond werkelijk invloed kan uitoefenen op de beleidsvorming.

     Door net gebruik te maken van deze organisatie willen we dus nagaan in welke mate een belangengroep invloed kan uitoefenen op het beleid. De focus zal dus liggen op de manier waarop deze bond haar doelstellingen probeert te verwezenlijken en zo tracht tegemoet te komen aan de noden en verzuchtingen van haar leden. Hierbij maken we gebruik van het federale dossier betreffende de financiering van de BSE-testen[3]. Aan de hand van dit dossier willen we nagaan of de Boerenbond al dan niet invloed heeft kunnen uitoefenen op het uiteindelijk bereikte akkoord. Of ze erin geslaagd is datgene te bereiken wat ze wilde bereiken voor haar achterban? Wat nu precies hun impact is geweest tijdens het overleg? We herbekijken dus het proces waarbij bepaald werd wie verantwoordelijkheid ging dragen voor de financiering van de BSE-testen. Wat is de rol van de Boerenbond hierbij geweest? Welke doelstellingen hebben ze tijdens het overleg kunnen realiseren? De BSE-crisis is al het voorwerp geweest van een onderzoek, maar hierbij werd deze crisis gebruikt om enkele sociologische reflecties op wetenschappelijke kennis toe te lichten.[4] Het is nu wel duidelijk dat wij een heel andere richting inslaan.

     Vanuit het theoretische kader proberen we de Boerenbond te plaatsen binnen een bepaald beleidsnetwerk. Bij het tot stand komen van het beleid zijn er namelijk verschillende actoren betrokken. Net deze diversiteit zorgt er voor dat de onderhandelingen vaak moeizaam verlopen. Het beleid is een multi-actor gebeuren en deze verschillende actoren moeten tot een overeenkomst komen, wil er zich een geslaagd beleid kunnen ontwikkelen. Toch is er in België sprake van een aloude samenwerking tussen de overheid en de georganiseerde landbouw. Daardoor zijn ze in staat om in een beperkte kring hun problemen op te lossen, zonder te veel buitenstaanders te moeten toelaten. Net in dit onderzoek willen we onderzoeken wie er aanwezig is tijdens zo een overleg. Welke groepen spelen naast de overheid en de Boerenbond een significante rol bij het totstandkomen van het landbouwbeleid? En hebben deze andere organisaties eveneens invloed op het beleid? Dergelijke vragen krijgen hopelijk op het einde van deze verhandeling een passend antwoord.

     We gaan nu kort overlopen hoe we ons werk hebben opgevat. In de drie eerste hoofdstukken wordt er aandacht besteed aan een aantal concepten en begrippen, die de hoofdbrok zullen vormen van dit eindwerk.

     Ten eerste gaan we het hebben over het tot stand komen van beleid. Daarom dat we ook de term ‘beleid’ onder de loep gaan nemen vanuit verschillende wetenschappelijke perspectieven. Daarna komen de verschillende deelprocessen van een beleidscyclus aan bod. De twee eerste fasen van het beleidsproces, in het bijzonder de agendavorming en de beleidsvorming worden dan verder uitgewerkt, omdat deze fasen van groot belang zijn voor de verdere afhandeling van deze thesis. In het tweede hoofdstuk komen dan de belangengroepen aan bod. Hierin worden er een aantal definities gegeven, met extra aandacht voor het onderscheid tussen belangengroepen en pressiegroepen. Dan maken we gebruik van de indeling van van Mil en van Mierlo, om pressiegroepen in rubrieken onder te brengen. Vervolgens komen nog de functies aan de beurt. Tevens lichten we de begrippen ‘invloed’ en ‘invloedsuitoefening’ toe, net omwille van het belang voor deze eindverhandeling. Ten slotte laten we nog een aantal aspecten aan bod komen, waaronder de objecten en de middelen van pressiegroepen. Tot slot willen we onze opvattingen kaderen in een wetenschappelijke theorie. Daarom bespreken we in het derde hoofdstuk de bestuurskundige theorie van de beleidsnetwerken. Eerst wordt dit begrip omschreven. Vervolgens worden de verschillende componenten in de definitie nader bekeken. Daarna wordt er nog aandacht besteed aan de literatuurstudie. Tevens geven we nog een overzicht van een aantal netwerktypes. Nadien geven we een korte schets van de Boerenbond binnen een bepaald beleidsnetwerk.

     In het volgende hoofdstuk laten we de onderzoeksopzet aan bod komen. Hierin geven we een overzicht van de onderzoeksvragen welke we op het einde van deze verhandeling willen beantwoord zien. Bovendien geven we nog een schets weer van de onderzoeksmethoden die we hebben gehanteerd tijdens het onderzoek. Nadien evalueren we kort deze gebruikte methoden en technieken.

     Hoofdstuk vijf is een bespreking van de belangrijkste actoren van de BSE-crisis. Dus stellen we in dit deel de belangrijkste actoren kort voor. Bovendien hebben we ruime aandacht voor het onderzoeksobject zelf, namelijk de belangengroep de Boerenbond. We leggen kort uit hoe deze organisatie is ontstaan, wat haar huidige structuur is en in welke organen van de overheid ze aanwezig is.

     Het volgende hoofdstuk is de bespreking van de case. We geven een chronologisch overzicht van het overleg in verband met de BSE-crisis en verwerken hierin onze verzamelde gegevens, via interviews en documenten. Hierbij doen we tevens al een analyse van de verwerkte gegevens.

     En besluiten doen we met een algemeen besluit, waarin we een antwoord formuleren op de hoofdvraag. Heeft de Boerenbond invloed gehad bij het tot stand komen van het beleid met betrekking tot de BSE-crisis? Is er een beleidsnetwerk waarbinnen de Boerenbond opereert als hoofdactor?

 

 

1. Beleid

 

Het begrip ‘beleid’ is niet meer weg te denken uit onze hedendaagse samenleving, zowel in de politiek als in het bedrijfsleven, alsook in het openbaar bestuur. Maar toch is het niet steeds duidelijk wat er nu precies mee bedoeld wordt. Het is geen eenduidig waarneembaar verschijnsel. Om een beetje een idee te geven van die veelzijdigheid, zullen we een aantal wetenschappelijke definities nader bekijken.

     Thomas Dye stelt beleid gelijk aan de activiteiten van de overheden door de volgende omschrijving: “Anything a government chooses to do or not to do”.[5]

Andere definities omschrijven beleid als een proces waarin abstracte ideeën via keuzes of beslissingen worden omgezet in meer concrete handelingen. Becker omschrijft beleid als een ‘georganiseerde sociale beheersing’, daar waar Dunn spreekt van beleid als een lange serie van meer of minder verbonden keuzen, waaronder besluiten om niet te handelen, gemaakt door overheidsinstanties of -functionarissen. In deze definities is er meer sprake van een proces waarin gaandeweg keuzen en beslissingen worden gemaakt om zo een wenselijkere situatie te verkrijgen.[6]

     Onze voorkeur gaat echter uit naar de definities van de volgende drie wetenschappers, juist omdat ze aandacht besteden aan het doelgerichte en planmatige karakter van het beleid. Deze deskundigen leggen de nadruk op het proces van het bedenken en uitvoeren van een reeks van handelingen en op een beleid als plan. Voorbeelden hiervan zijn de definities van de bestuurskundigen Kuypers, Hoogerwerf en van Hoppe en van de Graaf. De eerste stelt dat beleid ‘een systeem van gekozen elementen is, waarvan elk zich tot een of meer anderen verhoudt als een doel tot een middel of als een middel tot een doel’.[7] Volgens van de Graaf en Hoppe kan beleid beschouwd worden als een politiek bekrachtigd plan. Een manier om bepaalde doeleinden te realiseren, een mogelijkheid om bepaalde problemen te voorkomen of te bestrijden.[8] Hoogerwerf ten slotte omschrijft beleid als ‘het streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen en bepaalde tijdskeuzen’.[9]

 

 

1.1. De beleidscyclus en de deelprocessen

 

Hoogerwerf ziet beleid eveneens als de resultante van allerlei maatschappelijke krachten en het beleid brengt zelf ook weer andere maatschappelijke krachten op gang. Tot de maatschappelijke krachtsverhoudingen behoren meer blijvende en gestabiliseerde verhoudingen of structuren en meer tijdelijke verhoudingen of processen. Het beleidsproces is dan het dynamische verloop van handelingen en interacties met betrekking tot een beleid. Eenvoudigweg gesteld handelt het over het verloop van gebeurtenissen rond het beleid, het is als het ware de levensgeschiedenis van het beleid.[10]

     Ook van de Graaf en Hoppe omschrijven het beleidsproces als een verzameling van deel- of aspectprocessen die de bedoeling hebben een bepaald deel van de werkelijkheid naar de hand van de beleidsmakers te zetten.[11]

     Er zijn vier belangrijke kenmerken van een beleidsproces. Een proces kenmerkt zich in de eerste plaats door dynamiek, door beweging. Er is sprake van een reeks van onderling samenhangende onderhandelingen. Een tweede kenmerk is de wederzijdse beïnvloeding tussen de factoren die tot het proces behoren. In een sociaal proces, zoals een beleidsproces, is er niet alleen een wisselwerking tussen factoren, zoals macht en informatie, maar is er ook een samenhang tussen actoren, dat wil zeggen handelende personen en groeperingen. Deze actoren kunnen onder meer ministers, ambtenaren, kamerleden en woordvoerders van belangengroepen zijn. Maar het kunnen ook groeperingen of organisaties zijn, zoals departementen, politieke partijen, adviesorganen, belangengroepen, en communicatiemedia. Er is dus meestal sprake van een multi-actor proces, net omdat er doorgaans meerdere actoren een rol spelen tijdens het beleidsproces. Maar hier komen we nog uitgebreid op terug in het deel over de beleidsnetwerken. Verder heeft een proces als derde kenmerk dat er een verloop of een opeenvolging van gebeurtenissen is. En ten slotte, een laatste kenmerk van een proces heeft betrekking op het herkenbaar verloop van de opeenvolging van gebeurtenissen. Er is dus ook sprake van enige stabiliteit.[12]

     We kunnen dan ook spreken van deelprocessen, fasen of stadia in een proces. Belangrijke deelprocessen van het beleidsproces zijn de agendavorming, de beleidsvoorbereiding, de beleidsbepaling, het uitvoeren, het evalueren, het bijsturen en het beëindigen van een beleid. Maar wat willen elk van deze deelprocessen nu werkelijk zeggen, voor wat staan ze precies in de werkelijkheid?

     Volgens Hoogerwerf kunnen volgende definities van de verschillende fasen onderscheiden worden. Het eerste deelproces is de agendavorming, het proces waardoor maatschappelijke problemen de aandacht van het publiek en/of van de beleidsbepalers krijgen. Hierna wordt doorgaans de informatie verzameld en geanalyseerd en worden adviezen geformuleerd met het oog op het te voeren beleid tijdens de beleidsvoorbereiding. Hiertoe behoort ook het ontwerpen van beleid, dat wil zeggen het uitdenken, beargumenteren en formuleren van een te voeren beleid. Verder kan hier nog sprake zijn van de planning, dit is de systematische voorbereiding van een beleid met behulp van langs wetenschappelijke weg verkregen kennis en inzichten. In de volgende fase, de beleidsbepaling, worden beslissingen genomen over de inhoud van een beleid. Hiertoe behoort in het bijzonder het kiezen en specificeren van de doelgroep, de doeleinden, de middelen en de tijdstippen. De vierde fase van de beleidscyclus is de beleidsuitvoering, waarbij de gekozen middelen voor de gekozen doeleinden worden toegepast. Vervolgens kan de beleidsevaluatie aan bod komen. Deze fase houdt het beoordelen van de inhoud, het proces en/of de effecten van een beleid in aan de hand van bepaalde criteria. Na dit alles kan er een terugkoppeling volgen. Dan kunnen er uit twee opties geselecteerd worden. Enerzijds kan er geopteerd worden voor beleidsbijsturing. Dit stadium staat voor het verwerken van een evaluatie op het gebied van de inhoud, het proces en/of de effecten van een beleid en het bijsturen van het beleid of het beleidsproces op basis daarvan. Anderzijds kan er ook gekozen worden voor beleidsbeëindiging, waarbij dan het gevoerde beleid gestaakt wordt.[13]

Bij het voorgaande is het nog belangrijk te vermelden dat een indeling in deelprocessen beschouwd moet worden als een hulpmiddel voor de analyse, aldus Hoogerwerf.[14] Het is een conceptuele, begripsmatige lens, waardoor wij een deel van de realiteit bekijken. Zo een hulpmiddel helpt ons iets van de werkelijkheid waar te nemen, te ontleden en in een bepaalde samenhang te plaatsen. Elk van de deelprocessen ontvangt een eigen kleur door de kenmerken van de actoren, of de handelende personen en groepen in het proces. Deze kenmerken kunnen vanuit verschillende perspectieven ingedeeld worden. Een uiterst belangrijke indeling is die tussen de doelgerichtheid (het willen), de informatie (het weten), de macht (het kunnen), en de taakverdeling en coördinatie (men zou kunnen zeggen: het mogen of moeten) van de actoren. Deze essentiële kenmerken of factoren blijken een grote bijdrage te kunnen leveren tot het verklaren van het verloop van beleidsprocessen, van de beleidsinhoud en van de beleidseffecten.[15]

     Ook Hoppe en van de Graaf hebben het beleidsproces opgedeeld in verschillende deelprocessen. Maar deze bestuurskundigen hebben dit toch enigszins anders aangepakt dan Hoogerwerf. Ze hebben namelijk de deelprocessen van de beleidsvoering in politieke aangelegenheden in verband gebracht met vier niveaus van politieke oordeelsvorming. Het eerste deelproces is de ideologievorming, gevolgd door de agendavorming. Dit houdt in dat bij burgers en beleidsbepalers gedeelde opvattingen gaan ontstaan over welke maatschappelijke problemen echt urgent zijn en welke niet. Daarop volgt het derde deelproces, namelijk de beleidsvorming of de totstandkoming van een beleid. Voor onze verhandeling is het hier belangrijk te wijzen op het verschil tussen Hoppe en Hoogerwerf. Daar waar Hoppe dit juist beschouwt als één enkel deelproces, deelt Hoogerwerf deze fase juist op in twee aparte deelprocessen, namelijk de beleidsvoorbereiding en de beleidsbepaling. Wanneer de beleidsvorming dan heeft geleid tot een politiek goedgekeurde beleidstekst, is het moment aangebroken om de woorden om te zetten in politieke en bestuurlijke handelingen. En dit gebeurt in de vierde fase, namelijk de beleidsuitvoering. Nadat het beleid dan is omgezet, wordt er meestal nagegaan of het probleem door het gestelde beleid is opgelost. Dit gebeurt in het laatste deelproces, namelijk de beleidsevaluatie en -monitoring. Bij dit deelproces kan er leergedrag optreden bij de uitvoerende instanties. Dit kan op zijn beurt weer leiden tot een terugkoppeling naar één of meer andere deelprocessen uit de beleidscyclus.[16]

     Voor onze eindverhandeling gaan we vooral aandacht besteden aan twee specifieke deelprocessen van de beleidscyclus, namelijk de agendavorming en de beleidsvorming. Daarom dat we ze nu ook nader gaan bekijken en uitwerken. Hierbij maken we voornamelijk gebruik van het wetenschappelijke werk van Hoppe en van de Graaf. Deze beslissing wordt ons ingegeven omdat tijdens het hele beleidsproces vaak de verschillende fasen door elkaar lopen. Het is doorgaans niet zo dat het ene deelproces begint waar het vorige deelproces eindigde. De verschillende fasen overlappen elkaar en daar heeft de bestuurskundige Hoogerwerf te weinig aandacht voor. Hij ziet het ganse beleidsproces te rationalistisch en hij vertrekt van één actor, namelijk de overheid. Dit maakt het dan ook moeilijker om hem te gebruiken bij ons onderzoek. Van de Graaf en Hoppe echter maken meer gebruik van het multi-actor denken. Ze hanteren het beleid vanuit verschillende perspectieven. Ze gaan na in welk netwerk de verschillende actoren opereren, welke specifieke posities ze innemen als een gevolg van hun onderliggende bedoelingen, op welke manier ze hun meningsverschillen uitvechten. Daarom kiezen we ook voor een netwerkperspectief, dat in het derde hoofdstuk nog uitgebreid aan bod zal komen.

 

1.1.1. De agendavorming

 

Zoals hierboven al vermeld, omschrijft Hoogerwerf dit deelproces als het proces waardoor maatschappelijke problemen de aandacht van het publiek en/of van de beleidsbepalers krijgen. Joldersma stelt dat een probleem niets anders is dan een situatie die vanuit een bepaalde maatstaf negatief wordt gewaardeerd. Juist door beleid te voeren, wil de overheid de problemen van zijn/of haar burgers oplossen.[17]

     Hoppe echter aanziet de agendavorming eerder als een strijd. Volgens hem moet er gestreden worden om twee zaken. Enerzijds moet er gestreden worden om de formulering of de definitie van het probleem. Hij stelt dat problemen, normatieve interpretaties zijn van omstandigheden en verwachte ontwikkelingen. Anderzijds gaat hij er vanuit dat er ook moet gestreden worden om de aandacht voor een probleem. Dan duiken er vragen op als: gaat het om een probleem dat echt dringend is en is de overheid diegene die het moet oplossen?[18]

     Het is begrijpelijk dat het beleid dat een overheid voert of tot stand brengt, gewoon een antwoord is op de vele maatschappelijke problemen waarmee ze elke dag wordt geconfronteerd. De agendavorming is dus de fase waarin wordt vastgelegd welke onderwerpen door de overheid zullen opgenomen worden op de beleidsagenda.[19]

     Hoppe maakt hierbij een onderscheid tussen drie soorten agenda’s. Ten eerste is er de beleidsagenda, of de lijst van onderwerpen die niet alleen de aandacht van een beleidsactor hebben, maar waarvoor hij ook bezig is maatregelen voor te bereiden of in te voeren. Verder is er de politieke agenda of de lijst van onderwerpen die de aandacht van politici en bestuurders hebben. Tot slot is er de publieke agenda. Dat is de lijst van onderwerpen waarvan (delen van) de publieke opinie van oordeel zijn dat ze de aandacht van politici en bestuurders behoren te hebben. Hoogerwerf maakt hier enkel een verschil tussen de formele agenda en de publieks-agenda. Volgens hem is de formele agenda de lijst van onderwerpen, die de aandacht van de beleidsbepalers hebben. De publieks-agenda is dan weer de lijst van onderwerpen die in de publieke opinie onder de aandacht staan.

     Volgens Hoppe overlappen deze drie agenda’s elkaar, zowel in de tijd gezien, als naar de onderwerpen die erop voorkomen. Ook merkt hij op dat er geen algemene uitspraak kan gedaan worden over de agenda waarop een onderwerp het eerst zal voorkomen. De wijze waarop een onderwerp uiteindelijk en definitief de beleidsagenda bereikt, noemen we het agendavormingsproces. Tijdens dit proces legt men vast welke onderwerpen door een beleidsactor zullen worden behandeld. Het verloop van dat proces is belangrijk voor het democratische gehalte van een samenleving. Zo kan nagegaan worden of alle burgers of groepen van burgers gelijke toegang hebben tot de overheid of net geen toegang bij het aankaarten van hun problemen. Deze theorie stelt dus bepaalde vragen centraal. Welke problemen komen wel en welke niet op de agenda van de overheid? En waarom? Zijn er onderweg naar de overheid barrières en zo ja, waar dan? En wie, respectievelijk welke problemen, maken de meeste kans die barrières te overwinnen? En waarom? [20]

 

1.1.2. De beleidsvorming

 

Bij van de Graaf en Hoppe vinden we veel aandacht voor de beleidsvorming of de totstandkoming van een beleid. Er zijn volgens hen twee soorten basismateriaal aanwezig. Enerzijds zijn er de abstracte en omstreden idealen, waarden, normen en ideologieën. Anderzijds is er sprake van een vage, onverwerkte massa van feitelijke gegevens. Deze soorten basismateriaal moeten worden omgevormd in een politiek bekrachtigd plan of een beleid. Het is dus de bedoeling dat er oplossingen worden gezocht voor een aantal problemen door middel van de beleidsmakers. Deze personen oefenen invloed uit door verschillende bijdragen te leveren, zoals deskundigheid; creativiteit, sociale vaardigheden, tijd, informatie, maar ook belangen en macht.

     Beleidsvorming of beleid maken kan ook omschreven worden als ‘het schrijven aan een beleidstekst’. Hoppe omschrijft beleidsvorming als een bonte argumentatiecarrousel. Want diegenen die het beleid moeten ontwikkelen, komen meestal terecht in een mengeling van verschillende standpunten, overtuigingen, regels en eisen. Juist door dan in debat te treden, wil men argumenten uitlokken. Om dan uiteindelijk de verschillende oordelen te verzamelen en te puzzelen tot er een samenhangende bewijsvoering ontstaat.[21]

     Bij de beleidsvormingsprocessen is er volgens deze bestuurskundigen sprake van een botsing tussen intellectuele rijping en politieke wilsvorming. Dit resulteert in twee stijlen van beleidsvorming, namelijk ontwerpen en instigeren. Bij de eerste stijl leggen ze de nadruk op beleidsvorming als een intellectueel spel, als het uitdenken van een oplossing voor een beleidsprobleem. Juist deze stijl noemen Hoppe en van de Graaf de beleidsontwikkeling of het ontwerpen van beleid.[22] “Beleidsontwikkeling is de intellectuele activiteit van het bedenken van een ‘goede’ oplossing voor een beleidsprobleem.”[23] Als intellectueel spel kent beleidsontwikkeling het primaat van de ontwerper. Door gebruik te maken van een consistent plan met goed gefundeerde argumenten, trachten de ontwerpers elkaar te overtuigen van hun gelijk. Hierbij doen ze vooral een beroep op hun deskundigheid. Opdat nu die plannen voor een democratische meerderheid aanvaardbaar zijn, kan men de hulp inroepen van instigatoren of politieke besluitnemers.[24] Bij de tweede stijl gaat het voornamelijk om ‘uitvechten’ of het bereiken van de instemming van anderen met een bepaalde oplossing van een beleidsprobleem, of het sluiten van compromissen tussen verschillende oplossingen. Het is een vorm van een krachtmeting tussen politieke wils- en machtsstrevingen. Dan beziet men beleidsvorming vooral als besluitvorming of politieke wilsvorming. Bij deze stijl telt het primaat van de instigator. Het is juist de bedoeling anderen te overtuigen jouw plan te aanvaarden. Dit houdt in dat politieke weerstanden moeten overwonnen worden. Goede beleidsmakers moeten slimme en slagvaardige instigatoren zijn. Ze moeten over de gave beschikken om tijdens de onderhandelingen de voor- en nadelen uit te ruilen en om van andere deelnemers aan het proces steun te verwerven.

     Van de Graaf en Hoppe benadrukken dat er hier wel geen sprake is van een echte zwart-wit tegenstelling tussen instigeren en ontwerpen. Beide rollen van de beleidsmakers lopen door elkaar. Sommige beleidsmakers gaan meer tenderen naar de beleidsontwikkeling, zoals een statistische analist of beleidsonderzoeker. Anderen gaan eerder de rol van instigator op zich nemen, zoals woordvoerders of lobbyisten. Het gaat vaak afhankelijk zijn van de groep of de situatie van de beleidsmakers om uit te maken of ze ontwerper zijn, dan wel de rol van instigator op zich moeten nemen.[25]

     Hoogerwerf echter maakt wel een onderscheid tussen beide stijlen. Hij beschouwt ze als twee aparte deelprocessen van de beleidscyclus. Met betrekking tot de eerste stijl, namelijk ‘het ontwerpen’, is er bij Hoogerwerf sprake van het deelproces ‘beleidsvoorbereiding’. Hij stelt dat dit het proces is van het verzamelen en analyseren van informatie en het formuleren van adviezen met het oog op een te voeren beleid. Hierbij rekent hij ook het ontwerpen van beleid, namelijk het uitdenken, beargumenteren en formuleren van een te voeren beleid.[26]

 

Volgens Hoogerwerf is het ontwerpen van een overheidsbeleid een politieke of bestuurlijke activiteit. Ervaring en praktische kennis spelen hier een grote rol, maar ook wetenschappelijke kennis en inzichten. De ontwerper van dit beleid kan erg variëren, voorbeelden zijn een politicus, een individuele ambtenaar of een externe adviseur. Andere mogelijkheden zijn een ambtelijke commissie, een extern adviesorgaan of een onderzoeksinstituut. Voor de opsteller van het beleid is het belangrijk om te weten of het om een nieuw beleid gaat of om een aanpassing van een bestaand beleid. Want bij een nieuw beleid is er een grotere keuzeruimte dan bij de verandering van bestaand beleid. Bovendien maakt het ook verschil of het gaat om een operationeel of uitvoerend beleid, dat een groot aantal routinebeslissingen omvat, dan wel om een strategisch beleid, dat een eenmalige koersverandering inhoudt.[27] Daarom dat Hoogerwerf ook in mindere mate nuttig is voor ons onderzoek. Hij gaat steeds uit van één ontwerper of opsteller, terwijl wij net de nadruk leggen op meerder actoren in een beleidsproces. Niet één persoon beslist wat er gebeurt, maar wel de communicatie over en weer tussen meerdere personen.

     Het is wel belangrijk te wijzen op een aantal maatstaven, die Hoogerwerf nog naar voren schuift voor een goed ontwerp van een beleid. Deze criteria worden gebruikt om de kwaliteit van een beleid te beoordelen. De eerste norm heeft betrekking op de legitimiteit of de aanvaardbaarheid van een beleid. Hierbij wordt gekeken naar zowel de politieke als de maatschappelijke aanvaardbaarheid. Het heeft betrekking op de mate waarin het beleid door de betrokkenen wordt beschouwd en gesteund als juist, gerechtvaardigd of op zijn minst acceptabel. Deze betrokkenen zijn de personen en de organisaties die het beleid voorbereiden en bepalen, maar ook zij die het beleid uitvoeren en de doelgroep of de mensen op wie het beleid zich richt. De volgende maatstaf echter houdt verband met de rationaliteit of redelijkheid van een beleid. Bij dit criterium gaat men na hoe goed de redenering of argumentatie waarop het beleid berust, bestand is tegen een gefundeerde kritiek. Tot slot heeft de laatste maatstaf betrekking op de uitvoerbaarheid van een beleid. Als er een bepaalde beleidsmaatregel voorop wordt gesteld, moet hij ook realiseerbaar zijn.[28]

     Hoogerwerf beschouwt beleidsvoorbereiding dus als een proces, dat kan worden ingedeeld in verscheidene deelprocessen, fasen of stappen. Zijn uitgangspunt is juist het streven naar een zo legitiem en rationeel mogelijk beleid, met heel veel aandacht voor de factor ‘informatie’.[29]

     Zoals we al aangaven hebben van de Graaf en Hoppe bij de beleidsvorming een onderscheid gemaakt tussen twee stijlen, namelijk tussen ontwerpen en instigeren. Het instigeren of het uitvechten van beleid is dus een niet te miskennen factor in dit hele beleidsproces. Bij deze stijl gaat het voornamelijk om ‘uitvechten’ of het bereiken van de instemming van anderen met een bepaalde oplossing van een beleidsprobleem, of het sluiten van compromissen tussen verschillende oplossingen. In de dagelijkse praktijk is de ene stijl niet denkbaar zonder de andere. Er moeten plannen bedacht worden alvorens er compromissen kunnen worden afgesloten. En gegeven de veelheid van belangen, is het bijna niet mogelijk een plan op te stellen dat voor iedereen aanvaardbaar is, zonder dat er eerst moet gevochten worden.[30]

     Ook Hoogerwerf schenkt hier aandacht aan. Volgens hem is het ontwerpen van beleid een denk- en argumentatieproces, dat deel uitmaakt van een beleidsproces. Gegarandeerd ondergaat het ook de machtsuitoefening, die zich binnen dat beleidsproces afspeelt. Naast het uitdenken van het beleid, is er dus ook sprake van het uitvechten van het beleid. De opdrachten, die de ontwerpers van beleid krijgen, zijn afhankelijk van de agendavorming. Maar ook de politieke agenda speelt een rol. Deze is onderworpen aan de vorming van de regering, de afspraken in verband met het regeringsprogramma en de personele samenstelling van de regering. Het is best mogelijk dat een probleem jarenlang blijft sluimeren, maar dan plots op de politieke agenda komt, door een gebeurtenis die veel publiciteit krijgt. De manier waarop het probleem wordt gedefinieerd; is afhankelijk van de opvattingen van verschillende politieke actoren. Ook het beeld van de oorzaken en gevolgen van de probleemsituatie is een object van machtsuitoefening. Tot slot staan eveneens de doeleinden en instrumenten van het beleid niet los van de machtsverdeling.[31]

     Hoogerwerf ziet dus het uitvechten van het beleid als een apart proces binnen de beleidscyclus. Onder beleidsbepaling wordt het nemen van beslissingen over de inhoud van het beleid verstaan. De belangrijkste vraag in dit deelproces is: “Wat willen wij met het overheidsbeleid in de samenleving bereiken en welke inspanningen willen wij daarvoor leveren?”. Want de beleidsbepalers beïnvloeden met hun beslissingen de voorwaarden waaronder de beleidsuitvoerders handelen.[32]

     Het is die fase in het beleidsproces waarin men tot een algemene politieke bekrachtiging van een beleidsontwerp tracht te komen. Wat de algemene politieke bekrachtiging betreft, dient een ontwerp in ons Belgisch coalitiestelsel meestal niet alleen door de minister worden goedgekeurd, maar ook door de regering en /of door het parlement. Het is overduidelijk dat er dus overeenstemming moet zijn over de inhoud van het beleid tussen deze verschillende actoren. Daarbij kunnen er verschillende middelen worden toegepast. In de eerste plaats kan er gebruik gemaakt worden van communicatie, contact en een gepaste onderhandelingsstijl. Als dit echter niet voldoende is, kan er worden overgegaan tot ruilen of stemmen.[33]

     De bestuurskundigen Herweijer en Coolsma besteden ruime aandacht aan de beleidsbepalers. Meestal zijn dit de gezagsdragers, maar ook andere personen of groepen bepalen mee het beleid. Deze wetenschappers onderscheiden twee manieren om na te gaan welke instanties of personen hun stempel drukken bij het tot stand komen van beleid. Enerzijds maken ze gebruik van het staats- en bestuursrecht. Ze gaan dan na welke instantie de bevoegdheid heeft om beslissingen te treffen en deze op te leggen aan de samenleving. Dus door gebruik te maken van juridische kennis, bepalen ze de gezagsdragers. Anderzijds, gebruik makend van de politicologie, formuleren ze de vraag als volgt, namelijk “welke personen of instanties hebben de meeste invloed op de inhoud van het vastgestelde overheidsbeleid?”. Of met andere woorden, wie zijn de hoofdrolspelers in dit proces van beleidsvoorbereiding?[34]

     Er kunnen drie types van gezagsdragers onderscheiden worden. In de eerste plaats de door de kiezer gekozen volksvertegenwoordigers, die een weerspiegeling moeten zijn van de verschillende politieke stromingen in een samenleving. In de tweede plaats de door de Koning benoemde bestuurders, zoals de ministers. Deze moeten over de inhoud van hun besluiten verantwoording afleggen in het openbaar, terwijl de beraadslaging zelf niet in het openbaar plaats vindt. En tot slot, een kleine beperkte groep van ambtelijke gezagsdragers, die de bevoegdheid hebben om beleidsbepalende beslissingen te treffen.[35]

 

 

1.2. Besluit

 

Het beleid van de overheid heeft steeds direct of indirect invloed op ons maatschappelijk leven. Daarom kunnen we stellen dat dit begrip ‘beleid’ een centrale plaats inneemt in onze maatschappij. We hebben gesteld dat het een politiek bekrachtigd plan is. Dit beleid komt tot stand via een proces van verschillende deelprocessen. Het beleidsproces of de beleidscyclus bestaat uit de agendavorming, de beleidsvorming, het uitvoeren, het evalueren, het bijsturen en het beëindigen van een beleid.

     Bij agendavorming draait het dus allemaal rond maatschappelijke problemen, die al dan niet de aandacht krijgen van het publiek en/of de beleidsbepalers. Ook kan het beschouwd worden als een strijd, enerzijds een strijd om de formulering van een probleem en anderzijds een strijd om de aandacht voor een probleem. Bij het waarnemen van een maatschappelijk probleem, kunnen de beleidsbepalers kiezen voor een actief beleid, waarbij de beleidsbepalers maatregelen nemen met de bedoeling het probleem op te lossen. Hoe problemen kunnen leiden tot een actief beleid, is dus het vraagstuk van de agendavorming.

     Uit dit alles kunnen we besluiten dat beleid steeds voorbereid wordt. Het is een bestuurlijke of politieke activiteit. De bestuurskundigen Hoogerwerf, Hoppe en van de Graaf besteden hier uitgebreid aandacht aan. Allen leggen ze de nadruk op zowel het uitdenken als op het uitvechten van het beleid. Maar Hoogerwerf beschouwt dit als twee deelprocessen, namelijk de beleidsvoorbereiding en de beleidsbepaling. Hoppe en van de Graaf echter spreken van een botsing tussen politieke wilsvorming en intellectuele rijping tijdens de beleidsvorming. Enerzijds is er het ontwerpen van het beleid of de beleidsontwikkeling. Anderzijds is er sprake van het uitvechten van het beleid of de besluitvorming.

 

 

2. Belangengroepen

 

Tijdens het beleidsproces komen vele actoren, zoals ministers, ambtenaren, volksvertegenwoordigers, wetenschappers, vertegenwoordigers van belangengroepen, de media en burgers in contact met elkaar. Het is al vermeld dat de beleidsbepalers, juist om hun beleid meer kans op slagen te geven, overeenstemming moeten bereiken met de andere gezagdragers en hoofdrolspelers in het veld en eveneens de steun moeten verwerven van de leden van de maatschappij. In dit hoofdstuk gaan we daarom aandacht besteden aan een belangrijke actor in dit proces, namelijk de belangengroepen. Eerst komen verschillende auteurs aan bod in verband met hun definiëring van belangengroepen en pressiegroepen. Dan brengen we deze groepen onder in rubrieken door gebruik te maken van de indeling van van Mil en van Mierlo. Vervolgens komen nog de functies aan de beurt. Tevens lichten we de begrippen ‘invloed’ en ‘invloedsuitoefening’ toe, net omwille van het belang voor deze eindverhandeling. Ten slotte laten we nog een aantal aspecten aan bod komen, waaronder de objecten en de middelen van dergelijke groepen.

 

 

2.1. Definitie van belangengroepen

 

Er wordt vaak gesproken over pressiegroepen of belangengroepen. Dit laatste concept is de neutralere term van pressiegroepen. De klassieke definitie van Wilson omschrijft belangengroepen als organisaties, die hoewel ze onafhankelijk zijn van de overheid, toch regelmatig een nauwe samenwerking aangaan met de overheid, met de intentie het beleid te beïnvloeden. Daarom stelt hij, dat ze ook de geïnstitutionaliseerde link vormen tussen de regering of de overheid en de grote sectoren van de maatschappij. Dus om de relatie tussen staat en maatschappij goed te begrijpen is een studie van de belangengroepen net enorm belangrijk.[36]

     Ook Norton omschrijft een pressiegroep of belangengroep als een lichaam dat de overheid tracht te beïnvloeden in de toewijzing van de middelen, zonder te trachten zelf de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de regering.[37]

Van Mierlo en van Mil maken een duidelijk onderscheid tussen belangengroepen, pressiegroepen en politieke partijen. Belangengroepen en pressiegroepen stellen geen kandidaten voor formeel vertegenwoordigende lichamen en in die zin verschillen ze van politieke partijen, want dit is voor deze laatste groep juist een essentieel kenmerk. Pressiegroepen en politieke partijen verschillen op hun beurt weer van belangengroepen doordat zij invloed trachten uit te oefenen op het overheidsbeleid, terwijl belangengroepen dergelijke activiteiten juist niet ontplooien.[38]

     Truman, een Amerikaanse politicoloog stelt dat het begrip ‘belangengroep’ betrekking heeft op een groep die op grond van door de groepsleden gedeelde opvattingen, bepaalde aanspraken doet gelden op andere groepen in de samenleving met de bedoeling gedragingen die uit die gedeelde opvattingen voortvloeien tot stand te brengen, te handhaven of uit te breiden.[39]

     Daarom kan er volgens Scholten ook pas van een belangengroep worden gesproken wanneer een aantal individuen bepaalde belangen gemeen hebben en zij gezamenlijk optreden om deze belangen te behartigen. Waar echter de nadruk op moet gelegd worden, is dat niet alle belangengroepen zich bemoeien met het politieke besluitvormingsproces. Het is pas als het overheidsbeleid de belangen van een belangengroep rechtstreeks raakt of als de leden van een belangengroep menen dat de overheid op een of andere wijze behulpzaam kan zijn bij de behartiging van hun belangen, dat de groep overgaat tot het ondernemen van politieke activiteiten en opereert als pressiegroep.[40]

     Van Doorn omschrijft pressiegroepen dan ook als politieke belangengroepen of belangengroepen, die zich onuitgenodigd in de politieke arena begeven om daar druk op de politieke besluitvorming uit te oefenen. Het is dus duidelijk dat een organisatie zowel belangengroep als pressiegroep kan zijn. Een organisatie kan beide hoedanigheden aannemen, zowel gelijktijdig als afwisselend. Veel belangengroepen opereren niet permanent als een pressiegroep, maar nemen slechts af en toe de gedaante van een pressiegroep aan.[41]

     We kunnen hier dus besluiten dat er twee essentiële kenmerken van pressiegroepen zijn. Ten eerste maken ze geen deel uit van de overheid of met andere woorden, bieden ze geen kandidaten aan voor formeel vertegenwoordigende politieke lichamen en hebben daar dus ook geen zitting in. En ten tweede richten ze zich enkel op een bepaald aspect of onderdeel van het overheidsbeleid. Pressiegroepen of politieke belangengroepen zijn dus met andere woorden, organisaties die proberen een bepaald aspect of onderdeel van het overheidsbeleid te beïnvloeden zonder deel uit te maken van de overheid. Ze trachten het overheidsbeleid te beïnvloeden door middel van het uitoefenen van politieke pressie. Net omwille van het grote belang van het ‘invloedsbegrip’ voor dit eindwerk, gaan we voornamelijk gebruik maken van de term ‘pressiegroepen’. Maar daarbij verliezen we de meer algemenere en overkoepelende term ‘belangengroepen’ niet uit het oog.

 

 

2.2. Typologie van pressiegroepen

 

We kunnen pressiegroepen op verschillende manieren categoriseren. Er wordt namelijk geen gebruik gemaakt van een universele indeling. Vele auteurs hebben een poging ondernomen om een nuttige classificatie te maken en elk deden ze dit op hun eigen manier. Het resultaat was een mengeling van vele verschillende en toch gelijkaardige rangschikkingen. Salisbury heeft een drietal typologieën, gebaseerd op het lidmaatschap, de vormen van de organisaties en de inhoud van de betrokken belangen.[42] Maar er zijn ook nog andere mogelijk. Truman stelt dat belangen steeds aanwezig zijn, maar ze kunnen latent of manifest zijn. De pressiegroep is dan latent of manifest aanwezig, afhankelijk van de omstandigheid of deze belangen tot uiting komen en tot groepsactiviteiten leiden.[43]

Van Mil en van Mierlo hebben er voor gekozen om pressiegroepen in te delen naar de soort belangen die ze behartigen of naar de belanginhoud. Het is deze typologie, die we verder gaan gebruiken voor het verdere verloop van dit eindwerk. Deze auteurs onderscheiden de volgende vijf pressiegroepen. De eerste groep zijn de sectorale pressiegroepen, die functioneren in een gehele sociaal-economische sector of grote sociaal-economische belangen vertegenwoordigen. Ze stellen dat ze namens een duidelijk aanwijsbare sociaal-economische categorie spreken en deze belangen ter harte nemen. Voorbeelden zijn werkgeversorganisaties, vakbonden, boerenorganisaties, organisaties van vrouwen en bejaarden en organisaties van zelfstandige beroepsbeoefenaars zoals medische specialisten en notarissen.

     Ideële pressiegroepen zijn de tweede categorie, die zich vaak met specifieke beleidsdoelstellingen bezighouden die vaak een ideëel karakter dragen. Ze leggen louter de nadruk op onderdelen van een bepaalde sector, bijvoorbeeld aspecten van binnenlandse politiek. Ze zijn ook minder omvangrijk en minder goed georganiseerd en zijn geen vertegenwoordigers van een duidelijk aanwijsbare maatschappelijke groepering. Voorbeelden zijn organisaties in de vredesbeweging en in de milieubeweging.

     De derde groep zijn de consumentenorganisaties. De belangen van consumenten zijn zeer divers en het is dan ook moeilijk de consumenten te mobiliseren. Bovendien zijn ze niet hecht georganiseerd en ook minder in het besluitvormingsnetwerk geïntegreerd. Tot slot valt ook nog te vermelden dat deze organisaties een gemengd karakter hebben. Ze vertegenwoordigen een maatschappelijke categorie en beijveren zich voor een specifiek beleidsdoel. Een voorbeeld hier is Test Aankoop.[44]

     De vierde categorie is een groep apart, aangezien het een redelijk nieuw verschijnsel is. Hier spreken ze van pressiegroepen vanuit een openbaar bestuur en de non-profit sector. Het betreft hier functionarissen werkzaam in de instellingen van openbaar bestuur en van de non-profit sector, die zich verenigen om hun belangen te behartigen. Ze hebben de intentie het overheidsbeleid van binnenuit te veranderen. Een duidelijk voorbeeld hier is de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.

     Ten slotte is er sprake van de sociale bewegingen en actiegroepen. Deze organisaties willen erkenning krijgen van een bepaalde groepering of waarde, zoals de antikernenergiebeweging. Deze groepen zijn opgebouwd uit organisatorische kernen, die onderling sterk kunnen verschillen met betrekking tot de doeleinden en de middelen.[45]

 

 

2.3. Functies van belangengroepen

 

De aanwezigheid van georganiseerde belangengroepen in het Belgische politieke bestel is al lange tijd een normaal en algemeen aanvaard verschijnsel. Desondanks wordt er verschillend gedacht over de activiteiten van deze georganiseerde groepen. De meer pluralistische benadering spreekt over belangengroepen als een belangrijk onderdeel van het democratische bestel. Deze groepen moeten een plaats innemen naast politieke partijen, opdat burgers de mogelijkheid krijgen op een zo efficiënt mogelijke manier uiting te geven aan hun wensen, opvattingen en belangen. Sommige democratie-theorieën echter zijn niet enthousiast over de belangengroepen. Volgens hen brengen ze het ‘algemeen’ belang, waar de overheid over moet waken in gevaar, omdat ze hun eigen deelbelangen willen realiseren. Ze brengen het democratische proces dus eerder in gevaar, door het aanwenden van hun politieke macht en invloed.[46]

     In België vervullen de belangengroepen een politieke dubbelrol. Ze trachten in de eerste plaats (de vorming van) het overheidsbeleid te beïnvloeden en gedragen zich zodoende als pressiegroepen. In de tweede plaats zijn zij betrokken bij de uitvoering van (een gedeelte van) het overheidsbeleid, in welke hoedanigheid ze opereren als parapolitieke organisaties.[47] Omdat onze aandacht uitgaat naar de invloed van de belangengroepen bij de totstandkoming van het beleid en niet zozeer bij de uitvoering, gaan we vooral de pressiegroepen betrekken in onze bespreking en niet zozeer de parapolitieke organisaties.

     Als mensen georganiseerd samenleven, hebben zij belang bij politieke beslissingen. Individuen gaan zich daarom tot een groep aaneensluiten, op basis van een gemeenschappelijk belang dat ze delen en op individuele doeleinden. Door hun gemeenschappelijk belang worden ze verbonden en is er sprake van een belangengroep. Om het gemeenschappelijke belang te behartigen, moet de belangengroep politieke actie ondernemen. De belangengroep wordt dan politiek actief en gedraagt zich als een pressiegroep, zodra zij beslissingen van de overheid probeert te beïnvloeden. Het is dus duidelijk dat deze pressiegroepen nood hebben aan het open politiek klimaat van de liberale en pluralistische democratieën.

     Belangengroepen, die optreden als pressiegroepen proberen naast het beïnvloeden van politieke beslissingen in hun voordeel, zich ook te verzekeren van permanente toegang tot en deelname aan de politieke besluitvorming over overheidsbeleid. Bovendien willen ze hun inschakeling bij de uitvoering van het overheidsbeleid bereiken. Ze maken hierbij gebruik van het ‘bekleden van gezagsrollen’. Dit betekent dat belangengroepen beschikken over formele beslissingsbevoegdheden. Het bereik reikt tot de eigen leden van de groep, maar soms zijn alle leden van de samenleving als geheel hierbij betrokken. In de eerste plaats zijn er belangengroepen, die zelf over grote beslissingsbevoegdheden beschikken. Voorbeelden zijn bepaalde beroepsgroepen, zoals artsen of juristen. Ze regelen een groot aantal zaken, dat op hun eigen beroepsuitoefening betrekking hebben, zoals toetreding tot het beroep, toezicht op de beroepsuitoefening en rechtspraak bij klachten. In de tweede plaats zijn er talrijke bestuursorganen waarvoor belangengroepen vertegenwoordigers ter beschikking stellen. Omdat juist deelname aan de besluitvorming en beleidsuitvoering macht en prestige oplevert, zullen deze groepen ernaar streven die deelname zoveel mogelijk te monopoliseren en dus concurrenten uit te schakelen.[48]

     Duidelijk is dus dat de bekleding van gezagsrollen niet alleen is voorbehouden aan officiële instellingen van openbaar bestuur. In onze huidige moderne maatschappij zijn er vele groepen, organisaties en instellingen betrokken bij de bindende toedeling van waarden. En hierbij spelen instellingen van openbaar bestuur, politieke partijen en belangengroepen ook een rol.[49]

     Hierboven maakten we al melding van de politieke dubbelrol van de belangengroepen. Dit geven we hieronder weer in een figuur. Enerzijds zijn ze pressiegroepen, die het beleid van de overheid trachten te beïnvloeden. Anderzijds zijn ze parapolitieke systemen. Ze zijn met andere woorden in deze hoedanigheid betrokken bij de uitvoering van (een gedeelte van) het overheidsbeleid. Bovendien vervullen ze ook individuele dienstverlening aan hun leden. Een andere term hiervoor is ‘service-organisaties’. Deze dienstverlening bestaat uit de voorziening van zuiver individuele goederen en diensten, terwijl beide onderdelen van de politieke dubbelrol de voorziening van zuiver collectieve goederen en diensten betreft.[50]

 

Figuur 1: Activiteiten van belangengroepen

Bron: P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO,

“Belangengroepen en de uitoefening van politieke pressie” in

van Mierlo, J. G. A. (ed.), Pressiegroepen in de Nederlandse

politiek, Hooiberg Epe, Stichting maatschappij en onderneming,

1988, 52.

 

 

2.4. Invloedsuitoefening

 

Zoals al eerder is vermeld, trachten pressiegroepen invloed uit te oefenen. Ze trachten het overheidsbeleid te beïnvloeden. De politicoloog Dahl bespreekt dit als een zodanig handelen dat het overheidsbeleid er anders zou uitzien, dan wanneer er niet zou zijn gehandeld. Of nog anders: ‘A heeft invloed op B, als B iets anders (bijvoorbeeld Y) doet, dan hij zonder A gedaan zou hebben (bijvoorbeeld X)’. Maar wat is nu het verband tussen pressie en invloed? Pressie in enge zin kan opgevat worden als ongeoorloofde druk of dwang. In een meer ruimere betekenis betekent pressie, beïnvloeden. Pressie is beïnvloeden. Pressie is het uitoefenen van invloed en pressie uitoefenen is invloed uitoefenen. Er is dus sprake van een relatie tussen de pressiegroep en de overheid. Een belangrijke voorwaarde bij het uitoefenen van invloed is dat de te beïnvloeden actor toegankelijk is voor invloedsuitoefening. Bijgevolg is de eerste doelstelling van een pressiegroep, het verkrijgen van toegang tot de beleidscentra waar politieke beslissingen worden genomen.[51]

     Er zijn twee dimensies aanwezig in het invloedsbegrip. De eerste dimensie, namelijk dat individuen en groepen invloed uitoefenen op de besluitvormers om bepaalde beslissingen te bewerkstelligen, is al uitvoerig aan bod gekomen. Maar er moet ook aandacht zijn voor de tweede dimensie. Dit houdt in dat ook de mogelijkheid bestaat, dat individuen en groepen deelnemen aan het besluitvormingsproces, juist om beslissingen tegen te houden. Hier is er dan sprake van ‘non-decision’. Deze personen willen dan de toestand ongewijzigd houden en ongewenste veranderingen voorkomen. Dit kan door de invoer van beleidsproblemen en conflicten in het besluitvormingsproces af te grendelen en te blokkeren. Maar ook later, kan de uitvoering van bepaalde beslissingen verhinderd worden of bepaalde strijdpunten afgehouden worden van de politieke agenda.[52]

     Invloedsuitoefening kan op drie manieren plaats hebben, namelijk op een directe wijze, op een indirecte wijze of door anticipatie. Van directe beïnvloeding is er sprake wanneer de pressiegroep zelf bijdraagt aan de totstandkoming of verhindering van de beleidsbeslissing. Bij ‘anticipatie’ heeft de belangengroep bepaalde verwachtingen met betrekking tot bepaalde beleidsbeslissingen, die het wil verwezenlijkt zien. Ze gaan dan al vooruitgrijpen naar een situatie die er nog niet is en zo trachten invloed uit te oefenen. Indirecte beïnvloeding gebeurt als de pressiegroep niet zelf bijdraagt aan de totstandkoming of verhindering daarvan, maar dat via derden doet. Deze derden zijn dan organisaties met wie de beslissers rekening trachten te houden. Eveneens heeft dit ook plaats wanneer de pressiegroep namens derden bijdraagt aan de totstandkoming of de verhindering van een beleidsbeslissing. Hier is het de ‘initiator’ van beïnvloeding en niet de ‘mediator’ die invloed heeft. Bovendien trachten steeds meerder pressiegroepen de overheid te beïnvloeden, door het overheidsbeleid in de door hun gewenste richting te sturen. Vaak is het eindresultaat een compromis, waarbij de ene pressiegroep meer uit de brand heeft kunnen slepen dan de andere. Dit geldt ook voor ‘non-decisions’. Ook hierbij proberen meerdere groepen strijdpunten van de politieke agenda te houden of af te voeren, of de uitvoering van beslissingen te verhinderen.[53]

 

 

2.5. Overige aspecten van pressiegroepen

 

Dat het begrip ‘pressiegroep’ complex en veelomvattend is, is nu reeds duidelijk. Hierna bespreken we daarom nog een aantal aspecten van het concept om een nog helderder beeld te scheppen in het kader van de voorliggende verhandeling. Achtereenvolgens komen de objecten en de middelen van pressiegroepen aan bod.

 

2.5.1. De objecten

 

We stelden al dat invloed een relatiekenmerk is. Er is namelijk iemand die invloed of pressie uitoefent en er is iemand op wie pressie of invloed wordt uitgeoefend.

     Onze omschrijving van pressiegroepen bracht duidelijk naar voren dat ze het overheidsbeleid trachten te beïnvloeden. Dit kan op een directe wijze tot stand komen doordat ze zich rechtstreeks op de overheid richten. Maar dit kan ook op een indirecte manier, door zich over de band van een andere actor tot de overheid te richten. Om dit te verduidelijken maken we gebruik van een figuur oorspronkelijk van Brouwer, maar aangepast door van Mil.

 

Figuur 2: Uitgebreid beïnvloedingsschema

 

Bron: P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO,

“Belangengroepen en de uitoefening van politieke pressie” in

van Mierlo, J. G. A. (ed.), Pressiegroepen in de Nederlandse

politiek, Hooiberg Epe, Stichting maatschappij en onderneming,

1988, 75.

 

Deze figuur geeft de directe en indirecte pressierelaties tussen diverse actoren weer. Maar uiteindelijk is toch alle pressie gericht op het overheidsbeleid. Indien de politieke partijen, de media en het publiek onder druk worden gezet, is er sprake van indirecte pressie. Pressiegroepen kunnen zich tot meerdere actoren richten. Ze kunnen zich richten tot het grote publiek, dat geen deel uitmaakt van hun pressieorganisaties, hopend dat zij invloed uitoefenen op de overheid. Toch kunnen ze ook gebruik maken van de media, als vertolker van de publieke opinie. Verder spelen de politieke partijen nog vaak de hoofdrol bij het totstandkomen van politieke besluitvorming. Van Mil heeft nog twee groepen toegevoegd aan deze figuur. In de eerste plaats de rechterlijke macht, hun uitspraken hebben steeds een invloed op het overheidsbeleid en hiervan kunnen de pressiegroepen dus gebruik maken. De tweede groep zijn de eerder vermelde parapolitieke organisaties. Indien de belangen parallel lopen, kunnen de pressiegroepen via of met behulp van deze organisaties trachten het overheidsbeleid te beïnvloeden. Het uitgebreide beïnvloedingsschema geeft dus aan over welke mogelijkheden de pressiegroepen beschikken om de overheid en het overheidsbeleid rechtstreeks dan wel indirect, via het publiek, de media, de rechters, de politieke partijen of de parapolitieke organisaties te beïnvloeden.[54]

 

2.5.2. De middelen

 

Pressiegroepen trachten het overheidsbeleid te beïnvloeden. Om succes te hebben, moeten ze dus hun wensen en verlangens in verband met het beleid kunnen aankaarten bij diegenen die de beslissingen nemen over dit overheidsbeleid. Wat nog belangrijker is, de besluitvormer moet er van overtuigd zijn dat het gewenst en zelfs noodzakelijk is om aan de wensen van de pressiegroep tegemoet te komen.[55]

     Daarbij hebben de pressiegroepen toegang tot een hele set van middelen. Ten eerste is er het middel van de overreding. Het laten verrichten of het zelf verrichten van eigen onderzoek en het zich presenteren in de media en op parlementaire hoorzittingen zijn hier voorbeelden van. Dit alles gebeurt meestal in een geïnstitutionaliseerd verband, zoals adviesorganen. Voor veel gevestigde pressiegroepen is dit het middel bij uitstek. Overhalen is een tweede middel. De pressiegroep beloont de gezagdragers. Die beloningen kunnen legaal en illegaal zijn.

     Een derde middel is overnemen, waarbij de pressiegroep binnendringt in een andere organisatie en neemt zo de ‘macht’ over. Het is meestal zo dat de organisatie niet volledig wordt overgenomen, maar dat de overname zich beperkt tot strategische posities. Demonstreren is een vierde middel. Hierbij mobiliseert men de burgers of de leden om te tonen dat er vele personen achter hun eisen staan. Een bekend voorbeeld is het inzamelen van vele handtekeningen. Een vijfde middel is procederen. Dan maakt de pressiegroep gebruik van de juridische weg om alsnog het doel te bereiken. Het laatste middel is zich verzetten. De pressiegroep tracht de overheid of een andere betrokken partij schade toe te brengen.[56]

     Deze pressiemiddelen zijn in beginsel een mogelijkheid voor de pressiegroepen om druk uit te oefenen. In het onderstaande schema, dat Van Schendelen opgesteld heeft, wordt een nagenoeg volledig overzicht gegeven van de methoden en technieken van de pressieuitoefening, waarover de pressiegroepen beschikken. De methoden met een kader rond zijn diegene, die volgens Van Schendelen meer effectief zijn.

 

Figuur 3: Methoden en technieken van pressieuitoefening

 

Bron: P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO,

“Belangengroepen en de uitoefening van politieke pressie” in

van Mierlo, J. G. A. (ed.), Pressiegroepen in de Nederlandse

politiek, Hooiberg Epe, Stichting maatschappij en onderneming,

1988, 77.

 

Juist de beschikbaarheid van sanctiemogelijkheden, is een essentieel machtsinstrument van veel pressiegroepen. Ook zijn ze nog afhankelijk van de mate van integratie van hun opvattingen in de samenleving, waarbinnen ze functioneren. In het begin kunnen alle pressiegroepen van alle pressiemiddelen gebruik maken. De eigenlijke keuze is afhankelijk van factoren zoals de omvang, de culturele en historische achtergrond en de doelstelling van de pressiegroep, van het soort belang dat ze behartigt, van de aard en de gevoeligheid van het politieke strijdpunt, van de aanwezige kennis en de beschikbare hoeveelheid tijd en financiële middelen van de pressiegroep, van de te verwachten baten en kosten van de pressiemiddelen, en niet te vergeten van de specifieke kenmerken van de actor waarop pressie wordt uitgeoefend.[57]

     Er zijn een aantal factoren, die bepalend zijn voor de keuze van de te hanteren middelen. Hierbij maken we gebruik van de vier punten van de wetenschapper Berry. Ten eerste hebben de doelstellingen van de pressiegroepen een grote invloed op de gekozen pressiemiddelen. Er bestaat namelijk een natuurlijke voorkeur voor bepaalde middelen, maar eveneens een afkeer voor andere. De intensiteit van de groepsvoorkeuren voor bepaalde strijdpunten is een tweede factor. Er zijn namelijk strijdpunten, die een hoge prioriteit hebben en waar dus ook kostbaardere middelen worden ingezet. De deskundigheid en specialisatie van de bestraffing van de pressiegroep vormt een derde factor. Ten slotte spelen ook de inrichting, de omvang en de kwaliteit van het ledental van de pressiegroep een rol bij de keuze van de pressiemiddelen.[58]

 

 

2.6. Besluit

 

Tijdens het beleidsproces komen vele actoren in contact met elkaar. Juist om meer kans op slagen te hebben, moeten de beleidsbepalers overeenstemming bereiken met de andere gezagdragers en hoofdrolspelers in het veld en eveneens moeten ze de steun verwerven van de leden van de maatschappij. Één van de belangrijke actoren uit het veld zijn de belangengroepen.

De belangengroepen spelen een belangrijke rol in het beleidsproces. Uit de vele definities kwam duidelijk naar voren dat er een onderscheid is tussen belangengroepen en pressiegroepen. Over een belangengroep wordt gesproken wanneer een aantal individuen bepaalde belangen gemeen hebben en zij gezamenlijk optreden om deze belangen te behartigen. Maar ze bemoeien zich niet met het politieke besluitvormingsproces. Het is pas als het overheidsbeleid de belangen van een belangengroep rechtstreeks raakt of als de leden van een belangengroep menen dat de overheid op een of andere wijze behulpzaam kan zijn bij de behartiging van hun belangen, dat de groep overgaat tot het ondernemen van politieke activiteiten en opereert als pressiegroep.

     We hebben gebruik gemaakt van de indeling van van Mil en van Mierlo, namelijk om pressiegroepen in te delen naar de soort belangen die ze behartigen of naar de belanginhoud. Dan konden we de volgende vijf pressiegroepen onderscheiden: de sectorale pressiegroepen, de ideële pressiegroepen, de consumentenorganisaties, de pressiegroepen vanuit een openbaar bestuur en vanuit de non-profit sector en de sociale bewegingen en actiegroepen.

     In ons land vervullen de belangengroepen een politieke dubbelrol. Ze trachten in de eerste plaats (de vorming van) het overheidsbeleid te beïnvloeden en gedragen zich als zodanig als pressiegroepen. In de tweede plaats zijn zij betrokken bij de uitvoering van (een gedeelte van) het overheidsbeleid, in welke hoedanigheid ze opereren als parapolitieke organisaties. Bovendien vervullen ze ook individuele dienstverlening aan hun leden. Deze dienstverlening bestaat uit de voorziening van zuiver individuele goederen en diensten, terwijl beide onderdelen van de politieke dubbelrol de voorziening van zuiver collectieve goederen en diensten betreffen

     Vervolgens zijn we blijven stilstaan bij het invloedsbegrip. Hier zijn twee dimensies aanwezig. Enerzijds dat individuen en groepen invloed uitoefenen op de besluitvormers om bepaalde beslissingen te bewerkstelligen. Anderzijds dat individuen en groepen deelnemen aan het besluitvormingsproces, precies om beslissingen tegen te houden, of ‘non-decision’. Invloedsuitoefening kan op drie manieren plaats hebben, namelijk op een directe wijze, op een indirecte wijze of door anticipatie.

     Tot slot hebben we een aantal aspecten van pressie-uitoefening aan bod laten komen. Zoals de objecten van de pressie-uitoefening of de personen, organisaties en instellingen waarop de pressiegroepen zich richten. Daar waar de overheid object is van directe invloedsuitoefening, zijn de politieke partijen, de media, de rechterlijke macht, het publiek en de parapolitieke organisaties object van indirecte invloedsuitoefening. Tevens zijn de pressiemiddelen aan bod gekomen. Enerzijds zijn er de meer geïnstitutionaliseerde instrumenten van pressieuitoefening en anderzijds zijn er de minder geïnstitutionaliseerde instrumenten van pressieuitoefening. Voorbeelden zijn overreding, overhalen, overnemen, demonstreren procederen en zich verzetten.

 

 

3. Beleidsnetwerken

 

We willen onze opvattingen kaderen in een wetenschappelijke theorie. Daarom bespreken we nu de bestuurskundige theorie van de beleidsnetwerken. Eerst wordt dit begrip omschreven. Vervolgens worden de verschillende componenten in de definitie nader bekeken. Nadien geven we een theoretische situering, waarbij we een aantal literatuurstromingen weergeven en tevens een aantal voorbeelden geven van verschillende netwerktypes. Nadien plaatsen we de Boerenbond binnen een bepaald beleidsnetwerk.

 

 

3.1. Definitie van beleidsnetwerken

 

De netwerktheorie tracht het beleidsproces te benaderen op een manier die meer aansluit bij de werkelijkheid. In de sociale wetenschappen wordt het begrip (sociaal) netwerk voor het eerst gebruikt in de jaren veertig en vijftig om de relaties van een individu of een organisatie met andere individuen of organisatie te analyseren en in kaart te brengen. Op die manier krijgt men zicht op iemands verbondenheid met en afhankelijkheid van anderen.

     Vanaf de jaren zeventig wordt dit concept ook gebruikt in de bestuurskunde en de beleidswetenschap. Meer en meer wordt men zich ervan bewust dat men zich voor de analyse van het beleid niet mag beperken tot wat er gebeurt binnen één overheidsorganisatie. Overheidsbeleid krijgt namelijk steeds vaker vorm in een proces waarbij meerdere actoren betrokken zijn. Beleidsproblemen worden immers steeds complexer, waardoor verschillende organisaties en individuen van elkaar afhankelijk zijn en op elkaar aangewezen zijn om die problemen op te lossen. Beleidswetenschappers gaan daarom het begrip netwerk toepassen op deze beleidsprocessen, aangezien ze met behulp van het concept ‘beleidsnetwerk’ beleid kunnen analyseren als het resultaat van een complex samenspel tussen verschillende publieke en private organisaties en individuen.

     Rekening houdend met de bovenstaande verklaring voor de intrede van de netwerkbenadering in de bestuurskunde, kan men beleidsnetwerken als volgt omschrijven. Beleidsnetwerken zijn sociale actiesystemen rond beleidsproblemen. Ze bestaan uit stelsels van wederzijds afhankelijke publieke en private actoren die rond deze problemen met elkaar verbonden zijn en elkaar in hun doelstellingen en strategieën beïnvloeden. In dat sociale actiesysteem bepalen de interacties en strategieën van de verschillende actoren de voortgang en het product van het beleidsproces.[59]

 

 

3.2. Componenten van beleidsnetwerken[60]

 

Beleidsnetwerken zijn sociale actiesystemen. De analyse van het beleid veronderstelt dat er een insnijding moet gemaakt worden in het geheel van de actoren: alleen die actoren die op een bepaald moment bij een bepaald beleidsprobleem betrokken zijn en met elkaar in relatie staan, worden bestudeerd. Actoren die niet bij dat probleem betrokken zijn, horen niet bij het systeem. Een dergelijke analyse is echter steeds tijdelijk: het aantal en het soort actoren kunnen veranderen in de loop van het beleidsproces. Nieuwe actoren kunnen immers in het beleidsnetwerk intreden, en het is ook mogelijk dat de positie van actoren binnen het netwerk verschuift. Beleidsnetwerken zijn met andere woorden dynamisch en vertonen in de tijd een grillig verloop. Elke afbakening moet dan ook voldoende open worden gehouden om die dynamiek te kunnen vatten.

     Het element actie in de definitie wijst erop dat de verschillende actoren binnen een beleidsnetwerk doelstellingen hebben waarvoor zij middelen willen mobiliseren. Zij treden actief op om hun doelstellingen te realiseren. De handelingen van de verschillende actoren hebben te maken met de ordening van de samenleving. Vandaar dat men in de definitie spreekt van maatschappelijke of sociale actiesystemen.

De beleidsproblemen waarrond beleidsnetwerken worden gevormd, zijn complexe problemen. Ze raken vele actoren, zowel in de publieke als in de private sfeer. Men spreekt daarom ook van multi-actor problemen. De verschillende actoren vormen de basiseenheden van een beleidsnetwerk. Het begrip actor wordt hier gebruikt om de organisaties en individuen aan te duiden die zich met eigen doelstellingen als afzonderlijke eenheden gedragen. Het is dan ook vaak verkeerd om in het kader van beleidsnetwerken de (gemeentelijke, provinciale, Vlaamse, Waalse, federale,…) overheid als één actor te beschouwen, daar de verschillende administratieve diensten binnen deze overheden vaak als afzonderlijke eenheden optreden met eigen doelstellingen. Hoewel het in beleidsnetwerken mogelijk is dat individuen in eigen naam optreden, zijn de actoren toch meestal organisaties of eenheden van organisaties die vertegenwoordigd worden door gemandateerde individuen. De banden tussen die individuen en hun organisaties zorgen ervoor dat een beleidsnetwerk niet louter een sociaal netwerk is. Het gaat om meer dan om lukrake contacten tussen om het even welke individuen die elkaar enkel en alleen om persoonlijke redenen zouden ontmoeten. Niettemin kunnen de interpersoonlijke relaties tussen die verschillende individuen belangrijke effecten hebben op de interacties in het beleidsnetwerk. Als actoren het bijvoorbeeld goed met elkaar kunnen vinden, dan kan dat een belangrijke factor zijn voor het succes van een beleidsnetwerk.

     De problemen waarrond beleidsnetwerken ontstaan, zijn vaak ook meerschalige problemen: ze raken actoren van verschillende bestuursniveaus. Op die manier zijn drie soorten van beleidsnetwerken van elkaar te onderscheiden. In een horizontaal netwerk zijn er afhankelijkheidsrelaties tussen actoren van hetzelfde beleidsniveau. In een verticaal netwerk bestaan er afhankelijkheidsrelaties tussen actoren die zich op verschillende beleidsniveaus situeren. Een diagonaal netwerk tenslotte is een combinatie van de twee vorige netwerken, waarbij actoren die werkzaam zijn op hetzelfde en op andere beleidsniveaus van elkaar afhankelijk zijn.

     De verschillende actoren in een beleidsnetwerk hebben bepaalde doelstellingen vanwege hun organisatie die de basis zijn waarmee zij in relatie treden met anderen. Deze doelstellingen kunnen soms in de loop van het proces door de individuen aangepast worden. Het kan ook zijn dat de organisaties hun doelstellingen pas ontwikkelen doorheen de contacten die de individuen met andere actoren leggen. Bovendien is het ook mogelijk dat een organisatie helemaal geen doelstellingen heeft, maar deze volledig laat afhangen van de oogst die de individuen in hun interacties kunnen binnenhalen.

     Een belangrijk element in de definitie is de wederzijdse afhankelijkheid van de actoren. Aangezien men meer en meer te maken krijgt met complexe beleidsproblemen, zijn actoren niet meer in staat om de doelstellingen die zij formuleren naar aanleiding van die problemen, alleen te realiseren, zonder rekening te moeten houden met andere actoren. Verschillende actoren zijn op elkaar aangewezen om middelen te verkrijgen die zij nodig hebben om hun eigen doeleinden te realiseren. Elke actor wordt echter in eerste instantie gedreven door eigenbelang: hij wil zoveel mogelijk eigen doelstellingen realiseren. Daarbij tracht hij zoveel mogelijk autonoom te blijven, en de mate van afhankelijkheid ten opzichte van andere actoren zoveel mogelijk te beperken. Er is met andere woorden een voortdurend spanningsveld aanwezig tussen dat eigenbelang en het behoud van zoveel mogelijk autonomie enerzijds, en het moeten opgeven van een deel van die autonomie voor het bereiken van de eigen doelstellingen anderzijds. Om zijn doelstellingen te realiseren, heeft een actor middelen of hulpbronnen nodig. Deze hulpbronnen moeten in de ruimste zin opgevat worden. Hiermee worden in de eerste plaats financiële middelen en voldoende personeel bedoeld. Verder gaat dit ook over allerlei vormen van medewerking van andere actoren, over het tijdig kunnen beschikken over cruciale informatie en over goede contacten met doelgroepen of met leidende figuren. Wanneer een actor beschikt over hulpbronnen die andere actoren nodig hebben om hun doelstellingen te realiseren, dan worden die middelen eigenlijk machtsbronnen voor hem. In een beleidsnetwerk zijn de verschillende actoren niet gelijkwaardig in termen van machtsbronnen, zodat er verschillen bestaan in de machtsverhoudingen tussen die actoren. Een beleidsnetwerk bestaat met andere woorden uit asymmetrische relaties.

     Omwille van het feit dat actoren elkaars hulpbronnen nodig hebben, ontstaan er tussen hen interacties. Er groeien vormen van wederzijdse afhankelijkheid in ruil voor de noodzakelijke hulpbronnen. In de loop van dit interactieproces gebruikten de verschillende actoren strategieën om hun afhankelijkheid te wijzigen. Met het oog op het realiseren van de eigen doelstellingen zal elke actor handelen volgens een welbepaalde strategie, waarbij hij zo weinig mogelijk van zijn eigen autonomie wenst op te geven. Er zijn verschillende mogelijke strategieën te onderscheiden. Een actor kan bijvoorbeeld streven naar samenwerking en tot afspraken trachten te komen met andere actoren. Hij kan er ook op uit zijn een coalitie te vormen met bepaalde actoren. Verder is het ook mogelijk dat hij eerder kiest voor competitie of zelfs doelbewust conflicten nastreeft met andere actoren. Actoren kunnen bijvoorbeeld ook informatie verstrekken, manipuleren of foute informatie verspreiden. Elke actor zal in zijn strategie wel rekening moeten houden met het strategisch handelen van de andere actoren. Zo ontwikkelt zich dan rond beleidsproblemen een dynamisch proces van strategisch handelen in een beleidsnetwerk. Deze procesdynamiek wordt vooral bepaald door actoren die de grootste sturingscapaciteit hebben.

 

 

3.3. Theoretische situering

 

3.3.1. Korte literatuurstudie

 

Uit een artikel van Börzel kunnen we twee verschillende scholen van beleidsnetwerken onderscheiden: de ‘interest intermediation’ school enerzijds en de ‘Governance’ school anderzijds. Ze houden er beide een erg verschillende interpretatie van netwerken op na. De ‘interest intermediation’ school beschouwt beleidsnetwerken als een algemene term voor verschillende vormen van relaties tussen belangengroepen en de overheid. Daar waar de ‘Governance’ school beleidsnetwerken net aanziet als ‘a specific form of governance, as a mechanism of mobilizing political resources in situations where these resources are widely dispersed between public and private actors’.[61]

     Hieruit kan er één groot verschilpunt vastgesteld worden tussen deze beide scholen. De ‘Governance’-school gebruikt het netwerkconcept enkel voor een bepaalde vorm van publiekprivate interacties, namelijk daar waar geen hiërarchische sturing of marktgebonden coördinatie tussen de actoren plaatsvindt. Daarentegen de ‘interest intermediation’ school gebruikt het netwerkconcept als een algemeen concept voor alle state-society relaties.[62]

Wij zullen het netwerkconcept hanteren binnen de ‘interest intermediation’ school. Net omdat we ervoor kiezen om beleidsnetwerken te beschouwen als verschillende vormen van relaties tussen belangengroepen en overheid.

 

3.3.2. Typologie van beleidsnetwerken

 

Er worden verschillende types van beleidsnetwerken onderscheiden. Toch kunnen er twee basismodellen onderscheiden worden. Deze twee concepten, die worden ondergebracht bij de ‘interest intermediation’ school zijn enerzijds het pluralisme en anderzijds het corporatisme. Schmitter omschrijft het corporatisme als volgt: “A system of interest representation in which the constituent elements are organised into a limited number of singular, compulsory, non-competitive, hierarchically ordered and functionally differentiated categories, recognised or licensed (if not created) by the state and granted a deliberate representational monopoly within their respective categories in exchange for observing certain controls on their selection of leaders and articulation of demands and supports.”[63]

     Pluralisme daarentegen is volgens Schmitter “ a system of interest representation in which the constituent units are organised into an unspecified number of multiple, voluntary, competitive, non-hierarchically ordered and self determined (as to type or scope or interest) categories which are not specially licensed, recognized, subsidized, created or otherwise controlled in leadership selection or interest articulation by the state and which do not exercise a monopoly of representational activity within their respective categories”.[64]

     Er is nog een derde model, dat ook als basismodel kan beschouwd worden en dan spreken we over ‘cliëntelisme’. Peters omschrijft dit als “a perception of monopoly position within a policy domain. It exists when an interest group for whatever reasons, succeeds in becoming, in the eyes of a given administrative agency, the natural expression and representative of a given social sector in which, in turn, constitutes the natural target or reference point for the activity of the administrative agency.”[65]

Het is uit de discussie tussen pluralisten en corporatisten dat er onderzoek ontstond met de focus op de relatie tussen overheid en belangengroepen en op de wijze waarop beleid tot stand kwam. Vele wetenschappers hebben deze klassieke types verder uitgewerkt om verschillende netwerktypes te kunnen beschrijven.

     Hierna maken we gebruik van het artikel waarin Van Waarden voorbeelden aanreikt van bepaalde netwerktypes. We geven dus enkel ter illustratie een aantal van zijn beschrijvingen weer. Voor een volledig overzicht verwijzen we naar het bronartikel.

     Een eerste voorbeeld van een netwerktype is ‘statism’. In dit netwerktype zijn er amper state-society relaties. Er bestaat alleszins een antagonistische verhouding tussen overheid en maatschappelijke groeperingen, omdat de staat de belangengroepen wil uitsluiten. Bij ‘captured statism’ nemen industriëlen de leiding over staatsagentschappen. De ‘cross-mobility’ van mensen staat dus centraal. In het netwerktype ‘pressure pluralism’ zijn vele tegenstrijdige belangen betrokken, die elk apart streven naar toegang en invloed. In dit netwerk bestaan relatief open grenzen. Het is eerder weinig geïnstitutionaliseerd en kent overlappende en onstabiele informele netwerkrelaties. De overheidsadministratie speelt mogelijks een mediërende of belangenaggregerende rol.

     Het ‘iron triangel’-type kenmerkt zich door gesloten grenzen, door een hoge intensiteit van interacties gebaseerd op stabiele verhoudingen en symmetrische uitwisselingen en door een monopolie op belangenrepresentatie. Men tracht er steeds op zoek te gaan naar consensus en coöperatie, maar de maatschappelijke belangen domineren wel in dit type. Er bestaan ten slotte heel wat informele contacten. In het geval van ‘issue networks’ zijn er vele belanghebbenden betrokken en bestaan er open grenzen. Opmerkelijk is dat niet alleen de belangengroepen betrokken zijn maar dat ook individuele experten deel uitmaken van het netwerk.

     Een ander voorbeeld van een netwerktype is ‘sectoral corporatism’. Het grootste verschil volgens Van Waarden tussen corporatisme en cliëntelisme of pluralisme is het feit dat belangengroepen betrokken geraken in de beleidsuitvoering en enige vorm van staatsgezag toegeschoven krijgen. In ruil voor coöperatie en middelen, voorzien ‘state agencies’ de maatschappelijke actoren van privileges en middelen, waaronder statutair gezag. Ook krijgen ze gepriviligeerde toegang en wordt hun representatieve monopoliepositie erkend. De hulp bij de beleidsuitvoering verhoogt de mutuele afhankelijkheden in het netwerk en leidt alleszins tot meer symmetrische relaties dan in gevallen van cliëntelisme of pluralisme. Corporatistische netwerken vertonen een hoge stabiliteit en institutionalisering. Ook in dit netwerk domineert de zoektocht naar consensus.

     Een laatste voorbeeld van een netwerktype is ‘state corporatism’. Hierbij is de overheid duidelijk dominant. Het netwerk is dan ook erg geformaliseerd, met gesloten grenzen. [66]

 

 

3.4. Plaats van de Boerenbond binnen een beleidsnetwerk: agrarisch neo-corporatisme

 

In dit laatste onderdeel geven we tot slot nog een idee van de vorm van het beleidsnetwerk weer. Het is namelijk zo dat België een schoolvoorbeeld is van wat neo-corporatisme precies inhoudt, namelijk een land waarin het overleg tussen de erkende organisaties en de overheid centraal staat in de besluitvorming. En ook in de landbouw speelt dit een grote rol.

     De landbouw is sinds lang een van de belangrijkste sectoren met overheidsinmenging. Daarom duidt men dit verschijnsel ook aan met de term ‘agrarisch neo-corporatisme’. Het koord dat de agrarische belangenorganisaties verbindt met de overheid, betekent een uitsluiting van niet-agrarische belangen in de politiek, bestuur en samenleving. Het stelt de betrokkenen in staat om zaken te doen en problemen in eigen kring op te lossen. Op deze manier worden ze dus niet gehinderd door teveel inmenging van buitenstaanders.

     Toch zijn er ook verschillen in vergelijking met andere economische sectoren. Ten eerste zijn de boeren en tuinders geen homogene groep. Men is gespecialiseerd in een bepaalde sector (melkvee, akkerbouw, groenten,…), men hanteert verschillende soorten technologie,… Ten tweede is er verhoudingsgewijs een grotere overheidsbemoeienis ten opzichte van de landbouw in vergelijking met de andere sectoren. Dit ten dele omdat er vele beleidsbeslissingen inzake landbouw ook op Europees niveau worden genomen. Ten derde bestaat de achterban van de landbouw uit vele individuele actoren, de ‘boeren’, die over geen enkel drukkingsmiddel beschikken ten aanzien van de overheid, waarop de belangenbehartiging vrijwel steeds is gericht. Immers, anders dan werknemers in loondienst, beschikken de landbouwers niet over het wapen van de staking om hun belangen kracht bij te zetten. Evenmin hebben ze de mogelijkheid om de afzetprijzen te beïnvloeden. Ook kunnen individuele agrarische ondernemers geen eigen lobbyisten erop nahouden die hun belangen verdedigen bij overheid en politiek. Daarom gaan boeren zich verenigen om op die manier enigszins invloed te kunnen uitoefenen op het beleid. Bovendien is de landbouwmaterie ook technisch, economisch en juridisch vrij complex. Men heeft dus als organisatie veel kennis nodig om als een gelijkwaardige gesprekspartner van de overheidsbureaucratie te functioneren. Dit schept dan een afstand tussen de officiële vertegenwoordiging, of de voormannen van de landbouworganisaties, en de achterban, of de boeren.[67]

     Door de meer specifieke invulling via het agrarisch neo-corporatisme, is het duidelijk dat landbouw niet aanzien wordt als een gewone economische sector. Dat dit een invloed gaat hebben op het ontstaan van beleid is nu al duidelijk.

 

 

3.5. Besluit

 

In dit derde hoofdstuk stonden we stil bij de netwerktheorie uit de bestuurskunde, en dan meer specifiek bij de beleidsnetwerken. Rond beleidsproblemen ontwikkelen zich netwerken van publieke en private actoren die wederzijds van elkaar afhankelijk zijn om hun doelstellingen te kunnen realiseren. In een dergelijk netwerk wordt van de overheid meer en meer verwacht dat zij gaat optreden als regisseur, die de verschillende actoren bij de beleidsinitiatieven betrekt, zoekt naar overeenstemming tussen deze actoren en de communicatiekanalen tussen hen creëert en onderhoudt. Toch is er ook sprake van een specifieke invulling van landbouw binnen het neo-corporatisme, namelijk het ‘agrarisch neo-corporatisme’.

 

 

4. Onderzoeksopzet

 

We hebben gebruik gemaakt van een aantal methoden en technieken bij het uitvoeren van het onderzoek. Daarbij hebben we ons aan bepaalde regels gehouden, die zijn opgesteld om de kwaliteit van het onderzoek te waarborgen. Alvorens de resultaten naar voren te kunnen brengen, is het uiteraard nodig deze werkwijze duidelijk te stellen

     Daarom stellen we in dit hoofdstuk de onderzoeksopzet voor. Eerst en vooral formuleren we nogmaals de onderzoeksvraag. In het tweede deel van dit hoofdstuk gaan we dieper in op de gebruikte onderzoeksmethoden.

 

 

4.1. De onderzoeksvraag

 

In deze eindverhandeling willen we nagaan of de Boerenbond invloed heeft gehad tijdens het ontstaan van het beleid inzake de financiering van de BSE-maatregelen. Want sinds 1996 is heel Europa in de ban van BSE, omdat uit wetenschappelijke onderzoek was gebleken dat BSE een hersenziekte is, die zou kunnen worden overgebracht van dier op mens. Bovendien blijkt het rundvlees niet zo veilig als steeds werd aangenomen. Europa bepaald dan de maatregelen die door de lidstaten moeten genomen worden. Wat voor de lidstaten betekent dat ze kunnen starten met hun zoektocht naar de nodige financiële middelen, zo ook in België. En daar draait het tijdens het overleg allemaal rond: het vinden van voldoende financiële middelen. Met andere woorden: wie gaat de BSE-kosten betalen?

     De vraagstelling van een onderzoek bevat een of meer uitspraken over de gewenste inhoud van het onderzoek. Welke vragen zullen in het onderzoek een antwoord krijgen? Wat wordt er onderzocht? De vraagstelling verwijst dus naar het doel in het onderzoek. In dit deel gaan we proberen deze duidelijk te stellen. We doen dit door de onderzoeksvragen te koppelen aan ons theoretische luik. In eerste instantie doen we dit voor de deelprocessen, de agendavorming en de beleidsvorming. Dan nemen we het concept belangengroep of pressiegroep terug onder de loep. Om ten slotte ons af te vragen of er sprake is van een beleidsnetwerk of van agrarisch neo-corporatisme.

 

4.1.1. Onderzoeksvragen met betrekking tot “beleid”

 

In deze verhandeling willen we nagaan of een sociale organisatie als Boerenbond invloed kan uitoefenen bij het totstandkomen van het beleid. Uit het theoretische gedeelte kwam duidelijk naar voren dat er meerder deelprocessen zijn tijdens de beleidscyclus waarop een belangengroep zijn invloed kan doen gelden. Maar in deze voorliggende verhandeling willen we vooral nagaan of de Boerenbond al dan niet enige invloed heeft kunnen doen gelden tijdens de agendavorming en de beleidsvorming.

     Tijdens het agendavormingsproces wordt vastgelegd welke onderwerpen door de beleidsactoren zullen worden behandeld. Hierbij kunnen we een aantal vragen voorop stellen. Welke problemen komen wel en welke niet op de agenda van de overheid? En waarom? Hoe krijgt een probleem aandacht van de overheid? Hoe wordt het probleem geformuleerd of gedefinieerd? Zijn er onderweg naar de overheid barrières en zo ja, waar dan? En wie, respectievelijk welke problemen, maken de meeste kans die barrières te overwinnen? En waarom? Ook hebben we in het theoretische gedeelte duidelijk gesteld dat er meerdere soorten agenda’s zijn, namelijk de beleidsagenda, de politieke en de publieke agenda. We kunnen ons dus eveneens afvragen op welke agenda het probleem zich voor het eerst aandiende? Of wie het probleem op de agenda plaatste en op welke manier? En hoe bereikt het probleem uiteindelijk de beleidsagenda? Bovendien kunnen we de burgers niet negeren. Zij verwachten net een actief beleid, indien ze een maatschappelijk probleem waarnemen. En dan is de vraag natuurlijk hoe het komt dat zo een beleid soms wel en soms niet ontstaat? Hoe valt het te verklaren dat sommige maatschappelijke problemen wel aandacht van de overheid krijgen en andere niet?

     Bij de beleidsvorming hebben we de nadruk gelegd op de botsing tussen de intellectuele rijping en de politieke wilsvorming. Dit leidt op zijn beurt tot twee stijlen van beleidsvorming, namelijk ontwerpen en instigeren. Wat de eerste stijl betreft, vragen we ons af wie de oplossingen heeft uitgedacht voor het beleidsprobleem? Van welk plan, van welke goed gefundeerde argumenten maken de verschillende actoren, waaronder de Boerenbond gebruik om hun gelijk te halen? Met betrekking tot de tweede stijl trachten we na te gaan op welke manier er overeenstemming is bereikt tussen de verschillende partners in het overleg. De belangrijkste vragen hierbij zijn: “Welke instantie is bevoegd en welke organisatie heeft de meeste invloed?”. Enerzijds maken we dus gebruik van de juridische kennis. Anderzijds onderzoeken we welke personen of instanties de meeste invloed hebben op de inhoud van het vastgestelde overheidsbeleid.

     Bovendien stellen we ons ook nog andere vragen, zoals welke compromissen zijn er gesloten tussen de verschillende oplossingen. Wie heeft wie kunnen overtuigen om zijn of haar plan te aanvaarden? Op welke manier is er invloed aangewend om een bepaald voorstel al dan niet meer of minder aanvaard te maken? Welke politieke weerstanden heeft de Boerenbond moeten overwinnen? Belangrijk hier is dus de factor ‘invloed’ die al dan niet meespeelt. Het beleidsproces ondergaat gegarandeerd de machtsuitoefening van de verschillende partners binnen het overleg.

     Tot slot gaan we na of er aandacht is besteed aan een aantal maatstaven in verband met de kwaliteit van een beleid, namelijk, de politieke en maatschappelijke aanvaardbaarheid, de rationaliteit en de uitvoerbaarheid van een beleid.

 

4.1.2. Onderzoeksvragen met betrekking tot “belangengroepen”

 

Wat het tweede deel van ons theoretisch gedeelte betreft, namelijk de belangengroepen, belichten we maar één zijde van hun politieke dubbelrol. Omdat onze aandacht net uitgaat naar de invloed van de Boerenbond bij de totstandkoming van het beleid en niet zozeer bij de uitvoering ervan, gaan we de bond als pressiegroep bespreken en niet als parapolitieke organisatie. We willen namelijk nagaan in welke mate de Boerenbond erin geslaagd is de vorming van het overheidsbeleid te beïnvloeden. We hebben eveneens gemeld dat belangengroepen, die optreden als pressiegroepen, naast het beïnvloeden van politieke beslissingen in hun voordeel, zich ook proberen te verzekeren van permanente toegang tot en deelname aan de politieke besluitvorming over overheidsbeleid. Omdat juist deelname aan de besluitvorming macht en prestige oplevert, zullen deze groepen ernaar streven die deelname zoveel mogelijk te monopoliseren en dus concurrenten uit te schakelen.

     We willen dus nagaan in welke mate de Boerenbond invloed heeft kunnen uitoefenen tijdens het BSE-overleg. Op welke wijze ze het overheidsbeleid hebben beïnvloed? Hebben ze zodanig kunnen handelen dat het overheidsbeleid er anders uitziet dan wanneer ze niets hadden ondernomen? Dus vragen we ons ook af of er sprake is van een relatie tussen de belangengroep en de overheid. En is de te beïnvloeden actor, namelijk de overheid toegankelijk voor invloedsuitoefening.     Tevens onderzoeken we of de Boerenbond van de mogelijkheid heeft gebruik gemaakt om deel te nemen aan het besluitvormingsproces om beslissingen tegen te houden. Dus is er sprake geweest van ‘non-decision’? Hebben bepaalde personen of organisaties de toestand ongewijzigd willen houden en ongewenste veranderingen willen voorkomen?

     Verder gaan we na op welke wijze er invloed is uitgeoefend? Is dit gebeurd op een directe wijze, waarbij de Boerenbond zelf bijdraagt aan de totstandkoming of verhindering van de beleidsbeslissing? Of is er eerder sprake van een indirecte beïnvloeding, waarbij de Boerenbond niet zelf bijdraagt aan de totstandkoming of verhindering daarvan, maar dat via derden doet. Of is er gebruik gemaakt van ‘anticipatie’? Hierbij stellen we ons nog de vraag of het eindresultaat een compromis is, waarbij de ene pressiegroep meer uit de brand heeft kunnen slepen dan de andere.

     We gaan tot slot ook nog kort na tot welke actoren de Boerenbond zich gericht heeft, van welke middelen ze gebruik gemaakt heeft om invloed uit te oefenen en op wat ze zich gebaseerd heeft om hun keuze te maken voor de te hanteren middelen.

 

4.1.3. Onderzoeksvragen met betrekking tot “beleidsnetwerken”

 

Wat het theoretische kader betreft met betrekking tot de ‘beleidsnetwerken’ kunnen we ons volgende vragen stellen. Welke actoren zijn op een bepaald moment bij een bepaald beleidsprobleem betrokken en staan met elkaar in relatie? Welke specifieke posities nemen ze in als een gevolg van hun onderliggende bedoelingen? Op welke manier vechten ze hun meningsverschillen uit? Welke middelen zetten ze in voor welke doelstellingen? Is er sprake van een complex probleem of meerschalige problemen? Is het een multi-actor probleem? Zijn de verschillende actoren wederzijds afhankelijk? Van welke strategieën maken ze gebruik: samenwerking, coalitie, competitie of conflict? Wie heeft de grootste sturingscapaciteit van de verschillende actoren in het beleidsnetwerk?

     Tot slot gaan we na of we de Boerenbond kunnen plaatsen binnen het agrarisch neo-corporatisme. Is er hier met andere woorden sprake van een relatie tussen de overheid en de landbouworganisatie, waarbij andere actoren worden buitengesloten?

 

 

4.2. Onderzoeksmethoden

 

Bij de sociale wetenschappen zijn er verschillende opvattingen over de aanpak van wetenschappelijk onderzoek. Ieder gebruikt die methode die volgens hem of haar het meest afdoende is. In de uitwerking van ons onderzoek hebben we een tweevoudige beweging gevolgd. In eerste instantie is er een literatuuronderzoek geweest. We hebben tijdens deze fase een aantal vooraanstaande concepten, ideeën en methoden weerhouden. De belangrijkste concepten, namelijk beleidsvorming en belangengroepen hebben we dan onder de loep genomen. Maar ook hebben we extra aandacht gespendeerd aan beleidsnetwerken met meerdere actoren. In de vorige paragraaf hebben we onze onderzoeksvragen gekoppeld aan deze literatuur.

     In een tweede beweging zijn we dan concreet onderzoeksmateriaal gaan verzamelen. Hierbij werd het criterium gehanteerd om een zo exhaustief mogelijk pakket van materiaal samen te stellen. De invalshoek is hier eerder inductief van aard geweest. We willen voornamelijk het voortdurend heen en weer bewegen tussen theoretische inzichten en onderzoeksmateriaal onderzoeken tijdens een explorerend onderzoek.

 

4.2.1. Overzicht van het onderzoeksmateriaal

 

Het is niet zo eenvoudig gebleken om de BSE-crisis methodologisch te verwerken. De problematiek is erg omvattend en manifesteert zich op uiteenlopende niveaus. Het probleem liet zich het scherpst voelen in het Verenigd Koninkrijk, terwijl de belangrijkste beslissingen genomen werden door de Europese Commissie. Maar ook in Vlaanderen en Wallonië werden gekke koeien ontdekt. In deze verhandeling besteden we net aandacht aan het federale vraagstuk met betrekking tot de financiering van de BSE-testen. Welke rol had de Boerenbond in heel deze kwestie en welke relaties werden er precies onderhouden met de overheid?

     Hierbij hebben we dus gebruik gemaakt van twee methodes, namelijk interviews en documentanalyse. Van doorslaggevend belang bij het zoeken naar de invloed van de Boerenbond tijdens de BSE-crisis is het nieuwsarchief van het Vlaams Informatiecentrum over Land- en Tuinbouw (VILT) geweest. We hebben tevens gesprekken gehad met Mevr. Nele Roobrouck van het kabinet van de Eerste Minister, Dhr. Roger Saenen en Dhr. Eddy Leloup van de landbouworganisatie Boerenbond en met Dhr. Johan Hallaert van FEVIA. Andere personen, tevens gecontacteerd voor een gesprek, hebben hun medewerking niet willen verlenen. Tot slot hebben we ook gebruik gemaakt van de verschillende documenten die ons ter beschikking werden gesteld door de verschillende betrokken organisaties, waaronder de Boerenbond, FEVIA en het FAVV.

 

 

4.3. Korte evaluatie van de gebruikte bronnen en de werkwijze

 

Naar ons aanvoelen wierp de hierboven beschreven werkwijze van interviews en documentanalyse haar vruchten af en werd er voldoende informatie verkregen.

     Beide technieken leverden verschillende resultaten op, die naar ons aanvoelen elkaar behoorlijk konden aanvullen. Door gebruik te maken van het nieuwsarchief van VILT zijn we namelijk in staat geweest een chronologisch overzicht te maken van de bewuste periode. Bovendien konden we zo een aantal organisaties en personen onderscheiden die het proces van zeer nabij gevolgd hebben. En waren we dus in staat om via een aantal interviews ons op een meer selectieve en doorleefde manier vertrouwd te maken met de problematiek. Verder leverden de extra verkregen documenten tijdens de interviews nog meer preciezere informatie op en konden we dankzij de gesprekken leemtes in het chronologische overzicht opvullen. Tevens verkregen we zo meer achtergrondinformatie, motiveerden ze bepaalde gebeurtenissen en gaven ze de mening van de betrokkenen.

     Er zijn natuurlijk voordelen en nadelen verbonden aan deze methodes Bij documentanalyse zijn er puur praktisch heel wat voordelen. Zo moet je geen personen ‘lastigvallen’ en houd je de kost van het onderzoek meestal laag. Ook is dit soort van informatieverzameling minder van toeval afhankelijk en nauwkeuriger.[68] We kunnen er dus vanuit gaan dat dit een betrouwbare manier is om informatie te verzamelen.

     Een nadeel aan dit soort van onderzoek, is dat we informatie over het hoofd kunnen zien doordat we bijvoorbeeld bepaalde documenten niet hebben ingezien, of doordat we te snel denken alle gegevens te hebben verzameld. Aan dit nadeel hebben we zoveel mogelijk proberen tegemoet te komen, door steeds contact op te nemen met de Boerenbond en te vergelijken.

Wat de interviews betreft, is het zo dat de interviews sterk verschilden wat de informatiewaarde betreft. Waar we bij het ene interview hopen informatie verkregen, was het informatie sprokkelen bij het andere. Ten tweede bleek ook de openhartigheid van de geïnterviewden sterk uiteen te lopen: sommige waren zeer openhartig en namen de interviewer volledig in vertrouwen of gaven toch die indruk, anderen waren minder bereid bepaalde informatie weer te geven en tenslotte waren er ook die hun medewerking volledig weigerden of gewoon niet reageerden. Tot slot beseffen we dat informatie van interviews steeds geverifieerd moet worden. Dit doen we net door contact op te nemen met verschillende actoren en hun te confronteren met de visies en meningen van de andere betrokkenen.

 

 

4.4. Besluit

 

We gebruikten een combinatie van twee onderzoeksmethoden om onze onderzoeksvraag te beantwoorden. Aan de knelpunten van de gebruikte onderzoekswijzen trachten we zo goed als mogelijk tegemoet te komen. We willen op die manier een beeld schetsen van de mogelijke invloed van de Boerenbond op het beleid. In ons volgende hoofdstuk geven we een overzicht van de verschillende actoren, die betrokken zijn geweest bij het overleg inzake de BSE-crisis.

 

 

5. Arena-analyse

 

 

Het overleg met betrekking tot de BSE-crisis is een duidelijk voorbeeld van een bonte mengeling van verschillende actoren. Dit is een gevolg van het gegeven dat de agrarische sector meer omvat dan enkel boeren en tuinders. Er zijn tevens veehandelaars, slachterijen, meelfabrikanten, grootdistributie,… Maar ook de consumentenorganisaties, de distributie, de horeca en dergelijke zijn betrokken organisaties. Uiteraard kunnen we de overheid niet vergeten. Ze is nauw betrokken bij deze sector en dit op de verschillende bestuursniveaus. Zowel de federale overheid als de gewesten moeten rekening houden met de verschillende beleidsmaatregelen. Daarbovenop moet er dan ook nog aandacht worden geschonken aan de beslissingen die de Europese landbouwministers nemen.

     Daarom trachten we de verschillende betrokken actoren tijdens de BSE-crisis in dit hoofdstuk in kaart te brengen. Allereerst geven we een overzicht van de verschillende overheidsdiensten, betrokken bij het overleg rond de BSE-crisis. Vervolgens komt het onderzoeksobject, de Boerenbond aan bod. Om uiteindelijk kort af te sluiten met nog andere belangengroepen of belanghebbende organisaties.

 

 

5.1. De verschillende overheidsdiensten

 

Er waren verschillende niveaus van de overheid betrokken bij het overleg rond de BSE-crisis. Het betrof zowel de federale overheid als de Vlaamse en de Waalse overheden. Toch besteden we enkel aandacht aan de federale overheidsdiensten, aangezien de concrete case een federale aangelegenheid betreft.

     De federale regering leidt het centrale bestuur van België. De grondwetsherzieningen van de voorbije kwarteeuw hebben haar heel wat bevoegdheden doen afstaan aan de nieuwe deelstaten van het land. Toch is ze nog steeds bevoegd voor het buitenlandse en Europese beleid, defensie, justitie en politie, volksgezondheid, de sociale zekerheid, de belastingen, het macro-economische beleid en de tewerkstelling, het wetenschapsbeleid, de mobiliteit en de telecommunicatie. Elke federale overheidsdienst heeft een eigen kabinet en werkt samen met de administratie die overeenstemt met hun bevoegdheden. Ministers en regering overleggen ook met de deelstaatregeringen, met politieke partijen, met werkgevers en werknemers, met de media, met allerlei sociale organisaties, met de steden en de gemeenten, het leger, de universiteiten, de overheidsbedrijven enzovoort.[69]

     We laten nu achtereenvolgens de federale overheidsdienst (FOD) Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen aan bod komen.

 

5.1.1. FOD Kanselarij van de Eerste Minister

 

De FOD Kanselarij van de Eerste Minister staat in voor de coördinatie van het regeringswerk en de logistieke ondersteuning. De FOD is verantwoordelijk voor de voorbereiding en de uitvoering van de reglementaire bevoegdheid van de Eerste Minister, meer bepaald op het gebied van de overheidsopdrachten. Hij vervult tevens meer en meer de rol van verkeersknooppunt tussen de Federale Staat en de deelstaten enerzijds, en de Europese Unie anderzijds.[70]

 

5.1.2. FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu

 

Deze dienst heeft als opdracht een beleid uit te werken gericht op het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van het leven, het voedsel en het leefmilieu.[71] Hun missie is dus in dialoog treden om een transparant, dynamisch, wetenschappelijk gefundeerd beleid uit te bouwen en te dragen dat de kwaliteit van leven (mens, dier, plant), voedsel en leefmilieu verzekert en verbetert, nu en in de toekomst.[72]

 

5.1.3. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen

 

Het Agentschap is een redelijk jonge dienst binnen de federale overheid. Vroeger waren de inspectie- en controlediensten erg versnipperd; bij het Ministerie van Landbouw, het Instituut voor de Veterinaire Keuring (IVK), de Eetwareninspectie… Het FAVV is net ontstaan omdat er nood was aan een vlotte en efficiënte werking. De behoefte voor een goed en coherent toezicht op de voedselketen vereiste een snelle, doelgerichte en efficiënte aanpak, en dus een gecoördineerde actie en een goede communicatie tussen alle bevoegde controlediensten. Daarom besliste de Belgische regering alle controlediensten in de voedselketen te groeperen in één Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen: het Belgische Voedselagentschap. Het Voedselagentschap integreert aldus in één enkele administratieve organisatie alle controle-en inspectiediensten, van het begin tot het einde van de voedselketen en vindt zijn wettelijke basis in de wet van 4 februari 2000.[73]

     De hoofdopdracht van het FAVV is de keuring en controle van voedingsmiddelen en hun grondstoffen in alle stadia van de voedselketen. Ook levert het erkenningen af om activiteiten op het gebied van voedingsproductie te mogen uitoefenen. Tevens werkt het traceer- en identificatiesystemen uit om de productie en verwerking van voeding te volgen in alle stadia. Ten slotte is het FAVV ook bevoegd voor dierenwelzijn en fytosanitaire controles.[74]

 

 

5.2. De landbouworganisatie Boerenbond

 

In dit deel komt het onderzoeksobject van deze eindverhandeling aan bod, namelijk de belangengroep Boerenbond. In het eerste punt komt de structuur van de organisatie aan bod. Vervolgens besteden we aandacht aan het huidige ledenaantal. Tot slot gaan we beknopt de aanwezigheid van deze belangengroep na in bepaalde organen van de overheid.

 

5.2.1. De structuur van de landbouworganisatie Boerenbond

 

In dit onderdeel wordt de tweeledige structuur van de Boerenbond behandeld. Deze structuur kwam tot stand in 1971. Dit bleek een breukjaar te zijn, omdat toen een splitsing tot stand kwam. Er kwam enerzijds de Beroepsorganisatie en anderzijds de ruimere sociaal-culturele beweging, namelijk de Landelijke Beweging. Toch bleven deze beide bewegingen onder één koepel vervat, waardoor de eenheidsstructuur behouden bleef. We maken nu gebruik van de huidige structuur sinds 1997.

     Er zijn dus twee koepelbewegingen, namelijk de Beroepsorganisatie en de Landelijke Beweging met hun deelbewegingen. De Beroepsorganisatie overkoepelt de beroepswerking voor de land- en tuinbouwers, KVLV-Agra voor boerinnen en tuiniersters en de Groene Kring voor meewerkende jongeren op het bedrijf en jonge land- en tuinbouwers. De Landelijke Beweging overkoepelt de Landelijke Gilden, d.i. de socio-culturele vereniging voor mannen op het platteland, de KVLV, de socio-culturele vereniging voor landelijke vrouwen, de KLJ die een organisatie voor jongeren op het platteland is en de LRV, de federatie van verenigingen van ruiters en amazones.[75]

 

5.2.2. Het huidige ledenaantal

 

Het is opmerkelijk dat het ledenbestand van de Boerenbond verruimde naar de hele plattelandsbevolking terwijl de boerenstand verkleinde. Daarom besliste de organisatie ook om in 1971 een duidelijk onderscheid te maken tussen de Beroepsorganisatie voor de landbouwers enerzijds en de Landelijke Beweging voor de plattelandsbewoners anderzijds. Net daardoor kon de Boerenbond ook een rol gaan spelen als pleitbezorger van het platteland, van het landelijke leven, van het milieu, het gezin en de volkscultuur. Langzaam maar zeker breidde de organisatie zich uit en begon ze zich dus ook te richten tot andere doelgroepen, dan boeren en tuinders. Het huidige ledenaantal bedraagt 250 000 leden, waaronder 17 000 professionele leden, namelijk de boeren en de tuinders. Daarom is de Boerenbond ook de grootste syndicale organisatie voor de land- en tuinbouwers.

De Boerenbond gaat dus door als een complexe vereniging die op tal van terreinen een rol speelt in het maatschappelijke leven. Toch blijft de Boerenbond een organisatie, die in de eerste plaats de belangen behartigt van de boer, ondanks het lage percentage landbouwers in Vlaanderen (nu nog ongeveer 2 procent). Bovendien is ze ook verantwoordelijk voor tal van sociale diensten, die hij aanbiedt aan de plattelandsbevolking. Voorbeelden zijn hier de landelijke thuiszorg, de klusjesdiensten uitgaand van de Boerenbond, de landelijke kinderopvang,…[76]

 

5.2.3. De Boerenbond: aanwezig in de organen van de overheid

 

Zoals we al stelden is België een goed voorbeeld van een land waarin het overleg tussen de erkende organisaties en de overheid centraal staat in de besluitvorming. Het is dus een land dat een mooie illustratie vormt van wat neo-corporatisme precies inhoudt.

     De representativiteit van een organisatie is in België afhankelijk van een erkenning door de overheid. Door deze erkenning door de overheid, heeft men als organisatie de mogelijkheid om te participeren in adviesraden, commissies,… in samenwerking met de overheid. De Boerenbond bekleedt dus een aantal formele mandaten die verbonden zijn aan het statuut van erkende ‘sociale partner’. De juridische basis van die erkenning voor de Boerenbond als sociale partner is niet te vinden. Toch dateert deze van de naoorlogse periode, toen het overleg tussen overheid, vakbonden en werkgeversorganisaties werd geïnstitutionaliseerd. De Boerenbond was op dat ogenblik ook de enige Belgische representatieve landbouworganisatie.[77]

     We zouden in herhaling vallen moesten we de formele beïnvloedingskanalen van de Boerenbond beginnen te vermelden, omdat deze in een vorig onderzoek al uitvoerig aan bod zijn gekomen. Toch vermelden we hier kort de organen, waar de Boerenbond in zetelt.

     De Boerenbond is enerzijds aanwezig in adviserende instanties en anderzijds in uitvoerende instanties. Wat de adviserende instanties betreft wordt er een onderscheid gemaakt tussen overleg op nationaal niveau en overleg op regionaal niveau. Op regionaal niveau beschikt de Boerenbond over vertegenwoordigers in diverse geregionaliseerde organen, onder andere in de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen (SERV), in de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (MiNa-Raad) en in de Vlaamse Land- en Tuinbouwraad (VLTR). Op nationaal niveau zetelt de Boerenbond onder andere in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) en in de Nationale Arbeidsraad (NAR). Deze beide raden worden doorgaans “het Huis van de Belgische sociale partners” genoemd. Samen vormen ze de koepel van een onderhandelings- en overlegstructuur, die zich op de verschillende niveaus heeft ontwikkeld. Verder zetelt de Boerenbond tevens in twee andere nationale adviserende instellingen, namelijk de Nationale Bank van België (NBB) en de Nationale Landbouwraad.

     Wat de uitvoerende instanties betreft, zetelt de BB in de Raad van Bestuur van verschillende Vlaamse Openbare Instellingen en van verschillende Verenigingen Zonder Winstoogmerk. Maar wat belangrijker is voor ons onderzoek, is dat de BB ook aanwezig is in de Raad van Bestuur van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

     Boerenbond maakt, onder andere samen met andere landbouworganisaties, deel uit van het raadgevend comité van het FAVV. Het raadgevend comité groepeert alle partijen die bij de veiligheid van de voedselketen zijn betrokken, van producenten tot gebruikers via hun verenigingen. Het wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder en heeft een belangrijke raadgevende functie.[78]

 

 

5.3. Andere betrokken organisaties

 

5.3.1. Federatie Voedingindustrie

 

FEVIA is de Federatie van de Voedingsindustrie in België, de tweede industriële sector van het land met 6.200 werkgevers en 87.000 werknemers. FEVIA is woordvoerder en actieve bemiddelaar tussen de industriëlen van de sector en de maatschappelijke omgeving waarin zij werken. FEVIA concentreert zich vandaag op drie domeinen en is dan ook gestructureerd in drie departementen: sociale zaken, milieu, voedingsbeleid.[79]

Als vertegenwoordiger van de voedingindustrie in België wenst FEVIA een richtinggevende rol te spelen in het Belgisch (federaal & communautair) voedingsbeleid, dat zich situeert in een Europese en internationale context.

     Dat voedingsbeleid moet beogen de eindverbruiker, onder economisch verantwoorde voorwaarden, een aanbod van levensmiddelen te verzekeren dat hem op kwantitatief en kwalitatief vlak in staat stelt zijn welzijn en gezondheid op evenwichtige wijze te behartigen, en dat ondersteund wordt door een open communicatie.

     FEVIA neemt hierbij haar eigen verantwoordelijkheid op in dialoog en samenwerking met andere maatschappelijke en professionele actoren.

     De andere maatschappelijke actoren omvatten de overheid, de media, de georganiseerde consument en de wetenschappelijke wereld. De andere professionele actoren zijn in de eerste plaats de landbouwsector, de distributiesector en de chemische sector.[80]

 

5.3.2. Fédération Wallonne de l'Agriculture (FWA) en Algemeen Boerensyndicaat (ABS)

 

Samen met de Waalse landbouwfederatie en het Algemeen Boerensyndicaat vormt de Boerenbond het Agro-front. Dit is dus een overkoepelende organisatie van de drie grootste landbouworganisaties. Ze vertegenwoordigen samen het overgrote deel van de land- en tuinbouwers. Hier bespreken we nu kort nog het FWA en het ABS, aangezien we hierboven de Boerenbond reeds uitvoerig aan bod hebben laten komen.

     FWA is de Waalse tegenhanger van de Boerenbond. Ze vertegenwoordigt de Waalse landbouwers. Ze hebben twee hoofdopdrachten. Enerzijds willen ze erop toezien dat het beroep van landbouwer efficiënt verdedigd wordt. Anderzijds willen ze solidair met de anderen een toekomst verzekeren voor de Waalse landbouw. Het FWA biedt vele diensten aan, waaronder juridische, financiële en vertegenwoordigende diensten.[81]

     Op 11 november 1962 werd het Algemeen Boerensyndicaat (ABS) opgericht als syndicaat voor land- en tuinbouwers. Al gauw wil het syndicaat zich profileren als erkende landbouworganisatie. Daarom stelt het ABS zich dan ook in 1978 kandidaat voor de officiële vertegenwoordiging in de land- en tuinbouw.

     Het ABS is momenteel de tweede grootste landbouworganisatie in Vlaanderen en is in de eerste plaats een syndicaat dat ervoor zorgt dat de belangen van haar leden zo goed mogelijk verdedigd worden. Het ABS is politiek neutraal, zodat ze hun belangen kunnen verdedigen bij alle politieke partijen. Net omdat landbouw een primaire en belangrijke economische sector is, die niet zomaar afhankelijk kan zijn van een of andere belangengroep of partij. Naast syndicale tussenkomsten, biedt het ABS tevens een waaier van diensten aan.[82]

 

5.3.3. Overige organisaties

 

Uiteraard zijn er nog meerdere organisaties betrokken geweest bij het overleg inzake de BSE-crisis. Daarom zullen we ze nu nog kort aan bod laten komen. We doen dit door ze te groeperen volgens sector.

     Van in het begin was het duidelijk dat er vele sectoren (onderaanbesteding landbouw, veredelingsindustrie, voedselnijverheid, distributie en horeca) betrokken waren bij dit overleg. Ten eerste waren er natuurlijk de verschillende schakels van de vleeskolom. Hierin zitten de producenten of de landbouwers, maar ook de slachthuizen, de veehandelaars en de uitsnijderijen. Vertegenwoordigende organisaties zijn het Agro-front of de drie grootste landbouworganisaties BB, ABS en FWA, het Nationaal verbond van Slachthuizen en Vleesuitsnijderijen (NVS), de Belgische federatie van de vleesexporteurs (BIVEX), de Vlaamse en Waalse veehandel, VEPEK (pluimveehouders), de Belgische Vereniging van de Kalverhouders, de vereniging van varkenshouders (VEVA),…

     Ten tweede was er de distributiesector, bestaande uit de slagers, de distributiebedrijven, de horeca, de vleesdistributiesector en de grootdistributie. Voorbeelden hierbij zijn de federatie van de distributiesector (FEDIS), de Landsbond der beenhouwers, HoReCa Vlaanderen,…

     Ten derde was er de voedingsindustrie, vertegenwoordigt door de Federatie van de Belgische Vleeswarenindustrie (Fenavian) en de Voedingsindustrie FEVIA.

De laatste groep zijn de consumentenorganisaties en de consumenten zelf. Deze groep wordt in dit overleg vertegenwoordigd door Test-Aankoop en de Unie van Zelfstandige Ondernemers (UNIZO).

 

 

5.4. Besluit

 

We hebben in dit hoofdstuk een beeld willen schetsen van de verschillende actoren, betrokken bij het overleg inzake de BSE-crisis. Nu is wel duidelijk dat de agrarische sector meer is dan wat boeren en tuinders bij elkaar. Er zijn ook veehandelaars, slachterijen en vleesverwerkende bedrijven, meelfabrikanten, grootdistributie, vleeswarenfabrieken,… En tevens de consumentenorganisaties, de distributie, de horeca en dergelijke zijn betrokken organisaties. Bovendien kunnen we de federale overheid niet vergeten bij dit alles.

     In het volgende hoofdstuk wordt de case voorgesteld. De financiering van de BSE-testen zal eerst chronologisch verteld worden. Nadien willen we antwoorden geven op onze onderzoeksvragen.

 

 

6. Case: ‘De financiering van de BSE-testen’

 

De term ‘Boviene Spongiforme Encephalopathie’[83] doet waarschijnlijk vreemd aan, maar de afkorting ‘BSE’ zal meer vertrouwd klinken. Dit is zo sinds wetenschappers openbaar maakten dat BSE een hersenziekte is, die overdraagbaar is van dier op mens. Onze aandacht gaat echter niet uit naar de wetenschappelijke kant van dit verhaal. We plaatsen de focus van ons onderzoek op de bestuurlijke richting, namelijk op welke wijze zijn de overheid, de politieke partijen, de burgers, de belangengroepen en de media omgegaan met bepaalde gevolgen van deze ziekte. Het grootste probleem van de crisis was de financiering van de BSE-maatregelen. Dit werd opgedeeld in enerzijds de vraag naar wie er verantwoordelijk was voor de kosten van de opgelegde BSE-testen, een federale materie. Anderzijds was er ook de vraag: wie was aansprakelijk voor de ophaling, opslag en verwerking van beendermeel en dit betrof een gewestmaterie. In ons onderzoek richten we ons hoofdzakelijk op het federale hoofdstuk.

     Ten eerste geven we een chronologisch overzicht van het overleg, door gebruik te maken van krantenartikels. Bovendien maken we hier gebruik van de gevoerde gesprekken met de betrokken actoren en de analyse van belangrijke documenten om de leemtes op te vullen. Nadien zullen we dan aan de hand van deze informatie een antwoord formuleren op onze onderzoeksvragen.

 

 

6.1. Chronologische schets van het overleg

 

We gaan de ganse periode (1986-2004) opdelen in zes deelperiodes (zie tabel 1 in bijlage). Het begint met de ontdekking van de ziekte in 1986 en de maatregelen van de Europese Unie bij de daaropvolgende crisis van 1996. Daarna is er een opeenvolging van verschillende voorstellen om te bepalen wie verantwoordelijk is voor de kosten van de BSE-maatregelen. Dan start de derde periode met het ontwerp-KB van minister van Volksgezondheid Demotte op 13 december 2003. Vervolgens zijn er de reacties op dit voorstel en de onderhandelingen van het kabinet Verhofstadt en het FAVV met het Agro-front. De vijfde deelperiode is de periode dat er een akkoord wordt bereikt dat aanvaardbaar is voor de Boerenbond, het FWA en het ABS. En tot slot halen we de verschillende reacties van de andere actoren aan op het bereikte akkoord tijdens de slotfase.

 

6.1.1. Hoe het allemaal begon…

 

In 1986 werd voor het eerst in Engeland de dierziekte Boviene Spongiforme Encephalopathie of BSE geconstateerd, een aandoening van het centrale zenuwstelsel. Maar pas sinds 1996 is heel Europa in de ban van BSE, omdat uit wetenschappelijke onderzoek was gebleken dat BSE een hersenziekte is, die zou kunnen worden overgebracht van dier op mens. Bovendien moest de Britse overheid op 20 maart 1996 toegeven dat het Britse rundvlees niet zo veilig was als steeds werd aangenomen. In de daaropvolgende dagen nemen een aantal EU-lidstaten een verstrekkende beslissing: aan de import van Brits rundvlees wordt een einde gesteld. Waarop de Europese Commissie meteen reageert door het embargo te veralgemenen.[84]

     Maar al gauw wordt duidelijk dat bepaalde runderen in de overige EU-lidstaten evenmin veilig zijn. Elk land blijkt BSE-gevallen te herbergen, waardoor een gezamenlijke oplossing niet kan uitblijven. Maar het zal nog tot het einde van november 2000 duren alvorens de Europese landbouwministers een gemeenschappelijk standpunt kunnen bereiken. Onder druk van Frankrijk en Duitsland, beslist Europa dat vanaf 1 januari 2001 alle risico-runderen ouder dan 30 maanden in heel de Europese Unie extra BSE-testen moeten ondergaan en dat er een verbod komt op het gebruik van diermeel in veevoeder voor een voorlopige periode van zes maanden. Daarenboven wil Europa financieel niet tussen beide komen, dus moeten de lidstaten de BSE-maatregelen zelf betalen.[85]

     Net omdat deze ziekte niet door de boeren zelf was binnengebracht in de landbouw, was het voor de Boerenbond van in het begin duidelijk dat de boeren hier niet de verantwoordelijkheid konden nemen voor het financieren van de BSE-maatregelen. De Boerenbond zag de BSE-crisis als een maatschappelijk probleem, een probleem van de algemene volksgezondheid, waarvoor de overheid dus verantwoordelijk was. Daarom dat de bond ook voorstander was om deze maatregelen te financieren vanuit de algemene middelen.[86] Op de beslissing van de Europese landbouwministers reageert de Boerenbond dan ook positief. De organisatie ziet de BSE-testen als een goede aanvulling bij de bestaande maatregelen. Toch stelt ze zich vragen bij de uitvoerbaarheid van het grote aantal testen.[87]

     Op maandag vijf december 2000 wordt dan het akkoord in de Europese ministerraad goedgekeurd door een meerderheid van de EU-lidstaten, waaronder België.[88]

     Op dat ogenblik erkent de Boerenbond dus de genomen beslissingen, maar wilt dat de Belgische overheid de kosten grotendeels voor haar rekening neemt. Want de bond raamt de kost van de BSE-maatregelen wat ons land betreft op minstens 0,37 miljard euro (15 miljard frank). En aangezien de landbouwers nu al een belangrijk deel van de kosten (veilig ophalen van kadavers en de verhoogde voederkost) op zich nemen, lijkt het logisch voor de Boerenbond dat de overheid de overige kosten voor haar rekening neemt.[89]

 

6.1.2. De zoektocht naar een duurzame oplossing

 

De periode 2000-2003 wordt gekenmerkt door een opeenvolging van voorstellen, tegenvoorstellen, eisen en kritieken door de verschillende actoren over de uitvoering en de financiering van de BSE-maatregelen. Centraal staat de programmawet van 30 december 2001, waarbij de federale overheid de volledige verantwoordelijkheid op zich neemt voor de financiering van de kosten van de BSE-testen.

     Einde 2000 verenigen de verschillende Belgische landbouworganisaties (het Algemeen Boerensyndicaat (ABS), de Boerenbond, Alliance Agricole Belge (AAB) en Unions Professionnelles Agricoles (UPA)) zich en herhalen hun vraag naar financiële steun aan de overheid om de Europese maatregelen ter bestrijding van de BSE-crisis uit te voeren. Ze voegen hier nog een aantal eisen aan toe: de financiering van de maatregelen moet geharmoniseerd worden, de Belgische overheid moet aan Europa de toelating vragen om geld vrij te maken voor bedrijven die door de crisis getroffen zijn, het departement Volksgezondheid moet met financiële middelen over de brug komen, want de strenge maatregelen komen bovenal de volksgezondheid ten goede.[90]

     Ook het Nationaal verbond van Slachthuizen en Vleesuitsnijderijen (NVS) is niet tevreden met de uitgevaardigde maatregelen. Het verbond vreest in een nadelige concurrentiepositie te komen tegenover de buurlanden omdat de slachthuizen zelf moeten opdraaien voor de meerkost van de verwerking van slachtafval. Net zoals de Boerenbond vindt het verbond dat uiteindelijk de consument zal moeten betalen voor veilig voedsel.[91] Uit gesprekken met de Boerenbond blijkt dat er in het BSE-dossier een speciale en unieke samenwerking ontstond tussen het Agro-front en de slachthuiswereld. Samen vormden ze een front tegenover de overheid en andere organisaties.[92]

     Wat de situatie er niet makkelijker op maakt, is dat zelfs de verschillende Belgische overheden van mening verschillen over hoe ons land de BSE-maatregelen in de praktijk zal omzetten. Dat bleek na een overleg tussen de federale landbouwminister Gabriëls, zijn gewestelijke collega's en de vertegenwoordigers van de landbouworganisaties. Daar waar de federale en de Vlaamse overheden een verdeling van de kosten willen bestuderen, wijst de Waalse regering resoluut in de richting van Europa.[93]

     Ondanks de eisen van de verschillende organisaties uit de landbouwsector, is de Belgische landbouwminister Gabriëls er niet in geslaagd op de Europese landbouwraad van 19 december 2000 enige vooruitgang te boeken. Er is enkel eensgezindheid bereikt tussen de verschillende landbouwministers in hun steun voor de oprichting van een Europees Voedselagentschap. Dit agentschap zou de nodige wetenschappelijke informatie moeten verzamelen en de Unie tijdig waarschuwen voor crisissen zoals de dolle koeienziekte. Deze Europese houding betekent dus wel dat de ministers nu in eigen land de nodige fondsen moeten vinden om de Europese maatregelen te bekostigen.[94]

     Als reactie op het ongunstige resultaat van de Europese landbouwraad hebben de Waalse landbouworganisaties op donderdag 21 december 2000 gemanifesteerd in Namen. Deze manifestatie, een initiatief van de Fédération Wallonne de l'Agriculture (FWA), moest duidelijk maken dat de overheden alle kosten van de BSE-testen op zich moeten nemen. Er waren de afgelopen dagen al kleine, spontane manifestaties geweest in Bastenaken, Libramont en Marche. Met de betoging wilden de landbouwers vooral druk uitoefenen op de volgende ministerraad die dan een beslissing neemt.[95] De Boerenbond doet nog steeds niet mee met de acties ondanks het stijgende rumoer bij de Vlaamse veehouders. De Boerenbond wil de lopende onderhandelingen met de overheid een serene kans geven. Toch is de bond ook van mening dat de overheid moet opdraaien voor de BSE-testen en de opkoopregeling.[96]

     Op Europees vlak beslist de Raad van ministers van Economie en Financiën van de EU om opnieuw 971 miljoen euro aan bijkomende fondsen vrij te maken voor de bestrijding van de BSE-crisis. Belangrijk is dat dit het laatste geld is dat uitzonderlijk wordt vrijgemaakt. Als er toch nog nieuwe anti-BSE-maatregelen binnen de EU nodig zouden zijn, dan zal dit gebeuren via herstructureringen binnen het bestaande Europese landbouwbudget.[97]

     Maar de genomen beslissingen blijken toch niet voldoende te zijn voor de Boerenbond. De landbouworganisatie heeft beslist om een week lang acties te ondernemen uit protest tegen de gang van zaken in het BSE-dossier.[98] Vanaf dinsdag 20 februari tot en met donderdag 22 februari 2001 worden er op tal van plaatsen in Vlaanderen acties van veeboeren gehouden. Hiermee willen de veeboeren dus aantonen dat de tijd van praten voorbij is en er dringend nood is aan duurzame oplossingen.[99]

     Nadat er opnieuw geen overeenstemming is bereikt tussen de Europese ministers van landbouw én de agendapunten betreffende de BSE-crisis doorgeschoven worden naar de volgende ministerraad in maart, verwacht de Boerenbond de nodige maatregelen van de Belgische overheden. België mag niet langer wachten op Europa. De landbouworganisatie wil dat de opkoopregeling voor runderen ouder dan 30 maanden nog enige tijd behouden blijft, dat de verwerking en de vernietiging van het slachtafval effectief wordt gefinancierd en dat er bijkomende begeleidende maatregelen komen. Maar bovenal wil de Boerenbond dat er snel werk wordt gemaakt van de oprichting van een “Kwaliteitsfonds” of “Solidariteitsfonds”. Dit fonds moet gespijsd worden met bijdragen van de productie- en distributieketen (landbouwers, slachthuizen, uitsnijderijen, slagers,...) en de consumenten. Door zo een fonds kan er een duurzaam aanbod van het meest veilige, systematisch geteste en kwalitatief hoogstaand rundvlees gegarandeerd worden aan de consument.[100]

     Dat er onenigheid heerst bij de verschillende overheden hebben we reeds vermeld, maar ook de vleessector is niet in staat om een structurele oplossing voor de financiering van de BSE-maatregelen te vinden. Als vertegenwoordigers van de verschillende schakels in de vleeskolom (slachthuizen, uitsnijderijen, distributiebedrijven, slagers en landbouwers) op donderdag acht maart 2001 bijeenkomen in de Commissie Dierlijk Afval is onenigheid troef.[101] Alle actoren komen nog meermaals samen, maar ze slagen er niet in een akkoord te bereiken.[102]

     Na eerdere pogingen van de federale landbouwminister Gabriëls om financiële tegemoetkomingen te geven voor boeren die door de recente crisissen werden getroffen, is de federale regering eindelijk bereid gevonden steun te geven aan de rundveesector.[103]

De Boerenbond reageert tevreden op het engagement van de eerste minister Verhofstadt. Toch herhaalt de organisatie de noodzaak van een aantal maatregelen om de crisis globaal aan te pakken. Deze maatregelen bestaan uit een regeling voor de overheidsfinanciering van de BSE-testen op runderen na één juli 2001, de oprichting van een kwaliteitsfonds waarmee de kosten voor de verwerking van het dierenmeel kunnen worden gedekt en een harmonisering van de maatregelen op Europees vlak.[104] Doordat deze crisis blijft aanslepen, zien de boeren namelijk een heleboel kosten op zich afkomen. De directe economische schade is immens en in tegenstelling tot andere economische sectoren heeft de veehouderij niet de mogelijkheid om die schade op een of andere wijze te compenseren. Daarom blijven de Vlaamse en Waalse landbouworganisaties binnen het Agro-front ijveren voor een tussenkomst van de overheid.[105]

     Uiteindelijk beslist de federale overheid enerzijds om ook in de tweede helft van 2001 de BSE-testen te betalen. Anderzijds wordt er een bedrag van 60 miljoen euro vrijgemaakt voor de rundveehouders die inkomensverlies hebben geleden als een gevolg van de BSE-crisis. De boeren zullen dus voor 80 procent van de opgelopen schade worden vergoed. Hiervan neemt de federale overheid minimum de helft van het bedrag voor haar rekening. En voor de rest van het bedrag worden de gewesten opgeroepen een bijdrage te leveren.[106]

     De Boerenbond reageert overwegend negatief op de compensatieregeling voor de boeren. De grote vrees van de landbouworganisatie is dat de boeren niet gelijk behandeld zullen worden. Bovendien vindt de bond het verwerpelijk dat er nog moet onderhandeld worden tussen de federale en de gewestregeringen over een bepaalde schijf van de vergoedingen. Want rekening houdend met vroegere ervaringen met het doorschuiven van maatregelen naar de gewesten, vraagt de bond zich af wat er moet gebeuren wanneer één van de gewesten zijn engagement niet opneemt. Verder zijn de uitvoeringsmodaliteiten onaanvaardbaar voor de Boerenbond. Want volgens de organisatie zal zo de steun enkel toegekend worden mits voorlegging door de boer van schuldbewijzen bij de banken. Wel is de bond opgetogen dat er een belofte is van de regering om de BSE-testen en de opkoopregeling verder te financieren.[107]

     Waar de Boerenbond voor vreesde, bleek uiteindelijk gegrond. De gewesten hebben duidelijk laten verstaan dat ze niet bereid zijn financiële steun te geven aan boeren die inkomensverlies leden als gevolg van de BSE-crisis. De boeren kunnen voor inkomenscompensatie enkel bij de federale regering terecht, aangezien het hier over een federale bevoegdheid gaat. Er kunnen enkel onderhandelingen gevoerd worden die betrekking hebben op de precieze verdeling van de steun over de landbouwers en over de technische modaliteiten, aldus de gewestministers.[108]

     Desalniettemin heeft de ministerraad de betalingsmodaliteiten goedgekeurd voor steun aan de rundveehouders, die door de BSE-crisis zwaar inkomensverlies leden. De overheidssteun zal gerealiseerd worden via een vaste toeslag op de bestaande premies. Een eerste schijf van 30 miljoen euro is in het algemeen bedoeld als een compensatie voor de verliezen van alle boeren van wie het inkomen voor een deel uit de rundveeproductie afkomstig is. Een tweede schijf van 30 miljoen euro is toegespitst op de producenten wie hun inkomen voor het grootste deel afkomstig is uit de productie van rundvlees en die behoren tot de bedrijven waarvoor berekend werd dat zij aanzienlijke liquiditeitsproblemen ondervonden. Op 26 juli 2001 geeft de Europese Commissie haar goedkeuring van de betalingsmodaliteiten.[109]

     Vanaf 2002 zal de federale overheid de kosten van de BSE-testen niet meer op zich nemen. In 2001 werden de kosten van de monsteropnames en van de testen namelijk nog betaald door de ministeries van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. Toch wil de federale overheid de kosten zeker niet ten laste leggen van de producent. Het voorstel van de regering is net om de testkosten door te rekenen aan de slachthuizen. Fedis (de federatie van de distributiesector), de Landsbond der beenhouwers en de exporteurs stemden met dit voorstel in. Ze stelden zelfs voor de kosten ook mee te laten dragen door andere sectoren. De slachthuissector, de veehandelaarsvereniging en de landbouworganisaties beschouwen dit als een slechte regeling omdat op deze manier de kosten van de slachthuizen gemakkelijk kunnen worden doorgerekend aan de producent. Ze blijven van mening dat de consument de meerkost dient te betalen.[110]

     Ondanks de tegenkantingen, is er op de ministerraad van zeven december 2001 een ontwerp-KB goedgekeurd waarbij er een heffing wordt voorzien van ongeveer 15 eurocent per kilogram karkasgewicht. Het recht zal worden geheven bij de exploitanten van de slachthuizen en doorgerekend in alle stadia van de distributie aan de kopers van het vlees. Bovendien zal de regering tijdens de eerste drie maanden van het jaar 2002, de kosten nog prefinancieren. Het is de bedoeling dat het koninklijke besluit op één april 2002 in werking treedt, tenzij de sector een andere oplossing voorstelt. Uiterlijk eind juni moet er een fundamentele oplossing zijn. De Boerenbond is blij met de mogelijkheid die de sector geboden wordt om een eigen oplossing voor te stellen. Voornamelijk omdat er een goede kans bestaat dat er binnen de sector een overeenstemming kan gevonden worden over de oprichting van een kwaliteitsfonds dat gespijzigd wordt met een heffing, die de consument zal moeten betalen en dat de kosten voor de BSE-testen op zich zal nemen.[111]

     Test-Aankoop is dan weer niet te spreken over het ontwerp-KB van de federale overheid. Ze vinden het onrechtvaardig dat enkel de consument zal moeten opdraaien voor de kosten van de BSE-testen. Daarom eist de organisatie dat de kosten van de maatregelen in het kader van de bestrijding van de gekkekoeienziekte gedragen worden door alle actoren uit de voedselketen.[112]

     Hoewel het er even hoopgevend uitzag, is er midden mei 2002 nog steeds geen duurzame oplossing voor het probleem. De verschillende organisaties uit de sector uiten hun ongerustheid over het uitblijven van een structurele oplossing. Het Agro-front dringt erop aan bij de premier om een dergelijke oplossing zo snel mogelijk uit te werken. Zelf stellen ze twee mogelijke oplossingen voor. Ofwel wordt er een inning op verkoopswaarde uitgewerkt op alle vers vlees bestemd voor de consumptie. Dit bedrag zou dan moeten geïnd worden bij de einddistributie, dit zijn onder andere de slagers, de grootdistributie en de horeca. Anders stellen de landbouworganisaties voor om de BSE-testen door de overheid te laten financieren. De organisaties willen zeker terug met alle betrokkenen rond de tafel zitten om knelpunten weg te werken.[113]

     Op 11 juli 2002 beslist de federale regering dan om de kosten van de BSE-testen over te dragen op de vleesdistributiesector, onder de vorm van een BSE-taks. De ministers Magda Aelvoet (Volksgezondheid) en Rik Daems (KMO) rechtvaardigen deze beslissing omdat deze sector er uiteindelijk het voordeel van heeft. Ze stellen dat de invoering van de BSE-testen op risicodieren het vertrouwen van de consument heeft hersteld en dus een dienst is van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen aan de vleessector. Door deze BSE-taks of “gezondheidsbijdrage” zal er waarschijnlijk een kleine prijsverhoging ontstaan bij de slager, maar garandeert dan ook de kwaliteit van het vlees. Er is veel tegenkanting geuit tegen deze BSE-taks door Fenavian (Federatie van de Belgische Vleeswarenindustrie) en Unizo (Unie van Zelfstandige Ondernemers). Fenavian heeft een aantal argumenten aangehaald waarom de federatie tegen deze taks gekant is. Ten eerste omdat het exportvlees ervan bespaard zal blijven. Verder zullen de kosten van BSE-testen niet enkel op rundvlees maar op alle vlees verrekend worden. Ten derde zullen BSE-kosten ook op vlees van niet-geteste runderen worden verrekend en ten slotte omdat de melkveesector de BSE-testen niet hoeft mede te financieren terwijl de gekkekoeienziekte meestal bij melkveehouders opduikt. Ook Unizo eist overleg met de sector over de maatregel, want ze betreuren dat er geen enkel formeel overleg is geweest met de distributiesector en de voedingswinkels. Bovendien waarschuwt de unie voor een administratieve rompslomp voor het innen van de taks.[114]

     Maar ook deze BSE-taks wordt geen realiteit. Het zal wachten worden tot eind 2003 alvorens er een nieuw voorstel op tafel ligt, namelijk het voorstel van minister Demotte.

 

6.1.3. Het ontwerp-KB van minister van Volksgezondheid Demotte

 

Op 13 december 2003 worden de landbouworganisaties opgeschrikt door het wetsvoorstel van minister Demotte betreffende de aanrekening van de BSE-kosten. De landbouwsector dreigt geconfronteerd te worden met de integrale last van de BSE-kosten uit zowel het verleden als de toekomst. Dit is een bedrag van 32,5 miljoen euro ten laste van de landbouw. Het ontwerp-KB bestaat uit enerzijds een BSE-retributie van 17 euro per getest rund en anderzijds een ‘gezondheidsbijdrage’ op iedere kilo vlees. Het is de bedoeling van de minister om de gezondheidsheffing door de slachthuizen door te laten rekenen aan hun afnemers.[115]

 

6.1.4. De reacties op het ontwerp-KB

 

De Boerenbond is opnieuw niet te spreken over dit voorstel. Volgens de bond komen zo in de praktijk alle kosten op de rug van de Vlaamse veehouders terecht en niet bij de consumenten. Nochtans beloofde de federale regering twee jaar geleden dat de kosten voor de opsporing van BSE gedragen zouden worden door de brede gemeenschap en in geen geval zouden afgewenteld worden op de boeren. Onder meer omdat het hier gaat over extra onderzoek ingesteld ten behoeve van de algemene volksgezondheid. Bovendien benadrukt de organisatie dat de idee dat de slachthuizen de gezondheidsheffing moeten doorrekenen naar hun afnemers onrealistisch is. Verder vraagt de boerenorganisatie zich af waarom ook varkens- en pluimveehouders moeten bijdragen aan de gezondheidsbijdrage. Want beide sectoren hebben het economisch niet breed en hebben daarenboven niets te maken met de BSE-problematiek.[116]

     Tijdens de daaropvolgende weken en maanden komt er dus een bitsig landbouwprotest op gang. De Boerenbond maakt gebruik van diverse manifestaties, betogingen en heel veel syndicale onderhandelingen. Zo voeren ze op 19 december 2003 actie aan de Wetstraat 16 om hun argumenten kracht bij te zetten én uit protest tegen de plannen van minister Demotte. Een delegatie overhandigt daarbij aan premier Verhofstadt hun berekeningen van de kosten, die zullen afgewenteld worden op de veehouders.[117] De Boerenbond zet dus alle middelen in om de politieke verantwoordelijken tot inkeer te brengen en duidelijk te maken hoezeer de landbouwsector zich bedrogen en uitgemolken voelt. Daarbij benadrukt de organisatie telkens dat de BSE-kosten een zaak zijn van de maatschappij en van de complete volksgezondheid.[118]

     Toch is het koninklijke besluit betreffende de financiering van de BSE-testen na bespreking op de ministerraad principieel goedgekeurd. Hierbij benadrukt premier Verhofstadt dat de heffing op alle dieren een vorm van solidariteit inhoudt die tevens bij de dioxinecrisis werd toegepast. Bovendien zullen de prijzen van de testen wellicht nog dalen doordat er aanbestedingen zullen volgen. Niettemin blijft het wachten op een advies van de Vlaamse en Waalse regering en van de Raad van State, alvorens de federale regering een definitieve beslissing kan nemen.[119]

     In het begin van het jaar 2004 is er weinig verandering te bemerken. De Vlaamse boeren blijven hun ongenoegen uiten over de beslissing van de federale ministerraad over de financiering van de BSE-testen. De Boerenbond stuurt daarom een protestbrief aan de federale ministers en vraagt een dringend onderhoud met premier Verhofstadt. In deze brief heeft Boerenbond-voorzitter Devisch gevraagd de beslissing van de federale ministerraad te herroepen. Zonder een drastische aanpassing van het voorliggende besluit sluit de vakorganisatie “verdere en meer omvangrijke acties” niet uit.[120]

     De verbruikersorganisatie Test-Aankoop reageert eveneens afwijzend op het voorstel van de federale overheid. Maar net omdat ze niet wil dat de gezondheidsbijdrage voor de financiering van de BSE-kosten wordt verhaald op de consument. Volgens de organisatie is het Volksgezondheid die de kosten moet dragen van de nodige officiële controles op de voedselkwaliteit- en veiligheid.[121]

     De beslissing van de federale ministerraad mobiliseert uiteindelijk de hele vleeskolom. Waar de voorbije weken vooral vanuit de landbouworganisaties hevig protest te horen was, sloten de voorbije dagen ook de toeleveringssector, de veehandel, de slachthuizen en de uitsnijderijen zich bij het protest aan. Op 12 januari 2004 ondertekenen de betrokken organisaties samen een alternatief voorstel voor de financiering van de BSE-testen. In dat voorstel staat dat de sector niet wil opdraaien voor de kostprijs van de BSE-testen die de voorbije drie jaar werden uitgevoerd. De vleessector vindt het onaanvaardbaar dat een BSE-test in België drie keer zo duur is als in de omringende landen. Bovendien werd de BSE-test ingesteld in het belang van de algemene volksgezondheid. Dus moet ook de gemeenschap mee opdraaien voor de kosten van het extra onderzoek. De vorige federale regering legde dit principe vast in de programmawet van 30 december 2001[122]. De sector wil dat dit engagement ook wordt nagekomen. Daarom stelt de sector voor dat de overheid integraal de kost op zich neemt voor het geheel van BSE-testprocedures. In het voorstel staat te lezen dat de overheid zich hiervoor kan beroepen op enerzijds de bepalingen van vernoemde programmawet en anderzijds op mogelijkheden die de Europese wetgever biedt. Pas bij onvermijdelijk overschrijden van dit bedrag vindt de vleessector dat een eigen aanvullende bijdrage bespreekbaar is. Dit voorstel is overhandigd aan de premier en andere leden van de federale regering. De sector plant voor volgende week massale acties om zijn standpunt kracht bij te zetten.[123]

     Ondanks de argumenten van de vleessector verwerpt de minister van Volksgezondheid Rudy Demotte hun voorstel. Daarom zullen er vanaf volgende week vijf protestkaravanen doorheen Vlaanderen trekken om het ongenoegen van de sector kenbaar te maken. Naast de landbouworganisaties Boerenbond en ABS doen BEMEFA (toelevering), VEPEK (pluimveehouders), de Belgische Vereniging van de Kalverhouders, het NVS, Boviqual, Pluimveeslachthuizen (slachthuizen en uitsnijderijen) en de Vlaamse en Waalse veehandel (veehandelaars) mee.[124]

     Op 22 januari 2004 is het dan zover. Tussen de 4.000 en 5.000 tractoren hebben verdeeld over de vijf Vlaamse provincies deelgenomen aan de BSE-manifestaties. Daarnaast maakten honderden vrachtwagens, busjes en bulkwagens deel uit van de karavaan. De Vlaamse boerenorganisaties blijven ervan overtuigd dat de BSE-testen moeten betaald worden met gemeenschapsgelden.[125]

     Op vier februari 2004 hebben zo een 3.000 à 4.000 veehouders en leden van de vleessector opnieuw geprotesteerd tegen de financiering van de BSE-testen. Ze zijn afgezakt naar het kabinet van de minister in Brussel om hun eisen kracht bij te zetten. Ook werden er op de bruggen boven de autosnelwegen spandoeken opgehangen, om zo de autobestuurders in te lichten over de onrust bij de landbouwers. Want de landbouworganisatie blijft bij haar standpunt: “de regering of de consument of beiden betalen, maar de landbouwer niet”. Een delegatie van de Boerenbond heeft daarna een onderhoud gehad met de minister. Ze zijn overeengekomen dat de vleessector binnen de week met een alternatief voorstel mag komen voor de financiering van de BSE-testen.[126]

     Toch wil de vleessector voor het alternatief voorstel vanaf nul beginnen en niet voortborduren op het ontwerp van koninklijk besluit. Maar dat ziet minister Demotte dan weer niet zitten. Volgens hem kan er niet geraakt worden aan het KB. Enkel de praktische modaliteiten van de doorrekening aan de eindverbruiker kunnen worden herbekeken. Ook tegenvoorstellen waarbij de overheid meer betaalt, zal de minister niet aanvaarden. Bovendien houdt hij vast aan de solidarisering onder alle vleessoorten. Verder wil de minister ook de prijzen van de testen verlagen.[127]

     Op tien februari 2004 lanceert de Boerenbond een alternatief voorstel. De bond stelt voor om alle voedselverkooppunten jaarlijks een forfaitaire inbreng te laten doen in een fonds voor voedselveiligheid. Alle horecazaken en winkels die eetwaren verkopen zouden een forfaitaire bijdrage van 100 à 120 euro storten in een fonds voor de voedselveiligheid, dat onder meer de uitvoering van de BSE-testen zou bekostigen. Dat fonds zou dan alle testen voor zowel vlees als andere voedingsproducten moeten kunnen financieren. Dit voorstel voor het fonds wordt gedragen door de hele vleessector, inclusief Wallonië. Voor de veehouderij zou het een haalbare kaart zijn bovenop de inspanningen die de sector nu al levert en moet blijven leveren. Het Fonds zou dus niet alle investeringen moeten dragen, enkel die voor de opgelegde testen. Bovendien kan op die manier de vergoeding zo dicht mogelijk bij de consument gebeuren. De Boerenbond vindt dat de vergoeding aan het fonds zo moet worden geregeld dat grote verkooppunten het meest inbrengen, op basis van de verkoopsoppervlakte of de omzet.[128]

     Desondanks komen er uit verschillende hoeken negatieve reacties op het voorstel van de Boerenbond. Allereerst is er de horecasector, die bijzonder verontwaardigd reageert op het voorstel om de kosten via de distributiesector aan de consumenten door te rekenen. HoReCa Vlaanderen noemt het ondenkbaar dat de distributiesector nog eens moet opdraaien voor een fonds dat de BSE-testen zou financieren. Als de sector moet meebetalen voor de kosten van de BSE-controles, bestaat de mogelijkheid dat ze het Belgische rundvlees gaan blokkeren. De voedselveiligheid blijft in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de overheid.[129]

     Ook Unizo, de zelfstandigenorganisatie verwerpt het voorstel om een fonds voor de voedselveiligheid op te richten, dat door de voedingswinkels, slagers en horeca-uitbaters wordt gespijsd. Unizo vindt dat alle betrokkenen ingeschakeld moeten worden om de voedselveiligheid te financieren. Binnen het Voedselagentschap zouden er al besprekingen aan de gang zijn over een globale financiering. Als de Boerenbond echter bij haar standpunt blijft om de verbruikers met de kosten op te zadelen, is er maar één consequente oplossing, namelijk alle burgers via de algemene belastingen, dus via de overheid, te laten betalen als onderdeel van de volksgezondheid. Deze oplossing zou alvast financieel interessanter zijn. Bovendien houdt de Boerenbond geen rekening met de administratieve rompslomp die het voorstel met zich zou meebrengen en evenmin met de praktische kant van de controle op de doorrekening van de bedragen. Volgens Unizo blijft deze problematiek een pingpongspel, waarbij iedereen alle verantwoordelijkheid naar de andere doorschuift. Dit draagt niet bij tot een goede oplossing, want hoe langer de financiering van de BSE-testen aansleept, hoe groter bovendien de factuur wordt.[130]

 

6.1.5. Het akkoord van 26 februari 2004

 

De aanhoudende syndicale landbouwacties tijdens de maanden januari en februari blijken te werken. Want eind februari worden de landbouworganisaties van het Agro-front ontboden op het kabinet van Verhofstadt. Deze ontmoeting, waarbij ook het Voedselagentschap aanwezig is, moet een doorbraak akkoord tot stand brengen. Tijdens deze besprekingen wordt het voorstel van minister Demotte ingetrokken, worden er duidelijke afspraken gemaakt over de maximaal toegelaten kostenniveaus van de BSE-testprocedures én wordt er een zeer belangrijke beslissing genomen waarmee de BSE-kosten geplaatst worden over alle schakels van de voedselketen. Dit door middel van de integratie binnen de kostenstructuur van het FAVV. Daarmee wordt de initiële BSE-last grotendeels geplaatst bij de operatoren uit de voedselketen buiten de landbouw.[131]

     Dus op 26 februari 2004 is het zover: de regering, het FAVV en het Agro-front bereiken een akkoord over de financiering van de BSE-testen. Concreet voorziet het akkoord dat het aandeel dat de producenten dienen te betalen daalt van 17 tot 10,7 euro per test en dat het ander deel van de kostprijs zal gedragen worden door het Voedselagentschap. De financiering van het agentschap zal ten laste van alle sectoren (onderaanbesteding landbouw, veredelingsindustrie, voedselnijverheid, distributie en horeca) evenredig verhoogd worden. Bovendien wordt de terugbetaling van de reeds uitgevoerde testen over 15 in plaats van vijf jaar gespreid. Van de schuld van 60 miljoen moet bovendien de BTW niet meer terugbetaald worden, wat het totale bedrag met 10 miljoen vermindert. De regering benadrukt dat ze wenst de kostprijs van de BSE-testen te verlagen door enerzijds het Voedselagentschap laboratoriatests te laten uitvoeren en anderzijds een offerteaanvraag uit te schrijven om de concurrentie tussen de laboratoria te laten spelen. Daardoor kan de kostprijs tot 32 euro dalen. Het akkoord tussen regering en landbouwsector voorziet dat de tests niet meer dan 38,6 euro mogen kosten, en de monsters 12 euro.[132]

     Nochtans blijkt de ultieme beslissing van de Ministerraad 26 procent door te rekenen naar de landbouw, terwijl het ‘Verhofstadt-akkoord’ sprak over een solidariteitsaandeel ten laste van de landbouw van ongeveer 20 procent, namelijk op basis van het aandeel toegevoegde waarde van de landbouw in de ganse voedselketen. Concreet eindigt het BSE-dossier met een kostenaandeel van 20,85 miljoen euro op jaarbasis. Dit bedrag wordt gedragen en samengesteld zoals voorgesteld in tabel 2 (zie bijlage 2). Belangrijk om nog te vermelden is dat het bedrag van 20,85 miljoen euro voor 23 procent bestaat uit kosten van het verleden.

 

6.1.6. Het einde van het BSE-dossier

 

Reacties op dit bereikte akkoord konden natuurlijk niet uitblijven. FEVIA, de federatie die de voedingsindustrie vertegenwoordigt, is niet te spreken over het akkoord dat de landbouworganisaties en de federale regering hebben afgesloten. De voedingsindustrie heeft namelijk met verbazing kennis genomen van de persberichten over het ‘geheime akkoord’ dat de kabinetten van Verhofstadt en Demotte hebben gesloten met de landbouworganisaties. Dit zogenaamde akkoord werd in het geheim onderhandeld, zonder dat de andere rechtstreeks betrokkenen, zoals de voedingsindustrie, de distributie en de consumentenorganisaties, werden geconsulteerd. En een dergelijke gang van zaken is totaal onaanvaardbaar, aldus FEVIA. Bovendien blijkt uit het akkoord dat het inderdaad de bedoeling zou zijn van de regering Verhofstadt om het overgrote deel van de kosten voor opsporing van BSE af te wentelen op de producenten van alle levensmiddelen. Overigens komt zo een maatregel in feite neer op een breuk met het oorspronkelijk regeringsbeleid op het vlak van voedselveiligheid, waar de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid bij alle bedrijven uit de voedselketen lag. Het voorakkoord met de landbouworganisaties wijkt van dit principe af, waardoor bepaalde schakels uit de voedselketen hun eigen kosten en dus verantwoordelijkheid kunnen afwentelen.[133]

     Volgens de federatie beloont het akkoord “de protestacties van de landbouwsector” en “verziekt het de lopende besprekingen over de financiering van het FAVV”.[134] Uit protest besliste de federatie om een publieke oproep te lanceren, onder de vorm van een advertentie in de kranten op zaterdag 6 maart 2004. Deze advertentie onder de kop, “U betaalt morgen meer!” is dus gericht tegen het feit dat de hele voedingsindustrie moet meebetalen voor de financiering van de BSE-testen en niet enkel de landbouw. In de advertentie stelt FEVIA dat er geen enkele reden is om bier, chocolade, groenten, fruit en andere voedingsproducten te laten betalen voor BSE-testen op runderen. De Boerenbond betwist dat voeding veel duurder wordt en levert dus felle kritiek op de advertentie van FEVIA. De titel van de advertentie laat uitschijnen dat andere voedingsproducten daardoor ook duurder zullen worden. Maar volgens de landbouworganisatie zou de prijsverhoging beperkt blijven tot slechts 1,6 eurocent per euro omzet. Hierbij werd rekening gehouden met het feit dat de kost voor FEVIA ongeveer 5 miljoen euro bedraagt op een omzet van 30 miljard. Volgens de bond kan of mag dat geen alibi zijn voor een prijsverhoging aan de consument. De Boerenbond bestrijdt ook het feit dat het om een “geheim” akkoord zou gaan. Daarom verwijst de organisatie naar de programmawet van de federale overheid en de ministerraad van 19 december 2003, waarin er steeds benadrukt werd dat de kosten niet enkel door de boeren-producenten zouden gedragen worden. De bond wijst er daarnaast ook op dat dankzij de protestacties de kosten voor verwerking, distributie en voor de consument ten opzichte van de oorspronkelijke regeling met meer dan de helft zijn verlaagd en ze beklemtoont ook dat in het protocolakkoord met de overheid enkel het aandeel van de landbouw (26 procent, gelijk aan de toegevoegde waarde van de landbouw) is vastgelegd. Wat de verdere verdeling van de overige 74 procent betreft en over het eventuele aandeel van FEVIA daarin, is er nog geen beslissing genomen. Wel benadrukt de Boerenbond dat een verdeling van de bijdrage op basis van het respectievelijk aandeel in de toegevoegde waarde als een objectief, eerlijk en correct criterium kan beschouwd worden.[135]

     Ook het FAVV, in een reactie op de advertentie van FEVIA, verdedigt het voorakkoord over de financiering van de kosten voor BSE-testen. Het FAVV stelt dat een deel van de kosten wordt gefinancierd door een heffing ten laste van de eigenaar van het geteste dier en een ander deel van de kostprijs wordt gefinancierd in het toekomstige heffingssysteem dat aan de basis zal liggen van de financiering van het Voedselagentschap. Door dit nieuwe voorstel moet de landbouw en de vleessector meer dan de helft van de kostprijs van de BSE-testen betalen. Bovendien staat het nieuwe voorstel volgens het Voedselagentschap niet haaks op de principes waarop de toekomstige financiering van het agentschap zal gebaseerd zijn. Tijdens de nog lopende discussies zijn er al een aantal principes naar voor geschoven. Er zou een deel van de kosten aan de bedrijven worden aangerekend onder de vorm van retributies, een ander even groot gedeelte wordt geïnd onder de vorm van gesolidariseerde heffingen, die over alle schakels van de keten gespreid worden. Maar deze discussie zal in overleg met de betrokken sectoren worden verder gezet in het Voedselagentschap. Het voorstel voor de financiering van de BSE-testen zal in deze discussie worden opgenomen, een deel in het luik retributies, een deel in het luik heffingen. Zowel over de verdeelsleutel van de heffingen over de verschillende schakels van de keten, als over de verdeling binnen elke schakel wordt de discussie voortgezet. In deze laatste discussie hebben de verschillende sectoren, en dus ook de voedingsindustrie, de mogelijkheid om voorstellen te doen om de kosten van de BSE-testen toe te wijzen aan een aantal deelsectoren. Bovendien beklemtoont het FAVV dat de consument nu zeker niet ‘meer’ zal moeten betalen voor zijn voeding. Het huidige voorstel is niet duurder dan het oorspronkelijke voorstel, de regering verbond er zich toe een deel van de BTW te laten vallen. De verdeling, zoals nu voorgesteld, zal voor de consument maar een marginale impact hebben op de kostprijs van de voeding.[136]

     Ook FEDIS, de Belgische Federatie van Distributieondernemingen vindt het voorakkoord onaanvaardbaar. Het gaat niet dat ook sectoren die niet tot de vleessector behoren, moeten opdraaien voor de kosten van de testen. Want zo gaat de regering voorbij aan de responsabilisering van de operatoren die het dichtst betrokken zijn. Bovendien kan het akkoord een omgekeerd effect hebben. Aangezien de meerkost niet meer duidelijk zichtbaar is, zal de concurrentie op het niveau van de consumentenprijs ten volle kunnen spelen en zo komt de druk dan weer bij de producenten. Toch benadrukt FEDIS dat ze opgelucht zijn dat de totale factuur van de BSE-testen daalt door een reeks technische maatregelen.[137]

     Ondanks de negatieve reacties keurt de ministerraad op 12 maart 2004 een ontwerp-KB goed met betrekking tot de financiering van de opsporing van BSE bij runderen. Kort samengevat zal het FAVV bij het slachthuis 10,7 euro innen per geslacht rund. Verder financiert het FAVV de rest van de kost, zo een 40 euro, van de tests. Tot slot zal de openstaande schuld bij het Belgische Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) moeten worden terugbetaald over een periode van 15 jaar in plaats van vijf.[138]

     Er blijven evenwel negatieve reacties komen op het gesloten akkoord. VEVA, de vereniging van varkenshouders verwerpt het akkoord, net omdat het maar tot stand gekomen is tussen de drie grootste landbouworganisaties en de federale regering en dus niet de hele vleessector. Bovendien hekelt deze vereniging vooral de peiler ‘solidariteit’ binnen de vleessector, waardoor ook pluimvee- en varkenshouders meebetalen voor de testen op runderen. VEVA stelt namelijk dat de laatst mogelijke risicofactor vanwege de varkenssector qua ‘BSE-vervuiling’ volledig wordt uitgesloten doordat het gebruik van diermeel in diervoeders verboden is door de BSE-problematiek. De varkenshouders zijn dus ingedekt tegen alle risico’s, maar toch worden ze er opnieuw bij betrokken om mee te gaan betalen. VEVA stelt voor om de zuivelsector te laten opdraaien voor de testen. Bovendien benadrukt deze vereniging dat het BSE-akkoord de veehouders heel wat meer zal kosten dan de drie miljoen euro die oorspronkelijk was afgesproken. Door de nieuwe verdeelsleutel van het Voedselagentschap zullen de veehouders 4,4 miljoen euro betalen voor de BSE-testen. Daarenboven vreest VEVA dat andere schakels binnen de vleessector, zoals de toelevering en de verwerking, hun bijdragen zullen doorrekenen aan de consument. Waardoor de kans bestaat dat de veehouder een lagere prijs krijgt voor zijn vlees.[139]

     Toch keurt de federale ministerraad op drie december 2004 het nieuwe businessplan en het nieuwe financieringsmechanisme van het Voedselagentschap goed. In dit businessplan worden de krachtlijnen en strategische doelstellingen van het agentschap voor de komende vijf jaren uitgetekend. Het nieuwe financieringsmechanisme is uitgewerkt om een meer gelijke verdeling van de lasten te verkrijgen. Het FAVV beklemtoont dat de totale bijdrage van de sector niet verhoogt. Wat de BSE-kosten betreft, is er een aparte regelgeving uitgewerkt. Per getest dier wordt een retributie geheven van 10,7 euro. De rest van de kosten wordt betaald via een solidaire bijdrage uit de hele keten.[140]

 

 

6.2. Analyse van het overleg

 

De financiering van de opgelegde BSE-testen staat centraal in deze eindverhandeling. In dit onderdeel willen we een antwoord formuleren op de vooropgestelde onderzoeksvragen aan de hand van de verzamelde informatie. We nemen daarvoor opnieuw de indeling van de onderzoeksopzet zodat we het overzicht behouden.

 

6.2.1. Vaststellingen met betrekking tot ‘beleid’

 

We hebben willen nagaan of de Boerenbond invloed heeft uitgeoefend tijdens de twee eerste fasen van het beleidsproces, namelijk de agendavorming en de beleidsvorming.

     We hebben gesteld dat er tijdens de agendavorming vaak sprake is van een strijd. Enerzijds een strijd om de aandacht voor een probleem en anderzijds een strijd over de formulering van een probleem. Ten eerste is het duidelijk dat het BSE-dossier door het hoge crisisgehalte dadelijk alle aandacht had van zowel burgers, landbouworganisaties, politiek verantwoordelijken als beleidsactoren. Het was snel duidelijk voor alle betrokkenen dat een crisis onafwendbaar was, nadat bekend werd dat BSE een overdraagbare hersenziekte was én er verschillende BSE-gevallen werden ontdekt. Er was dus zeker geen sprake van een strijd om op een of andere agenda te komen. Doordat deze crisis aan de algemene volksgezondheid raakte, moesten er geen barrières overwonnen worden. Iedereen zag de noodzaak in van het treffen van dringende maatregelen, want er moest snel een duurzame oplossing gevonden worden om de crisis in te dijken.

     De formulering van het probleem echter kunnen we beschouwen als een strijd, want de BSE-crisis was een dossier met een zeer hoge moeilijkheidsgraad. Aan de ene kant was er geen maatschappelijk draagvlak voor de financiering van de BSE-maatregelen en de enige zekerheid op dat ogenblik was dat die regelingen geld gingen kosten. Aan de andere kant was er de grote vraag naar de verantwoordelijken van deze ziekte. Hierbij konden de kosten niet op de boeren alleen worden afgeschoven, want zij waren zeker niet verantwoordelijk voor het introduceren van deze ziekte in de landbouwsector.

Het centrale probleem bestond er dus uit dat niemand echt aansprakelijk kon gesteld worden voor deze crisis. En de overheid wilde en kon de maatregelen niet bekostigen vanuit de algemene middelen. Ze hadden namelijk tijdens de vorige verkiezingen beloofd dat er geen lasten- of belastingverhogingen zouden worden doorgevoerd. En de regering wilde niet aan die belofte raken. Waardoor de vraag naar wie verantwoordelijk was voor de financiering van de BSE-maatregelen, een groot struikelblok werd voor de federale overheid.

     De tweede fase van het beleidsproces, de beleidsvorming bestaat uit twee stijlen, namelijk ontwerpen en instigeren. Wat de beleidsontwikkeling betreft, is het duidelijk dat er voor de kosten van de BSE-crisis een oplossing moest uitgedacht worden. Wie zou namelijk de kosten van de BSE-testen op zich nemen? Uit de chronologische schets is gebleken dat de verschillende partners in het overleg getracht hebben van elkaar te overtuigen van hun gelijk, door gebruik te maken van goed gefundeerde argumenten. De Boerenbond was immers voorstander van een aantal maatregelen. Ten eerste wilde ze een algemene solidarisering doorvoeren. Het betrof hier namelijk maatregelen ten voordele van de algemene volksgezondheid en logischerwijs moest daar iedereen toe bijdragen. Ook stelde de bond voor om een soort “Kwaliteitsfonds” op te richten. Een fonds dat gespijsd werd door de bijdragen van de productie- en distributieketen (landbouwers, slachthuizen, uitsnijderijen, slagers,...) én de consumenten. De Boerenbond beschouwde dit dan als een soort calamiteitenfonds, waaruit geld kon geput worden voor het financieren van de kosten bij toekomstige voedselcrisissen. In het geval van de BSE-crisis zou men door zo een fonds in staat zijn een duurzaam aanbod van het meest veilige, systematisch geteste en kwalitatief hoogstaand rundvlees kunnen garanderen aan de consument. Samen met de slachthuiswereld waren ze wel van mening dat de heffingen zo dicht mogelijk bij de consument moesten geheven worden. De Boerenbond was ten slotte wel nog tegenstander om de heffing door te voeren op het niveau van de slachthuizen, want dit zou er toe kunnen leiden dat de landbouwers een lagere prijs zouden krijgen voor hun runderen.

     De andere rechtstreeks betrokkenen (de voedingindustrie, de horeca en de consumentenorganisaties) waren van mening, dat enkel de vleessector verantwoordelijk was voor de kosten van de BSE-maatregelen. Ze waren dus tegen een heffing, zo dicht mogelijk bij de consumenten.

Uiteindelijk is er een akkoord uit de bus gekomen waar de overheid en de landbouworganisaties zich konden in vinden. De overheid combineerde de verschillende verzuchtingen van de betrokken sectoren om tot een oplossing te komen. Door de financiering van de BSE-maatregelen te kaderen binnen de financiering van het Voedselagentschap moet iedereen bijdragen. Maar door de combinatie van retributies per bedrijf en de gesolidariseerde heffingen, gespreid over alle schakels van de keten hebben ze getracht een degelijke oplossing uit te werken. Want zo nemen de landbouw en de vleessector nog steeds meer dan de helft van de kostprijs van de BSE-testen op zich. Het akkoord is een duidelijk voorbeeld van een compromis. Elke actor in het netwerk heeft water bij de wijn moeten doen.

     Wat de besluitvorming betreft is het duidelijk dat er duchtig is onderhandeld tussen de verschillende actoren. De beleidsbepalers in dit dossier waren voornamelijk de federale overheid en de landbouworganisaties. Daarnaast waren er de voedingsindustrie, de distributiesector, de horeca en de consumentenorganisaties, die een zekere rol speelden. Net omdat het hier over een federale bevoegdheid gaat, moest de federale overheid dus op zoek gaan naar de nodige financiële middelen. Van in het begin was het duidelijk dat ze geen gebruik wilden maken van de algemene middelen. Dus waren ze verplicht om verschillende oplossingen te combineren en zo een compromis tot stand te brengen dat voor iedereen aanvaardbaar was. Hierbij hield de overheid voornamelijk rekening met de drie grootste landbouworganisaties. Het Agro-front oefenden invloed uit tijdens de onderhandelingen door verschillende bijdragen te leveren. Een voorbeeld hier is dat ze door hun deskundigheid en informatie beter geplaatst waren om de gevolgen van bepaalde maatregelen gepast in te schatten.

     Tijdens de besluitvorming moesten er dus compromissen gesloten worden tussen de verschillende voorgestelde oplossingen. Want hoewel iedereen het eens was dat de BSE-maatregelen moesten uitgevoerd worden, waren er de grootste twijfels over wie dit zou gaan betalen. De Boerenbond is steeds van mening geweest dat de landbouwers niet de verantwoordelijkheid konden nemen voor deze ziekte en dat ze dus zeker niet alleen de kosten van de BSE-maatregelen op zich moesten nemen. De organisatie was van mening dat tevens de overheid, de distributie, de import, de export en de consumenten een bepaalde verantwoordelijkheid hadden. Net zoals de slachthuiswereld waren ze van mening dat er een heffing moest ingesteld worden en dit zo dicht mogelijk bij de consument. En tot een bepaald punt in het overleg dacht de Boerenbond dat de overheid dit ook zo zag. Want uit de programmawet van 30 december 2001 bleek dat de federale overheid de financiële kosten van de BSE-testen op zich zou nemen. Daarom zag de Boerenbond ook de noodzaak niet in van actie te voeren of protest te organiseren. Pas in 2002 blijkt dat de Boerenbond zich in slaap heeft laten wiegen. Want de financiering door de federale overheid blijkt een prefinanciering te zijn, die alleszins zal moeten terugbetaald worden. Bovendien volgt er einde 2003 dan nog het voorstel van minister Demotte, waardoor de bond beseft dat haar taak er nog niet op zit.

     Cruciaal om te vermelden is dat er tijdens dit overleg sprake is van een nieuwe ervaring voor de Boerenbond. Al snel ontstond er een nauwe samenwerking tussen het Agro-front en de slachthuiswereld. Samen waren ze in staat om oppositie te voeren tegenover het kabinet van Demotte met vele voorstellen en tegenvoorstellen. Het is door de mobilisatie van de hele vleeskolom en de daaropvolgende acties en betogingen dat de premier en het kernkabinet erbij werden gehaald. Door het gebruik van het drukkingmiddel ‘demonstreren’, waren ze in staat om de eerste minister te sensibiliseren en erbij te betrekken.

Tegenover het Agro-front en de slachthuiswereld staan FEVIA, UNIZO, Test-Aankoop en HoReCa-Vlaanderen. Deze organisaties zijn niet te spreken over de voorstellen van de landbouworganisaties. Zij vinden dat de producenten de kosten zeker niet mogen afwentelen op de consumenten, hun verantwoordelijkheid moeten opnemen en dus zelf de BSE-testen financieren.

     Eens Verhofstadt op het toneel verscheen, heeft hij uitsluitend met het Agro-front willen onderhandelen. Zo slaagde hij in zijn opzet om hun band met de slachthuiswereld teniet te doen. Maar ook andere partners werden uit het overleg gehouden. Iedere dialoog of overleg werd afgeblokt. Bovendien werd er op dat ogenblik het Voedselagentschap bijgehaald. En tijdens een nachtelijke bijeenkomst tussen Verhofstadt, het FAVV en het Agro-front, kregen de landbouworganisaties een voorstel. Ze hebben dit aanvaard en pas dan is de overheid er mee naar de andere rechtstreeks betrokkenen gegaan.

     Dus na het bereiken van een akkoord met de Boerenbond, het ABS en het FWA gaat het overleg verder in de werkgroep met betrekking tot de financiering van het Federaal Voedselagentschap. Waar dus de andere actoren wel aanwezig zijn. Bovendien spreken de overheid en het Agro-front over “voorafgaande discussies” en niet over een “geheim akkoord” zoals FEVIA verondersteld.

Tot slot was het cruciaal voor de overheid om te zorgen dat hun beleid voldeed aan een aantal maatstaven. In de eerste plaats was er nood aan politieke en maatschappelijke aanvaardbaarheid. Vooraleer dit bewerkstelligd was, heeft de federale overheid een aantal toegevingen moeten doen. Van in het begin was ze van mening dat de producenten niet alleen konden opdraaien voor de kosten van de BSE-testen. Ze moest het maatschappelijk aanvaard maken dat ze een heffing gingen instellen, zo dicht mogelijk bij de consument. Tevens moest het beleid redelijk zijn. Alle actoren in het overleg twijfelden niet aan de noodzaak van de BSE-maatregelen. Deze maatregelen waren hoogdringend, wilde men een einde kunnen stellen aan deze crisis. Tot slot moest het beleid ook uitvoerbaar zijn. Door in het definitieve akkoord de financiering van de BSE-testen onder te brengen bij de financiering van het FAVV, kon men de praktische modaliteiten vereenvoudigen. Het zou een vaste bijdrage worden per producent of per individuele landbouwer. En doordat het werd ingebouwd in de financiering van het Voedselagentschap werd de manier om deze bijdrage te innen ook vergemakkelijkt. Dus we kunnen wel stellen dat er voldoende rekening is gehouden met de maatstaven voor een kwaliteitsvol beleid.

 

6.2.2. Vaststellingen met betrekking tot ‘belangengroepen’

 

De Boerenbond als pressiegroep staat centraal in deze eindverhandeling. We brengen de landbouworganisatie onder bij de sectorale pressiegroepen. Ze functioneert namelijk in de sociaal-economische sector ‘landbouw’, waar ze de belangen van de boeren en de tuinders vertegenwoordigt.

     We kunnen nu wel stellen dat de landbouworganisatie invloed heeft kunnen uitoefenen. Als ze niet had gemanifesteerd en geprotesteerd, dan was de BSE-taks op het niveau van de slachthuizen werkelijkheid geworden. Dan had de landbouw een solidariteitsaandeel dat hoger lag dan de uiteindelijke 26 procent. Dan waren de BSE-testen nu nog steeds duurder dan in de rest van Europa en dan was de BTW ten bedrage van 10 miljoen euro niet kwijtgescholden.

     Tevens is er sprake van een zekere relatie tussen de overheid en de Boerenbond. De overheid staat open voor hun voorstellen en argumenten. Ze houdt rekening met hun kennis en expertise op het vlak van landbouw. Toch was het ook moeilijk werken voor de Boerenbond met een overheid, die zeker geen nieuwe lasten en absoluut geen belastingverhogingen (verkiezingsbelofte) wilde doorvoeren. De bond vond het vanzelfsprekend om te solidariseren, want het was in het teken van de algemene volksgezondheid. Volgend de Boerenbond was de overheid zich ook niet altijd bewust van de hoge kosten van de maatregelen en onderschatte ze zo systematisch de ernst van het dossier.

     De Boerenbond heeft zich dan ook voornamelijk gericht tot de federale overheid, aangezien deze actor bevoegd was voor de materie. Dit door onderhandelingen aan te gaan, gesprekken, brieven aan ministers. Toch hebben ze ook gebruik gemaakt van de media. Ze hebben via perscommuniqués offensief gereageerd op bepaalde beslissingen van de overheid. Bovendien hebben ze bepaalde statements geuit in de media om aan de overheid te tonen, dat er wel degelijk rekening moest gehouden worden met de Boerenbond.

     We kunnen verder zeker niet beweren dat de Boerenbond de toestand ongewijzigd wilde houden, want van de start van het overleg deed de bond voorstellen. Ze heeft wel zaken proberen tegen te houden. Voorbeelden hiervan zijn de heffing op het niveau van de slachthuizen, de financiële last enkel gedragen door de producenten.

     De Boerenbond heeft in dit dossier op een directe wijze en dus zelf bijgedragen aan het tot stand komen van het uiteindelijke akkoord. Enerzijds bij de onderhandelingen met het kabinet Verhofstadt en het FAVV. Door het maken van voorstellen en duidelijk te beargumenteren waarom hun maatregelen de moeite waren om te bekijken. Maar nadien ook bij de discussies binnen het FAVV. Doordat de BSE-kosten vergleden in het geheel van de FAVV-kosten, heeft de bond voldoende aandacht besteed aan de kostensamenstelling- en doorrekening van de FAVV-kosten. Het uiteindelijk bereikte akkoord is dan ook een compromis. Elke actor in het overleg heeft moeten inleveren op de geëiste maatregelen, maar de ene actor al meer dan de andere.

     We hebben hierboven al een aantal drukkingmiddelen opgenoemd waarvan de Boerenbond gebruik heeft gemaakt, waaronder brieven, perscommuniqués en gesprekken. De Boerenbond heeft dus duidelijk gebruik gemaakt van het middel van de overreding. De berekening van de kosten van de BSE-maatregelen is nog een voorbeeld. Bovendien heeft ze zichzelf uitgenodigd op het overleg door berichten te lanceren in de media. Er kan sprake zijn van ‘overhalen’. Bijvoorbeeld nadat er het akkoord is bereikt tussen de overheid, het FAVV en het Agro-front, belonen de landbouworganisaties de overheid, door de andere actoren in het netwerk tevens te overtuigen. De Boerenbond heeft trouwens ook gebruik gemaakt van demonstraties. Ze mobiliseerde de achterban en met 4.000 tractoren trokken ze door de straten. Voldoende om de politieke vertegenwoordigers op de heupen te werken en tevens om aan te tonen dat er velen achter de eisen stonden.

     Tot slot willen we een antwoord geven op de vraag: op wat heeft de Boerenbond zich gebaseerd om bepaalde middelen te hanteren? De Boerenbond heeft steeds het overleg een kans gegeven. De organisatie wilde van in het begin de weg van de onderhandelingen en het overleg een serene kans geven. Pas nadat ze merkte dat praten en onderhandelen niets meer uithaalden, is ze overgegaan op de hardere acties. Bovendien was de financiering van de BSE-testen een zeer groot strijdpunt voor de Boerenbond, met een immens hoge prioriteit. Logisch dus dat ze er ook kostbaardere middelen voor inzetten, zoals demonstraties, manifestaties en protestacties. Doordat ze net over zo een grote achterban beschikken en de middelen (tractoren, landbouwmachines en dergelijke) hebben om toegangswegen te blokkeren, zijn ze beter dan welke pressiegroep in staat om pressie te hanteren.

 

6.2.3. Vaststellingen met betrekking tot ‘beleidsnetwerken’

 

We hebben in het vijfde hoofdstuk voldoende aandacht gehad voor de verschillende actoren betrokken bij het overleg: de federale overheid, de landbouworganisaties in het Agro-front, de voedingindustrie, de distributiesector en de consumentenorganisaties. Toch werd tijdens de chronologische schets duidelijk dat voornamelijk het overleg plaatsvond tussen de overheid en de landbouworganisaties. De andere actoren gaven wel kritiek op de voorstellen, maar het uiteindelijke akkoord is een doorbraak akkoord tussen het kabinet van Verhofstadt en het Agro-front. Nadien werd de discussie verder gezet binnen de onderhandelingen over de financiering van het FAVV.

     In beginsel was de Boerenbond redelijk gerust in het verloop van het overleg. Want de federale overheid had de beslissing genomen dat ze de kosten van de BSE-maatregelen op zich zou nemen. Maar de federale overheid komt terug op deze beslissing en wil niet langer de BSE-maatregelen financieren. Op dat ogenblik kan de zoektocht naar de financiële middelen pas echt starten. Nog later blijkt dat de federale overheid een prefinanciering had doorgevoerd en dat de landbouwsector de lasten vanuit het verleden er nog eens bovenop kreeg. Daarom is de Boerenbond verplicht op te treden als verdediger van de belangen van de boeren-producenten. Nu wordt haar doelstelling om het aandeel van de landbouw zo klein mogelijk te houden.

     In dit overleg zijn de meningsverschillen enerzijds uitgevochten in de media. Denk maar aan de perscommuniqués van de Boerenbond, de advertentie van FEVIA in de krant. Anderzijds hebben de landbouworganisaties ook gebruik gemaakt van de harde middelen, zoals manifestaties en protestmarsen. De Boerenbond heeft in het begin voornamelijk de nadruk gelegd op de onderhandelingen, op het praten met de verschillende actoren. Pas als de bond op bepaalde tijdstippen in het overleg merkte dat praten niet meer hielp, grepen ze terug naar de harde middelen.

     Nu zal het al wel duidelijk zijn dat het dossier op het gebied van de BSE-maatregelen een complex gegeven was. Doordat niemand verantwoordelijk kon gesteld worden, moesten ze samen op zoek naar een duurzame oplossing die aanvaardbaar was voor iedereen. Bovendien was het een multi-actor probleem, want verschillende actoren hebben zich gemengd in het overleg. Dat maakte dat ze ook wederzijds afhankelijk waren van elkaar. Er moest een compromis uitgewerkt worden als de oplossing voor het probleem. Maar de overheid heeft het eerst in kleine kring willen oplossen. Als de overheid de steun kon krijgen van de drie grootste landbouworganisaties, dan was het waarschijnlijker dat de rest ook zou volgen.

     Het is toch de overheid die in dit overleg over de grootste sturingscapaciteit beschikt. Zij dirigeert en bepaalt alles. Ze houdt wel rekening met de andere actoren, maar dan wel enkel met diegene, die hun van nut kunnen zijn. Ze moet in staat zijn om het probleem op te tillen naar een hoger niveau, boven het eigen niveau en dat van een ander, net omdat er zoveel verschillende belangen bij betrokken zijn.

     De Boerenbond kon gebruik maken van verschillende strategieën, namelijk van samenwerking, coalitie, competitie of conflict. Het is zo dat de Boerenbond gebruik heeft gemaakt van een coalitie met de twee andere landbouworganisaties FWA en ABS, samen het Agro-front. Deze alliantie leidt er toe dat de verschillende landbouworganisaties misschien wel andere dingen zeggen, maar dat ze er toch steeds staan als één groep. Bovendien is het zo dat er soms teveel partners aan een onderhandelingstafel zitten en dan ontstaan er lekken of worden er akkoorden niet nagekomen. Daarom is een coalitie binnen het Agro-front een goede zaak. Er worden dan ook vele informele voorbereidende overlegmomenten georganiseerd. Zodat ze eensgezind naar de politiek kunnen stappen, wat steeds een betere indruk geeft.

Maar tevens is de Boerenbond de samenwerking aangegaan met de slachthuiswereld. Dit was een nieuwe ervaring en bovendien was ze van korte duur, doordat Verhofstadt deze samenwerking al gauw te niet deed. Hij wilde namelijk enkel onderhandelen met het Agro-front, waardoor de slachthuiswereld buiten spel werd gezet.

     We wilden tot slot nog nagaan of er sprake is van ‘agrarisch neo-corporatisme’. Uit de interviews is gebleken dat er een speciale relatie is tussen de overheid en de landbouworganisaties. Want om een doorbraak akkoord te verwerven, heeft het kabinet van Verhofstadt enkel gepraat en gediscussieerd met het Agro-front en het FAVV. Het is pas nadat er een overeenstemming bereikt was tussen deze actoren, dat het overleg is opengetrokken naar de andere betrokken sectoren, zoals de voedingindustrie en de horecasector. Het is dus een feit dat in dit dossier de andere actoren tijdelijk buitenspel werden gezet. Ze werden er pas opnieuw bijgehaald als de overheid wist dat ze de steun had van de drie grootste landbouworganisaties. Dus we kunnen wel concluderen dat er hier sprake is van een zekere vorm van ‘agrarisch neo-corporatisme’ of van een speciale relatie tussen de overheid en de drie grootste landbouworganisaties, waarvan de Boerenbond één is.

 

 

6.3. Besluit

 

In dit zesde en laatste hoofdstuk hebben we onze case voorgesteld. Dit hebben we gedaan door een chronologische schets te maken aan de hand van krantenartikels, interviews en belangrijke documenten. Daarna hebben we onze vaststellingen gekoppeld aan onze onderzoeksvragen.

     Al van bij het begin van de BSE-crisis, is het glashelder voor de rechtstreeks betrokken actoren dat er dringend een duurzame oplossing uit de bus moet komen. Nadat de Europese BSE-maatregelen zijn uitgevaardigd, moet de federale overheid op zoek naar de nodige financiële middelen. Vanaf dat ogenblik komen er verschillende voorstellen, halen de betrokken actoren gefundeerde argumenten aan om hun visie te staven en de ideeën van andere actoren onderuit te halen. Het zoeken naar een duurzame oplossing duurt meer dan vier jaar en wordt gekenmerkt door onderhandelingen en syndicale acties. Maar uiteindelijk op 26 februari 2004 is er een doorbraak akkoord tussen het kabinet Verhofstadt, het Voedselagentschap en het Agro-front.

De Boerenbond heeft hier als pressiegroep een belangrijke rol gespeeld. Samen met de twee andere grote landbouworganisaties FWA en ABS zijn ze erin geslaagd om tijdens de onderhandelingen het geheel van BSE-kosten ter waarde van een totaalbedrag van 32,5 miljoen lastens de landbouw, naar een bedrag van 8,2 miljoen euro te brengen. Dus door één jaar van syndicale strijd en boerenbezorgdheid is er een gerealiseerd eindresultaat van 24,3 miljoen euro ten voordele van de landbouw. Ondanks het minder goede nieuws dat er een individuele bedrijfskost is van187 euro. Ook zijn de andere schakels van de voedselketen, net voor en net na de landbouw, enigszins ontlast in hun kostenaandeel

     Uit dit overleg komt de speciale relatie tussen de overheid en de landbouworganisaties duidelijk in beeld. De federale overheid wil eerst een akkoord hebben met het Agro-front, alvorens het ontwerp voor te stellen aan de andere actoren. We kunnen dus stellen dat de overheid meer belang hecht aan het akkoord van de drie grootste landbouworganisaties, dan aan dat van de anderen in het overleg.

 

 

Algemeen besluit

 

 

We hebben in deze eindverhandeling willen nagaan of een sociale organisatie als de Boerenbond invloed kan uitoefenen bij het totstandkomen van het beleid. Meer bepaald hebben we gebruik gemaakt van het dossier met betrekking tot de financiering van de BSE-testen.

     Het is duidelijk dat de Boerenbond niet al haar doelstellingen heeft kunnen verwezenlijken. Maar toch heeft ze wel degelijk het verschil gemaakt in het BSE-dossier. Ten eerste was de bond voorstander van een maatschappelijke solidarisering. Maar de overheid was hier niet voor te vinden en dus moesten de financiële middelen elders gezocht worden. Verder zag de landbouworganisatie heil in het oprichten van een Kwaliteitsfonds, met bijdragen van de verschillende sectoren én de consumenten. Ook dit voorstel werd niet uitgewerkt. Wel is de Boerenbond er in geslaagd om enerzijds de heffing op het niveau van de slachthuizen ongedaan te maken, want dit zou nefast geweest zijn voor de landbouwers. Anderzijds hebben ze er mede voor gezorgd dat de BSE-kosten lastens de landbouw immens gedaald zijn. Het is nog steeds een hoog bedrag en de bedrijfskost van 187 euro zal elke landbouwer zwaar vallen, maar het is nog steeds een heel pak minder dan de bedragen aan het begin van de onderhandelingen.

     We kunnen dus zeker besluiten dat de Boerenbond invloed heeft kunnen uitoefenen op het uiteindelijke akkoord. Ze heeft misschien niet alles kunnen verwezenlijken, maar het eindresultaat ziet er beter uit dan de initiële kosten.

     De aloude samenwerking in België tussen de overheid en de georganiseerde landbouw is in dit dossier wel degelijk aanwezig. De overheid heeft namelijk op een cruciaal moment beslist enkel met het Agro-front en het FAVV te onderhandelen. Zo was de overheid in staat om in een beperkte kring de problemen uit te werken.

     Niettegenstaande het gerealiseerde eindresultaat ten gunste van de landbouw, blijft de pil zeer bitter om slikken. Er is natuurlijk het grote verschil tussen begin- en eindresultaat inzake de BSE-kosten ten gevolge van de grote syndicale verdienste die ten goede komt van de algemene landbouwsector. Toch blijft er een zekere ontevredenheid overheersen, omdat er in dit dossier enkel sprake is van verliezers en zeker niet van winnaars.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] X., “Belangenverdediging”, Boerenbond, 23.05.2005, http://www.boerenbond.be/hosting/boerenbond/bb_site.nsf (WWW).

[2] Zie de thesis van K. DEZEURE over ‘De macht van de Boerenbond (Onderzoek naar de politieke beïnvloedingskanalen van 1991 tot 2003.)’.

[3] De dierziekte Boviene Spongiforme Encephalopathie of BSE is een aandoening van het centrale zenuwstelsel. Deze sluipende en onomkeerbare hersenziekte bij runderen is overdraagbaar van dier op mens. In hoofdstuk 6 wordt hier dieper op ingegaan.

[4] Zie de thesis van I. VERDONCK over ‘Een wetenschapssociologische exploratie van processen van probleemconstructie (Een actor-netwerk interpretatie van de BSE-crisis)’.

[5] T. R. DYE, Understanding public policy, New Jersey, Englewood Cliffs, 1995, 2.

[6] R. HOPPE, en H. VAN DE GRAAF, Beleid en politiek, een inleiding tot de beleidswetenschap en de beleidskunde, Bussum, Uitgeverij Coutinho, 1996, 43.

[7] G. KUYPERS, Beginselen van beleidsontwikkeling (deel A), Muiderberg, Dick Countinho 1980, 19.

[8] R. HOPPE, en H. VAN DE GRAAF, o.c., 44.

[9] A. HOOGERWERF, “Beleid, processen en effecten” in Hoogerwerf, A. en Herweijer, M. (eds.), Overheidsbeleid: een inleiding in de beleidswetenschap, Alphen aan den Rijn, Samsom Uitgeverij, 1998, 23.

[10] ibid., 26.

[11] R. HOPPE, en H. VAN DE GRAAF, o.c., 87.

[12] A. HOOGERWERF, l.c., 26.

[13] M. BRANS, D. VANCOPPENOLLE, K. VERHOEST, en A. LEGRAIN, De inrichting van de beleidsondersteunende functie in een verzelfstandigd overheidslandschap, Leuven, Steunpunt beleidsrelevant onderzoek - Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen, 2003, 10.

[14] A. HOOGERWERF, l.c., 28.

[15] ibid., 28.

[16] R. HOPPE, en H. VAN DE GRAAF, o.c., 87-90.

[17] M. S. DE VRIES, “Problemen op de agenda” in Hoogerwerf, A. en Herweijer, M. (eds.), Overheidsbeleid: een inleiding in de beleidswetenschap, Alphen aan den Rijn, Samsom Uitgeverij, 1998, 40.

[18] R. HOPPE, en H. VAN DE GRAAF, o.c., 181.

[19] M. BRANS, en D. VANCOPPENOLLE, Consultatiecodes voor beleidsambtenaren: een internationale verkenning, Leuven, Steunpunt beleidsrelevant onderzoek -Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen, 2003, 7.

[20] R. HOPPE, en H. VAN DE GRAAF, o.c., 182-183.

[21] ibid., 264-267.

[22] ibid., 268-269.

[23] ibid., 427.

[24] R. HOPPE, en H. VAN DE GRAAF, o.c., 269.

[25] ibid., 268-270.

[26] A. HOOGERWERF, l.c., 59.

[27] A. HOOGERWERF, l.c., 59-62.

[28] ibid., 60-62.

[29] A. HOOGERWERF, l.c., 62-75.

[30] R. HOPPE, en H. VAN DE GRAAF, o.c., 427.

[31] A. HOOGERWERF, l.c., 75-76.

[32] M. HERWEIJER en J. C. COOLSMA, “Beleidsbepaling” in Hoogerwerf, A. en Herweijer, M. (eds.), Overheidsbeleid: een inleiding in de beleidswetenschap, Alphen aan den Rijn, Samsom Uitgeverij, 1998, 79.

[33] M. BRANS, en D. VANCOPPENOLLE, o.c., 8.

[34] M. HERWEIJER en J. C. COOLSMA, l. c., 79-80.

[35] M. HERWEIJER en J. C. COOLSMA, l. c., 81-83.

[36] G. K. WILSON, Interest Groups, Oxford, Basil Blackwell Ltd, 1990, 1.

[37] P. NORTON, “Introduction: Putting Pressure on Parliaments” in Norton, P. (ed.), Parliaments and Pressure Groups in Western Europe, London & Portland, Frank Cass Publishers, 1992, 2.

[38] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, “Belangengroepen en de uitoefening van politieke pressie” in van Mierlo, J. G. A. (ed.), Pressiegroepen in de Nederlandse politiek, Hooiberg Epe, Stichting maatschappij en onderneming, 1988, 56-57.

[39] D. B. TRUMAN, The governmental process: political interests and public opinion, New York, Knopf, 1958, 33-37.

[40] G. H. SCHOLTEN, “Pressiegroepen” in Hoogerwerf, A. (red.), Verkenningen in de politiek, deel I, Alphen aan den Rijn, Samsom Uitgeverij, 1976, 202-215.

[41] J. J. A. VAN DOORN, “Pressiegroepen: correctie of corruptie?” in de Jong, J. J., Brouwer, M. J. en van Doorn, J. J. A. (red.), Pressiegroepen. De invloed van georganiseerde groepen op het maatschappelijke en politieke leven, Utrecht en Antwerpen, Spectrum, 1959, 64-85.

[42] R. H. SALISBURY, “Interest groups” in F. I. Greenstein en N. W. Polsby (eds.), Nongovernmental politics, Massachusetts, Addison-Wesley Publishing Company, 1975, 182-189.

[43] D. B. TRUMAN, o.c., 35.

[44] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 60-62.

[45] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 60-62.

[46] E. WITTE, Politiek en democratie. Omtrent de werking van de westerse democratieën in de 19de en 20ste eeuw, Brussel, VUBPress, 1996, 209.

[47] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 45.

[48] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 46-48.

[49] ibid., 48-49.

[50] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 51-52.

[51] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 64.

[52] ibid., 65.

[53] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 65-66.

[54] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 74-76.

[55] G. H. SCHOLTEN, “Pressiegroepen” in Hoogerwerf, A. (red.), Verkenningen in de politiek, deel I, Alphen aan den Rijn, Samsom Uitgeverij, 1976, 204.

[56] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 76-77.

[57] P. J. J. VAN MIL, en J. G. A. VAN MIERLO, l.c., 78.

[58] J. M. BERRY, Lobbying for the People: the political behaviour of public interest groups, Princeton, New Jersey, Princeton University Press, 1977, 264.

[59] F. DE RYNCK, Streekontwikkeling in Vlaanderen. Bestuurskundig bekeken. Besturingsverhoudingen en beleidsnetwerken in bovenlokale ruimtes, Leuven, Katholieke Universiteit Leuven – Faculteit Sociale Wetenschappen (Departement Politieke Wetenschappen), 1995 (Diss. Doc.), 40; F. DE RYNCK, “Beleidsnetwerken in het kader van het overheidsbeleid”, in Maes, R. en Jochmans, K. (red.), Inleiding tot de bestuurskunde (Deel 3), Brussel, Studiecentrum Open Hoger Onderwijs, 1996, 250.

[60] Dit gedeelte steunt op:

-          F. DE RYNCK, Streekontwikkeling in Vlaanderen. Bestuurskundig bekeken. Besturingsverhoudingen en beleidsnetwerken in bovenlokale ruimtes, Leuven, Katholieke Universiteit Leuven – Faculteit Sociale Wetenschappen (Departement Politieke Wetenschappen), 1995 (Diss. Doc.), 41-66;

-          F. DE RYNCK, “Beleidsnetwerken in het kader van het overheidsbeleid” in R. MAES en K. JOCHMANS (red.), Inleiding tot de bestuurskunde (Deel 3), Brussel, Studiecentrum Open Hoger Onderwijs, 1996, 252-263.

[61] T. BÖRZEL, “Organizing Babylon – on the different conceptions of policy networks” in Public Administration, 76, (1998), p. 255.

[62] T. BÖRZEL, l.c., 255.

[63] P. C. SCHMITTER, “Still the century of corporatism?” in Schmitter, P. C. en Lehmbruch, G. (eds.), Trends toward corporatist intermediation, London, Sage Publications, 1979, 13.

[64] P. C. SCHMITTER, l.c., 15.

[65] G. PETERS, The politics of bureaucracy, London, Routledge, 1989, 156.

[66] F. VAN WAARDEN, “Dimensions and types of policy networks” in European journal of political research, 21, (1992), pp 29-52.

[67] K. DEZEURE, De macht van de Boerenbond, onderzoek naar de politieke beïnvloedingskanalen van 1991 tot 2003, Leuven, Katholieke Universiteit Leuven – Faculteit Sociale Wetenschappen (Departement Politieke Wetenschappen), 2004 (Diss. Lic.), 15-17.

[68] D. B. BAARDA, en M. P. M. DE GOEDE, Basisboek Methoden en Technieken, Houten, Stenfert Kroese, 2000, 138.

[69] X., Federale regering, Federale Overheid, s.d., http://www.belgium.be/eportal/application?origin=aboutBelgium.jsp&event=bea.portal.framework.internal.refresh&pageid=indexPage&navId=5898 (WWW).

[70] X., Missie, Federale Overheid, s.d., http://www.belgium.be/eportal/application?pageid=contentPage&docId=7672 (WWW).

[71] X., FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Federale Overheid, s.d., http://www.belgium.be/eportal/application?origin=charterHome.jsp&event=bea.portal.framework.internal.refresh&pageid=charterDetailPage&navId=3653 (WWW).

[72] X., Missie van FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu , Federale Overheid, s.d., http://www.belgium.be/eportal/application?pageid=contentPage&docId=8429 (WWW).

[73] X., Historiek, FAVV, s.d., http://www.favv-afsca.fgov.be/portal/page?_pageid=34,66751&_dad=portal&_schema=PORTAL (WWW).

[74] X., Taken/Bevoegdheden, FAVV, s.d., http://www.favv-afsca.fgov.be/portal/page?_pageid=34,49090&_dad=portal&_schema=PORTAL (WWW).

[75] K. DEZEURE, De macht van de Boerenbond – Onderzoek naar de politieke beïnvloedingskanalen van 1991 tot 2003, Leuven, Katholieke Universiteit Leuven – Faculteit Sociale Wetenschappen (Departement Politieke Wetenschappen), 2004 (Diss. Lic.), 38-39.

[76] K. DEZEURE, o.c., 34-35.

[77] ibid., 45-46.

[78] R. SAENEN, Informatie betreffende formele mandaten, 27.02.2004, (Memo), ongepag.

[79] X, FEVIA, FEVIA, s.d., http://www.fevia.be/UPLOADS/nieuwsberichten/4744/Adv_NL.pdf (WWW).

[80] X, Voedingsbeleid, FEVIA, s.d., http://www.fevia.be/pages/default.asp (WWW).

[81] X, Bienvenue à la FWA, FWA, s.d., http://www.fwa.be (WWW).

[82] X, Voorstelling ABS, ABS, s.d., http://www.absvzw.be/index.php?display=page&id=8 (WWW).

[83] De wetenschappelijke term gevraagd aan dierenarts dr. F. HUYLEBROEK.

[84] I. VERDONCK, Een wetenschapssociologische exploratie van processen van probleemconstructie, een actor-netwerk interpretatie van de BSE-crisis, Leuven, Katholieke Universiteit Leuven – Faculteit Sociale Wetenschappen (Departement Sociologie) 1999 (Diss. Lic.), 48-50.

[85] X., BSE: landbouwraad bereikt akkoord, VILT, 21.11.2000, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=249 (WWW).

[86] R. SAENEN, Gesprek inzake de financiering van de BSE-testen, Leuven, 12.07.2005 (Persoonlijke mededeling).

[87] X., Boerenbond vraagt overheidstussenkomst inzake BSE-kosten, VILT, 21.11.2000, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=251 (WWW).

[88] X., BSE: België ontevreden over Europese aanpak, VILT, 6.12.2000, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=314 (WWW).

[89] X., Boerenbond: “Overheid moet BSE-kosten dragen”, VILT, 6.12.2000, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=315 (WWW).

[90] X., Landbouwers vragen geldelijke steun voor BSE-crisis, VILT, 13.12.2000, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=336 (WWW).

[91] X., Belgische slachthuizen vrezen concurrentienadeel, VILT, 19.12.2000, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=375 (WWW).

[92] E. LELOUP, Gesprek inzake de financiering van de BSE-testen, Leuven, 12.07.2005 (Persoonlijke mededeling).

[93] X., Happart wil geen frank betalen voor financiering van BSE-maatregelen + Gabriëls: “Iedereen moet bijdragen in BSE-kosten”, VILT, 18.12.2000, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=366 (WWW).

[94] X., Gabriëls ontgoocheld over landbouwraad, VILT, 19.12.2000, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=378 (WWW).

[95] X., Boeren betogen met honderden tractoren in Namen, VILT, 21.12.2000, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=384 (WWW).

[96] R. SAENEN, Gesprek inzake de financiering van de BSE-testen, Leuven, 12.07.2005 (Persoonlijke mededeling).

[97] X., Ecofin: de laatste BSE-fondsen, VILT, 12.02.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=593 (WWW).

[98] X., Boerenbond organiseert actieweek rond BSE-crisis, VILT, 16.02.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=614 (WWW).

[99] X., Boerenbondacties tegen hoge BSE-factuur, Belga, 19.02.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=620 (WWW).

[100] X., Europese landbouwraad: Boerenbond ‘maat voor niets’, Belga, 27.02.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=719 (WWW).

[101] X., Onenigheid in vleessector over financiering BSE-maatregelen, Belga, 09.03.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=849 (WWW).

[102] X., Bijna akkoord rond financiering BSE-maatregelen?, Belga, 20.03.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=950 (WWW).

[103] X., Verhofstadt zegt steun toe aan rundveesector, VILT, 03.05.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=1459 (WWW).

[104] X., Boerenbond en Dua tevreden over engagement van Verhofstadt, Belga, 04.05.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=1464 (WWW).

[105] X., Agro-front rekent op globale regeling BSE-crisis, VILT, 09.05.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=1501 (WWW).

[106] X., Enveloppe van 2,4 miljard ter compensatie van BSE-schade, Belga, 10.05.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=1506 (WWW).

[107] X., Boerenbond verwerpt schadevergoeding rundveehouders, Belga, 10.05.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=1511 (WWW).

[108] X., Gewesten vergoeden inkomensverlies door BSE niet, Belga, 11.05.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=1518 (WWW).

[109] X., Ministerraad keurt steun goed voor rundveehouders, Belga, 14.06.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=1673 (WWW).

[110] X., ABS: “Consument moet betalen voor BSE-tests”, Belga, 23.11.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=2211 (WWW).

[111] X., Boerenbond tevreden over BSE-beslissing ministerraad, Belga, 11.12.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=2268 (WWW).

[112] X., Test-Aankoop niet akkoord met financiering BSE-tests, Belga, 18.12.2001, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=2298 (WWW).

[113] X., Boerenbond ongerust over regeling BSE-testen, VILT, 21.05.2002, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=2901 (WWW).

[114] X., BSE-taks in de maak ondanks tegenkanting, Belga, 11.07.2002, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=3105 (WWW).

[115] E. LELOUP, BSE/FAVV-kosten: het verhaal van een jaar syndicale strijd, Leuven, 13.12.2004, (Memo) ongepag.

[116] R. SAENEN, Gesprek inzake de financiering van de BSE-testen, Leuven, 12.07.2005 (Persoonlijke mededeling).

[117] X., Boerenbond voert actie tegen financiering BSE-testen, Belga, 19.12.2003, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4421 (WWW).

[118] E. LELOUP, BSE/FAVV-kosten: het verhaal van een jaar syndicale strijd, Leuven, 13.12.2004, (Memo) ongepag.

[119] X., Ministerraad keurt regeling BSE-tests goed, Belga, 20.12.2003, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4426 (WWW).

[120] X., Boerenbond dreigt met acties tegen BSE-financiering, VILT, 07.01.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4455 (WWW).

[121] X., Test-Aankoop wil BSE-kosten niet op rug van consument, Belga, 22.01.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4508 (WWW).

[122] Art. 54 Programmawet 30 december 2001, B.S.-online, 31 december 2001.

[123] X., Vleeskolom ontwerpt voorstel financiering BSE-testen, VILT, 13.01.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4467 (WWW).

[124] X., Voorstel vleessector financiering BSE-testen verworpen, VILT, 15.01.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4475 (WWW).

[125] X., Boerenbond telt 4 à 5.000 tractoren, Belga, 22.01.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4507 (WWW).

[126] X., Vleessector mag alternatief voorstel formuleren, Belga, 04.02.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4557 (WWW).

[127] X., Demotte wil overheid niet meer laten betalen, Belga, 04.02.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4560 (WWW).

[128] X., “Wie voeding verkoopt, moet BSE-kosten betalen”, Belga, 11.02.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4579 (WWW).

[129] X., Horecasector dreigt met een boycot, Belga, 11.02.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4581 (WWW).

[130] X., Unizo:”Boerenbond neemt te korte bocht”, Belga, 11.02.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4582 (WWW).

[131]E. LELOUP, BSE/FAVV-kosten: het verhaal van een jaar syndicale strijd, Leuven, 13.12.2004, (Memo) ongepag.

[132] X., Regering en landbouwsector eens over BSE-financiering, Belga, 26.02.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4624 (WWW).

[133] X., FEVIA voert actie tegen geheim voorakkoord over BSE-financiering, FEVIA, 05.03.2004, http://www.fevia.be/persberichten  WWW).

[134] X., Voedingsindustrie niet te spreken over BSE-regeling, Belga, 27.02.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4627 (WWW).

[135] R. SAENEN, Gesprek inzake de financiering van de BSE-testen, Leuven, 12.07.2005 (Persoonlijke mededeling).

[136] X., “Landbouw en vleessector betalen ruim de helft”, VILT, 07.03.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4639 (WWW).

[137] X., Fedis verwerpt voorakkoord financiering BSE-tests, Belga, 03.03.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4632 (WWW).

[138] X., Groen licht voor KB over financiering BSE-tests, Belga, 12.03.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4651 (WWW).

[139] X., Varkenshouders verwerpen akkoord over BSE-tests, Belga, 15.04.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=4717 (WWW).

[140] X., Businessplan Voedselagentschap goedgekeurd, VILT, 03.12.2004, http://www.vilt.be/nieuwsarchief/detail.phtml?id=5503 (WWW).