'Blinde vlek' der blindheid. Drie auteurs over blinden in de achttiende en het begin van de negentiende eeuw. (Katty Geltmeyer)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL III: ALEXANDER RODENBACH

 

HOOFDSTUK 1: LEVEN EN WERK

 

Afkomst, opleiding en beroep

 

            Pieter Alexander Rodenbach werd op 28 september 1786 te Roeselare geboren. Hij was de tweede oudste zoon van Pieter Ferdinand die arts en jeneverstoker, maar ook van 1799 tot 1820 schepen van de stad Roeselare was, en Anna Maria de Geest. Zijn grootvader Ferdinand, geboren te Andernach-aan-de-Rijn in 1714 en gestorven te Roeselare in 1783, was als chirurgijn met de Oostenrijkse troepen in Vlaanderen terechtgekomen[116].

 

            Alexander volgde het lager onderwijs in de Académie française, anglaise etc., een privé-pensionaat te Gistel, waar hij door zijn ouders naartoe gestuurd werd. De leerlingen betaalden de enige leraar volgens overeenkomst wat ze wensten te spenderen aan het onderwijs van Frans, Engels, rekenen en schoonschrift[117]. Maar toen hij op elfjarige leeftijd blind werd, als gevolg van een ongeluk of oogziekte, werd hij naar het Musée des Aveugles van Valentin Haüy te Parijs gestuurd. In deze privé-school kregen de blinde kinderen van de betere klasse een degelijke en passende opleiding met voor die tijd revolutionaire didactische middelen. Men moest voor het verblijf in het internaat en het levensonderhoud van de leerlingen betalen.

 

            Alexander verwijst vaak trots naar zijn leraar, diens onderwijstechnieken en naar het feit dat hij een van de eerste leerlingen was, die in het Musée les volgde. Hier leerde hij lezen, schrijven en rekenen. Ook andere vakken zoals talen, aardrijkskunde, literatuur, natuurwetenschappen, wiskunde en muziek, vooral orgel, behoorden tot het lessenpakket. Maandelijks waren er in de erezaal van de school openbare oefeningen voor de leerlingen. De gegoede leerlingen mochten zich, naar zijn eigen zeggen, ontspannen met het kaart-, dam-, schaak- en dominospel. Verder leerde Alexander ook paardrijden, zwemmen, dansen en deed hij aan gymnastiek.

 

            Maar Rodenbach genoot ook van het mondaine, Parijse, culturele leven en woonde toneel- en muziekvoorstellingen bij in de Comédie Française, het Théatre Feydeau en de Académie impériale de musique[118].

            Alexander keerde, vermoedelijk tijdens de winter van 1804-1805 naar zijn ouders in Roeselare terug. Hij verdiepte zich in de studie en verwierf een opvallend algemene ontwikkeling, doordat hij zich heel veel uit allerhande publicaties liet voorlezen.

 

            Enkele jaren later, in 1809, bood hij zich aan om als leraar Haüy's onderwijsmethode in te voeren in het blindeninstituut te Amsterdam, dat sinds november 1808 door de Amsterdamse vrijmetselaars (waaronder Johan Deiman en Willem Holtrop) geopend was. Maar hij werd niet aangenomen, aangezien hij niet voldeed aan de eisen die tijdens het toelatingsexamen gesteld werden. Ook zouden zijn Vlaamse tongval en katholieke gezindheid op tegenstand gestuit zijn bij de directie van de instelling. Hij keerde diep ontgoocheld en verbitterd jegens de Nederlanders naar Roeselare terug.

 

            Over dit toelatingsexamen en het feit of hij daar al dan niet les gegeven heeft, zijn de meningen in de literatuur erg verdeeld. Volgens Cappron, het "Avis des éditeurs" en Gross heeft Rodenbach wel les gegeven in deze instelling, maar de drie auteurs zijn hierover nogal vaag. In Dassens en Bocharts werk wordt niet enkel gezegd dat Rodenbach er les gaf, maar ook dat hij hielp de instelling te organiseren. Ook zou, volgens deze bronnen, zijn kennis van het Vlaams hem geholpen hebben om het Hollandse dialect te leren. Henri twijfelt eraan dat Rodenbach ooit in de Amsterdamse instelling les gaf[119].

 

            Ikzelf twijfel aan de objectiviteit van deze informatie en het verloop van de feiten. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat Rodenbachs Vlaamse tongval een hinderpaal was, aangezien de eerste leraar, Daniel Fürst, volgens Kretschmer uit Kopenhagen afkomstig was[120]. Mijns inziens had de directie van de school meer bezwaren tegen Rodenbachs katholieke gezindheid. Vermoedelijk kwam Rodenbach gewoon te laat aandraven met zijn kennis en had de directie van het Amsterdamse instituut al een andere, Nederlandse kandidaat op het oog die deze functie beter kon invullen. Maar het ligt niet in de bedoeling van mijn verhandeling om dit vraagstuk op te lossen.

 

            In Roeselare nam Alexander Rodenbach in 1820, na de dood van zijn vader, een brouwerij over en stichtte in 1821, samen met zijn broers Ferdinand en Pedro, en zijn schoonbroer Martin Lenoir de vennootschap "Alexander Rodenbach en Compagnie" voor de uitbating van deze brouwerij. Vanaf dan gaat het deze vennootschap en de brouwerij voor de wind. In 1836 liet Alexander zijn beheer en vennootschap bij volmacht over aan zijn neef Pieter Degeest de jonge. Zijn politieke activiteiten in het Parlement vereisten immers dat hij gedurende zes à zeven maanden in Brussel verbleef. De brouwerij ging over op de echtgenote van zijn jongste broer Pedro[121].

 

            Rodenbach had vanaf 1827 zijn bescheiden aandeel in de opflakkering van een jeugdig-romantische literaire bedrijvigheid in het zuidelijke gedeelte van het Koninkrijk der Nederlanden. Hij publiceerde onder meer artikels in het Journal de Gand van 7 nov. 1827, Le Catholique des Pays-Bas van 7 januari 1829 en 16 juni 1830, en de jaargangen 1829 en 1830 van de Gentse Messager des Sciences et des Arts[122].

 

Zijn deelname aan en rol in de Belgische politiek[123]

 

            Via zijn industriële activiteiten kwam Rodenbach in aanraking met het politiek-economische beleid van Willem I, waarmee hij het niet eens was. Hij onderschreef zowel de eis van de liberalen voor vrijheid van onderwijs, als deze van de katholieken voor vrijheid van drukpers, die zich in 1825 in het unionisme verenigden. In de jaren 1829-1830 profileerde hij zich als een van de woordvoerders van de anti-orangisten, de oppositiebeweging tegen het beleid van koning Willem I en minister C.F. van Maanen, waarvoor hij meestal de gedrukte pers, en meer bepaald de Gentse krant Le Catholique des Pays-Bas gebruikte, waarvan Adolf Bartels de hoofdredacteur was. Samen met de jonge priester Désiré de Haerne was hij in zijn streek de dynamische kracht achter een reeks massapetities voor pers- en onderwijsvrijheid. Ook smeekbrieven werden door hem gehanteerd om zijn doel te bereiken.

 

                Alexander, zijn broer Constantijn en priester Désiré de Haerne werden op 3 november 1830 door het district Roeselare afgevaardigd naar het Nationaal Congres. Zijn felle anti-orangistische houding kwam vaak tot uiting tijdens de zittingen van deze grondwetgevende vergadering, en bewoog hem ertoe het door Constantijn ingediende voorstel tot eeuwigdurende uitsluiting van het Huis van Oranje-Nassau van alle macht in België te steunen, dat op 24 november 1830 goedgekeurd werd. Hij was een vurig aanhanger van vrijheid en onafhankelijkheid, wars van alle vreemde inmenging. Ook was hij een 'liberale' katholiek. Tijdens de debatten over het kiezen van een staatshoofd liet hij zijn aanvankelijk republicanisme varen en hield hij het een tijd bij de kandidatuur van de hertog van Leuchtenberg. Toen op 4 juni Leopold van Saksen-Coburg werd verkozen, behoorde Rodenbach tot de leden die zich onthielden.

 

                Alexander, die samen met priester Désiré de Haerne bij de eerste parlementsverkiezingen van 29 augustus 1831 verkozen werd voor het district Roeselare, zou als lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers dit district 36 jaar ononderbroken blijven vertegenwoordigen. In 1867 zag hij op 81-jarige leeftijd af van zijn zetel in de Kamer.

 

                Hij leunde aan bij de democratische minderheidsstrekking binnen de katholieke vertegenwoordiging. Hij bleef trouw aan het unionisme en zijn eigen politieke standpunten die hij aanhing toen hij nog in het Nationaal Congres zetelde. Rodenbach was heel zijn leven een voorstander van de vrijheid in de ruimste zin van het woord. Vrijheid voor iedereen (men moet weliswaar lezen dat dit beperkt werd tot de burgerij), vrijheid in alles. Hij was een godsdienstig-overtuigd man. Maar toch bleef hij een uitgesproken individualist, die zich nooit partijgebonden noch geestelijk onvrij voelde.

 

                Vele van zijn vaak enigszins abrupte tussenkomsten waren ten voordele van het gewone volk. Dit sociaal-gericht paternalisme blijkt onder meer uit zijn pleidooi voor de oprichting van voorlopige asielen, om de verarmde landelijke bevolking te helpen en de bedelaarshuizen, die dreigen vol te lopen, te ontlasten. Maar soms ook verdedigden zijn tussenkomsten duidelijk het eigenbelang, zoals de maatregelen die hij voorstelde ten voordele van de brouwerijen. Hij zette zich in voor de definitieve installatie van de katholieke universiteit, voor de gemeentelijke autonomie (tegen de koninklijke aanspraken) en zorgde voor zijn kiesdistrict door te ijveren voor een spoorweg en een kanaal.

 

            Dat hij daarbij vaak de belangen van het Vlaamse gedeelte van België verdedigde, had meer met de economische toestand van dit gebied te maken dan met zijn taalvoorkeur. Rodenbach was immers als zoon van een belangrijke, notabele familie in het Frans opgevoed. Zijn culturele belangstelling ging echter ook uit naar Nederlandstalige verenigingen en literatuur, maar volgens De Bruyne beheerste hij het Nederlands niet goed[124]. Men heeft hem vaak verwisseld met zijn kleinneef Albrecht Rodenbach.

 

            Verder vroeg hij voortdurend speciale aandacht voor de bestrijding van de oftalmie en drong aan op maatregelen om de verspreiding van deze oogziekte in het leger te stoppen. Ook zette hij zich in voor de belangen van de blinden en doven en leverde krachtdadig zijn bijdrage aan het blinden- en dovenonderwijs. Zo ijverde hij voor de oprichting van speciale instituten. Door zijn toedoen keurde de Kamer in 1835 een speciaal artikel in de gemeentewet goed, dat de gemeenteraad verplichtte om jaarlijks in hun uitgavenbudget een bedrag te voorzien nodig voor het levensonderhoud en onderwijs van hun blinde en dove behoeftigen[125].

 

            Nadat hij intussen te Roeselare sinds 1830 onafgebroken in de gemeenteraad had gezeteld, verhuisde hij in 1844 naar het naburige Rumbeke. Hij werd er hetzelfde jaar burgemeester, wat hij tot zijn dood zou blijven. Maar daarbij moet men wel bedenken dat Rodenbach toen ook volksvertegenwoordiger was, waardoor hij gedurende acht à negen maanden van het jaar praktisch ononderbroken in Brussel woonde. Daardoor kan men niet alle realisaties die Rumbeke mocht meemaken tussen 1844 en 1869, aan hem toeschrijven. Het was schepen Ivo Rommel die Rumbeke door de hongerjaren 1845-1848 loodste.

 

            Rodenbach ondervond trouwens de nodige tegenkanting van de oppositie toen hij zich burgemeesterskandidaat stelde, omdat hij blind was. Toen hij eenmaal burgemeester was, wilde hij ook geen plaatsvervanger aanstellen voor zijn taak als ambtenaar bij de burgerlijke stand, omdat hij vond en wilde bewijzen dat een blinde alles aankan. Blijkbaar was hij iemand met een sterk karakter en een volharder.

 

            Rodenbach pleitte ervoor om vakscholen voor behoeftigen op te richten en de nieuwe technieken in de linnennijverheid in te voeren. Hij stelde alles in het werk om de armoede en ellende te lenigen en werkverschaffing te verzekeren. Hij stelde dat men bedelaars beter werk kon geven dan aalmoezen.

 

                Alexander bleef tot op het einde van zijn leven actief bezig met de politiek in zijn functie van burgemeester. Maar de laatste maanden van zijn leven werd hij ziek. Ook zorgden familiale problemen voor spanningen. Hij stierf te Rumbeke op 17 augustus 1869[126].

 

Zijn werken over blinden en de invloed daarvan

 

                Zoals men al kon vaststellen, besteedde Rodenbach tijdens zijn politieke loopbaan aandacht aan de blinden- en dovenproblematiek door de politici opmerkzaam te maken op bepaalde problemen. Maar behalve de inzet van zijn politieke invloed gebruikte hij daarvoor ook de literatuur. In de periode 1827-1830 maakte hij naam met twee publicaties in boekvorm, gewijd aan de blinden- en dovenproblematiek. Het betreft hier zijn Lettre sur les aveugles (1828) en zijn Coup d'oeil d'un aveugle sur les sourds-muets (1829) die, volgens de uitgevers, Dassen en Bochart, respectievelijk naar het Engels en het Duits vertaald werden. In 1853 werden deze teksten gebundeld en uitgegeven onder de titel Les aveugles et les sourds-muets. Omdat dit werk, volgens A. J. D. en de uitgevers, zo'n succes kende, werd het door Rodenbach nogmaals herzien, herbewerkt en heruitgegeven. Met deze teksten nam hij als eerste blinde deel aan het debat over de psychologie van de blinden[127].

 

                Maar Rodenbach oefende ook op een andere wijze invloed uit. Hij las de werken over de blinden van de directeurs van de verschillende blindenscholen, zoals onder meer deze van kanunnik Charles Louis Carton, directeur van het doveninstituut te Brugge, en Pierre-Armand Dufau, die sinds 1840 directeur van het Parijse blindeninstituut was. Rodenbach las deze werken en verwerkte ze in zijn tekst, waardoor hij een soort encyclopedische tekst verkreeg en hielp bij de verspreiding van Cartons en Dufau's ideeën.

 

                Rodenbach zou volgens Jacobs en De Bruyne ook in het buitenland invloed uitgeoefend hebben, onder meer door zijn medewerking aan de Annales de l'éducation des sourds-muets et des aveugles, dat vanaf 1843 in Parijs gepubliceerd werd[128]. Zijn teksten werden blijkbaar veel gelezen, aangezien sommige edities vertaald werden, (cf. supra).

 

                Rodenbach hielp ook zelf een handje bij de verspreiding van zijn werk, naambekendheid en reputatie. Hij stuurde naar een aantal invloedrijke en hooggeplaatste mensen een presentexemplaar van zijn werken, of een van de biografische brochures over zijn leven en zijn werken op. Daarvoor kreeg hij, deels uit beleefdheid, deels uit bewondering, vaak een bedankbriefje[129].

 

                Zo verwierf hij de reputatie een specialist terzake te zijn. Ook vond hij dat van zichzelf en ging hij zich steeds meer als zodanig profileren. In die hoedanigheid mengde hij zich in 1857-1858 in een discussie tussen Carton en Cappron[130]. Het is wel opmerkelijk dat hij met deze zelfverzorgde imagovorming niet zozeer zijn Roeselaarse kiezers, maar eerder het ruimere, nationaal-politieke midden en vooraanstaande vrienden wilde bereiken.

 

                Ook kreeg hij voor zijn werk voor de blinden een aantal diploma's, ridderorden en eretitels, zoals onder meer blijkt uit de titelpagina van zijn Les aveugles..., en de opsomming in de biografische brochures die men in de negentiende eeuw publiceerde[131].

 

            Maar ook anderen hielpen bij de verspreiding van Rodenbachs tekst. Zo schreef de Antwerpse dovenleraar Q. J. Cappron in 1858 een werk getiteld: De blinden. Geschiedkundige, wetenschappelyke en methodische verhandeling. Daarbij maakte hij duidelijk gebruik van Rodenbachs tekst, waaruit hij hele passages gewoon vertaalde. Zo konden Rodenbachs denkbeelden zich ook onder de Nederlandssprekenden verspreiden. Of Capprons tekst ook daadwerkelijk tot Rodenbachs bekendheid bijdroeg, kon ik niet uit de literatuur opmaken.

 

 

HOOFDSTUK 2: LETTRE SUR LES AVEUGLES (1828) EN LES AVEUGLES ET LES SOURDS-MUETS (1855): KORTE INHOUD, ANALYSE

 

            In dit tweede hoofdstuk worden Rodenbachs werken met betrekking tot de problematiek van de blinden[132] besproken. Het betreft hier zijn Lettre sur les aveugles die in 1828 te Brussel uitgegeven werd, en de laatste, herziene en verbeterde editie van zijn, in 1853 reeds verschenen, Les aveugles et les sourds-muets, die te Doornik in 1855 uitgegeven werd[133]. Aangezien het hier edities van een en dezelfde tekst betreffen, heb ik besloten ze in een hoofdstuk te behandelen en ze tot een tekst samen te vatten, waarbij ik de indeling van de laatste editie volg. In deze korte inhoud zal ik echter wel aangeven waar de laatste editie van de eerste verschilt.

 

            Een eerste verschil dat men kan opmerken, is dat de Lettre opgevat werd als een brief, gericht aan Baron Beyts[134], die naar aanleiding van een gesprek tussen hem en Rodenbach geschreven werd. Of deze uitgangssituatie op een werkelijk gesprek steunt, is uit de literatuur niet duidelijk geworden. Het zou ook kunnen gaan om een fictieve uitgangssituatie.

 

            Een tweede verschil dat men al in de titel van de tekst van 1855 kan opmerken, is dat Rodenbach hier ook de doofheid en doofblindheid bespreekt. Aangezien ik mij enkel met de blindheid als enkelvoudige handicap bezighoudt, zal ik de gedeelten van de teksten die enkel de doofheid of doofblindheid bespreken, buiten beschouwing laten.

 

            Rodenbach verwerkt in zijn tekst van 1855 een vijftigtal biografieën en een groot aantal tabellen, die hij onder meer uit volkstellingen en medische studies haalt. Daardoor krijgt deze beschrijvende tekst een encyclopedisch karakter. In mijn korte inhoud neem ik al deze tabellen en uitgebreide biografische beschrijvingen niet over. Deze zullen kort besproken worden in mijn kritische analyse.

 

Motivaties voor het schrijven van de teksten

 

            Een eerste reden waarom Rodenbach in zijn pen kroop, is van politieke aard. Hij probeert het beleid warm te maken om iets voor de blinden te doen en zich onder meer in te zetten voor het blindenonderwijs en de bestrijding van de oftalmie[135].

            Een tweede reden wordt gevormd door het feit dat Rodenbach met deze teksten zijn leraar Valentin Haüy alle lof wil toezwaaien. Zijn relatie tot Haüy is er een van een dankbare leerling die de geschonden reputatie van zijn leraar graag wil herstellen. Zo zegt hij dat de blinden veel aan Haüy te danken hebben, omdat hij hen een nieuw bestaan gaf. Goddeeris beweert zelfs, dat Rodenbach de opdracht kreeg van het Parijse Institution Royale des Jeunes Aveugles om zijn teksten te schrijven, omdat de school Haüy postuum in ere wilde herstellen[136].

 

            Een derde reden wordt door Rodenbach zelf vermeld aan het begin van de beide teksten. De werken, die aan de zijne voorafgingen en die de blindheid als onderwerp hebben, staan bol van de overdrijvingen en fouten. Rodenbach vindt dat enkel een blinde deze werken correct kan beoordelen en de misverstanden kan rechtzetten. Hij wil de waarheid aan het licht brengen en zal zich daarvoor enkel op de feiten baseren[137].

 

Korte inhoud

 

1. Het fenomeen van de blindheid

 

            Rodenbach zal in dit hoofdstuk uiteenzetten wat blinden wel of niet kunnen. Maar daarvoor moet hij eerst uitleggen wat voor soort onderwijs ze krijgen om hun gaven te ontwikkelen.

 

            Het blindenonderwijs: ontstaan en lessenpakket[138]

 

            Blinden moeten onderwezen worden, opdat zij kennis kunnen opdoen, in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien of zich aangenaam kunnen bezighouden, en om hun zintuigen, vooral de tastzin en het gehoor, te ontwikkelen om zo het gemis van het gezichtsvermogen te compenseren.

 

 

            Tot in het midden van de achttiende eeuw besteedde men nauwelijks aandacht aan het blindenonderwijs. Men gaf hen enkel een beroepsopleiding. Er bestond voor hen geen enkele onderwijsinstelling, want de Quinze-Vingts, het beroemde Parijse gasthuis, was en is nog steeds slechts een gesticht bestemd voor blindgeworden behoeftigen.

 

            Het idee om blinden voor de samenleving nuttig te maken, komt van Valentin Haüy die in 1784 de eerste Europese blindenschool oprichtte. Dit deed hij, nadat hij tijdens de kermis van St.-Ovide zag hoe blinden in het openbaar belachelijk gemaakt werden.

 

            Kort daarop legde Haüy zijn Essai voor aan de Académie des Sciences, waarin hij de middelen voorstelde die hij voor het blindenonderwijs wilde gebruiken. Als gevolg daarvan werd een asiel geopend waarin vooral blinde zwervers opgevangen en onderwezen werden, en zo sindsdien aan de verwaarlozing onttrokken werden. Het ogenblik was gunstig om zo'n instelling op te richten. De filantropie was toen een soort mode geworden waar iedereen zich mee inliet. De school kreeg vele giften, en door het magisch effect van de mode sprak iedereen over de blinden. Haüy offerde hiervoor heel zijn vermogen op.

 

            Door zijn geniale procedures geeft Haüy aan de blinden een nieuw bestaan. Zijn onderwijsmethode onttrekt hen aan het nietsdoen, zorgt ervoor dat zij door het uitoefenen van een beroep in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, zodat zij nuttig gemaakt kunnen worden voor de samenleving.

 

            De blinde behoeftigen leren hoofdzakelijk verschillende ambachten beoefenen, zoals het maken van borstels, koorden, touwen en allerlei soorten netten; het spinnen van wol en garen, het weven van linnen, katoen en wol; het breien van kousen, beurzen, etc. stoelen matten, manden en matten vlechten en piano's stemmen. Zij die tot de rijkere klassen behoren en zij die intelligent zijn, leren lezen, schrijven, talen, aardrijkskunde, literatuur, fysische wetenschappen en wiskunde, musiceren (vooral het orgel bespelen), kaarten, dammen, schaken en dominospelen. Dit programma werd nauwgezet gevolgd door Haüy's opvolgers. In de eerste helft van de negentiende eeuw voerde men wel de turnles in, om de lichamelijke conditie van de blinden te verbeteren[139].

 

 

            Vooroordelen over gaven en gebreken[140]

 

            Nu kort uiteengezet werd wat blinden door hun opvoeding kunnen, bespreekt Rodenbach hun gaven en gebreken die door zijn voorgangers in hun teksten over de psychologie van de blinden behandeld werden.

 

            Een algemeen verspreid vooroordeel is dat, als er een zintuig wegvalt, de andere zintuigen beter ontwikkeld worden. Deze bewering is vermetel, zelfs totaal ongerijmd, omdat, als het vooroordeel juist was, daaruit zou volgen dat men vooral zou vaststellen dat het verlies van twee of drie zintuigen op moreel of intellectueel vlak gecompenseerd zou worden, wat niet zo is. Het gehoor, de tastzin en het geheugen van de blinden worden enkel door de noodzaak en de onophoudelijke oefening geperfectioneerd. Ook zijn blinden minder afgeleid dan de zienden. Het oefenen van de tastzin, het gehoor en het geheugen is het uitgangspunt van Haüy's onderwijssysteem en vormt de basis van het blindenonderwijs.

 

            Velen denken onterecht, dat blinden met de tast-, reuk-, of smaakzin kleuren kunnen waarnemen. Rodenbach legt hier zeer gedetailleerd uit, hoe de blinden dit volgens de auteurs uit de literatuur deden en wat de metafysici bedachten om hen een idee van kleuren te geven. Omdat blindgeborenen nooit kleuren gezien hebben, missen zij dit niet. Daarom zijn zij gelukkiger dan zij die door een ongeluk blind werden.

 

            Blinden hebben geen beter idee van wat lelijk of mooi is. Doordat zij de tastzin gebruiken hebben zij een beperkt beeld van wat schoonheid is, omdat zij nooit de informatie verkrijgen die men via het gezichtsvermogen opdoet. In zijn Lettre zegt Rodenbach dat hun idee over de fysieke schoonheid van de mens op conventie berust en op wat zij door derden vernemen.

 

            Sommige blinden hebben hun vier zintuigen afzonderlijk ontwikkeld en geperfectioneerd. Ze kunnen deze zo goed met elkaar combineren, dat zij objecten en situaties optimaal kunnen waarnemen. Rodenbach geeft hiervan vele voorbeelden.

 

            Na de verschillende gaven van de blinden behandeld te hebben, bespreekt Rodenbach de gebreken die door de literatuur aan hen worden toegeschreven. Zo zegt men onterecht dat zij goddeloos zijn. Het is mogelijk dat de blinden in de kerk minder vurig en ontvankelijk lijken dan de zienden, omdat al het visuele, uiterlijke vertoon van de cultus hen niet benvloedt. Toch vinden vele oprechte blinden troost in een verinnerlijkte religie.

 

            In de Lettre zegt Rodenbach dat deze lasterpraat aan het begin van de restauratie in Frankrijk verspreid werd door handige bedriegers die er belang bij hadden dat men het personeel van de blindenschool verving. Het zou ook kunnen dat men tijdens de revolutie het godsdienstonderwijs verwaarloosde, en dat men vervolgens vaststelde dat de blinden goddeloos waren. Men moet in het blindenonderwijs voldoende zorg besteden aan het godsdienstonderwijs.

 

            Blinden hebben een aangeboren afkeer van het stelen, die men toeschrijft aan het feit dat iedereen hen gemakkelijk en onopgemerkt kan bestelen en zij zelf dit niet onopgemerkt kunnen doen. Men kan niettemin vaststellen dat, als men de registers van de rechtbanken onderzoekt, men er, hoewel er vele blinden zijn, vreemd genoeg geen enkele vindt op de lijst van de veroordeelden voor diefstal.

 

            Men zegt ook dat blinden ondankbaar, ongevoelig en wantrouwig zijn. In de Lettre voegt Rodenbach ook het gebrek aan preutsheid aan dit lijstje toe. Het komt heel vaak voor dat men preuts overkomt, hoewel men losbandig is. Zo kent het oude testament niet deze terughoudendheid van woorden die men er tot de dag van vandaag aan toeschrijft, en zijn in Italië en Rome zelfs de engelen in de kerken naakt. De grote meerderheid van de blinden weet niet wat betamelijk en beschaafd is, omdat zij geen enkele vorm van opvoeding kregen. Ook de erkentelijkheid is hen haast onbekend.

 

            Blinden zijn minder gevoelig, omdat zij enkel door kreten en klachten weten dat iemand pijn heeft, en er dan pas medelijden mee hebben. In zijn Lettre zegt Rodenbach dat dit niet betekent dat zij onmenselijk zijn. Ook zegt hij dat gevoeligheid een rekbaar begrip is en dat blinden nooit naar een executie gaan kijken, omdat ze niets hebben aan het visuele schouwspel.

 

            In de literatuur zegt men ook dat blinden wantrouwig zijn. Maar een verstandig iemand zal begrijpen, dat het hun situatie is die hen dwingt om onbekenden altijd te wantrouwen. Zij vertrouwen nooit een enkel iemand, en als zij een schrander en scherpzinig moreel inzicht hebben, ontdekken ze gemakkelijk de leugen. Wie hen eenmaal bedriegt, verliest voorgoed al hun vertrouwen. Maar wie daarentegen hun vertrouwen wint, wordt onbegrensd vertrouwd.

 

2. Hulpmiddelen en methoden voor het blindenonderwijs[141]

 

            In dit tweede hoofdstuk van dit eerste deel beschrijft Rodenbach de onderwijsmethoden en hulpmiddelen die men in het midden van de negentiende eeuw gebruikte om de blinden het lezen, schrijven, de talen, de aardrijkskunde en wiskunde te leren. Daarbij kan hij onmogelijk voorbijgaan aan een korte beschrijving van de verschillende systemen die in de achttiende eeuw uitgevonden en toegepast werden.

 

            Zoals hoger reeds gezegd werd, zegt Rodenbach in zijn Les aveugles... dat Haüy de eerste was die zich op het blindenonderwijs toelegde. Alle uitvindingen die hem voorafgingen, zoals de rekenplank van Saunderson, de reliëfletters van de blinde van Puiseaux en van mejuffrouw de Salignac, de reliftekens en aardrijkskundige kaarten van Weissenburg, waren immers slechts individuele, complexe en onvolmaakte probeersels die nooit verspreid werden.

 

            Haüy leerde de blinden lezen, rekenen en notenleer met behulp van loden letters, cijfers en noten, die men op een lees- of rekenplank plaatste. Met dezelfde letters drukte men boeken en muziekpartituren in reliëf.

 

            In zijn Les aveugles... zegt Rodenbach, dat de enige verbetering die men tot dan toe (1855) aan dit systeem aanbracht, was, dat men de grootte van de loden letters verkleinde.

 

                Haüy's leerlingen schreven met een ijzeren pen op een plank, waarop men een scharnierend, metalen raam bevestigde, dat met horizontale, metalen lijntjes bespannen was. Voor het schrijven plaatste men op een leren vel twee witte bladen postpapier met daartussen een zwartgemaakt blad. Vervolgens klapte men het raam voorzichtig omlaag en men schreef met de ijzeren pen tussen de metalen lijntjes. Als men daarbij hard doorschreef, verkreeg men in een keer zowel een reliëfexemplaar voor de blinden, als een leesbare doordruk in zwartschrift voor de zienden.

 

                Rodenbach zegt in zijn Les aveugles... dat deze schrijfplank om praktische redenen overal vervangen werd door een karton, waarop men horizontaal papieren repen geplakt heeft. De blinde schuift het postpapier tussen de repen en het karton. Dit systeem wordt vooral door laatblinden gebruikt, omdat zij de vorm van de letters al kennen.

 

                Doctor James Gall van Edinburgh ontwikkelde een klein apparaatje dat hij tyflograaf noemde, en waarmee de blinde even regelmatig en duidelijk kan schrijven als de ziende. Frère Julien, een van de leraars van het Brusselse blindeninstituut, zegt over dit apparaat in zijn ongedateerde brief aan Rodenbach, dat blinden hiermee even snel en even groot kunnen schrijven als de zienden[142].

 

                Van alle uiteengezette systemen geeft enkel dat van Haüy de blinden de kans om hun eigen schrift te herlezen.

 

                In zijn Les aveugles... zegt Rodenbach dat het puntenschrift ongetwijfeld de meest opmerkelijke uitvinding is sinds Haüy's dood, omdat de blinde hiermee even vlot kan lezen en schrijven. Charles Barbier de la Serre[143] was de eerste die op het idee kwam deze nieuwe methode te gebruiken. Hij nam het geprikte punt als uitgangspunt, omdat dit beter voelbaar is dan de reliëfletter.

            Volgens de eerder geciteerde brief van Frère Julien heeft Louis Braille[144], een jonge blinde leraar van het Parijse blindeninstituut, Barbiers schriftsysteem vereenvoudigd en verbeterd, waardoor een nieuw schriftsysteem ontstond. Dankzij dit schriftsysteem kunnen de blinden herlezen wat ze geschreven hebben. Het is het enige schriftsysteem waarmee de blinden met de zienden in snelheid kunnen wedijveren. De blinden kunnen onderling corresponderen en een volledige bibliotheek aanleggen van allerhande boeken in puntenschrift. Rodenbach schrijft dat het lezen met dit puntenschrift sinds 1854 in alle blindenscholen ingevoerd werd[145].

 

            Het laatste schrijfsysteem dat Rodenbach in zijn Les aveugles... beschrijft, is een soort typemachine. Met deze heel nieuwe en nog onuitgegeven uitvinding van de Leuvense Medaets, kan men zowel zwartdruk, als reliftekst schrijven. Men kan in een keer 4, 6, 8 of 10 exemplaren van zijn tekst schrijven, waarvan de blinde de juistheid kan nagaan aan de hand van het reliëfexemplaar. De blinde kan met dit gebruiksvriendelijke toestel zeer snel schrijven en zijn tekst nalezen. Maar omdat het zeer duur is, is dit toestel voor de meeste blinden onbereikbaar.

 

            Voor de aardrijkskundeles maakt men gebruik van reliëfkaarten. De eerder genoemde Weissenburg probeerde relifkaarten te maken. Maar de kaarten die uit die verschillende pogingen resulteerden, waren onvolledig, groot en onpraktisch.

 

            Haüy en zijn opvolgers, zoals onder meer de arts Howe, directeur van het blindeninstituut te Boston, namen de kaart in zwartdruk als uitgangspunt om daarop hun aanpassingen aan te brengen.

 

            Maar al deze kaarten zijn onvolledig, omdat ze zich beperken tot het weergeven van de gebiedsgrenzen, de hoofdstromen en de aanduidingen van enkele steden. Daarom bedacht Rodenbach de geborduurde kaarten die de trouwe weergave zijn van de gelithografieerde kaarten, waardoor ze duidelijk en precies zijn. Verder zijn ze volgens hem goedkoop, wat hen voor iedereen bereikbaar maakt.

 

            Ook deze kaarten maakten een ontwikkeling door. Waar Rodenbach eerst de lithografie op een stuk doek van dezelfde grootte kleefde, laten de leraars van de Brusselse blindenschool de lithografie eenvoudigweg op dit doek afdrukken. Met zijde geborduurde punten geven de steden, meren, etc. aan. Zijden zomen markeren de gebiedsgrenzen, en de loop van de stromen en rivieren. Men markeert de schaal met borduursel, en parels geven de breedte- en lengtegraden aan.

 

                De speelkaarten worden aangepast door er met een naald puntjes in te prikken, zodat de goed geoefende blinde ze even snel als de ziende kan herkennen.

 

                Dit onderwijs kan wedijveren met dat van de zienden, vooral sinds de uitvinding en de invoering van het puntenschrift. Vanaf nu kunnen de blinden ook even goed vrije beroepen als ambachten leren.

 

                Vergelijking van het lot van doven en blinden[146]

 

                Velen vragen zich af wat er nu erger is: de doofheid of de blindheid. Rodenbach zegt dat zowel de blinden als de doven hun handicap verkiezen boven deze van de anderen. In zijn Les aveugles... zegt hij dat deze interessante vraag in het tweede deel van het werk, dat de doven bespreekt, behandeld zal worden, omdat ze zowel op de doven als op de blinden betrekking heeft[147].

 

                Rodenbach zegt in zijn Lettre, dat blinden gelukkiger zijn dan doven, omdat de laatstgenoemden ontegenzeglijk veel meer sociaal geïsoleerd zijn, doordat ze moeilijker met anderen kunnen communiceren. Blinden kunnen daarentegen gemakkelijk met anderen praten. Rijke blinden zijn ook veel gelukkiger dan doven, omdat hun kinderen minder vaak hun handicap overerven. Maar het is daarentegen beter, wanneer men arm is, doof te zijn. De doven kunnen immers alle soorten handenarbeid beoefenen en ambachtsman worden.

 

                Ook kunnen blinden en doven met elkaar praten. Als de blinde hun alfabet en tekens leert, kan hij hiermee in de lucht schijven of de tekens maken die door de dove begrepen worden. Hij, op zijn beurt, schrijft op de rug of in de hand van de blinde.

 

3. Portrettengalerij[148]

 

            In dit derde hoofdstuk van het eerste deel wil Rodenbach zijn bevindingen uit de eerste twee hoofdstukken staven door het leven en werk van enkele beroemde en minder beroemde blinden te bespreken. Daarbij beperkt hij zich in zijn Les aveugles... niet tot de bespreking van de biografieën van de beroemd geworden blindgeboren wetenschappers, kunstenaars en industrilen.

 

            Hij voegt er niet enkel de biografieën van de beroemdheden, die later in hun leven blind werden, aan toe, maar ook deze van hen die, door hun uitvindingen of hun toewijding, bijgedragen hebben aan de verbetering van het lot van de blinden. Valentin Haüy neemt in deze laatste groep de rechtmatige eerste plaats in, omdat Rodenbach vindt dat hij dit aan zijn leraar verschuldigd is. Alle andere biografieën werden in Rodenbachs Les aveugles... volgens eeuw en, zoveel mogelijk, volgens jaar gerangschikt.

 

            In de groep filantropen die door hun uitvindingen of hun toewijding aan de verbetering van het lot van de blinden bijgedragen hebben, vermeldt Rodenbach in zijn Les aveugles... naast Valentin Haüy ook Sébastien Guillié, P.-A. Dufau en de arts Howe. Deze laatstgenoemden zijn, volgens Rodenbach, drie belangrijke leraars die Haüy's werk verdergezet hebben.

 

            Verder bespreekt Rodenbach in de beide teksten het leven van een aantal mensen, een vijftigtal in het totaal, die tijdens de Oudheid, de 15de, 16de, 17de, 18de en 19de eeuw leefden, en die, ondanks hun blindheid, grote faam verworven hebben.

 

            De door Rodenbach besproken blinden komen uit alle lagen van de bevolking. Men vindt onder hen zowel kinderen van arme ouders als edelen, politici, ex-militairen, wiskundigen, filosofen, musici,...

            Zo vermeldt en bespreekt hij voor wat de Klassieke Oudheid betreft, de dichter-zanger Homeros en de theoloog Didymus van Alexandrië die respectievelijk ongeveer 900 jaar voor Christus en in de vierde eeuw na Christus leefden.

 

            Verder vermeldt en bespreekt hij drie figuren die in de 15de eeuw na Christus leefden, en negen blinden, waaronder de in Milaan geboren kunstschilder en auteur Paul Lomanza, de te Brugge geboren filosoof en wetenschapper Pieter Dupont (Pontanus) en de in Wervik geboren instrumentenbouwer Martin Castelein, (ook wel Chatelain, of Castellanus genoemd) die in de 16de eeuw leefden. Een van de vijf 17de-eeuwse blinden die Rodenbach bespreekt, is de Londense auteur en politicus John Milton (1608-1664).

 

            Onder de zeven blinden, die hij in de 18de eeuw situeert, treffen we onder meer de al eerder besproken musicus mejuffrouw M.Th. von Paradis en Weissenburg aan. In zijn Les aveugles... voegt hij daar de al eerder besproken Nicolas Saunderson (1682-1739) en de blinde van Puiseaux aan toe.

 

            Rodenbach vermeldt en bespreekt minstens tweeëntwintig blinden die in de 19de eeuw leefden en werkten. Zo noemt hij in zijn beide teksten de al eerder besproken François Lesueur en Alexander Fournier op. In zijn Les aveugles... voegt hij daar de in Brussel geboren fysische wetenschapper Joseph-Antoine-Ferdinand Plateau aan toe. Ook maakte hij melding van een zekere Berenger, bijgenaamd 'L'aveugle du Bonheur', die in het begin van de 19de eeuw omwille van een poging tot brandstichting de doodstraf kreeg, en van de Braziliaanse diamanthandelaar François de Souza Borgès.

            In zijn Lettre vermeldt en bespreekt Rodenbach, behalve de bovenstaande blinden, onder meer Heilmann van Müllhousen, die een katoenweverij leidde. Hij vermeldt maar bespreekt in deze tekst een hele boel blinden niet, omdat hij vindt dat hij enkel degene moet bespreken die de meest uitzonderlijke aandacht verdienen.

            Als laatste wordt er in de Lettre vermeld dat men in de analen van Praag kan lezen over een blinde Scythe die de nog niet verkozen, vermomde Karel IV, koning van Bohemen, nabij Nüremberg ontmoet had, en die de vorst naar waarheid antwoord gaf op zijn vragen over de voorgaande koningen en deze van de toekomst. Met deze vreemde vermelding eindigt Rodenbachs brief.

 

4. Concluderende eindbeschouwingen

 

            Rodenbach sluit zijn Les aveugles... af met een conclusie. Daarin zegt hij dat hij het opvallend vindt dat, als men de psychologie van en het onderwijs aan de blinden en doven bestudeert en de geschiedenis schrijft van hen die zich inzetten voor de verbetering van hun lot, men op deze lijst, behalve enkele uitzonderingen, slechts priesters, religieuzen of artsen vindt. Deze filantropen kregen, noch van het grote publiek, noch van de geschiedenis die de militaire veroveraars en tirannen met loftuitingen, monumenten en standbeelden vereerde, de verdiende erkenning. De enige beloning die deze bescheiden filantropen verlangden, was de erkentelijkheid van hun vele leerlingen, wat deze hen graag betoonden[149].

 

            Rodenbachs visie op het politieke beleid inzake doven- en blindenonderwijs[150]

 

            Rodenbach vindt dat dove en blinde behoeftigen op een goedkope manier onderwezen kunnen worden, als men ze in de gewone lagere scholen opneemt. Zo kunnen de speciale instituten die niet zo onmisbaar zijn als men vaak denkt, normale scholen of hogere scholen worden. De doven zouden, volgens Rodenbach, een eenvoudige en minder wetenschappelijke opleiding moeten krijgen, waarbij vooral van gravures gebruik gemaakt wordt. Met behulp van boeken in puntenschrift kan iedere leraar blinden onderwijzen.

 

            Hoewel er nog veel werk aan de winkel is, heeft België al vele inspanningen gedaan voor het blinden- en dovenonderwijs. Zo werd er een artikel in de gemeentewet ingevoerd, dat de gemeenten verplicht om het onderwijs en levensonderhoud van hun blinde en dove behoeftigen in de speciale instellingen te betalen.

 

            Hubert-Valleroux stond kritisch tegenover dit artikel en beweerde dat deze aan de gemeenten opgelegde verplichting hen zou aanzetten tot het vervalsen van het aantal getelde blinden en doven in de volkstellingen, om zich te kunnen onttrekken aan de belastingen die de wet hen hiervoor oplegt.

 

            Rodenbach verdedigt dit wetsartikel door te zeggen dat de uitgaven, die de gemeenten hiervoor opgelegd worden, gering zijn, omdat de provincie en de regering hiervoor ook betalen. Als de blinde en dove behoeftigen toch niet naar de speciale scholen gaan, is dat, omdat ze niet willen, of omdat ze het werkloze bedelaarsleven verkiezen. Want wanneer ze zich intellectueel willen ontwikkelen of een beroep willen leren, kan de gemeente niet weigeren hen haar bijstand te verlenen. En als het tegendeel gebeurt, wat Rodenbach zich niet kan voorstellen, zou de eiser altijd iemand vinden die verstandig genoeg is om zich in zijn naam tot de bestendigde deputatie, of tot de arrondissementscommissaris te richten. Hebben de blinde en dove behoeftigen immers niet meer kans om onderwezen te zijn en een beroep te leren, als men aan de gemeenten verplicht om over hun toekomst te waken, dan als men ze van deze plicht ontslaat door het stilzwijgen van de wet?

 

            Rodenbach roept de buitenlandse politici op om, in plaats van deze beslissing van de Belgische regering te berispen, dit voorbeeld te volgen, aangezien in sommige landen het blinden- en dovenonderwijs in 1855 nog schromelijk verwaarloosd werd. Hij hoopt dat alle landen het onderwijs voor de blinden en doven verplicht zouden maken, opdat zij hun maatschappelijke plichten kunnen vervullen, van alle politieke rechten kunnen genieten en de weldaden van het openbaar onderwijs kunnen opeisen.

 

            Blinden en doven in tellingen en medische studies[151]

 

            Rodenbach beëindigt zijn tekst met het in kaart brengen van het aantal blinden en doven dat in de verschillende landen leeft, gerelateerd aan het bevolkingscijfer. Ook probeert hij te achterhalen wat de oorzaken van blindheid en doofheid zijn en waarom er in bepaalde landen en streken meer blinden of doven zijn dan in andere. Dit doet hij onder meer aan de hand van de volkstellingen, ander statistisch materiaal en de onderzoeksresultaten van de arts Sauveur[152]. Het is verbazend dat de regeringen van de beschaafde landen pas sinds kort een statistiek van de blinden en doven opmaakten, waardoor deze tellingen vele hiaten vertonen.

 

            Het aantal blinden dat tamelijk hoog is in de meest noordelijke delen, daalt naarmate men de gematigde streken nadert en stijgt naarmate men de streken rond de evenaar nadert.

 

            Men schrijft de oorzaak van het groot aantal blinden in de gebieden rond de evenaar en in de poolgebieden, toe aan de werking van het reflecterende licht op de ogen, in het zuiden door een gloeiende zon, en in het noorden door de schittering van de sneeuw. Deze werking veroorzaakt een netvliesontsteking die men met de nodige medische verzorging misschien zou kunnen genezen.

 

            Ook in Europa is de blindheid erg ongelijkmatig verspreid. De verschillen die men in dit opzicht opmerkt, zouden zeker minder groot zijn, als de tellingen van de blinden overal even zorgvuldig uitgevoerd werden. Sauveur gaat er zelfs van uit dat er veel meer blinden zijn dan men tot dan toe aannam.

            Dit moet in de voorgaande eeuwen zeker het geval geweest zijn, toen men de volksgezondheid zeer verwaarloosde en toen de oogziekten minder goed gekend waren.

 

            Ook spelen heel plaatselijke factoren een grote rol in de ongelijkmatige verspreiding van de blindheid over de Belgische provincies. Het is onbetwistbaar dat de blindheid als gevolg van de verwondingen aan het oog meer verspreid is in de provincies Luik, Henegouwen en Namen, waar zich een groot aantal mijnen, steengroeven, etc. bevinden; dat de staar en de zwarte staar vaker voorkomen in gebieden waar glasblazerijen, ijzergieterijen, etc. zijn. Ook wordt, volgens Sauveur, in enkele provincies de oftalmie van de armen goed behandeld, waar dit elders helemaal verwaarloosd wordt.

 

            Zwitserland telt veel meer doven dan enig ander Europees land, omdat, volgens de arts Ménière, een deel van de bevolking van een eenzijdige voeding leeft en in diepe, vochtige valleien, in lage, donkere en slecht verluchte chalets woont. Deze ellendige levensomstandigheden, gekoppeld aan de invloed van het klimaat, leiden ertoe dat ziekten zich meer verspreiden. Men dacht dat doofheid een van de eigenschappen van de stompzinnigheid was, en dat deze vaak voorkomt in de smalle valleien van de grote bergketens.

 

            België is daarentegen het land met het laagste aantal doven. Dit komt, omdat het weinig heuvels en geen bergen heeft, en zeer vruchtbaar is. Enkel de kantons, waarvan het land op het water veroverd werd, vertonen enige oorzaken van reële ongezondheid. Uiteindelijk vinden de armen, waar de doofheid het meest verspreid is, bijna altijd in hun werk en in de openbare liefdadigheid, de middelen om het meest levensnoodzakelijke te kopen en om zich bij ziekte te laten verzorgen.

 

            De artsen Schneider en Lachmann hebben onderzocht waarom het aantal doven ten opzichte van dat van de blinden in bepaalde gebieden zo ver uit elkaar ligt.

            Volgens deze wetenschappers zijn de landen met zeer hoge bergen deze waar het aantal doven het meest aanzienlijk is en het aantal blinden het meest beperkt. Het tegendeel heeft plaats in de vlakke landen en tussen deze extremen bevinden zich de gebieden, waar de bergen slechts van een gemiddelde hoogte zijn.

 

            Samengevat kan men geen totaalbeeld geven van het aantal Europese blinden en doven, omdat vele landen daarover geen informatie verzameld hebben.

 

            Scholen en andere instellingen voor blinden en doven: tellingen en beleid[153]

 

            Rodenbach geeft vervolgens een zeer uitgebreide en gedetailleerde opsomming van de belangrijkste instellingen die in de beschaafde landen opgericht werden voor het blinden- en dovenonderwijs. Daarbij geeft hij, zowel in de doorlopende tekst als in een tabel, aan wanneer en door wie de school opgericht werd en hoeveel blinde en dove leerlingen, jongens en meisjes, deze op een gegeven moment telde.

 

            Hij maakt een grondige analyse van de toenmalige situatie in het blinden- en dovenonderwijs en bespreekt zeer uitgebreid hoeveel scholen voor doven en blinden er in Europa en de Verenigde Staten opgericht werden. Soms vermeldt hij daarbij hoe de oprichters hun onderwijsmethoden en hulpmiddelen verzameld hebben en of zij al dan niet beroep konden doen op liefdadige organisaties die de school financieel steunden.

            Ook vermeldt hij dat men in Constantinopel het blindenonderwijs probeerde op te starten en dat vooral de geestelijkheid er zich mee inliet.

 

            In de Britse en Amerikaanse scholen is de opvoeding van de blinde behoeftige er vooral op gericht om hem geschikt te maken voor handenarbeid, opdat hij daarmee zijn brood kan verdienen. Ook zag men in deze landen snel in dat men de blinden niet alleen een goede beroepsopleiding moest geven, maar ook dat men ervoor moest zorgen dat zij, als zij de school verlieten, hun beroep ook daadwerkelijk konden uitoefenen, of als dagloners, of in een voor hen speciaal opgerichte werkinrichting.

 

            Deze speciale ateliers voor blinden zijn een nieuwe groep van instellingen die in Europa ontstonden. J. Klein, die in 1804 te Wenen een blindenschool opende, richtte als eerste zo'n atelier op, omdat hij merkte dat de blinde in het gewone arbeidscircuit vaak zijn beroep niet kon uitoefenen. Deze nieuwe instelling moest aansluiten op de eerder opgerichte school.

 

            De mannen zijn er hoofdzakelijk schrijnwerkers, meubelmakers, schoenmakers, mandenmakers, etc. De meisjes deden voornamelijk handwerk. Het musiceren werd, of als ontspanningsmiddel, of als bron van inkomsten gebruikt. De deelname van de blinden aan concerten behoorde tot de belangrijkste bron van inkomsten van de instelling.

 

            Andere gelijkaardige instellingen werden ook in Praag, München, Kopenhagen, etc. opgericht.

            In Frankrijk opende Dufau pas in 1841 een instelling, waar enkele blinde arbeiders tewerkgesteld werden. Dit gebeurde met de steun van de Société de patronage et de secours pour les aveugles de France, een vereniging van filantropen.

 

            Sinds de dertiende eeuw bestonden er gasthuizen, zoals de eerder vermelde Quinze-Vingts te Parijs, die bestemd waren voor de opvang van blinde behoeftigen. Er werd te Brugge in 1305 door Robert van Bethune, graaf van Vlaanderen, en te Gent rond 1370 door Pieter Vander Leyen, een gelijksoortig gasthuis opgericht.

 

            België telde in 1855, in verhouding tot haar oppervlakte, misschien wel de meeste scholen voor blinden- en dovenonderwijs. Zo telden Brussel en Gent er elk twee, waar Brugge, Luik, Bergen, Namen, Maaseik en Antwerpen er elk een hadden. In al deze scholen kregen de blinden en doven een zeer goede intellectuele vorming en beroepsopleiding. Omdat België toen nog geen speciale werkinrichting voor de blinden had, dringt Rodenbach erop aan dat men er een zou oprichten, opdat de Belgische, behoeftige blinden tegen de ellende beschermd zouden zijn.

 

            Rodenbach wil de regering en filantropen nogmaals oproepen om zich in te zetten voor het blinden- en dovenonderwijs en hun tewerkstelling. Als men hieraan niets verandert, verwaarloost men niet alleen de ontwikkeling van hun intellectuele vermogens, maar ook de vervulling van hun morele en materile behoeften. Slechts tien van de honderd leerlingen die deze instellingen verlaten, kunnen hun brood eerlijk verdienen.

 

            Dit komt, omdat er geen uniformiteit is in de onderwijssystemen. Iedere school wil immers zijn eigen systeem hebben, en daarom kunnen drie vierden van deze instellingen de hen opgelegde taak niet vervullen, bestaande uit het onderwijzen van de godsdienst, het geven van een opleiding en het aanleren van een beroep, opdat zij in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien.

 

Kritische analyse van de teksten

 

            Zowel Rodenbachs Lettre als zijn Les aveugles... kunnen opgedeeld worden in drie grote onderdelen, wat dan ook bij de laatstgenoemde tekst gebeurd is. In het eerste onderdeel, dat vooral theoretisch-filosofisch van aard is, bespreekt hij de psychologie van de blinden. Zijn uitgangspunt daarvoor is de verzameling teksten die aan de zijne voorafgaan en die volgens hem de gaven en gebreken van de blinden overdrijven of verkeerd inschatten. Om deze te kunnen bespreken, moet hij eerst zelf uiteenzetten waartoe blinden dan wel in staat zijn en wat voor onderwijs ze krijgen om hun gaven te ontwikkelen. Hij leeft namelijk in een tijd waarin men gelooft dat de opvoeding de mens in positieve zin kan veranderen en bijsturen. Wanneer het duidelijk is waartoe blinden door hun opvoeding in staat zijn, bespreekt Rodenbach zijn voorgangers die in hun teksten de psychologie van de blinden behandeld hebben. Hij toetst de bevindingen van de literatuur aan zijn eigen ervaringen en aan deze van andere blinde tijdgenoten.

 

            De rest van de teksten is eerder beschrijvend van aard en bevat veel praktische informatie. In het tweede onderdeel van de beide teksten beschrijft Rodenbach de onderwijsmethoden en hulpmiddelen die in de achttiende en negentiende eeuw in het blindenonderwijs gebruikt werden. Ook vergelijkt hij in dit deel van de tekst het lot van de blinden met dat van de doven. Hij zoekt uit welke van de twee groepen gelukkiger is.

 

            In het derde onderdeel van de beide teksten wil hij zijn bevindingen uit de eerste twee delen staven aan de hand van een vijftigtal biografische portretten van bekende en minder bekende blinden. Dit is ook de plaats waar hij in zijn tekst van 1855 de mensen wil bedanken en loven die zich inzetten voor de verbetering van het lot van de blinden. Zijn leraar, Valentin Haüy, krijgt daarbij de ereplaats.

 

            In de tekst van 1855 zit ook een conclusie vervat, die zowel de blinden als de doven bespreekt. Rodenbach stelde daarin dat de weldoeners uit de geschiedenis van de blinden- en dovenproblematiek geen plaats kregen in de grote geschiedenis en dat niemand hen hulde betoonde. Dit wordt even rechtgezet. Dan vermeldt hij zijn eigen standpunt inzake het blinden- en dovenonderwijs. Hij vindt dat zij zoveel mogelijk in de gewone scholen les moeten krijgen. Vervolgens zoekt hij uit hoeveel blinden en doven er in Europa leven en wat de verschillende oorzaken van blindheid en doofheid zijn.

            Dit doet hij aan de hand van statistisch materiaal en medische studies die in opdracht van de verschillende overheden werden opgesteld. Uiteindelijk maakt hij een stand van zaken op inzake het blinden- en dovenonderwijs en het hierrond gevoerde beleid van de verschillende Europese landen. Zijn conclusie is, dat er nog veel werk aan de winkel is en dat de overheden zich hiervoor nog meer moeten inzetten.

 

            Hoewel het duidelijk is dat Rodenbach zich degelijk moest voorbereiden om deze teksten te kunnen schrijven, heeft de literatuur geen aandacht besteed aan het feit hoe Rodenbach zijn bronnen raadpleegde en waar hij zijn bronnen vond. Had hij mensen in dienst die voor hem de gewenste boeken en statistieken opzochten en voorlazen? Liet hij hen de gewenste passages overpennen? Maakte hij tijdens de acht à negen maanden dat hij jaarlijks in Brussel verbleef gebruik van de Koninklijke Bibliotheek? De literatuur laat deze vragen onbeantwoord.

 

            Ook heeft de literatuur nauwelijks aandacht besteed aan het bronnenonderzoek van Rodenbachs teksten. Daarom moet ik gebruik maken van de verwijzingen, die ik in de teksten zelf aangetroffen heb.

 

            In zijn Lettre vermeldt Rodenbach geen expliciete verwijzingen naar zijn literatuur, omdat dit niet in dit tekstgenre gebruikelijk is. Ook had hij toen minder gelezen dan toen hij zijn Les aveugles... schreef. In zijn Lettre haalt Rodenbach veel meer voorbeelden aan van mensen die hij beweert gekend en/of gesproken te hebben (pp. 7, 8, 9, 15, 16, 19, 22-23, 36, 39 40, 45, 46, 47) dan in Les aveugles..., (pp. 42, 43, 46, 52, 82, 85 98, 119).

 

            In de laatstgenoemde tekst kan de lezer in de voetnoten tal van boekverwijzingen terugvinden. Deze zijn in twee groepen onder te brengen.

            De eerste groep boeken die Rodenbach raadpleegde, bevat de geschriften van blindenleraars, directeurs van blindenscholen en andere auteurs die de psychologie van de blinden en/of de hulpmiddelen en onderwijsmethoden bespreken. In dit rijtje hoort onder meer C. L. Cartons Les établissements pour les aveugles en Angleterre, rapport à M. le ministre de l'intérieur et des affaires étrangères, (Brugge, 1838) Les aveugles..., (p. 51) en P.-A. Dufau's Des Aveugles, Considérations sur leur état physique, moral et intellectuel, etc., (Paris, 1850) Les aveugles..., (pp. 45, 64, 93, 280). Ook citeert Rodenbach uit een ongedateerde brief van Frère Julien, Des divers systèmes d'écriture à l'usage des élèves de l'Institut Royal des aveugles de Bruxelles, (gericht aan A. Rodenbach) Les aveugles..., (pp. 52-55).

 

            De tweede groep publicaties bevat de werken die een beeld proberen te geven van het aantal blinden dat zich in Europa en het nabije Oosten bevindt. Tot deze groep behoren onder meer Sauveurs "Statistique des sourds-muets et des aveugles de la Belgique, etc., d'après un recensement opéré en 1835" in: Bulletin de la commission centrale de Statistique, deel III, (Brussel, 1847) Les aveugles..., (p. 267), Morel's "Recherches sur l'origine de la surdi-mutité." in: Joseph GUADET, Annales de l'éducation des sourds-muets et des aveugles, Les aveugles..., (p. 94, 271) en Hubert-Valleroux's Des sourds-muets et des aveugles. Mémoire sur l'état actuel des institutions à leur usage et sur les reformes à y apporter, (Paris, 1852) Les aveugles..., (p. 264).

 

            Het feit dat Rodenbach deze publicaties gebruikt, is tekenend voor de wijze waarop hij zijn onderwerp in die tijd benaderde. De overheden dachten toen dat men met statistisch materiaal zoals volkstellingen, alles kon becijferen en beheersen. Daarom lieten ze deze en masse uitvoeren. Rodenbach geeft deze statistische gegevens weer en probeert het verschijnsel van de blindheid en doofheid in kaart te brengen. Hierdoor verschilt hij in aanpak van Haüy en zeker van Diderot. Zijn tekst wordt hierdoor meer beschrijvend en weinig concluderend. Rodenbach gebruikt de conclusies van derden, wat zijn tekst een encyclopedisch karakter geeft.

 

            De naam die in deze bibliografische lijst ontbreekt, is deze van Haüy, naar wiens werk Rodenbach nooit verwijst, hoewel hij zijn onderwijsmethoden beschrijft. De enige verklaring die ik hiervoor kan geven, is dat Rodenbach de nodige informatie over Haüy's lesmethoden elders kon vinden. Het was blijkbaar niet meer nodig om Haüy's Essai te raadplegen.