| 'Blinde vlek' der blindheid. Drie auteurs over blinden in de achttiende en het begin van de negentiende eeuw. (Katty Geltmeyer) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL I: DENIS DIDEROT
Afkomst en opleiding [1]
Denis Diderot werd geboren in 1713 te Langres, een stad in de Champagnestreek, als de zoon van een messenfabrikant. Men zou kunnen stellen dat hij een kind uit een kleinburgerlijk-ambachtelijk milieu was.
Zijn vader zorgde ervoor dat hij een degelijke opvoeding kreeg door hem gedurende ongeveer negen jaar onderwijs bij de jezuïeten te laten volgen. Toen hij tien jaar oud was, stuurden ze hem eerst naar het plaatselijke college, waar hij in 1726 de tonsuur ontving. Hij vervolgde zijn studies vermoedelijk aan het Parijse Collège Louis-le-Grand en studeerde aan de Parijse universiteit af als maître ès arts in 1732. Toen was hij negentien jaar oud.
Deze opvoeding, de beste die men een jongeling in die tijd kon geven, heeft hem voor de rest van zijn leven bepaald. In de basisvakken filosofie, rhetorica en schone letteren leerde de student correct redeneren en zich stijlvol uit te drukken. Zo werd hij voorbereid op de studie. Vervolgens werd de student, naargelang zijn bekwaamheid, filosoof en wetenschapper door zelfstudie. Zij was vooral van filologische en literaire aard. De klassieke talen, vooral het Latijn, dat de jezuïeten altijd al naar waarde wisten te schatten, nam een belangrijke plaats in. Toch werd er ook aandacht geschonken aan de bestudering van de eigentijdse Franse literatuur. Daarenboven werd hem in de laatste jaren van de humaniora enkele beginselen van de wiskunde, fysica en chemie bijgebracht. Men maakte van Denis tijdens die negen jaar een goede humanist. Dit zou hij zijn hele leven blijven.
Toen hij afgestudeerd was, drong zijn vader erop aan dat hij zich snel zou vestigen en een goed beroep zou kiezen. Hij kon met zijn opleiding immers arts of jurist worden of een kerkelijk ambt uitoefenen. Maar daar dacht Denis Diderot anders over. Hij wilde meer vrijheid om te doen waar hij zin in had en koos ervoor om schrijver/denker te worden. Hij wilde zich met de schone letteren en de wetenschappen bezighouden.
Dit vereiste wel dat hij zou breken met zijn eigen milieu. Dit had tot gevolg dat hij zich in een moeilijke materiële situatie manoeuvreerde. Zijn onbeschaamdheden en onhandigheden[2] maakten hem het leven nog moeilijker. Al deze persoonlijke redenen waren er de oorzaak van dat zijn carrière van schrijver/filosoof zo moeizaam opgebouwd werd.
Start van zijn literaire carrière[3]
Over wat er op intellectueel vlak met Diderot gebeurde tussen zijn afstuderen aan het college en het jaar 1750, zijn we schaars geïnformeerd. Nochtans was deze periode cruciaal voor de vorming van zijn persoonlijkheid. Hij heeft tijdens deze achttien jaar vermoedelijk meer gelezen en geleerd dan in de rest van zijn leven. Hij begon toen met de diepgaande studie van de wiskunde en de moderne filosofie, waarvan hij bij de jezueten enkel de beginselen geleerd had. Ook andere wetenschappen zoals de geneeskunde, chemie... zouden later zijn interesse opwekken.
Diderot zou zijn hele leven lang niets anders doen dan door zelfstudie en het volgen van bijlessen zijn kennis aanvullen en uitbreiden om zo een enorme, universele, theoretische kennis op te bouwen. Men zou gerust kunnen stellen dat hij een alleseter op wetenschappelijk vlak was die de grootste eerbied had voor de mening van specialisten terzake. Hij heeft zichzelf nooit als een professionele wetenschapper beschouwd.
Hij leerde onder meer Rousseau en, via hem, Condillac kennen en wisselde met hen tijdens lange gesprekken ideeën uit. Deze mondelinge uitwisseling van ideeën vond eerst in koffiehuizen[4] plaats en later ook tijdens bijeenkomsten in het huis van baron d'Holbach. Deze ontving in zijn salon onder meer Diderot, Rousseau, Helvétius en Marmontel.
Ook de Encyclopédie zou niet enkel door boeken, maar ook door mondelinge bronnen gestoffeerd worden, aangezien Diderot onder meer de ateliers van de ambachtslieden bezocht om inlichtingen te verzamelen over de door hen gebruikte machines en productiemethoden[5]. Wat Diderot niet gelezen heeft, kende hij dankzij het mondeling uitwisselen van kennis.
Om brood op de plank te krijgen, werd hij voor zijn huwelijk in 1743 procureursklerk en onderwijzer. Hij schreef voor de Mercure de France artikels over verschillende onderwerpen[6]. Ook vertaalde hij onder meer de Cyclopaedia van Chambers (1746) en, met medewerking van onder meer Marc Antoine Eidous en François Vincent Toussaint, de zesdelige Dictionnaire universel de médecine, de chirurgie, de chymie, de botanique, d'anatomie, de pharmacie, d'histoire naturelle etc. van Robert James (1746-1748)[7]. Hij becommentarieerde ook wetenschappelijke werken zoals de Principia mathematica van Newton[8].
Hierdoor maakte hij beroepshalve kennis met een heleboel teksten en raakte vertrouwd met en werd geboeid door hun inhoud. Zo bouwde hij een erg ruime, encyclopedische kennis op. Ook bracht dit werk hem in contact met de Parijse bibliothecarissen-uitgevers, zoals onder meer Durand die sinds 1745 lid was van het uitgeversconsortium van de toekomstige Encyclopédie. Diderot zou slechts tot 1750 aan dit consortium verbonden zijn, hoewel hij tot 1772 aan de Encyclopédie zou meewerken.
Diderot werd op 16 october 1747 samen met d'Alembert door de geassocieerde bibliothecarissen aangesteld als directeur van de Encyclopédie. De voorbereiding voor het schrijven van dit werk verplichtte hem om erg veel te lezen, vooral over de filosofische doctrines. Hij raakte snel vertrouwd met de theorieën van Bayle, Fontenelle, Montesquieu, Hobbes, Shaftesbury,... Het verzamelen van deze bronnen vereiste van Diderot een enorme inspanning die buiten alle proporties was. De Encyclopédie wilde een catalogisering zijn van alles wat toen op wetenschappelijk vlak gekend was. Ook zouden alle filosofische ideeën, net zoals alle gebeurtenissen en ambachtelijke technieken aan bod komen. Maar behalve dit wilde zij de lezer eveneens overtuigen van de waarde van de verlichtingsideeën. Dit werk zou volgens de auteurs ertoe bijdragen dat de kritische rationaliteit zou overwinnen op alle vormen van dogmatisch denken[9].
Diderot schreef artikels over de geschiedenis van de filosofie en, wat begrijpelijk was gezien zijn afkomst uit een ambachtelijk milieu, over de ambachtelijke technieken. Hij kon, behalve op d'Alembert, ridder de Jaucourt en een heleboel andere schrijvers, nog op de medewerking van zijn goede en trouwe vriend Baron d'Holbach rekenen. Maar ondanks dat kan men gerust stellen dat deze onvermoeibare bezieler van dit project, het tot aan zijn voltooiing bijna alleen gedragen heeft.
Op 1 juli 1751 verscheen het eerste deel van dit achtentwintig delen tellende werk (17 delen tekst en 11delen illustrerende gravures) waarvan het laatste deel verscheen in 1772, dat de overheid nog vele zorgen zou baren. De uitgevers-bibliothecarissen en de directeurs van de Encyclopédie moesten steeds beducht zijn voor de staatscensuur en de andere
overheidsinstanties die de publicatie en verspreiding van het werk steeds bemoeilijkten[10].
Doordat Diderot deze opdracht aanvaard had, was hij niet langer een illustere onbekende. Ondertussen schreef hij zelf wetenschappelijke werken, zoals zijn Mémoires sur différents sujets de mathématiques (1748), waardoor hij de aandacht trok van d'Alembert en Rameau. In 1745 maakte hij een vrije vertaling van Shaftesbury's An inquiry concerning virtue and merit. Dit werk heeft zijn filosofie sterk benvloed en verrijkt met het, door Shaftesbury genspireerde, theïsme.
Een gevaarlijke reputatie en filosofie met een gevangenisstraf als gevolg[11]
Doordat Diderot zoveel gelezen had en met zoveel uiteenlopende filosofische ideeën kennismaakte, is het begrijpelijk dat hij de hem door zijn opvoeding ingeprente ideeën over moraal en religie, heeft herzien. Dit blijkt uit de werken die hij tussen 1745 en 1750 achtereenvolgens schreef. Zij bakenen de fasen af van zijn intellectuele emancipatie. Zijn desme in de Pensées philosophiques (1746) evolueerde in La promenade du sceptique (1747) naar het scepticisme. Tenslotte evolueerde zijn denken via zijn De la Suffisance de la religion naturelle (1747) naar het atheïsme van de Lettre sur les aveugles (1749).
Hij stortte zich met deze werken in het anti-religieuze debat van de achttiende eeuw, en trok de aandacht van de, al zenuwachtig geworden, kerkelijke en wereldlijke overheid. Sinds de priester van St.-Médard hem in 1747 voor zijn zeer gevaarlijke, libertijnse denken aangeklaagd had, werd hij in de gaten gehouden. Toen hij in 1748 zijn schuine romans Les Bijoux indiscrets en l'Oiseau blanc, conte bleu schreef, begaf hij zich op glad ijs. De eerder genoemde Lettre sur les aveugles, die op 9 juni 1749 anoniem gepubliceerd werd, had een inhoud die op het gebied van de filosofie en de moraal weinig orthodox was. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen. Diderot werd op 24 juli gearresteerd en naar de gevangenis van Vincennes gebracht. Hij was toen 35 jaar oud en had het druk met de voorbereiding van de Encyclopédie.
Volgens de Lettre verwierf de mens zijn kennis van en ideeën over de wereld enkel via zintuiglijke waarnemingen. God lag niet meer aan de basis van de menselijke kennis,
en het universum was niet door Hem op de, door de Bijbel beschreven, geordende wijze geschapen. Hiermee spotte de kerkelijke en staatscensuur niet. In een land waar de vorst een absolutistisch bewind voerde en waar het Rooms-katholieke geloof de staatsgodsdienst was[12], vormde dit libertijnse denken een gegronde reden om opgepakt te worden.
Volgens Diderots dochter mevrouw de Vandeul, geboren als Angélique Diderot, lag een misprijzende opmerking van haar vader enerzijds, en de lichtgeraaktheid van een dame anderzijds aan de basis van deze arrestatie.
Diderot had vernomen dat er in de werkkamer van Réaumur[13] een geslaagde staaroperatie[14] bij een blindgeborene uitgevoerd werd.
Hij vertelt zelf aan het begin van de Lettre dat hij er bij Réaumur persoonlijk, en ook via diens vrienden, op had aangedrongen dat hij samen met zijn toenmalige minnares, mevrouw de Puisieux die hij in 1745 ontmoet had, aanwezig zou mogen zijn op het moment dat de blinde[15] voor het eerst aan het licht blootgesteld zou worden. Maar Réaumur wilde enkel een zeer select publiek toelaten bij de operatie. Daar hoorden, volgens hem, filosofen niet bij.
Volgens mevrouw de Vandeul verkreeg Diderot uiteindelijk toch de toestemming en was erbij toen de verbanden voor de ogen van de blinde weggenomen werden. Maar hij merkte al snel dat de blinde al gezien had. Omdat Diderot meer spektakel en een interessante ervaring verwacht had, voelde hij zich bij de neus genomen. Hij zou, volgens zijn dochter, bij het buitengaan van Réaumurs werkkamer gezegd hebben dat Réaumur zijn experimenten liever deed in aanwezigheid van een mooie, onkundige vrouw met een beperkte anatomische kennis, dan in het bijzijn van kritische geleerden die wisten waarover het ging.
Aan het begin van de Lettre wordt hierop enkel een toespeling gemaakt, zonder dat er namen worden genoemd. Volgens mevrouw de Vandeul vond de echtgenote van minister d'Argenson, mevrouw Dupré de Saint-Maur, die wel aanwezig was toen de blinde voor het eerst aan het licht werd blootgesteld, deze misprijzende opmerking over haar anatomische kennis beledigend. Ze zou haar relaties aangewend hebben om Diderot achter de tralies te krijgen[16].
Hoewel persoonlijke gevoelens of intriges best een rol gespeeld konden hebben bij zijn arrestatie, is het waarschijnlijker dat het gewoon een kwestie is van een samenloop van omstandigheden. Diderot had, zoals gezegd, al de reputatie van een gevaarlijk man verworven. Daarenboven was het tijdstip van publicatie van de Lettre slecht gekozen, omdat de overheid dat jaar extra streng optrad. Ze was erg zenuwachtig en waakzaam geworden door de politieke moeilijkheden die voortkwamen uit de voorbije Oostenrijkse-Successieoorlog (1740-1748) en de, voor de Fransen, beschamende vrede van Aken, die hen diplomatiek dwong de veroverde Zuidelijke Nederlanden, die zij als wingewesten beschouwden, aan Oostenrijk terug te geven.
Ook waren er sociale moeilijkheden door de verhoging van de belastingen. Satirische gedichten en liedjes werden massaal verspreid in de straten van Parijs. Ook deden er geruchten de ronde over de verkwistende levensstijl van het hof. Het staat vast dat Diderot niet de enige was die toen achter de tralies belandde. Heel wat priesters, wetenschappers, geleerden en schrijvers werden dat jaar eveneens gearresteerd.
De machtige uitgevers-bibliothecarissen van de Encyclopédie probeerden Diderot vrij te krijgen, omdat anders hun grootse en dure onderneming, waar zij grote commerciële belangen bij hadden, door deze gevangenzetting zou mislukken. Daarbij werd niet alleen Diderots bekwaamheid en kennis benadrukt, maar ook het prestige dat de Encyclopédie aan het Franse Rijk zou verlenen. Het zou hen ruïneren als de enige man die dit grote werk kon voltooien, niet vrijgelaten zou worden. Hun brieven en smeekbeden zorgden ervoor dat hij vrij kwam. Had Diderot niet zo hardnekkig alles blijven ontkennen en zich zo arrogant opgesteld, dan had men hem mogelijk al veel eerder vrijgelaten. Zijn eigen brieven en de verzoeken van zijn vrienden, slaagden daar niet in.
Diderot werd op 3 november vrijgelaten, nadat hij had moeten beloven dat hij niets meer zou publiceren dat tegen de religie en tegen de moraal inging. Dit avontuur liet een diepe indruk op hem na. Hij zou nooit vergeten dat hij met een Lettre de cachet gearresteerd was. Hij nam zich voor niets opruiends meer te publiceren.
Verdere levensloop[17]
Naast het werk voor de Encyclopédie schreef Diderot artikels voor Grimms Correspondance philosophique et litéraire[18]. Hij schreef ook nog andere werken. In februari 1751 publiceerde hij zijn Lettre sur les sourds et muets à l'usage de ceux qui entendent et qui parlent, waar in mei de Addition hierop verscheen. Hoewel hij als salongeleerde[19] niet tot een van de Franse Academies toegelaten werd, werd hij op 4 maart van datzelfde jaar wel opgenomen als lid van de Academie van Berlijn.
In 1753 schreef hij De l'interprétation de la nature, in 1769 zijn Rêve de d'Alembert. In 1770 volgde zijn Pensées philosophiques sur la matière et le mouvement en in ca. 1782 de Addition à la Lettre sur les aveugles. Dit zijn nog maar enkele van de door hem geschreven werken, waarvan ik alleen het laatstgenoemde in deze verhandeling uitvoerig zal bespreken[20].
Behalve de eerder genoemde mevrouw de Puisieux zou Diderot tijdens zijn leven nog andere minnaressen hebben. Een ervan moet hier nog vermeld worden, omdat ze voor hem en zijn werk, en ook voor de Addition die ik verderop zal bespreken, belangrijk is geweest. In 1753 ontmoette hij Sophie Volland. Zij was eerst zijn minnares en werd later zijn vertrouwelinge en geestesverwant. De vele brieven die zij naar elkaar geschreven hebben, zijn bewaard gebleven.
Diderots gezondheid ging achteruit. Hij kreeg aan het begin van het jaar 1784 een beroerte, waarvan hij eigenlijk nooit volledig herstelde, en stierf op 31 juli 1784 te Parijs[21].
De tijdsgeest[22]
De Verlichting is hoofdzakelijk een theoretisch-filosofische stroming en vormt een breukmoment in de Westerse cultuurgeschiedenis, omdat er zich in de late zeventiende en in de achttiende eeuw enkele filosofische en levensbeschouwelijke veranderingen voordoen. Engeland neemt in de vernieuwingsbeweging van de Verlichting het voortouw. Frankrijk speelde in deze stroming geen pioniersrol, omdat het een cultuur ontwikkelde binnen een absolutistisch regime. Omdat het verlichtingsdenken in dat land op verzet van het autoritaire regime van de absolutistische vorsten en de katholieke staatsgodsdienst stuitte, was het veel radicaler dan in Engeland.
Op het filosofisch vlak steunt de Verlichting op twee pijlers: het kritisch rationalisme en het Angelsaksische empirisme. Beide filosofische stromingen zijn het culminatiepunt van het proces dat haar oorsprong vindt in de Renaissance. De menselijke rede, ratio, wordt geleidelijk het uitgangspunt voor het ontwikkelen van een filosofisch systeem en een wereldbeeld. Zo is het kritisch rationalisme een continentale filosofische stroming, waartoe onder meer Descartes in de zeventiende, en Spinoza en Leibniz in de achttiende eeuw behoren, die het rationele fundament van mens en wereld benadrukt.
Het Angelsaksische empirisme of sensualisme, waartoe Locke[23] in de zeventiende, en Berkeley en Hume in de achttiende eeuw behoren, voegt daaraan een pragmatische ingesteldheid toe, waarvan het uitgangspunt de zintuiglijke kennis of empirie is. Concepten worden beschouwd als het resultaat van materiële kennisprocessen en niet meer als aangeboren, Platoonse, boventijdelijke ideeën. Die methodische houding ligt aan de basis van het moderne wetenschappelijke denken.
In de Verlichting probeert men aan de religie een rationeel fundament te geven. Alle mythische en irrationele elementen, zoals het geloof in mirakels, moesten worden verwijderd, aangezien zij rationeel niet te verklaren waren en tegen de natuurwetten, die volgens Newton de loop der dingen in de wereld bepaalden, ingingen. Daardoor werd de status van de Bijbel in vraag gesteld. Het deïsme, waarvan het uitgangspunt het idee is dat de schepper weliswaar verantwoordelijk is voor het ontstaan van een kosmische orde, maar dat hij niet persoonlijk ingrijpt in zijn schepping[24], ontstaat in deze periode. De mens is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn daden en het geluk van zijn medemens, en moet vertrouwen op zijn rationele vermogens. De relatie tussen mens en God is een individuele aangelegenheid. Daarom is er levensbeschouwelijke verdraagzaamheid nodig, aangezien er immers niet een waarheid is, maar verschillende wegen tot de waarheid.
In landen met een staatsgodsdienst kon er geen tolerantie op dit vlak bestaan, aangezien andersdenkenden beschouwd werden als bedreigend voor de eenheid en stabiliteit van staat en maatschappij.
Op het vlak van de ethiek is er ook een tendens tot rationalisering en
verdraagzaamheid. Door de verwerving van kennis moest de mens op zoek gaan naar
het goede. Daarom hechtte men veel belang aan de opvoeding. De mens moet zich op
alle gebieden van kennis verrijken om zijn wereld en zichzelf met de rede te
kunnen beheersen, en zo bij te dragen tot de vooruitgang. Daarom moesten de
wetenschappen ontwikkeld worden. De opvoeding moest ook de zelfdiscipline en de
verantwoordelijkheidszin bij de burgers stimuleren.
HOOFDSTUK 2: LETTRE SUR LES AVEUGLES À L'USAGE DE CEUX QUI VOIENT(1749): KORTE INHOUD, ANALYSE
Inleiding
Nu ik Diderots leven, werk en leefkader besproken heb, ga ik over tot de analyse van zijn werken die de blindheid als onderwerp hebben. Deze teksten kregen in de literatuur niet de nodige aandacht, en als ze al besproken werden, gebeurde dit meestal tamelijk oppervlakkig.
Daarom zal ik de inhoud van deze teksten kort weergeven. Daarna zal ik deze inhoud analyseren en uitzoeken wat Diderot over de blinden zegt en hoe hij naar hen kijkt.
De eerste tekst die besproken zal worden, is de Lettre sur les aveugles à l'usage de ceux qui voient. In tegenstelling tot wat de titel laat vermoeden, gaat het hier niet om een brief of pamflet van een paar bladzijden. De Lettre telt, zonder de Addition en in de door mij geraadpleegde editie, vijftig pagina's[25]. Diderot deelde zijn tekst niet duidelijk op in hoofdstukjes.
In de Lettre wordt er door Diderot veel naar andere auteurs en hun werken verwezen. Deze heb ik niet zelf bestudeerd en zal deze dus ook niet in mijn verhandeling bespreken. Aangezien dit mij te ver van mijn onderwerp zou verwijderen, zal ik mij strikt beperken tot het bestuderen van Diderots tekst.
Alle filosofische uitweidingen en verwijzingen werden in mijn analyse alleen opgenomen en uitgewerkt, in zoverre ze relevant waren voor het begrijpen van de tekst.
De Lettre werd gepubliceerd in de vorm van een brief, die gericht was aan mevrouw de Puisieux, zijn toenmalige minnares[26].
Motivaties voor het schrijven van de tekst
Een eerste motivatie om deze tekst te schrijven, wordt gevormd door de moeilijke financiële situatie waarin Diderot verkeerde. Hij had altijd al in een financieel moeilijke situatie geleefd. Maar toen hij op 6 november 1743 in het grootste geheim en uit liefde met de linnenjuffrouw Antoinette Champion huwde[27], werd dit probleem nog prangender. Hij moest nu de taak van de kostwinner op zich nemen, wat moeilijk te combineren viel met zijn ongeregelde leven en werk. Filosoferen en studeren brengt geen brood op de plank. Het eerder genoemde vertaalwerk en andere beroepsactiviteiten, zoals zijn eigen publicaties en het werk voor de Encyclopédie, waren onvoldoende om de huishoudelijke geldproblemen op te lossen. Daarbij kwam nog dat hij zijn toenmalige minnares, mevrouw de Puisieux, ook moest onderhouden[28].
Een tweede motivatie wordt gevormd door een concreet voorval dat verband houdt met Diderots eigen interesse voor de geneeskunde. Hij had zich, zoals gezegd, met deze wetenschap vertrouwd gemaakt door de vertaling van Robert James' Dictionnaire universel de médecine et de chirurgie. Maar daar was het niet bij gebleven. Hij nam ook lessen anatomie en las onder meer het werk van Buffon, Bordeu, Boerhave en Réaumur[29].
Toen bleek dat enkele staaroperaties bij blindgeborenen, zoals deze die in Réaumurs werkkamer plaatshad, succesvol waren, wilde Diderot graag zelf bij de eersten zijn die getuige waren van hun reactie op het eerste licht. Maar hij was niet de enige. Mevrouw de Puisieux wilde dit ook graag. Hij drong er bij Réaumur op aan dat hij samen met haar aanwezig zou mogen zijn bij de operatie. Maar deze toelating werd hen geweigerd. Diderot besloot om de wetenschappelijke nieuwsgierigheid van de dame te bevredigen door het schrijven van een tekst, om deze weigering te compenseren[30]. Dit vormt dan ook de derde motivatie voor het schrijven van deze tekst.
De twee laatste motivaties voor het schrijven van deze tekst, kan men in de tekst zelf terugvinden[31]. Het vierde motief wordt gevormd door het feit dat Diderot de dame wil troosten, omdat ze de operatie niet kon bijwonen. Zij was immers niet de enige aan wie dit ontzegd werd. De meest bekwame mensen, waaronder zich ook filosofen bevonden, mochten er evenmin bij aanwezig zijn.
Hij begon naar aanleiding van deze operatie met zijn vrienden te filosoferen over de vraag of een blinde na een staaroperatie zou kunnen zien. Het zelf hierover nadenken en samen met een onderwezen blinde hierover filosoferen is, filosofisch gezien, veel interessanter dan het bijwonen van een staaroperatie en een ononderwezen iemand na zo'n operatie te ondervragen.
Het vijfde motief wordt gevormd door Diderots voornemen om een aantal hardnekkige vooroordelen te weerleggen.
Wat uiteraard meespeelde, was de algemene tijdsgeest, waarin deze tekst geschreven werd. Diderot gebruikt een staaroperatie, een op zich onbenullig voorval, als uitgangspunt voor dit werk.
Op het vlak van de wetenschapsbeoefening valt er een verschuiving waar te nemen. Tijdens de tweede helft van de zeventiende eeuw werd in Frankrijk de Académie des Sciences opgericht, die het kleine groepje dat zich toen voltijds met de wetenschapsbeoefening kon bezighouden, aanmoedigde om meer wetenschappelijk onderzoek te doen. Botanische tuinen, zoals de Parijse Jardin des Plantes, en dierentuinen brachten een iets breder publiek in contact met de wetenschap.
In de achttiende eeuw kon een grotere groep mensen zich voltijds met de wetenschapsbeoefening bezighouden dan voorheen het geval was. Gepopulariseerde werken zorgden ervoor dat een groot publiek, dat vooral uit burgers bestond, kennis kon nemen van de behaalde resultaten. Vroeger was er nog geen strikte scheiding tussen alle wetenschappelijke disciplines onderling. De theologie was alles overheersend, aangezien de wetenschappelijke bestudering van de natuur gelijk stond aan de bestudering van Gods schepping en diens plannen met deze schepping.
Hierin komt er echter verandering. In het midden van de eeuw komen de experimentele en toegepaste natuurwetenschappen op en verdringen langzaam de speculatieve wetenschappen zoals de wiskunde en de metafysica. De geleerden gaan nu zelf de eerder geformuleerde hypotheses via experimentele waarneming toetsen, of het gekozen studieobject observeren. Diderot zit in deze stroming ingebed. In de experimentele en toegepaste wetenschappen vindt hij het bewijs voor zijn filosofische denkbeelden, die hij door de beïnvloeding van onder meer Shaftesbury, Descartes, Newton, Montaigne, Malebranche, Leibniz, Spinoza en Locke. Voltaire en d'Alembert ontwikkelde.
Maar voor de Lettre zijn vooral de veranderingen op filosofisch vlak van belang. Diderot gebruikt de geslaagde staaroperatie als vertrekpunt voor een filosofische oefening die in wezen handelt over de zintuiglijke waarnemingen van de blinden in het kader van de sensualistische theorien. Het sensualisme vormt de grondslag van de Lettre en de Encyclopédie en is omstreeks 1750 bij de geleerden sterk ingeburgerd en zal op de encyclopedisten veel invloed uitoefenen. Lockes Essay concerning human understanding (1690) is vooral voor de Lettre erg belangrijk[32].
Korte inhoud
1. Het fenomeen 'blindheid'[33]
In het eerste deel van de Lettre vertrekt Diderot vanuit de informatie die hij verzameld heeft tijdens het gesprek met de blinde van Puiseaux[34] en uit teksten van en over Nicolas
Saunderson[35]. Hieruit blijkt dat, terwijl de zienden de wereld vooral met het gezichtsvermogen waarnemen, blinden dit vooral doen met hun door oefening en opgedane ervaring geperfectioneerde tastzin en gehoor, die het gezichtsvermogen grotendeels vervangen. Diderot verwijst ook naar enkele mythisch geworden blinden die, met een zintuig minder, ook zo sterk boven de rest van de mensen verheven waren. Terwijl blinden succesvol meerdere, afzonderlijk ontwikkelde zintuigen met elkaar combineren om objecten en situaties zo optimaal mogelijk waar te nemen, slagen zienden daar niet in. Zij concentreren zich meestal op een enkel zintuig, het gezichtsvermogen, en kunnen dit moeilijk met de andere combineren.
Blinden kunnen met de tastzin de betekenis van voor de zienden conventionele begrippen als symmetrie, harmonieuze verhoudingen en schoonheid leren kennen en gebruiken in een juiste context. Omdat zij met hun zintuigen niet, zoals de zienden, alle aspecten van schoonheid kunnen waarnemen, hebben blinden een zuiverder, maar ook ingeperkter, idee van wat schoonheid is.
Doordat blindgeborenen de omgeving waarnemen met en denken vanuit de tastzin, is dit bepalend voor de wijze waarop ze zich eigen ideeën vormen van woorden en begrippen, zoals een spiegel, die zij niet zoals de zienden kunnen bevatten. Door met de tastzin opgedane indrukken met elkaar te combineren en deze met redeneringen te ondersteunen, ontstaan deze ideeën, die vaak verschillen met deze van de zienden.
Zo zegt de blinde van Puiseaux bijvoorbeeld dat het zien een soort aanraken is met de ogen van dingen die op een afstand staan en verschillen van het gezicht, omdat hij weet dat zienden de dingen en elkaar met de ogen waarnemen, en hun gezicht enkel door aanraking kunnen waarnemen. Het oog is dan een orgaan dat door de lucht aangeraakt wordt, wat voor de zienden hetzelfde effect heeft als zijn stok die dingen aanraakt. Ook in Descartes' La Dioptrique[36] vindt men deze redeneringsmethode voor de vorming van ideeën terug in het deel waarin hij zich bezighoudt met de visuele waarneming in relatie tot het aanraken.
Moraal en metafysische opvattingen
Het verschil in sensorieel palet heeft ook invloed op de moraal en metafysica van de blindgeborene. Zo heeft de blinde van Puiseaux een sterke weerzin van het stelen, omdat men hem gemakkelijk en onopgemerkt kan bestelen en hij zelf dit niet onopgemerkt kan doen. Hij is ook helemaal niet preuts en begrijpt niet waarom bepaalde lichaamsdelen meer bedekt worden door kledij dan andere.
Men beweert dat blinden onmenselijk zijn, omdat zij niet, zoals de zienden, gevoelig zijn voor zichtbare uitingen van pijn. Men zegt dat dit komt, doordat zij een zintuig missen en men legt dus het verband tussen de moraal van iemand en de zintuigen waarover deze beschikt. Maar Diderot zegt dat dit bij nader inzien ook voor de zienden geldt. Als er geen lijfelijk contact met het slachtoffer ontstaat, of als dit een klein diertje is, zijn zij even onmenselijk. Er is dus weinig verschil tussen de moraal van de blinden en deze van de zienden.
Dit geldt ook voor hun metafysische opvattingen. Dingen die voor blinden absurd lijken, zijn voor zienden evident en omgekeerd. Doordat blinden de wereld anders ervaren dan de zienden en de natuurpracht, die de zienden hanteren om Gods bestaan aan te tonen, niet of moeilijk kunnen waarnemen, zou dit volgens sommigen tot goddeloosheid kunnen leiden, omdat de schoonheid van de schepping niet als afdoend bewijs kan gelden voor de blinden. Blinden denken over de materie op een veel abstractere manier dan de zienden en zijn daardoor minder ver van de rede verwijderd.
Waarnemingsvermogen en abstractie
In dit overgangsstukje zegt Diderot dat blindgeborenen zich iets kunnen inbeelden door het object, na herhaalde aanraking, in hun geheugen op te bouwen uit voelbare punten. Ze kunnen zich, beter dan de zienden, de sensaties van aanrakingen herinneren en oproepen. Zienden daarentegen bouwen figuren op uit en herinneren ze zich als sensaties van zichtbare, vaak gekleurde punten.
Hieruit volgt dat de blindgeborene alles op een veel abstracter niveau waarneemt dan de zienden en beter abstract kan denken. Daardoor zal hij zich in puur speculatieve vraagstukken misschien minder gemakkelijk vergissen.
Er is een soort abstractie, deze die alles tot getallen herleidt, die enkel de verstandigsten kunnen maken. Alleen in de geometrie kan men tot zeer exacte en algemeen geldende kennis komen.
Het cijfer is een symbool dat voor ons te vaag en te algemeen is. Onze zintuigen vereisen eenvoudige, algemeen geldende tekens die als communicatiesysteem voor de uitwisseling van ideeën moeten dienen.
Er zijn drie wegen waarlangs waarnemingen door de geest worden opgenomen. Terwijl we voor ogen en oren gepaste tekens hebben, respectievelijk letters en klanken, ontbreken deze voor de tastzin. Daardoor dreigen blinde doofstommen in onwetendheid op te groeien als ze niet begeleid worden om de hen resterende zintuigen te ontwikkelen. Als we hen vanaf de kindertijd tekens in de handpalm tekenen of op een andere manier voelbaar maken, zullen deze voor hen een vaste betekenis krijgen en zullen ze zo misschien ideeën verwerven. Hiervoor kan men de letters van het gebruikelijke schrift gebruiken. Als dit voor de tastzin te langzaam gaat, moet hiervoor een taal- of tekensysteem, dat met dit zintuig te bevatten en te hanteren is, ontworpen, en in woordenboeken vastgelegd worden.
Nicolas Saunderson
Het is veel gemakkelijker om hiervoor bestaande tekensystemen te gebruiken dan er zelf een uit te vinden. Saunderson, die The Elements of Algebra[37] schreef, ontwikkelde een systeem voor het rekenen en de algebra. Deze blinde wetenschapper noteerde de cijfers met behulp van pinnetjes met dikke en dunne kopjes, die hij op een bepaalde, vastgelegde manier ten opzichte van, en in combinatie met elkaar op een houten plank plaatste. Dezelfde apparatuur gebruikte hij ook om rechtlijnige figuren uit te zetten waarbij hij de hoeken met een cijfer benoemde. Of Saunderson hiervoor ook letters gebruikte en hoe hij deze dan vormde, is niet bekend.
Saunderson bestudeerde en doceerde wiskunde en optica aan de universiteit van Cambridge en hield zich ook bezig met de werking van lenzen en theorieën over lichtbreking. Zijn taalvaardigheid hielp hem om alles zo duidelijk uit te leggen, dat zowel blinden als zienden het konden begrijpen.
Hoewel een blinde het licht en de kleuren niet kan kennen, is dit niet zo vreemd. In fysische of geometrische vraagstukken onderscheidt men: de natuurverschijnselen die uitgelegd moeten worden; de onderstellingen van de geometricus en de berekening die vanuit de onderstellingen gemaakt wordt.
Een blinde vertrekt vanuit het eigen idee dat hij zich met de tastzin en aan de hand van voelbare punten van licht, kleuren... vormde. Vervolgens maakt hij de berekening, waarbij hij met vele natuurwetten en formules rekening moet houden. Fysica wordt zo geometrie en de vraagstelling wordt zuiver wiskundig. De berekening dient als toetssteen om na te gaan of de geformuleerde onderstellingen en hypotheses juist zijn. Dit verklaart waarom Saunderson perfect in staat was om onder meer de theorieën over lichtbreking te begrijpen, te bestuderen en te doceren.
Diderot heeft gelezen wat Saunderson zegt over het oneindige. Hij vindt dat Saunderson hierover zeer zuivere en juiste ideeën heeft. In vergelijking met hem zijn de meeste filosofen, die zich hiermee bezighouden, onwetenden die nog iets van hem kunnen leren.
Metafysische opvattingen
In dit stukje gaat Diderot verder op wat hij eerder zei over de metafysica van de blinden. Toen Saunderson stervende was, riep men een erg geleerde dominee, Gervaise Holmes, bij hem. Ze hadden een gesprek over het bestaan van God, dat fragmentarisch bewaard bleef in William Inchlifs The Life and character of Dr. Nicholas Saunderson late lucasian Professor of the mathematics in the university of Cambridge, dat in 1747 te Dublin gedrukt werd. Diderot vertaalde deze fragmenten en gebruikt ze om zijn materialistisch-filosofische ideeën uiteen te zetten.
Holmes verwijst naar de schoonheid van de natuur om Gods bestaan aan te tonen. Saunderson is hiervan niet onder de indruk, omdat hij door zijn blindheid zelf weinig van deze natuurpracht kan waarnemen en daarvoor enkel een beroep kan doen op de getuigenissen van onder meer Newton, Leibniz en Clarke. Maar omdat hij deze niet vertrouwt, gelooft hij niet in het bestaan van God. Saunderson vraagt Holmes wat de orde van de schepping, als die zo perfect zou zijn als Holmes beweert, gemeenschappelijk heeft met God. Hij zegt dat als de mens iets onverklaarbaars tegenkomt, het aan God toegeschreven wordt. Het probleem wordt niet opgelost, maar enkel verschoven en nog veel moeilijker gemaakt.
Saunserson erkent dat hij, hoewel hij niets ziet, in de natuur een bewonderenswaardige orde waarneemt en Holmes dus gelijk heeft wat de huidige situatie van het universum betreft. Holmes mag dan wel geloven dat de orde in de natuur, die hij zo bewondert, altijd bestaan heeft. Saunderson stelt echter dat deze orde vroeger mogelijk anders was. Maar daarover weet niemand iets bij gebrek aan bewijs.
Toen alles ontstond, waren er wel een aantal goed georganiseerde wezens. Maar voor ieder van hen waren er een heleboel vormeloze of misvormde wezens, waaronder, zo veronderstelt Saunderson, de blinden. De onaangepasten, monsters, waren gedoemd om uit te sterven. Alleen de meest aangepasten, die zichzelf in stand konden houden, bleven leven. Saunderson zegt dat ook de huidige orde niet zo perfect is als Holmes denkt, aangezien er soms nog monster-wezens opduiken. En mocht deze orde dan toch van goddelijke oorsprong zijn, dan zegt Saunderson dat hij deze erg willekeurig en onbarmhartig vindt.
De wereld is een samengesteld en steeds veranderend geheel. De mens ervaart dit echter als een statisch geheel, omdat hij de tijd afmeet aan de hand van zijn eigen, korte levensduur.
Uit het feit dat de stervende Saunderson de God van Clarcke en Newton smeekte medelijden met hem te hebben, blijkt dat hij toch hoopt dat God bestaat. Het is schandalig dat de zienden, die de natuurpracht kunnen waarnemen, geen betere redeneringen hebben om Gods bestaan aan te tonen.
2. Debat over het probleem van Molygneux[38]
In het tweede deel van de tekst probeert Diderot met de voorafgaande informatie een vraag op te lossen die al lang geleden gesteld werd en sindsdien het onderwerp van sensualistisch-theoretische debatten vormde. Hiervoor moet men het uitgangspunt van deze tekst, een geslaagde staaroperatie, in het achterhoofd houden. Enkele bedenkingen over het unieke voorbeeld van Saunderson deden Diderot inzien dat deze vraag, die rond het abstractievermogen van de blinden draait, nooit helemaal opgelost werd.
Om dit te onderzoeken, haalt Diderot Molygneux[39] aan, die als uitgangssituatie een volwassen blindgeborene neemt. Deze blinde leerde door aanraking een bol van een kubus onderscheiden. De figuren zijn ongeveer even groot en allebei van hetzelfde metaal gemaakt. Vervolgens gaat men ervan uit dat deze figuren op een tafeltje staan, dat op een afstand van de blinde staat, en dat hij, door een operatie, het gezichtvermogen terugkrijgt. Men vraagt hem, terwijl hij de twee figuren ziet, of hij ze, zonder ze aan te raken, kan onderscheiden en zeggen welke de bol, en welke de kubus is.
Molygneux en Locke, aan wie Molygneux deze vraag voorlegde, zeggen dat de blinde, op het eerste zicht en zonder het aanraken van de figuren, deze niet met enige zekerheid zal kunnen onderscheiden, omdat hij nog niet heeft leren zien. Locke zegt echter dat, als de blinde de figuren zou aanraken, hij ze wel zou kunnen onderscheiden. Als de blindgeborene de, door het voelen verkregen, ideeën van bol en kubus vergelijkt met deze die hij opbouwt door het zien, dan zal hij inzien dat het dezelfde zijn en ze dienovereenkomstig juist kunnen benoemen.
Condillac[40] stelt dat de blindgeborene niets ziet, of dat hij de bol en de kubus verschillend ziet; en dat de vele vereisten inzake grootte en materiaal, die Molygneux de figuren in zijn vraagstelling oplegde, overbodig zijn. Er is, in tegenstelling tot wat Locke en Molygneux stelden, een verband tussen het zien en het aanraken. Maar enkel de ervaring leert dat er tussen het zien en het voelen een verband is. De blindgeborene heeft die ervaring niet, waardoor hij aan zijn zintuigen twijfelt en niet met zekerheid figuren kan benoemen. Enkel een tweede aanraking biedt zekerheid. Een blindgeborene zou het niet absurd vinden dat twee zintuigen elkaar kunnen tegenspreken.
Zowel Molygneux, Locke als Condillac gingen ervan uit dat de blindgeborene meteen na de operatie zou kunnen zien.
Als men Molygneux's vraag veralgemeent, omvat deze twee vragen:
Zal de blindgeborene meteen na de staaroperatie zien?
Als hij ziet, zal hij dan voldoende zien om de figuren te onderscheiden? Zal hij hen, al ziende, met zekerheid kunnen benoemen met dezelfde namen die hij hen vroeger al voelend gaf en weten of deze namen juist zijn?
Zal de blindgeborene onmiddellijk nadat zijn ogen genezen zijn, zien? Zij die beweren dat hij niets zal zien, zeggen dat zodra de blindgeborene zijn ogen kan gebruiken, hij alles tegelijkertijd zal zien en niets zal kunnen onderscheiden, herkennen of inschatten. Enkel door het opdoen van ervaring met behulp van de tastzin, zal hij leren wat de begrippen dichtbij, veraf, groot, klein etc. betekenen. Ook zal hij leren dat objecten, ook al verdwijnen ze even uit het gezichtsveld, nog steeds aanwezig zijn. Met behulp van deze opgedane ervaring en het verstand kan de geopereerde blindgeborene leren zien. Cheselden[41] ondervond dit ook toen hij een blindgeboren jongen van staar opereerde.
Een van de zintuigen kan zich versneld perfectioneren met behulp van de andere zintuigen. Diderot vraagt zich af hoe de wisselwerking tussen de zintuigen in elkaar zit. Leert de tastzin het oog kleuren zien? Als men daarvan uitgaat, volgt daaruit dat als men een van staar geopereerde blindgeborene een zwarte kubus en een rode bol op een witte achtergrond toont, hij gemakkelijker de contouren van die figuren zal kunnen waarnemen. Pas wanneer alle onderdelen van het oog degelijk hersteld en voorbereid zijn op de uitvoering van hun taak, zal het oog vanzelf ervaringen opdoen en zichzelf kleuren leren zien, zonder de hulp van een ander zintuig.
Als men een grote zekerheidsgraad aan dit onderzoek wil geven, moet men de blindgeborene lang voordien degelijk voorbereiden, door hem een goede opleiding te geven waarin ook filosofie vervat zit, opdat hij het verschil tussen blind zijn en zien kan uitleggen. Men begint best pas lang na de operatie met het onderzoek, omdat zijn ogen zeker genezen en gezond moeten zijn. De blinde mag pas bij het begin van het onderzoek aan het licht blootgesteld worden. Daarom is het belangrijk dat hij, gedurende de behandeling en het onderzoek, in de schemering verblijft, of tenminste in een ruimte waar men de lichtsterkte kan regelen. Zo krijgen zijn ogen de kans om zich goed en snel te oefenen. Een uitgelezen, academisch publiek dat zich onder meer door zijn filosofische en anatomische kennis onderscheidt, moet hem erg omzichtig ondervragen opdat hij zegt wat er precies met hem gebeurt.
Vervolgens geeft Diderot zijn eigen mening over Molygneux's vraag. Het is filosofisch gezien beter om een slimme blinde te ondervragen die inzicht kan verschaffen in het verschil tussen de werking van zijn zintuigen en deze van de zienden, dan om dit te doen met een net van staar geopereerd, maar onopgeleid iemand. De eerste keer dat de geopereerde blindgeborene de ogen opent, zal hij helemaal niets zien. Zijn ogen hebben een bepaalde tijd nodig om ervaringen op te doen en te experimenteren. Dit zal zich vanzelf voltrekken na een korte gewenningsperiode in de duisternis en zonder de hulp van de tastzin. De blinde zal niet alleen kleuren, maar ook minstens de grote lijnen van dingen kunnen onderscheiden.
Om te weten of de blindgeborene, na deze oefentijd eerder aangeraakte voorwerpen met het gezichtsvermogen zou kunnen herkennen en juist benoemen, moet men, volgens Diderot, verschillende soorten mensen onderscheiden.
Als het lompe, onopgevoede en onvoorbereide mensen zijn, dan kunnen ze niets onderscheiden, of ze zullen de objecten verschillend zien. Omdat ze met geen enkele redeneringswijze vertrouwd zijn en geen ideële concepten opgebouwd hebben, kunnen ze het eerder gevoelde niet vergelijken met wat ze nu zien.
Het tweede type maakt wel de vergelijking van de, door het voelen gevormde, ideeën met deze die ze zich door het kijken vormen. Maar ze twijfelen te veel aan hun zintuigen en daardoor zijn ze te weinig overtuigd van de juistheid van hun oordeel. Ze kunnen dingen van elkaar onderscheiden, maar weten niet waarom en kunnen de verschillen niet uitleggen.
Het derde type, waartoe Saunderson behoort, is opgeleid, kan abstract denken en kent de geometrische eigenschappen van figuren. Hij vergelijkt deze ideeën met wat hij ziet en voelt. De redeneringen en de ervaring van anderen helpen hem om zeker te weten dat zijn gezichtsvermogen en tastzin elkaar niet tegenspreken. Aan de hand hiervan bepaalt hij dan, nog steeds met het nodige voorbehoud, om welke figuur het precies gaat. Het is moeilijker om gebruiksvoorwerpen en andere samengestelde voorwerpen die in een grote vorm-, en kleurverscheidenheid en met versiersels voorkomen, te herkennen, dan enkelvoudige objecten met een geometrische vorm. Dit komt omdat de eerstgenoemde voorwerpen door hun complexiteit moeilijker te herleiden zijn tot een abstract begrip.
Om na te gaan welk zintuig het belangrijkste is om objecten te kunnen herkennen en benoemen, vraagt Diderot zich af of een man, die sinds de geboorte ziet, maar geen tastzin heeft, de dingen door aanraking zou kunnen herkennen, nadat men hem de tastzin teruggegeven heeft en hem tijdelijk blinddoekt. Als hij kennis heeft van de geometrie, zal dit hem helpen om de vormkenmerken van figuren door aanraking te herkennen en zeker te zijn dat de beide zintuigen elkaar niet tegenspreken. Als hij deze geometrische kennis niet bezit, zal hij de figuren, zowel al aanrakend als al ziend, moeilijk kunnen herkennen en benoemen.
Diderot weet daarentegen niet wat een andere man, bij wie het gezichtsvermogen en de tastzin steeds in tegenspraak zijn, zou denken over de vormen, de orde, de symmetrie, de schoonheid, de lelijkheid, etc. Waarschijnlijk zou hij bevooroordeeld zijn om meer op zijn gezichtsvermogen te vertrouwen dan op zijn tastzin. Maar ook dat zou alle vervelende problemen niet oplossen. We zijn niet zeker dat onze zintuigen betrouwbaar zijn. Men kan dus besluiten dat alles relatief is.
Eindbeschouwing
Als we alle menselijke kennis afwegen en beschouwen, kunnen we niet anders dan besluiten dat we niets over de materie en nog minder over de geest en het denken, en al helemaal niets over de beweging, de ruimte en de duur of geometrische waarheden weten. Diderot vraagt zich sceptisch af waarom er zoveel gelezen en geschreven wordt, hoewel men er toch niets wijzer van wordt.
Kritische analyse van de tekst
Zoals uit de indeling al bleek, valt de Lettre sur les aveugles à l'usage de ceux qui voient uiteen in twee grote delen. De link tussen deze twee delen is het sensualistische gedachtengoed, dat zich bezighoudt met de werking van de zintuigen en de daaruit volgende zintuiglijke waarnemingen, het abstracte denken en het daarmee samenhangende kennend vermogen[42].
In het eerste deel van de tekst probeert Diderot een aantal hardnekkige, impliciet vermelde vooroordelen over blinden, die in die tijd gangbaar waren, te weerleggen. Zo dacht men dat blinden ongeschikt waren voor ontwikkeling en onderwijs, en dat ze dom en onwetend, immoreel en goddeloos waren.
Diderot gaat er, net als de empiristen, van uit dat de mens zijn kennis over de wereld enkel via zintuiglijke waarnemingen verwerft. Ideeën over schoonheid, moraal,... zijn de resultante van zintuiglijke waarnemingen, en niet aangeboren of door God ingegeven. Daarom zoekt hij uit hoe de zintuigen van de blinden werken en welke invloed dit heeft op de vorming van hun ideeën. Blinden gebruiken andere zintuigen dan de zienden om de wereld waar te nemen. Ze zijn geen sukkelaars, omdat ze zichzelf kunnen behelpen en hun geoefende tastzin en gehoor het gezichtsvermogen van de zienden grotendeels kunnen vervangen. Dit heeft logischerwijze gevolgen voor de vorming van hun ideeën over schoonheid, moraal,... en hun denken. Doordat ze eerder gevoelde objecten in hun herinnering opslaan als een opeenvolging van voelbare punten, en denken vanuit de tastzin, kunnen blinden abstracter denken. Daardoor zitten ze dichter op de rede en zijn ze dus eigenlijk logischer dan de zienden. Saundersons voorbeeld toont behalve het bovenstaande ook aan, dat blinden vatbaar zijn voor ontwikkeling en onderwijs en even taalgevoelig zijn als de zienden.
Ook kunnen zij theoretische problemen oplossen, aangezien, volgens Newtons mechanistisch wereldbeeld, alles in de natuur zich voltrekt volgens vastgelegde natuurwetten. Omdat lichtstralen hieraan ook onderhevig zijn, kan Saunderson de werking van lenzen en de theorieën over lichtbreking begrijpen. Blinden zijn dus gelijk en soms zelfs superieur aan de zienden. Maar dan moet men hen wel onderwijzen met behulp van een aangepast tekensysteem.
Het gesprek tussen Saunderson en Holmes behandelt de metafysica van de blinden. Diderot bepaalt in dit stuk tekst de rol van de zintuiglijke waarnemingen, en meer bepaald deze van het aanraken, in het denken. Verder geeft hij zijn visie op het ontstaan van de wereld.
Als de menselijke kennis over de wereld niet meer berust op aangeboren ideeën die door God ingegeven zijn, maar enkel op zintuiglijke waarnemingen, dan kan de schoonheid van de natuur, die de zienden hanteren om Gods bestaan aan te tonen, niet als afdoend bewijs gelden voor de blinden. Dit komt, omdat zij vele aspecten van de schepping niet kunnen waarnemen.
Daardoor zouden zij sneller tot goddeloosheid geneigd zijn. Dit is dan de schuld van de slechte argumentatie van de zienden, omdat ze namelijk zelf onvoldoende doorslaggevende argumenten hebben om Gods bestaan te bewijzen of te weerleggen. Via een logische redenering kan Saunderson er niet toe komen om Gods bestaan te erkennen. In zijn stervensuur hoopt hij echter dat er wel een God is en baseert zich hiervoor op de, door hem nochtans als twijfelachtig beschouwde, getuigenissen van Clarcke en Newton. Deze ideeën van Diderot vielen vanzelfsprekend niet in goede aarde bij de overheden.
Dit gold ook voor zijn visie op het ontstaan van de wereld, die hij door Saunderson laat verwoorden. Volgens Diderot erkent Saunderson wel, dat hij, hoewel hij niets ziet, in de natuur een bewonderenswaardige orde kan waarnemen. Hij gaat er echter van uit, dat deze orde en de natuur, die door deze orde bepaald wordt, in hun huidige vorm mogelijk geen statische gegevens zijn, maar het resultaat zijn van een evolutie. En als deze orde van goddelijke oorsprong is, dan vindt hij deze willekeurig en onbarmhartig. Deze uitspraken konden niet in goede aarde vallen in een tijd waarin de wetenschappelijke bestudering van de natuur gelijk stond aan de bestudering van Gods schepping en diens plannen met deze schepping.
Diderot laat Saunderson vervolgens een nieuw scheppingsverhaal schrijven, waarin de wereld, ontdaan van alle bovennatuurlijke aspecten en onderworpen aan vastgelegde natuurwetten, herleid wordt tot een georganiseerd geheel van materie: het materialisme[43]. De wereld ontstaat uit een chaos en evolueert langzaam en moeizaam, maar op een toevallige wijze, naar een georganiseerd geheel, dat nog steeds aan verandering onderhevig is. In deze visie die hij bij Leibniz vond, is de wereld een samengesteld, dynamisch en zichzelf steeds veranderend geheel: transformisme. Deze idee van het toeval ontleende hij aan Epicurus en Lucretius. Doordat in deze veranderingen een evolutie wordt waargenomen, kan men spreken van een evolutionistisch-transformistisch materialisme.
Het evolutionisme van Diderot verschilt met wat Darwin later uiteen zal zetten. Volgens Darwin zal de natuurlijke selectie ervoor zorgen dat de soort zich perfectioneert, doordat alle zwakke individuen van de soort geëlimineerd zullen worden en enkel de sterksten zullen overleven. Diderot ziet de natuurlijke selectie niet zozeer als een strikt teleologisch proces, maar eerder als een automatische vernietiging van de niet levensvatbare wezens. Maar als zwakke individuen de soort geen schade berokkenen of belemmeren, kunnen ze overleven. Deze evolutie van de soorten, die hij aan Empedocles ontleende, heeft als logisch gevolg dat ze het tijdelijke karakter van de monster-wezens benadrukt. Deze vervullen bij Diderot een schakelfunctie tussen de chaos en het huidige, tamelijk evenwichtige universum[44]. Dat de gevestigde machten niet opgezet waren met deze denkbeelden, bleek al uit het eerder vermelde feit dat Diderot in de cel belandde.
In het tweede deel van de tekst, dat geheel rond het abstractievermogen van de blinden draait, probeert Diderot uit te zoeken of het zinvol is om aan een blindgeborene het gezichtsvermogen terug te geven. Dit doet hij aan de hand van de vraag van Molygneux, die uitzoekt of een blindgeborene na een staaroperatie zou kunnen zien en benoemen wat zijn zintuigen waarnemen. Naar aanleiding van een geslaagde staaroperatie werd de, al een tijdje aan de gang zijnde discussie rond deze vraag, hernieuwd.
Aan de hand van de bevindingen uit het eerste deel probeert Diderot deze vraag zelf op te lossen en zijn bijdrage aan dit debat te leveren. Hij is ervan overtuigd dat opgeleide blinden ook kunnen filosoferen. Het is daarom, vanuit filosofisch standpunt gezien, interessanter om met hen te filosoferen dan om een onopgeleid iemand, die pas van staar geopereerd werd, te ondervragen. Blinden zijn niet alleen het object om over te filosoferen, maar ze kunnen hieraan zelf ook actief deelnemen.
Behalve met het abstracte denkvermogen houdt deze vraag zich ook bezig met het kennend vermogen van de blinden en of zij eerder gevoelde figuren zullen kunnen benoemen. Diderots conclusie is dat, als men een blindgeborene goed opleidt en hem het gezichtsvermogen teruggeeft, hij na een gewenningsperiode zichzelf zal kunnen leren zien, eerder gevoelde objecten kunnen benoemen, en abstract kunnen denken. Hij zegt uiteindelijk dat de zintuiglijke waarneming relatief is, omdat de zintuigen niet altijd even betrouwbaar zijn.
Het is onmogelijk om alle literatuur op te sommen die Diderot ter voorbereiding van deze tekst gelezen heeft. Hij had op dat moment al een zeer ruime kennis opgebouwd. Enkele belangrijke werken die filosofische theorieën omvatten, die niet enkel voor dit werk maar ook om de toenmalige tijdsgeest te kunnen begrijpen belangrijk zijn, zullen hier worden opgesomd. Zo las en verwerkte hij Doctor Berkeley's Three Dialogues between Hylas and Philonoüs (1713), Condillac's Essai sur l'origine des connoissances humaines (1746) en zijn Traité sur les systèmes (1749). Maar voor alles moet John Lockes Essay concerning human understanding (1690) vermeld worden. Want dit werk is voor de Lettre en het eerder gevoerde debat rond de vraag van Molygneux, waarnaar in de Lettre verwezen wordt, erg belangrijk.
Naast deze werken die door sensualistische filosofen geschreven werden, raadpleegde en bestudeerde Diderot werken van en over blinden. Zo verwijst hij de lezer naar Saundersons The Elements of Algebra (1740), Descartes' la Dioptrique (1637) en William Inchlifs The Life and character of Dr. Nicholas Saunderson late lucasian Professor of the mathematics in the university of Cambridge, (1747). Verder had hij, naar eigen zeggen, een lang gesprek met de blinde van Puiseaux, waarbij Diderot hem een gerichte vragenlijst voorlegde[45].
Diderot gebruikt de blinde als studieobject om de sensualistische theorieën te bestuderen. Hij verwijst, zoals gezegd, naar enkele personen die vermoedelijk wel bestaan hebben, maar die nu in zijn teksten een eigen leven gaan leiden. Hij legt hen dingen in de mond die ze zelf nooit gezegd of gedacht hebben. Maar hoewel de blinden hier een gedeeltelijk fictief karakter krijgen[46], kan afgeleid worden hoe Diderot naar hen kijkt. Zijn visie op de blinden bevat zowel neutrale, positieve als negatieve aspecten. Deze zullen hieronder in deze volgorde besproken worden.
a: Neutraal
Diderot bestudeert niet zozeer de blinde als mens, maar gebruikt hem als studieobject om de sensualistische theorieën te bestuderen en als uitgangspunt voor de opbouw van zijn filosofie. Dit blijkt uit zijn wetenschappelijke benadering van het fenomeen van de blindheid. Zo stelt hij de voorwaarden op, waaraan de onderzoeker die pas van staar geopereerde blindgeborenen wil observeren, zich moet houden (pp. 844-845, 854). In het stuk waarin hij zijn antwoord op Molygneux's vraag formuleert, maakt Diderot een onderscheid tussen drie soorten blindgeborenen en twee soorten objecten (pp. 856-859).