Miss Blanche en Chiehelette. Verkennend historisch onderzoek naar de weerslag van het homoseksuele gebeuren in de gerechtelijke archieven en publieke opinie in Vlaanderen rond de eeuwwisseling. (Els Maes)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1: Literatuuronderzoek

 

 In dit eerste deel van deze verhandeling zal vanuit de literatuur geprobeerd worden een zo volledig mogelijk beeld op te hangen van de maatschappij eind negentiende - begin twintigste eeuw. Ook de homoseksuele leefwereld binnen deze maatschappij zal beschreven worden, alweer gebaseerd op literatuur.

 

 In een tweede deel zullen de bronnen spreken. Dan zal blijken of de beschreven situatie ook voor Vlaanderen kan doorgetrokken worden en wat de houding van gerecht en publieke opinie waren.

 

 

Hoofdstuk 1: Perceptie van homoseksualiteit voor de negentiende eeuw

 

 In de geschiedenis staat niets ooit los van elkaar. Zaken zijn altijd het resultaat van wat voorafging. Het is daarom niet onverstandig een zeer kort overzicht te geven van hoe men vóór de negentiende eeuw, die westers, christelijk en patriarchaal was, tegen homoseksualiteit aankeek.

 

§ 1. De primitieve gemeenschappen

 

 In de primitieve gemeenschappen zag men het verband tussen seksualiteit en voortplanting niet. Men had waarschijnlijk wel notie van een sekse-onderscheid, maar dan zou de oorzaak van homo-aversie niet in de noodzaak tot reproduktie liggen. Daarom is het interessanter het ontstaan van het monogame familieverband te bekijken. In de periode die hieraan voorafging, het matriarchaat, kende men geen seksuele exclusiviteit. Verschillende mannen hadden betrekkingen met verschillende vrouwen. Er was dan ook geen zekerheid wie de vader was van de kinderen die hieruit voortkwamen. Zij bleven in de sibbe van de moeder. Homoseksualiteit vormt hier dan geen belemmering voor heteroseksualiteit en voortplanting.

 

 Met de landbouwrevolutie veranderde het aanzicht van de toenmalige gemeenschappen volledig. Men kreeg een voedseloverschot dat moest gestockeerd worden. Dit had tot gevolg dat men onder druk kwam te staan van de rovende volkeren die zich niet hadden gevestigd. De rovende Indogermaanse cultuur met patriarchaal familieverband overwon. Dit bracht een volledig nieuwe evolutie met zich mee waarin de vestiging van de monogamie zeer belangrijk was. Monogamie betekent exclusiviteit in de seksuele relaties. Dit was nodig om het erfrecht patrilineair te kunnen organiseren. Monogamie verzekerde de man dat zijn kinderen zijn kinderen waren. En als iemand slechts één seksuele relatie mag hebben, moet ze heteroseksueel zijn. Zoniet is voortplanting onmogelijk[32].

 

§ 2. Het Antieke Griekenland

 

 Bij de voorlopers van de Griekse cultuur, de Doriërs en de Eleërs, was knapenroof geïnstitutionaliseerd. Het Antieke Griekenland kende zijn traditie van de knapenliefde ; ook deze was geïnstitutionaliseerd. De pederastie zou zijn oorsprong vinden in de tijd dat de Grieken als roofbendes het toekomstige Griekenland binnenvielen en er de vrouwen verkrachtten. Dit zorgde voor traumatische ervaringen in de omgang met vrouwen en voor het seksuele genot prefereerde men dan een jongen van het eigen ras. Ook later werden voortdurend de relaties tussen man en vrouw verstoord. Voor een knaap was het een eer een minnaar te hebben. De pederastie had de funktie van politieke vorming van de jonge mannen[33]. Jonge mannen werden niet verondersteld erotische bevrediging te verkrijgen uit de handelingen van hun minnaars, maar ze namen een passieve rol aan uit dankbaarheid en respect. De oudere minnaar onderwees hen en wijdde hen in in de politieke wereld. In de beleving van de seksualiteit was alleen het verschil tussen de dominante positie en de onderworpen positie van belang en niet het geslacht van de partners. Actief erotisch verlangen was alleen karakteristiek voor volwassen mannen. Vrouwen moesten zo nu en dan seksueel bevredigd worden, maar dat kon met om het even wie[34]. De Griekse homoseksualiteit was dus verbonden met ongelijkheid, ging terug op ongelijkheid tussen man en vrouw.

 

§ 3. Het Romeinse rijk

 

 Ook de Romeinse homoseksualiteit was gebaseerd op ongelijkheid, maar dan van heel andere aard. Ze had geen pedagogische, elite-vormende funktie, maar was individuele consumptieseks. De partners waren steeds een vrije man die de meester was en diegene die hem moest bevredigen, een slaaf. Er was voor de meesters dan ook keuze. Men onderscheidde de castratus verus of de volledig gekastreerde, de thlasias of de gesteriliseerde en de spado of de half gekastreerde.

 

 Met de keizertijd zien we een evolutie in twee richtingen. Enerzijds was er een uitbreiding van de homoseksualiteit met de knapenharem of het paedagogium naast de hoerenjongens. Anderzijds staken steeds meer homo-aversieve invloeden de kop op met de Lex Julia. Niet lang daarna werd homoseksuele omgang dan ook gecriminaliseerd en kwam het in de illegaliteit terecht. In ieder geval heeft deze consumptiehomoseksualiteit nooit een gewaardeerde plaats gehad binnen het morele systeem[35].

 

§ 4. De Germanen

 

 Bij de Germanen heerste er eveneens een patriarchale homo-aversie, voortkomend uit de exclusieve seksuele relaties nodig voor het patrilineaire erfrecht.

 

§ 5. De Westerse middeleeuwen

 

 De Joods-christelijke traditie veroordeelde niet de homoseksualiteit op zich, maar alle vormen van seksuele betrekkingen die niet tot voortplanting konden leiden. Deze "doelgerichte" seksualiteit was niet nieuw in het christendom. Wat wel nieuw was, was de eis dat seks alleen voor de voortplanting getolereerd zou worden, en dat al de rest pervers was. Theologen ontwikkelden de theorie dat homoseksuele handelingen de ergste van alle seksuele vergrijpen waren, omdat ze per definitie niet tot voortplanting konden leiden. Bij verkrachting, incest en buitenechtelijke relaties was dit wel mogelijk. Een tweede aspect van die joods-christelijke overlevering, is dat ze in hoofdzaak gericht was tegen mannelijke seksualiteit. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat men geen notie had van het bestaan van de eicel bij de vrouw. Bijgevolg dacht men dan ook dat alleen het mannelijk zaad voor voortplanting zorgde. Vrouwen konden dan ook de voortplantingsdrang van de natuur niet boycotten door met elkaar omgang te hebben[36].

 

 Maar homoseksualiteit werd in de vroege middeleeuwen wel beschouwd als één van die zaken die alleen God en het individu aangingen. Het was geen verraad aan de gemeenschap. Later is de sodommythe gaan ontstaan, via het verhaal over Sodom in de Bijbel. Homoseksualiteit werd in deze mythe verantwoordelijk gesteld voor alle maatschappelijke tegenslagen. Maar pas in de hoge middeleeuwen (tot de twaalfde eeuw) werd de sodommythe de algemeen aanvaarde legitimatie van de homo-aversie. Aangezien dit een periode van relatieve welvaart was en er geen reden was voor het zoeken van zondebokken, bleven harde repressie en vervolgingen dan ook uit.

 

 In de late middeleeuwen kwam er verandering in deze relatieve rust. Slechte oogsten, epidemieën, hongersnoden en oorlogen, zorgden voor een sfeer van angst, van hysterie op verscheidene vlakken. De landbouwproduktie stagneerde en de bevolking bleef groeien. Sodomie werd nu gezien als volksverraad, als een manier om zijn ziel te verkopen aan te duivel. En het was natuurlijk de duivel die achter al deze rampen zat.

Het was dus niet zozeer angst voor homoseksualiteit die de mensen aanzette tot vervolging en repressie, maar de angst voor een verbond met de duivel en de sociale ellende die erbij kwam kijken. De moraal was niet veranderd, maar wel het optreden tegen afwijkingen van deze moraal. In de loop van de twaalfde en dertiende eeuw werd dan ook de inquisitie uitgevonden om heksen en ketters te vervolgen. Sodomie behoorde tot de standaard-beschuldigingen die men deze mensen ten laste legde, onder andere de Katharen, de Waldensers en de Tempelieren. Sodomie stond voor alles wat niet deugde ; het kwam ongeveer overeen met onze term "ontucht".

 

§ 6. De Verlichting

 

 In de zestiende-zeventiende eeuw kwam deze heksenwaan tot een hoogtepunt en daarna trad er een mildering op. Deze mildering zal vanaf de achttiende eeuw nog verder worden doorgetrokken met de Verlichting. In de Verlichting is ook de grondslag voor de vernieuwing van de "Socratische liefde" zoals Voltaire het uitdrukte, te situeren. Een eerste consequentie daarvan lag in de hervorming van het strafrecht (zie infra) en een tweede in een natuurwetenschappelijke benadering van de sociale werkelijkheid. Deze zal leiden tot de uitdoktering van de homoseksueel door een nieuwe groep van medici.

 

 De Verlichting zette de scheiding tussen Kerk en Staat in en seculariseerde de maatschappij min of meer. Men ging geloven in menselijke zelfbeschikking, in rede, vooruitgang en natuurwetenschappen in plaats van in de alvoorzienigheid van God. Voor de filosofen van de Verlichting was de "Socratische liefde" dan ook geen zonde meer, en geen misdrijf, wat helemaal niet wil zeggen dat ze het goedkeurden. Een overzicht van het standpunt van de belangrijkste filosofen[37]:

 

Montesquieu

Hij schreef als eerste over wat hij de "crime contre nature" noemde. Volgens hem lag de oorzaak van homoseksualiteit in bepaalde slechte gewoontes zoals de naaktcultuur van de Griekse jongelingen in de gymnasia, de polygamie van de Aziaten en het schoolsysteem in Europa, dat beide geslachten scheidde en op die manier homosociale gemeenschappen creëerde. Hij was gekant tegen strenge bestraffing omdat de beschuldigingen steeds vaag zouden blijven en hierdoor ook de mogelijkheid ontstond te lasteren. Strafrechthervormers realiseerden zijn voorstellen eind achttiende - begin negentiende eeuw door de sancties te verzachten en een preventiebeleid te voeren[38].

 

Voltaire

Voltaire sprak over "l'amour socratique". Ook hij stond negatief tegenover homoseksueel gedrag, maar bepleitte mildering van de straffen. Volgens hem was de beste oplossing het doodzwijgen van het onderwerp[39].

 

Diderot

Over de houding van Diderot is niet veel bekend. Wel schreef hij in zijn roman "La Réligieuse" lesbische liefde toe aan een abdis die in het verhaal alle kwaad symboliseerde[40].

 

Rousseau

Rousseau had een sterke afkeer van homoseksuele handelingen. In zijn "Confessions" schreef hij over hoe ooit een man hem had proberen verleiden en het had hem met afschuw vervuld[41].

 

 De Verlichte filosofen gingen ervan uit dat de natuur fundamenteel goed was en het kind onschuldig, want een produkt van die natuur. De enige er een afwijkende mening op na durfde te houden, was de Sade. Hij benadrukte de verschrikkingen die in de natuur lagen, de verspilling en het exces in de seksualiteit in plaats van voortplanting. Homoseksualiteit was een fundament van zijn filosofie, omdat sodomie als normoverschrijding het verlichte geloof in de goede natuur en de menselijke rede ondermijnde.

 

 De achttiende eeuw kende ook nog een andere benadering van homo-erotiek. Onder andere in de literatuur werd de lof gezongen over "le bon sauvage", de "wilde", een natuurmens en dus per definitie onschuldig. Vroeger werd hun samenleving, hun primitief-zijn, als gevaarlijk beschouwd. Nu werd diezelfde samenleving als ideaal gesteld. In de reisliteratuur van vóór 1800 was de homoseksualiteit die in sommige van deze primitieve gemeenschappen voorkwam, vaak aan bod gekomen. Deze reisliteratuur vormde dan ook een goede basis voor de zeldzame pleidooien voor de Socratische liefde.

 

 Ook voor de Griekse eros op zich ontstond eind achttiende eeuw een vernieuwde belangstelling. Het was de tijd van "Sturm und Drang" waarin naast allerlei zeer emotionele relaties, ook de bijzondere vriendschap tussen mannen een plaats kreeg. Dit had tot gevolg dat er discussies oplaaiden over de zinnelijkheid van deze vriendschappen en over de ideale liefde. In Nederland en Duitsland werden gymnasiums opgericht. De pedagogische knapenliefde heeft zeker een rol gespeeld in het concept hiervan. Een andere traditie bleef de sociaal-filosofische waardering van de Griekse eros. Tenslotte gaf deze traditie de aanzet tot een eerste emancipatie van de herenliefde sinds de Sade.

 

 De Socratische liefde leverde in de periode 1750-1850 een model voor de passies onder mannen. Na 1850 moest het beeld van de romantische en hartstochtelijke vriendschap het afleggen tegen het biologisch determinisme van de natuurwetenschappen[42].

 

 Met de Franse Revolutie kwam er ook een scheiding van christelijke moraal en het burgerlijk strafrecht. In 1791 verdwenen homoseksuele handelingen uit het strafrecht met het ontstaan van de Code Pénal. Geleidelijk aan werd dit strafwetboek ook ingevoerd in België en Nederland.

 

 

HOOFDSTUK 2: Situatieschets van de periode rond de eeuwwisseling

 

§ 1. Politiek, economisch en sociaal

 

 In de geschiedenis wisselen periodes van stabilisering of geleidelijke veranderingen in politiek en economie af met periodes van versnelling. In België heeft rond de eeuwwisseling zo'n economische en sociale stroomversnelling plaatsgehad. Deze had zijn weerslag op alle lagen van de bevolking.

 

 De hoofdlijnen uit de politieke veranderingen rond de eeuwwisseling zijn de verruiming van de burgerlijke democratie en de toetreding van de arbeidersklasse tot het bestaande systeem. Toch werden aan de fundamenten van de liberale staat die België dan toch wel was, niet geraakt. Deze fundamenten waren het economische liberalisme en zijn politieke dubbelganger, de burgerlijke democratie. De arbeiders eisten resoluut inspraak in de politieke macht om hun levensomstandigheden te verbeteren, maar de machthebbers slaagden erin het kapitalistische ordeningsprincipe veilig te stellen via een strategie van geleidelijke uitbreiding van de politieke democratie[43].

 

a. De liberale hegemonie

 

 België kende bij zijn oprichting een zeer liberale grondwet. Tot 1870 wisselden unionistische en homogeen liberale regeringen elkaar af, met uitzondering van de regering van het jaar 1846-1847 die homogeen katholiek was. Het liberalisme stond voor een scheiding tussen het economische en het politieke, tussen recht en moraal en tussen het publieke en de privé-sfeer. Staatsinterventie werd geschuwd, zowel in de economie als in het leven van de burgers. De hogere burgerij had het ook niet nodig om haar seksuele normen in wetten vast te leggen en ze daarmee op te leggen aan de rest van de bevolking, want ze had de macht op politiek, sociaal en economisch vlak. Haar antihomoseksuele opvattingen werden ingegeven door haar streven naar sociaal-economische rationaliteit en utiliteit. Homoseksuele verhoudingen waren "onnatuurlijk, onredelijk en onnuttig"[44].

 

 Eind negentiende eeuw was de situatie voor de arbeiders onder het liberale juk ondraaglijk geworden en dit resulteerde in sociale tegenstellingen en conflicten. Deze strijd tussen twee sociale klassen moet gezien worden tegen de achtergrond van de wijzigingen in het toenmalige economische en sociale klimaat. Vanaf 1873-1874 had de kapitalistische economie een depressie gekend. De gevolgen daarvan waren nog goed voelbaar in de jaren 1880. Verscheidene Europese landen hadden in die periode een paniekerige protectionistische politiek gevoerd en deze had gezorgd voor de sluiting van traditionele afzetmarkten voor de Belgische industrie. Vanaf 1895 is er opnieuw een gunstige ontwikkeling te zien in de economie.

 

 Rond de eeuwwisseling kent West-Europa een soort van tweede industriële revolutie, die ook in België duidelijk merkbaar was. Ze werd gekenmerkt door de mechanisering in nieuwe industrietakken, de introductie van nieuwe energiebronnen (de gas- en elektrische motor), en het vervangen van steenkool door petroleum[45]. Deze nieuw impuls zorgde voor een internationale explosieve groei waaruit kapitaalmagnaten ontstonden die de leiding hadden over financiële groepen en een soort monopoliekapitalisme in het leven riepen[46].

 

 Hierdoor veranderde de structuur van de sociale piramide enigszins. Aan de top stond nu een zeer kleine groep die economisch het heft volledig in handen had, een nieuwe adel. Voor het proletariaat veranderde weinig. Lage lonen en een steeds uitgebreidere vrouwen- en kinderarbeid zorgden voor mensonwaardige levensomstandigheden. Er had zich van deze groep wel een nieuwe klasse van beter geschoolde en dus ook beter betaalde arbeiders kunnen afscheiden. Zij leefden in beter omstandigheden.

 

 Met het hoger loon van deze arbeiders, was ook hun koopkracht toegenomen. De producenten gingen hen nu gaan beschouwen als consumenten. Maar dit impliceerde dat de leden van deze sociale klasse de materiële waarden en het consumptiepatroon van de burgerlijke samenleving moesten overnemen. Deze bevolkingslaag moest dus geïntegreerd worden in een kleinburgerlijke stand met zijn kleinburgerlijke moraal[47], en dit via een cultureel proces van verburgerlijking en een politieke democratisering. Dit had onder meer tot gevolg dat deze groep de burgerlijke normen inzake seksualiteit ging overnemen. Het socialisme en het katholicisme, die beiden de bedoeling hadden de zich emanciperende arbeiders voor zich te winnen, dienden zich aan om de burgerlijke waarden en normen in verband met seksualiteit publiekelijk te bekrachtigen ; beiden profileerden zich ook als morele beweging[48].

 

 De echt grote massa van arbeiders, het proletariaat, zou er in de jaren voor en na de eeuwwisseling voor het eerst in slagen de politiek werkelijk te beïnvloeden. Hun in oorsprong weinig gecoördineerde protestbeweging groeide uit tot een sterk georganiseerde massabeweging met stakingen, betogingen en arbeidersverenigingen. Deze beweging was zo militant dat de burgerij ze niet meer met zoethoudertjes onder controle kon houden. In 1885 werd de Belgische Werkliedenpartij opgericht. De BWP was sociaal-democratisch gericht. Dit wil zeggen dat men de socialistische orde wilde bereiken via progressieve hervormingen binnen het bestaande, liberaal-democratische regime en dus niet via de revolutie[49]. In deze aanpak was een groot verschil tussen Vlaanderen en Wallonië te zien. In Wallonië waren veel meer groepen die een revolutionaire aanpak voorstonden, terwijl Vlaanderen en Brabant een veel reformistischer opstelling kenden. Dit valt te verklaren wanneer men de werkomstandigheden in beide gebieden met elkaar vergelijkt. Wallonië kende een numeriek zeer sterke arbeidersklasse die bijna volledig was tewerkgesteld in de zware industrie. Wilde stakingen waren er zeer gevaarlijk voor de bezittende klassen en werden dan ook steeds hardhandig onderdrukt. Anderzijds werden zulke massale acties in de hand gewerkt omdat de arbeiders heel dicht bij elkaar woonden en werkten rond de mijnen en de hoogovens.

 

 In Vlaanderen was er onder de arbeiders een veel lager sociaal bewustzijn. Vlaanderen was in vergelijking met Wallonië nog zeer agrarisch en kende geen industriële traditie, behalve dan in de textielsector die geconcentreerd was in Gent en Aalst. Bovendien was textiel de slechtst betaalde sector, door het overaanbod aan goedkope arbeiders die het platteland waren ontvlucht wegens de steeds toenemende landbouwcrisis. Dit had dan weer tot gevolg dat de Vlaamse stadsbevolking nog een beetje een dorpsmentaliteit kende. We zullen later in dit werk zien dat dit een rol speelt bij het systeem van sociale controle in de steden[50].

 

b. de katholieke hegemonie

 

 Zolang het algemeen stemrecht echter niet werd ingevoerd, was er voor de socialisten geen kans op een behoorlijke vertegenwoordiging in de politiek. De katholieken namen dan ook de fakkel over van de liberalen. 1870 was het startpunt van de katholieke hegemonie. Nog even hadden de liberalen een stuiptrekking en waren ze aan de macht van 1878 tot 1884, maar vanaf dan volgden negen homogeen katholieke regeringen elkaar op, tot 1918. Behalve tijdens wereldoorlog I, toen waren het coalitieregeringen. De katholieken voerden een politiek van christen-democratie, gericht tegen de socialistische arbeiderspartij en het was dan ook noodzakelijk dat ze eigen sociale organisaties oprichtten. Wel moest men er nauwlettend op toezien dat het kapitalistische ordeningsprincipe niet werd beschadigd. Kerk en kapitaal waren immers steeds goede bondgenoten geweest. Ook het eigendomsrecht en het gezin waren fundamentele elementen van dat ordeningsprincipe dat de Kerk niet graag zag verdwijnen. De sociale piramide bleef overeind. Het doel was een verzoening tussen kapitaal en arbeid. De nieuwe arbeidersorganisaties moesten paternalistisch te werk gaan, gecontroleerd door de katholieke burgerij[51]. Dit paternalisme werd ook op het gebied van de zeden doorgetrokken. Als reactie tegen het socialisme zal de Kerk proberen de arbeiders te herkerstenen en hiertoe wilde zij haar christelijke moraal als bindmiddel verspreiden. Dit wordt pas zichtbaar in de eerste decennia van de twintigste eeuw, wanneer een intense wijziging in de zedelijkheidswetgeving wordt doorgevoerd (zie infra). Antihomoseksualiteit kon zich pas politiseren onder dit katholiek bewind als het maatschappelijk aanwijsbaar werd. Hiervoor moest de homosubcultuur groot genoeg worden[52].

 

 De socialisten gaan, om de arbeiders niet af te schrikken en om het katholieke vooroordeel van zedeloze goddelozen te ontkrachten, de zedenmoraal van de katholieken delen. Ze wilden wel een andere invulling van het begrip zeden dan de katholieken. Ze kenden in elk geval ook een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit. Weeks tracht dat als volgt te verklaren:

 

"De socialistische theorie is gebaseerd op de veronderstelling dat de persoonlijkheid wordt gevormd door maatschappelijke krachten, maar deze overtuiging is meer een veronderstelling dan dat het onderzocht is. Het gevolg is dat socialistische rechtzinnigheid zich geconcentreerd heeft op de externe factoren en te weinig aandacht heeft besteed aan de wegen waarlangs zij de meer individuele aspecten hebben beïnvloed. Binnen de socialistische theorievorming werden tot voor kort, net zoals in de burgerlijke ideologie als geheel, bepaalde factoren als gegeven aangenomen, zoals de "natuurlijke" grondslag van seksualiteit, moederschap, mannelijkheid en vrouwelijkheid. Onder invloed van de vrouwen- en de homobeweging zijn deze overtuigingen ter discussie gesteld maar niet fundamenteel gewijzigd. Het gevolg was dat, in het beste geval, een liberale mensenrechten-benadering het gat opvulde."[53]

 

§ 2. Visie op seksualiteit en moraal

 

a. nieuwe zeden

 

 De negentiende eeuw werd in grote delen van West-Europa gekenmerkt door een strengere zedelijkheid, die misschien wel in Engeland haar toppunt kende met de Victoriaanse preutsheid. George Mosse schreef in zijn studie over nationalisme en seksualiteit[54]dat deze rigoreuze zelfdiscipline en pruderie een reactie was van de nieuwe burgerij. Mosse stelt dat deze nieuwe groep zich een identiteit zocht door zich af te zetten tegen de adel. Deze stond bekend om zijn losbandigheid, zijn orgieën, zijn mateloosheid en decadentie. Later zou deze burgerlijke houding zich dan verspreid hebben over de andere lagen van de bevolking via de processen hierboven geschetst. Deze evolutie wordt het burgerlijk beschavingsoffensief genoemd. De burgerlijke arbeidsmoraal is er één van ascese, discipline, tucht en zelfcontrole. In de lagere middenklasse ontwikkelde men een nieuw rollenpatroon dat zeer antihomoseksueel was. De ingesteldheid van de werkende klasse was sociaal zeer conservatief en volledig gericht op familie en gezin[55]. Zeer belangrijk hierin was de werkverdeling tussen man en vrouw. Beide geslachten kregen volledig gescheiden leefwerelden.

 

 Wanneer tot de achttiende eeuw man en vrouw gezien werden als varianten op hetzelfde thema en in wezen gelijk, dan veranderde dit nadien echter grondig. Geslacht werd nu een teken van hiërarchie en verschil. Zowel mannelijkheid als vrouwelijkheid moesten als identiteit nog vastgesteld worden. Dit gebeurde binnen het gezin. Het gezin was hoeksteen en stabiliserende factor in de maatschappij en vervulde naast deze functie van socialisatie-eenheid ook nog die van consumptie-eenheid en affectie-eenheid. Natuurlijk was het ook de enige instelling van waaruit de voortplanting kon geregeld worden[56]. Het was de plek waar men zich geborgen wist en waar men zich na het werken terugtrok, weg van de buitenwereld.

 

 Als men al kan spreken van een negentiende eeuws ideaalbeeld van seksualiteit, dan zag dit er ongeveer zo uit: absolute monogamie, met vooral maagdelijkheid voor het huwelijk. Seksueel contact was toegestaan, maar met mate en alleen met het doel zich voort te planten. Kinderen werden beschouwd als een aparte sociale categorie die nog aseksueel was. Zij waren fundamenteel onschuldig en moesten beschermd worden. Vrouwen werden opgesloten in hun moederrol. Hun seksualiteitsbeleving werd toegestaan in functie van hun man en de voortplanting[57] .

 

 De visie op de huwelijkse moraal hing natuurlijk samen met de religie. In West-Europa was dat ofwel de katholieke leer ofwel de protestantse. Tussen beiden is een fundamenteel verschil. In de katholieke seksuele moraal staat de voortplanting voorop. De Staat is er een deel van de scheppingsorde en het gezag is er om de samenleving te ordenen. De moraal wordt hiërarchisch opgelegd.

 

 In de protestantse visie staat de huwelijkse relatie tussen man en vrouw centraal. Er is ook ruimte voor persoonlijke verantwoordelijkheid. Het accent ligt er op het uitbannen van de verleiding van de zonde, terwijl dat bij de katholieken het bestraffen van de zondige daad is[58] .

 

b. De verzorgingsstaat

 

 De Staat wou dus direct of indirect meer greep op het gedrag van het individu en had besloten in te grijpen in een deel van het privé-leven van de burger en op te treden tegen die vormen van seksualiteit die afweken van het burgerlijke zedelijkheidsideaal. Op deze manier kwam men tussen in het persoonlijke leven van de burger en liet men de liberale principes varen. De zorg voor het heil van het collectief, voor het bewaren van de sociale orde, won het op die voor het heil van het individu.

 

 De staat kon op twee manieren interveniëren. Ten eerste door de zedelijkheidswetgeving aan te passen, waarover later meer, en ten tweede via de instelling van de openbare hygiëne[59]als onderdeel van de politie, die de zorg voor zedelijkheid en zedeloosheid kregen toebedeeld. Deze dienst was meestal georganiseerd op gemeentelijk vlak en werd bevolkt door dokters en politiefunctionarissen. Samen met een bonte coalitie van christenen, socialisten en feministes doorbraken zij het taboe op het spreken over seksualiteit definitief eind negentiende eeuw [60]. Nieuwe deskundigen zoals de eerste generatie "seksuologen" bepaalden wat normaal en abnormaal was. Dit laatste werd met ongemene felheid bestreden. En dit was dan meteen de keerzijde van de medaille: het onderwerp seksualiteit werd wel bespreekbaar, maar er werd veel strenger opgetreden tegen afwijkingen van de norm.

 

 Masturbatie werd zeer streng veroordeeld[61]. Vooral in Engeland werd daar al in de vroege negentiende eeuw een ware kruistocht tegen gehouden. In de Engelse public schools werden hele constructies uitgekiend opdat de leerlingen niet de kans zouden krijgen zich te bevredigen. Ware terreurverhalen over de verschrikkelijke gevolgen van masturbatie werden de wereld ingestuurd. Masturbatie, toen onanie genoemd, zou leiden tot vroegtijdige ouderdom, volledige uitputting en de teloorgang van alle jeugdigheid en schoonheid, met de dood tot gevolg. Masturbatie was ook de oorzaak van alle andere seksuele perversiteiten waaronder homoseksualiteit. Buiten deze masturbatiediscussie heerste er een taboe rond alle andere vormen van seksualiteit. Peter Gay stelt dat deze afstandelijkheid geen hypocrisie was, maar een waar geloof in de overtuiging dat ontkenning en dus onwetendheid minder erg waren dan eerlijkheid en openhartigheid wat betreft de sociale overtredingen[62]. Het zal pas na het wegvallen van de ontkenning zijn dat mensen met een afwijkend seksueel gedrag in relatief groter gevaar zullen komen.

 

 Gert Hekma besteedt in zijn studie behoorlijk veel aandacht aan de relatie tussen homoseksualiteit en prostitutie[63], een andere vorm van afwijking van de norm waar de openbare hygiëne zich in hoofdzaak mee bezighield. Prostitutie werd nauwgezet in het oog gehouden in de negentiende eeuw, zowel in België als in Nederland. Prostituees en bordelen werden geregistreerd. De dames werden verplicht zich meerdere malen per jaar te laten onderzoeken op geslachtsziekten door geneesheren. In het stadsarchief van Antwerpen zijn deze lijsten van de zedenpolitie terug te vinden.

 

 Deze manier van handelen was gebaseerd op drie stellingen: het huwelijk was de norm, de geslachtsdrift van de (ongehuwde) man was onbedwingbaar en prostitutie beschermde de maagdelijkheid van de dochters van de gegoede burgerij. Er werd over dit onderwerp een debat aangegaan tussen abolitionisten en reglementaristen. Het is hier niet de plaats om daar dieper op in te gaan, maar het gevolg was wel dat de discussie over seksualiteit in het algemeen, en dus ook over homoseksualiteit hierdoor een nieuwe impuls kreeg. Er waren vier resultaten. Ten eerste kwam er opnieuw een grotere openheid om over het geslachtsleven te spreken. Ten tweede viel de conclusie dat seksuele onthouding buiten het huwelijk mogelijk en noodzakelijk was. Ten derde werden seksuele afwijkingen beschouwd als obsessies van personen die zich geslachtelijk niet konden onthouden. En ten laatste ontstond er een hetze tegen homoseksuelen, vooral van christelijke en socialistische zijde.

 

 Vanuit het voorgaande kunnen we reeds volgende argumenten afleiden voor het ingrijpen van de verzorgingsstaat bij homoseksuele contacten:

 

 Binnen een doorgetrokken rationalisering was geen plaats voor homoseksualiteit omdat het onnuttig was, niets kon voortbrengen. In een fabriek zou het praktisch gezien tijd en energie kosten als mannen er copuleerden en het zou de gezagsstructuren afbreken [64].

 

 Er was de crisissituatie in de economie eind negentiende eeuw. Dit zorgde ervoor dat homoseksualiteit werd gekoppeld aan de idee van nationale ondergang. Vooral in Groot-Brittanië zou dit gespeeld hebben. De grote schandalen van rond de eeuwwisseling, waarin zowel in Engeland als in Duitsland namen waren gevallen van vooraanstaande politici, werkten dit nog in de hand. Het kan wel gezien worden als een soort moderne vorm van zondebokken zoeken bij periodes van moeilijkheden.

 

 Ten derde moest het traditionele gezin in stand gehouden worden omwille van zijn stabiliserende rol in de maatschappij en omwille van de bevolkingspolitiek.

 

 Ten vierde was er de differentiëring van de geslachtsrollen. Antihomoseksualiteit werd een onderdeel van mannelijkheid.

 

 En tenslotte was het een middel voor de staat om de seksualiteit in te perken voor zover die niet voor nakomelingen zorgde.

 

§ 3. Nieuwe theorieën over homoseksualiteit

 

a. voorgeschiedenis

 

 In 1857 schreef dokter Ambroise Tardieu "L'Etude médico-légale sur les attentats aux moeurs", een werkje dat zes keer werd heruitgegeven tussen 1858 en 1878. Hier werd voor het eerst interesse betoond voor de pederastie, in een artikel van zestig pagina's. Pederastie staat hier voor homoseksuele handelingen in het algemeen, en dus niet alleen met jongetjes. Uit de onderzochte processen zal blijken dat gerechtelijke geneesheren een halve eeuw later nog zullen zoeken naar de syptomen die in dit werk werden beschreven. Volgens Tardieu liet de pederastie veel sporen na in de vormgeving van de organen. Verdachte territoria die zeker moesten bestudeerd worden, waren de anus en de penis. Een fijne penis met een kleine eikel zou karakteristiek zijn. Men dacht gelijkenissen te vinden met de penis van een hond. De anus zou een goed zichtbare vergroting ondergaan en trechtervormig zijn. Volgens Tardieu is het dan ook duidelijk: de tekenen van seksuele inversie zijn verworven. Daarom zou het ook meer gebeuren in omgevingen zonder vrouwen. Als die wel beschikbaar zijn, zouden pederasten gewoon terug overgaan op heteroseksualiteit[65]. Hiermee was dan ook de discussie gelanceerd over het verworven of aangeboren aspect van homoseksualiteit, een discussie die vandaag nog wordt gevoerd.

 

 Voor 1850 zou er slechts hier en daar in de memoires van politieagenten allusies zijn gemaakt op de "chanteurs". Volgens Aron en Kempf bestond er een mythe van de vuile pederast, maar dat zou toch een zaak van de ziel zijn geweest, verwijzend naar een waardensysteem en niet naar de intieme hygiëne. Bovendien zou dit niet alleen voor de homoseksuelen van toepassing zijn geweest, maar ook voor gevangenen, mensen die masturbeerden en prostituees. De plaats van de pederast in het systeem van wezens zou het beest zijn geweest, ergens tussen mens en materie[66] .

 

 Tardieu heeft baanbrekend werk verricht in die zin dat sinds hem pederastie een onderdeel werd van de cultuur. En hier ging de geneeskunde voor op de literatuur. Dit valt ook te begrijpen. Homoseksualiteit aansnijden als onderwerp van literatuur, stond voor aanvaarding ervan. Heftige tegenstanders zouden er immers hun pen niet aan bevuilen. De geneesheer echter, in zijn rol van engelbewaarder van de goede zeden (zie de openbare hygiëne) kon er wel over schrijven zonder gevaar voor besmetting. Hij mocht erover spreken om de ravages die het zou kunnen aanrichten, binnen de perken te houden. In het tweede deel van de negentiende eeuw zullen de medici, die de taak hadden de seksualiteit op te delen in normaal en abnormaal, zich dan ook relatief uitvoerig met deze zaak inlaten.

 

b. de gerechtelijke geneeskunde

 

 Tot 1850 was geneeskunde een hulpwetenschap voor de rechtbank wat betrof homoseksuele handelingen. Alleen hier werd geschreven over onanie of masturbatie, en homoseksuele handelingen als gevolg daarvan.

 

 Standaardwerk voor de gerechtelijke geneeskunde was een werk uit 1630 van Paola Zacchia, pauselijk lijfarts. Het werd gebruikt tot 1790. Daarna werd de Franse Code Pénal ingevoerd.

 

 De verklaringen die gerechtelijke geneeskundigen gaven voor sodomie lagen meer op het terrein van de sociologie dan op dat van de geneeskunde of biologie. Kloosters, gevangenissen, jongensscholen en de marine zouden broeihaarden geweest zijn voor dergelijke praktijken wegens het ontbreken van vrouwen. Men sprak zelfs in termen van epidemies die een ontvolking tot gevolg zouden kunnen hebben en dus staatsgevaarlijk waren[67]. Boven zagen we dat er in de achttiende eeuw een ware masturbatievervolging heerste, waarschijnlijk als gevolg van de nieuwe concepties van het kind en zijn puurheid en zuiverheid die in stand moesten gehouden worden. Eén van de meest verschrikkelijke ziektes die masturbatie voortbracht was homoseksualiteit. Er was dus nog geen sprake van psychiatrische classificaties.

 

 Toch werden er lanzamerhand pogingen gedaan om seksuele afwijkingen onder de psychiatrie te brengen. Belangrijk hier was het werk van de Duitser H. Kaan uit 1844 "Psychopathia Sexualis", een prelude op het latere werk van von Krafft-Ebing. Het boek sluit het tijdperk af waarin zedendelicten enkel tot het domein van de gerechtelijke geneeskunde behoorden. Het luidt een nieuwe periode in waarin seksuele perversies een plaats zullen krijgen in de psychiatrie. Kaan voerde de term "Psychopathia Sexualis" ook in in de psychiatrie, maar hij beschouwde de relatie seksualiteit - waanzin als indirect. Hij herleidde traditioneel alle perversies tot de masturbatie. Mensen zouden perverten worden wegens sociale en individuele omstandigheden, vooral dan door een op hol geslagen fantasie[68]. Homoseksualiteit bleef dus vooralsnog een geheel van daden en geen identiteit. Uiterlijke kenmerken zoals de vorm van de anus, waren nog steeds kenmerkend voor het vaststellen van homoseksuele omgang.

 

c. de uitdoktering van de homoseksueel: medisch-psychiatrisch

 

 In de negentiende eeuw kregen twee branches binnen de medische wereld het monopolie over de regularisering van de seksualiteit: de openbare hygiëne en de psychiatrie. De psychiatrie was toen een jonge wetenschap. Pas in de negentiende eeuw werd het in de meeste West-Europese landen een universitair vak en medische praktijk. Krankzinnigheid was natuurlijk niet nieuw, maar de behandelingen veranderden op dat ogenblik zeer sterk. Samen met de geneesheren van de openbare hygiëne namen psychiaters de rol over van de vroegere moraaltheologen en bepaalden wat normaal en abnormaal was in de seksualiteit. Volgens Hekma[69] verwarde de psychiatrie begin negentiende eeuw zinne- en zedeloosheid nogal eens met elkaar. Om dit tegen te gaan probeerden psychiaters hun domein meer en meer af te grenzen en op te delen. Onzedelijkheid en seksuele afwijkingen kregen daarmee ook hun plaats binnen het geheel als "insania moralis". Men had meer moeite met het definiëren van de grens tussen krankzinnigheid en criminaliteit.

 

 Vanuit de theorie van de "insania moralis" ontwikkelden zich twee stromingen. Enerzijds was er Lombroso met zijn theorie van de criminele antropologie. Anderzijds was er de theorie van de perverten die vooral opgang maakte na 1870. Toen maakte de psychiatrie een periode van individualisering en materialisering mee. Artsen gingen seksuele gewoontes als aangeboren eigenschappen beschouwen. Perversies waren bijgevolg vormen van krankzinnigheid. Maar het systeem van de (seksuele) waanzin bleef onduidelijk tot de theorie van de "psychopathia sexualis" stelde dat seksuele afwijkingen constitutionele en psychologische eigenaardigen waren en dus een vorm van krankzinnigheid.

 

 De theorie van de "insania moralis" deden veel criminelen en perverten in de psychiatrie terechtkomen. Van hieruit ontwikkelde zich enerzijds de theorie van de criminele antropologie van Lombroso en anderzijds die van de perverten. De Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso beschouwde alle lijders aan de "insania moralis" en dus ook homoseksuelen als geboren misdadigers. Ze waren volgens hem mensen die een trapje lager stonden op de ladder der ontwikkeling. Deze criminelen waren krankzinnig en moesten niet naar de gevangenis, maar in een opvangtehuis worden behandeld[70]. Gelegenheidshomoseksuelen zoals soldaten of studenten konden een lichtere straf krijgen, aangezien ze eenmaal in hun vertrouwde omgeving terug, niet meer zouden hervallen[71]. Lombroso's theorie kende enorme navolging, ook in België, omdat ze de aandacht wegtrok van de morele verklaringen die de oorzaak in de houding van het individu legde[72]. In 1900 publiceerde Le Journal des Tribunaux een artikel over hem, waarin men hem nogal negatief beoordeelt omdat hij zijn begrippen niet definieert en omdat hij de lezer geen enkel referentiepunt geeft.

 

"Lombroso est certainement l'un des hommes les plus universellement connus qui soient aujourd'hui: aux yeux du commun des lecteurs, il passe pour un grand savant. Son nom est attaché à différentes idées qui courent les rues et sont répétées par une foule de gens qui n'ont jamais ouvert un de ses livres. Il est considéré comme le chef de l'école anthropologique, comme le créateur de vastes conceptions nouvelles appelées à révolutionner le droit pénal autant que la psychiatrie. La presse, qui à la prétention de représenter l'opinion publique, répond largement les idées de Lombroso ; on les entend proférer du haut de la tribune parlementaire, les rateurs de meeting les hurlent, les avocats ont trouvé en elles un précieux moyen de défense dans les cas désespérés ; bref, ces idées fermentent dans tous les milieux où s'active ce que l'on nomme aujourd'hui "la vie publique". [73]

 

 Michéa was de eerste belangrijke psychiater die de seksuele perversies in de psychiatrie classeerde. Zijn classificatie leunde nog sterk aan bij de gerechtelijke geneeskunde. Hij onderscheidde Griekse liefde, bestialiteit, fetisjisme en necrofilie. Volgens hem kwam homoseksualiteit voort uit "een aangeboren neiging, een instinctieve passie" en zo begon hij de biologisch-deterministische verklaringswijze. De zweem van vrouwelijkheid die hij in homoseksuelen herkende, verklaarde hij door de toen recente ontdekking van het rudiment van een vrouwelijke uterus bij de man door een Duitse arts.

 

 Morel was met zijn degeneratietheorie een schakel tussen Michéa en von Krafft-Ebing. Hij ging uit van een "type primitif" of de mens van voor de val uit het paradijs. Een erfelijk bepaalde belasting zorgde voor voortschrijdende decadentie, of degeneratie. Dit proces gebeurde in vier trappen die correspondeerden met vier generaties. Na deze vierde fase stierf een geslacht uit wegens impotentie.

 

 In 1860 kwam er een definitieve doorbraak van de biologische doctrine van homoseksualiteit met de Duitse jurist en zelfverklaard "urning" Ulrichs. Hij was de eerste geleerde die uitkwam voor zijn homoseksuele gevoelens. Zijn formule van het uranisme was "anima muliebris in corpore virili inclusa" of vrouwelijke ziel opgesloten in een mannelijk lichaam. Volgens hem was uranisme reeds in het embryo aanwezig als een geestelijke eigenschap. Naarmate zijn theorie verder ontwikkelde, ontdekte hij meer tussenvormen: naast urning en urningin was er volgens hem ook de uranodioning of biseksueel, de urianaster of noodhomoseksueel, de "Dionäismus" of heterosekualiteit bij de man met een vrouwlijke houding, de "Weiblinge" en "Männlinge" of de meer vrouwelijke en meer mannelijke vorm van uranisme, de "Zwischenstufe" (tussen Weibling en Männling) en het "derde geslacht" dat een verzamelnaam was voor alle tussenvormen tussen man en vrouw. Al deze vormen, behalve urianaster waren volgens Ulrichs natuurlijk en bijgevolg had men dan ook recht op deze vormen van seksualiteit. Zijn ideaal was de legalisering van de uranische liefde in een huwelijk. Heel wat artsen hingen zijn formule van het uranisme aan, maar voegden eraan toe dat het ging om een ziekelijke variant van de natuur en dus keerde Ulrichs' theorie zich tegen hem.

 

 In 1868 gebruikte Karl Maria Benkerts "homosexual" in een brochure gericht tegen een paragraaf van een Duits strafwetsontwerp. Het betoog was niet echt opmerkelijk. Benkerts schreef over homoseksuele neigingen als aangeboren eigenschap. Ze zouden zich uiten in platonische liefde of wederzijdse masturbatie[74].

 

d. medicalisering van de homoseksueel: medisch-psychiatrisch

 

 Er is wel degelijk een verschil tussen medicalisering en uitdoktering. Medicalisering betekent het zich toeëigenen van bestaande categorieën door de geneeskunde en daar een theorie over ontwikkelen. De homoseksueel als mens met een bepaalde geaardheid bestond echter nog niet voor de tweede helft van de negentiende eeuw. Daarom moest hij eerst door dokters en psychiaters gecreëerd worden, uitgedokterd. Kaan, Michéa, Morel en Ulrichs hadden deze taak op zich genomen, Benkert had deze nieuwe mens een naam gegeven. De medicalisering kon beginnen.

 

 Eén van de hoofdrolspelers in dit proces, zou Richard von Krafft-Ebing zijn, professor in de psychiatrie in Wenen. Zijn "Psychopathia Sexualis" uit 1886 zou heel lang een standaardwerk blijven. Hij was reeds in 1877 begonnen met zijn psychopathologisch onderzoek naar perversies. In eerste instantie verdeelde hij seksuele afwijkingen in twee groepen, afwijkingen in het kwantitatieve patroon en afwijkingen in het kwalitatieve patroon[75].

 

de kwantitatieve: Ontbreken van geslachtsdrift

 Overmaatse van geslachtsdrift

 Geslachtsdrift die wat betreft leeftijd te vroeg of te laat optreedt de kwalitatieve: alles wat niet op de voortplanting is gericht

 

 Von Krafft-Ebing maakte hier ook een onderscheid tussen het verworven of aangeboren aspect van homoseksualiteit. In eerste instantie meende hij dat het een individuele degeneratie was, veroorzaakt door alcoholisme, ziekte of ondervoeding. Later dacht hij dat er voor homoseksuelen sprake was van een erfelijke belasting met waanzin en neuropathie. Tenslotte besloot hij dat zowel erfelijke als verworven elementen speelden.

 

 Naarmate zijn onderzoek vorderde, breidde hij zijn indeling uit. Hij onderscheidde vier ontwikkelingsfasen die een mens kon doormaken, verschillend voor verworven en aangeboren homoseksualiteit[76].

Voor de verworven homoseksualiteit waren ze als volgt:

 

 wellust tot het eigen geslacht

 de man voelt zich vrouw en de vrouw voelt zich man

 tussenfase de man voelt zich geheel vrouw en de vrouw geheel man

 

Voor de aangeboren homoseksualiteit lag het heel anders:

 

 psychoseksuele hermafrodisie (of een fase van biseksualiteit) homoseksualiteit

 vervrouwelijking (voor de man) en vermannelijking (voor de vrouw)  androgynie en gynandrie: de lichaamsvorm nam die van het andere geslacht aan (bouw van het skelet, vorm van het gezicht, stemtimbre, ...)

 

 Tegelijk met de studie van von Krafft-Ebing kwamen er talrijke publicaties uit. Ze werden gekenmerkt door een opmerkelijke spraakverwarring want de terminologie was nog sterk in beweging, evenals classificaties en verklaringen. Uiteindelijk kwam men tot drie soorten seksuele waanzin: de kwantitatieve en kwalitatieve vormen en dan ook nog de periodieke vormen van waanzin die samenhingen met de ontwikkeling van het geslachtsleven. Later zal deze categorie uit het systeem wegvallen.

 

 In de discussie over aangeboren of verworven, won dit eerste steeds meer terrein. In de jaren 1860, toen Ulrichs zijn theorie over de vrouwelijke ziel in het mannelijk lichaam publiceerde, was hij langs alle kanten onder vuur genomen en werd zijn theorie door geen enkele vooraanstaande wetenschapper au sérieux genomen. Nu, begin jaren 1890, werd hij in ere hersteld. Ook de ontdekking dat kinderen reeds zeer vroeg seksuele gevoelens hadden, en dus toch niet zo zuiver en onschuldig waren, pleitte voor de erkenning van constitutionele factoren. Toch bleven artsen ook nog wijzen op sociale oorzaken. De Franse arts Dessoir besloot, na het zien van baby's die zich masturbeerden, dat ook heteroseksualiteit een verworvenheid was, want dat er in de puberteit een "ongedifferentieerd geslachtsgevoel" bestond[77]. Het kind was dus niet van nature heteroseksueel.

 

 Eind negentiende eeuw nam de aandacht voor seksuele perversies nog toe. Vooral op congressen voor criminele antropologie groeide belangstelling voor dit onderwerp. De eerste grote standaardwerken die homoseksualiteit exclusief tot onderwerp hadden, verschenen nu ook. Pioniers op dit gebied waren Moll, Chevalier, Carpentier, Raffalovich, Ellis, Symonds en Hirschfeld. Ze hadden elk hun verklaringen en prognoses. De opvatting dat homoseksualiteit een psychologische eigenaardigheid was, was ongeveer het enige dat ze gemeenschappelijk hadden.

 Een belangrijke nieuwe tendens binnen deze nieuwe werken was dat homoseksualiteit werd verdedigd als een niet ziekelijke, mannelijke variatie van de geslachtsdrift. Maar dit wil niet zeggen dat men homoseksueel plezier ook toeliet, integendeel.

 

 Tevens verschenen de eerste homoseksuele tijdschriften rond de eeuwwisseling, vooral in Duitsland. Magnus Hirschfeld kan wel beschouwd worden als voortrekker van de homobeweging. Hij stichtte in 1897 het "Wissenschaftlich humanitäre Komitee" (WHK) in Berlijn. Het was een centrum dat zich bezighield met het publiceren van wetenschappelijke pamfletten over homoseksualiteit. Het eigenlijke doel van het instituut was de afschaffing van de strafbaarheid van homoseksuele handelingen. Het wou ook een centrum zijn waar homoseksuelen terecht konden met hun problemen. Hirschfeld ontwikkelde zijn eigen theorie van de homoseksueel als "Zwischenstufe" of tussenvorm tussen man en vrouw, veroorzaakt door een mutatie in het genetisch materiaal. Hirschfeld onderscheidde vier types onder deze "authentieke" homoseksuelen[78]:

 

 Rond 1900 was deze visie algemeen aanvaard en ze zou zelfs leiden tot de ontdekking van een sociaal-culturele groep: het derde geslacht. Maar tegen deze theorie van Hirschfeld kwam vanuit twee kanten protest. Ten eerste van binnen de emancipatorische beweging die Hirschfeld zelf op gang getrokken had. En ten tweede van Freud. Hij zag homoseksualiteit wel als verworven. Volgens hem konden erfelijke factoren wel een rol spelen, maar waren ze op zich onvoldoende. Hij baseerde zich op de theorie van Dessoir die beweerde dat kinderen seksueel ongericht waren. Freud onderzocht de wijze waarop die ongedifferentieerdheid moest omgevormd worden tot een heteroseksuele geaardheid. Een jongen zou zich via een oraal en anaal stadium moeten ontwikkelen tot een man die zich aan een vrouw bond en zelf kinderen verwekte. Homoseksualiteit zou dan een fixatie zijn op één van de eerste twee stadia. Deze fixatie kon veroorzaakt worden door problemen in de seksuele omgang van het gezin waarin het kind opgroeit[79]. Ook hier duikt het Oedipuscomplex weer op. De invloed van een vrouw, vooral van een nogal virile moeder, of van een vrouwelijk milieu op een jonge jongen zou zeer belangrijk zijn. Wanneer hij volwassen is, zal zijn affectief gevoelsleven en zijn seksuele gerichtheid hierdoor gemarkeerd zijn. In een dergelijk vrouwelijk milieu zal de jongen zich met zijn moeder identificeren en hij zal aan jongens, jonger dan hijzelf, die liefde willen geven die hij van zijn moeder had gewild en zo een verlangen bewerkstelligen dat hij zelf heeft ontbeerd. Langs de andere kant zal het bewustzijn van zijn eigen mannelijk geslacht hem een last zijn en hem een minderwaardigheidgevoel bezorgen (castratiecomplex). Vandaar zal hij, wanneer hij zich voor het vrouwelijke geslacht bevindt, schaamte voelen over zijn eigen geslacht, aangezien hij voor zichzelf een tegenstelling heeft gemaakt tussen een vrouw en het genot van zijn erotische activiteiten. Hij zal dan ook zijn eigen geslacht opzoeken en een aversie kweken voor het vrouwelijk geslacht. In een dergelijk milieu kan er echter ook competitie heersen tussen de jongen en zijn vader. Van echte rivaliteit kan geen sprake zijn, want de jongen is onderworpen aan zijn vader. Hij kan zijn ouders wel van elkaar scheiden door een vrouwelijke houding van verleidster aan te nemen ten opzichte van zijn vader. Dit zal later bijdragen tot een ontwikkeling tot homoseksueel.

 

 Bovenop deze invloeden onderscheidt Freud ook nog instincten die het kind naar zijn eigen geslacht toedrijven. Zo zou het kind ontgoocheld zijn wanneer het opmerkt dat de moeder geen mannelijk geslachtsorgaan heeft[80].

 

 

 Als homoseksualiteit in hoofdzaak een verworvenheid is, impliceert dit dus dat homoseksualiteit op een of andere wijze kon genezen worden. Hier verzette Hirschfeld zich fel tegen. Hij had steeds een aanvaarding van "het lot" voor ogen gehad. Als homoseksualiteit echter erfelijk was, was dat een uitstekend argument om de strafbaarheid van homoseksuele handelingen uit het strafwetboek te doen verwijderen. Maar Hirschfeld zou het onderspit delven, want rond 1900 legden liberale ideeën het af tegen conservatieve christenen en socialisten.

 

e. de situatie in Nederland

 

 Nederland kende een heel andere situatie dan België wanneer het om homoseksualiteit ging. Heel wat drukkingsgroepen, katholiek en protestants, hadden hun invloed op het beleid van de overheid op het gebied van de openbare zedelijkheid. Nederland kende een ware politisering van homoseksualiteit. In België heeft historisch onderzoek dit nog niet aan het licht gebracht. Misschien is er nog niet voldoende naar gezocht, maar het is waarschijnlijk dat de discussie niet zo uitgebreid was als in Nederland. De politisering daar had te maken met de machtsstrijd tussen katholieken en protestanten.

 

 Nederland kende evenals België de Code Pénal die homoseksualiteit uit het strafwetboek bande. Vanaf 1871 begon men er echter met de voorbereidingen van een nieuw Nederlands strafwetboek. Het ontwerp hiervoor werd vanaf 1879 in het parlement behandeld en toen brak de discussie los over de al dan niet strafbaarstelling ervan.

 

 Een zedelijkheidslobby was een activiteit van individu's, maar het maakte deel uit van een politiek programma. De lobby oefende invloed uit op de overheid. Een groot deel van het werk van Pieter Koenders[81] is gewijd aan ontstaan en werking van deze lobby. Die zedelijkheidslobby was een koepelorganisatie voor verschillende verenigingen van zowel protestanten als katholieken. De protestanten hadden er reeds begin de jaren 1880 het initiatief toe genomen, de katholieken vervoegden de rangen later, ongeveer rond 1904. Dat men zoveel later was, was te wijten aan de strenge hiërarchie binnen de Kerk en het grote overwicht van geestelijken in de katholieke organisaties. Bovendien laat de katholieke Kerk geen persoonlijke interpretatie toe van de zedelijke normen. Tot het einde van de negentiende eeuw was de Nederlandse samenleving ook gedomineerd door protestanten. Daarna zullen de katholieken aan een emancipatieperiode beginnen.

 

 Stof tot discussie gaven enkele criminologen en artsen die de homoseksuele emancipatiebeweging op gang trachtten te brengen. In september 1901 vond een internationaal congres voor criminele antropologie plaats in Amsterdam. Arnold Aletrino, crimineel-antropoloog, stadsgeneesheer van Amsterdam en Nieuwe Gidser, hield er een pleidooi voor de uranisten. Hij ontkende niet dat uranisme soms verworven was, maar hij vroeg gelijkberechtiging voor de "normale" uranisten, mensen bij wie homoseksualiteit geen ontaarding of degeneratie was, maar een aangeboren eigenschap[82]. Hij voegde er wel aan toe dat uranisten zich seksueel dienden te onthouden. Desondanks kreeg hij heel wat negatieve reacties van collega's en politici. De openbare verdediging van homoseksualiteit werd beschouwd als gevaarlijke propaganda. Lombroso had op datzelfde congres gepleit voor het opsluiten van homoseksuelen wanneer zij hun overtuiging kenbaar maakten of in praktijk brachten.

 

 Von Römer schreef als arts heel wat boeken over homoseksualiteit. Hij ging daarin nog een stapje verder dan Aletrino. Hij vond seksuele omgang tussen twee partners van hetzelfde geslacht gerechtvaardigd als beide partners "werkelijke liefde" voor elkaar voelden. Von Römer was een aanhanger van Hirschfeld. In 1903 deed hij een weliswaar mislukte poging om in Nederland een afdeling van het WHK op te richten. Zijn meesterwerk was "Het Uranische gezin" uit 1905. Een uitgebreide versie hiervan legde hij voor aan de medische faculteit van de Amsterdamse universiteit, maar het werd geweigerd. Von Römer hield daarna op met publiceren over dit onderwerp[83].

 

 Ook andere artsen schreven, zij het niet massaal, over homoseksualiteit. Hun terminologie liep nogal uiteen. Ze hadden het over homoseksueel, homoseksuaal, seksuele neurasthenie, contrair sexueel gevoel, monosexualiteit of tegennatuurlijke geslachtsdriften[84]. Ook verklaringen en therapieën waren er in overvloed. Naast de theorie van het aangeboren aspect, werd ook een combinatie van biologische en sociale factoren als mogelijke oorzaak onderzocht. De therapieën sloten aan bij de vermeende oorzaken, en gingen van sociale aanpassing tot sterilisatie en castratie, hypnose en psychoanalyse.

 

 Opvolgers van Von Römer en Aletrino in de strijd om de emancipatie waren Schorer en Schouten. Schorer was jurist en van adel. In 1903 trok hij naar Berlijn om zich bij Hirschfeld te verdiepen in de seksuologie. Al snel kreeg hij een functie binnen het WHK. Schouten was een dominee die verwikkeld raakte in een zedenkwestie rond een minderjarige jongen.

 

 Vooral naar aanleiding van de zedenwetten van 1911 laaide de discussie rond homoseksualiteit in Nederland weer hoog op. Minister van justitie Regoût deed een voorstel om homoseksuele handelingen strafbaar te stellen. Schorer lanceerde hierop een campagne om de aanvaarding hiervan te verhinderen, maar het lukte niet. Na de goedkeuring zette hij zijn strijd verder en in 1912 lukte hij erin samen met Aletrino en Von Römer in Nederland een afdeling op te richten van het WHK, het Nederlands Wetenschappelijk Humanitair Komitee of NWHK. Dit komitee kreeg vooral van katholieke zijde heel wat tegenwerking[85].

 

 

HOOFDSTUK 3: Voorkomen van homoseksualiteit in de 19e eeuw

 

§ 1. Actie: Homosubcultuur en Emancipatie

 

 Seksualiteit behoort tot een zeer intiem deel van het menselijk bestaan. Er zijn geen bronnen die verhalen hoe iemand zijn seksualiteit beleeft. Seksualiteit is een zaak van individu's waarvoor deze zich, althans in de Westerse maatschappij, terugtrekken uit hun omgeving. Eind negentiende eeuw wilde de overheid wel inmenging in dit privé-leven van de burger, maar kon dit vanzelfsprekend slechts voor die vormen van seksualiteitsbeleving die afwijkend werden genoemd. Homoseksualiteit werd afwijkend genoemd. Maar dan nog moet er een wetgeving bestaan waarop die overheid kon steunen wilde ze interveniëren. In België waren homoseksuele contacten tussen twee toestemmende meerderjarige partners tot 1965 en in Nederland tot 1911 niet strafbaar. Voor politionele tussenkomst moest er steeds ofwel een minderjarige bij betrokken zijn (-16 jaar), ofwel moest er sprake zijn van geweld of, laatste mogelijkheid, van openbaarheid. Bijgevolg zijn het slechts die vormen van seksuele omgang waar de historicus over gedocumenteerd is, omdat politie en gerecht er bronnen over nalieten.

 

 De factor van openbaarheid werd zeer ruim genomen, maar over het algemeen ging het over zaken die op openbare plaatsen waren gebeurd. Het ging vaak om toevallige en eenmalige ontmoetingen, maar het was ook zo dat op straat en in sommige herbergen er werkelijk een georganiseerde homosubcultuur bestond, meestal bekend bij de politie. Zij maakten documenten op die ons toelaten de subcultuur beter te leren kennen.

 

 Later zal het ook de emancipatiebeweging zijn die de wereld kundig wil maken hoe de homoseksuelen hun relaties zien. Ook zij lieten documenten na. Dit is natuurlijk het geval voor Nederland en niet voor België waar begin van de twintigste eeuw nog van geen emancipatiebeweging sprake was.

 

a. Wie, wat, waar ?

 

 De documenten die politie en gerecht ons nalaten handelen dus over homoseksuele handelingen die zich meestal afspeelden op straat en in parken. Waar mannen gedwongen samenleefden zoals in gevangenissen, kloosters, kazernes, op schepen en in scholen kwamen homoseksuele handelingen natuurlijk ook voor. In deel twee van deze studie zal daar een voorbeeld van gegeven worden. De gerechtelijke archieven van het arrondissement Turnhout[86] bevatten heel wat dossiers over de bedelaarskolonie van Merksplas, een soort gevangenis.

 

 De mannen, want het gaat in de meeste werken uitsluitend om mannen, behoorden volgens Hekma bijna zonder uitzondering tot de lagere volksklasse. Dit is logisch aangezien rijkeren konden betalen voor seksuele diensten en bijgevolg veel minder de straat op moesten. Er waren ook opvallend veel jonge knapen bij betrokken. Volgens Hekma[87] waren kwajongens zeer in trek bij de toenmalige homo's omdat de negentiende-eeuwse theorieën over het derde geslacht waren gebaseerd op ideeën over seksuele aantrekking die voor heteroseksuele verhoudingen gold. Er zou slechts aantrekkingskracht bestaan tussen tegengestelden (man en vrouw). De homoseksuele man waarover werd verkondigd dat hij man was aan de buitenkant, maar vrouw aan de binnenkant, werd dan ook aangetrokken door normale mannen. De kwajongen voldeed aan dit ideaalbeeld.

 

 In de omgang tussen de mannen ligt sterk de nadruk op lichamelijkheid. Meestal is er helemaal geen sprake van homoseksuele identificatie. Men bevredigde zonder veel omhaal zijn seksuele verlangens met mensen van hetzelfde geslacht. De contacten werden zeer direct gelegd, soms na een praatje, soms door het aanbieden van een drankje of sigaretten. Een andere methode om zijn wensen kenbaar te maken, was in een dichte mensenmenigte een mogelijke partner in zijn kruis grijpen. Hier was de kans groter dat men zich vergiste en een hetero benaderde. Dokters zouden zich er trouwens over verbazen dat homoseksuelen zich zo zelden vergisten en zochten dan ook naarstig naar eenvoudig te herkennen tekens[88].

 

 Over de mannen die meer ontwikkelde behoeftes hadden, wat Hekma de kameradenliefde noemt (zie supra), zijn ook soms sporen terug te vinden. Het gaat hier over de bezoekers van "verzamelplaatsen van sodomieten of pederasten", zijnde bier- en koffiehuizen. Wanneer de politie op de hoogte was van de functie die ze vervulden, hadden er vaak invallen plaats, meestal zonder justitieel gevolg[89].

 

 Naast deze verzamelhuizen waren er de vriendenkringen van homoseksuelen, maar hierover is natuurlijk weinig bekend ; strafrechtelijk deden ze niets verkeerd. Bovendien was het in hun eigen belang dat ze dat deel van hun leven verborgen hielden. Ten derde bestonden er de romantische vriendschappen, vooral tussen studenten.

 

 Knapenliefde of de handelingen tussen jongens onder de zestien, werden vaak geseponeerd. In het geval van pederastie, hier in de betekenis van de omgang van oudere mannen met jongens, gingen de jongens vaak vrijuit. In dergelijke verhoudingen ging het nogal dikwijls om prostitutie, op straat of in een bordeel. Bordeelhouders plaatsten soms hun jongens als koetsier of huisknecht bij rijkere homoseksuelen. Hekma ontdekte nog een bijkomende functie voor sommige bordeelhouders. Ze waren directeurs van een soort reisbureau dat toeliet rijkere klanten veilig in het buitenland onder te brengen ingeval een schandaal dreigde[90].

 

 De homoseksuele prostitutie was ook vaak onderdeel van de homosubcultuur, ook wel de parken- en pisbakkencultuur genoemd. Theo Van der Meer toonde in zijn studie aan dat er in Nederland reeds eind zeventiende eeuw een homosubcultuur bestond, een heel netwerk met besloten en openbare ontmoetingsplaatsen, de beruchte "lolhuysen en secreten". Een kenmerk van mensen die deze kringen frequenteerden zou een vrouwelijke bijnaam en feminien gedrag zijn geweest[91].

 

 In de negentiende eeuw was deze subcultuur veel uitgebreider. Hoe sterker de onderdrukking, hoe beter men zich moet organiseren om de verlangens te vervullen. Voorwaarde hiervoor is een stedelijke omgeving met een grote bevolking die de anonimiteit waarborgt of een omvangrijk vreemdelingenverkeer om partnerkeuze mogelijk te maken.

 

 Deze subcultuur had soms de karaktertrekken van een echte onderwereld. Men was er bezig met strafbare feiten en geheimhouding was essentieel voor deze mannen die vaak een dubbel leven leidden. De homoseksuelen waren er voortdurend in gevaar. Ze konden natuurlijk door de politie gearresteerd worden en hun omgeving kon hun geheim ontdekken, maar deze onderwereld was ook een ideale omgeving om de homo te chanteren, af te tuigen, hem te beroven. Dit gebeurde zowel door hetero's die flikkertjes gingen pesten, als door de kleine hoerenjongens en hun pooiers[92].

 

 Verscheidene auteurs wijzen erop dat er ook een lesbische subcultuur bestond in Nederland, Parijs en Berlijn begin twintigste eeuw. Deze zou echter eerder in vriendenkringen, clubjes en thuis georganiseerd zijn[93]. Vandaar dat er over hen bijna niks bewaard is. Voor de vrouwen zou ook de vriendschap en steun die ze bij elkaar vonden belangrijker zijn geweest dan bij de mannelijke collega's.

 

 Vanzelfsprekend lag de situatie op het platteland totaal anders. Anonimiteit was er onbestaande en de sociale controle was sterk. Toch was het zo dat er niet zo snel werd gereageerd op beschuldigingen als in de stad[94]. Het gaat ook meestal om man-jongen relaties. Vaak heeft de man een zeker gezag over de jongen. Opvallend ook is dat heel wat beschuldigingen geuit worden nadat er een ruzie heeft plaatsgevonden.

 

 Op het platteland zou men ook anders aankijken tegen homoseksuele handelingen. Men huwde er later dan in de steden. In die periodes van seksuele volwassenheid maar ongehuwd zijn, zou men homoseksuele handelingen als aannemelijk beschouwen, maar wel louter accidenteel. In de stad zag men mannen die de subcultuur frequenteerden als recidivisten[95].

 

b. Emancipatie

 

 De emancipatiebeweging kan niet losstaand gezien worden van de homosubcultuur. Ze is erbinnen ontstaan.

 

 In Nederland is, zoals boven vermeld, in 1911 de eerste georganiseerde homobeweging ontstaan. Het was een Nederlandse afdeling van het Duitse Wissenschaftlich Humanitär Kommittee. Ze publiceerden brochures, artikels en boeken over het uranisme. In de periode 1910-1920 liet de Nederlandse overheid het NWHK relatief met rust. Vanaf de jaren '20 kwam er een georganiseerde reactie, vooral van katholieke zijde. Het NWHK zat toen trouwens in krappe financiële schoentjes en moest een tijdje de publicaties stopzetten. In de jaren '30 zag het er dan weer wat beter uit en richtten ze zich tot een groter publiek, maar de tegenreactie bleef[96].

 

 Emancipatie is ook onlosmakelijk verbonden met repressie. In Nederland kwam er in 1911 een artikel in het strafwetboek dat homoseksualiteit expliciet strafbaar stelde. De verdediging van die homoseksualiteit was dan ook veel urgenter. In België was er geen strafbaarstelling van homoseksualiteit op zich tot 1965. Dit zou een reden kunnen zijn waarom er eigenlijk geen emancipatorische bewegingen begin twintigste eeuw de kop op staken. Het is een enigszins contradictorische situatie dat de niet-strafbaarstelling van homoseksualiteit zijn emancipatie schijnt te hinderen.

 

 Over het ontstaan en de evolutie van de homobeweging is wel al heel wat geschreven, vooral in het buitenland. Voor Vlaanderen werden onlangs twee eindeverhandelingen over dit onderwerp geschreven. Ze zijn van de hand van Bart Hellinck[97] en Lies De Gendt[98].

 

§ 2. De reactie: repressie

 

And the wild regrets, and the bloody sweats,

None knew so well as I:

For he who lives more lives than one

More deaths than one must die.

 Oscar Wilde 

Uit: The Ballad of Reading Gaol

 

a. Overzicht van het strafrecht: België in vergelijking met de buurlanden

 

 Een wetgeving creëert geen publieke opinie, maar het geeft er wel vorm aan en bevestigt de publieke opinie.

 

 Homoseksualiteit werd voor het eerst gecriminaliseerd onder de regering van de Oost-Romeinse keizer Constantinus (306-337). Algemeen wordt aangenomen dat men vanaf de Oost-Romeinse keizer Justinianus (527-565) van een effectieve vervolging van homoseksualiteit kon spreken en dat deze bestraft werd met de dood. De codificatie door Justinianus in 538 en 559 van antihomoseksuele normen in een wettekst, heeft zowel een politieke grond, namelijk het zoeken van zondebokken en het uitschakelen van tegenstanders, als een ideologische grond. Als motivatie werd hier de sodommythe ingevoerd[99]. Het verhaal van Sodom in de Bijbel gaat niet over gelijkgeslachtelijke seksualiteit. De inwoners van Sodom hadden zich schuldig gemaakt aan de schending van het voor de Israëlieten heilige gastrecht door een gewelddaad, namelijk de verkrachting van vreemdelingen.

 

 Deze mythe stelde sodomie verantwoordelijk voor alle maatschappelijke tegenslagen. Het verhaal werd echter pas in de hoge middeleeuwen algemeen aanvaard. Ten tijde van de inquisitie was sodomie steevast een van de beschuldigingen die ketters naar het hoofd kregen geslingerd. Op sodomie stond de doodstraf door verbranding, vanwege het zuiverende effect van vuur. Maar sodomie was een naam voor zeer uiteenlopende handelingen. Zo vroeg men zich af of men de doodstraf mocht uitspreken voor anaal geslachtsverkeer of wederzijdse masturbatie wanneer er geen zaadlozing had plaatsgevonden. En verdiende zelfbevrediging ook de doodstraf ? En wat met bestialiteit ? Hoe moest men iemand bestraffen die slechts een poging tot dergelijke handelingen had ondernomen ? Wat stond er te gebeuren met kinderen die erbij betrokken waren ?

 

 In de loop van de achttiende eeuw werden in de Nederlanden nog plakkaten uitgevaardigd die bepaalden dat zowel op sodomie als op de verleiding ertoe de doodstraf stond en dat deze in het openbaar moest voltrokken worden[100].

 

 De Franse Revolutie gaat met de invoering van de Code Pénal (1791) over tot decriminalisering van homoseksuele handelingen. Dit Franse wetboek werd in 1810 in België ingevoerd, in 1811 in Nederland, in 1813 in Beieren en in 1861 was haar invloed voelbaar in Engeland.

 

 Na de Franse overheersing werd in de verschillende landen van West-Europa gezocht naar een wetgeving die de seksualiteit moest vastleggen. Daarbij moest rekening gehouden worden met twee principes: - de individuele vrijheid in het privé-leven

 - het principe van redelijkheid voor de inrichting van het maatschappelijk leven.[101]

 

 Wanneer de liberalen aan de macht zijn, zal het eerste principe primeren. Hebben de katholieken de meerderheid, dan zal het tweede principe op de eerste plaats komen.

 

BELGIE

 

 In België zien we tot 1870 en ook nog in de periode 1878-1884 het eerste scenario. In het Belgische strafwetboek na de onafhankelijkheid kunnen de liberale principes zich dan ook handhaven. Homoseksualiteit staat niet in het strafwetboek. Dit betekent uiteraard niet dat het ongestraft kon gebeuren. Vooral de volgende artikels van het strafwetboek kwamen in aanmerking om homoseksuele handelingen alsnog te bestraffen [102]:

 

ARTIKEL 372, AANRANDING VAN DE EERBAARHEID, ingevoerd in 1867

 

Alle aanslag tegen de eerbaarheid zonder geweld noch bedreigingen gepleegd op den persoon of bij middel van den persoon van een kind van de eene of de andere kunne, min dan veertien volle jaren oud, zal gestraft worden met eene gevangenzitting van één tot vijf jaar. De straf zal opsluiting zijn, indien het kind min dan elf volle jaren oud was.

 

 De minimumleeftijd voor alle seksuele handelingen werd bepaald op veertien jaar. Rol of toestemming van de minderjarige doen niet ter zake.

De tweede alinea van artikel 372 handelt over het enige geval van incestueuze betrekkingen dat ons strafwetboek kent. Het stelt het volgende strafbaar: de aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreiging door een bloedverwant in de opgaande lijn op de persoon of met de hulp van de persoon van een minderjarige onder de eenentwintig jaar en niet ontvoogd door het huwelijk[103].

 

ARTIKEL 373, AANRANDING VAN DE EERBAARHEID MET GEWELD

 

De aanslag tegen de eerbaarheid gepleegd met geweld of bedreigingen op personen van de eene of de andere kunne, zal gestraft worden met eene gevangenzitting van zes maanden tot vijf jaar. Indien de aanslag op een kind is bedreven van min dan veertien volle jaren oud, zoo zal de plichtige opsluiting ondergaan.

 Dit geldt voor seksuele handelingen die tegen de wil van één der partners plaats grijpen, ongeacht de leeftijd. Het werd ook gebruikt voor homoseksuele verkrachting, aangezien de artikels die verkrachting behandelen (artikels 375 alinea 1 en 4) volgens Poupart betrekking hebben op een vrouwelijk slachtoffer en een mannelijke dader[104].

 

ARTIKEL 277 al 1,2,3,4 en 6: VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN

Het minimum der straffen bij voorgaande artikelen vastgesteld zal naar luid van art 266 worden verhoogd: Indien de plichtigen de opgaande bloedverwanten zijn van den persoon op denwelken of bij middel van denwelken de aanslag is bedreven geweest. - Indien zij tot diegenen behooren, die over hem gezag hebben; - Indien zij zijne onderwijzers of loontrekkende dienaars zijn of de dienaars van de personen hierboven aangewezen; - Eindelijk, indien bij de gevallen der art. 373, 375 (verkrachting) en 376 (wanneer de dood van het slachtoffer wordt veroorzaakt) de plichtige, wie het ook zij, in het plegen van de misdaad of het wanbedrijf door eenen of meer personen is geholpen geweest.

 

ARTIKEL 379-380, AANSPORING TOT ONTUCHT [105]

 

art. 380 bis al. 1

Embauchage, entrainement ou détournement en vue de la débauche ou de la prostitution de personnes majeures ou mineures.

 

art. 380 ter

Rétention d'une personne, même majeure, contre son gré dans une maison de débauche ou de prostitution et contrainte exercée sur une personne majeure dans le but de la forcer à se livrer à la débauche.

 

ARTIKEL 385, OPENBARE SCHENDING VAN DE ZEDEN

Alwie openbaarlijk de zeden zal hebben geschonden door bedrijven welke de eerbaarheid kwetsen, zal gestraft worden met een gevangenzitting van acht dagen tot een jaar en eene geldboet van zes-en-twintig tot vijfhonderd frank.

 

 Eerbaarheid, ontucht en openbare zeden waren echter niet gedefinieerd door de wetgever. Deze liet die taak over aan de strafrechter. Hierdoor vervaagt de scheidingslijn tussen moraal en strafrecht, want de moraal van een strafrechter werd wet.

 

 Wanneer de katholieken eind negentiende eeuw aan de macht kwamen, was hun invloed snel merkbaar wat betreft de zedenwetten. In 1912 werd de wet Lejeune ingevoerd die de minimumleeftijd voor seksuele activiteiten optrok van veertien naar zestien jaar. Maar vooral de wet die betrekking had op de openbare schending van de zeden onderging aanvullingen. De openbaarheid werd steeds uitgebreider. Wanneer er een kans bestond dat een getuige iets kon waarnemen, ook al was het door het openen van deuren of het turen door gordijnen, was dat een vorm van openbaarheid. Het bezingen, lezen, voordragen, ten gehore brengen, uiten of suggereren van schunnigheden in openbare bijeenkomsten of op openbare plaatsen werd strafbaar.

 

 Voor het artikel 385 voerde men een facultatieve verdubbeling van de straf door indien het bedreven werd ten opzichte van minderjarigen[106].

 

 Wie ontsnapte er dus aan vervolging tot op dit moment[107]:

 

 Homoseksuele relaties tussen toestemmende meerderjarigen wanneer ze plaats vinden in privé-plaatsen.

 Homoseksuele relaties tussen minderjarigen ouder dan 16 jaar of ten opzicht van minderjarigen ouder dan zestien jaar, zelfs als ze uitgaan van personen die gezag op hen uitoefenen. (behalve als het om artikel 372 alinea 2 gaat)

 Mannelijke prostitutie in privé-plaatsen. De Belgische wet bestraft niet de prostitutie, maar wel het aanzetten tot ontucht.

 

 In 1965 duikt homoseksualiteit dan toch weer op in het Belgische strafrecht terwijl de buurlanden tegen die tijd alweer terugkomen op de strafbaarstelling van homoseksualiteit. België voert in 1965 artikel 372 bis in:

Sans préjudice de l'application de l'article 372, tout attentat à la pudeur, commis sans violences ni menaces par une personne ayant atteint l'âge de 18 ans accomplis sur la personne ou à l'aide de la personne d'un mineur du même sexe âgé de moins de 18 ans accomplis sera puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 26 francs à 1000 francs. [108]

 

 Dit artikel was slechts van toepassing in een beperkt aantal gevallen. De dader moest de volle leeftijd van achttien jaar bereikt hebben en het slachtoffer mag de volle leeftijd van achttien jaar niet bereikt hebben, maar moet ouder zijn dan zestien jaar, zoniet bleef het oude artikel 372 van kracht. Voor heteroseksuele contacten was de minimumleeftijd nog steeds zestien jaar. Het artikel werd pas in 1985 afgeschaft.

 

 België vormde met deze wetgeving een uitzondering op zijn buurlanden, die homoseksualiteit begin twintigste eeuw strafbaar stelden, maar nadien weer afschaften.

 

NEDERLAND

 

 In Nederland werd in 1811 ook de Code Pénal ingevoerd waardoor homoseksualiteit uit het strafwetboek verdween. Vanaf 1871 werd begonnen met de voorbereidingen van een eigen Nederlands Wetboek van Strafrecht. Toen besloot men nog de homoseksuele daad op zich niet strafbaar te stellen. Men beschouwde het meer als een zedelijk dan als een maatschappelijk kwaad. Dat men de wetgeving niet veranderde, had volgens Koenders ook pragmatische redenen: een wetsverandering kostte veel geld en ook veel werk, men wilde geen slapende honden wakker maken en schandalen veroorzaken, de misdaad was moeilijk bewijsbaar en men zag het als aantasting van het privé-domein van de burger[109].

 

 In 1879 kwam het ontwerp van het strafwetboek ter discussie in de kamer. Modderman, toenmalig minister van justitie in Nederland, wou de beschermde leeftijd voor seksuele handelingen verhogen van veertien tot zestien jaar en stelde voor om het strafminimum op openbare schending der zeden te verhogen. Deze voorstellen werden goedgekeurd in 1881. Het was toen volgens de betrokkenen de enige manier om het "crimen nefandum" aan te pakken[110].

 

 Om homoseksualiteit wel expliciet op te nemen in het strafwetboek, had men bijstand nodig van de christelijke moraal. Vanaf 1901 kwamen in Nederland christelijke kabinetten aan de macht. Verschillende wetsvoorstellen om homoseksualiteit strafbaar te stellen, volgen elkaar op. In 1911 werd artikel 248 bis van minister Regoût aangenomen:

De meerderjarige, die met een minderjarige van hetzelfde geslacht wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijs moet vermoeden, ontucht pleegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

 

 Maar die minderjarigheid werd voor deze homoseksuele contacten vastgelegd op eenentwintig jaar, terwijl art. 245bis die leeftijdsgrens voor heteroseksuele contacten op zestien jaar had bepaald.

 

Nederland schaft 248 bis af in 1971.

 

 Hoe valt dit verschil in wetgeving tussen België en Nederland te verklaren ? Een mogelijke reden is terug te vinden in de thesis van Peter Colle.[111] Daar staat dat in Nederland de homoseksualiteit veel zichtbaarder, openlijker was, terwijl die in België in een totale verborgenheid zat. Er wordt evenwel aan toegevoegd dat volledige onbekendheid met het onderwerp niet mogelijk is. En inderdaad, men was er wel van op de hoogte. Dat blijkt uit documenten die de politie naliet in correctionele dossiers en uit hun eigen archief. Dit zal uiteengezet worden in deel 2 van deze studie in het onderdeel over repressie.

 

 Een ander verschil tussen België en Nederland is dat in Nederland de antihomoseksualiteit een politieke geladenheid krijgt, ongeveer vanaf 1900. Er ontstond een heuse zedelijkheidslobby die het beleid van de overheid zal beïnvloeden. Hun antihomoseksualiteit zou in Nederland een middel geweest zijn voor de kleinburgerij om zich als sociale en politieke klasse te profileren en om naar meer politieke macht te streven. In België was van dit alles weinig merkbaar en bleef deze zaak besloten in het morele discours[112].

 

FRANKRIJK

 

 Frankrijk nam het initiatief tot afschaffing van de strafbaarheid van homoseksualiteit met de invoering van de Code Pénal in 1791. Pas in 1948 verschijnt het terug in het stafwetboek. Artikel 331 van 8 februari 1948 bepaalt:

Sans préjudice des peines plus graves prévues par les alinéas qui précèdent ou par les articles 332 et 333 du présent code, sera puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 60 FF à 15.000 FF quiconque aura commis un acte impudique ou contre nature avec un individu de son sexe mineur de 21 ans.[113]

 

Hier werd de minimumleeftijd voor homoseksuele handelingen bepaalt op 21 jaar.

 

ENGELAND

 

 In Engeland verscheen reeds in 1533 een akte van Hendrik VIII waarin sodomie als strafbare handeling was opgenomen. Voor de veroordeling ervan gebruikte men hetzelfde motief als de Kerk, namelijk dat het tegennatuurlijk was. Als straf werd de doodstraf vooropgesteld. Tot 1885 vormde deze akte de basis voor de veroordeling van homoseksuelen. In 1826 werd deze wet nog verstrengd door Sir Robert Peel. Immers, tot 1826 was het nodig geweest ejaculatie en penetratie te bewijzen wou men iemand veroordeeld zien, wat niet evident was. Sir Robert Peel liet dit afschaffen. In 1861 werd de doodstraf voor sodomie wel geschrapt.

 

 In 1885 werd dan het Labouchère Amendment ondertekent waarvan sectie II bepaalt:

Any male person who, in public or private commits or is a party to the commission of, or procures or attempts to procure to commission by any male person of any act of gross indecency with another male person shall be guilty of a misdemeanour and being convicted thereof shall be liable at the discretion of the court to be imposed for any term not exceeding two years, with or without hard labour.[114]

 

 Opmerkelijk is dat de Engelse wetgever expliciet alleen mannelijke homoseksualiteit strafbaar stelt.

 

 Redenen voor de invoering van deze wetgeving kunnen de schandalen van 1884 zijn die homoseksualiteit verbonden met prostitutie en seksuele decadentie. Er waren ook politiek belangrijke mensen bij betrokken. Ook het Engelse imperialisme stond in 1885 op losse schroeven en men vreesde voor een ineenstorting van het koninkrijk, onder andere door de kwestie van de Home Rule voor Ierland. In de vroege jaren 1880 rees ook de ster van het socialisme en dit leek de hegemonie van de bourgeoisie nog meer te bedreigen. De idee van nationale ondergang werd sterk aan homoseksualiteit gekoppeld[115].

 

 In 1967 werd deze wet afgeschaft, behalve in het leger. Toch was er nog geen sprake van gelijkberechtiging van homoseksualiteit en heteroseksualiteit. De minimumleeftijd voor homoseksuele omgang werd namelijk bepaald op eenentwintig jaar, terwijl die voor heteroseksuele handelingen zestien jaar is. In 1994 eisten duizenden homoseksuelen voor het House of Parliament een gelijke minimumleeftijd. Het werd een Phyrrusoverwinning. De maximumleeftijd voor homoseksuele contacten werd bepaald op achttien jaar. Voor lesbiennes geldt deze discriminatie niet, aangezien de Britse wet geen lesbische liefde kent.

 

DUITSLAND

 

 Voor Duitsland tenslotte golden voor de eenmaking even zoveel wetgevingen als er staten waren. In veel van die Duitse staten waren homoseksuele handelingen niet strafbaar, bv. in Beieren en Hanover. In 1871 werden de Pruisische wetten de wetten van het hele keizerrijk en homoseksualiteit werd strafbaar over het hele territorium. Men sanctioneerde de "Widernatürliche Unzucht"[116], een vage term met brede interpretatiemogelijkheden. Deels als antwoord op deze onduidelijke situatie stichtte Magnus Hirschfeld in Berlijn in 1897 zijn "Wissenschaftlich humanitäre Komitee" met als doel de afschaffing van de criminalisering van homoseksualiteit te verkrijgen. Onder de Weimarrepubliek, die een vrij openlijke homosubcultuur kende, werden de rechten van de homoseksuelen door verschillende tijdschriften verdedigd. Na de Weimarrepubliek kwam Hitler aan de macht en gaf vorm aan zijn facistisch regime. Reeds in 1935 greep de wetgever in tegen de al te grove zedenverwildering en de artikels 175 en 175a zagen het licht op 28 juni 1835.

 

art. 175, alinea 1 stipuleert: één jaar gevangenisstraf voor de man die een aanslag op de eerbaarheid van een andere man pleegt of die een aanslag laat plegen op zijn eerbaarheid door een andere man[117].

 

art. 175a geeft vier verzwarende omstandigheden aan [118]:

 

 maximum tien jaar en minimum drie maand gevangenisstraf voor de man die met geweld of bedreigingen van onmiddellijk doodsgevaar of verwonding een andere man dwingt deze daden met hem te begaan

 dezelfde straf voor diegene die deze daden doet of aanzet ze te doen door misbruik te maken van zijn gezag over een ondergeschikte

 dezelfde straf wanneer de dader ouder is dan 21 jaar en zijn slachtoffer jonger is dan 21 jaar

 in het geval van mannelijke prostitutie

 

 De interpretatie van aanslag op de eerbaarheid (Unzucht) is zeer moeilijk. Het betekent ongeveer ontucht of seksuele ongehoordheid. Deze formulering betekent ook dat de daad op zich niet voldoende is voor een veroordeling. Vanuit objectief standpunt moet immers de eerbaarheid van iemand, zijn seksuele moraal dus, geschonden zijn en die is voor een rechter moeilijk te bepalen. Vanuit subjectief opzicht moet de dader de wil gehad hebben aan een seksueel genot te voldoen of het op te wekken. Zo werd Unzucht immers gedefinieerd. Dit was bijvoorbeeld niet het geval als iemand het in een woede-uitbarsting deed, of voor de grap. Ook veronderstelde "Unzucht treiben" een zekere duur in de tijd. Een snel gebaar volstond dus niet, in tegenstelling tot in België, waar een aanslag op de eerbaarheid in een oogwenk kon gebeuren. Nog een verschil met de Belgische wet is dat er in Duitsland ook aanslag op de eerbaarheid kon zijn, zonder aanraking. Een laatste verschil tenslotte is de minimumleeftijd.

 

b/ Vervolging en slachtoffers

 

 Algemeen vindt men in de literatuur terug dat eind negentiende eeuw de vervolging van homoseksualiteit sterk verscherpt werd en dit na een periode van relatieve rust . Boven werd uiteengezet dat dit kadert in een groeiende inmenging van staatswege in het privé-leven van de burger eind negentiende eeuw. In Nederland zou dit te maken gehad hebben met de toenemende politieke emancipatie van gereformeerden, katholieken en socialisten die de politiek wilden moraliseren. De liberalen zouden niet bestand geweest zijn tegen de kritiek van de oppositie, namelijk dat ze onzedelijkheid toelieten en ze bezweken voor hun druk[119]. Ook in België vinden we een gelijkaardige situatie terug. In de loop van de negentiende eeuw vormden katholieken en een groeiende groep socialisten een sterke oppositie voor de liberalen. Vandaar vermoedelijk de reactie van de liberalen zich meer met de zeden te gaan inlaten. De katholieken namen eind negentiende eeuw dan ook de fakkel over van de liberalen en vervolgden het ingeslagen pad van de inmenging in het privé-domein. Homoseksualiteit was een vorm van zedeloosheid en zedeloosheid was staatsgevaarlijk. Homoseksuelen waren gedegenereerden en vormden een rotte plek, een zwakheid in de maatschappij. Vrees voor de nationale ondergang deed de zedelijkheidswetgeving in de meeste landen van West-Europa verstrengen. Een versterking van de politie om deze wetten te laten naleven, was dan ook een logisch gevolg.

 

1. Vervolging

 

 Algemeen gezien nam de vervolging van homoseksuele handelingen in de tweede helft van de negentiende eeuw toe. Hekma geeft als verklaring dat, althans in Nederland, de autoriteiten homoseksuelen als een probleem van openbare orde gingen beschouwen. Ten eerste geloofde men heel sterk in de theorie dat er gevaar voor "besmetting" was wanneer jonge mensen in contact kwamen met homoseksuele toestanden. En de kwajongens op de straat waren nu net diegenen die in contact kwamen met de homosubcultuur. Ten tweede ging door de reorganisatie van het stedelijk leven en door de heterosocialisering[120] van de samenleving homoseksueel gedrag veel meer opvallen[121].

 

 In de negentiende eeuw breidde het politiekorps zich numeriek uit. De korpsen in de steden zagen hun afdeling zedenpolitie uitbreiden. In de negentiende eeuw stelde deze speciale afdeling zich vooral tot doel de prostitutie te reglementeren om zo op een efficiënte manier de geslachtsziekten, vooral syfilis, te bestrijden. Meer manschappen en een betere organisatie betekenen ook automatisch dat men meer mogelijkheden had om homoseksualiteit aan te vechten. Toch meent Hekma dat er ook daadwerkelijk meer aandacht werd besteed aan homoseksuele zedendelicten. Volgens hem werden er vallen opgezet en werden verdachte plaatsen bijzonder bewaakt[122].

 

 De sterkere surveillance van de politie spitste zich vooral toe op het openbaar terrein, aangezien daar de homoseksuele handelingen strafbaar waren. Men plaatste 's nachts extra opzichters in de parken. Vooral urinoirs stonden bekend als verzamelplaatsen van homoseksuelen. Ze genoten dan ook speciale aandacht van de politie. De agenten hadden het echter moeilijk de zedendelicten vast te stellen. De meeste gevallen constateerden ze door betrapping op heterdaad. Soms ook, wanneer er jonge jongens bij betrokken waren, spraken deze hun mond voorbij. Hekma stelde bij het onderzoeken van gerechtelijke archieven in Nederland vast dat er tot 1880 heel wat moest gebeuren vooraleer agenten of toevallige getuigen iets ondernamen tegen homoseksuelen. Na 1880 zou men dan gerichter opgetreden hebben, onder de vorm van valstrikken, regelmatige controle in urinoirs en parken en invallen in homoseksuele ontmoetingsplaatsen wanneer dit herbergen waren[123]. Naast de aanhoudingen bij urinoirs, maakte de politie ook gebruik van anonieme aangiften die verdachte plaatsen of personen signaleerden. Ook was er sprake van samenwerking met andere politiekorpsen of overheidsdiensten. Ze lichtten elkaar in over vermoedelijke homoseksuelen en ontmoetingsplaatsen. Hoewel niet frequent, kwamen ook huiszoekingen bij verdachten voor. Hierbij zocht men vooral naar adresboekjes en correspondentie om andere homoseksuelen op het spoor te komen[124].

 

 In de strijd tegen de prostitutie tekende de zedenpolitie alle bordelen netjes op, samen met persoonlijke gegevens van de prostituees. Aan de Nederlandse bordeellijsten werd vaak een apart lijstje van mannenbordelen toegevoegd. Meestal maakten deze bordelen deel uit van een heel netwerk van mannelijke prostitutie en de politie poogde deze netwerken op te rollen.

 

 De meeste vervolgingen in Nederland vonden plaats op grond van openbare schending der eerbaarheid en ontucht met minderjarigen[125]. Ook in België zullen de meeste aanhoudingen gebeuren op basis van de strafwetartikels over aanranding van de eerbaarheid en openbare schending van de zeden. De strafmaat verminderde wel in de tweede helft van de negentiende eeuw: van gemiddeld één jaar tot 1859 naar een half jaar in de jaren 1860 en later nog naar drie maand in de periode 1900-1909. Indien het ging om verhoudingen tussen mannen en minderjarige jongens, lagen de straffen aanzienlijk hoger. Naast gevangenneming ging men ook over tot collocatie en bij minderjarigen tot opsluiting in een rijksopvoedingsinrichting. Hekma merkt op dat anale penetratie niet zwaarder werd bestraft dan mutuele masturbatie[126].

 

 Wie werd door de politie vervolgd ? Zoals boven vermeld, waren vooral mensen uit de lagere sociale klassen slachtoffer van de toenemende repressie. Rijkere homoseksuelen konden jongens betalen om bij hen thuis te komen en zij waren dan ook niet zozeer op de straat aangewezen om hun verlangens te bevredigen. Uit de studie van Hekma blijkt ook dat rechters al eens een oogje durfden toeknijpen wanneer ze met invloedrijke mannen te doen hadden. Zaken van openbare schending der zeden bedreven door minderjarigen werden vaak geseponeerd, maar dit gebeurde nu eens wel, dan weer niet, zonder veel logica[127].

 

2. Preventie

 

 Naast de strengere repressie, voerde de verzorgingsstaat ook een preventiebeleid om homoseksualiteit tegen te gaan. Dit preventiebeleid was er niet op gericht homoseksuelen te doen afzien van hun neigingen, maar om de mogelijkheden om deze handelingen uit te voeren, te beperken. Volgens Hekma begon dit beleid reeds vanaf 1842 gestalte te krijgen[128].

 

 Voor de praktische uitvoering van sommige te ondernemen stappen, stond men voor een dilemma: moest men zoveel mogelijk proberen de seksen te scheiden, bv. in scholen, gevangenissen of toiletten, of werkte dit homoseksualiteit juist in de hand ? De regel werd dat als er geen gevaar bestond voor lichamelijke intimiteit, dat de geslachten dan niet werden gescheiden ; anders wel. Wanneer ze dan toch werden gescheiden, moest lichamelijk contact zoveel mogelijk vermeden worden[129].

 

 In gevangenissen gaat men over van gemeenschappelijke naar cellulaire opsluiting. Deze verandering had ook negatieve gevolgen volgens de toenmalige beleidsmensen. Immers hadden de gevangenen op deze manier veel meer gelegenheid om zich te masturberen. Men moest het minste van twee kwaden kiezen.

 

 Bij de planologie van de steden nam men maatregels om de zedeloosheid in de urinoirs tegen te gaan. Urinoirs werden oorspronkelijk onder bruggen of bij sluizen opgericht om de afvoer te vergemakkelijken. Het waren plaatsen die vaak aan het zicht van voorbijgangers waren onttrokken. Aan de buitenkant kon men niet zien wat er zich van binnen afspeelde, maar men kon wel van de ene bak in de andere kijken. Al snel had men door dat het verzamelplaatsen werden voor mensen met homoseksuele verlangens. Om dit enigszins tegen te gaan ging men er lantaarns boven plaatsen en daarna werden de verschillende bakken van elkaar gescheiden. Politieagenten zouden op die plaatsen bijzonder toezicht houden[130].

 

 De strengere repressie had tot gevolg dat er een meer exclusieve homoseksualiteit ontstond[131] ten nadele van de eenmalige, toevallige, vluchtige contacten op straat en in parken. Uit voorzichtigheid vermeed men deze openbare plaatsen om meer in privé-plaatsen samen te komen onder vrienden. Daar ontmoette men gelijkgeaarde vrienden en kennissen en bijgevolg waren de contacten minder willekeurig en ontstonden er meer langdurige verhoudingen.

 

 

INTERMEZZO:
de schandaalprocessen van eind negentiende eeuw

 

 Eind negentiende eeuw kende men in West-Europa enkele processen rond homoseksualiteit die heel wat stof deden opwaaien omdat er bekende mensen bij betrokken waren. Over oorzaken, gevolgen en betekenis van deze processen is nogal wat geschreven. Weeks beweert dat het verstrengen van de wetgeving rond homoseksualiteit in deze periode werd gedramatiseerd en versterkt door deze processen[132]. Anderen beweren dan weer dat het net door de grotere aandacht van de politie is dat dergelijke processen aan het licht kwamen. Niemand twijfelt echter aan hun invloed of belang die in ieder geval niet gering was. Ze creëerden een beeld van de homoseksueel en verspreidden een schrikwekkend moreel verhaal over de gevaren die dergelijk afwijkend gedrag met zich meebracht en daarmee maakten ze een scherpe scheiding tussen wat aanvaard werd en wat niet. Voor vele homoseksuelen was dit de eerste keer dat ze zich met een beeld van de homoseksueel konden identificeren. Velen gingen dan ook de homosubcultuur vervoegen. Maar dit proces compromiteerde ook de traditionele mannelijke vriendschap. Een ander gevolg van de schandaalzaken was een grotere bekendheid met de homoseksuele subcultuur en tenslotte ook een democratisering van de homo-aversie. Banens stelt dat men ook zou kunnen spreken van een nieuwe vorm van homo-aversie omdat men nu afkering stond ten opzichte van de homo-identiteit en de homosubcultuur[133].

 

 In Engeland werd in 1895 Oscar Wilde veroordeeld wegens vermeende homoseksuele handelingen. In de loop van dit proces viel ook de naam van Engelands eerste minister Lord Roseberry. In Duitsland deden de processen rond de staalmagnaat Friedrich Krupp en rond Moltke en Eulenburg heel wat stof opwaaien. Dachten ze allemaal dat ze wegens hun eerbare posities niet voor zulke zaken konden vervolgd worden ? Wilde werd veroordeeld voor twee jaar en stierf enkele jaren later in erbarmelijke omstandigheden. Ook Eulenburg en Moltke eindigden in schande. Krupp pleegde in 1902 zelfmoord, nadat hij zelf een proces wegens laster had ingespannen. Moltke en Wilde waren ook zelf naar de rechter gestapt wegens laster. Beiden moesten ze het onderspit delven. Na hen durfde niemand dit meer aan. In Nederland moest de auteur Jacob Israel de Haan voor de rechter verschijnen wegens de openlijk homoseksuele relatie van de twee hoofdfiguren in zijn roman Pijpelijntjes. De Haan raakte zowel zijn baan als onderwijzer als als journalist kwijt. Ook Vlaanderen kende zijn proces: in 1900 werd de auteur Georges Eekhoud aangeklaagd, maar vrijgesproken omdat in zijn roman Escal-Vigor ook een liefdesrelatie bestond tussen twee mannen.

 

 Maks Banens[134] maakt voor deze schandaalprocessen onderscheid tussen twee categorieën: processen van het morele type en processen van het politieke type. De processen van het morele type hebben geen andere motieven dan morele verontwaardiging. De zaken van Wilde, De Haan en Van Eekhoud vallen hieronder. Het geval van Krupp en het latere proces in Duitsland ingespannen door Hitler tegen Röhm kenden politieke motieven. De beschuldiging van homoseksualiteit werd gebruikt om politieke tegenstanders uit te schakelen.

 

 De morele processen kwamen vooral voor rond de eeuwwisseling ; na Wereldoorlog I kregen de politieke processen de bovenhand.

 

 

Besluit:

 

 

 Wat kunnen we hieruit besluiten: zitten er golfbewegingen in de repressie van homoseksualiteit of is het een constante in de geschiedenis ?

 

 Banens[135] wijst hier weer op het verschil tussen homo-aversie en antihomoseksualiteit. Volgens hem is de homo-aversie een vast gegeven, iets dat altijd sluimerend aanwezig is. Misschien is het een instinct van de mens, maar er spelen zeker ook culturele factoren die ervoor zorgden dat er doorheen de eeuwen steeds homo-aversie aanwezig was. De christelijke religie speelde hier een rol, evenals de noodzaak tot reproduktie die het mensdom kent, de medicaliseringstheorie uit de negentiende eeuw, het patriarchaat en de politieke functie die homo-aversie had.

 

 De antihomoseksualiteit of de zichtbare manifestaties van homo-aversie onder de vorm van vervolgingen en repressie, kent wel een golfpatroon. Antihomoseksualiteit zou afhankelijk zijn van sociaal-econmische omstandigheden en de aanwezigheid van openlijke homoseksualiteit die provocerend werkt. Over de manier waarop al deze factoren homo-aversie en antihomoseksualiteit cultiveren, zal in deel 2 dieper ingegaan worden. Maar het is wel zo dat het einde van de negentiende eeuw op economisch vlak een moeilijke periode was en dat in de nieuwe en grotere steden met ook een grotere subcultuur meer openlijke homoseksualiteit was waar te nemen. Dit pleit voor de stelling van Banens.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[31] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988. (Sem. Criminologie)

 

[32] M. BANENS, De homo-aversie, een analyse van de maatschappelijke onderdrukking van homoseksualiteit, Groningen, Historische Uitgeverij, 1981, pp. 12-14.

 

[33] M. BANENS, De homo-aversie, een analyse van de maatschappelijke onderdrukking van homoseksualiteit, Groningen, Historische Uitgeverij, 1981, pp. 15-17.

 

[34] P. LAIPSON, "From Baudoir to Bookstore: Writing the history of sexuality", Comparative studies in Society and History, vol. 34, 1992, nr. 4 (oktober), pp. 637-638.

 

[35] M. BANENS, De homo-aversie, een analyse van de maatschappelijke onderdrukking van homoseksualiteit, Groningen, Historische Uitgeverij, 1981, pp. 20-23.

 

[36] J. WEEKS, Coming out, homosexual politics in Britain, from the nineteenth century to the present, London, Quartet Books, 1977, pp. 4-5.

 

[37] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 25-26.

 

[38] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 27.

 

[39] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 28.

 

[40] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 29.

 

[41] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 29.

 

[42] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, pp.37-42.

 

[43] E. WITTE e.a., Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden, Antwerpen, Standaard Uitgeverij n.v., 1990, p. 103.

 

[44] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988, p. 118. (Sem. Criminologie)

 

[45] E. WITTE e.a., Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden, Antwerpen, Standaard Uitgeverij n.v., 1990, p. 104.

 

[46] E. WITTE e.a., Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden, Antwerpen, Standaard Uitgeverij n.v., 1990, p. 105.

 

[47] E. WITTE e.a., Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden, Antwerpen, Standaard Uitgeverij n.v., 1990, p. 106.

 

[48] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988, p. 121. (Sem. Criminologie)

 

[49] E. WITTE e.a., Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden, Antwerpen, Standaard Uitgeverij n.v., 1990, p. 108.

 

[50] E. WITTE e.a., Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden, Antwerpen, Standaard Uitgeverij n.v. 1990, pp. 110-111.

 

[51] E. WITTE e.a., Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden, Antwerpen, Standaard Uitgeverij n.v., 1990, p. 117.

 

[52] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988, pp. 123-124. (Sem. Criminologie)

 

[53] J. WEEKS, Coming out, homosexual politics in Britain, from the nineteenth century to the present, London, Quartet Books, 1977, pp. 235-236.

 

[54] G. MOSSE, Nationalism and Sexuality. Respectability and Abnormal Sexuality in Modern Europe, New-York, Howard Fertig Inc., 1985, 232 p.

 

[55] J. WEEKS, Coming out, homosexual politics in Britain, from the nineteenth century to the present, London, Quartet Books, 1977, p. 19.

 

[56] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988, p. 32. (Sem. Criminologie)

 

[57] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988, p. 32. (Sem. Criminologie)

 

[58] P. KOENDERS, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid, met de nadruk op repressie van homoseksualiteit, Amsterdam, Stichting beheer IISG, 1996, p.805.

 

[59] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 135.

 

[60] G. HEKMA, "Profeten op papier, pioniers op pad", Spiegel Historiael, 1982, november, pp. 566-571.

 

[61] P. GAY, The bourgeois experience: Victoria to Freud, vol. I The tender passion, New-York, The Oxford University Press, 1986, p. 20.

 

[62] P. GAY, The bourgeois experience: Victoria to Freud, vol. I The tender passion, New-York, The Oxford University Press, 1986, p. 202.

 

[63] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, SUA, 1987 , pp. 149-164.

 

[64] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988, p. 25. (Sem. Criminologie)

 

[65] J.P. ARON et R. KEMPF, Le bourgeois, le sexe et l'honneur, Bruxelles, Editions Complexe, 1984, p. 47.

 

[66] J.P. ARON et R. KEMPF, Le bourgeois, le sexe et l'honneur, Bruxelles, Editions Complexe, 1984, p. 53.

 

[67] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, pp. 50-52.

 

[68] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, pp. 55-56.

 

[69] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, pp. 168-172.

 

[70] J. WEEKS, Coming out, homosexual Politics in Britain, from the nineteenth Century to the Present, London, Quartet Books, 1977, p. 27.

 

[71] D. GREENBERG and M. BYSTYN, "Demoralisation in Modern society: symptoms and dynamics", Contemporary Crises, nr. 8, 1984, pp. 39.

 

[72] J. WEEKS, Coming out, homosexual Politics in Britain, from the nineteenth Century to the Present, London, Quartet Books, 1977, p.27.

 

[73] "Le phénomène Lombroso", Journal des Tribunaux, 12.07.1900/1.

 

[74] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p.63.

 

[75] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p.64.

 

[76] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p.67.

 

[77] G. Hekma, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p.69.

 

[78] L. MASSION-VERNIORY et R. CHARLES, "Les aspects médico-psychologiques, sociaux et juridiques de l'homophilie", Revue de droit pénal et de criminologie, 1957-1958, pp. 241-327.

 

[79] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p.75.

 

[80] L. MASSION-VERNIORY et R. CHARLES, "Les aspects médico-psychologiques, sociaux et juridiques de l'homophilie", Revue de droit pénal et de criminologie, 1957-1958, pp. 270-271.

 

[81] P. KOENDERS, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid met de nadruk op repressie van homoseksualiteit, Amsterdam, Stichting beheer IISG, 1996, 941 p.

 

[82] P. KOENDERS, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid met de nadruk op repressie van homoseksualiteit, Amsterdam, Stichting beheer IISG, 1996, p.146.

 

[83] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, pp.195-196.

 

[84] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 199.

 

[85] P. KOENDERS, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid, met de nadruk op repressie van homoseksualiteit, Amsterdam, Stichting beheer, IISG, 1996, pp.172-173.

 

[86] Rijksarchief Beveren-Waas, Rechtbank van eerste aanleg Turnhout, nr. 32.063.

 

[87] G. HEKMA, D. KRAAKMAN en W. MELCHING, Grensgeschillen in de seks, Amsterdam, Editions Rodopi B.V., 1990, p. 61.

 

[88] G. HEKMA, "Profeten op papier, pioniers op pad", Spiegel Historiael, 1982, november, pp. 569-570.

 

[89] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, pp. 84-85.

 

[90] G. HEKMA, "Profeten op papier, pioniers op pad", Spiegel Historiael, 1982, november, p. 570.

 

[91] P. KOENDERS, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid, met de nadruk op repressie van homoseksualiteit, Amsterdam, Stichting beheer IISG, 1996, p. 35.

 

[92] G. HEKMA, D. KRAAKMAN en W. MELCHING, Grensgeschillen in de seks, Amsterdam, Editions Rodopi B.V., 1990, pp. 60-61.

 

[93] R. TIELMAN, "Homogeschiedschrijving, een analytisch overzicht", Homojaarboek 2, Amsterdam, Van Gennep, 1983, p. 38.

 

[94] J.P. ARON et R. KEMPF, Le bourgeois, le sexe et l'honneur, Bruxelles, Editions Complexe, 1984, p. 103.

 

[95] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988, p. 108. (Sem. Criminologie)

 

[96] M. BANENS, De homo-aversie, een analyse van de maatschappelijke onderdrukking van homoseksualiteit, Groningen, Historische Uitgeverij, 1981, p. 77 e.v.

 

[97] B. HELLINCK, "Na een echt kongres. Met sprekers en een verslag." Bijdrage tot de geschiedenis van de homobeweging in Vlaanderen (1953-1985), Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1995, 278 p. (Sem. Nieuwste Geschiedenis)

 

[98] L. DE GENDT, Lesbiennegroepen in Vlaanderen tussen 1974 en 1994. Lesbiennes, thuis in (w)elke beweging, Leuven, KUL (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1995, 191 p.

 

[99] M. BANENS, De homo-aversie, een analyse van de maatschappelijke onderdrukking van homoseksualiteit, Groningen, Historische Uitgeverij, 1981, p. 141.

 

[100] MJM. SALDEN, "Van doodstraf tot straffeloosheid", Spiegel Historiael, 1982, november, p. 562.

 

[101] M. BANENS, De homo-aversie, een analyse van de maatschappelijke onderdrukking van homoseksualiteit, Groningen, Historische Uitgeverij, 1981, p. 64.

 

[102] de Nederlandse wetteksten werden overgenomen uit voetnoten van vonnissen

 

[103] J.M. POUPART, "Les problèmes de la délinquence sexuelle sous les aspects médico-psychologiques et juridiques", Revue de droit pénal et de criminologie, 1964-1965, p. 810.

 

[104] J.M. POUPART, "Les problèmes de la délinquence sexuelle sous les aspects médico-psychologiques et juridiques", Revue de droit pénal et de criminologie, 1964-1965, p. 811.

 

[105] J.M. POUPART, "Les problèmes de la délinquence sexuelle sous les aspects médico-psychologiques et juridiques", Revue de droit pénal et de criminologie, 1964-1965, p. 810.

 

[106] P.COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988, p. 44. (Sem. Criminologie)

 

[107] A. LEY et A. MARCHAL, "L'homosexualité. Etude médico-juridique", Revue de droit pénal et de criminologie, 1955-1956, pp. 337-338.

 

[108] R. CHARLES, "Propos sur l'article 372bis du code pénal", Revue de droit pénal et de criminologie, 1982, november, p. 811.

 

[109] P. KOENDERS, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid, met de nadruk op repressie van homoseksualiteit, Amsterdam, Stichting beheer IISG, 1996, p. 824.

 

[110] P. KOENDERS, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid, met de nadruk op repressie van homoseksualiteit, Amsterdam, Stichting beheer IISG, 1996, pp. 143-144.

 

[111] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988. (Sem. Criminologie)

 

[112] P. COLLE, Historisch-sociologische analyse van homoseksualiteit als wettelijk strafbare ontucht, Gent, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1988, p. 124. (Sem. Criminologie)

 

[113] L. MASSION-VERNIORY et R. CHARLES, "Les aspects médico-psychologiques, sociaux et juridiques de l'homophilie", Revue de droit pénal et de criminologie, 1957-1958, p. 288.

 

[114] J. WEEKS, Coming out, homosexual politics in Britain, from the nineteenth century to the present, London, Quartet Books, 1977, pp. 11-15.

 

[115] J. WEEKS, Coming out, homosexual politics in Britain, from the nineteenth century to the present, London, Quartet Books, 1977, p. 18.

 

[116] A. LEY et A. MARCHAL, "L'homosexualité. Etude médico-juridique", Revue du droit pénal et de criminologie, 1955-1956, p. 330.

 

[117] A. LEY et A. MARCHAL, "L'homosexualité. Etude médico-juridique", Revue du droit pénal et de criminologie, 1955-1956, p. 331.

 

[118] A. LEY et A. MARCHAL, "L'homosexualité. Etude médico-juridique", Revue de droit pénal et de criminologie, 1955-1956, p. 332.

 

[119] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 103.

 

[120] heterosocialisering is het fenomeen dat man en vrouw meer als koppel participeren aan het sociale leven, wat de scherpe scheiding in hun arbeidspatroon niet in de weg staat

 

[121] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, pp. 36-37.

 

[122] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, pp.105-106.

 

[123] G. HEKMA, "Profeten op papier, pioniers op pad", Spiegel Historiael, 1982, november, p. 570.

 

[124] P. KOENDERS, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid met de nadruk op repressie van homoseksualiteit, Amsterdam, Stichting beheer IISG, 1996, pp. 832-833.

 

[125] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 105.

 

[126] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, pp. 108-109.

 

[127] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uidoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 109-110

 

[128] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 122.

 

[129] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 111.

 

[130] G. HEKMA, Homoseksualiteit, een medische reputatie. De uitdoktering van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland, Amsterdam, SUA, 1987, p. 120.

 

[131] J. WEEKS, Coming out, homosexual politics in Britain, from the nineteenth century to the present, London, Quartet Books, 1977, p.21.

 

[132] J. WEEKS, Coming out, homosexual politics in Britain, from the nineteenth century to the present, London, Quartet Books, 1977, p. 21.

 

[133] M. BANENS, De homo-aversie, een analyse van de maatschappelijke onderdrukking van homoseksualiteit, Groningen, Historische Uitgeverij, 1981, p. 63.

 

[134] M. BANENS, De homo-aversie, een analyse van de maatschappelijke onderdrukking van homoseksualiteit, Groningen, Historische Uitgeverij, 1981, p. 59.

 

[135] M. BANENS, De homo-aversie, een analyse van de maatschappelijke onderdrukking van homoseksualiteit, Groningen, Historische Uitgeverij, 1981, p. 87 e.v.