Wie geeft gehoor aan de Goddelijke Roepstem? Sociaal-economische en geografische typologie der diocesane clerus in het bisdom Gent. (1918-1939). (Mathijs De Rouck)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 4: Geografische Origine

 

4a Inleiding

 

Ik weet niet of we in navolging van Dellepoort moeten spreken over zoiets als de ‘Vlaamse Volksaard’ als een belangrijke factor die het aantal roepingen zou bevorderd hebben[83]. Wel is het zo dat Vlaanderen vanouds bekend staat als een katholiek bastion in Noord-West Europa, en dat reeds sedert de Contrareformatie. Hierover is echter ruim voldoende inkt gevloeid, ik zou nu graag de omschrijving inperken tot het bisdom Gent en ook binnen dit bisdom nog op zoek gaan naar in het oog springende regio’s, zowel in de positieve als de negatieve betekenis.

 

Een eerste opmerking die bij de origine van de parochiepriesters dient te worden gemaakt is dat 93,2% (of ook wel 1711 op een totaal van 1835) van hen uit het bisdom zelf afkomstig was. Dit heeft naast het feit dat uit praktische overwegingen het eigen bisdom meestal de meest voor de hand liggende keuze voor de priesterkandidaten was, ook te maken met een richtlijn binnen de Kerk die erin voorzag dat de geboorteplaats automatisch leidde tot een bepaald bisschoppelijk Grootseminarie. Eens men in een bepaald Grootseminarie les ging volgen was men quasi automatisch voor de rest van zijn carrière verbonden aan dit bisdom.

Uitzonderingen op die regel waren natuurlijk mogelijk, bijvoorbeeld voor priesters die in de missies gingen of als er in een ander bisdom binnen de kerkprovincie een tekort optrad konden priesters getransfereerd worden.

 

Verdergaand op de afkomst van de priesters blijkt dat enkel de andere Vlaamse provincies en Henegouwen ( 8 priesters) nog een aantal priesters hebben geleverd. Voor West-Vlaanderen zijn er dat 36, voor Vlaams Brabant 18, voor Antwerpen 16 en Limburg tenslotte hield het op 7.

Aangevuld met nog een enkeling uit Namen en Luik zijn dit dus 1798 priesters, als wij dan in het achterhoofd houden dat van enkele priesters de geboorteplaats niet gekend was, blijkt wel duidelijk dat het bisdom Gent niet direct een Missieland was voor buitenlandse priesters. Voor Nederland zijn er dat 20 en voor Frankrijk 5, het gaat dan bovendien nog bijna altijd om mensen uit de grensstreek.

 

De belangrijkste factor die een hoog roepingcijfer kan meebrengen is een zeer intens godsdienstig-kerkelijk leven in een bepaalde parochie. Zoals Dellepoort opmerkte is het immers aannemelijk dat het verlangen priester te worden gemakkelijk opkomt bij een jongen die leeft in een godsdienstig milieu. In die zin zal niet alleen het gezin maar ook de kerkelijke en burgerlijke gemeenschap waarin hij leeft invloed op hem uitoefenen.[84] Op het burgerlijke milieu wordt later ingegaan in de hoofdstukken over de typologie van de gemeenten en de socio-economische origine.

De meest gehanteerde manier om de intensiteit van het kerkelijke leven binnen een parochie te bestuderen is een vergelijking van de paascomminicanten of de communicanten tout court met het bevolkingscijfer. Dellepoort twijfelt echter aan de waarde van zulke meters omdat ze enerzijds meestal zeer onnauwkeurig zijn en anderzijds enkel iets vertellen over de uiterlijkheden van het godsdienstig leven en zeer weinig over de interne religiositeit. Uiteraard zijn ook de vitaliteit van het verenigingsleven en dergelijke van belang maar dit is nog veel moeilijker te meten, vooral in een grote omschrijving zoals een volledig bisdom.

Jammer genoeg zijn er tijdens het interbellum zeer weinig gegevens bewaard over de communicanten in het bisdom Gent. Die zijn er wel voor de 19e eeuw maar dit is reeds onderzocht in de werken van Jan Art. Ik heb mij dan maar toegelegd op andere gegevens omtrent de gemeenten, nl. hun sociaal-economisch karakter, de rijkdom, de bevolking en bevolkingsdichtheid, en de nabijheid van een bisschoppelijk college.

 

 

4b Aantal priesters afkomstig uit een bepaalde gemeente.

 

Kaart 1 Aantal priesters afkomstig uit de gemeenten van het Bisdom Gent

 

Op deze eerste kaart uit de rij wordt, in intervallen, het aantal priesters weergegeven dat uit een bepaalde gemeente binnen het bisdom afkomstig is. Net als bij de kaarten die nog zullen volgen, gaat het dus enkel om de priesters die in het bisdom geboren zijn. Het gaat zoals in de inleiding van dit hoofdstuk werd aangegeven echter om meer dan 90% van de populatie dus moeten we ons niet direct zorgen maken over de representativiteit van de gevonden gegevens.

 

Op de kaart zijn alle priesters weergegeven die tijdens het interbellum als priester aan het bisdom Gent verbonden waren. Dat betekent dus dat er ook een aantal religieuzen zijn opgenomen, 62 om precies te zijn.

De bovenstaande kaart bestrijkt de volledige periode. Twee afgeleiden hiervan; nl. degenen die gewijd werden voor 1918 enerzijds en degenen die gewijd werden vanaf 1918 anderzijds, werden in bijlage opgenomen. Dit om na te gaan of er een evolutie kan worden aangeduid in de geografische origine van mijn populatie.

 

De cijfers voor deze kaarten konden rechtstreeks uit de database worden gehaald. Aangezien voor 99,6% van de priesters de geboorteplaats is aangeduid kan gesteld worden dat vrijwel de volledige populatie wordt gedekt.

Er waren weinig praktische problemen die moesten overwonnen worden aangezien er eigenlijk zeer weinig aan de gemeentegrenzen veranderde. Die wijzigingen waren van een dusdanige beperkte invloed op de resultaten dat zij niet in rekening zijn genomen bij de bespreking. De gemeentegrenzen zoals ze op de kaart staan aangeduid zijn, net zoals bij de kaarten die verder nog aan bod komen in dit hoofdstuk, die van 1920.

De indeling in categorieën zoals die van de legende kan worden afgelezen is volledig willekeurig gebeurd, met dien verstande dat ik getracht heb om de verhoudingen tussen de gemeenten zo duidelijk mogelijk naar voor te laten komen. Verder moet men geen diepere zingeving aan die indeling trachten te verbinden.

 

Ondanks de beperkingen waar later nog op terug zal worden gekomen is dit naar mijn mening de logische eerste kaart. Ze geeft namelijk een eerste beeld van de verdeling van mijn priesters over het grondgebied. Alle verdere kaarten worden uiteindelijk teruggevoerd of vergeleken met deze kaart.

Ze laat duidelijk zien uit welke gemeenten, en beter nog uit welke gebieden in absolute cijfers de meeste, en natuurlijk ook de minste priesters komen. Uiteraard krijgen deze gegevens pas echt betekenis als ze gelinkt worden aan andere gegevens omtrent die gemeenten. In de eerste plaats denken we dan aan het inwonertal, een relatie die in kaart 2 zal worden gelegd.

 

Gemiddeld leveren de gemeentes in het bisdom tijdens de bestudeerde periode 5,75 priesters. Zoals verwacht kon worden wordt het grootste aantal geleverd door de steden. Voor Gent zijn er dat net zoals voor Sint-Niklaas 124. Daarna volgen Ronse (53 priesters), Geraardsbergen en Aalst (beiden 44) en Eeklo (42 priesters). Ook enkele kleinere gemeenten deden een aanzienlijke inspanning zoals Denderhoutem, Eine en Nukerke (respectievelijk 21, 15 en 13 priesters). Dit komt nog aan bod in het volgende hoofdstuk.

 

Naast priesterrijke gemeenten zijn er natuurlijk ook de gemeenten die geen of bijna geen seculieren hebben voortgebracht. In de eerste plaats denken we dan aan heel kleine plattelandsgemeenten, die toevallig uit de boot gevallen zijn. Voorbeelden hiervan zijn exotisch klinkende gemeenten als Goefferdinge, Poesele of Sint-Blasius-Boekel. Er zijn echter ook een aantal grotere gemeenten die ver onder de verwachtingen bleven, voorbeelden daarvan zijn Denderleeuw en Burcht met slechts 1 priester op respectievelijk 3272 en 2939 inwoners. Outre (Outer) slaagde er zelfs in helemaal buiten de statistieken te blijven ondanks haar vrij grote inwonertal.

 

Er valt ook een zekere verschuiving in deze resultaten op te merken. Er werd reeds aangekondigd dat de priesters gewijd voor het jaar 1918 en die vanaf 1918 (het begin van de periode waar het in deze studie allemaal om draait) tegen elkaar zouden worden afgezet. Opnieuw zien we dat de grootste leveranciers van diocesane clerici de steden zijn.

Zowel voor als na 1918 staan opnieuw Gent en Sint-Niklaas bovenaan. Voor 1918 komen er zelfs iets meer priesters uit Sint-Niklaas dan uit Gent (88 tegen 86). Na 1918 komen er iets meer uit Gent, deze inhaalbeweging van Gent zou zich na WO II versterkt voortzetten[85].

Hierna volgen opnieuw de kleinere steden, zij het niet steeds in dezelfde volgorde. Voor 1918 is dat Geraardsbergen gevolgd door Ronse, Aalst, Eeklo en Oudenaarde, met Dendermonde pas op een gedeelde 19de plaats. Na 1918 wordt Ronse de derde in lijn gevolgd door Dendermonde Eeklo, Zele Aalst en Lokeren, Geraardsbergen zakt weg naar een gedeelde 14de positie (Lokeren en Zele cirkelden ook voor 1918 reeds rond een top 10-plaats).

 

Daarnaast kan ook nog worden opgemerkt dat de kleinere hoogvliegers die eerder werden opgemerkt hun inspanningen blijkbaar vooral vóór 1918 hebben geconcentreerd, voor Nukerke bijvoorbeeld worden na 1918 slechts twee wijdingen opgetekend. Eén van de verrassingen voor de periode na 1918 is trouwens mijn eigen gemeente Wachtebeke die er toen in slaagde 9 priesters voort te brengen. Voor de positie van de andere gemeenten verwijs ik graag nogmaals naar de bijlagen waar elke gemeente voor beide periodes kan teruggevonden worden.

 

Naast een bespreking van de gemeenten past ook een eerste blik op de gebieden die een groot aantal priesters hebben voortgebracht. De kaart die straks zal volgen is daar uiteraard beter voor geschikt maar het belang van de grote steden als belangrijkste priesterleveranciers blijkt veel beter uit de kaart die in dit eerste deel wordt besproken aangezien hun belang zal worden weggevlakt in de volgende kaarten.

 

Als we nogmaals naar kaart 1 kijken vallen allereerst een aantal zeer donkere vlekken op waar veel priesters vandaan komen, dit zijn dus de steden. Interessanter is dat rond die vlekken dikwijls vrij lichtgekleurde gebieden liggen, dit zou er eventueel op kunnen wijzen dat de randgemeenten rond sommige steden zich niet onderscheiden in een roepingbevorderend klimaat. Voorbeelden hiervan zijn Sint-Niklaas, Oudenaarde en bovenal Geraardsbergen. Later zal blijken dat dit fenomeen dikwijls te wijten is aan het kleine inwonertal van deze gemeenten zodat het belang van deze opmerking zeer sterk moet gerelativeerd worden.

 

Verder kan duidelijk een diagonaal worden opgemerkt die loopt van het noordwesten ongeveer onder Maldegem, verdergaat onder Gent en eindigt in het Zuidoosten onder Ninove. Het is duidelijk dat globaal genomen de gemeenten boven deze lijn meer priesters hebben voortgebracht dan die er onder. Daar kunnen natuurlijk verschillende oorzaken voor worden aangereikt; zo liggen in het deel onder de lijn zeer veel kleine gemeentes met een klein inwonertal wat de kansen op een hoog aantal wijdingen sterk beperkt. Bovendien staan zowel de streek onder Gent als die rond Geraardsbergen bekend voor hun weinig religieus klimaat, dit is echter ook het geval voor de streek rond Moerbeke-Waas dat boven de lijn ligt. De streek rond Ronse daarentegen komt nog verbazend sterk uit de cijfers, op de drie gemeentes die Oost-Vlaanderen van Henegouwen heeft overgeërfd na natuurlijk dewelke hun priesters ofwel aan een ander bisdom hebben afgeleverd ofwel geen priesters hebben voortgebracht (infra).

 

Tot slot kunnen nog enkele gebieden worden aangeduid die het bijzonder goed lijken gedaan te hebben. In het Noordwesten van de provincie is dat de streek rond Eeklo, met aansluitend Maldegem, Sint-Laureins, Kaprijke, Waarschoot en Zomergem. In het Waasland ligt het grootste winningsgebied met zeer hoge cijfers in een aaneengesloten gebied dat zich uitstrekt over Lokeren, Sinaai, Zele, Hamme, Dendermonde en verder naar het zuiden kan worden aangevuld met Sint-Gillis, Lebbeke en Buggenhout.

De bedroevendste cijfers worden opgetekend in een brede band vlak onder de diagonaal die zopas werd beschreven. Ook zijn er enkele clusters van gemeenten aan te duiden waar helemaal geen priesters uit voortkwamen. Een voorbeeld daarvan is een gebied in de Zwalmstreek gevormd door Dikkele, Beerlegem, Meilegem, Nederzwalm, Sint-Maria-Latem en Paulatem, dit zijn natuurlijk wel allemaal zeer kleine gemeenten, wat ons verplicht dit gebrek aan priesters te relativeren.

 

 

4c Aantal inwoners voor één priester uit een bepaalde gemeente.

 

Kaart 2 Aantal inwoners van een gemeente per priester die uit die gemeente voortkomt

 

Na de voorstelling van het absolute aantal priesters uit de verschillende gemeenten, wordt nu het aantal inwoners dat nodig was om 1 priester voort te brengen in de verschillende gemeenten voorgesteld. Een dergelijke benadering levert om evidente redenen een veel beter inzicht in de reële inspanning die door de verschillende gemeenten werd geleverd. Het spreekt immers voor zich dat uit steden een vrij groot aantal priesters in absolute cijfers voortkwam.

 

Voor deze kaart werd dus het inwonertal gedeeld door het aantal priesters afkomstig uit de respectievelijke gemeenten.

Het gaat opnieuw enkel om de priesters die geboren werden in het bisdom Gent. De cijfers voor het aantal priesters zijn dus dezelfde als die gebruikt werden bij de opmaak van het vorige kaartje. Voor het inwonertal van de gemeentes heb ik de cijfers uit de officiële bevolkingstellingen van 1846, 1856, 1866, 1876, 1880, 1890, 1900, 1910, 1920 en 1930 opgeteld, en het resultaat van deze som gedeeld door 10 (Vanaf nu aangeduid als P46-30).

Ik besef dat deze werkwijze niet volledig volgens het boekje is maar ik denk dat door zo te werken het best mogelijke beeld wordt gegeven van de bevolkingssterkte van de verschillende gemeenten doorheen de volledige periode, omdat op deze wijze de bevolkingsevolutie optimaal wordt opgevangen.

Ik werd tot zo’n werkwijze gedwongen doordat de beperkte grootte van de populatie enerzijds (1835 individuen lijkt zeer veel maar is dat eigenlijk niet) en het zeer grote aantal categorieën anderzijds (298 gemeentes) de mogelijkheden tot een analyse per tijdsvak nogal beperkten.

Een poging tot een indeling in twee groepen (zoals bij kaart 1) werd ondernomen, maar deze leverde weinig andere inzichten dan dat dezelfde gemeenten die ook reeds in het vorige hoofdstukje konden worden aangeduid ietwat terugvielen of vooruitgingen in hun inspanningen op pastoraal vlak. Om deze reden heb ik uiteindelijk dan ook beslist de lezer niet onnodig lastig te vallen en werd de populatie in dit hoofdstukje enkel onverdeeld bestudeerd.

 

Vooraleer naar het werkelijke onderwerp van dit hoofdstuk over te gaan (inwoners per priester) wil ik eerst enkele indrukken meegeven over de kaart die wordt verkregen als enkel de cijfers van P46-30 worden afgezet. In deze kaart worden dus de gemiddelde inwonersaantallen van de gemeenten van het Bisdom weergegeven.

 

Het is waarschijnlijk niet nodig om nogmaals toe te lichten hoe die cijfers werden bekomen, wel van belang is dat de gemeenten zoals trouwens uit de legende kan worden afgelezen zijn opgedeeld in 5 categorieën. Dit zijn dan 0 t/m 2.000 inw., 2.000t/m 5000inw., 5.000 t/m 25.000 inw., 25.000 t/m 100.000 inw., en tenslotte de gemeenten met meer dan 100.000 inw.

 

 

Kaart 3 Aantal inwoners per gemeente volgens P46-30

 

De indeling is ditmaal niet zomaar willekeurig gekozen. Deze vijf klassen worden ook gehanteerd in de volkstellingen en werden door verscheidene auteurs in hun analyses overgenomen. Deprez en Vandenbroeke beschouwden de eerste twee categorieën (0 tot 5000 inwoners) als plattelandsgemeenten, de derde categorie vormden de ‘regional service centres’ (5000-25000 inwoners), de laatste twee categorieën groeperen dan de middelgrote en grote steden. (met respectievelijk meer dan 25000 inwoners en meer dan 100.000 inwoners).[86]

 

Als kaart 3 nu naast die van het aantal priesters per gemeente wordt gelegd dan zal men moeten toegeven dat een zeer gelijkaardig beeld wordt bekomen. De meeste conclusies dewelke aan kaart 1 werden verbonden blijken dan ook voorbarig of moeten toch op zijn minst met een flinke korrel zout worden genomen.

De belangrijkste opmerking die bij kaart 1 werd gemaakt was dat er schijnbaar een diagonaal doorheen het bisdom liep. Deze maakte de verdeling tussen een Noord-Noordoostelijk deel met over het algemeen vrij veel priesters per gemeente en een Zuid-Zuidwestelijk deel met veel minder priesters per gemeente.

Uit Kaart 3 blijkt nu dat deze twee gebieden in grote lijnen samen vallen met respectievelijk de gemeenten met grote inwonertallen en die met kleine inwonertallen. De meer specifieke opmerkingen die werden gemaakt over kleinere gebieden met extreem weinig of extreem veel priesters blijven natuurlijk van kracht.

 

Als aanzet tot een bespreking van kaart 2 zijn hieronder nog enkele grafieken afgebeeld die eigenlijk het resultaat zijn van een vergelijking van kaart 1 met kaart 3. Op de linker grafiek staat aangegeven hoe groot het proportioneel gewicht naar inwonertal was van de gemeenten van de hierboven vermelde groottes in het Bisdom Gent. Op de rechtse grafiek wordt dan opnieuw proportioneel weergegeven hoeveel priesters voortkwamen uit die gemeenten, op dezelfde manier ingedeeld. De inwonertallen die gehanteerd werden om de gemeentes te rangschikken zijn nog steeds die van P46-30.

 

Grafiek 10 procentueel aantal inwoners (boven) en aantal priesters (onder), gerangschikt volgens groottecategorieën van de gemeentes

 

Bij een totaal evenredige verdeling van de priesters over de gemeentes zouden de balkjes links en de balkjes rechts uiteraard exact even groot moeten zijn, U zal reeds gemerkt hebben dat dit niet het geval is.

Als wij snel even de verschillende categorieën overlopen dan blijkt dat de kleinste gemeentes het iets beter doen dan wat uit een evenredige distributie zou volgen maar eigenlijk blijven ze naar mijn aanvoelen lichtjes onder de verwachtingen. Het gaat hier om plattelandsgemeentes en aangezien in de literatuur meestal nogal lyrisch wordt gedaan over het religieus klimaat in dergelijke gemeenten kan dit toch een kleine verassing worden genoemd.

Voor de tweede categorie krijgen we een iets ander beeld, ook zij doen het eigenlijk zo slecht nog niet, maar toch slagen zij er niet in hun evenredige deel in te brengen. Zij blijven voor mij dus in nog grotere mate dan de kleinste categorie ruim onder de verwachtingen, aangezien het opnieuw plattelandsgemeentes betreft waar toch meer van verwacht kan worden. Hun achterstand blijft wel binnen de perken en ik zou de toestand zeker niet als dramatisch bestempelen.

 

Vervolgens komen we bij de overgangsgebieden, de ‘Regional Service Centres’ van Vandenbroeke. Zij blijken zeer grote leveranciers van seculiere roepingen te zijn in het bisdom Gent. Terwijl een 475-tal priesters uit deze gemeenten zou kunnen worden verwacht als men voortgaat op de eerste grafiek, slagen zij er in niet minder dan 539 priesters voort te brengen, wat hen dus meer dan 13% boven de verwachtingen doet uitstijgen.

 

De vierde categorie, die van de middelgrote steden, blijkt nog sterker oververtegenwoordigd te zijn, wat een aantal theorieën over a-religiositeit in een stedelijk milieu toch wel tegenspreekt. Zij brengen 168 priesters in, wat ver boven de 97 ligt die konden worden verwacht vanuit de linkse grafiek. Wel dient hier gewezen te worden op de speciale situatie die veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van het Klein-Seminarie te Sint-Niklaas en de colleges in de meeste andere kleine steden die het aantal roepingen aldaar fors de hoogte in hebben gejaagd.

Tenslotte komen we dan terecht bij Gent dat alle clichés over de goddeloze stedelingen terug in ere herstelt. Gent huisvestte 14,6% van de inwoners van het bisdom en slaagde er niet in meer dan 7,2% van de priesters voort te brengen. Hier mag niet vergeten worden dat in Gent zeer veel kloosterordes waren gevestigd die veel roepingen naar zich toetrokken. Dit neemt echter niet weg dat in Gent een klimaat heerste dat blijkbaar niet echt bevorderlijk was voor seculiere roepingen. Van Gent mocht ook niet veel anders verwacht worden aangezien deze stad uitgegroeid was tot een socialistisch bastion en nog slechts 20% van de ingezetenen de zondagsmis bezochten[87].

In ieder geval kan vanuit onze gegevens de klassieker in de religieuze geschiedschrijving, die stelt “hoe groter de agglomeratie, hoe lager de kerkelijkheid”[88], niet zonder nuancering bevestigd worden.

 

Dan wordt het tijd om dieper op kaart 2 in te gaan. Net zoals bij kaart 1 is de indeling in categorieën zoals die in de legende kan worden afgelezen volledig willekeurig gekozen, natuurlijk opnieuw met de betrachting om de verhoudingen tussen de gemeenten zo duidelijk mogelijk naar voor te laten komen.

 

Deze kaart moet een duidelijker beeld geven van wat werkelijk het gewicht was van de gemeenten en gebieden qua inbreng in het Gents diocesaan priesterkorps van het interbellum. Kaart 2 (en uiteraard de cijfers die daarachter zitten en zijn opgenomen in bijlage) leent zich daar veel beter toe dan kaart 1 om de reden die hierboven reeds werd aangehaald, het is nl. logisch dat een grote stad als Gent veel meer priesters voortbrengt dan een kleine plattelandsgemeente.

Om echter via de inbreng van seculieren een idee te krijgen van het religieuze klimaat in een gemeente moeten de cijfers gekoppeld worden aan het inwonertal van die gemeente. Kaart 2 toont ons dus uit welke gemeenten, en beter nog uit welke gebieden in relatieve cijfers de meeste, en natuurlijk ook de minste priesters komen.

 

De gemeenten met het kleinste aantal inwoners dat nodig is om een priester voort te brengen zijn heel andere dan degene die helemaal bovenaan stonden bij de verdeling naar priesters per gemeente. We herinneren ons uit kaart 1 dat daar allemaal steden bovenaan stonden, dit is hier helemaal niet het geval.

Daarstraks werd de top drie gevormd door Gent, Sint-Niklaas en Ronse, deze steden komen nu slechts op een respectievelijke 219e, 16e en 46e positie. Gent doet het dus eigenlijk zeer slecht met zijn 1128 inwoners om een priester voort te brengen.

De prestatie van Sint-Niklaas met per 228 inwoners een priester daarentegen is eigenlijk ongelooflijk sterk als wij ons realiseren dat dit de tweede grootste stad is van het bisdom. U begrijpt immers dat het voor een kleine plattelandsgemeente eigenlijk stukken gemakkelijker is om relatief veel priesters voort te brengen, in een gemeente met slechts enkele honderden inwoners moeten namelijk niet meer dan enkele gezinnen een paar van hun zonen uitsturen om dit te bereiken terwijl in grote steden het effect van zo’n priesterrijk gezin veel meer wordt uitgevlakt en een zeer grote inspanning in de breedte moet worden geleverd.

 

Het zal ons dan ook niet verbazen dat de toppers in deze indeling meestal zeer kleine gemeenten zijn, op nummer 1 staat Oostwinkel, een gemeente met gemiddeld toch nog bijna 1000 inwoners. Daarna gaat het helemaal loos met onooglijke gemeentes als respectievelijk Smeerebbe-Vloerzegem, Lieferinge en Sint-Kornelis-Horebeke.

De kleinere gemeenten die bij kaart 1 werden opgemerkt vanwege hun sterke inbreng aan priesters staan logischerwijs ook in deze indeling hoog genoteerd. Denderhoutem staat op 12, Eine op 9 en Nukerke haalt zelfs een 5e positie.

Een aanvulling hierop kan zijn dat Oudenaarde dat eigenlijk toch maar een heel klein stadje is (6030 inw.) bij kaart 1 zeer hoog genoteerd stond (een zevende positie om precies te zijn), logischerwijze zal zij het dan ook bij de indeling van kaart 2 zeer goed doen met 188 inwoners per priester wat resulteert in een 10e positie.

 

Naast priesterrijke gemeenten zijn er zoals bij kaart 1 werd opgemerkt ook de gemeenten die bijna of helemaal geen diocesane priesters hebben voortgebracht, bij deze laatste gemeenten kan dus niet gezegd worden hoeveel inwoners er nodig waren per priester in het interbellum. Over de heel kleine plattelandsgemeentes zal ik het hier niet meer hebben, want daar gaat het meestal toch om een toeval, er werd echter ook reeds gewezen op een aantal grotere gemeenten die ver onder de verwachtingen bleven.

De grotere gemeenten die bij kaart 1 werden opgemerkt vanwege hun zeer zwakke inbreng eindigen ook hier uiteraard zeer laag. Er werd toen meer bepaald over Denderleeuw en Burcht gesproken die slechts 1 priester voortbrachten, dit bezorgt hen in de indeling van kaart 2 respectievelijk een 254ste en een 258ste positie op een totaal van 259 gemeenten met priesters. Andere grote gemeenten met een relatief zeer klein aantal priesters zijn Zwijnaarde, Balegem, Steendorp en als zwakste van allemaal Destelbergen, tegenwoordig een deelgemeente van Gent. Outre is zoals in kaart 1 werd aangegeven de grootste gemeente die er in slaagde helemaal buiten de statistieken te blijven

 

Vooraleer aan te vatten met een bespreking van de priesterrijke of –arme gebieden wil ik eerst nog enkele woorden weiden aan de verdeling over de verschillende arrondissementen. Welke gemeenten tot welk arrondissement behoren, kan worden nagekeken op de grote kaart die werd bijgevoegd.

 

Voor het hele bisdom geldt dat er uit elke 558 inwoners één priester voortkwam. Eigenlijk blijven op één na alle arrondissementen onder dat cijfer; Oudenaarde met 401 inwoners per priester komt als priesterrijkste arrondissement naar voren, daarna komt Sint-Niklaas met 453 opnieuw op de voet gevolgd door Aalst met 460. Een stuk minder presteren Eeklo en Dendermonde met respectievelijk 499 en 502 inwoners per priester.

Dat het gemiddelde desondanks toch nog vrij sterk wordt opgetrokken ligt volledig aan het grootste arrondissement van allemaal, namelijk Gent dat meer dan een derde van de bevolking herbergde en 904 inwoners nodig had om een priester voort te brengen.

 

Bij een eerste blik op de gebieden die veel priesters voortbrachten per inwoner valt onmiddellijk op dat we een totaal ander beeld krijgen dan bij kaart 1. Het belang van verschillende van de grote steden die bij kaart 1 nog zeer donker werden weergegeven is zoals reeds kon worden verwacht volledig weggevlakt. Ook de diagonaal die reeds tweemaal werd besproken (supra) is volledig weggevallen.

Algemeen kan gesteld worden dat het oosten van de provincie het iets beter doet dan het westen, dit hadden wij ook reeds kunnen verwachten aangezien hierboven reeds werd gestipuleerd dat het arrondissement Gent het zeer slecht doet inzake inwoners per priester. Dit kan zeer duidelijk opgemerkt worden als men met de grenzen van het arrondissement indachtig deze kaart beschouwt.

 

Het lijkt er ook op dat ten Noorden van Gent het kanaal Gent-Terneuzen een soort van natuurlijke grens vormt tussen de priesterrijke (altijd relatief ten opzichte van de bevolking uiteraard) en de priesterarme gemeenten. Zo krijgen we aan de rechteroever van dit kanaal een gebied Wachtebeke, Sint-Kruis-Winkel, Mendonk, Desteldonk, Oostakker met zeer goede cijfers onder 500 inwoners per priester terwijl op de linkeroever de lijn van Gent wordt doorgetrokken. Meer bepaald door Wondelgem, Evergem, Sleidinge, Ertvelde, Assenede en Zelzate. Deze hebben allen ruim 2000 inwoners nodig voor 1 priester.

Andere zeer sterke gebieden in het Westen van de provincie vinden wij in de streek rond Eeklo (behalve dan de gemeenten ten Westen van deze stad die het opnieuw iets minder doen).

 

Het grootste deel van het Zuiden van het bisdom is naar verhouding met de bevolking vrij goed vertegenwoordigd, al zijn de zeer sterke gemeenten hier meer verspreid dan in de twee gebieden die juist werden besproken. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de vele kleine gemeenten in deze streek waar dikwijls een toeval kan leiden tot een hoog of laag cijfer in deze verdeling.

Dat neemt niet weg dat enkele zeer sterke clusters te voorschijn komen zoals de streek rond Oudenaarde met gemeenten als Eine, Bevere en Mater en die rond Ronse met gemeenten als Nukerke en Zulzeke. Ik zal hier niet alle gemeenten opnoemen die bij deze clusters kunnen worden gerekend, de lezer kan ze zelf nalezen van de kaartjes. Algemeen kan gesteld worden dat de Zuidwestelijke hoek met uitzondering van vooral de Franstalige gemeenten (Orroir, Russeignies en Amougies) zijn beste beentje voorzet.

 

Meer naar het Zuidoosten van het bisdom kunnen nog altijd vrij veel sterke gemeenten worden opgemerkt. Doordat het hier vooral om zeer kleine gemeentes gaat krijgen we te maken met een mozaïek van priesterrijke en priesterarme gemeentes vlak naast elkaar, zonder veel structuur.

In de Zwalmstreek merken we bijvoorbeeld enerzijds de gemeentes zonder priester op die reeds in het vorige hoofdstukje uit de doeken werden gedaan, met vlak daarnaast een aantal gemeentes als Munkzwalm met zeer weinig inwoners per priester. Dit contrast moet volledig verklaard worden vanuit de lage inwonertallen van die gemeentes zoals van kaart 2 kan worden afgelezen.

 

Verder omhoog langs de oostgrens van het bisdom kan tenslotte een ruim gebied worden omschreven dat het in deze zeer sterk doet. Als we enkele grotere gemeenten opnoemen uit dat gebied spreken wij, bovenaan beginnend, over Sint-Niklaas, gevolgd door Beveren, Temse en Bazel met daarbij aansluitend naar het Zuiden Tielrode, Hamme, Dendermonde, Zele, Sint-Gillis, en Buggenhout. Ook Overmere en een groot aantal kleinere gemeenten kunnen wij hier gemakkelijk bij laten aansluiten.

Naar aanleiding van kaart 1 werd de streek rond Lokeren als een zeer sterke leverancier van priesters bestempeld, als de bevolkingscijfers worden ingebracht blijft dit gebied beter dan gemiddeld scoren, maar de streek komt toch veel minder sterk naar voor dan bij kaart 1.

 

Samenvattend kan naar aanleiding van kaart 3 gesteld worden dat het Zuiden van het bisdom het over het algemeen iets beter doet dan het Noorden, het Oosten iets beter dan het Westen. Een betere manier om de toestand te beschrijven is misschien de vaststelling dat het zwakste gebied centraal rond Gent ligt met uitlopers naar het Noorden en het Westen.

 

 

4d Aantal inwoners per parochiepastoor in een gemeente.

 

Kaart 4 Aantal inwoners van een gemeente per priester die in die gemeente actief was in het jaar 1930.

 

Origine

 

Op deze kaart wordt aangeduid per hoeveel inwoners in 1930 een betrekking voor een pastoor, onderpastoor, kapelaan of habituant beschikbaar werd gesteld in de gemeentes behorende tot het bisdom.

 

De cijfers hiervoor zijn afkomstig uit het Jaarboek van het Bisdom Gent. Hier staat dit wel per parochie aangegeven, maar er zijn jammer genoeg nergens volledige gegevens te vinden over de inwonertallen en precieze omschrijvingen van de parochies. Het was daarom praktischer om de verschillende parochies binnen 1 gemeente samen te nemen zodat een bevolkingsaantal uit de bevolkingstelling van 1930 kon worden genomen en bovendien een grafische voorstelling zoals ze hierboven staat afgebeeld mogelijk werd.

Het gaat zoals gezegd om de beschikbare plaatsen en niet om de ingevulde plaatsen. Waar het de hoofdpastoors betreft kwam dit toen nog overeen, voor onderpastoors, kapelaans en vooral habituanten waren er wel een aantal openstaande betrekkingen. Ik heb deze keuze gemaakt omdat het aantal betrekkingen dat beschikbaar werd gesteld per parochie doorheen de volledige periode vrij constant is gebleven, al moet hierbij opgemerkt worden dat toch enkele nieuwe parochies werden gesticht, 14 meerbepaald. Dit betekende dus een verhoging van het totaal van 367 in 1919, naar 381 op het einde van de periode, er waren in 1930 778 plaatsen beschikbaar, waarvan er op dat moment een 740-tal waren ingevuld.

 

De bedoeling van deze kaart ligt erin na te gaan of er een verband kan worden gelegd tussen het aantal priesters dat voor de zielzorg instond en het meer of minder frequent voortkomen van priesters uit deze gemeenschappen. Ik ben er van overtuigd dat er zeker een aantal redenen te bedenken zijn die een dergelijk verband niet onwaarschijnlijk maken.

Ten eerste worden vele seculiere roepingen toegeschreven aan de indruk die de persoon van de parochiepriester maakt op de toekomstige seminarist. Het is duidelijk dat het contact dat de priester onderhoudt met zijn parochianen des te nauwer zal zijn als hij slechts voor een kleine gemeenschap de zielzorg moet verrichten.

Verder wordt dikwijls gewezen op het probleem dat de pastoor vaak nogal ver van zijn parochianen afstond en dat het contact met de onderpastoors dikwijls veel nauwer was[89]. Een ruime aanwezigheid van onderpastoors ligt uiteraard in het verlengde van bovenstaande kaart, in bijlage werd ook de lijst opgenomen met de plaatsen als onderpastoor die in 1930 werden ter beschikking gesteld.

Daarnaast werd extra parochiepersoneel dikwijls mee bekostigd door de parochiegemeenschap. In de bespreking van kaart 9 wordt gesteld dat enkel een rijke gemeenschap hiertoe in staat is. Dat is zeker waar, maar zonder een diep religieuze overtuiging zal ook een rijke gemeenschap niet vrijwillig tot een dergelijke investering overgaan, en natuurlijk is het zo dat een diepgelovige gemeenschap meer priesters voortbrengt dan een meer geseculariseerde parochie.

Het is echter ook mogelijk dat bepaalde gemeenten die bekend stonden om hun tanende religieuze enthousiasme als een soort van ‘missiegebied’ werden beschouwd, en men vanuit die optiek meer personeel naar de bewuste parochies uitzond om aldaar het tij te keren. Van deze gemeenten moet dus hoogst waarschijnlijk geen hoog aantal priesters verwacht worden.

 

Over naar de resultaten dan maar. Hier merken we dat vooral de kleine gemeentes goed toebedeeld blijken te zijn. Uiteraard had elke parochie haar eigen parochiepastoor, hoe klein ze ook was, ik denk dat hier een deel van de verklaring ligt voor de tamelijk grote inbreng van priesters uit de zeer kleine gemeentes. Ik verwijs daarbij naar grafiek 10 waarbij werd opgemerkt dat de kleinste plattelandsgemeentes meer priesters voortbrachten dan de grotere (zie supra).

Het heeft weinig zin al deze kleine gehuchten te beginnen opnoemen, in 1930 was Paulatem de kleinste gemeente binnen de grenzen van het bisdom, dus komt zij in de indeling volgens kaart 4 automatisch op nummer 1, als tweede volgt Dikkele. Smeerebbe-Vloerzegem dat op nummer 3 staat had ondanks zijn weinige inwoners (551 in 1930) in theorie plaats voor twee priesters omdat het om twee afzonderlijke parochies gaat, dit brengt deze gemeente natuurlijk zeer hoog in de rangschikking. Doorgaans werden beide betrekkingen echter door één persoon ingevuld, zodat we hier enigszins zouden kunnen worden misleid door de cijfers. In het interbellum gebeurde het verder in tegenstelling tot wat heden ten dage, maar zo ook aan het begin van de 19e eeuw de gebruikelijke praktijk was, zeer zelden dat één persoon verantwoordelijk werd gesteld voor meerdere parochies.

 

De eerste gemeente met meer dan 2000 inwoners in deze rangschikking is Kallo, een gemeente waarover ik liever geen zware uitspraken zou doen omdat ze dicht aanleunt bij Antwerpen, en mogelijks roepingen heeft afgestaan aan Mechelen.

De volgende gemeenten met meer dan 2000 inwoners in de indeling zijn Delbergen, Lotenhulle en Outer, allen gemeenten die het uitermate slecht deden in het aantal inwoners per priester. Wat de geloofwaardigheid van de theorie omtrent de missiegedachte(supra) kracht bijzet.

 

Verder zien wij dat de grotere steden allemaal helemaal achteraan moeten gezocht worden. Voor Gent (284ste positie, met bovendien meetelling van 8 habituanten die eigenlijk op emeritaat waren en zich dan ook niet veel meer met zielzorg bezighielden en daarrbovenop een vrij groot aantal openstaande betrekkingen, vooral voor kapelaans) kan dit helpen begrijpen waarom de kloof tussen de bevolking en de kerk steeds groter werd.

De meeste kleinere steden deden het echter vrij goed inzake het aantal inwoners per afgeleverd priester, ondanks hun lage positie in de rangschikking bij kaart 4. Sint-Niklaas bijvoorbeeld moet het doen met slechts 15 priesters (dat maakt 1 per 2596 inwoners) wat hen op een 292ste plaats brengt (op een totaal van 298 gemeenten nog steeds) in de rangschikking. Bij de steden doet enkel Oudenaarde het iets beter met 1 actieve priester per 1266 inwoners.

 

Ik zou dan ook durven stellen dat wij voor de grotere gemeenten, behalve dan voor Gent dat duidelijk te weinig priesters krijgt toebedeeld indien men zo de situatie wou keren, weinig kunnen afleiden uit de invloed die uitgaat van het aantal priesters dat een parochie krijgt toegewezen. Voor de kleinere gemeenten geldt niet zelden dat een extra onderpastoor ondanks een zeer kleine bevolking kan wijzen op een diepe religiositeit aldaar en dikwijls samengaat met een vrij hoge inbreng in het priesterkorps dat in deze studie wordt besproken. Voorbeelden hiervan zijn Desteldonk, Kwaremont en Elst. Dat het hier om zeer kleine gemeenten gaat brengt echter met zich mee dat er minstens evenveel tegenvoorbeelden te vinden zijn die dit besluit tegenspreken.

 

Spreiding

 

Naast een bespreking van de origine van de priesters is het in deze studie de bedoeling om ook meer algemeen iets te zeggen over ‘de priesters in het bisdom Gent tijdens het interbellum’. In dat kader past een kort woordje louter over de bovenstaande kaart, voorbijgaand aan het belang dat zij in het kader van het roepingbevorderende klimaat zou kunnen hebben.

 

Ik zal mij hierbij beperken tot enkele korte beschouwingen, waarbij ook het kaartje met het absolute aantal priesters dat naar de gemeenten wordt gestuurd is opgenomen. Dit is naar mijn mening iets interessanter in dit kader.

Als we dus kijken naar kaart 4 met het aantal inwoners per priester die naar een gemeente wordt gestuurd, blijkt dat zoals hierboven vermeld de kleinste gemeentes veel priesters krijgen toebedeeld. Als wij nu echter het kaartje met de bevolkingsdichtheid dat later nog wordt besproken erbij halen en daarbij dan nog eens de kaart met het belastbaar inkomen dat eveneens later nog aan bod zal komen (het wordt inderdaad ingewikkeld maar het staat de lezer vrij naar het volgende hoofdstuk door te bladeren). Dan blijkt dat de grafische voorstelling van de gemeenten met een laag aantal inwoners per priesterbetrekking een samenvoeging is van de minst dichtbevolkte gebieden en de gebieden met een zeer hoog belastbaar inkomen per capita.

Voor het eerste denk ik dan aan de uiterste Noordoostelijke punt van het bisdom, meerbepaald de streek rond Doel, Kallo, Kieldrecht e.d.m. en een Noordwestelijk gebied rond Sint-Jan-In-Eremo aangevuld met het grootste deel van de rest van de Westgrens van het bisdom. Dit zijn zoals reeds hoger werd besproken vaak gemeenten met meerdere parochies maar met slechts een beperkt aantal inwoners.

De hoogste belastbare inkomens per capita vinden we gedeeltelijk in dezelfde gebieden terug, maar dan aangevuld met de Zuidwestelijke punt van de provincie. Hier gaat het dus zoals eveneens eerder werd aangegeven om de gemeenten die zelf konden instaan voor de bezoldiging van extra personeel. Natuurlijk kloppen deze opmerkingen niet in alle gevallen maar ze geven toch een trend aan die niet kan ontkend worden.

 

Kaart 5 Aantal priesterbetrekkingen in de parochiale zielzorg in het bisdom Gent in 1930

 

Ik zou kaart 5 opnieuw zoals de voorgaande zeer uitgebreid kunnen ontleden, maar ik zal mij beperken tot enkele opmerkingen waarvan één onmiddellijk uit de legende kan worden afgeleid. Daar blijkt dat alle gemeenten in het bisdom behalve een beperkt aantal steden het met minder dan 6 priesters moesten doen.

Als we dit vergelijken met de verschillen in bevolkingsaantal die bestaan tussen deze gemeenten dan zien wij snel in dat dit met zich meebrengt dat het verschil in aantal inwoners tussen de verschillende gemeenten en gebieden niet evenredig wordt opgevolgd door een even groot verschil in aantal bedieners van het geloof. Of korter gezegd: het volkrijker noorden van de provincie krijgt naar verhouding te weinig priesters.

 

We krijgen dus zoals eerder reeds werd vastgesteld een veel kleiner aantal inwoners per priester in de kleine gemeenten. Ik ging reeds in op wat dit voor de parochianen kon betekenen, meerbepaald op de mogelijks nauwere band tussen parochiegemeenschap en priester. Er waren echter ook gevolgen voor de priester.

Deze had het misschien wel rustiger in een kleine parochie maar dat betekende ook dat hij veel minder inkomsten had uit huwelijken, doopsels en dergelijke meer. Voor sommige priesters die niet op een voldoende eigen familiekapitaal konden terugvallen was het dan ook niet steeds even leuk om naar een dergelijke parochie ‘verbannen’ te worden.

 

De ‘goede’ plaatsen waren echter beperkt. De gemeentes met minder dan 5000 inwoners stelden 416 priesters te werk op een totaal van 778 plaatsen, dat maakt dus 53%. In die gemeentes woonden echter slechts 440338 inwoners, wat 38% is van de bevolking op dat moment.

Dit lijkt nogal mee te vallen maar als wij bedenken dat in de kleine gemeenten vrijwel alle betrekkingen werden ingevuld terwijl in de grotere omschrijvingen een aantal plaatsen vacant bleven, dan kunnen wij vrij stellen dat ruim 55% van de priesters die werkelijk in de pastorale zorg waren tewerk gesteld dit deden voor 38% van de bevolking; dewelke bovendien financieel nog het minst interessant was (vooral omwille van het kleiner aantal te vervullen betaalde sacramenten, supra).

Het lijkt mij dan ook niet onwaarschijnlijk dat velen zich toch enigszins tekort gedaan voelden en dat dit leiden kon tot een zekere concurrentiele naijver en promotiedrang. Ondanks alle mooie theorieën over het ‘gaan waarheen men gezonden wordt’. Ondertussen mag niet worden vergeten dat gehoorzaamheid dé basisregel blijft binnen de Kerk zodat de priesters eigenlijk zeer moeilijk beroep konden aantekenen tegen een ongewenste benoeming of overplaatsing[90].

 

 

4e Verband tussen het type gemeente en het aantal priesters dat uit die gemeente voortkomt.

 

Kaart 6 De gemeenten van het Bisdom Gent volgens de economische indeling van het NIS (1961)

 

Aangezien ik bovenstaande kaart, of althans de indeling die tot deze kaart leidde niet zelf heb gemaakt, zal in de bespreking ervan voor één keer niet het vertrouwde schema worden gevolgd.

Ten einde het onderscheid tussen stad en platteland zo dicht mogelijk te benaderen werd in vroegere studies meestal gewerkt met een indeling zoals die door Vandenbroeke[91] wordt vooropgesteld, nl. gebruikmakende van gemeentegroepen gevormd volgens de grootte van het inwonersaantal (supra).

 

Een indeling zoals in kaart 3 houdt niettemin een aantal zwakke punten in. Ik zou dan ook graag met de gemeente-indeling werken zoals die in 1961 door W. Van Waelvelde en H. Van der Haegen werd opgesteld[92]. Ik ben er om verschillende redenen van overtuigd dat hun indeling een grote meerwaarde kan bieden tegenover de voorgaande. Toch moet ze in deze studie als aanvullend worden beschouwd omdat ze voor de situatie zoals die in 1961 bestond werd opgesteld. Zij kan dus niet zonder meer met terugwerkende kracht op het interbellum worden toegepast.

 

De voordelen van de indeling die in de “Typologie van de Belgische gemeenten naar graad van verstedelijking” wordt gehanteerd zijn duidelijk. Gemeenten met een klein aantal inwoners kunnen een stedelijk karakter vertonen terwijl gemeenten met een groter inwonertal soms hun landelijk karakter hebben behouden.

De indeling uit de “Typologie” is bovendien ook beter dan deze die hierna nog gemaakt zal worden, nl. die naar bevolkingsdichtheid. Het is inderdaad zo dat sommige verstedelijkte gemeentes naast een dichtbebouwde kern ook nog een vrij groot, maar dunbevolkt gebied omvatten, dit heeft uiteraard zijn repercussies op de bevolkingsdichtheid. Dit probleem mag voor de steden zoals die tijdens het interbellum in het bisdom Gent bestonden echter niet overdreven worden. Nu, met de fusies uit de jaren zeventig achter de rug zou dit voor veel meer moeilijkheden zorgen.

 

De driedeling – platteland, verstedelijkte overgangsgemeente, stad - die ook door Vandenbroeke werd geopperd en bovendien internationaal in tal van studies op veel bijval mag rekenen kan dankzij het werk van Van Waelvelde op een meer verantwoorde manier bewaard blijven. Van Waelvelde en H. Van der Haegen kwamen tot een indeling in 10 subtypes die kunnen teruggevoerd worden op de hoofdtypes Agrarisch (type A), Intermediair (type B) en Stad (type C).

Zij onderscheiden achtereenvolgens in stijgende graad van verstedelijking voor type A de Agrarische Gemeenten, Gemeenten met Agrarisch Karakter, Gemengde Plattelandsgemeenten en Landelijke Woongemeenten. Voor type B zijn dat de Verstedelijkte Woongemeenten, Kleine Industriecentra en de Verstedelijkte Gemeenten met Sterke Pendel. Type C tenslotte werd opgesplitst in de Gewone Steden, Regionale Steden en als laatste de gemeenten die behoren tot Grote Agglomeraties.

 

Eerst vroeg men zich af wat verstedelijking juist is. Het gaat inderdaad om een complex verschijnsel dat zich op meerdere wijzen laat bestuderen. In België en in het bijzonder in de provincie Oost-Vlaanderen is de verstedelijking van eertijds agrarische gemeenten reeds lang een feit. Volgens Van der Haegen moet die verstedelijking vooral beschouwd worden als de spreiding over talrijke gemeenten van wat tot dusverre als geconcentreerde stedelijke elementen kon beschouwd worden.

 

Er is de verstedelijking in fysische of morfologische zin. Daarmee wordt het ruimtelijke aspect van de verstedelijking bedoeld. Of met andere woorden, de impact op het landschap, de nederzettingsvormen, de open of gesloten bebouwingswijze.

Vervolgens heeft de verstedelijking een belangrijke sociaal-economische component. Deze is best af te lezen uit de veranderende samenstelling van de beroepsbevolking. Hoofdkenmerk is uiteraard het dalende aandeel van de agrarische sector in meer verstedelijkte omschrijvingen. Fenomenen als industrialisering, en pendelverkeer worden in dit kader bekeken.

Een derde vorm van verstedelijking is de verschuiving in functionele zin van een gemeente. Steden hebben dikwijls een centrale administratieve en commerciële functie terwijl andere types van gemeentes eerder een woon- of producerende functie vervullen.

Ten slotte is er ook nog de verstedelijking als sociologisch en sociaal psychologisch fenomeen. Het accent wordt bij de beschrijving hiervan vooral gelegd op wijzigingen in de samenlevingsvormen, de gedragspatronen, de mentaliteit. Het is duidelijk dat hier een belangrijke verklarende factor zou kunnen liggen voor de evolutie in het aantal roepingen, om het neutraal uit te drukken.

 

Men moest dus objectieve criteria vinden om de graad van verstedelijking, zoals hierboven beschreven, te meten. Men hanteerde daartoe een combinatie van het inwonertal, de bevolkingsdichtheid, de economische en sociale structuur van de beroepsbevolking, het forensisme en het morfologische en functionele karakter van de gemeentes.

Het stedelijke karakter werd vanuit bovenvermelde en enkel aan de hand van deze bovenvermelde factoren bestudeerd in de indeling. Er werd dus geen rekening gehouden met het Koninklijk Besluit van 30 mei 1825 dat aan een beperkt aantal gemeenten de stedelijke titel had toegekend.

 

Ik zal nu niet specifiek bespreken welke gebieden meer of minder verstedelijkt zijn, dit laat ik volgaarne over aan de geografen, wel kunnen wij nagaan uit welke types van gemeenten meer of minder priesters komen en dan kijken naar de gebieden waar dat type gemeente zich vooral laat situeren. Uiteraard zal de kaart opnieuw worden vergeleken met kaart 2. Ook met de bevindingen bij kaart 3 en wat nog moet komen in het hoofdstuk over de sociale origine kunnen aanknopingspunten worden gezocht.

 

 De gegevens voor de opmaak van onderstaande grafieken waren opnieuw de gemiddelde bevolkingscijfers tussen 1846 en 1930, de cijfers aangaande de diocesane clerus zijn dezelfde van kaart 1 en 2. De gemeenten werden ingedeeld volgens kaart 6.

 

Tabel 1 Gemeenten, inwoners en priesters per gemeentelijk hoofdtype

 

Volgens Van Waelvelde bevatte het bisdom in 1961 129 agrarische gemeenten, 145 overgangsgemeenten (dus licht verstedelijkte) en 24 echte stedelijke gemeenten.

Als wordt gekeken naar de verdeling van de priesters over de verschillende hoofdtypes zoals die in de tabel hierboven wordt weergegeven dan moet men vaststellen dat zij onwaarschijnlijk trouw de verdeling van de inwoners over die hoofdtypes volgt. 25, 36 en 39% bij de bevolking en 25, 35 en 40% voor het aantal priesters dat uit de gemeenten voortkwam.

We zien dat de steden de beste verhouding inwoners per priester hebben. De gemeenten van type B, die ik nu maar de licht verstedelijkte gebieden zal noemen doen het het minst goed met 573 inwoners per priester, het platteland komt met 556, zoals blijkt zeer dicht bij het gemiddelde van 558.

We vinden dus niet de Franse situatie terug waar zoals door Boulard[93] wordt gesteld het platteland naar verhouding veel meer priesters leverde dan de steden. Aangaande de Nederlandse situatie in 1942 slaagde Mertens erin, zij het op onnavolgbare wijze, ‘uit één en ander’ te besluiten dat ook daar het platteland naar verhouding iets meer seculieren en regulieren leverde dan de steden.[94]

 

Als wij hier terugkoppelen naar kaart 3 dan blijkt dat het gewicht van de overgangsgemeenten volgens de indeling van Van Waelvelde veel kleiner is dan men zou afleiden uit kaart 3. Volgens Vandenbroecke wordt een gemeente immers slechts ‘Stad’ genoemd indien ze meer dan 25.000 inwoners bevat. Daardoor vallen zeer sterk scorende gemeenten als Oudenaarde en Geraardsbergen en Maldegem buiten de stedelijke omschrijving, deze worden wel opgevist door Van Waelvelde. Afgaande op deze resultaten kunnen wij dus besluiten dat het voor een stedelijke gemeente wel degelijk mogelijk is om goed te scoren in het afleveren van priesters.

 

Interessanter wordt het als we vervolgens naar de indeling in subtypes overschakelen.

 

Grafiek 11 Procentueel aantal inwoners en priesters naar subtype

 

Alles kan natuurlijk uit de tabel worden afgelezen maar ook de bovenstaande grafiek geeft reeds een idee van het relatieve belang van de verschillende subtypes. Bij de gemeenten van type A (Agrarische) is duidelijk dat de verdeling links en rechts vrijwel gelijk is. Dat betekent dus dat de priesters vrij goed volgens de bevolkingsverhoudingen verdeeld zijn over de verschillende subtypes.

Subtype A4, de Landelijke Woongemeenten, doet het hier het beste met één priester per 480 inwoners, dit kan te maken hebben met een relatief hoge welstand en geletterdheid in deze gemeenten in vergelijking met de meer achtergebleven gemeenten uit de eerste subtypes. Subtype A1, de Agrarische Gemeenten doet het vrij slecht, maar er worden slechts twee gemeenten tot dit subtype gerekend, dus zijn alle conclusies hieromtrent waarschijnlijk voorbarig.

Een agrarisch milieu is dus een agrarisch milieu en de iets verder gevorderde verstedelijking in de gemeenten van de hogere subtypes heeft klaarblijkelijk weinig invloed op het religieuze klimaat dat de seculiere roepingen zou kunnen bevorderen of afremmen. Verder moet hierover niet veel meer gezegd worden.

 

In de licht verstedelijkte gebieden zien wij dat de twee grootste subtypes, nl. B1 en B3 vrij goed de bevolking vertalen in een evenredig aantal priesters. Het kleinste subtype echter, dat is dan Subtype B2 of de Kleine Industriecentra slaagt er niet in verhoudingsgewijs voldoende priesters af te leveren. Zij groeperen 3,4% van de bevolking en halen slechts 1,9% van de priesters die tijdens onze periode in het bisdom actief waren, wat erin resulteert dat zij slechts 1 priester voortbrengen op elke 1005 inwoners.

Een verklaring hiervoor moeten we volgens Dellepoort zoeken bij fenomenen als industrialisatie, urbanisatie en emigratie die het aantal roepingen in een bepaalde streek sterk beïnvloeden. Hij stelt dat vooral in de overgangsgebieden problemen van structurele aard een geestelijke desintegratie oproepen die dan negatieve gevolgen zal hebben inzake het roepingcijfer[95].

 

Dit had vooraf kunnen voorspeld worden aangezien reeds lang bekend is dat arbeidersmilieus zowel door hun precaire financiële situatie als door hun zeer matige enthousiasme voor de Kerk niet direct een optimale voedingsbodem vormen voor priesterroepingen. In het hoofdstuk over de sociale origine zal trouwens blijken dat zeer weinig arbeiderszonen zich tot de Kerk laten roepen.

 

De interessantste kolom is echter die met de verdeling van de verschillende stedelijke subtypes. Zowel subtype C1 als subtype C2, dat zijn dan de Gewone en Regionale Steden, brengen veel meer diocesane clerici voort dan zou gebeurd zijn als zij gewoon naar verhouding met hun bevolking hadden geleverd. Het gaat zover dat de gewone steden per 390 inwoners een priester leveren, de regionale steden doen nog beter met 1 priester per 322 inwoners, dit laatste cijfer moet wel gerelativeerd worden omdat slechts twee steden (Aalst en Sint-Niklaas) tot dit subtype worden gerekend.

 

Het overwicht van de steden wordt echter net zoals we reeds bij kaart 3 hadden gemerkt eens te meer volledig tenietgedaan door het miserabele presteren van Gent en haar randgemeenten. Zij zijn verzameld in subtype C3 als delen van een grote agglomeratie, ook Burcht wordt trouwens als dusdanig beschouwd (uiteraard als deel van de agglomeratie Antwerpen.) Het is dus niet enkel Gent maar ook een aantal van haar huidige deelgemeenten die de globale situatie voor de steden verzieken.

 

Tabel 2 Gemeenten, inwoners en priesters per subtype

 

Als wij om af te sluiten kaart 6 vergelijken met kaart 2 dan valt op dat het vrij sterke gebied in het NoordWesten dat beschreven werd bij de behandeling van die kaart, samenvalt met een grote groene vlek op kaart 6. Dit is dus een agrarisch gebied waar blijkbaar een uitstekend religieus klimaat heerste.

Hetzelfde kan trouwens gezegd worden voor het gebied dat in het ZuidWesten van het bisdom werd onderscheiden. Het lijkt er wel op dat de verstedelijking hier toch iets verder was gevorderd zodat we hier meer overgangsgemeenten krijgen dan in het Noordwesten van de provincie, maar zolang er niet te veel industriecentra ontstaan is dat blijkbaar geen bezwaar. Misschien is de aanwezigheid van een dergelijke industriële activiteit wel de reden waarom onze Franstalige vrienden uit Amougies en omstreken zoals eerder reeds werd aangestipt geen priesters hebben ingebracht.

In het ZuidOosten kan op kaart 6 trouwens nog een zeer groene vlek, die wijst op een aantal landelijke woongemeentes, worden opgemerkt dewelke volledig omgeven wordt door grijze gemeenten van Types B1 en B3. Deze vlek komt overeen met een gebied dat verhoudingsgewijs zeer veel priesters voortbracht en als zodanig op kaart 2 kon worden teruggevonden. U heeft ondertussen wel begrepen waarop ik doel maar toch enkele namen van gemeenten behorende tot dit gebied: Smeerebbe-Vloerzegem, Aspelare, Sint-Antelinks,…

 

De industrialisering moet waarschijnlijk ook gezien worden als één van dé belangrijkste redenen waarom de gemeenten rondom Gent zo slecht presteerden. Zowel Merelbeke, Zwijnaarde, Sint-Denijs -Westrem als Destelbergen werden nog niet tot de stedelijke agglomeratie gerekend maar hadden wel een grote industriële aanwezigheid op hun grondgebied.

Verder valt op dat het sterke gebied dat in het Oosten van het bisdom in de streek van Dendermonde tot Sint-Niklaas werd opgemerkt eigenlijk allemaal gemeenten van type B of zelfs C beslaat. Ook dit is dus mogelijk.

 

Voor een blik op de evolutie nadien kan verwezen worden naar Morel[96] die in zijn onderzoek naar de geografische origine van de seculiere clerus die tussen 1955 en 1970 in het bisdom Gent werd gewijd deze zelfde indeling hanteerde. Ondanks de veel kleinere populatie die door hem werd onderzocht benaderen zijn resultaten zeer dicht wat wij konden vaststellen over de origine van een korps dat toch in een zeer lange periode, namelijk ongeveer tussen 1860 en 1939, werd gewijd.

Verdeeld over de hoofdtypes A, B, C komt hij tot respectievelijk 25, 35 en 40% van de priesters. Dat zijn zoals in tabel 1 kan worden afgelezen ook mijn resultaten. De verdeling over de subtypes zal ik niet volledig uit de doeken doen, daarvoor verwijs ik graag naar de studie van Morel zelf. Duidelijk is wel dat de Gentse Agglomeratie zich enigszins hersteld lijkt te hebben. Het aandeel van de verstedelijkte woongemeenten (subtype B1) gaat het sterkst achteruit. Dat in 1970 nog steeds dezelfde resultaten worden gehaald door de hoofdtypes kan ons enigszins verwonderen aangezien het aandeel van de plattelandsgemeentes qua inwonertal vrij snel ging tanen. Dit zorgde ervoor dat op dat moment nog slechts 18,3% van de bevolking in deze gemeenten woonachtig was (tegenover gemiddeld 25% in de periode 1846-1930).

 

 

4f Verband tussen de bevolkingsdichtheid en het aantal priesters afkomstig uit een bepaalde gemeente.

 

Kaart 7 Bevolkingsdichheid in het bisdom Gent in 1930

 

Ik blijf bij de bespreking van deze kaart het schema volgen al zal duidelijk zijn dat bij een kaart als deze het gevaar voor dubbelzinnigheden niet bijster groot is.

Wat wordt dus afgebeeld op deze kaart? Wel dat is vrij eenvoudig: de bevolkingsdichtheid per vierkante kilometer in de gemeentes van het bisdom Gent ten tijde van de bevolkingstelling van 1930.

 

We bekomen deze bevolkingsdichtheid door het aantal inwoners op dat moment te delen door de oppervlakte in km2 van de gemeente op datzelfde moment. Voor de opp. van deze gemeenten verwijs ik graag naar het werk van Vrielinck[97] waar deze allemaal staan verzameld, men kan uiteraard ook de bevolkingstellingen er op naslaan om zo tot dezelfde cijfers te komen.

 

Inderdaad, allemaal vrij evident. In ieder geval levert ons dit een mooie kaart op die vergeleken kan worden met kaart 2 en ons zo een idee kan geven of het de moeite loont de bevolkingsdichtheid te relateren aan het aantal priesters dat uit die gemeente voortkomt. Eigenlijk is dit een kaart die volledig in het verlengde van de vorige moet beschouwd worden omdat het opnieuw gaat over de urbanisatie (dewelke een begrippenpaar vormt met een stijgende bevolkingsdichtheid) als factor in het beroepingsbevorderend, of –verminderend klimaat. Bij de kaart gebaseerd op de studie van het NIS werden echter nog allerlei andere factoren in rekening gebracht (supra) jammer genoeg ging het over een momentopname in 1961, wat dus niet binnen de periode van onze studie valt.

Deze kaart 7 werd opgenomen omdat 1930 duidelijk wel binnen het interbellum valt en om te kijken wat er gebeurt als die andere factoren die het sociaal-economisch aanschijn van een gemeente bepalen buiten beschouwen worden gelaten.

Ik wil nogmaals duidelijk stellen dat het gaat over de bevolkingsdichtheid in 1930, en dus niet over de gemiddelde bevolkingsdichtheid tussen 1846 en 1930. Dit moeten wij in ons achterhoofd houden als wordt vergeleken met kaart 2 en 3 die wel werkten met gemiddelde bevolkingscijfers en is verder ook van belang bij de verwijzingen naar het relatief aantal priesters dat aan een gemeente wordt toegewezen (waar ook enkel met de bevolking van 1930 werd gerekend).

 

Over de resultaten kan ik vrij kort zijn, er is niet echt een duidelijk verband op te merken tussen de bevolkingsdichtheid en het aantal inwoners dat nodig is om een priester af te leveren. Het is niet zo dat een lage of hoge bevolkingsdichtheid steeds meer of minder roepingen met zich meebrengt. Er moet dus naar andere factoren worden gekeken om de verschillen tussen de gemeenten en gebieden te verklaren, en dit is natuurlijk en conclusie op zich. Deze kaart kan dus zeker niet als een alternatief worden beschouwd voor kaart 6. Er zijn wel enige overeenkomsten, we zien dat de Westrand van de provincie in kaart 6 groen gekleurd was (agrarisch) en dat zij zoals op kaart 7 blijkt een lage bevolkingsdichtheid kent. De steden hebben uiteraard zowat allemaal een hoge bevolkingsdichtheid.

 

Voor de goede resultaten van de gemeenten op de rechteroever van het kanaal Gent-Terneuzen in oppositie tot die op de linkeroever kon vanuit kaart 6 geen verklaring worden aangereikt. We merken nu op dat de bevolkingsdichtheid op de linkeroever veel kleiner was dan die op de rechteroever. Het is mogelijk dat dit het onderscheid tussen die gemeenten mee kan helpen begrijpen.

 

Er is zoals gezegd wel duidelijk een verband met het aantal inwoners per priesterbetrekking (supra), zodat deze kaart vooral om die reden van belang is in deze studie.

 

 

4g Invloed van de naburigheid van door het bisdom ingericht middelbaar onderwijs voor jongens op de inbreng van priesters

 

Kaart 8 Verdeling van de bisschoppelijke colleges over het bisdom Gent

 

Op kaart 8 worden de vestigingsplaatsen van de door het bisdom ingerichte middelbare jongensscholen waar Latijns-Griekse Humaniora werd onderwezen in het jaar 1930 weergegeven. Het gaat dan in de eerste plaats om de colleges, die in de omgangstaal smalend ook wel als pastoorsfabriekjes werden aangeduid, vanwege de vruchtbare bodem die zij vormden voor priesterroepingen[98].

 

Deze scholen staan verzameld in het boek van Joset[99]. Hier lezen wij af dat er in 1930 15 zulke inrichtingen zijn gevestigd in Ninove, Sint-Niklaas, Eeklo, Ronse, Ledeberg, Dendermonde, Oudenaarde, Geraardsbergen, Gent(2), Aalst, Deinze, Lokeren, Wetteren en Zottegem. Een speciaal geval hierbij is Sint-Niklaas waar het Klein-Seminarie gevestigd was met zowel een humaniora-afdeling als de ‘Filososfie’. Deze cyclus van twee jaar diende eerst gevolgd te worden vooraleer men de werkelijke priesterstudies in het Groot-Seminarie te Gent aanvatte.

 

Om tot het Groot-Seminarie toegelaten te worden waren Latijns-Griekse studies, die men kon volgen in de zogenaamde oude Humaniora lange tijd een conditio sine qua non, al werd het in onze periode ook voor jongens uit de Moderne Humaniora mogelijk de priesterstudies aan te vatten.

Het was ondertussen bijna ondenkbaar dat men vanuit het Staatsonderwijs de stap waagde. Art meent dan ook te mogen stellen dat “…iedere verschuiving in de sector van de Oude Humaniora zijn weerslag zal hebben op het intredegetal der seminaries”[100].

Over de verschuivingen wil ik het hier niet zozeer hebben, maar het is inderdaad zeer goed mogelijk dat de aanwezigheid van een bisschoppelijk college het aantal roepingen in de onmiddellijke omgeving de hoogte in kan jagen. In zijn studie over de seculiere geestelijkheid in het bisdom Gent tijdens de 19e eeuw deelt Art mee dat de priesterkandidaten hoofdzakelijk onder het leerlingenpubliek van de bisschoppelijke colleges werden gerekruteerd.[101]

 

Ook Dellepoort wees er reeds op dat de regionale differentiatie bij de priesterroepingen sterk wordt beïnvloed door het al of niet aanwezig zijn van opleidingshuizen. Deze opleidingshuizen oefenen volgens hem een aantrekkingskracht uit op hun omgeving, die niet alleen de keuze van de kandidaten beïnvloedt, maar ook het aantal kandidaten doet stijgen.

“De aanwezigheid van opleidingshuizen in de nabijheid oefent aantrekkingskracht uit op de omgeving in de mate waarin zij tot de persoonlijke bindingen voert. Op zich genomen is die aantrekkingskracht secundair, vergeleken met die welke van parochies of andere zielzorgelijk werk uitgaat; deze laatste immers voeren direct tot veel meer persoonlijke bindingen. Uit het oogpunt van rekrutering achten wij daarom het vestigen van een opleidingshuis in een bepaalde streek een der meest gezonde vormen van propaganda, mits de normale vormen van binding met de omgeving niet worden overschreden” [102]

Een groot gedeelte van het onderwijzend personeel in deze instellingen bestond trouwens uit seculiere priesters. Deze maakten dikwijls een zeer positieve indruk op hun leerlingen, zoals meermaals te lezen is in de interviews van Lindsay Mariën. Zij waren dus elke dag opnieuw zichtbaar als vertegenwoordigers van een verheven ideaal dat vele diepgelovige scholieren sterk aansprak. Bovendien spreekt het vanzelf dat zij het priesterambt warm aanbevolen bij hun studenten en dat zij, in de geest van Lahitton, weliswaar niemand dwongen maar toch een zekere ondersteunde druk uitoefenden bij jongens die blijk gaven van een mogelijke geschiktheid, om zo zeker geen roepingen te laten verloren gaan.

 

Of kort samengevat; de aanwezigheid van een opleidingshuis had zeker haar positieve invloed op het aantal roepingen en dus ook wijdingen. Zowel Art als Dellepoort hebben het over katholieke humaniora die zowel door het bisdom als door de kloosterordes worden ingericht. Het is namelijk zo datook de jezuïeten veel seculiere priesters hebben afgeleverd.

Ik heb er echter voor geopteerd in dit hoofdstuk enkel de door het bisdom ingerichte colleges op te nemen en wel om de reden dat ik op zoek wou gaan naar de effecten van initiatieven uitgaande van het bisdom om het aantal seculiere priesters op te krikken. Of de oprichting van een middelbare school hoofdzakelijk vanuit die optiek moet begrepen worden laat ik even in het midden, maar het valt niet te ontkennen dat een dergelijke stichting toch als een krachtig signaal moet geïnterpreteerd worden.

 

In de bespreking van de resultaten zou ik het liever hebben over het positieve dan over het negatieve effect van de vestiging van een college in een bepaalde gemeente. Daarmee bedoel ik dat ik niet zal ingaan op de gevolgen van de afwezigheid van een bisschoppelijk college in een bepaald gebied, maar veeleer op de invloed van de aanwezigheid ervan. Ik doe dit omdat al snel bleek dat een negatief verband eigenlijk niet echt blijkt uit de kaarten, en meer nog omdat het priesteraantal uit deze gebieden zonder college dikwijls door reguliere katholieke humaniora of door nog heel andere oorzaken toch de hoogte kan worden ingejaagd. Het zou onverantwoord zijn om zonder toelichting te stellen dat in deze zones de afwezigheid van een college al of niet tot een minder aantal priesters heeft geleid, daarom heb ik dus verkozen te zwijgen over die gebieden.

 

Als we dus eens te meer de gegevens over het aantal inwoners per priester afkomstig uit een gemeente boven halen en deze naast de spreidingskaart van de colleges houden -ik heb trouwens kaart 2 zoals men kan zien in vereenvoudigde vorm (minder categorieën) in kaart 8 verwerkt- dan zal duidelijk zijn dat er toch wel een zekere invloed mag vermoed worden van die colleges.

We mogen immers niet vergeten dat de colleges allen gevestigd waren in grote (regionale) centra en dat het voor deze grote omschrijvingen omwille van allerlei redenen die elders in deze studie aan bod komen niet evident is om ook relatief t.o.v. de bevolking een hoog aantal priesters af te leveren.

 

Concreet blijkt dan dat de meeste steden die een college binnen hun grenzen hebben het vrij goed doen. Er behoorden 298 gemeenten tot het bisdom. Welnu, 6 van de 14 gemeenten met een college vallen binnen de top 50 van de gemeenten met de beste inwoner/priester-verhouding. Dat zijn dan Oudenaarde, Sint-Niklaas, Geraardsbergen, Eeklo, Zottegem en Ronse.

Ook in de directe omliggende gemeenten van deze steden zijn de cijfers trouwens vrij positief, zodat kan worden verondersteld dat de onderwijsinstellingen ook in een iets ruimere geografische omschrijving een invloed hebben gehad. Enkel Geraardsbergen lijkt op een eiland te liggen.

Ook Ninove, Dendermonde, Deinze en Aalst situeren zich in de eerste helft van de rangschikking en halen dus, hun omvang in acht genomen een zeer degelijk resultaat.

 

Met Lokeren is het al een stuk minder goed gesteld met 667 inwoners per priester wat resulteert in een 161ste plaats (het gemiddelde lag zoals gezegd op 558 inwoners per priester). De enige gemeentes met een college die het echt slecht doen zijn echter eens te meer die in het Gentse, namelijk respectievelijk Wetteren, Gent en Ledeberg.

De verantwoordelijkheid daarvoor moet echter aan heel andere oorzaken dan aan een falen van de plaatselijke colleges worden toegeschreven. De situatie van Gent is reeds eerder in de studie aan bod gekomen en zal ook later nog worden toegelicht.

 

Ik denk dat ik de bespreking van kaart 8 dan ook kan afronden met de slotgedachte dat op basis van de cijfers met een zeer hoge graad van waarschijnlijkhijd kan gesteld worden dat de aanwezigheid van een bisschoppelijk college bijna altijd een positieve invloed zal hebben op het aantal priesters dat uit die gemeenten voortkomt. Enkel Gent en haar huidige deelgemeentes Wetteren en Ledeberg lijken deze trend radicaal te doorbreken. Maar wie weet was de toestand daar niet nog een stuk rampzaliger als deze initiatieven niet waren ondernomen?

 

 

4h Verband tussen de rijkdom van een gemeente en het aantal priesters afkomstig uit die gemeente.

 

Kaart 9 Belastbaar inkomen per capita in 1930 in de gemeenten behorende tot het Bisdom Gent

 

Op kaart 9 wordt het belastbaar inkomen per capita weergegeven. En dit voor de gemeenten van het bisdom Gent in 1930. Inderdaad per capita en niet zoals in de bevolkingstelling per gezinshoofd.

De keuze voor een indeling naar belastbaar inkomen per gezinshoofd is zeker te verantwoorden, maar omwille van het grote belang van kroostrijke gezinnen (waar een dergelijke indeling uiteraard aan zou voorbij gaan) heb ik geopteerd voor de indeling zoals ze hierboven staat afgebeeld. De gegevens die achter deze kaart schuilgaan kunnen zoals steeds in bijlage worden geraadpleegd.

 

De methodiek die werd gevolgd om deze indeling te bekomen is opnieuw zeer eenvoudig en vraagt dan ook weinig duiding. We bekomen het belastbaar inkomen per capita door de cijfers die in de nijverheidstelling van 1930 over het belastbaar inkomen van de Belgische gemeentes staan afgedrukt te delen door het inwonertal van die gemeenten.

 

Dit levert ons eens te meer een mooie kaart op die wederom kan vergeleken worden met kaarten 1 en 2 en ons zo een aanduiding kan geven of uit rijke parochies meer of minder priesters voortkomen dan uit armere gemeenschappen. Een aanduiding van het belastbaar inkomen alleen is eigenlijk niet voldoende om exact de rijkdom van een gemeenschap te bepalen, maar ik was zoals gezegd op zoek naar een richtinggevende aanduiding.

 

Het inbrengen van deze kaart lijkt misschien ver gezocht maar eigenlijk is het dit niet. Volgens Dellepoort zou de welvaart binnen een streek het aantal roepingen positief beïnvloeden[103], er zijn trouwens verscheidene redenen aan te duiden waarom er meer priesters uit rijkere parochies zouden voortkomen. Zo was het voor zeer arme mensen, ondanks het bloeiende beurzensysteem financieel nog steeds quasi onmogelijk om hun zonen voor priester te laten studeren.

Een tweede reden sluit aan bij kaarten 4 en 5 waar werd gesproken over de relatie tussen het aantal priesters dat werd tewerkgesteld in een parochie en het aantal priesters dat uit die gemeente werd gerekruteerd. In het kader daarvan werd reeds vermeld dat de plaatselijke parochiegemeenschap dikwijls mee instond voor de financiële ondersteuning van dit personeel, het mag duidelijk zijn dat een rijkere parochiegemeenschap zo’n inspanning gemakkelijker kan opbrengen.

Het gaat echter verder, vooruitlopend op het volgende hoofdstuk kan reeds worden opgemerkt dat zeer veel uit de middenklasse wordt gerekruteerd. Het is mogelijk dat dit zich ook laat vertalen naar de gemeenten met een meer dan gemiddeld belastbaar inkomen per capita. De goede verstaander heeft direct door dat ik hier doel op de regionale verzorgingscentra die zoals in de grafieken naar aanleiding van kaart 3 bleek zo sterk scoorden.

Verder zijn er ook nog enkele negatieve redenen die rijkere gemeenschappen een voordeel zouden kunnen bezorgd hebben. Ik noem er hier een tweetal. Zo is er de vrij slecht bezoldigde arbeidersklasse die bekend staat om haar weinig religieuze instelling en zoals nog zal blijken in het volgende hoofdstuk slechts een zeer geringe inbreng leverde aan het priesterkorps in onze periode.

Als laatste wil ik nog opmerken dat in de armste gebieden van Vlaanderen het basisonderwijs nog steeds op een laag peil stond, en ik zal geen noviteiten aanbrengen als ik stel dat een jongen zonder vooropleiding meestal ook later geen groot student zal worden. Door de hogere eisen die naar het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw toe zowel in de colleges als in het seminarie werden gesteld werd het trouwens niet gemakkelijker om een opgelopen achterstand goed te maken.

 

Overigens zou echter kunnen blijken dat het doorgaans meer verstedelijkte karakter van rijkere gemeenten al de voorgaande bedenkingen ten spijt zorgt voor een zwakkere positie van de rijkste gemeenten. Dit gezegd zijnde denk ik dat het invoegen van deze kaart onderhand wel genoeg verantwoord zal zijn.

 

Wat blijkt nu, als wij kijken naar het slechts scorende gebied van kaart 2. En dat is nog steeds het grootste deel van het arrondissement Gent, ik had eerder in dit kader over het centrale deel van het bisdom met uitlopers naar het Noorden en Westen (supra). Dan merken wij dat het hier op uitzondering van Gent zelf niet om de rijkste en evenmin om de armste klassen van gemeenten gaat.

Dit lijkt mij toch wel zeer opmerkelijk, ik heb mij hierboven namelijk uitgeput in allerlei redenen waarom de armste gemeenten en eventueel ook de rijkste slecht zouden kunnen scoren, dit lijkt echter niet het geval te zijn.

 

Het is wel zo dat enkele van de rijkste gebieden, namelijk de zones in het Noord- en Zuidwesten positief scoren in het aantal inwoners per priester. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de voordelen die aan een behoede positie waren verbonden zoals boven staat uitgelegd. Opnieuw dient hier de uitzonderlijke positie van Gent worden opgemerkt dat ook een hoog belastbaar inkomen per capita had, maar toch zeer weinig priesters voortbracht.

Het gebied dat in het Oosten van het bisdom werd aangeduid als sterk scorend aangaande het voortbrengen van priesters heeft eigenlijk de armste bevolking van de provincie. Hier werd de keuze voor het priesterberoep waarschijnlijk gezien als een opportuniteit om aan de slechte sociaal-economische situatie te ontsnappen.

 

 

4i Besluit

 

Over de geografische origine van de diocesane clerici werd eerst opgemerkt dat ruim 93% van hen ook in het bisdom geboren werden, er kwamen zo goed als geen priesters uit andere landen.

In absolute aantallen kwamen de grootste cohorten uit het Noordelijke deel van het bisdom en uit de steden. Deze Noord-Zuid verdeling bleek na een vergelijking met de inwonertallen echter grotendeels veroorzaakt te worden door de grotere gemeenten in het Noorden van het bisdom.

 

Uit de grafiek die de inwonertallen met het aantal priesters vergeleek onthouden we dat de kleine gemeentes, en het gaat dan meestal om plattelandsgemeentes niet meer dan gemiddeld scoren, het zijn vooral de gemeenten met tussen 5.000 en 25.000 inwoners die veel priesters voortbrachten. Gent, de enige stad in het bisdom met meer dan 100.000 inwoners scoort zeer zwak.

Samenvattend stelde ik over het aantal inwoners dat in de gemeentes nodig was om een priester voort te brengen dat het Zuiden het over het algemeen iets beter deed dan het Noorden, het Oosten iets beter dan het Westen, dit hangt samen met het arrondissement Gent dat zeer slecht scoorde inzake inwoners per priester. Het zwakste gebied lag duidelijk centraal rond Gent met uitlopers naar het Noorden en het Westen.

 

Over de impact van het aantal parochiepriesters dat binnen een gemeente actief was, werd besloten dat deze op de grotere gemeenten (behalve dan voor Gent dat duidelijk te weinig priesters kreeg toebedeeld indien men zo de situatie wou keren) vrij klein was.

In de kleinere gemeenten geldt niet zelden dat een extra onderpastoor ondanks een zeer kleine bevolking kon wijzen op een diepe religiositeit aldaar, en niet zelden samengaat met een vrij hoog aantal roepingen. Sommige gemeenten die naar verhouding weinig priesters voortbrengen kregen echter wel veel priesters toegewezen, misschien moeten wij dit beschouwen als een initiatief van boven af om de situatie daar te verbeteren.

Verder werd er op gewezen dat de ‘beste plaatsen’ schaars waren. Dit houdt in dat ruim 55% van de priesters die in de pastorale zorg waren tewerk gesteld dit deden voor 38% van de bevolking, bovendien het deel dat financieel het minst interessant was voor de priesters. Dit gaf waarschijnlijk, ondanks de beste bedoelingen, aanleiding tot een zekere concurrentiele naijver en promotiedrang.

 

Bij de toepassing van de verdeling die door het NIS werd gemaakt op onze resultaten viel vooral op dat de stedelijke subtypes C1 en C2, dat zijn dan de Gewone en Regionale Steden, veel meer diocesane clerici voortbrachten dan zou gebeurd zijn als zij gewoon naar verhouding met hun bevolking hadden geleverd.

De industriële centra (subtype B2) scoorden net zoals de grote stedelijke agglomeraties (C3) dan weer zeer slecht, maar dat zal niemand verbazen. Bij de verschillende landelijke subtypes werden globaal genomen geen slechte maar ook geen uitzonderlijk goede resultaten opgetekend.

 

De analyse van de spreidingskaart van de colleges leert ons dat de meeste steden die een college binnen hun grenzen hadden het vrij goed deden inzake inwoners per afgeleverd priester. Dit was vooral zo voor Oudenaarde, Sint-Niklaas, Geraardsbergen, Eeklo, Zottegem en Ronse. Ook in de directe omliggende gemeenten van deze steden zijn de cijfers meestal trouwens vrij positief, zodat kan worden verondersteld dat de onderwijsinstellingen ook in een iets ruimere geografische omschrijving een invloed hebben gehad. De aanwezigheid van door het bisdom ingerichte Oude Humaniora had dus duidelijk een positieve impact op het aantal priesters afkomstig uit de omgeving van deze scholen.

 

Tenslotte bleek dat zowel gebieden met een hoog als gebieden met een laag belastbaar inkomen per capita veel priesters kunnen voortbrengen. De gebieden met het hoogste aantal inwoners per afgeleverd priester (vooral dan de streek rond Gent) bekleedden eigenlijk een middenpositie in deze indeling.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[83] DELLEPOORT (J.J.). op. cit., pp. 201, 202.

[84] DELLEPOORT (J.J.). op. cit., p. 189.

[85] MOREL (M.). op. cit., p. 76.

[86] DEPREZ (P.). en VANDENBROEKE (C.). ‘Population Growth and Distribution, and Urbanization in Belgium during the Demographic Transition’, in LAWTON (R.). en LEE (R.). Urban Population development in Western Europe from the Late-Eighteenth to the Early-Twentieth Century, Liverpool, 1989, p. 233.

[87] CLOET (M.), COLLIN (L.) en BOUDENS (R.). op. cit., 1992, 417.

[88] VERSTREPEN (H.). Recrutering, origine en levensloop van de seculiere en reguliere geestelijkheid afkomstig van de stad Gent (1801-1914), (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), Gent, 1979, p. 49.

[89] Zo ook in de interviews van LM

[90] DIBIE (P.). op. cit., p. 171.

[91] DEPREZ (P.). en VANDENBROEKE (C.). op. cit., p. 233.

[92] ‘Typologie van de Belgische gemeenten naar graad van verstedelijking op 31 december 1961’, in Statistisch Tijdschrift, nr. 9, september 1967, pp. 722-775.

[93] BOULARD (F.). Essor où déclin , p. 124.

[94] MERTENS (P.). ‘Gegevens over gezinnen waaruit katholieke priesters voortkomen’, in Rooms-Katholiek Artsenblad, 1950, nr.29, p. 93.

[95] DELLEPOORT (J.J.). op. cit. , p. 201.

[96] MOREL (M). op. cit. , 1971, p. 69-77.

[97] VRIELINCK (S.). De territoriale indeling van België (1795-1963), bestuursgeografisch en statistisch repertorium van de gemeenten en de supracommunale eenheden (administratief en gerechtelijk), Leuven, 3v, 2000.

[98] VAN HAVER (J.). op. cit., p. 106.

[99] JOSET (C.). Un siècle de l’Eglise catholique en Belgique 1830-1930, Paris-Courtrai, 1934.

[100] ART (J.). ‘De evolutie van het aantal mannelijke roepingen’, p. 301.

[101] ART (J.). Kerkelijke Structuur en Pastorale Werking, pp. 5-6.

[102] DELLEPOORT (J.J.). op.cit., pp.194-195.

[103] DELLEPOORT (J.J.). op. cit., p. 199.