| Bethune & fils: linnenhandel Kortrijk, 1735-1856. Voorbereidend onderzoek ter ontsluiting van het handelsarchief, bewaard op het kasteel De Bethune te Marke. (Annik Adriaenssens) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
IV. DE BELGISCHE LINNENNIJVERHEID: een uitdieping.
In ons vorig hoofdstuk, waarin wij de geschiedenis van Kortrijk belichtten, hebben wij de nadruk gelegd op de rol die het vlas speelde in de economische ontwikkelingen van deze stad. Zijdelings hebben wij ook reeds aangestipt dat de Leistreek, en meer bepaald Kortrijk in het bijzonder, evenwel niet mag gezien worden als de bakermat van de vlascultuur in ons land. Noch is het zo dat zij de vlas- en linnenindustrie, evenmin als de lijnwaadhandel in ons land, ten allen tijde zou hebben gedomineerd. Om Kortrijk en omstreken beter te kunnen kaderen in het totaalbeeld en haar de werkelijke plaats toe te kennen die ze verdient, willen wij nu dieper ingaan op het wordingsverhaal van de vlascultuur in het huidige België. Omdat het belang van de linnennijverheid slechts kan afgemeten worden aan de impact van haar producten op het buitenland, zullen wij hierbij de evoluties in de nijverheid steeds koppelen aan die van de in- en/of uitvoer die werd gerealiseerd. [287]
In deze “status quaestionis” willen wij, voor goed begrip, het volledige verhaal van de handnijverheid vertellen, m.a.w. van bij de eerste kiemen tot de finale ondergang. Vermits op het einde van de 19e eeuw deze ambachtelijke industrie nagenoeg was uitgestorven en ons onderzoeksonderwerp slechts de scharnierperiode 1750-1850 omvat, zullen wij niet dieper ingaan op de 20e eeuw. Dat die eeuw wél belangrijk was voor de Leiestreek, hebben we gezien in de geschiedenis van Kortrijk. Voor de rest van ons land speelde de vlasnijverheid toen geen rol van betekenis meer.
1. De genese van de vlascultuur in België.
Spinnen en weven van vlas was in West-Europa bekend vanaf het derde millenium B.C. Maar de feitelijke “wieg” van de linnennijverheid in de Zuidelijke Nederlanden moet zonder twijfel worden gelokaliseerd in de streek tussen Boulogne en Ieper, meer bepaald het toenmalige grondgebied van de Keltische Morini.
Reeds in 200 B.C. schreef Plautus: “Gallië is bedekt met linnenwerkhuizen” en 280 jaar later loofde Plinius in zijn Historia Naturalis het linnen van de Morinen nog steeds als het “mooiste linnen dat hij ooit door vrouwen had zien dragen” . Bekend is ook dat “Gallische servetten” ruim aftrek genoten in het Rome van keizer Diocletianus (eind 3e eeuw) en dat die wellicht afkomstig waren uit de ateliers van de Morinen.
Sommige vorsers associëren zelfs de naam België met het Keltisch woord belc’h, wat “vlas” betekent. [288]
Hoewel ongetwijfeld de val van het Romanum Imperium de uitvoer en wellicht ook de productie van linnen moet hebben afgeremd, kan de “crisis” niet lang aangesleept hebben vermits ook de binnenvallende Germanen en Franken vlastelers waren. [289] Vast staat dat de vlascultuur zich in de volgende eeuwen volop verspreidde naar de rest van Vlaanderen en vooral naar het Henegouwse waar de teelt en de bewerking binnen het stelsel van de wereldlijke én kerkelijke domaniale economie zeer sterk werden gestimuleerd. Ook tijdens de Karolingische periode lag het zwaartepunt zonder twijfel in Henegouwen, waarbij de productie van linnen nog steeds moet gesitueerd worden binnen het autarkisch systeem van de domeinen: van verhandeling van linnen weefsels was vóór de 10e – 11e eeuw nergens sprake.
De opkomst van de steden zou voor een kentering op dat vlak zorgen. De productie bleef nog wel uitsluitend een lokale landelijke aangelegenheid, maar voortaan werd linnen ook aan de man gebracht op de stedelijke markten (vb. Atrecht reeds in 1036). In de 12e eeuw zette deze tendens zich verder: in vergelijking evenwel met Frankrijk en Duitsland waar men toen reeds van een bloeiende handel mocht gewagen, bleef het hele vlasbedrijf in onze streken nog erg marginaal. Wellicht moet een en ander worden gerelateerd aan de sterke opkomst van de stedelijke wolnijverheid. [290]
2. De evolutie tot grootindustrie en exportbedrijf.
De 13e eeuw wordt gekenmerkt door twee fenomenen: enerzijds de uitbreiding van het vlasareaal naar andere regio’s in de Zuidelijke Nederlanden, meer bepaald Limburg, de Antwerpse Kempen, Brabant, Luxemburg en Namen. Anderzijds het opduiken van linnenweverij in verschillende steden in Artesië, Frans- en Vlaams-Vlaanderen. Steden als Dowaai, Rijsel, St. Omaars, Valencijn, Kamerijk, Bergen en Nijvel groeiden uit tot belangrijke centra. Doornik en Kortrijk specialiseerden zich
reeds in fijn tafellinnen en het St. Pietersdorp (Gent) genoot ruime bekendheid voor zijn “tijken”. [291] Ook in Gent zelf, in Ieper, Oudenaarde, Brugge en in Leuven wordt een beperkte industrie gesignaleerd.
Doch het belang van deze fenomenen mag niet worden overschat: hoewel “ in de XIIIe eeuw de linnenindustrie stevig gevestigd (werd) in een groot aantal steden, waarvan de meeste blijvende centra zouden zijn “ [292], blijken slechts Henegouwen en Kamerijk werkelijk belangrijke regio’s geweest te zijn. Elders bleef het ganse vlasbedrijf een kleine bijverdienste naast de steeds machtiger wordende lakennijverheid. En hoewel na 1250 ook de uitvoer vanuit enkele “Walsche” steden op gang kwam richting Engeland, Frankrijk en Genua, kon die onmogelijk concurreren met de superioriteit van de wijd vermaarde “Champenoises” en de Duitse weefsels die toen de Europese markt overspoelden.
In de 14e eeuw kwam de Henegouwse vlasnijverheid tot grote bloei. Het vervaardigen van linnen was nog grotendeels een landelijke aangelegenheid, maar vanuit enkele stedelijke centra – Ath op kop – zou het lijnwaadbedrijf uitgroeien tot grootindustrie via het invoeren van fabrikage-reglementen en markttoezicht op stapelmarkten. Het aldus gekeurd en gezegeld linnen, met uniforme afmetingen en weefwijze, kon nu pogingen ondernemen om een plaatsje te veroveren op de buitenlandse markten. Men verkocht aan Frankrijk en Duitsland, maar de meeste interesse kwam van Engelse zijde. Via de jaarmarkten van Antwerpen en Bergen-op-Zoom en de haven van Brugge werd het linnen aangeboden en verscheept.
Pionier voor de handel met Engeland blijkt Brabant te zijn geweest. In de 13e eeuw had zich namelijk in Nijvel een fijnlinnenindustrie ontwikkeld die zich kwalitatief stilaan met die van Reims en omstreken kon meten. Bovendien werd vrij snel een en ander industriëel georganiseerd, zodat zij in de 15e eeuw, bij het verval van de Champagne-nijverheid, het pleit gemakkelijk zou winnen.
Daarnaast voerde ook Kamerijk haar befaamde “molekijnen” (= fijn lijnwaad) uit naar Engeland, waarvoor eveneens stricte richtlijnen waren uitgewerkt.
Vlaanderen werd in die tijd nog overspoeld door Duits linnen. Enkel Rijsel en Dowaai waagden zich aan export ; elders werd de productie de vrije hand gelaten zodat de producten niet in aanmerking kwamen voor internationale verkoop.
In de 15e eeuw ging ook Vlaanderen, rijkelijk láát, de exporttoer op. De eerste reglementeringen werden ingevoerd in de tijk-branche, de specialiteit van Gent en Brugge. In plaats van nog langer in te voeren uit Frankrijk en Duitsland kwam nu een omgekeerde beweging op gang en daarbij voegden zich ook Italië en Engeland als afzetgebieden. De vlasbouw werd opgevoerd en het Land van Dendermonde, het Land van Waas, het Hulsterambacht en vooral het Land van Aalst, met een uitloper naar de streek van Oudenaarde, groeiden uit tot de vlasschuren van Vlaanderen. In dit laatste gebied (Aalst – Oudenaarde) floreerde ook de linnenweverij die volledig gericht was op verhandeling via Henegouwen.
Parallel werd de landelijke linnenweverij gestimuleerd door het stedelijk draperie-monopolie: laken mocht immers niet in de dorpen rond de grote steden worden geweven en door de stijgende bevolkingsgroei, gekoppeld aan steeds voortschrijdende grondverkaveling, moest de toenemende massa keuterboeren noodgedwongen op zoek gaan naar een aanvulling van haar inkomen. Wanneer de graanoogst was binnengehaald schakelde een groot deel van de plattelandsbevolking over op het spinnen en weven van vlas, thuis in familieverband. Vaak gebeurde dit in opdracht van stedelijke ambachtsmeesters zodat de productie steeds meer op de stad werd georiënteerd. Opmerkelijk is dat de Leiestreek, althans tot ca. 1460, nog geen tekenen van interesse vertoonde. Enkel rond Tielt, in de Mandelvallei, viel enige activiteit in die zin te bespeuren.
Gent begon een centralizerende rol te spelen in de Vlaamse linnenhandel met het oog op de aanzwellende export naar Engeland ; toch slaagde ze er niet in een stapelmonopolie in de wacht te slepen door tegenstand van Kortrijk dat zich, van zodra óók de Leiestreek het vlas had ontdekt, als globaliserende linnenmarkt wenste te profileren. De jaren van opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk aan het eind van de eeuw veroorzaakten een inzinking in de gehele Vlaamse linnenindustrie. Deze depressie was evenwel slechts een tijdelijke terugval van waaruit de opmerkelijke opbloei in de 16e eeuw zou ingezet worden.
Samenvattend laten we E. Sabbe aan het woord: “ Terwijl in Henegouwen de lijnwaadhandel in de steden was gekoncentreerd waar de wevers hun weefsels leverden, heerste in Vlaanderen een gemengde, half-stedelijke half-landelijke, lijnwaadhandelsorganizatie… Eerst in het midden van de XVIe eeuw zou de Vlaamse exportlinnenhandel met landelijk produktiegebied zijn koncentratie in de stad voltrekken. “ [293]
* DE “MYTHE” PIRENNE.
Rest ons, ter afsluiting van dit hoofdstukonderdeel, nog even in te gaan op het waarom van de geschetste evoluties. Een klassiek geworden “mythe” werd door H. PIRENNE de wereld in gestuurd toen hij in zijn “Histoire de Belgique” poneerde dat in Vlaanderen de vlasnijverheid de fakkel overnam toen de fameuse Vlaamse draperie bezweek onder de Engelse concurrentie, dus in de 15e eeuw. Pas in de daaropvolgende eeuw zou de export vanuit ons land op gang zijn gebracht, voortgetrokken door het superieure, in de Leie geroot Vlaams kwaliteitsvlas.
Deze stelling werd door latere onderzoekers, inzonderheid E. SABBE, onderuit gehaald.
1. De wolnijverheid in Vlaanderen was een karakteristieke stedelijke industrie, sterk georganizeerd en op export gericht. Het monopolie van de belangrijkste wolcentra was zo compleet dat het strict verboden was op het omringende platteland laken te weven. Juist omwille van dit monopolie was te lande een linnenindustrie opgebloeid die helemaal niet was gereglementeerd en zich quasi uitsluitend richtte op lokale verkoop. Zij bezat dus noch de infrastructuur, noch de organizatie van een grootindustrie die een vlugge omschakeling op linnenexport praktisch mogelijk had kunnen maken. De stedelijke wolcentra bezaten die infrastructuur wél, maar zij droomden van een nieuwe wolopbloei en investeerden liever in de “nieuwe draperie”. Op te merken valt ook dat in de sterkste wolcentra, zoals vb. Gent en Ieper, de linnennijverheid zich nooit sterk ontwikkeld heeft.
2. Toen in Vlaanderen de interesse voor het linnenbedrijf opdook volgde zij slechts het voorbeeld van Henegouwen, Nijvel en Kamerijk die haar hierin sinds eeuwen waren voorafgegaan. In die streken was de linnennijverheid wél uitgegroeid tot een exportindustrie zodat men niet kan stellen dat de linnenexport pas in Vlaanderen op gang kwam in de 16e eeuw.
3. De voortrekkersrol van de Leiestreek is helemaal een fabeltje vermits deze regio zowat als laatste in de rij belangstelling voor vlas ging vertonen en het kwalitatief superieur in-de-Leie-geroot vlas pas in de 19e eeuw een rol kon gaan spelen, gezien het Leieroten tot die tijd zondermeer verboden was. [294]
Volgens E. SABBE lijkt het daarom veel aanneemlijker de cruciale factor voor de opkomst van een grootlinnenindustrie in Vlaanderen én van de opbloei van de reeds bestaande Zuidnederlandse centra te relateren aan de Honderdjarige Oorlog (1337-1435) die de ondergang van de voor linnen wereldvermaarde Champagnestreek teweegbracht. Door het oorlogsgeweld moesten immers de bloeiende Jaarmarkten worden opgedoekt bij gebrek aan klanten en werd zowat de gehele Franse lijnwaadnijverheid vernield. Toevallig was in die zelfde periode in de vlakbij liggende Zuidelijke Nederlanden een grootlinnenindustrie ontstaan, waarvan de door Henegouwen, Kamerijk en Nijvel aangeboden kwaliteit de vergelijking met het Champagnelinnen moeiteloos kon doorstaan. Voor de vele Engelse, Duitse, Italiaanse en zelfs Franse traditionele Champagnekopers was de overstap naar ons aanbod, op een boogscheut van Reims en Troyes, dan ook evident. M.a.w.: het Zuidnederlandse linnen heeft gewoon de plaats ingenomen op de internationale markten van de “Champenoises” toen die niet langer beschikbaar waren.
Vlaanderen nam aan dit proces nauwelijks deel vermits hier de omschakeling van lokale nijverheid naar grootindustrie nog in haar kinderschoenen stond en van de Leiestreek als vlasgebied zelfs nog géén sprake was. [295]
Een belangrijke kanttekening dient hier echter te worden gemaakt. De Jaarmarkten van Champagne hadden hun omzet reeds zien dalen tijdens de 13e eeuw omdat de Hertogen van Bourgogne in Chalon een jaarmarkt hadden op poten gezet die de “Champenoises” snel naar de kroon ging steken. Wanneer in 1309 de Paus zich in Avignon vestigde groeide het belang van Chalon zienderogen zodat de perikelen van de Honderdjarige Oorlog hooguit als een finale doodsteek moeten worden gezien. Bovendien had de Champagnestreek reeds veel van haar pluimen verloren toen de directe “Grote Omvaart”-verbinding overzee rond 1270-1280 tot stand kwam tussen de Italiaanse havens en Brugge. [296]
Terecht merkt J.A. VAN HOUTTE op dat de landelijke vlasnijverheid profiteerde van de toenemende export van de opkomende eveneens landelijke “lichte” draperie. De vraag naar goedkopere weefsels nam immers toe, parallel met de verlegging van het economisch zwaartepunt van de Mediterrane regio naar het noorden, op haar beurt veroorzaakt door de opkomst van de zeeroute tussen Italië en de Nederlanden via Gibraltar. [297]
Wel is waar dat de toevallige samenloop van omstandigheden, nl. de teloorgang van de traditionele lakennijverheid en de gelijktijdig opkomende grootlinnenindustrie, ons land behoed heeft voor een al te grote economische terugval. De verliezen in de ene tak van de textielindustrie werden aldus enigermate gecompenseerd door de winsten in een andere tak. Tijdens de volgende eeuwen zou de vlasnijverheid in het Vlaamse land zich ontwikkelen tot dé sleutelindustrie van onze nationale economie en hierin een even grote plaats veroveren als de lakennijverheid voordien. [298] Toch zou naar onze mening het verpletterend overwicht van de Vlaamse draperie op de wereldmarkten, dat eeuwenlang kenmerkend was - zeker tot aan de Bourgondische periode - door het linnen niet worden geëvenaard. [299] Er begon immers een “nieuwe tijd” met “moderner” maar tevens moeilijker economische wetten en spelregels. Dit wordt meteen duidelijk wanneer we de perikelen van de 16e eeuw nader bekijken.
3. De Zuidnederlandse vlasnijverheid in de 16e eeuw.
De 16e eeuw wordt, wat linnen betreft, gekenmerkt door een opmerkelijke groei tot 1570-1580, in de eerste plaats van de Vlaamse nijverheid, gevolgd door een bijna fatale crisis. We zetten de verschillende factoren die hiertoe bijdroegen even op een rij:
a. DE OPBLOEI VAN DE VLAAMSE LINNENNIJVERHEID
Vanaf het begin van de eeuw verschoof het zwaartepunt van het vlasbedrijf in ons land zienderogen van Henegouwen naar Vlaanderen en in mindere mate ook naar Brabant. De reden hiervoor moet worden gezocht in het feit dat Antwerpen zich toen kon opwerken tot dé internationale handelsmetropool en hét financiëel centrum van Keizer Karels immense rijk, steunend op een prima gelegen haven “at the confluence of overland and maritime routes” [300], naast stapelrechten op specerijen, suiker en Engels laken en een wereldvermaarde permanente Jaarmarkt: een transito-markt van waaruit “de uitbouw van een dynamische wereldeconomie onder Habsburgse hegemonie werd georganiseerd “ en waarbij zij haar hoogste bloei te danken had aan de recent ontstane Spaans-Amerikaanse afzetmarkt. Meteen vond ook de groeiende linnenindustrie de geschikte laadkaden om haar producten naar Spanje te verschepen, van waaruit die dan verder werden aan de man gebracht in de Nieuwe Wereld. [301] Immers: “het vertrekpunt van de stijging der lijnwaadaksijnzen valt verrassend samen met de ontluiking (1505-1520) van de handel op Amerika” [302]. De Vlaamse vlasnijverheid heeft haar forse aangroei dus in de eerste plaats te danken aan het simpele feit dat Spanje, met wie wij dezelfde vorst deelden, op zeer korte tijd een “dikke” afnemer werd van “Hollands linnen” (Vlaams linnen gebleekt in Haarlem) dat inmiddels de weg naar de belangrijkste intermediair tussen Oost- en West Europa met Sevilla en tevens dé export-haven en vogue had gevonden.
Terecht wijzen andere auteurs op het feit dat de ontdekking van Amerika niet alleen de volle verantwoordelijkheid droeg voor de opbloei van de linnenindustrie in onze contreien. [303] “ De dynamiek van de Zuidnederlandse nijverheid werd ongetwijfeld in eerste instantie door de exportvraag bepaald. Het was echter de groeiende binnenlandse markt die haar een stevige basis bezorgde…(steunend op) snelle demografische expansie…en… urbanisatie”. [304] De late middeleeuwen kenmerkten zich immers door een aanhoudende demografische groei en een algeheel commerciëel en industriëel reveil in West-Europa, parallel met fors gestegen lonen en een toenemende levensstandaard. [305] Zowel op de binnenlandse als buitenlandse Europese markten, van Engeland tot Spanje, was de “vraag” reeds sterk gestegen toen de koloniale mogelijkheden zich aanboden.
De toenemende klandizie van Spanje en haar kolonies, evenals de intern Europese, heeft de geografische verspreiding van de Zuidnederlandse vlasnijverheid – en de Vlaamse in het bijzonder – in de hand gewerkt. De teeltuitbreiding situeerde zich vooral in de Leiestreek en in het gebied tussen Schelde en Leie, terwijl ook de bestaande industriegebieden naar mekaar toegroeiden en zich aaneen sloten tot één geheel. Henegouwen produceerde verder maar werd meer en meer door de Vlaamse nijverheid overvleugeld vermits zij zich te laat realizeerde dat haar stricte reglementen – opgelegd door stapelmonopoliecentrum Ath – haar kansen op deelname aan de Spaans-Amerikaanse trafiek van goedkoper lijnwaad beknotten. Inmiddels begon ook de Nijvelse fijnlinnenweverij tekenen van verval te tonen: toch slaagde ze erin haar producten verder te verkopen aan de Engelsen. ‘s Hertogenbosch en Herentals evenwel ontwikkelden zich tot nieuwe Brabantse centra, gericht op de koloniale handel.
Kortrijk specializeerde zich verder in de damastweverij. Aanvankelijk was zij begonnen met het inweven van geometrische figuren in haar fijn tafellinnen. Dankzij technische vernieuwingen kon zij aan haar gamma van decoratieve elementen bloemmotieven toevoegen die de weg openden voor een ware kunstindustrie met hooggewaardeerde gefigureerde en gehistoriëerde taferelen, waarover Sanderus vol lof zou schrijven in zijn Flandria Illustrata (17e eeuw). Brugge hield zich vooral bezig met het verven van bokraan (= blauw linnen) maar moest op dat vlak vaak de duimen leggen voor de fel gewaardeerde Yseghemsche blaeukens. De streken rond Gent, Dendermonde, Brugge en Oudenaarde zagen méér brood in het vervaardigen van smallekins, die rond Brussel en Turnhout in het weven van tijk, terwijl Doornik rustig verder ging met de reeds lang gereputeerde productie van haar schoonlakens en servetten. Oudenaarde en Gent legden zich ook toe op het twijnen van “wit garen” waarvoor zij het fabrikagemonopolie verkregen hadden, bestemd voor de uitvoer naar Spanje, Frankrijk en Engeland. En hier en daar gingen vrouwen aan de slag om kant te klossen die reeds in kleine hoeveelheden kon worden uitgevoerd. Kortom, quasi alom toenemende dynamiek, gepaard aan sterk stijgende linnenprijzen die her en der sommige wevers een volwaardige broodwinning bezorgden. [306]
Anderzijds zien we in de 16e eeuw, gelijklopend met de uitbreiding van de weverij, het aantal Vlaamse blekerijen toenemen. Gent ging nu ook bleken buiten de grenzen van de Muinkmeersen hoewel de bleekmethode op basis van karnemelk door de stadsmagistraat bestreden werd. Ze was niet gelukkig met het feit dat de prijzen van die melk – vanouds hét voedsel van de armen - door de stijgende industriële vraag de hoogte in gingen en verketterde de methode. De wevers wisten wel beter: het linnen of de garens, op deze zowel in Vlaanderen, Brabant als Holland algemeen gebruikte manier gebleekt, sloegen niet rossig bruin uit na verloop van tijd, zoals de schepenen beweerden, maar bleven integendeel onveranderlijk hagelwit. En om het tekort aan bleekvelden op te vangen richtten de Zuidnederlandse wevers zich naar nieuwe bleekcentra, zoals Herentals of ’s Hertogenbosch, en zelfs naar de Hollandse, waarvan Haarlem de grootste renommée had.
Terzelfdertijd echter “verwekte de machtige opbloei van de Zuidnederlandse linnenindustrie in de XVIe eeuw een latente vlaskrisis. Sommige industriegebieden hadden een werkelijk tekort aan grondstof”. [307] Dat was het geval in Kamerijk waar men Normandisch en Picardisch vlas invoerde om de behoeften te dekken. Vlaanderen betrok vlas vanuit het Waasland waar het nog steeds méér geteeld dan verwerkt werd, maar vermits er a./, door de handelsvrijheid die er heerste, een aanzienlijke hoeveelheid ruw vlas en garen naar Engeland, Spanje en Frankrijk werd uitgevoerd, b./ op het platteland door de stijgende linnenweverij intenser vlas werd gebruikt en c./ de stedelijke fijnlinnenindustrie bovendien de betere kwaliteiten uit het aanbod moest kunnen selecteren, kon de “vlasschuur” nauwelijks de vraag beantwoorden. Om dit euvel te bedwingen trokken de steden ten strijde tegen de verkoop van de gegeerde grondstof op de dorps- en lokale markten waar die massaal opgekocht werd door kutsers (= opkopers en doorverkopers van vlas en garen) om ze verder te verkopen aan de stedelijke wevers tegen woekerprijzen. De kutserpraktijken veroorzaakten garenbezuiniging bij de wevers, wat de kwaliteit van het linnen uiteraard niet ten goede kwam. Bovendien waren de vroegmarkten in de dorpen aangepast aan het matinale uurschema van de boeren, wat hen de gelegenheid gaf mindere kwaliteiten vlas te verkopen vermits de kopers de “marchandise” niet naar behoren konden keuren in de halve duisternis.
Hierbij moeten we echter een belangrijke kanttekening plaatsen. “ De opbloei van de Vlaamse lijnwaadweverij raakte alleen de landelijke, niet de stedelijke industrie. Tijdens de XVIe eeuw bevorderde geen enkele stadsmagistraat de uitbreiding van het aantal lijnwaadgetouwen. Volledig door een onvervulbare droom, de herwording van de voormalige wolnijverheid, achtervolgd, werd nergens beproefd deze dode industrie door de linnenweverij te vervangen. Nochtans stelde de verdwijning van de oude Vlaamse wolindustrie een prangend sociaal probleem. “ [308] Wél streefden de steden ernaar de HANDEL in linnen binnen hun eigen muren te concentreren. “ Dit werd het doel van de stedelijke vlaspolitiek in Vlaanderen: monopolie van de linnenmarkt ter vervanging van de uitgestorven lakenhandel, een oplossing … ten gunste van de middenstand, zonder enige bekommernis om de belangen van het proletariaat. “ [309]
In het kader van dat streven moet het ontstaan van verschillende stedelijke lijnwaadmarkten worden gezien, waarbij stilaan de volledige landelijke productie, vrijwillig of gedwongen, voor verkoop werd gecentralizeerd.
Wij vermelden als belangrijkste Roeselare: economisch zwaartepunt van de Mandelvallei, Tielt: profiterend van haar gunstige ligging in een opbloeiende linnenstreek, Deinze: doorgeefluik naar de Gentse linnenmarkt en Kortrijk, die evenwel haar eigen opbloei bemoeilijkte door zowel aksijnsen als “ellegeld” op vlaswaren te heffen en zo de producten tweemaal te belasten. De pogingen van Geraardsbergen en Menen op dat vlak waren minder succesvol, gezien de grotere concurrentiële kracht van respectievelijk Oudenaarde en Kortrijk.
Allerlei reklamemiddelen om kooplui te lokken, zoals vergoeding van reiskosten, het aanbieden van wijn of het financieren van eetfestijnen, haalden niet altijd het gewenste resultaat, immers: “ Doch naast deze nieuwe, fungeerden voorafbestaande lijnwaadmarkten te Oudenaarde, Gent, Brugge en Izegem, die zich het vroegst aan de evolutie van de Spaans-Amerikaanse trafiek aanpasten en de vorige in bloei overtroffen “. [310]
Hierbij moet ook Eeklo worden gerekend, reeds in de 15e eeuw méér in de handel van linnen dan in die van draperie geïnteresseerd. Deze markt was in menig opzicht, samen met Oudenaarde en Gent, de belangrijkste maar was in grote mate op de slabbakkende Brugse exporthandel gericht, terwijl Gent meer en meer de rol van transitmarkt richting Antwerpen en Engeland ging vervullen. Brugge zelf centraliseerde vooral blauwlinnen maar zag ook op dat vlak haar aantrekkingskracht slinken ten gunste van Gent, Kortrijk en Izegem. Oudenaarde was eerder spontaan gegroeid, toen de afzetmogelijkheden van de streek naar Ath minder begonnen te vlotten, en trok de ganse landelijke productie naar zich toe voor verdere export via Antwerpen.
Vermits de linnenweverij in de 16e eeuw nog steeds geen uniform nijverheidsstatuut bezat, speelden de stedelijke markten de belangrijkste reglementerende rol: het linnen werd er gekeurd en bezegeld, minimum en maximum breedtes of lengten werden er vastgelegd… Kortom, de steden controleerden landelijk linnen op kwaliteit en uniformiteit via hun marktpolitie om de export ervan te bevorderen.
Zo werd linnen in de 16e eeuw het voornaamste exportartikel vanuit de Zuidelijke Nederlanden. Niet zozeer naar Frankrijk, vermits door de vele oorlogen met dat land de handel veelal verboden werd, het land zelf inmiddels zijn productiecapaciteiten had
hersteld zodat de vraag naar buitenlands lijnwaad er afnam en ter bescherming waarvan het na 1550 bovendien de protectionistische toer opging. Aanvankelijk wél naar Engeland, maar in de commerciële chaos die ontstond in de tweede helft van de eeuw, richtte dat land zich voor bevoorrading in toenemende mate op Duitsland en Frankrijk.
De moeilijkheden met Engeland waren het gevolg van de kortzichtige politiek door de Spaans-Nederlandse regering gevoerd: zij wilde immers de inheemse “nieuwe draperie”, een stedelijke industrie in moeilijkheden die werkte met ingevoerde Spaanse wol, bevorderen tegen de Engelse concurrentie. Hierbij schrok ze er niet voor terug de linnennijverheid, een vooral landelijke industrie die werkte met inheemse grondstoffen en reeds lang de draperie in belang overtrof, in gevaar te brengen. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat Vlaamse uitwijkelingen, op de vlucht wegens geloofsmotieven maar ook en misschien wel vooral uit onvrede met de onbegrijpelijke economische betutteling, in Engeland een concurrerende vlasindustrie op poten zette die ons de eeuwen nadien heel wat kopzorgen zou bezorgen.
Ons linnen werd ook uitgevoerd naar Duitsland, de Scandinavische en de Baltische landen, doch Duitsland was zélf een belangrijk productie- en uitvoerland, en de hoeveelheden die vertrokken richting Portugal en Italië waren het spreken (nog) niet waard.
De successen in de uitvoer komen dus quasi volledig op rekening van de handel met Spanje en haar koloniën. Het linnen moest wel worden verscheept via Sevilla, waar de “Casa de Contractacion” voor verdere verhandeling zorgde en later via Cadiz. De Vlamingen werden er aanvankelijk begunstigd doordat Franse producten in Spanje werden geweerd. Vanaf de vrede van Le Cateau-Cambrésis (1559) kwam daar verandering in en in de volgende eeuwen zou de Spaanse markt in toenemende mate worden overspoeld door Frans linnen.
b. DE ECONOMISCHE CRISIS OP HET EIND VAN DE EEUW
Het Spaanse fanatisme met betrekking tot de godsdiensttroebelen, die vanaf het aantreden van Filips II aanzienlijke vormen aannam, bracht een opstand teweeg van de bevolking tegen het beleid en mondde tenslotte uit in een splitsing tussen de Noordelijke en Zuidelijke provincies in de Nederlanden. Het oorlogsgeweld dat hiermee gepaard ging, de hongersnood, de uitwijking van andersdenkenden en de toenemende werkloosheid hadden een geweldige weerslag op de linnennijverheid. Wij geraakten immers van de buitenlandse afzetmarkten geïsoleerd en we zagen onze beste krachten – zowel “ketters” als economische vluchtelingen - vertrekken naar de “rustiger” buurlanden, waar ze de bestaande linnenindustrie met onze technisch vooraanstaande snufjes versterkten of er één uit de grond stampten. Vanaf 1580 werd de toestand dramatisch: dorpen waren spookdorpen geworden, de akkers waren vernield, de bevolking was gedecimeerd en leefde in schrijnende armoede.
4. De herleving in de 17e eeuw.
Na deze crisis - die zondermeer rampzalig mag worden genoemd en die, naargelang de regio, méér dan twintig jaar aansleepte - begon de Zuidnederlandse linnennijverheid aan een opgang zonder weerga: een buitengewone bloei, vooral in de eerste twee derden van de eeuw, overtrof ver die van de 16e eeuw.
De nieuwe take off kon zich doorzetten dankzij de pacificatiepolitiek waar de aartshertogen Albrecht en Isabella de motor van waren en die de buitenlandse handelsbetrekkingen trachtten te normalizeren, maar ook en misschien wel vooral dankzij de vele private én stedelijke initiatieven. Blauwververijen werden opgericht, de twijngarenindustrie werd bevorderd, nijverheidsreglementeringen werden afgekondigd en dit elan vond afzetmarkten omdat tegelijkertijd de regering ervoor zorgde dat de trafiek met Spanje opnieuw probleemloos kon verlopen en de grenzen van Frankrijk, Engeland en nu ook de Verenigde Republiek op een ruime kier werden open gelaten. De Kortrijkse lijnwaadmarkt bloeide op door de stimulering van de eigen damastindustrie maar vooral door de afschaffing van het linnenaksijns, waardoor nu de landelijke productie van heinde en verre naar deze stad werd gedraineerd. Moeiteloos slorpte zij de markten van Tielt, Izegem, Menen en zelfs Roeselare op en zowat de ganse Henegouwse productie werd via Kortrijk aan de man gebracht. Voor het eerst overtrof haar omzet die van Oudenaarde, die zich daarom meer en meer ging reconverteren tot vlasmarkt. De bloeiendste linnenmarkt van de vorige eeuw, Eeklo, werd stilaan opgeslorpt door die van Gent: de stad die het best was “geplaceerd” om de verloren gegane stapelrol van Antwerpen over te nemen. De Hollanders hielden immers de Scheldemonding gesloten, zodat de goederen nu werden verscheept vanuit Vlaamse havens: Sas van Gent, Duinkerken en deels ook Grevelingen. Rond het midden van de eeuw was Gent uitgegroeid tot de belangrijkste lijnwaadmarkt in de Zuidelijke Nederlanden. [311] In die tijd bouwde de Gentse koopmansstand aanzienlijke fortuinen op. [312]
De vlasindustrie ontwikkelde zich verder: er ontstonden nu ook markten in Aalst en Geraardsbergen, de Kamerijkse molechijn-fijnlinnenweverij verspreidde zich in de richting van Valencijn, een regio waar ook de twijnindustrie werd uitgebouwd ; Oudenaarde zag een eigen damastindustrie ontluiken, terwijl die van Doornik nu ook de exporttoer opging. In het Oudenaardse verdubbelde de productie t.o.v. de hoogste cijfers in de 16e eeuw, in het Kortrijkse kon men zelfs bogen op een viervoudiging!
In de eerste halve eeuw werd de heropbloei in de eerste plaats beïnvloed door de bevoorrechte positie van het Vlaamse linnen op de Spaans-Amerikaanse markt. In de globale Zuidnederlandse handel nam de uitvoer van linnen naar Spanje de meest winstgevende plaats in. Onze linnenexport werd zelfs nog bevorderd toen in 1635 Filips IV in Spanje de handel met Frankrijk verbood in het kader van de Dertigjarige Oorlog. Om aan de grote vraag te kunnen beantwoorden, smokkelden wij zelfs Hollands linnen via onze kanalen binnen in dat land!
De handelsbetrekkingen met Frankrijk en Engeland, daarentegen, waren wél op papier hersteld maar het vertrouwen van die landen in de Zuidelijke Nederlanden was door de perikelen van de vorige eeuw beschaamd, zodat hun interesse in onze producten eerder matig was. Wat Frankrijk betreft viel onze export nogal mee, ondanks hun protectionistische kantjes ter ondersteuning van de eigen ver-ontwikkelde vlasindustrie, omdat de Franse dames nu eenmaal ons fijnlinnen hoog waardeerden: een specializatie die toen nog in Frankrijk zelf ontbrak.
Vanaf 1641 dreigden er moeilijkheden: de Franse legers rukten op en veroverden een hele reeks steden, waaronder de drie genoemde Vlaamse havens, Menen en Kortrijk. Door de smokkelrichting om te keren en het Kortrijks linnen – dat nog steeds in Haarlem werd gebleekt – nu via de Hollandse sluikhandel naar Spanje te versassen, bleef de schade voorlopig beperkt. Zwaardere gevolgen had de Vrede van Münster (1648) voor ons land, omdat toen Spanje verplicht werd door de overwinnende mogendheden (Holland, Engeland en Frankrijk) zijn grenzen en die van zijn kolonies voor hen open te zetten. Holland slaagde er zelfs in de meeste gunsten in de wacht te slepen, waardoor de Zuidnederlandse productie nu systematisch via Holland naar Spanje moest worden verscheept! Franse vlasproducten overspoelden de Spaanse markt, terwijl de goegemeente hier te lande werd gesust met de boutade dat de Zuidnederlandse productie nu eenmaal onvoldoende was om de vraag van de kolonies te beantwoorden. Frankrijk had inmiddels zijn eigen aanbod gediversifiëerd door uitgeweken Vlamingen te stimuleren bij hen tijk- en fijnlinnenweverijen op te richten en in Lyon en St. Quentin kantklosserijen uit de grond te stampen, die aanvankelijk dentelles façon de Flandre produceerden, maar met wat Franse creativiteit snel de kwaliteiten van de Vlaamse en Brabantse kant overtroffen. Al bij al blijkt de periode vooral voor de Kortrijkse lijnwaadmarkt nefaste gevolgen te hebben gehad wegens het verlies van Duinkerke (vanaf 1645, definitief in 1658) en Rijsel (1667) en een grotere impact van het oorlogsgewoel in het zuiden van de huidige provincies West- en Oost-Vlaanderen. Elders verlegden de uitvoerwegen zich naar het noorden waardoor de markten van Gent en Brugge als verzamelplaats aan representativiteit wonnen. [313]
Een ware doodsteek echter dreigde voor onze industrie en uitvoer vanaf 1664: het moment waarop Colbert zijn mercantilisme uitbouwde, hand in hand met de militaire expansie en strijd om de overmacht in Europa, door Lodewijk XIV geambiëerd en zo’n 50 jaar lang volgehouden. Maar niettegenstaande ganse regio’s in de Zuidelijke Nederlanden via de verschillende campagnes door de Fransen werden bezet en het internationaal protectionisme steeds wilder om zich heen greep, heeft noch het een noch het ander onze globale linnennijverheid de das om gedaan. Integendeel zelfs: het hoogtepunt van de 16e eeuw (jaren ’70) werd rond 1650 ingehaald en kort daarna zelfs overtroffen. [314] Kortrijk, die een malaise gekend had tussen 1645-1662 in haar damastindustrie (= vermoedelijk het gevolg van de internationale spanning rond 1648 en volgende jaren die in de eerste plaats de luxe-industrieën trof) bloeide opnieuw open en ook in Oudenaarde draaiden de zaken goed. In feite werd de crisis geneutraliseerd doordat de Vlaamse en Henegouwse productiecentra profiteerden van de Franse toltarieven vermits zij nu deel uitmaakten van Frankrijk. Ruw en courantlinnen vond via Frankrijk de weg naar de Spaanse markt en het fijnlinnen werd nu probleemloos in Frankrijk zelf te koop aangeboden. De Gentse en Kortrijkse markten draaiden op volle toeren – een tijdelijke verstoring van de Gentse tijdens de Hollandse Oorlog (1672-1678) niet te na gesproken [315] - en op het platteland werden zelfs de kleinste resterende overschotjes van de landelijke productie via lokale sluikmarktjes aan het buitenland verkocht. De twijnindustrie breidde zich uit in de regio’s Poperinge-Ieper , Bergen en Antwerpen. In Brussel, Antwerpen en Mechelen was men door en door bedrijvig in het kantklossen, gestimuleerd door uitvoermogelijkheden naar Frankrijk en Italië, dat eveneens grote hoeveelheden Kortrijks damast aankocht. [316]
Hoewel dus de protectiemaatregelen, via stricte verboden en dan weer versoepelende vergunningen voor de een of de ander, in Frankrijk vooral maar ook in Holland en Engeland, de modaliteiten voor de uitvoer voortdurend veranderden en hoewel vooral Frankrijk verwoede pogingen ondernam om haar eigen productie te diversifiëren, uit te breiden en te consolideren (- waarbij zij er in slaagde méér linnen te exporteren naar Spanje dan alle overige producenten in Europa samen -) en ondanks kleine malaises die her en der om uiteenlopende redenen de kop opstaken, wisten de Zuidelijke Nederlanden gedurende de ganse 17e eeuw de tendenzen uit de 16e eeuw onveranderlijk te behouden: “ drukste uitvoer naar Spanje, sekundaire naar Frankrijk, Engeland en Holland, onbeduidende naar Duitsland en de Baltische landen “. [317]
De concurrerende mogendheden hebben nochtans onaflatend hun “best” gedaan om de Zuidnederlandse linnennijverheid finaal uit te schakelen en hun eigen economische positie daardoor te versterken. Hoe Frankrijk dat deed hebben we zonet gezien. De aanpak van Colbert was ongetwijfeld zeer succesvol, maar mettertijd zou het systeem zich tegen Frankrijk zelf keren. Tevéél protectie lokt immers tegenmaatregelen uit die op de duur de eigen uitvoer gaan bedreigen. Engeland had het vooral op onze voorsprong in de kantklosserij gemunt. Lijnwaad zelf vonden ze op de Hamburgse, Ierse en Schotse markten in overvloed, zodat ze de Zuidnederlandse invoer ondanks allerlei handelsakkoorden konden afremmen. Maar kant kwam steeds meer in de mode bij hun burgerij. Zelf had Engeland de prille kantindustrie, die door uitgeweken Vlamingen op Engelse bodem was in gang gezet, met alle mogelijken middelen gestimuleerd. De kwaliteit van de Vlaamse en Brusselse kant werd evenwel zelden geëvenaard omdat de inheemse garens niet konden optornen tegen de onze. Tot aan het einde van de eeuw bleef onze kantuitvoer naar Engeland dan ook groeien, al moest de verkoop na een invoerverbod in 1662 wel via sluikhandel gebeuren.
Holland gooide het over een andere boeg. Ze zetten alles op alles om hun handelsactiviteiten uit te breiden, nog niet beseffend dat ze hierdoor hun eigen industriële belangen over het hoofd zagen. Amsterdam en Rotterdam hadden de rol als stapelplaats van Antwerpen overgenomen en verscheepten massaal Westfaals linnen naar Engeland. Na 1648 werd ook de trafiek op Spanje geïntensiveerd. Invoerverboden op Frans en Zuidnederlands linnen, gedicteerd door de Westfaalse Hanze, troffen de Haarlemse linnenbleek en de succesvolle twijnindustrie ging ten onder bij gebrek aan inheemse plattelandsweverijen. Gedurende de eerste helft van de eeuw had de Verenigde Republiek geteerd op en bijkomend geïnvesteerd in de bleeknijverheid, waarbij vooral linnen uit Vlaanderen, Artois en Henegouwen werd bewerkt. De zaken draaiden zo goed dat aan het uitbouwen van een eigen weverij weinig belang werd gehecht. Haarlem draaide echter op een “mythe”, nl. dat haar “wit” witter was dan elders. Eens deze hersenschim doorprikt kon het met de blekerijen nog slechts bergaf gaan, want eigen linnen om te bleken was er nauwelijks. De technische bleeksuperioriteit was immers slechts een fabeltje: het tekort aan bleekvelden in de Zuidelijke Nederlanden was een veel belangrijker factor. Na de godsdiensttroebelen werd aan dat tekort in steeds stijgende mate gewerkt door verschillende regio’s in ons land. In Kortrijk was men reeds vroeger van start gegaan met de zogenaamde menagebleek (= op basis van kalk in plaats van melk), mits aanwinst van bleekvelden op de landbouw, maar ook Gent won de strijd van haar schepenen en ontwikkelde een bleeknijverheid die de Haarlemse in kwaliteit evenaarde. Antwerpen had ontdekt dat het Haarlemse superieure wit met het gebruik van fijne witte potas uit Moscou te maken had en zette in Borgerhout een blekerij op stapel die een verwoede concurrentie met Holland inzette. Steeds meer werden garens gebleekt, wat minder velden vereiste en de weverij in geen enkel opzicht hinderde. Dat was het geval in Gent én in Antwerpen, maar ook in Rijsel en in Menen. Tenslotte gaf Nederland zelf zijn eigen blekerij de doodsteek door de tarieven op ruwlinnen in belangrijke mate te verhogen: een kortzichtige maatregel die de nog tegenpruttelende superieure-bleekmethode-mythe meteen finaal kelderde.
Door het oorlogsgewoel en de maneuvers van de concurrenten daalden de linnenprijzen naar het eind van de eeuw toe, de winsten van de handelaars met zich meesleurend, en de lonen van de wevers stagneerden zonder evenwel hun reële inkomsten zwaar aan te tasten vermits zij tijdens de vorige dertig jaar wegens de pan uitswingende toenamen van verloning een flinke marge hadden opgebouwd. [318] Wel ontwikkelde zich stilaan een gevaarlijke tendens: doordat de rurale bevolking in toenemende mate zocht haar inkomen door middel van huisnijverheid te verhogen, ondermijnde zij geleidelijk de invloed van traditionele sociale controles en werd het aanbod van arbeidskrachten op de textielmarkt buitensporig opgedreven. [319]
Al bij al lag het grootste probleem van onze vlasindustrie in de 17e eeuw in het tekort aan grondstoffen. De verwerkingsnijverheid eiste strenge reglementeringen om de steeds massaler wordende uitvoer van vlas naar de eveneens steeds groeiende Franse en Ierse concurrentie te beperken, want de eigen garen- en linnenproductie werd daardoor geplaagd met abnormale vlasprijzen en schaarste zonder meer. De vlasboeren zagen dat uiteraard anders, zodat dringend werk moest worden gemaakt van een bevredigend compromis voor beiden. Verder dan het in 1699 belasten van de uitvoer van ruw vlas, terwijl die van gezwingeld vlas vrij van rechten werd verklaard, kwam het echter niet, wat niet meteen een oplossing betekende voor de spinners en wevers. De boeren stelden dat de vlashandel niet met de vinger moest worden gewezen, maar wel de steeds toenemende binnenlandse productie van linnen, waarvoor er nu eenmaal niet voldoende landbouwgronden beschikbaar waren! Met dit gehakketak werd de overstap gezet naar een totaal nieuwe fase in de Belgische vlasnijverheid, die met het Verdrag van Utrecht (1713) werd ingezet.
5. De 18e eeuw of de “Overgangsfase” tijdens het Oostenrijks Bewind.
Wanneer ons land, met het Verdrag van Utrecht, onder Oostenrijks Bewind werd geplaatst, was dat een beslissing die werd getroffen door de grote mogendheden om een eind te maken aan de aanslepende Spaanse Successieoorlog (1702-1713), tevens een dieptepunt van de economische conjunctuur in Europa. [320]
De Vrede onderstreepte de ondergang van Frankrijks continentaal imperialisme en luidde het begin in van het Engels overwicht in en buiten Europa, waarbij wij echter het kind van de rekening werden. Het inmiddels eeuwenoude Zuidnederlandse vlasindustriegebied werd immers brutaal uit mekaar gerukt door de definitieve aanhechting bij Frankrijk van Frans-Vlaanderen, Waals-Henegouwen en het Kamerijkse, waardoor die gewesten voortaan, nu met de steun van de Franse regering, voor ons een geduchte concurrent zouden vormen. Het lot van de Zuidelijke Nederlanden werd in principe “politiek” aan dat van Oostenrijk gekoppeld, wat in praktijk echter meteen ook zo zijn consekwenties had op economisch vlak. Die waren, door de band genomen en gezien op lange termijn, eerder gunstig wanneer we de totaliteit van de getroffen maatregelen bekijken, maar wat de vlasnijverheid betreft moeten er, ons inziens, toch enkele kanttekeningen worden geplaatst.
a. DE ZUIDNEDERLANDSE VLASINDUSTRIE.
In de Zuidelijke Nederlanden zelf bloeide de vlasindustrie verder open volgens de tendenzen die in de vorige eeuwen waren ingezet, m.a.w. verdere decadentie van de linnenweverij in Henegouwen, gecompenseerd door verdere uitbreiding ervan in de Leiestreek en stijgende uitbouw van de nevenindustrieën, zodat de totale bilan van de linnenproductie in de loop van de 18e eeuw alsmaar groeide.
Hoewel Ath zich voorlopig als linnenmarkt nog enigszins wist te handhaven, ging de globale weverij in het Henegouwse erop achteruit. Het verval was zelfs zo reëel dat, ondanks herhaalde pogingen om de industrie nieuw leven in te blazen, het gros van de regionale productie aan vlas moest worden uitgevoerd. De vele spinsters in de regio’s Bergen en Binche schakelden over op het vervaardigen van kant. Ook de streek van Nijvel leek nu ten dode opgeschreven. Voor het overige was in Brabant vooral Turnhout uitgegroeid tot een belangrijk centrum voor tijk en courantlinnen, in hoofdzaak draaiend op garens ingevoerd uit Elberfeld, Silezië en Brunswijk. Enkele dorpen in de Antwerpse Kempen vervaardigden producten bestemd voor lokaal verbruik.
Het voormalige hertogdom zou echter vooral een reuzevoorsprong ontwikkelen op het vlak van de kantklosserij. In zowat alle dorpen waren vrouwen aan het werk in de fabrikage van grove kanten bestemd voor de Spaanse koloniën, terwijl in de steden Brussel, Mechelen en Antwerpen fijne luxewerkjes werden vervaardigd die de Zuidnederlandse kantindustrie de reputatie bezorgden veruit de deskundigste te zijn van het ganse Europese continent. [321]
In Vlaanderen werden deze voorbeelden druk nagebootst in enkele centra, vooral in het Land van Aalst, Geraardsbergen, Kortrijk en Menen, maar het accent lag er toch op de traditionele linnenweverij. “ Naar verhouding der uitgestrektheid van de kasselrijen, was de linnenweverij het levendigst in die van Kortrijk, die van Oudenaarde en in de heerlijkheid van Dendermonde. Daarna komen het Land van Aalst en de Gentse Oudburg. Ze werd het minst beoefend in het Brugse Vrije. “ [322] De bloeiendste kern lag nog steeds in de Mandelvallei ; de productie in het Land van Waas daarentegen wist nog niet de helft van de lokale behoeften te dekken. Overal echter bleef de linnenweverij een landelijke aangelegenheid, terwijl de verhandeling ervan zich nog steeds concentreerde op de stedelijke linnenmarkten. Kortrijks damast werd nog altijd erg gewaardeerd in Frankrijk en Engeland, maar ook Turnhout, Oudenaarde, Nijvel en Doornik legden zich toe op de productie van fijnlinnen ; grover linnen zoals brabantes en presillas, vervaardigd in de Oudburg, het Land van Aalst en de omgeving van Brugge vertrok met scheepsladingen vol richting Spanje ; de streek rond Oudenaarde en Geraardsbergen produceerde aan de lopende band ardoisées, alias grisettes (= grijs linnen, deels vervaardigd op basis van ongeroot vlas en klodden) die ook naar Spanje werden geëxporteerd en, uitsluitend in de steden Brugge, Gent, Kortrijk en Turnhout, werd blauw gestreept of gedamd linnen (= quadrillées) en tijk gemaakt, aangewend zowel voor zomervesten en beddegoed als in de meubel- en zelfs de schoenindustrie. Een grootschalig opgezette poging van een Roeselaarse “fabrikant” om op het vlak van blauwlinnen Brugge naar de kroon te steken mislukte want bleef tot de lokale markt beperkt. [323] Maar hun zogenaamde rollés waren vermaard. [324]
De twijnnijverheid verschoof van de voormalig productiefste regio’s Oudenaarde, Gent en Antwerpen naar Zuid-Vlaanderen, meer bepaald Kortrijk, Ieper, Poperinge en Roeselare. Wellicht had deze verschuiving te maken met de nabijheid van Frankrijk, dat veel garens importeerde, waarvan trouwens ook de twijnindustrie in Doornik profiteerde. Hier was ook een “Manufacture impériale et royale” opgericht die zich vooral bezig hield met het verven en bedrukken van zakdoeken. [325]
De Zuidnederlandse bleeknijverheid ging steeds meer haar eigen weg ten nadele van de Haarlemse, aan wie het zelfs de Franse klandizie wist te ontfutselen. Een en ander verliep evenwel niet zonder moeilijkheden. Hoewel in de eerste helft van de eeuw overal te lande, in het Kortrijkse, het Antwerpse en het Brusselse, blekerijen met stijgend succes bedrijvig waren, bleef de Kortrijkse linnenmarkt toch nog voor een deel afhankelijk van de Hollandse blekerijen, “ aangezien het verbruik van ruw linnen in Amerika, “pour contenter la fantaisie des Anglais”, het noodzakelijk maakte een hoeveelheid linnen te Haarlem te laten bleken dat vervolgens in “Hollands” lijnwaad herdoopt werd. “ [326] Tijdens de Franse bezetting van 1746 ontdekten de Fransen echter dat het fameuse Hollandse linnen, hen door de Nederlanders geleverd, in feite van Kortrijkse makelij was en dus evengoed rechtstreeks vanuit Kortrijk kon worden geïmporteerd, temeer daar de bleekkwaliteit hier inmiddels die van de Hollandse evenaarde.
Een treffende anekdote in dit verband: de Kortrijkzanen hadden reeds lang door dat het witste wit verkrijgen iets te maken had met het gebruik van weedas. Zij hadden dit procédé ingevoerd, maar toch bleek Kortrijks linnen na enkele wasbeurten géél uit te slaan: iets wat niet het geval was bij in Haarlem gebleekt linnen. Jarenlang dacht men dat de minderwaardige bleek wel te wijten moest zijn aan een hogere zuiverheid van het Hollandse duinenwater. Niemand had door dat er iets anders aan de gang was. Weedas werd ons namelijk geleverd door de Hollanders. Ze hielden de beste kwaliteit voor zichzelf en solferden de Kortrijkzanen een ingenieus samengesteld minderwaardig mengsel op, wat voor een roestkleuriger bleek zorgde! Eens de ware oorzaak ontdekt, zocht men eerlijker bevoorraders en werd zonder problemen voortaan maagdelijk en onveranderlijk wit aan de klanten geleverd…
In de 18e eeuw kwam echter ook de Brugse blekerij tot grote bloei: het aantal blekerijen was er zelfs groter dan in Kortrijk, zodat er volop voor de Gentse linnenmarkt kon worden gebleekt. Gent zelf had nochtans haar eigen bleekbedrijven, maar haar bleekmethode, verschillend van de Kortrijkse, stond vaak ter discussie. Zelf stond deze stad pal achter haar bleekwijze: niet zelden gebeurde het dat ze stiekem het hooggeprezen wit van het Kortrijkse linnen nog eventjes in haar eigen ateliers liet “volbleken”! Een ander probleempje betrof het al dan niet gebruik van steenkolen in de loochhuüzen. Gent geloofde niet dat de bleekkwaliteit daaronder kon lijden, noodgedwongen wellicht wegens de schaarste en de dure prijzen van hout. Bovendien stookten ook andere Gentse industrieën, zoals brouwerijen en zout- of zeepziederijen, immers met kolen! Dat belette niet dat heel wat handelaars de methode afkeurden, bevreesd als zij waren voor roestvlekken veroorzaakt door eventuele “rookvlokken”, en hun linnen liever lieten bleken in Kortrijk waar het gebruik van steenkool in de bleeknijverheid zondermeer verboden was.
b. ORGANIZATIE VAN DE LINNENINDUSTRIE.
Stelselmatig, en dit vanaf de Middeleeuwen, had onze regering zich weinig of niet bemoeid met het reglementeren, uniformiseren van de linnenproductie en/of –handel, noch met het in goede banen leiden van het geheel van de vlasindustrie. Het wegwerken van de gerezen problemen werd overgelaten aan de steden en voor het overige liet men het spel van vraag en aanbod de gang van zaken bepalen. Men was er nl. van overtuigd dat de linnenweverij enkel onder een regime van doorgedreven vrijheid kon functioneren. Zelden stond men stil bij het gevaar dat een te soepel beleid dienaangaande misbruiken in de hand kon werken, die op termijn de faam van onze producten zou gaan schaden. Zo werd het bijvoorbeeld gebruikelijk het linnen te lijf te gaan met puimstenen, bijtende wittebollen (= terre à pipe) of zelfs zwavelzuur om het lijnwaad te verzachten en het een fijner uitzicht te bezorgen, zonder dat daar wezenlijk tegen opgetreden werd. [327] De sporadische ordonnanties ter zake (1753 –
1768) werden dan ook genegeerd. [328]
Aanvankelijk werd door de steden, die de producten probleemloos wilden verkopen, vooral gestreefd naar een uniforme geijkte breedte en het gebruik van kwalitatief goede verf, omdat de afnemers vooral dáár op hamerden. In de 18e eeuw kwam de problematiek van de maximumlengte van de stukken lijnwaad op de voorgrond. De export eiste stukken van 65 el omdat men vond dat die beter geweven én gebleekt waren dan de langere stukken. Bij langere stukken – 100 el en méér – werd hun gewicht naar het einde toe zo groot dat de rieten weefkammen het vaak begaven, waardoor het linnen defecten vertoonde. Bovendien werden die tijdens het bleken minder vaak omgedraaid omdat het manipuleren van die lange natte stukken voor blekers véél lastiger was en lichamelijke problemen als hernia veroorzaakte. De belangen van de handelaars waren hierbij tegenstrijdig aan die van de blekers, vermits de handelaars liever lange stukken lieten bleken, tegen betaling van een klein extra-loon op de bijkomende ellen, om de stukken daarna in twee te snijden, zodat ze theoretisch beantwoordden aan de eisen van de kopers.
De blekers bepleitten hun zaak met soms misleidende doch klinkende argumenten: bij het weven van kleinere stukken kwamen er méér stukken op de markt, zodat er méér omzet en dus winst kon worden gerealizeerd en de stukken zouden tevens beter gebleekt zijn, waardoor ze duurder konden worden verkocht. Bovendien konden de arme dorpswevers nooit voldoende kwaliteitsgaren aankopen voor het weven van zo’n lange stukken, zegden ze, zodat ze er noodgedwongen minderwaardige garens in verwerkten waardoor ongelijke weefsels met kleurverschillen hun ateliers verlieten. Tenslotte moesten vaak de beste blekers het beroep opgeven wegens rugklachten en waren de bleekweiden slechts voorzien op stukken van 55 m lang. [329]
De regering, sinds de 17e eeuw met regelmatige tussenpozen gecontacteerd door beide antagonisten, bepaalde aanvankelijk de lengte op 62 en 65 el maar de Oostenrijkers bleken op dat vlak gemakkelijker te beïnvloeden: eerst kozen ze voor een 65 el norm, dan weer pencheerden ze voor een maximum-lengte van 120 el, om die enkele jaren later weer terug te schroeven tot 65 el, zodat iedereen op de duur de regelingen gewoon aan zijn laars lapte. “ De plattelandswevers hadden er immers belang bij hun stukken zo lang mogelijk te weven, daar het recht, door de stad op het inkomend linnen geheven, niet berekend werd per el, doch per stuk.” [330]
Vast staat dat de stukken doorheen de eeuwen steeds langer werden geweven. In 1726 werd gedecreteerd dat op weven geen maximumlengte stond, maar dat blekers voor langere stukken dan 65 el behoorlijk en navenant moesten worden vergoed! [331] Aan het eind van het Ancien Regime was de lengte opgelopen tot een gemiddelde van 65 à 75 el, waar dat oorspronkelijk steeds 50 à 60 el was geweest. Stukken van 80 à 100 el waren geen uitzonderingen meer. [332]
Ook slaagde de regering er niet in de beperking op het aantal getouwen per ambachtsmeester in de hand te houden. De maatregel van maximum 4 getouwen, die reeds onder Keizer Karel van kracht was om de minder begoede ambachtslui te beschermen tegen de meer kapitaalkrachtige, werd al lang met de voeten getreden. De Oostenrijkse regering beperkte het maximaal toelaatbaar getouwen per “fabrikant” tot 10 (1736) maar deed verder of haar neus bloedde, [333] zodat vooral in de tijkweverij de huisweverij stilaan door grote koopman-ondernemers werd overgenomen: rond 1780 controleerde een Gentse handelaar 200 getouwen!
Dezelfde weifelende en willekeurige politiek vinden we terug in de reglementering van de root. Roten in de Leie en bijrivieren bleef in de 18e eeuw, net zoals in de vorige eeuwen, verboden op basis van dezelfde argumenten: schadelijk voor de visvangst en gevaar voor de openbare hygiëne. Toch waren ook hier de Oostenrijkers vatbaar voor de manipulaties van de lobbyisten: roten in stromend water verhoogde
de waarde van het vlas met de helft, volgens hen, en door het roten van de Fransen in de bovenloop van de Leie was het water toch reeds gepoluëerd! Dus stond Maria Theresia toe dat er kunstmatige grachten (= montées) werden aangelegd waarnaar het Leiewater werd afgeleid…
Het verhandelen van linnen was nog steeds in de steden gecentralizeerd, maar nu overwegend in Gent, waar de export in de eerste plaats op Spanje was gericht, in Kortrijk, waar het linnen vooral in de richting van Frankrijk vertrok, en in Brugge, die haar export meestal liet uitvoeren door Hollandse transiteurs zodat haar marktproducten vaak in Curaçao terecht kwamen.
Ondanks de concurrentie van Brugge en Kortrijk bleef de Gentse lijnwaadmarkt gedurende de ganse Oostenrijkse periode de belangrijkste van de Zuidelijke Nederlanden. [334] Tussen 1705 en 1735 verhandelde deze markt gemiddeld 50.000 stukken per jaar, een aantal dat opliep tot 61.000 tussen 1735 en 1750 en 80.000 in de periode 1750-1765. [335]
De winsten van de handelaars werden door de Raad van Financiën schromelijk onderschat: ze gingen er immers van uit dat de handelaars, in opdracht van het buitenland, linnen opkochten en het als “makelaars” doorverkochten tegen een commissieloon van 1,5 à 2 %. [336] In werkelijkheid handelden de handelaars dikwijls voor eigen rekening zodat er, zelfs in het geval van officiële uitvoer via Cadiz naar Amerika met dure tolrechten en hoge verzekeringskosten, minstens 10 % winst werd gerealizeerd!
In de 18e eeuw waren er reeds enkele marchands-manufacturiers bedrijvig. In grote lijnen bleef dit fenomeen bij ons echter beperkt tot de gespecializeerde weverij in de steden, nl. fijnlinnen en tijk. Courantlinnen werd quasi uitsluitend geproduceerd op het platteland, ten huize van kleine dorpswevers die zowel het spinnen als het weven voor hun eigen rekening namen, waarna ze de stukken zelf naar de stedelijke markt brachten of het verkochten aan rondtrekkende kutsers. Bleken deden ze echter niet zelf: het waren de kooplieden die daarvoor zorgden en het ook bekostigden.
Van bij haar ontstaan had de plattelandsweverij in de figuur van de kutser (= aanvankelijk een lokale dorpskoopman, nadien een rondreizende opkoper van weefsels, garens en ruw vlas) een nuttige bemiddelaar gevonden voor het versassen van haar productie naar de grote stedelijke markten. Ze trokken immers tot in de kleinste hoekjes van de vlasregio’s, zodat ze de wevertjes het afleggen van verre afstanden – te voet! - en tijdverlies bespaarden. Hun toekomstmogelijkheden waren aanzienlijk gestegen door het toenemend belang van de markten Gent, Brugge en Kortrijk in de 17e eeuw.
Vooral de beide laatst genoemden droegen hun voorkeur weg wegens de kortere marktel die er gehanteerd werd, zodat die markten dankzij de stelselmatige aanvoer door kutsers hun omzet zagen stijgen ten nadele van Gent. [337] Deze tussenhandelaars verstoorden het evenwicht tussen de markten want, van zodra de algemene conjunctuur iets ongunstiger werd, boden ze hun opgekocht lijnwaad opnieuw massaal aan op de Gentse markt. [338]
In de 18e eeuw waren ze echter zo talrijk geworden dat ze mekaar geleidelijk aan de das omdeden. Véél kapitaal hadden ze meestal niet: ze benutten hun liquide middelen doorgaans voor het aanleggen van speculatieve stocks. [339]
Door de band betaalden ze slechts voorschotten aan de wevers waardoor ze meteen een vast kliënteel opbouwden en de hele landelijke weverij monopoliseerden. De afrekening gebeurde derhalve ná verkoop. Wanneer ze dan, net voor het sluiten van de markt, door de gestegen concurrentie nog met grote voorraden bleven zitten, verkochten ze die liever aan dumpingprijzen dan met een half lege portemonnee de dag af te sluiten.
Ze kochten weefsels op van zelfstandige wevers die naar de stad kwamen, buiten de stadspoorten, en verkochten ze in herbergen, los van de verplichte markt. [340] In stijgende mate ontdoken ze zo elle- en zegelrechten, zodat ze met z’n allen steeds meer door de stedelijke handelaars als een ware plaag werden ervaren. Kwaliteitscontrole werd op die manier immers onmogelijk, met alle gevaren van misbruiken vandien. Een vinnige strijd om hen de toegang tot de markten te verhinderen kon dan ook niet uitblijven. Uiteraard ging die vooral uit van de Gentse kooplui, in perioden van stagnatie op de Gentse markt, terwijl de Bruggelingen en Kortrijkzanen de kutsers in bescherming namen. [341] Terzelfdertijd zetten de tussenhandelaars van hun kant de dorpswevers onder druk met chantage en andere terreurmiddelen, omdat die - enerzijds uit schrik voor een mogelijke faillissement van hun lokale koopman, waarvan precedenten bewezen hadden hoe die ganse dorpen in schrijnende ellende konden dompelen, anderzijds aangetrokken door de kontante betaling van de stedelijke kooplieden - hun linnen steeds vaker rechtstreeks naar de markt van Gent of Kortrijk brachten. Een en ander toont aan dat de economische rol van de kutsers niet alleen vandaag onder historici, maar ook reeds in de 18e eeuw fel omstreden was. [342]
c. STIJGENDE BUITENLANDSE CONCURRENTIE.
Frankrijk schijnt, naar de cijfers te beoordelen, na Spanje (invoerder van 5/8 van onze linnenproductie [343]) de belangrijkste afnemer geweest te zijn van onze vlasproducten in de 18e eeuw ondanks een volgehouden protectionisme. De Franse regering milderde, periodisch, wel eens haar toltarieven, maar op de keper beschouwd mag men toch stellen dat zij er nauwlettend op toe zag onze producten uit te sluiten van de Franse, ja zelfs van de Spaans-Amerikaanse markt. Een en ander wordt begrijpelijk wanneer we dit koppelen aan het heropstarten en uitbreiden van hun eigen vlasnijverheid, na haar terugval gedurende de Spaans-Franse strijd en in de tweede helft van de eeuw aan het beschermen van hun eigen productie, toen die neerwaartse tendenzen ging vertonen ten gevolge van de groeiende Engelse concurrentie. Het spel werd echter subtiel gespeeld: in wezen was er zelden sprake van invoerverbod, maar de invoerrechten liepen soms zo hoog op dat het praktisch neerkwam op prohibitie tout court.
In eerste instantie werd de Franse linnenweverij, aanvankelijk geconcentreerd in Normandië, Bretagne en Ile de France, versterkt door de aanwinst van de bloeiende voormalige Zuidnederlandse gebieden. Rijsel en omstreken bijvoorbeeld, werd met man en macht gesteund om er een bloeiende vlasindustrie uit te bouwen, vlakbij onze grenzen, mét de deskundige collaborerende hulp van Vlaamse specialisten terzake. Vermits echter zowel de eigen als de verworven gebieden het in de loop van de eeuw steeds moeilijker kregen ten gevolge van vlas- en garenschaarste (met toenemende afhankelijkheid van de Vlaamse vlasteelt: Pays Conquis voor 4/5en!), buitenlandse concurrentie en verhoging van de toltarieven in Spanje (vanaf 1774: vooral nefast voor de Bretoense uitvoer, toen Frankrijks belangrijkste productiegebied), werd
tenslotte liever werk gemaakt van het uit de markt prijzen van Zuidnederlandse producten. “ De Franse regering waakte nauwlettend op de productiedegelijkheid… Het grote voordeel van de Franse nijverheid was dat de regering de rol vervulde waarmee bij ons de steden belast waren. “ [344] De overheid zorgde immers voor algemene reglementering, waarbij voor iedere regio afzonderlijk de nodige nuances werden aangebracht. (Op de verschillende houding van de regering in de Oostenrijkse Nederlanden hebben we reeds gewezen en we komen er verder nog op terug.)
Daarnaast werden Vlaamse vaklui aangetrokken om die sectoren waar Frankrijk slecht of niet op scoorde wat leven in te blazen, waarbij er druk gejongleerd werd met allerhande premies, regelrechte staatssubsidies, belastingvrijstellingen en dies meer. Vooral onze specialiteiten werden hierbij geviseerd: gestreept Brugs lijnwaad, Brusselse tijk, Kortrijkse damast en uiteraard onze superieure kant. Bovendien werden ook de twijn- en de bleekindustrieën op niveau gebracht.
Nog problematischer voor ons land was echter de openstelling, sinds 1648 maar nog sterker vanaf 1713, van de Spaanse en haar koloniale markten voor onze concurrenten. Inzonderheid Frankrijk profiteerde schaamteloos van het simpele feit dat de voormalige staatkundige banden tussen Spanje en de Nederlanden waren opgeblazen, waarmee meteen ook de “morele” verplichtingen van de Spaanse kroon ten overstaan van ons land gekelderd werden. De Spaanse toldiensten schrokken er niet voor terug verschillende “maten en gewichten” te gebruiken, waarbij de Fransen veelvuldig werden gefavoriseerd. Soms moesten ze hun bevoorrechte positie voor een poosje delen met Engeland en het gebeurde zelfs wel eens dat onze regering, in haar onderhandelingen voor wat soepeler faciliteiten, een slag thuis kon halen. Maar al bij al vielen de voorwaarden voor de invoer in Spanje altijd voordeliger voor hén uit.
Naar de onderliggende redenen voor dit overduidelijk favoritisme kunnen we slechts gissen. Of zijn er toch subtiele aanduidingen die misschien opheldering brengen? Spanje dreef zijn invoerrechten t.o.v. de Nederlanden op, maar liet terzelfdertijd de import van Silesisch linnen vrij. Niet enkel de Fransen lagen dus in het bovenste schof! Bovendien kan hier de politieke onenigheid tussen Spanje en de Zuidelijke Nederlanden (1729-1748) niet ingeroepen worden vermits Silezië óók resorteerde onder Oostenrijks bewind.
Wanneer we hier evenwel een circulaire van de Staten van Vlaanderen aan vastkoppelen, waarin zij het hebben over toenemende fraude in de linnennijverheid en opgevangen echo’s over ronduit “slechte” kwaliteit, wordt een en ander een stuk duidelijker. [345] Het feit blijft dat Frankrijk ons niet alleen op zijn interne markt bekampte, maar evenzeer op de Spaanse!
Engeland was een heel ander verhaal, al lijkt het op het eerste gezicht wél hetzelfde: de uitbouw van een eigen industrie en een doelmatige beschermingspolitiek. Tot op het einde van de 17e eeuw was Engeland aangewezen op invoer van linnen uit het buitenland, bij gebrek aan een eigen weverij. In de 15e en 16e eeuw waren wij de grote leveranciers geweest, maar zoals we gezien hebben waren de relaties nadien wat bekoeld. Vanuit Amsterdam, via Hamburg, werd daarna vooral Saksisch en Silezisch linnen ingevoerd en werd ook Frankrijk een steeds steviger voetje aan de grond gegund.
In Ierland was mettertijd echter een ruim verbreide huisnijverheid ontstaan die vlasgarens en smal bandlelinnen produceerde. Via een goed uitgekiende economische beschermingspolitiek werd deze vanaf het begin van de 18e eeuw omgevormd tot exportindustrie.
Door privé-initiatieven van Hugenoten vooral – o.a. een afstammeling van een in de 16e eeuw naar Frankrijk uitgeweken Vlaming, die na de opheffing aldaar van het Edict van Nantes (1685) de benen had genomen naar Ierland [346] - maar gesteund door de regering, langdurige landbouwpachten vanwege de Ierse adel en allerlei corporations, werden de Ieren omgeschoold tot vakkundige vlastelers, wevers, twijnders en blekers, waardoor de Ierse linnenweverij aan een nooit geziene opmars begon. Vertienvoudigde productie tussen 1712 en 1755, maal 2,5 tussen 1750 en 1771 en nogmaals verdubbeling tussen 1784 en 1796 zijn cijfers die klinken.
Na 1725 werd ook in Schotland dezelfde tactiek toegepast. Weldra vond het Iers en Schots courantlinnen, evenals Londens batist en in Manchester vervaardigd gestreept ginga-linnen, zijn weg naar de West Indies en Noord-Amerika.
Volledig synchroon met de opbloei van de Engelse lijnwaadnijverheid, werden de toltarieven ten opzichte van onze linnenhandel aangepast. De zogenaamde linenpolitic begon reeds in 1698 met de fameuse “bill” die tolvrijheid verleende aan het Ierse linnen. Voortdurend was de Engelse regering nadien tot onderhandelen met de Zuidelijke Nederlanden bereid maar tot akkoorden kwam men niet: de invoerrechten bleven voor ons land ontzaglijk hoog zodat verkoop van onze producten quasi onmogelijk was, temeer daar die rechten driemaal hoger lagen dan die bepaald voor Hollands linnen en zelfs zesmaal hoger dan die voor Silezië. Omgekeerd konden, door een clausule bij het Barrièretractaat (1715), Engelse producten moeiteloos in ons land ingevoerd worden, vermits die bepaalde dat de keizer niet zomaar onze toltarieven kon verhogen wanneer het hem zinde.
Op één vlak stonden wij wat sterker: de Engelse dames prefereerden immers onze Brusselse fijne kant, met steeds nieuwe patronen, boven de grove namaak die de Engelsen zelf produceerden nadat zij hiervoor Brabantse kantwerksters met slinkse middelen hadden aangetrokken. Treffend in dit verband is de opmerking van onze Gevolmachtigd Minister graaf L.B. di Belgiojoso, die de situatie perfect beschrijft: “ De Engelse kantindustrie verwerkt Frans-Vlaams garen in de Oostenrijkse Nederlanden gesponnen en in Holland gebleekt “. [347] Vermits echter ook op dat vlak de linenpolitic systematisch doorgevoerd werd, moesten onze producten vooral naar de Britse eilanden worden gesmokkeld, desnoods in doodkisten! Zo ontdook men de hoge toltarieven, terwijl men kleine hoeveelheden van de kostbaarste stukken officiëel invoerde… pour sauver les apparences…
Onze relaties met de Verenigde Republiek waren voor ons heel wat positiever. Na de strijdvaardigheid van weerszijden vóór de scheiding, waren de gemoederen wat bedaard na de Vrede van Münster en hoewel wij aanvankelijk niet op kado’s moesten rekenen van hun kant, zorgde de afschaffing van hun voormalige prohibitieve handelspolitiek en een aanhoudende tolstabiliteit voor normale, zij het beperkte handelscontacten.
Hun vlasindustrietje was voor ons niet echt concurrentiëel, terwijl zij zelf al liever onze producten invoerden dan hun eigen weefsels te verbruiken. Haarlem bleekte nog steeds wat Vlaams linnen, maar dat was stilaan het spreken niet meer waard. Sinds de Vrede van Utrecht hadden zij bovendien hun handelshegemonie aan Engeland verloren en daalde de welvaart in het land zienderogen nu hun Gouden Eeuw zijn beste tijd had gehad. [348] Om te redden wat er nog te redden viel, traden zij gretig op als handelsagenten voor de invoer van koloniale waren en de heruitvoer van allerlei producten van hun buurlanden, waaronder Duits en Zuidnederlands linnen.
Na 1750 nam onze uitvoer naar Nederland aanzienlijk toe. Steeds meer handelaars zagen af van de dure, risicovolle rechtstreekse export naar Spanje, ten gunste van de gematigde bemiddeling van onze Noorderburen die ons linnen wel via hun kanalen verder aan de man brachten. Via Hollandse expediteurs leerden heel wat landen ons linnen kennen en snel verkiezen boven Silezische, Hamburgse of Bretoense weefsels, veroverden wij de harten in de Hollandse kolonies en ontweken wij de hoge invoerrechten naar Latijns-Amerika, doordat onze goederen er nu, in plaats van via Spanje, door de Hollandse sluikhandel over St. Eustachius en Curaçao werden ingevoerd.
d. VLASPROBLEMEN EN DE HOUDING VAN DE OOSTENRIJKSE REGERING.
Naast stijgende concurrentie, buitenlandse én binnenlandse, werd onze vlasindustrie geconfronteerd met een reeks andere problemen van diverse aard. We vermeldden reeds het gebrek aan goede reglementeringen, waardoor onze concurrentiekracht stilaan werd uitgehold, gezien de vastberadener aanpak van de buitenlandse regeringen. Er was de toenemende broodroof door kutsers t.o.v. stedelijke marktkramers en die van koopman-ondernemers t.o.v. kleine tijkwevers. Daarnaast was er de strijd van de roters voor het recht om te roten in de Leie zelf en die van de exporteurs tegen de kutsers enerzijds en de blekers anderzijds. Het grootste probleem was echter de verbeten strijd die gevoerd werd tussen de vlasboeren en de verzamelde vlasnijverheid (inclusief handelaars en twijnders), veroorzaakt door de voortdurende “tekorten” aan vlas (die er in feite bij normale oogsten door de recent nog sterk uitgebreide teelt steeds minder waren) en bemoeilijkt door het feit dat de kwaliteit van het vlas verschilde naar gelang de bodemgesteldheid van de diverse regio’s, waardoor sommige vezels voor onze industrie niet waren geschikt. De moeilijkheden op dit vlak waren niet nieuw: reeds in de 16e eeuw stak een latente vlascrisis de kop op die met het herhaaldelijk uitvaardigen van vlasuitvoerverboden werd bestreden. [349] In de 18e eeuw kwam het tot een regelrechte oorlog die niet alleen met behulp van pamfletten pro en contra werd uitgevochten: er zijn nogal wat gevallen bekend waarbij beide partijen mekaar met de blote vuist te lijf gingen. Eens te meer wist de regering zich géén raad, hoe ze deze tweespalt moest aanpakken.
Wat was er in feite aan de hand? De typische nijverheidsregio’s vormden nu vrijwel een aaneengesloten geheel in het hart van het voormalige graafschap Vlaanderen. Zij verbouwden her en der vlas maar waren grotendeels aangewezen op de teelt van de feitelijke hierin gespecialiseerde kultuurgebieden die het industriegebied rondom begrensden: het Waasland, het Westland en Henegouwen-Brabant. Vermits ook Frankrijk en Nederland schreeuwden om grondstoffen zagen de vlasboeren er geen graten in te leveren in beide richtingen: een beetje aan de Vlaamse industrie en een beetje aan de concurrentie. Logisch eigenlijk, vermits de buitenlandse verwerkers te kampen hadden met reële schromelijke tekorten en dan ook bereid gevonden werden hoge prijzen te betalen, terwijl de inlandse industriëlen vooral kieskeurig waren, superkwaliteit eisten op regelmatige basis en dan nog liefst tegen zo laag mogelijke prijzen. Voor de boeren was de keuze vlug gemaakt!
De regering werd van weerszijden met “memoires”, petities en rapporten bestookt terwijl de Staten van Vlaanderen een pro-nijverheid campagne voerden, hoewel ook hier de meningen intern waren verdeeld tussen de teelt- en de nijverheidsgebieden. (De stem van de Gentse Handelskamer gaf blijkbaar nog steeds een gevoelige doorslag.)
De boeren beweerden dat zij wel vier keer zoveel vlas oogsten als er nodig was voor de inlandse industrie, zodat niemand benadeligd zou worden wanneer de export van ruw vlas veroorloofd werd. De industrie anderzijds hield vol dat de industrie vier keer méér opbracht aan het land maar dat die bloei afhing van goedkope grondstoffen, terwijl nu juist het toestaan van vlasuitvoer de prijzen de hoogte injaagde. “ Het vlas vervulde in Vlaanderen dezelfde rol als de wol in Engeland. Bijgevolg waren de redenen waarom Engeland de uitvoer van onbewerkte wol verbood, ook geldig voor het Vlaamse vlas “. [350] Bovendien werd stelselmatig het betere vlas uitgevoerd, zegden ze, terwijl de eigen industrie het maar moest zien te rooien met de rest. De boeren betoogden net het tegendeel: ze verlapten slechts de mindere kwaliteiten aan het buitenland – zoals het voor ons onbruikbaar té fijn Henegouws “geraamd” vlas, dat slechts als scheringsdraad in de Franse zijdehandel kon dienst doen - beweerden ze, vermits die toch geen fijnlinnenindustrie van betekenis hadden en de kwaliteitsvezels dus niet konden gebruiken…
De regering probeerde een geschikte middenweg te vinden tussen de belangen van de industrie en die van de landbouw en bevoordeligde daarom eens de een en dan weer de ander. Grenzen werden doorgaans geopend of gesloten naargelang het niveau van de oogsten. [351]
In feite zat zij zelf, zeker vanaf de tweede helft van de eeuw, met een prangend vraagstuk waar ze het goede antwoord niet op vond, nl. het dilemma tussen mercantilisme en het motto Laissez faire, laissez passer, hen ingefluisterd door de Fysiocraten. Immers, wie kon nu met zekerheid aanwijzen wat belangrijker voor de staatskas was: een bloeiende landbouw gekoppeld aan vrijhandel of het bewust promoten van handel en industrie, via het sluiten van de grenzen voor de uitvoer van grondstoffen en de invoer van afgewerkte producten en de openstelling ervan voor de omgekeerde beweging? [352]
Bovendien zat de regering geplaagd met de betutteling van de grote mogendheden, waardoor zij tussen 1713en 1748 niet zelf kon kiezen welke politiek zij wilde volgen en de keuze voor protectionisme door Frankrijk en Engeland, waarop zij wel verplicht was te reageren met gelijkaardige maatregelen. De hele strijd werd dus in feite nodeloos gevoerd: de uitvoer van vlas werd door de band noodgedwongen verboden, tijdelijke opheffing- of afzwakkingperiodes niet te na gesproken. W. HAAGEN confirmeert deze stelling zo: “Samenvattend kan men stellen dat de vrije legale vlasexport slechts gedurende een zeer beperkte periode heeft bestaan.” [353]
Een rechtstreeks gevolg van de inlandse prohibitieve maatregelen t.o.v. de vlasuitvoer én de invoerbeperkingen op onze afgewerkte producten via te hoge toltarieven in het buitenland, was het weelderig tieren van sluikhandel op beide fronten. Wij zagen reeds hoe linnen en kant gesmokkeld werd naar de Spaanse koloniën, via de bereidwillige medewerking van de Hollanders, evenals naar Engeland. Wat Frankrijk betreft was er een ganse constructie opgesteld om de hoge Franse tolrechten te omzeilen. De invoerrechten verschilden nl. naargelang de bestemming en de kwaliteit: in de Pays-Conquis waren ze een stuk lager dan die rechtstreeks naar de rest van Frankrijk en grof linnen werd minder zwaar getaxeerd.
Een en ander was het gevolg van de interesse die Frankrijk voor de nieuw veroverde linnenstreken had getoond. Frans-Vlaanderen en –Henegouwen eisten bij de verdere uitbouw van hun industrie, gestimuleerd door de regering, de nodige uitvoerfaciliteiten naar de rest van het land maar ook soepele invoertarieven m.b.t. de Zuidelijke Nederlanden, ter bevordering van een lokale twijn- en bleekindustrie die nog helemaal niet vlotte en wat steun kon gebruiken.
De uitvoer van Rijselse producten over de inlandse tolgrens met het Franse binnenland kostte daarom niet veel. Bovendien was Rijsel vrijgesteld van transitorechten naar de kolonies en genoot zij uitgebreide privileges op de diverse jaarmarkten. Dus koppelden wij de zaken aan mekaar, met medewerking van Rijselse opkopers. Zuidnederlands linnen met bestemming Oud-Frankrijk vertrok in eerste instantie naar Rijsel, mét een verklaring dat de producten voor verkoop of bleek in de Pays-Conquis waren bestemd en dat het om grof lijnwaad ging. Zo kregen ze meteen aan de grens ook een acquits à caution (= borgbrief) mee, waardoor het verdere transport naar Rijsel probleemloos kon verlopen. In Rijsel aangekomen voorzagen de collaborerende handelaars ons linnen van een Frans-Vlaams grof-linnen-fabrikagezegel, waarna het zijn weg kon vervolgen over de inlandse tolgrens naar de uiteindelijke klant. De Franse regering probeerde de smokkel met allerlei middelen te bestrijden maar het enige effectieve middel, nl. de verhoging van de invoerrechten naar de recent veroverde gebieden, werd door de lokale handelaars daar, gesteund door hun notabelen, met evenveel strijdvaardigheid afgeweerd, vermits zij goed aan het frauduleuze handeltje verdienden. Bovendien was de Franse clientèle erg tuk op ons fijn linnen en helemaal niet bereid zich tevreden te stellen met de grovere inlandse fabricaties, zodat de sluikhandel wel met veel lawaai en wetten werd bestreden, maar zelden repressief werd beteugeld.
Het uitvoerverbod op ruw vlas in ons land zorgde enkel voor een even intens gesmokkel naar Frankrijk en ook naar Nederland. Hierbij echter werden géén slinkse truken gebruikt maar trokken goed georganizeerde benden, vaak honderden mannen sterk, in het holst van de nacht over de grenzen, geladen met kruiwagens vol vlas.
Wanneer tegenstand werd gevreesd, begeleidden gewapende kerels de smokkelconvooien. Vooral t.o.v. Franse douaniers schrok men niet terug vuurwapens te gebruiken: gesnapt worden door de Fransen betekende immers prompte veroordeling tot de galeien! De “onzen” waren veel redelijker in hun bestraffing: meestal kwamen smokk