Twee Engelse benedictinessen ver van huis. De brieven van Mary Percy (1569-1642) en de biografie van Gertrude More (1606-1633). (Bieke Verhoelst)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

In het begin van de zeventiende eeuw verlieten vele Rooms-katholieke religieuzen en anderen, die zich niet wilden conformeren aan de Anglicaanse kerk, hun land en zochten hun heil in onder meer Frankrijk, Spanje en Italië. Het waren vooral de Spaanse Nederlanden die het centrum werden van de Engelse contrareformatie, met een enorme opstoot van kloosters en colleges, waar jonge mannen gevormd werden tot missionarissen in Engeland[1]. In deze tijden maakten twee jonge vrouwen de oversteek van Engeland naar het vaste land. Beiden kenden elkaar waarschijnlijk op dat moment nog niet, toch hadden hun levens een aantal raakpunten. De vermoedelijk in 1569 geboren Mary Percy was de dochter van de zevende graaf van Northumberland, Thomas Percy en van Anne Somerset, de dochter van de tweede graaf van Worcester. Toen Thomas Percy in Schotland gevangen genomen werd, omwille van zijn verzet tegen de Anglicaanse kerk, vluchtte zijn vrouw met hun dochtertje Mary naar Vlaanderen. Hier probeerde zij losgeld bij elkaar te krijgen voor haar man en diplomatieke steun te verwerven van de hertog van Alva, de gouverneur-generaal van de Spaanse Nederlanden. Alle hulp kwam echter te laat. Thomas Percy werd in 1579 geëxecuteerd. De weduwe en de kleine Mary bleven achter in Vlaanderen onder de hoede van de koning van Spanje. Mary kreeg onderricht in een aantal kloosters, ook in Frankrijk. Op een bepaald ogenblik keerde Mary echter terug naar Engeland, waar ook zij enige tijd gevangen genomen zou worden voor haar katholieke geloof. Ze keerde dan voorgoed terug naar de Spaanse Nederlanden in de jaren 1590. Ze dacht eraan om een klooster op te richten in Brussel voor Engelse katholieke vrouwen. Vooraleer ze deze onderneming begon wilde ze zich eerst bekwamen in het conventuele leven en bracht hiervoor een tijdje door in de kloosters van de Augustijner kannunikessen in Brussel en in Leuven. Na een tijdje in een huis met een paar gelijkgezinde vrouwen gewoond te hebben, stichtte zij met enkelen van hen in 1599 te Brussel een klooster in de orde van Sint Benedictus: The Monastery of Our Lady of the Assumption. Aangezien de vrouwen eerst een noviciaat moesten doorlopen, werd er gezocht naar een geschikte Engelse non om de leiding over het nieuwe klooster te nemen. Deze eerste abdis werd Joanna Berkeley. Zij leefde voorheen in de benedictijner abdij van Sint Pieter te Rheims[2]. De jonge congregatie telde acht zusters en vier lekenzusters. Het klooster groeide snel, maar al snel verstoorden een aantal strubbelingen het rustige kloosterleven..

 

In 1624 scheurde zich een groepje van vier zusters af en stichtte een klooster te Gent, waaruit later ook de stichtingen van Boulogne (1652), Pontoise (1658), Duinkerke (1662) en Ieper (1665) groeiden. Mary Percy deed haar professie op 21 november 1600. Het was haar intentie om een kloostergemeenschap te stichten als oord van rust en vrede voor uitgeweken Engelse katholieke meisjes. Het draaide echter anders uit. Mary werd abdis van het klooster in 1616 en werd telkenmale herkozen. Het was onder haar bewind dat het klooster woelige tijden kende. Zelf schreef ze in 1630 een brief aan de aartsbisschop waarin ze vertelde dat de problemen in het klooster haar teveel werden. Ze voelde zich ziek en vond het vreselijk haar klooster in een dergelijke staat te zien:

Me trouvant malade et infirme (non par la grace de Dieu en peur de la mort encore, selon le iugement des medicins) … que Dieu m’ayt fait mere de ceste famille par trois fois (comme vostre Seigneur Illustrissime le scait) la voyant en se miserable estat comme elle est …[3]

Later werden belangrijke stappen gezet tot vrede in het klooster en Mary speelde hierin een kapitale rol. Ze overleed op 13 november 1643. Zij werd als abdis opgevolgd door Agnes Lenthall in 1642. Onder haar bewind en onder dat van haar opvolgster Alexia Blanchard (abdis van 1651 tot 1652) heerste er nog steeds geen echte vrede in het klooster. Die kwam er pas toen in 1652 Mary Vavasour aan het hoofd van de gemeenschap kwam. Ook na haar werd het klooster niet meer geconfronteerd met zware problemen. De zusters kwamen achtereenvolgens onder de hoede van Anne Forster (abdis van 1676 tot 1682), Dorothee Blundell (abdis van 1682 tot 1713), Theodosia Waldegrave (abdis van 1713 tot 1719), Mary Crispe (abdis van 1719 tot 1757), Maura Whettenhall (abdis van 1757 tot 1762). Onder het gezag van Mary Ethelred Mannock (abdis van 1762 tot 1773) kende het klooster wat problemen door financiële moeilijkheden. Haar opvolgster Ursula Pigott (abdis vanaf 1774) werd omwille van gezondheidsproblemen vanaf 1791 bijgestaan door Augustine Tancred. De Franse Revolutie verplichtte de kloosters terug te keren naar Groot-Brittannië. De zusters verlieten Brussel in juni 1794, maar zonder Ursula Pigott. Zij weigerde Brussel te verlaten. Ze bleef er tot haar dood in 1795. De gemeenschap vestigde zich in Winchester tot 1857 en verhuisde toen naar East-Bergholt, Suffolk. In 1940 verhuisde het voor een laatste keer naar Woolmer Hill in Haslemere, Surrey[4] waar het in 1976 uitstierf[5].

In 1623 maakte een ander jong Engels meisje eveneens de tocht naar de Spaanse Nederlanden. Ook zij lag aan de bakermat van een nieuwe kloostergemeenschap. Helen More was de achterkleindochter van waarschijnlijk een van de bekendste slachtoffers van de godsdienstperikelen op de Britse Eilanden, Thomas More Helen werd geboren op 25 maart 1606 op het landgoed van haar vader, Cresacre More, Low Leyton te Essex[6]. Cresacre was de oudste zoon van Sir Thomas More en de kleinzoon van John More, de zoon en erfgenaam van de bekende Thomas More. Helen’s Moeder was de dochter van Sir John Gage; die een hoge positie aan het Engelse hof bekleedde. Zij stierf echter toen Helen amper vijf jaar oud was. Helen werd grotendeels opgevoed door haar vader, die nooit zou hertrouwen. Helen bleef tot haar zeventiende bij haar vader in Engeland. Benedict Jones[7], de biechtvader van Helen, zag in het jonge meisje een uitstekende kandidate om samen met een aantal leeftijdsgenoten een katholiek benedictijns klooster te stichten in de Spaanse Nederlanden. Helen was hier aanvankelijk niet voor gewonnen, maar vertrok uiteindelijk toch.. Samen met acht andere jonge meisjes uit Engeland kwam ze in 1623 naar de Spaanse Nederlanden om een klooster op te richten. Bij hun aankomst op het continent verbleven de meisjes een tijdje in Douai tot een geschikte plaats voor het klooster gevonden werd. Tegen het einde van het jaar 1623 namen de meisjes hun intrek in de abdij van Femy te Kamerijk. Aanvankelijk hadden ze het gebouw slechts in leen, maar in 1638 kwam het in hun bezit. Ze doopten de abdij om tot The Abbey of Our Lady of Consolation[8]. Bij haar professie in 1625 zou Helen de naam Gertrude More aannemen. Om deze jonge groep een goede start te geven werd de hulp van drie zusters uit de gemeenschap van Brussel ingeroepen, namelijk Frances Gawine, Pudentiana Deacons en Viviana Yaxley.[9] In 1629 verkozen ze uit de negen oorspronkelijke meisjes Catherine Gascoigne tot hun abdis. Ook de Kamerijkse gemeenschap bleef niet gespaard van problemen. Gertrude droeg bij aan de oplossing voor dit conflict. Zij was tevens een voorbeeld voor haar medezusters. Gertrude stierf evenwel op 17 augustus 1633 aan de pokken. De tien jaar die zij in het klooster verbleef waren niet zonder betekenis. In 1640 werd het klooster opgewaardeerd tot een volwaardige abdij met al de privilegies en rechten die hier bij hoorden. De gemeenschap van Kamerijk leefde een vrij rustig bestaan tot aan de Franse Revolutie. In deze periode werd de gemeenschap bestuurd door achttien abdissen en legden ongeveer 160 zusters hun geloften af. In 1651 stichtten een aantal zusters uit Kamerijk een filiaal te Parijs. De zus van Gertrude, Bridget More, werd de eerste abdis.

In oktober 1793 werden de zusters te Kamerijk gearresteerd en gevangen gezet voor achttien maanden. Ze werden gedeporteerd naar Parijs, maar daar vrijgelaten en teruggestuurd naar Engeland waar ze in 1795 aankwamen. Na een aantal omwegen kwamen ze in 1838 terecht in Stanbrook Abbey te Worcester, waar de kloostergemeenschap nog steeds verblijft[10].

 

Gertrude More, gravure door R.Lochon[11]

 

Voor een goed begrip moet er toch een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het klooster te Kamerijk en dat van Brussel. Hoewel beiden benedictijnse stichtingen waren is er een groot verschil in jurisdictie. Het klooster te Brussel van Mary Percy was een voorbeeld van de kloosters die gesticht werden door een of meerdere vrouwen die wilden samen leven volgens de regel van Sint Benedictus. Zij waren onafhankelijk van andere kloosters en stonden onder de jurisdictie van hun bisschoppen. Andere voorbeelden hiervan zijn de kloosters in Gent, Boulogne, Pontoise, Duinkerke en Ieper. Het klooster te Kamerijk was echter een uniek geval in deze contreien. Dom Benedict Jones was een van de monniken van de recent heropgeleefde English Benedictine Congregation en het klooster dat hij oprichtte voor de negen Engelse meisjes was enkel afhankelijk van deze groep.

 

Het thema van de Engelse kloosterzusters speelt al lang een belangrijke rol in de historiografie. Reeds in 1889 schreef A. Bonvarlet een studie over de Engelse nonnen die zich in een abdij te Duinkerke gevestigd hadden, getiteld: L’ abbaye des Dames nobles bénédictnes anglais de Dunkerque. Een gelijkaardig boek is dat van Patrick Nolan, OSB. Deze studie handelde over het klooster te Ieper, waarin Ierse meisjes leefden. The Irish Dames of Ypres, being a history of the Royal Irish Abbey of Ypres founded A.D. 1665 and still flourishing and some account of Irish jacobitism. Dit werd geschreven in 1908. In 1914 publiceerde Peter Guilday een belangrijke studie over de Engelse katholieke vluchtelingen op het continent. Hierin behandelde hij ondermeer een heel aantal Engelse congregaties, zowel van mannen als vrouwen die zich in deze contreien gevestigd hadden. Deze studie is een onmisbaar instrument bij het onderzoek naar Engelse kloosterzusters in de Spaanse Nederlanden. Ook de Catholic Record Society bundelde in het begin van de twintigste eeuw een deel uitgegeven bronnen in verband met deze zusters. Alexandre Pasture gaf in 1930 wat correspondentie van de Engelse kloosterlingen met Rome uit. Al deze studies behandelden voornamelijk de institutionele en religieuze geschiedenis van deze gemeenschappen. Naast een voortzetting van deze institutionele geschiedenis door onder andere L. Van Meerbeeck, die het Brusselse klooster van de Engelse nonnen uitvoerig behandelde in het Monasticon Belge uit 1964, is er een verschuiving naar een interesse voor de individuele zusters, met een meer biografische inslag. Een goed voorbeeld hiervan is Benedict Weld-Blundell die de geschriften van Baker over en de geschriften van Gertrude More uitgaf in 1910. In 1931 gaf Benedict Knowles de biografie van Lucy Knatchbull uit, geschreven door Sir Tobie Matthew.

Deze trend werd verder gezet wanneer Paul Renaudin Gertrude More opnam in zijn studie: Quatre mystiques anglais uit 1945. In zijn A literary and Biographical History of the English Catholics, from the breach with Rome in 1534 to the present time uit 1969 gaf Joseph Gillow heel wat biografische gegevens over een aantal Engelse nonnen die hier verbleven. Verder kwamen er ook uitgaven door de kloostergemeenschappen zelf, die hun geschiedenis te boek stelden. Een voorbeeld hier van is het boek van de zusters van Teignmouth, die hun ontstaansgeschiedenis in het klooster te Duinkerke uitgaven in 1958, geholpen door John Stephan en Wyndham Lewis. De benedictinessen van Stanbrook, de voortzetting van de stichting te Kamerijk bleven ook niet onverschillig voor hun geschiedenis en gaven in 1956 een studie uit over hun klooster. Het gaat hier vooral om een eerbetoon aan een van hun abdissen, maar zij behandelen tevens hun vroege geschiedenis in de Spaanse Nederlanden. Dit boek bevat al heel wat elementen van een trend die vooral de dag van vandaag tot uiting komt. Er komt een meer sociaal-culturele inslag in het relaas. De afkomst van de meisjes, het kunnen lezen en schrijven en de literaire achtergrond van de meisjes wordt als een zeer interessant aspect beschouwd. Vooral in de jaren negentig wordt deze trend doorgezet. In zijn artikels behandelt Paul Arblaster ondermeer het contact van de Brusselse Engelse zusters met de Aartshertogen en verschuift in zijn studie over dit Brusselse klooster duidelijk het zwaartepunt van een institutionele geschiedenis naar een cultureel-sociale geschiedenis, met veel aandacht voor het literaire kunnen van de vrouwen. Ook Margaret Truran, de archivaris van het klooster te Stanbrook, besteed hier in haar artikel True Christian Amazones in Downside Review van juli 1997 veel aandacht aan. De interesse voor een geschiedenis van de kloosterzusters uit de zeventiende eeuw, al dan niet van Engelse komaf, wordt duidelijk met een studie van Craig Harline. Hij combineert het cultureel-sociale aspect met het biografische in De verzoekingen van zuster Margriet: het Vlaamse kloosterleven in de zeventiende eeuw. Hierin vertelt hij over een jonge zuster die heel wat persoonlijke moeilijkheden ondervond tijdens haar kloosterleven. Het thema van ziekte en hysterie speelt hier een belangrijke rol in. Dit zien we ook in een artikel over Elisabeth Strouven, een vrouwelijke geestelijk uit de eerste helft van de zeventiende eeuw, van Florence Koorn uit 1992. Concha Torres schreef in 1996 een artikel over de brieven van een zeventiende-eeuwse Spaanse zuster in de Spaanse Nederlanden genaamd Ana De Jesus Hierin komt het thema van ziektes en hysterie terug. Hieruit blijkt dat ook de geschriften van de zusters worden gezien als een interessante bron voor hun geschiedenis. De aandacht voor de Engelse kloosterzusters die zich hier vestigden is nog niet voorbij.

 

Eind vorig jaar verscheen er immers een nieuwe uitgave van Bakers, The Life and Death of Gertrude More, door Ben Wekking. Het Ordres mendiants anglo-irlandais en Belgique: monasticon van Pascal Majérus is hier ook een belangrijk voorbeeld van. Dit verscheen in 2001. De sociaal-culturele aspecten van het leven van Engelse kloosterzusters nemen ook in deze studie een belangrijkere plaats in dan ze deden in het artikel van Van Meerbeeck voor het Monasticon belge.

 

Mijn onderzoek sluit aan bij deze recente ontwikkelingen. In de volgende hoofdstukken worden een aantal sociale en culturele aspecten van de geschiedenis van de Engelse kloosterzusters uit de doeken gedaan. Dit gebeurt aan de hand van eigen geschriften van de zusters. In de eerste plaats is dit de correspondentie van de Engelse kloosterzusters van de gemeenschap te Brussel met de aartsbisschop te Mechelen. Deze is bewaard in het archief van het aartsbisdom te Mechelen. Vooral de brieven van Mary Percy zijn hierin bijzonder interessant. Daarnaast speelt ook de biografie van Gertrude More een belangrijke rol. Zij schreef ook een aantal eigen geschriften, maar deze handelen eerder over haar religieuze leven. De biografie die haar biechtvader, Baker, over haar schreef is echter een zeer interessante bron voor mijn onderzoek. Andere bronnen, als de uitgegeven professielijsten, uitgegeven correspondentie van de zusters met Rome en van de nuntius, en de literatuur zijn een boeiende aanvulling. De sociale achtergrond van de meisjes is een eerste aspect: het sociale milieu waaruit zij kwamen, de leeftijd waarop zij binnentraden in het klooster en hun motivering hiervoor, de sociale contacten die zijn onderhielden met landgenoten, … Een ander aspect is hun culturele achtergrond: of ze konden lezen en schrijven, welke boeken ze lazen, welke talen ze spraken, etc. De institutionele geschiedenis van beide kloosters wordt echter niet vergeten. De spanningen in het klooster te Kamerijk en vooral te Brussel zijn op zich al heel wetenswaardig, maar vooral de manier waarop de zusters hiermee omgingen is zeer boeiend. Dit zal duidelijk blijken uit hun brieven. Een laatste aspect past meer in de gendergeschiedenis: hoe gingen de vrouwen om met hun mannelijke biechtvaders en oversten, hoe functioneerde een puur vrouwelijke gemeenschap en welke plaats nam solidariteit in bij deze kloosterlingen.

 

Het voornaamste bronnenmateriaal van dit onderzoek bestaat uit zes dozen losse documenten bewaard in het archief van Mechelen. Deze documenten zijn hoofdzakelijk brieven van de zusters van het klooster te Brussel aan de Aartsbisschop van Mechelen. Daarnaast bevatten de dozen ook rekeningen, visitatieverslagen en officiële documenten. Het interessantste materiaal voor dit onderzoek zijn echter de brieven. Het grootste deel van de brieven dateren uit de eerste helft van de zeventiende eeuw en kennen een hoogtepunt in de jaren 1629 tot 1635. Dit is tevens de periode waarin het klooster in grote moeilijkheden verkeerde. De brieven zijn zowel in het Engels, het Frans, het Oudnederlands, als in het Latijn geschreven. Het grootste deel is in vrij goede staat en in een redelijk leesbaar handschrift. Deze egodocumenten moeten natuurlijk met de nodige kritische zin benaderd worden. Enerzijds zijn ze goud waard als rechtstreekse getuigen van de toenmalige gebeurtenissen. Anderzijds zijn ze subjectief, aangezien ze de mening vertolken van personen die dicht bij de kwestie betrokken waren. Wanneer men dit echter in het achterhoofd houdt zijn deze bronnen zeer waardevol en geven ze een mooi beeld van hun schrijfsters en van de omstandigheden waarin zij geschreven werden. Er mag ook niet vergeten worden dat deze brieven de kijk op de wereld verkondigen van een vrouwen die in een gesloten gemeenschap leefden. In studies wordt er op gewezen dat deze visies vaak eng zijn en dat de ideeën vaak ingefluisterd zijn door ondermeer de biechtvaders van de zusters[12]. Het zijn ook vaak de enige documenten die de historicus kan helpen de geschiedenis van kloosters te onderzoeken. Deze bronnen werden echter niet altijd graag vrijgegeven door de katholieke kerk. Zij zagen de historicus als een indringer in de private sfeer van het klooster. De dag van vandaag is er ten aanzien hiervan meer openheid[13]. Van al deze brieven waren er ongeveer 200 zeer bruikbaar voor mijn onderzoek. De citaten die de bevindingen zullen illustreren komen rechtstreeks uit een aantal van deze brieven. Deze citaten zullen zo nauwkeurig mogelijk worden weergegeven door hun spelling aan te houden. Alleen de afkortingen worden voluit geschreven. De onduidelijk geschreven of weggevallen woorden worden tussen vierkante haken geïnterpreteerd. Voor het klooster te Brussel zijn deze brieven de hoofdbron. Voor het klooster te Kamerijk is dit de biografie van Gertrude More. Deze is geschreven door haar biechtvader Augustine Baker. Bij het lezen van deze uitgegeven bron kwamen vele interessante gegevens aan het licht. Het gaat hier echter om een literaire bron en die moet dus anders benaderd worden dan de brieven. Ook hier moet de nodige voorzichtigheid aan de dag gelegd worden. Het gaat hier om een spirituele biografie, waarin het leven van Gertrude beschreven wordt met als rode draad haar spirituele progressie. Vaak werd dit werk beschouwd als een soort hagiografie. Dit wordt echter door historici, als Ben Wekking, tegengesproken. Baker idealiseert Gertrude niet. Hij wijst zelfs vaak op haar fouten. Daarenboven bekritiseert Baker in zijn boek de hagiografie die enkel de heiligheid en de perfectie benadrukt en niet het proces waardoor deze werd bereikt. Een groot deel van de biografie is natuurlijk wel een uiteenzetting van de leer van Baker. Gertrude, zijn beste leerling, wordt hierin opgevoerd als voorbeeld om de lezer te inspireren[14]. De nadruk ligt dus duidelijk op de verdediging van deze leer. De bron moet dus ook vanuit deze context gelezen worden.

 

In een eerste hoofdstuk wordt ten eerste de sociale achtergrond en leeftijd van intreden van de zusters bekeken. Dit gebeurt met behulp van de uitgeven professielijsten. Daarnaast wordt er getracht een beweegreden om deze stap te zetten te vinden. De biografie van More is hier een groot hulpmiddel. Het culturele krijgt ook aandacht. Dat de zusters konden lezen en schrijven blijkt uit de brieven, maar wat lazen ze nog en in welke talen schreven ze? Wat waren daarnaast hun andere bezigheden in het klooster? In een tweede hoofdstuk worden de sociale contacten die de zusters onderhielden met het thuisland en met landgenoten in de Spaanse Nederlanden onderzocht. De brieven zijn hier een belangrijke bron. In een derde hoofdstuk worden de moeilijkheden die beide kloosters ondervonden uiteengezet. Deze feiten zijn gekend vanuit de literatuur, maar worden geïllustreerd aan de hand van de brieven, de biografie en uitgegeven correspondentie van de Brusselse zusters met Rome en van de nuntius. In een laatste hoofdstuk wordt er ingegaan op het genderaspect. Vooral de gezagsproblematiek en de solidariteit onder de vrouwen worden hierin behandeld. Daarnaast wordt er getracht een beeld te vormen van hoe zij met de mannelijke biechtvaders en oversten omgingen en hoe deze over deze vrouwengemeenschappen dachten.

 

 

Hoofdstuk 1: De vrouwen achter het habijt

 

Leven in een klooster was de droom van Mary Percy. Ze deelde deze droom met vele anderen. De kloosters te Brussel en Kamerijk ontvingen echter niet zomaar iedereen in hun midden. Het is dan ook interessant om eens te bekijken uit welk midden deze meisjes kwamen en of ze oud of jong waren toen ze de eerste voet in het klooster zetten. Dan kunnen we ons afvragen om welke redenen ze die stap gezet hadden en hoe ze zich bezighielden eens ze in het klooster opgenomen werden.

 

 

1 .Wie waren ze?

 

Na zelf een vergelijkende studie gemaakt te hebben van de professielijsten[15] van de kloosters van Kamerijk en Brussel kwamen we tot enkele resultaten omtrent leeftijd en afkomst van de meisjes. De registers van Brussel geven informatie over 137 zusters, die van Kamerijk over 230 meisjes die in het klooster zijn ingetreden. Deze laatste zijn niet allemaal choirsister geworden. Van de 230 zijn er 37 laysisters en 88 hebben het klooster verlaten. We moeten hierbij opmerken dat hoewel de betrouwbaarheid van deze documenten vrij groot is aangezien deze gegevens grotendeels bevestigd worden door de literatuur en de archieven te Mechelen, er hier en daar toch vragen kunnen rijzen. Zo is er een hiaat in de lijst van Brussel tussen de jaren 1644 en 1652. Kunnen we hieruit veronderstellen dat er in deze periode geen zusters werden opgenomen? Ook vinden we soms namen van novicen in de documenten in het aartsbisdom Mechelen die niet in deze registers voorkomen. We moeten dus deze gegevens met enige voorzichtigheid hanteren en we benadrukken dat de hieronder weergegeven resultaten enkel bij benadering juiste cijfers zijn. Als we gaan kijken naar de gemiddelde leeftijd bij het intreden van het klooster (dus niet de professie) in die periode dan zien we dat deze in Kamerijk ongeveer 19.4 jaar was en in Brussel ongeveer 18.8 jaar. De meisjes waren dus ongeveer 19 jaar bij het intreden in het klooster. Slechts een kleine 8% in Kamerijk en 4.5% in Brussel is ouder dan 30 bij het intreden in het klooster.

In Kamerijk was de jongste 7 en de oudste 77, in Brussel situeren de leeftijden zich tussen de 3 en de 50 jaar. In Kamerijk is er een duidelijke piek tussen 13 en 20 jaar. In Brussel ligt deze piek eerder tussen de 16 en de 20 jaar.

 

 

Dit kunnen we ook duidelijk zien op de grafiek.

 

Als we kijken naar de verhalen van Mary Percy en Gertrude More zien we dat Gertrude perfect in dit profiel past. Zij was zeventien toen ze in het klooster aankwam. Mary Percy was betrekkelijk ouder (reeds 29), maar we moeten wel bedenken dat Mary reeds enkele jaren in andere kloosters had verbleven. Wat betreft de leeftijd van professie, moeten we ons tevreden stellen met enkel de gegevens uit Brussel aangezien deze in de lijsten van Kamerijk niet gegeven zijn. De gemiddelde leeftijd ligt hier iets hoger, namelijk op ongeveer 22 jaar. Dit is niet verwonderlijk aangezien de professie meestal een aantal jaren na de intreding in het klooster plaats vond. De jongste zuster die haar geloften aflegde was 16 jaar. De oudste te Brussel was reeds 52 jaar oud. De grafiek geeft dit goed weer.

 

 

Van de 88 meisjes die het klooster van Kamerijk verlaten hebben ligt de gemiddelde leeftijd rond de 17.5 jaar. Een kleine 73% van die 88 zijn jonger dan 20. Er zijn slechts 6 zusters die na hun dertigste de stap zetten om het klooster te verlaten. Hier moeten we echter opmerken dat een aantal van deze uittredende zusters, het klooster verlaat om zich in een ander klooster te vestigen.

 

 

Al snel bleek uit de verschillende werken en bronnen dat er vooral meisjes uit de hogere klasse in het klooster waren.. In een van de brieven van Mary Percy staat het volgende:

Notre Monastère est commencé pour les Anglois seulement encore que n’avons pas nul obligation de ne recepvoir celles des autres nations lors qu’il sera a propos.

Et encore aussy que nous ne sommez pas obligez de ne y recepvoir que personnes de qualité exeptè deux ou trois.[16].

 

Hier uit blijkt duidelijk dat ze enkel meisjes van goede huize aanvaardde. Ze gaat zelfs verder:

 

…nous recepvons pour soeures converses ou coadiutrices celles qui n’apportent rien pour les entretenir[17].

 

Dit was niet verwonderlijk aangezien de bruidsschat die de meisjes meebrachten de voornaamste bron van inkomsten was. Ook Paul Renaudin schrijft dat Dom Benet Jones een aantal vrouwen en meisjes uit de upper classes rond zich verzamelde om een kloostergemeenschap op te richten.[18] Uit studies blijkt dat alle koorzusters uit welgestelde families kwamen[19]. Als we dit nu statistisch gaan bekijken dan blijkt inderdaad uit de gegevens die we over het klooster in Brussel hebben dat alle volwaardige zusters van goede zoniet van zeer goede huize afkomstig waren. Toch waren er ook meisjes van lagere klassen. Voor deze gegevens baseren we ons op de vaders van de meisjes. Zo onderscheiden we de peers (hoge adel), baronets, knights en esquires (lage adel). In de tekst worden verder de vaders enkel benoemd door Sir of Mr. Hier kan het handelen over commoners of zonen van baronets of esquires.[20] Wanneer de vader geen titel kreeg hebben we de dochter ingedeeld onder ‘gemiddelde’ afkomst. Wanneer er ook geen Mrs. Of Miss voor de meisjes hun naam stond, hebben we deze als van ‘lagere’ afkomst beschouwd. Dit moet echter met de nodige voorzichtigheid gebeuren, aangezien dit enkel een negatief bewijs is en dus niet sluitend. Het was echter niet zo eenvoudig om een mooie vergelijking tussen Brussel en Kamerijk te maken aangezien zij geen eenvormig systeem van titulatuur gebruikten. Vandaar dat de verdeling in groepen van de vaders in Kamerijk verschilt van die van Brussel. In Kamerijk zaten 14 hoog adellijke meisjes. Een dochter van een graaf, vier dochters van een viscount en negen dochters van baronnen. Er waren 20 meisjes wiens vader baronet was, drie mochten zich dochter van een knight noemen en 99 meisjes waren de dochter van een weledelgeboren heer of esquire. Verder waren er 78 meisjes van gemiddelde afkomst en 13 van lagere afkomst. Deze laatste werden meestal vermeld als dochters van good honest people. De verdeling d.m.v. percentages wordt in grafiek gegeven.

 

 

De vier zusters van hoge adel in Brussel waren de dochters van twee baronnen en twee graven. Er waren verder zeven dochters van Baronets en 54 dochters van Esquires. Bij 23 van de meisjes werd hun vader betiteld als Sir en bij 40 als Mr. De overige 9 meisjes kunnen als van gemiddelde afkomst beschouwd worden.

 

 

Paul Arblaster bevestigt deze bevindingen in zijn artikel over het klooster te Brussel. Hij stelt dat alle koorzusters uit welgestelde families kwamen , de meeste uit de gentry en een aantal uit de nobility of wiens vaders succesvol waren in een beroep of in de handel. Hij merkt tevens op dat een groot aantal van hen afkomstig was van officieren die gediend hadden onder Queen Mary[21]. Mary Percy was als dochter van een graaf afkomstig uit de bovenste sociale laag in haar land. Gertrude komt voort uit de gentry.

 

 

2. De stap naar het leven in het klooster

 

Dat de reden om in het klooster te treden veelvuldig zijn bleek uit de professielijst van Kamerijk. Naast deze lijst werd er ook een graflijst opgenomen. Hierin staan de verhalen van enkele overleden zusters, waarin af en toe ook gewag wordt gemaakt van hun eventuele roeping of reden om in het klooster te treden. De meeste meisjes zijn ingetreden omwille van een roeping naar het religieuze leven. Soms vermelden de lijsten specifieke redenen. Zo blijkt het dat Margeret Gascoigne de volgende reden had voor haar keuze voor een religieus leven:

 

 , shee esteeming y innocence & native goodness shee had derived from her parents

to be insufficiant, therefore laboured for more purity of heart & perfection of divine love in Religion,…[22]

Sommige meisjes maakten deze keuze al vrij snel. Zo staat er bij Cecilia Hall:

 

Shee was called very young by All: God to ye holy state of religion, which vocation of hers, she was permitted by her pious parents to comply with,…[23]

Toch was ze al 19 toen ze in het klooster binnentrad en legde pas twee jaar later haar geloften af.[24]

Jane Martha Martin, een van de lekenzusters, had de kans gekregen om met een welstellende man te trouwen, maar ze koos ervoor om een arm religieus leven te leiden en vroeg haar aanbidder om zijn geld aan een Seminary of English in Flanders te schenken, wat hij dan ook deed.[25] Het verhaal van Sister Elizabeth Barbara Smith is dan weer even tragisch als mooi. Zij was een bastaardkind van een Engelse baronet. Zij leefde in zijn huis onder het mom een nichtje te zijn van een gentleman die in hetzelfde huis verbleef. Ze werd goed opgevoed en kwam niets te kort. Niemand vermoedde wie haar echte vader was, zelfs zij wist het niet. Aan dat gelukkige leventje kwam echter een einde toen de oudste zoon van de baronet (haar broer dus) verliefd op haar werd, (for she was very beautiful, of a good carriage & of an innocent harmless conversation).Haar vader stak echter een stokje voor de huwelijksplannen van zijn zoon door in samenspraak met de priester van de familie het meisje naar het klooster in Kamerijk te sturen. In haar noviciaat viel ze echter van de trap en bezweek aan haar verwondingen, na op haar sterfbed haar geloften te hebben afgelegd.[26]

Lucy Magdalene Cary had een deel van haar leven in ketterij geleefd, tot ze bekeerd werd door een benedictijn en uiteindelijk besloot om in het klooster te gaan.[27] Dit zijn echter zeer specifieke verhalen. De meeste van deze zusters hadden een roeping gekend. Volgens de zusters van het benedictijnse klooster te Stanbrook was het zelfs een noodzaak. Het zware lot dat op de schouders rustte van de zeventiende-eeuwse Engelse nonnen was er een van verbanning en armoede. Een lot dat ongeschikte kandidaten zou ontmoedigen. Het was geen dumpplaats voor meisjes die niet getrouwd raakten of die wat trager of zelfs zwakzinnig waren. Daarenboven was er ook geen mogelijkheid om een grote carrière uit te bouwen. Enkel diegenen die het ernstig meenden zouden hun land en familie voorgoed kunnen opgeven[28]. In hoeverre werd deze roeping gekleurd werd door de gebeurtenissen in hun land? Welke rol speelden hun ouders en de persoonlijke overtuiging van deze personen mee in de levenskeuzes van hun kinderen? Het verhaal van Catherine Gascoinge, de eerste abdis van de stichting te Kamerijk is hier een mooi voorbeeld van. Catherine , geboren in 1600 in Barnbow Hall, Yorkshire was afkomstig uit een kroostrijk gezin van tien kinderen. Haar ouders, Sir John Gascoinge en Anne Ingleby, waren welgesteld en hoog in aanzien. Zij waren verwant met vele van de leidende katholieke families van het noorden. Ze waren zelf ook fervente aanhangers van het oude katholieke geloof en voedden hun kinderen op met de gedachte dat ze hun geloof hadden kunnen bewaren door de martelaren die hadden gestreden voor hun county. Deze martelaren werden dan ook veelvuldig geprezen. Dit maakte veel indruk op Catherine als kind. Later verklaarde zij het volgende: Had an occasion of martyrdom for the defence of the Church and for the love of God offered itself[29] Ze vond van zich zelf dat ze voldoende moed had om haar leven joyfully and cheerfully voor Gods liefde neer te leggen. Aangezien dit niet onmiddellijk zou gebeuren veranderde ze haar plannen en wilde ze net als Teresa van Avila …dy a death more mystical and high dan de dood aan de galg[30]. Toen ze amper veertien jaar was, besloot ze een Rule of Life op te stellen, waarin ze zichzelf een quasi religieus leven oplegde. Ze tuchtigde zichzelf door minder vlees te eten en minder te slapen, door minder te babbelen en meer te lezen en te bidden. Ook wilde ze minder mooie kleren dragen. Haar ouders wilden echter zeker zijn van haar roeping en stelden haar op de proef door haar aan te sporen om meer aan het sociale leven deel te nemen. Ze veranderde echter niet van gedachten en op haar negentiende schreef ze naar de bisschop van Londen om het land te verlaten.

Het verhaal gaat dat dit geweigerd werd omwille van haar schoonheid. Catherine bad echter tot God om deze schoonheid weg te nemen en werd getroffen door de pokken. Toch werd ze gedwongen om terug te keren naar haar familie en deze brachten haar opnieuw in contact met het sociale leven. Ze maakte echter voor zichzelf een gelofte van maagdelijkheid om zo, als haar plannen om in een klooster te gaan misliepen, in haar eigen huis een religieus leven te kunnen leiden. Op haar drieëntwintigste werd haar wens echter werkelijkheid en mocht ze vertrekken. Na haar aankomst te Douai zou ze zich aansluiten bij het groepje van Gertrude More dat in Kamerijk een nieuw klooster wilde beginnen.

 

Catherine Gascoinge, gravure van Hainzelmann uit 1652.[31]

 

Uit het verhaal van Catherine Gascoinge blijkt dat zij een roeping had tot een religieus leven, maar dat dit wel sterk werd gekleurd door de gebeurtenissen en het milieu, waarin zij opgroeide. Volgens de biografie die Augustine Baker van Gertrude More schreef, bleek er bij haar aanvankelijk geen sprake te zijn van een roeping. Voor Bennet Jones haar aangeraden had om een religieus leven te beginnen omwille van haar goede aard[32], had Gertrude nooit nagedacht over een leven in een klooster. Ze had nog nooit een kloosterlinge gezien, laat staan dat ze wist wat het leven in een dergelijke gemeenschap inhield. Waarom zou ze haar zachte leventje tussen de muren van het domein van haar vader achterlaten? Waarom zou ze haar vader, die haar ontzettend lief had verlaten voor het onbekende? Net dat laatste gaf de doorslag. De liefde voor haar vader, het verlangen hem niet teleur te stellen, hoewel hij haar volledig de vrijheid gaf om haar eigen keuze te maken. We mogen niet vergeten dat haar vader Cresacre More was, achterkleinzoon van Thomas More, die gestorven voor het geloof. Ook bij haar was er dus sprake van een familietraditie van opoffering voor het geloof. Na twee of drie jaar nam ze het besluit om de stap te zetten en op het continent een kloostergemeenschap op te richten. Daar aangekomen wist ze echter nog steeds niet of dit wel het leven is dat voor haar bestemd was. Ze was erg ongelukkig in het klooster, maar liet dit niet aan haar omgeving merken, zelfs niet aan haar geliefde vader. In de weken voor haar professie probeerde ze meerdere malen Father President te spreken om hem te zeggen dat ze haar geloften niet zou afleggen, maar door omstandigheden of, zoals een zuster die haar goed kende[33], meende, as it should seem God would have it[34] heeft ze nooit de kans gekregen om hem te spreken. Op 1 januari 1625 legde ze haar geloften af, maar ze was er niet gelukkig mee. Dat bewijst een klein briefje van haar hand:

I entered the monastary of out Blessed Lady- for to our monastery had been given the name of our Blessed Lady of Comfort- in the 24th day of December, being a sunday, and I took the habit in the 31st of the same month and year. I was professed in 1625, in the 1st of January, the Feast of the Name of Jesus, falling that year on a Wednesday, it being also the year of Jubilee. I was eighteen years old, and as much as from the 24th of March.[35]

Ze beschrijft haar intreden en haar professie, maar zonder enig gevoel.

Waarom heeft ze dan toch haar geloften afgelegd? Baker heeft een mooie hypothese: Volgens hem is ze in het religieuze leven gestapt als het ware geblinddoekt, blindfold, niet goed wetende wat ze deed, voortgetrokken door haar fantasie.

Hij gaat nog verder:

 

 I don’t really think that she had a call from God that she could percieve.[36]

Later zou blijken dat ze wel degelijk een roeping had, dus dat kon haar niet weerhouden hebben om toch haar geloften af te leggen. Baker heeft hier echter een aantal wereldlijke redenen voor[37]. Ten eerste, het klooster had haar bruidsschat nodig om te overleven. Ten tweede, wat zou ze doen als ze terug de wereld zou instappen? Ze had nooit echt de intentie gehad om te trouwen en nu ze al een tijdje op het continent vertoefde, zou ze in Engeland ook geen echte goede huwelijkspartners meer vinden. Ze twijfelde tot op het laatste moment en zelfs op het moment van haar professie zou ze niet volledig zeker geweest zijn van haar keuze. Ook daarna kon ze geen rust vinden. Zo zei ze tegen haar novicemeesteres: Here is Gertrude, but I would to God Sister Helen were here again.[38]

Ze raakte verbitterd en kon nog amper de naam van de man die haar naar hier bracht horen.

De zuster die haar goed kende schreef:

 

At one time, when others did speak of him (Bennet Jones), saying what a friend and father he was to the house and how much we were obliged to him and especially how great a friend of hers he was (as she hath told me since), that she was not able to here it with patience; but fretting in mind, did say to herself, Yea, marry, he had served her turn indeed![39]

Wanneer ze echter met Baker in contact kwam en door zijn lessen eindelijk de zin van haar religieuze bestaan zou ontdekken, legde ze opnieuw haar geloften af. Zo schrijft een zuster/vriendin aan Baker:

 

Gertrude told me, after she had entered into the spiritual course into which you, long after her profession had put her, she could not be quiet in mind nor satisfied in conscience until our Right Rev. Father President who then was had given her leave to renew her vows privatly to him. To this he yielded for her satisfaction; and so she did it , and that on account of a doubt, or fear at least, of the validity of her former profession[40].

 

Op deze manier komt Gertrude tot rust en zal haar religieuze leven zich toch ontwikkelen. Dit verhaal moet echter duidelijk in het licht gezien worden van het genre waaruit dit relaas komt. De biografie van Baker over Gertrude was een spirituele biografie. Naast de levensbeschrijving was het zeker ook een pleidooi voor de leer en religieuze begeleiding van Baker zelf. Het spreekt dus voor zich dat Baker zichzelf een belangrijke rol toeschrijft in het doorbreken van de twijfel over haar roeping. Ook is de manier waarop hij dit proces beschrijft schatplichtig aan het genre en zijn een aantal gemeenplaatsen onvermijdelijk. Een term als blindfolded is hier een goed voorbeeld van. Het is echter een feit dat velen twijfelden aan hun keuzes of dat anderen hier hun twijfels bij hadden. Dit blijkt duidelijk uit een aantal brieven uit het archief te Mechelen, waarin aan de aartsbisschop melding gemaakt wordt van twijfels over de echtheid van de roeping van sommige novicen. Zo zijn er een hele reeks brieven over een zekere Frances Parker. Reeds in 1622 schreef Elisabeth Southcott met de vraag om Frances niet toe te laten tot de professie. Ze vond haar te zwak en had moeilijkheden om haar portion, of bruidschat bijeen te krijgen. Een jaar later schreef Ursula Hewick in haar brief van 17 mei 1623 aan de aartsbisschop dat er vragen gerezen waren bij de roeping van Frances Parker. Zij had hier blijkbaar een gesprek over met Frances en doet haar relaas in de brief:

 

I animated her that no perswations might preveil with her to make her take thes course without she had a riall vocation to it & I proposed to her the danger & discomfort to her soule in such a case[41].

 

Ze geeft ons ook Frances Parkers antwoord hierop:

 

Truly , since you spoke to me, me thinkes I have more vocation than ever I had before, therefore I beseech you give me your[counsaite] what I shall doe, for now I have no desire to retorne to the dangers of the world for I hope God will me that vertue & corrage that is necesarie for my poore abilities to serve & please him in religion[42].

 

In de professielijsten wordt geen melding gemaakt van een Frances Parker. Paul Arblaster merkt dit ook op in een van zijn artikels over het Brusselse klooster. Volgens zijn informatie deed zij toch haar professie op 18 september 1622, maar verliet het klooster omwille van haar zwakke gezondheid en werd uiteindelijk opgenomen door de Augustijner kannunikessen te Leuven[43].

 

In een brief van 29 oktober 1624 schreef Ursula Hewick over problemen met de novice Margerie Cotton.

 

…Si incertaine de la vocation d’estre religieuse quel a manifestie en la peu de zeale & affection quel a monstre en la practique de son estate… Quand le temps de son election s’aprochait elle prenait l’exercise spirituell de son confesseur le Révérende Père Kensington et luy m’avait dict qu’il l’avait prouvé & percevant qu’elle avait une vocation d’estre religieuse de ceste ordre & en ceste monastére[44].

 

Naarmate de dag van haar professie dichterbij kwam begon Margarie echter te twijfelen. Ze dacht dat ze nooit gelukkig zou kunnen worden in het klooster. Ook van haar wordt geen melding gemaakt in het register. Er kan dus verondersteld worden dat ook zij een andere levensweg gekozen heeft. Soms twijfelde men echter niet aan de roeping van een van de novicen. In een brief van 29 juli 1651 van Alexia Blanchard schrijft ze over Helena Thomson, een novice die graag haar professie wilde doen het volgende:

 

Elle sa monstre fort obeisante et d’avoir une vray vocation et son esprit ast esté prové en diverses occaions[45].

 

De reden waarom Alexia (op dat ogenblik abdis van het klooster) hierover naar de Aartsbisschop schreef is waarschijnlijk het feit dat Helena Thomson reeds twee zonen had. We kunnen dit afleiden uit het vervolg van de brief waarin Alexia beschrijft dat ses deux fils marchands elk jaar 160 florijnen willen betalen aan het klooster voor zolang hun moeder zou leven. Het is wederom niet duidelijk of de aartsbisschop dit verzoek inwilligde. Er is geen melding gemaakt van deze vrouw in de registers, maar misschien werden deze specifieke zaken niet opgenomen in deze lijsten.

 

 

3. Leven in een klooster

 

Een benedictijns leven wordt bepaald door het gebed en door arbeid, het zogenaamde ora et labora. Het gebed neemt een heel belangrijke plaats in in het leven van een benedictijn. Zo komt de gemeenschap per dag een zestal keer samen om te bidden en te zingen en is er daarnaast heel wat tijd voor persoonlijk gebed. Ook de lectio divinae of het trage lezen van de Schrift speelt hierin een belangrijke rol. Het was dus voor onze zusters heel belangrijk te kunnen lezen. Voor vrouwen uit de zeventiende eeuw was het niet evident dat zij konden lezen en schrijven. Deze meisjes waren echter religieuzen en daarenboven uit welgestelde families. Aan de hoeveelheid brieven in het archief te Mechelen is duidelijk te zien dat de meeste van hen weldegelijk konden lezen en schrijven. In een ongedateerd document van de hand van Alexia Blanchard[46] lezen we dat een van de belangrijke taken van de Maitresse des novices inhield de novicen behoorlijk te leren lezen en schrijven. Vaak richt een bepaalde zuster in naam van een van haar medezusters een brief aan de aartsbisschop. Kan hieruit verondersteld worden dat zij niet kon schrijven? Of was zij niet in de mogelijkheid om te schrijven, wegens te ziek? Wanneer een brief ondertekend is door een aantal zusters valt het vaak op dat diegenen die herhaaldelijk brieven schrijven een veel vastere hand hebben bij het schrijven van hun eigen naam dan diegene van wie er nauwelijks brieven bewaard zijn of diegenen die misschien nooit persoonlijk een brief schreven. Verder moeten we opmerken dat het ook vaak een van de priesters, monniken of andere bekenden die langs kwamen, de brieven schreven voor de zusters. In sommige gevallen werden deze waarschijnlijk gedicteerd, in andere gevallen netjes overgeschreven (in dit geval steekt de originele brief meestal bij de goed leesbare). In andere gevallen werden de brieven alleen vertaald. Zo staat er bijvoorbeeld bij een ongedateerde brief van Zuster Ursula Hewick het volgende:  Monsieur Colford pour l’interpreteur[47]

De brief is in het Frans geschreven. Dit zou kunnen betekenen dat zuster Ursula deze brief in het Engels geschreven had en dat Monsieur Colford ( vader van een medezuster) deze voor haar overgeschreven en vertaald had. Daarnaast werden ook biechtvaders hiervoor ingezet. Ze deed echter niet altijd een beroep op deze mannen. Er zijn echter ook talrijke brieven van haar die in het Engels geschreven zijn.

 

Een andere opmerking is dat de ‘interpretatie’ niet altijd in het klooster gebeurde. Vaak laten de zusters het aan de aartsbisschop over om de brief te laten vertalen. Soms bevelen ze ook iemand aan. Dit blijkt duidelijk uit een brief van Etheldred Smith van 26 maart[48] Onderaan haar brief schreef ze:  …interpreter Father Louis of St Francis Order or who your Lordshop shale plese

De reden waarom sommige meisjes specifiek naar een interpretator vragen is eigenlijk voor de hand liggend. Vaak bevatten deze brieven zeer persoonlijke zaken en willen zij niet dat deze voor iedereen geopenbaard werden. Daarom verkiezen zij iemand die zij vertrouwen om deze taak op zich te nemen. Opmerkelijk bij de brief van Etheldred Smith hier is dat zij een franciscaan vraagt, hoewel zij zelf tot de orde der benedictinessen behoort. Het overgrote deel van de brieven die geschreven zijn door de zusters zijn in het Engels, het Frans, het Latijn (hoewel dit meer officiële stukken zijn en zelden persoonlijke brieven) en zelfs in het Nederlands. Kunnen we hieruit opmaken dat de zusters over een degelijke talenkennis beschikten? Of werden deze brieven vertaald? Dit laatste zou echter niet verklaren waarom er nog Engelse documenten bij waren. Daarenboven kunnen we lezen in de brieven dat de zusters weldegelijk het Frans beheersten. Aangezien sommige meisjes voortkwamen uit adellijke families, kan hier misschien een verklaring liggen voor een uitgebreidere talenkennis, als onderdeel van hun opvoeding. Sommige zusters wijzen op het belang van de talenkennis. In een brief van 26 januari 1637 lezen we het volgende:

…that I may learne french. I thinke I should soon have it if I had any person to teache me for that I understand it in reading as well as English. Our superior might teach me if she pleased but I find her unwilling[49].

Dit wijst er op dat de wil om de talen te leren aanwezig was en dat de superieuren de taal machtig waren. Ook een brief van Mary Phillips, die tevens de Nederlandse taal machtig was zinspeelt hierop:…ende daerenboven datter veule van d’onse francois verstaen[50].

Het Engels bleef de belangrijkste taal, maar naarmate de jaren vorderen zien we dat er steeds meer documenten in het Frans opgesteld werden. Ook de brieven in het Nederlands nemen toe. Aanvankelijk waren enkel de brieven van Mary Phillips in deze taal geschreven. Later gaan meerdere zusters deze taal hanteren. Dit verhaal staat in schril contrast met het relaas van de benedictinessen van Stanbrook. Zij merken op dat de oorspronkelijke stichting in Kamerijk een exclusief Engels klooster was en dat geen enkele Franse of Vlaamse koorzuster toegelaten werd om de gemeenschap te vervoegen. Alleen enkele lokale lekenzusters werden opgenomen. Wat betreft de taal stellen de zusters dat alleen de cellarer of keldermeesteres genoodzaakt was het Frans te beheersen om met handelslui en magistraten te kunnen onderhandelen. Wat betreft de rest van de gemeenschap schrijven ze het volgende:

 

…the rest of the community having no contact with their fellow-citizens felt no obligation even to learn the language. In thought, speech, habits, allegiance the house has ever remained stolidly English[51].

 

Dit is te verklaren door het verschil in jurisdictie voor beide kloosters. Het klooster te Kamerijk was enkel afhankelijk van de English Benedictine Congregation en werd dus inderdaad enkel geconfronteerd met landgenoten. Het klooster te Brussel stond onder de jurisdictie van de Aartsbisschop van Mechelen en hierdoor waren toch al zeker de superieuren van het klooster genoodzaakt om ook het Frans te beheersen. De zusters hadden bovendien het privilegie om persoonlijke brieven naar de Aartsbisschop te sturen, dit zelfs zonder medeweten van de abdis[52]. Dit is een van de reden waarom zij het nut van andere talen te leren en te beheersen inzagen. Toch moet er ook in Kamerijk ook een interesse geweest zijn voor de Franse taal. Al was het maar om interessante boeken te vertalen. Zo lezen we in een artikel van Margaret Truran, archivaris van het klooster te Stanbrook, dat Agnes More The Building of Divine Love, geschreven in het Frans door Jeanne de Cambry en uitgegeven in 1623. Pudentiana Deacon vertaalde Delicious Entertainments of the Soule van St Franciscus de Sales in 1632. In haar voorwoord waarschuwde ze de lezer echter dat hij of zij zich aan fouten kon verwachten aangezien dat

 

the printer was a Wallon, who understood nothing at all English, and the translatress a woman, that had not much skill in the French[53].

 

Het was echter niet de bedoeling om deze geschriften open te stellen voor een ruimer publiek. De vertalingen waren voor persoonlijk en intern gebruik binnen het klooster. Kamerijk was hierin geen uitzondering. Mary Percy zou ook vertaalster geweest zijn. Zij maakte een Engelse vertaling van Abridgement of Christian Perfection van Isabella Chrisina Bellinzaga[54].

Bij sommige zusters bleef het echter niet bij vertalen of kopiëren van boeken en namen zij zelf de pen ter hand om een eigen werk te schrijven. Gertrude More is hier waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van. Zo schreef zij Confessiones Amantis en L’ Apology. Ook haar medezuster Barbara Constable schreef en kopieerde een hele verzameling boeken.

Volgens haar medezusters van een aantal generaties later had zij in haar jeugd een degelijke scholing in de Latijnse taal gekregen[55]. Er kan dus verondersteld worden dat er in het klooster veel gelezen werd. De vraag is dan alleen: wat lazen de vrouwen dan zoal? Baker, een van de spirituele begeleiders van de zusters te Kamerijk gaf de zusters, naast zijn eigen werken een heel lijstje met boeken die hij aanbeval als nuttige lectuur. Dit waren onder andere Blosius, de Engelse Mystici, Sint Augustinus, Sint Bernard, Sint Gertrude, Thomas à Kempis, Suso, Tauler, Teresa van Avila, Sint Fransiscus de Sales, the Capucjins benet of Canfield en Constanijn van Barbanson[56]. Ook Gertrude More las veel om tot rust te kunnen komen ten midden van haar religieuze moeilijkheden. Naast de boeken uit het lijstje hier boven las ze eigenlijk alle boeken die ze in de bibliotheek kon vinden en alle boeken die ze uit Engeland kon krijgen. Zo las ze de hele Bijbel, de Moralia van St. Gregorius de Grote, St. Johannes van het kruis, de werken van Pseudo-Dionysius de Areopagiet, en nog vele andere.[57] Verder las ze ook boeken van filosofen of van wereldlijke schrijvers van niveau. Vooral historische werken vielen in de smaak (bv. Tacitus). Ze was meer aangetrokken door poëzie dan door proza. De Franse schrijver Du Bartas was een van haar favorieten. Trival, silly books waren niet aan haar besteed.[58]. Als men de boeken die ze lazen naderbij bekijken dan zien we dat vooral de religieuze boeken dezelfde denktrant hanteerden die Baker had en die ook Gertrude in haar latere leven zou hebben. De Heilige Johannes van het Kruis (1542-1591) was steeds op zoek naar God, naar de meest innige vereniging met God, op een absolute en onverbiddelijke wijze. Hij behoort samen met onder andere de Heilige Theresia van Avila tot een van de grootse mystici.[59] Deze St. Theresia (1515-1582) wilde net als Johannes opstijgen naar de hoogste hoogten der mystieke vereniging en streefde naar het innigste verkeer met God. In haar werken is die goddelijke genade in haar ziel beschreven uit eigen ervaring in haar eigen eenvoudige woorden en geeft hiermee inzicht in de goddelijke werkzaamheid in de zielen. Ze schrijft over de goddelijke ervaring en over de rust en vrede in de goddelijke omhelzing genoten. Verder beschrijft ze de weg van het inwendig gebed.

Haar geliefkoosde onderwerp in meditatie was het lijden van Christus en die brachten haar tot de grootste liefdesvervoeringen. De kerk heeft haar leer over de mystieke godgeleerdheid naast die der grootste kerkleraren geplaatst[60].

 

Ook Gregorius de Grote (ca. 540-604) was steeds hongerig naar het intieme verkeer met God en wilde door voorbeeld van gebed anderen aansporen tot vertrouwen[61]. De teneur van de werken van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (ca. 500), een mystieke theoloog, is steeds de na te streven vereniging van God en de ziel en daarmee de voortschrijdende vergoddelijking van de mens[62]. De Heilige Gertrudis de Grote (1256 –1302) was eveneens mystica[63]. Guillaume de Salluste, seigneur du Bartas, (1544 – 1590) was een Frans dichter die ondanks zijn katholieke opvoeding aanleunde bij het protestantisme. Hij verwierf Europese roem met zijn didactisch gedicht in alexandrijnen La sepmaine ou la création du monde (1578), over de zeven dagen van de schepping. Van La seconde sepmaine (1584), een geschiedenis van de mensheid, zijn alleen de eerste en tweede ‘journée’ voltooid. De droom van de harmonie stond bij hem centraal. Vermoedelijk stond dit werk niet in de bibliotheek van het klooster en was dit bijgevolg een van de boeken die ze uit Engeland liet komen. Dit was niet verwonderlijk aangezien zijn werk vooral in de protestantse landen gewaardeerd werd en in vele talen vertaald was[64]. Al deze elementen zullen we later in het leven van Gertrude tegenkomen. Hieruit blijkt de grote invloed die literatuur op een mensenleven kan hebben. In het klooster te Brussel was er naast al dat lezen en schrijven ook nog tijd voor handenarbeid. Zo staat er in een brief van Frances Gawen dat zij deze handenarbeid invullen door het …making of fine registers, working of silk flowers, cutting of pictures[65]. Zij maakten deze zijden bloemen om te verkopen als extra inkomen. De tuin en het brouwen van bier lieten zij over aan betaalde werkkrachten als de tuinman Nicholas[66]. Deze laatste kreeg ongeveer 60 florijnen per jaar[67]. Verder was er aan het klooster te Brussel ook een school verbonden. Deze werd opgericht in januari 1600 op initiatief van Filips II, die de jonge meisjes die samen met hun ouders Engeland ontvlucht waren, een opvoeding wilde geven door landgenoten in hun eigen taal. Deze scholen zijn ook terug te vinden bij de Austijnen en de Dominicanen. In dit laatste klooster werden ook autochtonen toegelaten. Voor jongens waren er scholen bij de Dominicanen en de jezuïeten. De leerlingen kwamen uit gegoede families. Anderen konden immers kostprijs van 180 tot 220 florijnen niet betalen[68]. Op deze manier kwam het klooster aan extra inkomsten om in hun levensonderhoud te voorzien.

 

 

Hoofdstuk 2: Connecties met Engeland

 

Niet alleen de kloosterlingen vonden een nieuwe thuis op het continent. Vele katholieken, soms hele families keerden zich af van hun vaderland en zochten hun geluk in de Spaanse Nederlanden. Toch keerden zij hun geboorteland niet helemaal de rug toe. Vaak hielden zij contacten met landgenoten in de Spaanse Nederlanden en ook met familie en vrienden die zich nog in het thuisland bevonden. Zo trachtten zij hun cultuur en gewoontes levendig te houden.

 

 

1. Landgenoten in de Spaanse Nederlanden

 

Uit de professielijsten van de kloosters te Kamerijk en Brussel blijkt duidelijk dat vele zusters zussen of nichten hadden die in het zelfde klooster intraden. Samen met Gertrude More kwamen ook haar twee nichtjes Grace (Agnes) en Helen More, mee met Bennet Jones naar de Spaanse Nederland. Zes jaar later, in 1629 trad ook haar zus Brigett More in het klooster in[69]. Andere voorbeelden hiervan zijn Catherine (Christina) en Elizabeth Brent die beiden te Kamerijk intraden in 1628. Twee jaar later sloot hun jongere zusje Elinor (Ellin) Brent zich bij hen aan. In 1638 kwamen de twee zussen Lucy (Magdalena) en Mary Cary binnen in het Kamerijkse klooster. Een jaar later kwam ook hun zus Anne ( Clementia) Cary[70]. Ook nichten volgden elkaars voorbeeld. Catherine (Justina) Gascoigne vervoegde in 1638 haar nicht Catherine Gascoigne, die tevens bij de eerste lichting zusters was, in het klooster te Kamerijk. In 1648 volgde nog een nicht van Catherine: Mary (Etheldred) Stapleton[71]. Ook buiten de kloostermuren zijn er familierelaties te onderscheiden. Zo hadden de zussen Margarette (Lucy) en Catherine Vavasour die in Kamerijk verbleven een familielid in het klooster te Brussel, namelijk Mary Vavasour[72]. De zussen Clare en Ursula Radcliffe hadden tevens familieleden buiten de congregatie. Vier tantes van hen waren Arme Klaren in Gravelines en twee nichtjes verbleven bij de Augustijnse nonnen in Leuven[73]. Vaak kozen hele families voor een religieus leven. Catherine Gascoinge was bijvoorbeeld niet alleen in Kamerijk. Haar zus Margeret was bij haar en ook een derde zusje zou volgen, maar overleefde de reis niet en stierf in Londen.

Daarenboven was haar broer Francis een priester te Douai en haar andere broers John en Michael werden benedictijnse monniken van de nieuwe Engelse Congregatie. Zes van de tien kinderen uit dit gezin begonnen een religieus leven[74]. Dit was geen uitzondering. Uit studies blijkt dat de regulieren vaak in zelfde families rekruteerden[75]. Vele religieuzen maakten de overtocht naar het vasteland. Het lijkt dan ook zeer waarschijnlijk dat er contacten tussen deze religieuzen moeten geweest zijn. De zusters van Kamerijk stonden bijvoorbeeld in nauwe verbinding met de monniken van de congregatie. Toch moeten we hierbij opmerken dat de zusters verondersteld werden een ander leven te leiden dan de monniken. Zo schreef Baker naar zijn vriend Sir Robert Cotton:  Upon no occasion may they go forth nor may any man or woman get in unto them[76].

 

De monniken daarentegen waren vrij om van klooster tot klooster te gaan[77]. Zodra een zuster echter binnengetreden was in het gebouw met hoge muren, met tralies in de kerk en in de parlour (de plaats waar de zusters konden praten met buitenstaanders) bleef ze daar voor de rest van haar leven. De stevige gesloten deuren en het strikte beleid, wat betrof het in en uitgaan van het klooster, waakten hierover. Ook zouden er geen buitenstaanders een voet binnen het klooster kunnen zetten, tenzij deze in grote nood of gevaar verkeerde of omwille van andere zeer uitzonderlijke omstandigheden. Omgekeerd zou er eveneens een buitengewone reden nodig zijn om als kloosterzuster de toelating te krijgen nog een stapje in de wijde wereld te zetten. Deze toelating moest daarenboven van hogere kerkelijke autoriteiten komen[78]. De aartsbisschop was niet gauw geneigd deze toelating te geven. Zelfs verzoeken om een op sterven liggende vader of moeder te gaan verzorgen werden niet ingewilligd[79]. Wanneer de zusters dan toch bezoek ontvingen, gebeurde dit aan de grilles. De bezoeker en de zuster in kwestie namen dan plaats aan weerszijde van deze tralies. Op deze manier ontstonden wel contacten tussen de, anders van de wereld afgesloten, zusters. Zo kwam de broer van Mary Vavasour, Henricus Vavasour, die biechtvader was, regelmatig op bezoek in het klooster te Brussel. Deze bezoekjes zouden niet zonder gevolg blijven voor de rust in het klooster, zoals later zou blijken. Aldus ontmoetten de zusters ook oude bekenden. In een brief van 1622 vroeg Aurea James om te mogen biechten bij een man die in de streek verbleef en ook in Engeland haar biechtvader was geweest[80].

De biechtvaders in de Engelse kloosters waren over het algemeen van Engelse origine. In een brief van 16 december 1633 schrijft de priores[81] van het klooster te Brussel de aartsbisschop over het feit dat hij hun geestelijke leider van dat moment Champney (een Brit) wil vervangen door Monsieur Longdeville (un prestre Anglois[82]). Naast de contacten binnen het klooster en de bezoeken van de biechtvader waren er nog landgenoten die in aanraking kwamen met de kloosters. Een goed voorbeeld is het verhaal van de twee heren die om logies verzochten in een van de bijgebouwen van het klooster te Brussel. De toenmalige Abdis Agnes Lenthal schreef op 11 augustus 1644 een briefje aan de aartsbisschop om te melden dat de zusters….

 

…twee van ons camers verheurt hebben (in ons buytenhuys) aen twee goede catholieke ende godt vreesende eedelemans van ons natie met eenen knecht de welke gheren stillekens hier retiren soude ende sij sijn tevrede met elckeen een gesaem porieken ende sullen hun regelen naer ons uren ende tijden…[83]

Daarbij vroeg ze of ook de biechtvader hier mocht verblijven. Ze krijgt echter een respons waaraan ze zich niet verwacht had. Twee dagen later, op 13 augustus 1644, schreef ze dat ze zeer verwonderd was dat haar beslissing om deze mannen in het buitenhuis te laten blijven vernietigd werd. Ze had nochtans vooraf aan de deken om toestemming gevraagd en hij had deze gegeven. Ze verontschuldigde zich voor haar overhaaste beslissing en motiveerde haar beweegredenen om deze twee heren op te nemen met de volgende woorden:

 

…weesende arme…menschen lijdende voer het gelooffe godts en mijn redenen moverde mij daer toe…[84]

Hieruit blijkt dat landgenoten naar het klooster kwamen om hulp te zoeken bij leden van hun natie, zoals Helena Thomson, die in het klooster te Brussel kwam aankloppen. De kloosters waren blijkbaar toch niet zo afgesloten van de buitenwereld. Het werden zelfs knooppunten voor contacten met Engelsen. De kloosterlingen werden vaak door landgenoten uit de nood geholpen. De soldaten van het Engels regiment van het Spaanse leger, dat toen haar tenten had opgeslagen in Brussel, hielpen mee bij de bouw van het Brussels klooster[85]. Vele van de meisjes hadden broers en neven in het leger van Vlaanderen die hen zeker ook af en toe kwamen op zoeken[86].

 

Ook financieel stonden de kloosterlingen er niet alleen voor. In de rekeningen van het klooster te Brussel komen we niet zelden Engelse namen tegen:

A note of all such monies as the Monasterie hath in banke and what each somme yeeldeth to the Monasterie yearly 1623[87]

Imprimes in the colledge of Doway 4000 flo: the rent of which some yeeldeth yearly

Item in the Colledg of St Omers 26000 flo:

Item in Montes Pietates 20000 flo:

Item in the handes of Mr Culley 55000 flo:

Item in the handes of Mr Munger 9000 flo:

Item in the handes of Gabriel Coulford 3500 flo:

Item in the handes of the Count of Buckquay 4800 flo:

Item in the handes of the Earl of Arrendle 4000 flo:

Item in the handes of lady Anne Winter 5000 flo:

Item in the handes of Mr Draycott 3000 flo:

 

De Montes Pietates, of Bergen van Barmhartigheid, waren banken waar men geld kon lenen tegen lage intrest[88]. De bruidschatten van de meisjes werden uitbesteed in ruil voor annuïteiten en beheerd door de mensen uit deze lijst. Het is echter niet duidelijk of zij zich in Groot-Brittannië bevonden of dat zij zich eveneens in de Nederlanden gevestigd hadden. De graaf van Arrendle wordt in andere archiefstukken vernoemd als Arundell en zou familie kunnen zijn van Dorothy en Gertrude Arundell, twee zusters uit het klooster te Brussel. Deze familie was zeer rijk en de bruidschat van deze twee meisjes was essentieel voor de stichting van het klooster van Brussel