In het kielzog van de uitbouw van de tertiaire en quartaire sector. Bediendesyndicalisme in België tussen 1970 en 1985. (Celine Maertens)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Algemene inleiding

 

Het syndicalisme, en in het bijzonder het bediendesyndicalisme, heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw een grote rol gespeeld in de relatie tussen werkgevers en werknemers. In deze eindverhandeling is het dan ook de bedoeling een dieper inzicht te krijgen in dit specifieke bediendesyndicalisme en meer bepaald in het ontstaan, de evolutie en de machtsverhoudingen tussen de vakbonden in de periode tussen 1970 en het midden van de jaren tachtig.

 

Na de tweede wereldoorlog kent de tertiaire sector een ongekende groei. In de eerste hoofdstukken wordt dan ook dieper ingegaan op de oorzaken van deze groei en het ontstaan van het specifieke bediendestatuut, dat een aantal voordelen ten opzichte van de andere statuten inhield. Het is dan ook logisch dat samen met de verhoging van de werkgelegenheid ook de syndicalisatiegraad stijgt: vanaf de jaren zestig kenden alle syndicaten, van welke kleur dan ook, reeds een ongekende groei. Nagegaan wordt welke voordelen zij aan hun leden bezorgden en hoe de respectievelijke vakbonden te werk gingen om nieuwe leden te werven en hun vakbondswerking te organiseren. Kaderleden, een klasse die niet kon gerekend worden tot de klassieke verhouding patroon-loontrekkende, vormen het onderwerp van hoofdstuk vier waarna ook de intrede van de vrouw op de arbeidsmarkt en de acties die de grote vakbonden ondernamen om hen tot het lidmaatschap te bekeren onder de loep genomen worden.

 

De belangrijkste realisaties van de syndicaten worden aangehaald in het voorlaatste deel, om nadien af te sluiten met een kort overzicht van de internationale samenwerking tussen 1970 en 1985. De Europese vakbondswerking had immers tot doel de aanwezigheid van de bedienden binnen de bestaande syndicale structuren maximaal te waarborgen. In het uiteindelijke besluit worden dan de redenen om lid te worden en het ook te blijven, alsook de syndicalisatiegraad nog even aangehaald. In 1975 is de aansluitingsgraad voor bedienden bij een vakorganisatie 43%. Er blijft een meerderheid van bedienden die zich niet aansluiten en er zijn aangesloten bedienden die vooral hun individuele belangen vertegenwoordigen en niet de collectieve, maar eind de jaren 1970 begin de jaren 1980 is er een overwicht van de bedienden op de werklieden. België heeft na Wereldoorlog Twee een hoge syndicalisatiegraad, enkel de Scandinavische landen scoren beter. De arbeiders zijn traditioneel meer gesyndiceerd dan de bedienden maar vanaf de jaren zestig is de syndicalisatiegraad van de bedienden beginnen stijgen en deze trend zet zich nog steeds verder.

 

We wensen ons te beperken tot de massavakbonden van de jaren zeventig en tachtig, met name de socialistische Bond der Bedienden, Technici en kaders en de christelijke Landelijke Bedienden Centrale. De Liberale vakbond wordt hier buiten beschouwing gelaten omdat ze tijdens de periode van 1970 tot 1985 weinig of geen betekenis had in vergelijking met de respectievelijke BBTK en LBC.

 

Bij onze zoektocht naar materiaal voor deze verhandeling stootten wij op een aantal onverhoedse moeilijkheden. De periode tot 1970 werd goed beschreven, maar van zodra de authentieke basisdocumentatie moest geraadpleegd worden verwerd deze verhandeling tot een zoektocht naar oud papier. Archieven waren niet of nauwelijks toegankelijk, en als ze dan al konden ingekeken worden ontbrak in de meeste gevallen een inventarislijst of ook maar enige methodologie in het opslaan van de stukken. Zo is het BBTK archief, dat opgeslagen ligt in het AMSAB te Gent, nog steeds terug te vinden in dezelfde staat als die waarin het vanuit een garage in Vilvoorde in het socialistisch archief afgeleverd werd. Zelfs het stof is nog authentiek. Veelal zijn de archieven ook op verschillende, vaak ontoegankelijke plaatsen, opgeslagen en is er niemand die er voor verantwoordelijk is. Om het archief van CNE te raadplegen werden wij van het kastje naar de muur gestuurd: de inventarislijst bevindt zich in het CARHOP te Brussel, sommige stukken in Bergen en de rest op weer een andere locatie in het Brusselse. Over de geschiedenis van de BBTK is nog maar weinig geschreven. De studies die we ontvingen van Carolos Polenus hadden vooral betrekking tot de geschiedenis van het ABVV te Brussel, wat dan weer niet voldoende relevant was voor onze verhandeling. Joseph Haesaerts, Nationaal Secretaris van de BBTK tussen 1973 en 1992, bevestigde ons in een telefoongesprek dat de geschiedenis van de BBTK na 1945 nog geschreven moet worden. Uiteindelijk zijn we er toch in geslaagd om grotendeels op basis van onuitgegeven archiefmateriaal een beeld te schetsen van de syndicale werking tussen 1970 en 1985, waarbij ik gelukkig enkele mondelinge getuigenissen kon optekenen, onder meer van Ferre Wyckmans, Algemeen Secretaris LBC/NVK en Carlos Polenus, Ondervoorzitter BBTK. Beiden waren zo vriendelijk mij onuitgegeven teksten met betrekking tot de geschiedenis van hun respectievelijke vakbond ter beschikking te stellen. Ook Peter Vanhooren mag hier niet ontbreken: hij was steeds bereid uitleg te verstrekken omtrent het materiaal dat hij in zijn studies verwerkt heeft.

 

Peter Vanhooren beschrijft in zijn boek Concordia. De geschiedenis van de Landelijke Bedienden Centrale de geschiedenis van de LBC tot 1970. In zijn momenteel nog onuitgegeven manuscript Bedienden in beweging zet hij deze historische oefening verder. Hopelijk is deze thesis op dit titanenwerk een goede aanvulling.

 

 

Hoofdstuk 1: De explosie van de tertiaire en quartaire sector TOT 1970

 

1.1. De evolutie binnen de tertiaire sector tot 1970.

 

Evoluties in het productieproces, de toenemende automatisering en veranderingen in de economische bedrijvigheid, met name het toenemend belang van de dienstensector leidde tot een enorme groei van de bedienden, ofwel de tertiaire sector: alle vormen van klein-, groot- en tussenhandel, de transportsector, de financiële wereld en het terrein van de verzekeringen en alle vormen van dienstverlening[1]. Onderstaande tabel geeft duidelijk de evolutie van de sectorale verdeling van de werkgelegenheid tussen 1846 en 1992 weer (in % van het totaal).

 

 

Landbouw

Nijverheid

Diensten

1846

55

32

13

1896

31

38

31

1910

22

47

31

1937

16

42

42

1947

13

47

40

1961

8

46

46

1970

5

45

50

1980

3

34

63

1992

2

28

70

BRON: BUYST,E. De evolutie van het Belgisch bedrijfsleven, 356.

 

Precies in de tertiaire sector treffen we dan ook die bedrijfssectoren aan die bijna uitsluitend bedienden tewerkstellen: nl. de banken en de dienstverlenende instellingen. Voor deze opgang van het aantal bedienden kunnen een aantal verklaringen naar voren geschoven worden.

 

Vóór de eerste wereldoorlog was het bediendesyndicalisme geconcentreerd in gemengde beroepsverenigingen, waarin de patroons en de bedienden in paternalistische stijl gezamenlijk een aantal sociale verbeteringen trachten te bekomen. Vanaf 1919 echter begonnen de zelfstandige werknemerssyndicaten de gemengde gilden te vervangen. Het vooroorlogse “syndicaat voor Handel en Nijverheid” werd omgedoopt tot “Bediendesyndicaat voor Handel en Nijverheid”. Reeds in 1919 werd in Brussel het CNE (Centrale Nationale des Employés) opgericht als reactie tegen de gemengde vorm van het syndicaat voor handel en nijverheid. De CNE had een Nederlandstalige zusterorganisatie, het “Nationaal syndicaat van Mannelijke en Vrouwelijke Bedienden en Reizigers”. Deze laatste organisatie sloot zich aan bij het ACV en ging over tot het oprichten van secretariaten in een aantal Waalse steden, Brussel en Gent. In Antwerpen handhaafde het “Bediendesyndicaat” zijn autonome positie. Vanaf 1922 begonnen de twee bediendeorganisaties regelmatig overleg te plegen en in 1934 kwam het tot een fusie: LBC- noordergewest met zetel te Antwerpen en LBC- zuidergewest met zetel te Namen[2].

De economische crisis volgend op de beurscrash van 1929 leidde tot een diepe neergang van het aantal arbeiders- en bediendeplaatsen. Ook de afzwakking van het plan De Man en de invloed van de sociale beroering in Frankrijk, gecombineerd met de onwil en de weigering van het patronaat om met de bediendevakbond te onderhandelen, zetten kwaad bloed. Onder impuls van al deze berichten legden ook de Brusselse bankbedienden het werk neer. Hun actie kreeg navolging in de rest van de bank- en verzekeringssector en nadien ook in warenhuizen en industriële ondernemingen. In 1936 was de eerste algemene spontane staking van de Belgische bedienden een feit: de nationale economie werd nagenoeg platgelegd[3]. LBC en zijn voorlopers streefden reeds een aantal jaren voor de invoering van de 40-urenweek, twee weken betaalde vakantie, vaste minimumlonen en bezoldiging van kantooroverwerk. Toen men hoorde dat er in Frankrijk stakingen waren in de administratie- en dienstensector, gingen de bankbedienden spontaan over tot actie. De actie leidde niet tot de volledige realisatie van de eisen, maar vooral belangrijk was de erkenning van het syndicaal bestaan van de bankbedienden: de banken waren één van de eerste bedienden die een Nationaal Paritair Comité toegewezen kregen. Toch werden tijdens de economische crisis van de jaren ’30 de bedienden minder getroffen door werkloosheid dan de arbeiders. Niettemin werden zij ook geconfronteerd met de crisis en werd voor het eerst duidelijk dat de bedienden, de ‘medewerkers van de patroon’, net zoals de arbeiders eveneens het slachtoffer werden van de werkloosheid. Slechts één op de tien bedienden was verzekerd, gesyndiceerd, daardoor kwamen zij terecht in een moeilijke sociale situatie wanneer de crisis op zijn hoogtepunt raakte. De meeste bedienden konden dus niet rekenen op een financiële compensatie voor hun werkverlies. Een belangrijk gevolg van deze situatie was de enorme groei van de bediendevakbonden. Toch traden niet alle werkloze bedienden toe tot de vakbond, enerzijds uit schrik om door de patroon verkeerd bekeken te worden en anderzijds gedroegen ze zich nog steeds als ‘heren van de ‘nieuwe middenstand’[4].

Tijdens de oorlogsjaren werd elke syndicale actie verboden. De Duitse bezetting maakte tabula rasa van het tot dan toen geldende stelsel van arbeidsverhoudingen. De vakbonden werden opgeheven en onder impuls van Hendrik De Man vervangen door de Unie van Hand- en Geestesarbeiders, die algauw door de goedgemeente omgedoopt werd tot de Unie van Verknochten, Hitlerknechten en gelukzoekers[5]. Het ACV en een deel van de socialistische vakbond traden toe [6]. De bezetter ontbond alle syndicale organisaties, en droeg hun bezittingen over aan een eenheidssyndicaat, de Unie van Hand- en Geestesarbeiders. Dit werd geleid door een aantal collaborateurs; de arbeiders en bedienden zouden het echter boycotten. Verschillende ondergrondse vakorganisaties zouden bestaan tijdnes de oorlog[7]. Het overleg werd georganiseerd door een aantal comités van sociale experts, die in de praktijk echter weinig tot geen invloed hebben gehad[8]. In tegenstelling tot de arbeidersorganisaties heeft de bediendebeweging haar werking tijdens de oorlogsjaren echter nooit stopgezet. Leidende kringen binnen de LBC hebben deze mogelijkheid zelfs nooit in overweging genomen[9]. De LBC werd opgenomen binnen de Unie van Hand- en Geestesarbeiders en bepleitte daar de afzonderlijke werking voor bedienden. In 1941 echter was het duidelijk dat de bezetter niet van plan was om de idee van het eenheidssyndicaat op te geven. De LBC bleef grotendeels de lijn van de Unie volgen, terwijl de socialistische syndicaten ondergronds gingen[10]. De collaborerende houding van de LBC werd door haar leden echter niet in dank aanvaard, hetgeen duidelijk bleek uit het dalenden ledenaantal[11].

Op 26 oktober 1941 werd de Centrale van Bedienden, Technici en Reizigers opgericht, een samengaan van de christelijke en socialistische bediendevakbond onder de koepel van de Unie van Hand- en Geestesarbeiders. De stichters verklaarden zelf dat deze versmelting niet van tijdelijke aard was maar integendeel definitief, wat ook de uitslag van de oorlog mocht zijn[12]. Als officiële reden werd opgegeven dat op die manier een einde kon gemaakt worden aan de ideologische versnippering. De centrale moest echter het voor beide vakbonden mogelijk maken om ook onder de bezetter te kunnen blijven functioneren: hiertoe zag de LBC af van het benadrukken van zijn christelijk karakter, terwijl de socialistische vakbond de klassenstrijd uit zijn ideologisch manifest schrapte[13]. De centrale werkte vanuit de kantoren van de toenmalige LBC, hetgeen toelaat te veronderstellen dat het hier slechts om een schoonheidsoperatie ging die het de bediendesyndicaten mogelijk maakte om afzonderlijk onder de bezetter te blijven functioneren[14]. Begin 1944 werden de kantoren van de bediendecentrale overgebracht naar die van de Unie van Hand- en Geestesarbeiders waarmee een nieuwe fase van de concentratietendens van de vakbonden werd ingezet. De bevrijding in september – oktober 1944 maakte een einde aan deze moeilijke periode. Velen aanzagen na de bevrijding de actieve samenwerking tussen LBC en UHGA (Unie van Hand- en Geestesarbeiders) als een vorm van actieve collaboratie, waardoor de LBC in een moeilijk parket geplaatst werd[15]. Het ACV maakte hier handig gebruik van. Op de eerste bijeenkomst van het LBC-bestuur na de bevrijding (15 oktober 1944) maakte August Cool, toenmalig ACV-voorzitter, in een opgemerkte toespraak aan de aanwezigen dat het idee van een aparte, zelfstandige bediendevakbond voorgoed verlaten diende te worden. De LBC zou in het ACV opgaan, maar behield toch enkele privileges, namelijk de bepaling van de lidgelden en het beheer van de eigen weerstandskas. LBC kreeg ook een vaste vertegenwoordiging binnen het ACV-bestuur[16]. Het bleek de juiste aanpak: in 1947 bereikt de LBC reeds opnieuw het ledenpeil van voor de oorlog. De samenwerking tussen LBC en ACV wierp vruchten af: in de jaren vijftig hadden een aantal syndicale acties succes, waarvan de arbeidsduurvermindering en de vijfdagen werkweek zeker de belangrijkste is. In 1960 was de Landelijke Bedienden Centrale uitgegroeid tot een sterke organisatie van 38000 leden, negen permanente secretariaten met 40 personeelsleden, een veertigtal plaatselijke afdelingen en onderafdelingen verspreid over het ganse land, speciale werkingen voor onder meer vrouwen en kaderleden en een groot aantal belangengroepen per sector. Na 1960 zette deze expansie zich voortdurend voort[17].

De LBC slaagde er dus in haar verleden van zich af te schudden en zich in de loop van de volgende decennia te ontwikkelen tot de belangenverdediger van de bedienden. De socialistische syndicaten riepen na de oorlog alle organisaties op om zich te verenigen. Op het Fusiecongres van 1945 sloten het BVV (Belgisch Vakverbond), het BVES (Belgisch Verbond van Eenheidssyndicaten), het MSV (Mouvement Syndical Unifié) en het ASOD (Algemeen Syndicaat Openbare Diensten) samen tot het ABVV. Het Sociaal Pact van 1944 erkende de vakbonden weliswaar als sociale gesprekspartner en nodigde hen uit tot paritair overleg op nationaal, sectorieel en bedrijfsvlak. Het ABVV echter, dat zich uitdrukkelijk tegen elke band met een politieke partij verzette, wierp zich op als de verdediger van de arbeidersklasse tegen de maatregelen van de conservatieve regeringen in de jaren vijftig en zestig. Deze syndicale strijd uitte zich bijvoorbeeld in de erkenning van de syndicale delegatie, waardoor werknemers het recht krijgen zich binnen een bedrijf op vakbondsgebied te engageren[18]. Op 24 mei 1971 werd een interprofessioneel akkoord afgesloten dat het statuut van de vakbondsafvaardiging in de onderneming regelde. De BBTK oordeelt echter dat de strijd nog niet gestreden is. In hun Analyse van de veranderingen van de wereld der bedienden, technici en kaders stellen zij dat de uitgebreidheid van deze rechten en de uitoefening ervan in de dagelijkse werkelijkheid verschilt naargelang van de activiteitstakken en van de ondernemingen in functie, precies, van de verschillende machtsverhoudingen die erin bestaan[19]. Zij roepen hun leden op zich in te spannen om het dagelijks leven in de syndicale ondernemingsafdelingen te concretiseren en te verbeteren door concrete acties op de werkvloer te ondernemen.

 

 

1.2. De uitbouw van de quartaire sector in navolging van de opbouw van het Belgisch sociaal zekerheidssysteem

 

De postindustriële samenleving waarin de meeste Westerse economieën zijn terechtgekomen, wordt gekenmerkt door een aanzienlijke verschuiving van industriële activiteiten naar dienstenactiviteiten. Deze tertiairisering van de economie en van de tewerkstelling omvat niet alleen private diensten (vervoer, distributie, bank- en verzekeringsactiviteiten) maar ook verschillende publieke diensten, die door de overheid gesubsidieerd of georganiseerd worden: de quartaire sector. De quartaire sector staat dan naast de marktsector die de primaire (landbouw), secundaire (industrie) en tertiaire sector (private diensten) omvat. De quartaire sector onderscheidt zich van de publieke sector omdat ook private organisaties kunnen werkzaam zijn in de quartaire sector. De quartaire sector omvat de publieke non-profit sector en de private sector. Een deel hiervan noemt men ook de zorgsector[20].

Voor de quartaire sector wordt ook het synoniem gebruikt van non-profit, wat onder andere betekent dat zij niet winstnastrevende private ondernemingen vormen die vooral sociale, collectieve doelstellingen nastreven. De zuiver collectieve of publieke goederen zijn de activiteiten die door de overheid moeten verricht worden: het staatsapparaat, het gerechtelijk apparaat, defensie, brandweer, openbare veiligheid. Daarnaast zijn er de quasi-collectieve goederen. Zij kunnen aan niemand ontzegd worden, alhoewel het gebruik ervan perfect individualiseerbaar is, en dus een bijdrage zou kunnen gevraagd worden van de gebruiker, bijvoorbeeld voor onderwijs of gezondheidszorg. Omdat men niemand wil uitsluiten van deze diensten worden ook deze quasi-collectieve diensten meestal volledig of toch grotendeels gefinancierd door de overheid. Onder de quasi-collectieve goederen behoren het onderwijs, de gezondheidszorg, de sociale sector (met de welzijnszorgsector), de culturele sector, religie[21].

 

Tabel 1: Werkgelegenheidsaandeel van de sectoren voor het Rijk, 1973-1982 (in %)

 

1973

1982

Landbouw

0,4

0,4

Energie

2,2

2,1

Industrie

33,3

27,6

Bouw

8,3

6,6

Tertiaire sector

33,3

30,8

Quartaire sector

22,5

32,5

Totaal gesalarieerde werkgelegenheid

100,0

100,0

Quartaire sector (per deel en subsector)

Zuiver collectieve goederen

32,2

28,1

Bestuur

19,9

17,0

Justitie

1,5

1,4

Openbare Veiligheid

4,2

3,7

Brandweer

0,4

0,6

Defensie

6,3

5,4

Onderwijs

40,0

36,1

Quasi collectieve goederen

27,8

35,8

Onderzoek

1,2

0,8

Gezondheid

10,8

13,1

Sociale sector

11,4

14,4

Religie

1,5

1,1

Cultuur

2,1

2,5

Andere

0,9

3,9

Totaal quartaire sector

100,0

100,0

Bron: PACOLET, J. e.a. De tewerkstelling in de quartaire sector in België, 38. (Eigen bewerking R.S.Z.-gegevens; Pacolet J. (red.), 1984, p.46-50; Nationale rekeningen, 1997, p.196)

 

Vanaf 1973 kent de tewerkstelling in de quartaire sectoren een trendmatige toename, het meest uitgesproken in de zorgsector (gezondheid en de sociale sector). De voorbije vijfentwintig jaar is de quartaire sector met ongeveer 500.000 jobs gegroeid. Het grootste aandeel van deze toename deed zich voor in de sociale sector. Het onderwijs kende nog een expansie in de periode 1973-1982. De gezondheidssector is vooral expansief in de eerste tien jaar, maar de volgende jaren is er sprake van een vertraging. Opvallend is dat de quartaire sector is blijven toenemen terwijl de marktsector inkromp. Het aandeel van de quartaire sector is van 22,9 tot 35,5% gegroeid. De meest expansieve sector is de zorgsector, met name de gezondheidszorg en de sociale sector. De expansie van deze sector verliep parallel met de uitbouw van de verzorgingsstaat[22]. De cijfers in tabel 2 tonen ook aan hoe de Belgische verzorgingsstaat via de sociale uitgaven naar de bevolking toe en via de verdere uitbouw van diensten de tewerkstellingscrisis en desindustrialisering heeft opgevangen in de voorbije vijfentwintig jaar[23].

 

Tabel 2: Verdeling van de mannelijke en vrouwelijke gesalarieerde werknemers over de marktsector en de quartaire sector (1981).

 

Quartaire sector (a)

Commerciële diensten (b)

Landbouw en industrie (c)

Totaal

(b) + (c)

TOTAAL (a)+(b)+(c)

Mannen

445.112 (22,7%)

613.914 (31,3%)

901.070 (46,0%)

1.514.984 (77,3%)

1.960.096 (100%)

Vrouwen

463.026 (45,6%)

347.984 (34,2%)

205.448 (20,2%)

553.432 (54,4%)

1.016.458 (100%)

Totaal

908.138 (30,5%)

961.898 (32,3%)

1.106.428 (37,2%)

2.068.416 (69,5%)

2.976.554 (100%)

Bron: DE BOECK, E. Tewerkstelling in de quartaire sector, 193. (R.S.Z., eigen verwerking)

 

De sterke toename van de vrouwelijke beroepsactiviteit in de economie is vooral te situeren in de tertiaire en quartaire sector. De dienstensector en de quartaire sector boden in 1981 werkgelegenheid aan ongeveer 62,8% van alle werknemers. Voor de vrouwen bedroeg dit percentage 79,8% tegenover 54% voor de mannen. De dienstensector staat dus in voor bijna vier vijfden van de totale vrouwelijke werkgelegenheid. De hoge vraag naar vrouwelijke arbeidskrachten bleek vooral een typisch quartair fenomeen te zijn: in de commerciële diensten is in 1981 34,2% van alle vrouwelijke en 31,3% van alle mannelijke tewerkgestelden terug te vinden, in de quartaire sector is dit verschil veel belangrijker: men treft er 45,6% van alle vrouwelijke werknemers tegenover 22,7% van de mannen[24].

 

Tabel 3: Evolutie van het vrouwelijke tewerkstellingsaandeel in de quartaire sector en in de marktsector (1973-1981).

SECTOR

1973

1977

1981

QUARTAIRE SECTOR

45,5%

48,5%

51,0%

- Zuiver collectieve goederen

21,8%

23,9%

26,9%

- Onderwijs

54,6%

55,9%

57,3%

- Overige quasi-collectieve goederen:

· Publiek

 

54,5%

 

56,0%

 

57,9%

· Privaat

62,8%

66,2%

67,3%

MARKTSECTOR

26,6%

26,2%

26,7%

- Commerciële diensten

34,8%

35,5%

36,2%

- landbouw en industrie

21,3%

19,4%

18,6%

TOTALE ECONOMIE

30,9%

32,2%

43,1%

Bron: DE BOECK, E. Tewerkstelling in de quartaire sector, 195. (R.S.Z., eigen verwerking)

 

In de quartaire sector is de vrouwelijke participatie toegenomen van 45,5% in 1973 naar 51% in 1981. Bij de commerciële dienstverlening kan eveneens een vervrouwelijking opgemerkt worden, maar deze is toch minder uitgesproken dan in de quartaire sector[25].

 

 

1.3. Besluit

 

In de tertiaire sector zorgt de crisis van het einde van de jaren twintig voor een trendbreuk: waar voorheen de bedienden vaak als een verlengde van de patroons bekeken werden, blijken ook zij eensklaps niet langer zo onkwetsbaar te zijn: de nood tot organisatie brengt velen onder hen ertoe zich te verenigen. Aan christelijke zijde wordt geopteerd een aparte vakbond voor de bedienden in het leven te roepen en ontstaat de LBC, aan socialistische zijde daarentegen worden de bedienden opgenomen in de reeds bestaande structuren. De strijdvaardige socialistische milieus zien in deze bedienden een breekijzer voor de invoering van de klassenstrijd, en wensen hen als dusdanig in te zetten.

De tweede wereldoorlog zorgt voor een tweede cesuur: christelijke en socialistische bediendevakbonden gaan onder de Duitse bezetting elk hun eigen weg en worden hier op het einde van de tweede wereldoorlog ook op afgerekend: de zweem van actieve collaboratie, die boven de LBC hangt, noopt een groot aantal leden ertoe af te haken. De socialistische vakbonden verenigen zich in het ABVV en zetten hun strijd tegen het kapitalistisch model onverdroten verder. Het ideaal van één grote verenging van arbeiders en bedienden, tegen de patroons in, lijkt verder af dan ooit. De ideologische breuklijn primeert in het naoorlogse tijdperk.