| Schilderen of schieten? De impact van de Wereldoorlogen op het leven en het werk van Alfred Bastien (1873-1955). (Liesbeth Van Hasselt) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK 3: ALFRED BASTIEN EN DE ALLESVERWOESTENDE EERSTE WERELDOORLOG
"Je ne peins pas les Halles, toi au moins tu l’as vu,
je peins mes larmes, ma misère, mon espoir, ma rage,
comme je peignais jadis ma joie, ma fantaisie, mon amour, ma volupté.
Je le fais mal parce que je suis transi de misère, que mes moyens sont pauvres,
que mes forces sont courtes."
De deelname van kunstenaars aan het frontleven van de Eerste Wereldoorlog mag men niet als uitzonderlijk beschouwen, daar er meer dan honderd in het leger ingezet werden. Zij vochten mee in de loopgraven, maar eens de situatie gekalmeerd was, droegen ze bij aan het literaire en culturele leven van het front. Er werden tentoonstellingen, concerten en voordrachten georganiseerd om het leven van de soldaten zo aangenaam mogelijk te maken, in de mate dat dat mogelijk was. A.Y. Jackson, een Canadese kunstenaar in de Eerste Wereldoorlog vatte de taak van de frontkunstenaars mooi samen: "It is logical that artists should be a part of the organization for total war, whether to provide inspiration, information, or comment on the glory or the stupidity of war."[503] Maar langs de andere kant vroegen sommigen zich af of kunst en oorlog wel samen konden gaan. Zo werd in de tentoonstellingscatalogus van Het front in kleur geschreven: "Kon men eigenlijk wel een artistiek antwoord geven op de alomtegenwoordige gruwel? Kon de oorlog, waar dan ook, ooit de rust bieden aan de moegetergde soldaat-kunstenaars?"[504]
Ook Bastien bracht meer dan vier jaar door aan het front, als oorlogsvrijwilliger. Hij werd dit om twee redenen. Enerzijds hield hij van zijn vaderland: "Pendant ce siège interminable à Nieuport où je vivais sous terre, dans ce sol même que nous avons défendu pied à pied, j’ai senti ardemment combien j’aimais mon pauvre pays dévasté; chaque matin, je contemplais l’aurore qui se levait au dessus de l’ennemi exécré"[505]. Anderzijds had hij thuis niemand meer die op hem wachtte, daar zijn relatie met Juliette intussen op de klippen gelopen was: "Pendant mon grand voyage autour du monde, mon ménage était à vau l’eau et la guerre fut pour moi l’occasion d’oublier. Et je passai toute ma rancœur sur le boche comme volontaire de guerre."[506]
Het waren echter vooral Bastiens patriottistische gevoelens die overheersten: "Tu sais que je ne suis pas un foudre de guerre, je ne suis qu’un patriote, et j’aurais voulu voir défiler, notre drapeau parmi celui de tous nos alliés qui sont pour la plupart venus à notre secours!"[507] De miserie die hij aan het front zag, zal de rest van zijn leven tekenen. Bij het naderen van de Tweede Wereldoorlog herinnerde Bastien zich aan de dag waarop hij oorlogsvrijwilliger werd: "Il y vingt ans, je me suis engagé à 41 ans, pour avoir le soir un fusil en mains. Moi qui n’aimais guère les soldats… Mais toute la vie a été bousculée depuis cet acte infâme d’une prétendue grande nation."[508] Maar ook in 1940 ruimden Bastiens gevoelens van gruwel plaats voor patriotisme: "Allons, serrons les dents, il y a autre chose à faire que de pleurer. Il faut leur montrer que nous sommes des Belges, des artistes, des gens libres, et qu’il n’existent pas malgré leur nombre et leur force. Patience et fortitude."[509]
Spijtig genoeg zijn een deel van Bastiens dagboeken uit de periode rond de Grote Oorlog verloren gegaan en bevindt het andere deel zich in het kasteel van Brethencourt, dat eigendom is van de familie Croiza, waardoor het niet mogelijk is ze in te kijken. Toch vindt men in zijn latere dagboeken nog genoeg verwijzingen naar de Eerste Wereldoorlog om een globaal beeld van zijn gemoedstoestand te krijgen. Vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog beschreef hij voortdurend zijn herinneringen aan het eerste grote wereldconflict. Via zijn dagboeken kan men tevens het verloop van de Tweede Wereldoorlog volgen.
Gelukkig heeft Bastien tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn briefwisselingen niet stopgezet, zodat men daaruit een schat aan informatie over zijn belevenissen tijdens de oorlog kan halen. In deze periode schreef hij vooral brieven met Paul Collaer, een pianist.[510] Deze vervoegde in 1915 de compagnie van de Sapeurs-pontonniers, waar later ook Bastien terecht zou komen. Maar Collaer leed aan tuberculose en de oorlogsomstandigheden waren nefast voor zijn ziekte. Bastien besloot daarom koningin Elisabeth ervan te overtuigen dat de musicus naar een Zwitsers kuuroord gestuurd moest worden, wat gebeurde in 1917.[511] Hij schreef hem nog regelmatig om op de hoogte te blijven van het verloop van zijn ziekte en probeerde hem tevens moed in te spreken: "Je t’assure que j’admirais ton courage, ta conduite, ici – et que je l’admire encore plus là-bas. Tu es un brave et tu vas bien te soigner, ne pas te laisser abattre, pas plus par les microbes que par les boches."[512] Beide heren waren heel goede vrienden geworden: "Ton départ a été la chose la plus triste de mon cher Nieuport."[513] Bastien was volledig ondergedompeld in het kunstleven aan het front, door zijn vriendschap met de pianist Collaer en met de componisten Theo en Eugène Ysaye. Hij was ook de minnaar van de zangeres Claire Croiza en was bevriend met het merendeel van de schilders ter plaatse.
Uit Bastiens brieven kan men tevens veel informatie halen inzake gewonden en gesneuvelden, zoals bijvoorbeeld in een brief uit 1917: "Ce que tu ne liras pas, c’est toute la souffrance, toute la misère de détail. Beaucoup de nos compagnons sont chez Depage.[514] Darras est mort de ses blessures. Calbert, Billemont, Gilmaire, Frédéric, Mattheys, Joly, Van Pottels, Devries, Lestienne, tous atteints par les gaz sont plus ou moins mal arrangés. Lecoq en est mort. Tu as su que Prévers aussi est mort?"[515]
Via Bastiens schilderijen komt men eveneens veel te weten over de gesneuvelden tijdens de oorlog. Op de eerste illustratie ziet men de ‘Begrafenis van Auguste Daras’. Bastien schreef op de achterkant van dit schilderij: “mijn vriend Auguste Darras, dodelijk gekwetst te Nieuwpoort, gestorven in de ambulance van De Panne op 31 juli 1917”. De tweede illustratie toont een bezoek van koningin Elisabeth aan het ziekenhuis van Vinkem. Het derde schilderij heet “La mort de Calberg”. Deze stierf op 17 juli 1917 en rechts ziet men zijn kruis, eveneens geschilderd door Bastien.
BRON: Colours of the War [Tent.cat.2000] (illustratie 1).
Fototheek KIK (http://www.kikirpa.be/www2/NL/Doc/Photonline.htm) (illustratie 2).
THYS, R., Nieuport 1914-1918 (illustratie 3 en 4).
De wet op de auteursrechten maakt het ons onmogelijk om alle afbeeldingen bij deze thesis te tonen. Ook hier ontbreekt er één of meerdere. Wie een volledige versie van deze scriptie wil kan die aanvragen via ethesis of via de auteur.
1. BASTIENS CARRIERE ALS OORLOGSVRIJWILLIGER IN HET BELGISCHE LEGER
In het jaar waarin de Grote Oorlog begon, zat Bastien bij het eerste bataljon van de Garde Civique, de Brusselse burgerwacht. Hij was er kanonnier van de artillerie[516] en zijn job bestond erin openbare gebouwen, spoorwegen, bruggen, entrepots en grote wegen te bewaken.[517] Hij oefende die job uit tot oktober 1914[518], toen men in Brugge de burgerwacht ontbond, omdat de mogelijkheid bestond dat men de leden ervan als vrijschutters zou zien.[519] Bastien wilde terugkeren naar Brussel, maar door het obstakel van de Duitse troepen die de hoofdstad bezet hadden, besliste hij via Nederland naar Engeland te vluchten. Hij had immers geen enkele reden meer om terug naar huis te keren, want daar zou hij geconfronteerd worden met leegte na het vertrek van Juliette.
In Engeland kon Bastien zijn draai snel vinden, want er waren op dat moment heel wat gevluchte Belgische kunstenaars aanwezig, zoals bijvoorbeeld zijn vriend uit Lier, Isidoor Opsomer.[520] Die kunstenaars maakten deel uit van ‘La Ligue des artistes belges’, die voorgezeten werd door Jean Delville[521] en op die manier geraakte Bastien ingeburgerd in de wereld van de Britse kunstenaars. Hij maakte er zelfs van de gelegenheid gebruik om Whistler en Turner te kopiëren in het British Museum, samen met zijn vriend Albert Baertsoen. Het was de bedoeling dat hij op die manier, via Engeland, de Belgische troepen in Adinkerke ging versterken.[522]
Eenmaal terug in België werd Bastien, als motorrijder, ingedeeld bij de transportsectie van het leger onder leiding van kolonel Berger.[523] Zo droeg hij zijn steentje bij, terwijl hij het Belgische front afreed en documentatie verzamelde. In het tijdschrift L’Expansion belge werd er over hem geschreven: "Servant son pays avec toute la force de son talent, rendant d’utiles services en premières lignes en croquant les progrès des inondations et les abris défensifs de ceux d’en face."[524] Hij kreeg de toelating om de frontlinie te doorkruisen: "Le motocycliste Alfred Bastien, artiste-peintre, attaché au service de la documentation de l’armée, est chargé de prendre des croquis, dessins, peintures et photographies du front, pour le documentation de l’armée. Il est autorisé à travailler dans les cantonnements y compris les tranchées de premières lignes, même au cours des combats ou des bombardements. Les autorités militaires sont invitées à lui faciliter sa mission."[525] Samen met André Lynen en een fototoestel, ging hij op zoek naar typische fronttaferelen, die men kon gebruiken voor schilderijen en dergelijke.

Deze illustratie toont Bastiens toelating om het front te doorkruisen om schetsen, tekeningen, schilderijen en foto’s te maken (10 juli 1916).
BRON: LEGERMUSEUM, Dossier Bastien.
Maar Bastien voelde de grond onder zijn voeten te heet worden, door de heersende spionitis en zocht opnieuw overzeese oorden op. "Puisses-tu avoir un peu de chance et ne pas être pris pour un traître, quand tu dessineras un coin de paysage de ton pays! La mentalité qui règne au front t’expose au pires vexations. La crainte des espions permet à quiconque de vous insulter, de vous retourner vos poches et pendant ce temps-là les vrais, ceux qui opèrent, ont le temps."[526] In Engeland werden voor de eerste keer zijn schetsen gepubliceerd in The illustrated war news.[527] Het was een stel potloodtekeningen die hij aan de IJzer gemaakt had, teneinde het leven aan het front op te tekenen. De werken waren echter niet allemaal ooggetuigenverslagen, want Bastien schilderde bijvoorbeeld ook taferelen die zich in de Elzas afspeelden, terwijl hij daar niet geweest was. Maar de tekeningen waren zeker geloofwaardig genoeg om een plaatsje te verdienen in het magazine.
Deze illustraties tonen voorbeelden van Bastiens pentekeningen voor The Illustrated War News, het Britse oorlogsmagazine. Het eerste werk toont paarden, die gebruikt werden in de oorlog. Bastien noemt ze ‘four footed heroes’. Het tweede werk geeft een zicht op de Franse marine. Het werk in het midden is een panoramische tekening van een bombardement. Daaronder ziet men links soldaten die hun eten delen met een oud vrouwtje dat haar huis weigert te verlaten. Rechts wordt een slagveld met een kanon afgebeeld. De laatste illustratie toont de kaft van de editie van de The Illustrated London News van 17 april 1915.
BRON: Al deze illustraties zijn te vinden op
http://www.greatwardifferent.com/Great_War/index.htm.
De wet op de auteursrechten maakt het ons onmogelijk om alle afbeeldingen bij deze thesis te tonen. Ook hier ontbreekt er één of meerdere. Wie een volledige versie van deze scriptie wil kan die aanvragen via ethesis of via de auteur.
Even snel als Bastien vertrokken was, keerde hij ook weer terug naar België en ging hij verder met zijn activiteiten, totdat hij op 18 november 1915 geraakt werd in zijn linkerarm. Later schreef hij in zijn dagboek: "On me met dans un fourgon postal, sur des sacs de lettres, et ouste vers l’ambulance d’Adinkerke […] On a tiré sur mon bras après avoir coupé à travers tous mes vêtements toutes les manches de ce bras gauche. Tiré, tiré, si bien que les os reprirent leur place dans la bouillie des ligaments déchirés."[528] Deze blessure gaf de aanleiding tot een vijf maand durende revalidatie. Hij werd verzorgd in het ziekenhuis Saint-Aubin in Rennes.[529] Daar werd hij snel beter, maar omdat zijn arm nog té sterk beefde, was hij niet meteen in de mogelijkheid om terug te keren naar het front. Daarom vond hij een tijdverdrijf in het verzorgen van de zieken in het hospitaal, die hem – gezien zijn leeftijd – ‘papa’ noemden. Hij schilderde er ook de decors voor een toneel.
In het begin van april 1916 kon Bastien opnieuw zijn makkers aan het front begroeten. Hij werd deze keer aangesloten bij de compagnie van de Sapeurs-pontonniers van de Génietroepen. Deze soldaten waren verantwoordelijk voor het sluizencomplex van de IJzer te Nieuwpoort. Het is op deze moment dat de ‘Section Artistique de l’Armée’ werd gesticht.[530] Bastien schreef: "La guerre me bloqua à Nieuport, dans une cave[531], avec les plus braves d’entre les braves, car Nieuport assiégé en octobre 1914, n’a jamais été pris. Cela vaut qu’on en parle. J’y assistai aux dramatiques inondations de la Flandre qui ont sauvé notre pays, pour ne pas dire plus."[532] Maar ook in deze periode bleef Bastien niet blessureloos. Hij werd namelijk opnieuw binnengebracht in het ziekenhuis l’Océan in De Panne op 11 september 1916.[533] Hij bleek een blindedarmontsteking te hebben. In De Panne kreeg hij bezoek van koningin Elisabeth, die erg met de schilder begaan was. Het was ook in dit hospitaal dat hij zijn toekomstige vrouw Johnnie ontmoette, die er haar kost verdiende als verpleegster. Hij beschreef zijn gezondheidstoestand aan Collaer: "Mon Dieu, je n’en suis pas sorti tout à fait indemne, mais la ruine n’est pas complète, tu vois bien. Je ne vivrai pas cent ans."[534] Hij bleef in het ziekenhuis tot in november, waarna hij opnieuw de boot naar Engeland nam. Maar daar had Bastien niet veel om handen: "Nous n’avons guère de nouvelles ici. A part notre travail quotidien, qui est sans charme, nous n’avons que le temps de nous ennuyer."[535]
Wanneer Bastien volledig hersteld was van zijn blessure, keerde hij terug naar België, waar hij opnieuw voor een jaar de Génietroepen in Nieuwpoort zou vervoegen. Op het einde van dat jaar echter, werd hij ter beschikking gesteld van het Canadese leger te Parijs. Hiervan getuigt een brief die Bastien ontving van het Canadian War Records Office: "Authority has now been granted for you to proceed to the Canadian corps Area in France. Please hold yourself in readiness to proceed upon further instructions from this office. It is expected that this will be about five days from today, but it may be either earlier or later."[536] Hij kwam bij de Canadezen terecht via Lord Beaverbrook, die Bastien ontmoet had aan het front. Beaverbrook merkte de schilder op en vroeg hem zijn naam. Hij repliceerde op Bastiens antwoord met: "C’est bizarre. Vous portez le même nom que l’auteur d’une toile que je possède".[537] Het ijs was meteen gebroken en Bastien werd gedetacheerd bij het 22ste bataljon van de Canadese infanterie, met de bedoeling dat hij zo documentatie kon verzamelen voor de ‘Canadian War Record’[538], een soort oorlogsarchief.
Bastien deelde zijn opdracht mee aan Collaer: "Les Canadiens qui ont vu de mes soldats belges veulent qui je décore un mur du mémorial à élever à Ottawa aux braves Canadiens qui sont tombés en Flandre. Nouvelle réception toute empreinte d’estime et de respect qui me venge un peu de la ‘manière’ dont on me traite encore ici, où un Colonel m’a engueulé copieusement sans aucune motif. Simplement pour me prouver qu’il était Colonel de l’Active, embusqué depuis trois ans à Paris."[539] Blijkbaar was er een hele goede reden om Bastien bij die sectie van het Canadese leger te detacheren. Bastien citeerde koning Albert: "Nous voulons vous garder, monsieur Bastien. Nous avons déjà perdu trop de grands caractères dans d’obscurs petits services où ils se sont sacrifiés, en pure perte" en de schilder voegde er zelf aan toe: "C’est alors qu’on est venu me choisir pour les ‘Canadian War Records’! Et j’ai passé de Nieuport à Vimy. Ceux qui savent ce que cela signifie sont tellement rares… qu’il n’y a plus de témoins!"[540]
Later in zijn leven wilde Bastien de inmiddels gestorven koning Albert voor deze en voor nog een aantal andere gestes bedanken: "Je n’ai rien oublié de lui, de ce qu’il a fait pour moi. C’est grâce au roi Albert que j’ai pu aller au Congo faire les études pour le Panorama du Congo, en 1911. Et c’est encore grâce à lui que j’ai pu faire, au front, les études et croquis pour le Panorama de la bataille de l’Yser. C’est encore lui qui rendit possible mon passage aux Canadiens, en 1917."[541] Deze Canadese sectie was verbonden aan het Engelse leger, waar Bastien tot luitenant gepromoveerd werd.[542] Hij was er vast van overtuigd dat hij er de oudste luitenant van allemaal was en hij mocht deze functie behouden tot aan het einde van de oorlog. Hij vocht aan de zijde van de Canadezen in de slag van Vimy en de slag van Arras en zou ook hier hartverscheurende dingen meemaken: "En 1918, quand j’ai peint mes camarades canadiens qui sortent en rampant de ma trancher, où ils ne sont jamais revenus. Ah! Le courage militaire. C’est bien que le Major Goethals en disait dimanche… ça se mange souvent très froid."[543]
In deze periode frequenteerde Bastien het kasteel van Brethencourt, dat bewoond werd door de zangeres Claire Croiza. De schilder had een verhouding met Croiza, maar uiteindelijk zou zijn liefde voor Johnnie de gevoelens voor zijn minnares overheersen. In het najaar van 1918 bevond Bastien zich terug aan het Belgische front. Daar kon hij mee de Wapenstilstand vieren, waar hij zo lang op gewacht had: "Ah, que les mois passent vite, qui nous séparent de la vraie paix effective, celle que l’on sentira nous revivifier, comme un printemps vertigineux et unique dans la vie des hommes."[544] In zijn dagboek bejubelde hij de interventie van de Amerikanen: "Ton village, ta belle petite ville d’Audenaerde, ont été délivrés par les soldats américaines! Est-ce croyable… des hommes venus du bout du monde pour nous aider dans nos malheurs?"[545] Toch vond Bastien dat er nog niet onmiddellijk reden was om te spreken van vrede, zoals hij schreef aan Renée Lyr in 1921: "Et certes je ne demanderai pas mieux que de peindre bientôt l’immense fresque de la Paix. Je l’attends! D’où doit elle vient?"[546]
Bastien ontving vele eretekens voor zijn bewezen diensten voor het vaderland. Zo werd hij onder andere ‘Grootofficier van de Kroonorde’, ‘Commandeur van de Orde van Leopold I’ en ‘Officier van de Orde van de Leeuw van Congo’.[547] Het zou ons te ver leiden alle eretekens die Bastien ontving op te sommen, maar dit geeft al aan dat zijn daden geapprecieerd werden. Hij schreef in een brief aan Lynen: "Nous aurons fait pour notre partie autant que si je balayais le sable sur la digne de La Panne avec une sale jas et une barbe à poux, ce qui serait mon lot si j’étais ‘sous les drapeaux’."[548]




Deze vier illustraties tonen Bastiens schilderactiviteiten aan het front. Op de eerste foto ziet men Bastien, samen met zijn vriend en collega Léon Huygens.
BRON: Colours of the War [Tent.cat.2000], p 34 (illustratie 1).
THYS, Nieuport 1914-1918, p 83 (illustratie 2).
DESEYNE, Alfred Bastien en het IJzerpanorama [Tent.cat.2001], p 15 (illustratie 3).
FARCY, P., Le panorama, p 81 (illustratie 4).
De wet op de auteursrechten maakt het ons onmogelijk om alle afbeeldingen bij deze thesis te tonen. Ook hier ontbreekt er één of meerdere. Wie een volledige versie van deze scriptie wil kan die aanvragen via ethesis of via de auteur.
2. LEVEN EN EEN KLEIN BEETJE STERVEN AAN HET BELGISCHE FRONT
Het leven dat Bastien leidde aan het front was natuurlijk verre van prettig: "Nous nous terrions dans ces abris, nous entendions siffler les balles et les obus, la terre autour de nous tremblait comme de la gélatine, et, par moments, livrés à nous-même dans un coin, nous tremblions de peur. Les plus braves n’échappent pas à l’angoisse quand autour d’eux rôde la mort. On se ressaisit et l’on allume une cigarette."[549] De soldaten aan het front vreesden voortdurend voor hun leven: "A perte de vue par-dessus la ville rasée, il n’y avait plus que des moignons d’édifices. On voyait un chien rôder, des corbeaux, des rats par centaines. C’était donc la guerre sous la voûte sonore des obus."[550] Maar het was niet alleen hun leven dat in gevaar was: "Un matin, rentrant de permission, je trouve ma cave anéantie par un obus définitif. Tous mes trésors pluvérisés: mes livres, ma lampe, mes dessins en lambeaux. Heureusement, mon chien qui était en visite ailleurs, n’avait rien et mes documents les plus précieux étaient en lieu sûr. Je les avais soumis à l’appréciation du roi qui les avait porter en Angleterre."[551]
Bastien moest er noodgedwongen naar de wapens grijpen, hoewel hij zelf eerder pacifistisch ingesteld was: "Je ne suis pas militariste, mais il n’y a pas une arme dont je ne puisse me servir."[552] Hij hield er een grote afkeer van geweld aan over: "Et les hurlements des boches pendus dans les barbelés. Ah! L’horreur… mon cher Paul, maintenant j’ai tout vu et je ne demande plus rien. Je voudrais pouvoir inspirer aux hommes l’aversion définitive de cette énorme lâcheté dans laquelle sombre tout le plus pur courage. Non, des coups, cela ne prouve rien."[553] Hij had alleen nog maar vragen en de antwoorden erop kreeg hij niet.
Toch kende Bastien, in alle miserie, ook een aantal lichtpuntjes. Zo kwam hij bijvoorbeeld in Gent een oude academievriend tegen. Het was Armand Heins, een kunstenaar die Bastien vaak uitgenodigd had in zijn atelier.[554] Bastien schreef in een brief: "C’était en fin septembre 1914, au pont de Langerbrugge que les soldats du génie étaient en train de miner. J’étais dans un groupe de volontaires et il était ému aux larmes en me serrant les deux mains. L’instant était tragique car une explosion effroyable nous sépara. Il pleurait me dit-il d’être trop vieux pour me suivre."[555] Bastien hield innige vriendschappen over aan het bittere frontleven. Hij kon zeer goed opschieten met zijn medesoldaten van de Sapeurs-pontonniers, maar ook de Franse soldaten voelden vriendschap voor hem. Hij had veel respect voor zijn oversten, bijvoorbeeld voor Robert Thys, die commandant was van de sapeurs-pontonniers: "Je n’ai jamais vu un combattant plus courageux et qui ait plus aidé au relèvement du moral de ses camarades pendant la guerre", schreef Bastien in een brief aan hem.[556] De schilder zou altijd "son Sapeur dévoué" blijven.[557]
Dat Bastien een sociale man was, die in iedereen het goede probeerde te zien, bewijst volgende anekdote. Bastien was enkel gewapend met potlood en papier toen hij het vertrouwen kon winnen van drie Duitsers om hen te schetsen voor één van zijn schilderijen. Hij schreef: "Comme ils ne paraissaient pas de mauvais garçons, on les a invités à prendre le café avec nous."[558] Hij won niet alleen vrienden, hij verloor er ook veel. Hij zag hoe een aantal van zijn dierbaren sneuvelden in de oorlog, zoals Auguste Darras: "J’ai encore mille choses à dire, mais il faut enterrer Darras."[559] Zelf overleefde hij de oorlog: "La guerre immonde qui m’a tant pis de braves compagnons, semble vouloir m’épargner. Je te reviendrai, j’espère avant le printemps, avant le loriot, avant le rossignol, avant que le rosier qui te couvre refleurisse!"[560]
Het was voor elke soldaat dan ook een opgave om met al dit verdriet om te gaan. Bastien had zo zijn eigen manier, bijvoorbeeld door zich te verstoppen achter zijn ironie, zoals in een aantal brieven blijkt. Deze brieven bevatten foto’s met een pittig onderschrift, zoals "Darling, you ask for a portrait of your hero? The boy on the right is Bastien" en "And there we are again! Glorious Belgium!".[561] Daarnaast probeerde hij zijn hoop en wanhoop uit te drukken in zijn brieven. Zo schreef hij over zijn wankele mentale toestand aan Collaer: "Mais moi, j’ai les ailes coupées, je ne sais plus ce que je fais ici. Souvent je suis si loin, si distrait, si halluciné. Je ne vis vraiment plus que dans mes lettres à ma brave amie. Sans elle, vieux, je serais au cimetière, en rang, à ma place."[562]


Dit zijn twee brieven met humoristisch opschrift, door Bastien verzonden van aan het front.
Het eerste opschrift zegt: "And there ‘we’ are again! Glorious Belgium!" Op de tweede brief staat: "Darling. You ask for a portrait of your ‘hero’? The boy on the right is Bastien."
BRON: LEGERMUSEUM, Dossier Bastien.
Bastien gebruikte zijn pen om betekenis te kunnen geven aan de bloedvergieten en de eenzaamheid waarmee hij dagelijks geconfronteerd werd: "Il fait un temps atroce, je suis malade de grippe et dans une dépression morale où je ne croyais plus devoir jamais retomber. Tu connais sans doute cette horreur: douter de tout, éplucher même un chef-d’œuvre, en découvrir la trame, la ficelle et se dire: non, il n’y a plus rien, parce qu’on n’est plus rien! … Que Dieu me garde et me sorte vite d’ici. Rien ne va plus. Il fait bête ici mon vieux. Vous êtes partis à temps. Et puis on a tiré sur la maison. Hier encore quatre obus nous étaient destinés. Une sainte pensée me protège… mais il ne faut point tenter les Dieux!"[563] Vaak zat de wanhoop hem heel hoog: "Je ne puis songer à te décrire ce qui se passe en moi… Quand je songe que j’ai perdu trois ans à la guerre sans avoir servi à rien… Je passe mon temps à compter mes larmes."[564]
Niet alleen bij Collaer kon Bastien terecht met zijn emotioneel geladen brieven, ook zijn zuster Henriette werd op de hoogte gehouden van zijn machteloosheid. Zij bewoonde het huisje van de familie Bastien aan het Rood Klooster en ze ving de zoontjes van Bastien op. Die had veel heimwee naar huis en hij was telkens ontroerd door de brieven die hij ontving van het thuisfront: "J’ai lu avec bonheur, à travers les larmes, que vous avez tous deux fort grandis que vous êtes correctement vétus. Et que notre chère petite maison n’a pas changé, au contraire, un Lion de Barge courront la poste d’entrée. Ce fut pour moi une émotion profonde de revoir un jour, au cinématographe à La Panne, notre petite maison qui sert de décor d’un film, assez curieux ‘Le Diamant Noir’."[565]
Bastien vroeg aan zijn geadopteerde neefjes om hem te schrijven over alle dingen die hem nauw aan het hart lagen en die hij miste aan het front, zoals zijn dierbaar Zoniënwoud. "Les arbres de la source, des rats, des poissons, des oiseaux dans le ciel, des nuages, de tout enfin qui est mon cher pays et pour lequel on soit battre comme des bêtes."[566] Hij bleef hopen op de dag dat hij zijn familie terug kon omhelzen: "Ah! Le Retour… avec toutes les majuscules que notre coeur mettait à cette fascinante journée."[567] Hij kon natuurlijk – zoals alle soldaten – af en toe genieten van een week verlof, maar dit was voor Bastien niet genoeg: "En effet, j’ai passé huit mois avec les Canadiens à faire les quatre anticoups en Picardie! Ça s’appelle avoir du congé!"[568]
Bastien was heel cynisch als men hem vertelde over de vrededie hem te wachten stond: "La Victoire? Mon pauvre ami, elle est en train de tourner en eau de boudin! Tant d’appétits se sont jetés sur elle et dans l’ombre il s’est trouvé tant de saloperies de toutes parts que je ne coupe pas dans cette joie en toc. Pour les malheureux, tout est peine et misère."[569] Maar toch hoopte hij er elke dag op. Zo schreef hij in zijn dagboek van oktober 1918: "Maman! Du fond de ma longue misère, au cours de cette guerre impie et sauvage, combien de fois n’ai-je pas envié la paix de ton petit jardin de lierre, entouré de buis sous les cyprès que j’y plantai un beau matin d’été? Et je bénissais Dieu de t’avoir épargné les horreurs lentes et infinies que la guerre nous a ramenées, que la paix ne pourrait même plus faire oublier! Tu serais morte de peur pour ton fils, pour tes petits-fils; tu aurais souffert là-bas le froid, la faim; on t’aurait enlevé ton bon lit, tes vieilles chaudes couvertures de laine dans lesquelles je t’ai si souvent bordée comme un petit enfant à mon tour! Et tu serais morte comme une pauvre femme abandonnée, comme cette pauvre petite vieille dont tu m’as raconté l’histoire quand j’étais petit, celle qui n’avait jamais eu de lit, et qui couchait dans des feuilles mortes… cette image qui m’épouvantait enfant s’est aujourd’hui réalisée pour tout le monde sous le régime maudit des Allemands!"[570] Hij probeerde eveneens zijn medesoldaten aan te moedigen. Vooral de jongere André Lynen ontving vele brieven van Bastien. De schilder schreef: "Bon courage, mon bon petit soldat belge, tu portes un uniforme immortel."[571]
Ook na de oorlog droeg Bastien ― zoals alle soldaten ― nog steeds de erfenis van zijn jaren aan het front. Alle soldaten keerden terug van het front met een gigantische "oorlogskater". Zij hadden een weg ingeslagen waarvoor er geen wegwijzer bestond. De soldaat-schilder Max Beckmann beschreef zijn situatie als volgt: "Ik leerde geestdriftig de tango dansen, toen een luid hoera-geroep en het galmen van allerlei vaderlandsliederen mij erop attent maakten dat mijn leven een andere wending zou nemen."[572] Ook Bastien was een andere mens geworden aan het front: "Je veux bien me charger de toute la besogne désagréable. J’ai nettoyé des écuries pendant la guerre et enterré des charognes. Je ne suis pas un arriviste."[573] Hij leefde vier jaar in zo een grote miserie, dat hij dacht zijn depressie nooit meer te kunnen overwinnen: "Mais au fond du coeur la tristesse me paraît si insurmontable! Ces quatre ans nous ont tellement changés!"[574]
Vooral het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, rakelde Bastiens pijnlijke ervaringen van de Eerste Wereldoorlog terug op. Hij beschreef op 15 augustus 1935 in zijn dagboek zijn gedachten, wanneer hij te horen kreeg dat Mussolini bereid was oorlog te voeren: "Cela me rappelle ce matin d’août 1914. J’étais à peindre des gerbes de blé mûr, quand fiston Verheyden est venu me dire: ‘Tu sais, les boches sont entrés en Belgique!’. Je suis parti m’engager et, le soir, j’avais un fusil en mains."[575] Hij herinnerde zich opnieuw de voortdurende angst die hij aan het front in de Eerste Wereldoorlog had moeten uitstaan. Hij beschreef het in 1940 in zijn dagboek: "J’ai assez de mémoire pour reconstituer cette triste période d’inquiétude, hélas, trop justifié. Mais qui jamais au monde aura le désir de lire pareilles horreurs?"[576] Sinds zijn ervaringen in de Eerste Wereldoorlog was zijn leven nooit meer hetzelfde geweest: "La guerre est dans mon sang, depuis 1914. Or, nous chantions par blague une insanité du moment: ‘Allons, soldats du Moyen âge. Partons pour la guerre de Cent ans!’ Mais voilà quand même 28 ans que ça dure… ‘L’entre-deux-guerres’, je l’ai passée à peindre des soldats, des massacres, des incendies, des chevaux et des braves gens tués… C’était ma planète. Etais-je si heureux en temps de paix? Je n’ai qu’à ouvrir certains tiroirs… la vie est là, bête et banale, à ne rien regretter", schreef hij in 1943 in zijn dagboek.[577]
Ook later ― wanneer Bastien de balans van zijn leven opmaakte ― besefte hij de grote verandering die de Eerste Wereldoorlog in zijn leven teweeg had gebracht: "La fatalité veut que, ce matin, je rouvre à cette page ce vieux cahier fermé sur tous les événements écoulés. Il y a 19 ans déjà, je partais à la guerre et j’avais quarante ans. Il y a quinze ans que j’en suis revenu, et les pauvres expériences de la vie me confrontent avec ce cahier, où fleurit encore un peu d’espoir et de jeunesse… Que tout cela est loin, incroyable, et si proche, quand on voit le serpent boche qui relève la tête… Que s’est-il passé depuis l’Armistice? J’ai eu trois ans de misère pour obtenir mon divorce, j’ai peint un panorama et des centaines de tableaux pour être encore, à 60 ans, un pauvre diable dans une belle maison, sans le sou!"[578]
3. PENSEEL OF GEWEER? KUNST AAN HET FRONT
De Eerste Wereldoorlog gaf aanleiding tot het ontstaan van een specifiek artistiek gebeuren. De laatste restanten van de Belle Epoque waren nog niet verdwenen, toen Europa wakker geschud werd door de oorlogsverklaring van Duitsland aan Frankrijk. Kunst was in die tijd nog voornamelijk een academisch gebeuren (voor pompiers zoals Bastien) dat enkel betaald kon worden door de bourgeoisie, maar de Eerste Wereldoorlog zorgde voor een cesuur die haar gelijke niet kent in de geschiedenis van de kunst. Er werden een aantal nieuwe stijlen ontwikkeld, die onder de gezamenlijke noemer ‘Avant-garde’ werden gebracht. Die stroming werd een vorm van kritiek op de oorlog en de Westerse maatschappij, zoals dat sterk naar voren komt in het dadaïsme. De dadaïsten wilden het zinloze van de naoorlogse wereld aantonen.[579]
Ook kunstenaars als Ernst Ludwig Kirchner, Franz Marc, Pablo Picasso, Wassily Kandinsky en Max Ernst maakten de oorlog en de bijhorende overgang naar de moderniteit mee.[580] Ernst noteerde zijn oorlogsimpressies: "Huilen, vloeken, kotsen helpt allemaal niets. Een poging zich in het contemplatieve te kapselen, heeft weinig succes. Daarbij ontstaan een paar aquarellen, maar dat volstaat niet. Afwachten dan maar (volhouden!)."[581] Ook omdat er te weinig communicatie was tussen de frontkunstenaars en de buitenwereld, drongen die moderne stijlen uiteindelijk nog niet door aan het front, zodat de meeste werken aan het front impressionistisch, realistisch of fauvistisch geschilderd werden.[582] Die nieuwe stijlen zouden pas na de Wapenstilstand doordringen in het bestaande kunstwereldje. In het naoorlogse Vlaanderen bloeide vooral het expressionisme op en dat had vooral te maken met de terugkeer van expressionistische schilders uit ballingschap.[583]
Desalniettemin kregen ook bestaande stijlen, zoals het realisme, een volledig nieuw uitzicht door de wrede taferelen die kunstenaars wisten vast te leggen in de Eerste Wereldoorlog. Het realisme werd veel expressiever en kleurrijker.[584] Dit had te maken met twee factoren: enerzijds zorgde het dieprode van het bloed en het kakigroene van de legeruniformen voor het gebruik van een ander kleurenpalet en anderzijds ondervonden de realisten de invloed van het fauvisme, dat ondertussen in Frankrijk ontstaan was.[585] Aan het front verbleven er eveneens een groot aantal fauvisten, die door middel van kleuren hun gevoelens van afkeer uitdrukten. Zo bevond bijvoorbeeld Rik Wouters zich onder de wapens[586], maar ook in de ‘Section Artistique’ vond men twee belangrijke fauvisten: Anne-Pierre De Kat en Médard Maertens.[587] Men voelde op dat moment al aan dat de kunst van voor de oorlog nooit meer gebruikt zou worden als voorheen.
Er waren echter geen zekerheden aan het front, alleen gissingen: "Het valt dan geen enkel oogenblik te betwijfelen dat de oorlog die komt te eindigen een groote invloed gaat hebben op de kunst. Die kunst is echter nu nog niet te zien, wel heeft de oorlog nu reeds werk geïnspireerd… Paul Fort en Paul Claudel hebben oorlogsverzen gedicht, Xavier Leroux, Debussy, Reuchsel, Rabaud hebben op oorlogsteksten gecomponeerd… maar al die kunstenaars zijn in natuur en stijl gebleven wat zij waren voor de oorlog. De kunstenaars die uit deze oorlog zullen ontstaan leven nog maar in den schoot der moeders die leven in dezen verschrikkelijken tijd en het kan nog wel vijf-en-twintig jaar aanloopen eer wij zullen weten wat de grootste aller wereldomwentelingen zal hebben voortgebracht", schreef men in 1920.[588]
De oorlog lokte kunstwerken uit. Het komt er eigenlijk op neer dat na de Eerste Wereldoorlog, kunst nooit meer hetzelfde kon zijn. De oorlog veranderde alles en dit kwam in eerste instantie naar voren in de kunst die men produceerde aan het front zelf. Daar werden de schilders geconfronteerd met nooit geziene beelden: de verwoesting van een oorlog was nimmer zo allesomvattend geweest als toen. Daarom werd de loopgravenoorlog een creatief hoogtepunt, vooral voor het realisme en het fauvisme. Aan het front zelf veranderde men voortdurend van stijl, omdat men dacht op geen enkele manier de gruwel van de oorlog in beeld te kunnen brengen. Er werd geschreven: "A la transformation complète des méthodes de guerre, ne doit-on pas répondre par une transformation aussi radicale de la peinture de guerre?"[589]
Die oorlogskunst had vooral een documentair karakter en via de kunstwerken is men dan ook goed ingelicht over het wel en wee van het frontleven. Enerzijds werden de kunstwerken vaak bekroond met een zeer gedetailleerde titel zoals bijvoorbeeld ‘Scottish men blinded by Yperite, 1917’[590] en anderzijds brachten de kunstenaars soms opschriften aan op de achterkant van het schilderij, zodat ze later zelf nog wisten welke gebeurtenis afgebeeld was. Dat kan men bijvoorbeeld zien bij het werk ‘Begrafenis van Auguste Darras’ van Alfred Bastien. De schilder schreef op de achterkant "mijn vriend Auguste Darras, dodelijk gekwetst te Nieuwpoort, gestorven in de ambulance van De Panne op 31 juli 1917."[591] Ook van Sergeant Houba verscheen er een portret van Bastiens hand met het opschrift: "Mon camarade le sergent Houba des sapeurs du Génie à Nieuport, aveuglé par les boches, attend l’ambulance dans ma cagna. Nieuwpoort, 23 avril 1917."[592] Aan het front werd een snelle stijl ontwikkeld, omdat de kunstenaars capabel moesten zijn om een indruk van een paar seconden op doek te zetten. Daardoor vond men er, naast schilderijen, ook veel etsen en tekeningen.
De Grote Oorlog wordt gekenmerkt door het eerste gebruik van mosterdgas. Maar naast dit gas, werden er ook heel wat andere middelen gebruikt om soldaten te doden en te verblinden. Bastien schilderde een aantal werken over verblinde soldaten. Het eerste werk is getiteld ‘Les aveugles’. De tweede illustratie toont Sergeant Houba van de sapeurs-pontonniers, die verblind werd door gas. Het derde werk laat Schotse soldaten zien die verblind werden door Yperiet. In zijn dagboek van 1950 schreef Bastien trouwens over de moment waarop zijn schilderijen geïnspireerd waren: "Cette esquisse de soldats écossais aveuglés par les gaz et le sergent Houba, aveugle dans mon cave!!" (GROSBOIS, Journal intime, p 381.)
BRON: THYS, R., Nieuport 1914-1918 (illustratie 1).
SCHEPENS, Stille getuigen, 1914-1918 [Tent.cat.1964], p 137 (illustratie 2).
Colours of the War [Tent.cat.2000], p 37 (illustratie 3).
De wet op de auteursrechten maakt het ons onmogelijk om alle afbeeldingen bij deze thesis te tonen. Ook hier ontbreekt er één of meerdere. Wie een volledige versie van deze scriptie wil kan die aanvragen via ethesis of via de auteur.
In 1914 hadden vele kunstenaars zich als oorlogsvrijwilliger aangemeld. Ze kwamen vooral uit de Academies en scholen van de Schone Kunsten.[593] Vaak was het engagement van de ene een voorbeeld dat leidde tot het engagement van de andere. Zo ziet men bijvoorbeeld dat Charly Léonard zijn meester Bastien volgde naar de frontlinie.[594] Ook veel van de schilders van Le Sillon belandden aan het front van 1914-1918.[595] Bastien vond er vooral steun bij Léon Huygens, Maurice Wagemans en André Lynen, maar ook James Thiriar[596], Médard Maertens, Marc-Henri Meunier[597] en nog vele andere Sillonisten bevonden zich ter plaatse. Na de oprichting van de ‘Section Artistique’[598] schreef Bastien: "Dix peintres sont autorisés à faire de la peinture au front et j’ai le plaisir de vous annoncer que Wagemans en est. Il y a Marc-Henri Meunier, Charles Houben[599], Léon Huygens, Anspach[600], Cerf[601] et votre serviteur. Je ne connais point les autres."[602]
Maar toch brachten niet alle soldaat-kunstenaars die vier gruwelijke jaren door aan het IJzerfront. Er waren ook kunstenaars die hun tijd spendeerden in interneringskampen in Nederland en Zwitserland, zoals Rik Wouters.[603] Sommigen werden zelfs als krijgsgevangenen naar Duitsland gevoerd en nog anderen vluchtten naar het buitenland. Zo bevond de expressionistische schilder Constant Permeke zich, na zijn verwonding in 1916, in Engeland.[604] Maar er waren ook heel wat kunstenaars die niet werden opgeroepen voor het leger of die zich niet aanmeldden als oorlogsvrijwilliger en dus gewoon hun activiteiten verder zetten in België. Van deze schilders is James Ensor de belangrijkste, maar deze kunstenaars hielden zich over het algemeen redelijk koest tijdens de oorlog.
De schilders aan het front zelf kon men opdelen in drie categorieën. De jongste kunstenaars werden, gezien hun dienstplicht, opgeroepen om hun vaderland te verdedigen. Daarnaast waren er de oudere kunstenaars, die zich uit patriottisme als oorlogsvrijwilligers aan het front meldden. Tot deze categorie behoren Alfred Bastien en de meeste van zijn vrienden. Tenslotte waren er ook een groot aantal amateur-schilders die niet van een academische opleiding genoten hadden.[605]
De schilders aan het Belgische front waren in eerste instantie een belangrijke hulp omdat ze schetsen maakten van de frontlinie en van de vijandelijke gebieden. Het was daarom voor de patrouilles van groot belang dat die schetsen zeer gedetailleerd waren. In het begin werden de kunstenaars dus vooral ingezet in functie van de oorlog, om schetsen te maken, om materiaal te beschilderen en dergelijke en was de echte oorlogskunst dus nog niet aan de orde. Ze bestond wel, maar dan omwille van persoonlijk initiatief van de kunstenaars zelf. Er werd door de legerleiding namelijk geen opdracht gegeven aan de kunstenaars om ware kunstwerken te maken en omdat ze één voor één een legerfunctie toegewezen kregen, hadden ze bijna geen tijd om zich toe te leggen op "echte" kunst. Daarenboven werd die "echte" kunst beschouwd als een overtollig luxeartikel, waardoor ze eigenlijk niet gemist werd aan het front.
Zo werd Bastien (als motorrijder) ingezet in de topografische afdeling, samen met onder andere Charles Houben en Henri Mortiaux[606]. Maar er bevonden zich ook kunstenaars in de camouflagesectie, waar ze de opdracht kregen kanonnen en ander legermateriaal te beschilderen. Dit was het lot van Maurice Wagemans, Allard l’Olivier[607] en andere. James Thiriar echter zorgde voor de schetsen die nuttig konden zijn voor de veldslagen en weer anderen moesten schetsen maken voor de infanterie[608]. Daarnaast waren er ook schilders zoals André Lynen, die zich bezighielden met het schetsen van het landschap om de artillerie te helpen de positie van de vijand scherp te stellen[609] en er waren natuurlijk eveneens verslaggevers voor de pers nodig. Als er dus toch sprake was van oorlogskunstwerken, dan waren dat producties van kunstenaars die zich niet aan het front bevonden en die zich lieten leiden door artikels in de krant en contact met ooggetuigen.[610] In andere landen bestond echter wél het fenomeen van de officiële oorlogsschilders, zoals bijvoorbeeld in Engeland, Frankrijk en Duitsland. In België zou de officiële legerkunst pas het licht zien in 1916.
Toch kwam er stilletjesaan verandering in de situatie van de kunstenaars aan het front, omdat de legerleiding hen meer en meer vrijheid gaf. Zo mochten ze al snel eigen schetsen maken, zij het wel in hun vrije tijd. Dit werd immers als onschuldig tijdverdrijf gezien. Bovendien had men weet gekregen van tentoonstellingen, in het buitenland georganiseerd, in verband met de oorlog. Hier waren echter geen Belgische kunstenaars aanwezig[611], maar door deze wetenschap geraakte men er steeds meer van overtuigd dat oorlog wel te combineren was met kunst. Er gingen eveneens meer en meer stemmen op voor de aanleg van een fotografische documentatie. Dit alles gaf de aanleiding tot de toelating voor een aantal kunstenaars ― die later lid zouden worden van de ’Section Artistique’ ― om vrij te circuleren over alle sectoren van het front. Dit gebeurde dan wel vooral op momenten dat het front gestabiliseerd was.[612]
Men geraakte ervan overtuigd dat de oorlogskunst belangrijk was voor de nationale bewustwording: "La nécessité prévalait d’affirmer la présence belge et de manifester de façon indiscutable que, à travers les pires vicissitudes, le pays conservait intacte sa volonté d’indépendance. Des expositions d’art pourraient utilement contribuer à atteindre ce résultat. Appel serait fait aux artistes réfugiés dans les pays alliés, également à ceux du front qui, par leurs œuvres conçues dans des circonstances particulièrement difficiles, témoigneraient mieux que quiconque de la vitalité artistique de la nation. Le projet présentait un autre avantage: celui de réunir une documentation picturale sur l’armée en campagne."[613] Men ging de kunstenaars dus voortaan inzetten voor de nationale zaak, in plaats van hen te gebruiken om materiaal te beschilderen.
Gemakkelijk was dit echter allemaal niet, daar men voor alles wat men deed een toelating nodig had. Zo kreeg Bastien een laissez-passer om vrij in Nieuwpoort rond te circuleren om er schetsen te maken. Hij ontving eveens toelating tot het gebruik van een fototoestel.[614] Maar zelfs die officiële toelating werd niet altijd gerespecteerd en het was voor kunstenaars zeker niet eenvoudig om hun job uit te oefenen: "Le dernier jour que nous avons passé à La Panne, il nous a été formellement interdit de sortir avec notre appareil, qu’un gendarme est venu prendre, pour le remettre heureusement à un officier qui nous le rendra!"[615] Vaak werd hen ook simpelweg verboden om foto’s te nemen: "Il nous a été impossible d’opérer, l’un jour à cause de la pluie, un autre jour manquant des filmes et finalement parsuite même de cet ordre formel: plus de photographes!"[616]
a. De oprichting van ‘Le Section documentaire artistique de l’armée’
In mei 1916 werd dan uiteindelijk overgegaan tot de stichting van ‘Le Section documentaire artistique de l’armée de campagne’. Waarschijnlijk was Bastien één van de initiatiefnemers voor deze nieuwe administratieve legerafdeling, maar dat heeft hij zelf nooit bevestigd. Bewijzen hiervoor vindt men echter in het hoge aantal Brusselse kunstenaars, die allemaal aangezet werden door Bastien om de ‘Section Artistique’ te vervoegen. Bastien wist eveneens de exacte datum van de oprichting mee te delen (10 mei), terwijl deze datum vreemd genoeg nergens in de officiële logboeken van het leger genoteerd werd. De kunstenaar schreef in een brief aan Jules Ingenbleek: "A partir d’aujourd’hui je serai passé à son[617] service de documentation et non pas pour porter des paquets, mais pour peindre! Ce qui est en définitive ce que je fais de mieux."[618]
Maar ook koningin Elisabeth ijverde voor de oprichting van een artistieke legerafdeling. Een artikel in Nos héros morts pour la patrie, verwijst naar de stichtende rol die Bastien en koningin Elisabeth gespeeld zouden hebben: "Andere schilders, die vrijwillig dienst hadden genomen of opgeroepen waren voor diverse eenheden van ons leger, verzochten om het voorrecht om op het slagveld te mogen schilderen, waardoor een aantal schilders in Nieuwpoort – waar Bastien en Huygens gekantonneerd waren – elkaar ontmoetten."[619] Door anderen werd vooral het aandeel van koningin Elisabeth in de verf gezet, bijvoorbeeld door Henri Anspach: "I managed to get transferred to the unit of painters set up by Queen Elisabeth and used by the army for documentary purposes."[620] Ook André Lynen wijst op Elisabeths duw in de goede richting: "Sommigen nemen weer potlood en pen ter hand om er in precaire omstandigheden te gaan werken! Zij behoren tot de Schilders van het Leger. Deze kleine groep werd in 1916 door de koning en de koningin opgericht omdat koningin Elisabeth graag zag dat de leden ervan weer enige activiteit zouden ontplooien."[621]
De ‘Section Artistique’ werd gesticht op een moment dat de soldaten aan het Belgische front konden verademen en de organisatie kende onmiddellijk veel succes. "There are ten artists!! For now that number is beyond all expectations, meaning that there is absolutely no desire to admit any more"[622], aldus Maurice Wagemans, drie maanden na de oprichting. De bevelhebbers voor de nieuwe legerafdeling waren Majoor Henri-David Seligmann en Luitenant Gaston Horlait. De laatste werd nadien afgelost door Markies Ferdinand de Beauffort. Zij hadden echter niet de dagelijkse leiding in handen, maar ze speelden eerder een administratieve rol. Maar de ‘Section Artistique’ was niet de enige artistieke organisatie die ontstond aan het front. Er waren ook veel kunstenaars die via De Belgische Standaard[623] hun werken konden tonen. Anderen werkten helemaal individueel, zonder enige vorm van organisatie. Het is wel zo dat de ‘Section’ de artistieke legerafdeling met de meeste leden was.
Men moet in geen geval denken dat de ‘Section Artistique’ een school vormde, of een bepaalde stijl vertegenwoordigde. Het was namelijk gewoon een verzameling van individuen, die ― in het kader van de oorlog ― hun krachten bundelden om betere schetsen te kunnen maken. Het individualisme van de kunstenaars bleef echter verder bestaan. De echte reden waarom de ‘Section’ is opgericht, heeft eigenlijk meer met materiaal te maken dan met stijl. Men kon via de organisatie gemakkelijker aan doeken, verf, penselen en andere benodigdheden geraken en in ruil daarvoor verkocht de ‘Section Artistique’ de geproduceerde schilderijen. Dit gebeurde vooral op de tentoonstellingen die door hen georganiseerd werden. "Cette pénurie disparut quand se multiplièrent les permissions à l’étranger, et que la vente de l’une ou l’autre oeuvre fournit à ceux qui disposaient seulement de leur solde, les moyens pour acquérir à Londres ou à Paris de la toile de qualité ou du bon papier d’aquarelle."[624] Een bijkomende taak voor de leden van de artistieke afdeling was het representeren van hun vaderland op de tentoonstellingen die in het buitenland g