Schilderen of schieten? De impact van de Wereldoorlogen op het leven en het werk van Alfred Bastien (1873-1955). (Liesbeth Van Hasselt)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK 1: ALFRED BASTIEN – EEN BIOGRAFIE

 

"Et je suis d’accord: je ne veux pas être de demain, je suis d’hier."

 

 

1. Alfred Bastien, een biografisch overzicht

 

Alfred Théodore Joseph Bastien werd geboren op 16 maart 1873 in Elsene.  Hij was de achtste in een gezin van negen, onder de hoede van strenge, Vlaamse ouders.  Zijn vader, Jean François Bastien, was kalligraaf en wou dat zijn zoon klerk van een notaris werd.[1]  Toen Bastien negen jaar was, stierf zijn zuster Léontine op zeer jonge leeftijd.  Dit was niet de enige schok die hij moest verwerken, want tien jaar later overleed ook zijn jongste broer Firmin, waarmee hij een zeer sterke band had.  Hij schreef in zijn dagboek "Il est resté mon juge, ma conscience…"[2]  46 jaar later kon Bastien nog steeds zijn toenmalige gemoedstoestand voor de geest halen: "Mais la mort injuste de ma pauvre soeur Léontine en 1881, cette horreur de mes neuf ans… et ensuite la perte irréparable de mon cher frère adoré, dix ans après, le 16 avril 1892… la misère, abandonnées de tous, m’a tué le cœur je crois, et je n’ai pas pu croire à une Bonté Divine… Ces atroces épreuves établissent un doute affreux: rien ne sert à rien."[3]

Ook in zijn brieven blikt Bastien vaak terug op zijn jeugd: "Wij waren een arm gezin van negen kinderen.  Mijn roeping was eerder catastrofisch… ik was de jongste van vijf broeders en op achttienjarige leeftijd won ik vijftien centiemen per uur… met genoeg vage bezigheden.  Mijn vader heeft mij laten kiezen tussen het kantoor van een notaris of … ‘artiest’ te worden.  Ik heb mijn vrijheid gekozen…"[4]  Vanaf zijn jeugd was hij erg ambitieus ingesteld, wat volgende anekdote, die hij in zijn dagboek noteerde, duidelijk maakt.  Toen hij zeven jaar was, bezocht hij, samen met zijn moeder, het ‘Panorama de La baie de Rio de Janeiro’ van Henri Langerock in Brussel.  Toen zijn moeder, ontroerd door het prachtige kunstwerk, zich verwonderde over de talenten van zo een panoramakunstenaar, zei Bastien: "Tu verras, maman, quand je serai grand, j’en ferai un pour toi."[5]  Hij hield in ieder geval zijn woord, want 40 jaar later werd op precies dezelfde plaats zijn ‘Panorama van de slag van de IJzer’ tentoongesteld.

Op 30 juni 1900 huwde Bastien Juliette Georger, een zangeres van de Muntschouwburg.[6]  Het huwelijk was maar van korte duur, want nadat Bastien terugkwam van het front in 1918, keerde hij niet meer naar haar terug.  Dit had te maken met het feit dat het koppel in 1898 een doodgeboren zoon had gekregen, iets wat Bastien nooit verwerkt heeft: "Si mon fils avait vécu, il aurait aujourd’hui 55 ans, je serais peut-être grand-grand-père!" schreef hij op het einde van zijn leven aan prins Karel.[7]  Zijn jaren met Juliette beschreef hij als volgt: "Vingt ans de tristesse, de désacord, de secrète duperie."[8]  Hij nam na de oorlog intrek bij zijn zus Henriette in het bos van het Rood Klooster te Oudergem.  Hoewel hij zijn hart op zijn tong had liggen, was hij over één ding minder spraakzaam: zijn liefde voor vele vrouwen.  Bastien had een complex liefdesleven, waar niet zo veel over geweten is.  Zo leerde hij bijvoorbeeld via Juliette Claire Croiza kennen, die ook zong in de Muntschouwburg.  Hij ontmoette haar voor de Grote Oorlog en in 1917 werd hij haar geliefde.  Bastien schreef dertig jaar later in zijn dagboek: "Je pense bien que jamais une femme fut adorée comme on a adoré cette femme."[9]   Maar Bastien vervulde op dat moment een functie in het leger en het werd voor hen tweeën dus moeilijk om elkaar te blijven zien.  Toch werd na de oorlog hun huwelijk gepland, hoewel Bastien eerst nog de echtscheiding van Juliette moest doorworstelen, die pas werkelijkheid werd in april 1926.[10]  Uiteindelijk liepen hun wegen toch uit elkaar na een liefdesverhaal van vier jaar. 

Bastien bleef echter niet bij de pakken zitten en huwde op 28 mei 1928 met Alice Johns, een verpleegster die hij had leren kennen in het ziekenhuis aan het front.  Hij noemde haar steevast "mijn kleine Johnnie" en bij haar leek hij eindelijk rust gevonden te hebben.  Hij beschreef haar in zijn brieven als zijn engelbewaarder en samen verhuisden ze naar een romantisch ingericht atelier in Elsene.  In een brief aan haar schreef hij: "Tu as fait un grand bonheur de ma petite misère, car c’est incroyable, quand je regarde autour de moi: tout ce qui m’entoure, c’est à toi que je le dois.  Tu as eu beaucoup de patience et tu as fini par avoir raison de tout. Ce serait un beau roman pour Charles Dickens."[11]  Johnnie bleef Bastiens vrouw, maar ze verhuisde na zijn dood terug naar Engeland, waar ze vandaan kwam. 

 

Deze illustratie toont Bastien met zijn tweede vrouw Johnnie en hun hond, die blijkbaar niet stil kon blijven zitten.  De tweede illustratie toont een portret van Johnnie, geschilderd door Bastien.

BRON: DESEYNE, Alfred Bastien en het IJzerpanorama [Tent.cat.2001], p 33 (illustratie 1).

            LEGERMUSEUM, Dossier Bastien (illustratie 2).

 

Bastien had geen kinderen van zichzelf, maar heeft er wel geadopteerd onder het motto: "Un orphelin, il faut, non pas le placer, mais l’adopter."[12]  Hij adopteerde de Chinese André Tcheng en de vier kinderen van zijn overleden broer: Jean en Jeanne Bastien, Stéphane en Stanislas Jasinski.[13]  Stanislas zal later architectuur studeren, op stage gaan bij Victor Horta en zelf architect worden.[14]  Over Tcheng schreef hij na diens dood in een brief aan Gustave Van Zype[15]: "Nous avons enterré le pauvre petit Chinois André Tcheng.  Mort physique à vingt ans. Il avait été pour ma femme d’abord un adorable bébé – ensuite un fort gentil petit garçon, qui l’appelait Maman, et ensuite il avait tourné mal, très mal."[16]

Bastien was lid van allerlei kunstbewegingen[17], maar men kwam hem eveneens tegen bij de Rotary Club[18] en in de Brusselse Vrijmetselaarsloge ‘Les Amis Philantrophiques n°2’.[19]  Hier was hij terechtgekomen op 27 maart 1934 en hij is dus twintig jaar later ook als vrijdenker gestorven.  Men vond eveneens een deel van Bastiens vriendenkring terug in de loges: Victor Horta, Jef Lambeaux[20], Constantin Meunier[21] en Edmond Picard[22].  Hoewel er een sfeer van geheimhouding bestaat rond de vrijmetselarij, vindt men in Bastiens dagboeken genoeg verwijzingen naar zijn lidmaatschap.  Zo schreef hij: "Victor Lespinne, grand maître vénérable d’une loge de Mons, et qui m’a patronné à la Loge des ‘Amis Philanthropes’, à laquelle mon père a appartenu jadis.  J’y vais de moins en moins.  Elle est envahie de Juifs, qui viennent y mendier et pérorer, au point que je m’y suis endormi la dernière fois."[23]

In de jaren voor zijn dood werkte Bastien nog altijd met evenveel passie als voorheen, maar leidde hij een eerder teruggetrokken leven samen met zijn kleine Johnnie.  Hij begon meer en meer na te denken over zijn leven, over de ontberingen in de Eerste Wereldoorlog en over zijn gezondheidsproblemen.  Vijf jaar voor zijn dood schreef hij: "La vie est à monter?  Cela dépend à quel étage, et à quel âge!  Non pas que je veuille être cynique, mais je ne puis plus faire le petit foufou."[24]  Toch bleef hij leerlingen opleiden, werken tentoonstellen en projecten opstarten. 

Maar plotseling werd Bastien geveld door de griep.  Op 21 mei 1955 schreef hij in zijn dagboek: "Je suis diablement démodé jusque dans mes os, par cette grippe que couvre de son nom toutes les épidémies qui passent sur le genre humain.  Rester chez soi, jusque ce sera fini."[25]  Hij zou deze dagboekpassage nooit meer kunnen vervolledigen[26], want daarna werd hij met spoed in het ziekenhuis in Ukkel opgenomen, waar hij nog bezoek kreeg van koningin Elisabeth.  Hij gaf er zijn geest op 7 juni 1955 na meer dan een halve eeuw artiestenleven.  Hij werd begraven op het kerkhof van Oudergem, bedolven onder de bloemen.[27]  Johnnie kreeg vele steunbetuigenissen, zoals deze: "Je suis désolé d’apprendre le décès de votre cher ami.  Je garderai de lui le souvenir d’un grand ami et d’un artiste de très grand talent."[28]  Ook na zijn dood werd zijn herinnering levend gehouden: "Il y a un peu plus d’un an, la Belgique perdait un de ses peintres les plus fameux: Alfred Bastien.  Personnalité forte s’il en fut, le grand artiste, mêlait à sa haute culture, le sens d’une bonté toujours agissante qui lui créa un très grand nombre d’amis."[29] 

 

 

De eerste illustratie is een foto van het huisje van de familie Bastien op het domein van het Rood Klooster te Oudergem.  De tweede en de derde illustratie tonen schilderijen van Bastien van ditzelfde huisje.

 

BRON: MAES, Rouge-Cloître, p 74 (illustratie 1).

            DESEYNE, Alfred Bastien en het IJzerpanorama [Tent.cat.2001], p 12 (illustratie 2).

            GROSBOIS, Journal intime, p 230 (illustratie 3).

 

De wet op de auteursrechten maakt het ons onmogelijk om alle afbeeldingen bij deze thesis te tonen. Ook  hier ontbreekt er één of meerdere. Wie een volledige versie van deze scriptie wil kan die aanvragen via ethesis of via de auteur.

 

a. Bastien en zijn eigenzinnig karakter

 

Bastien was een man met een krachtige persoonlijkheid en dat straalde hij ook uit.  Hij had een kritische geest en was omgeven door een soort van romantische melancholie.  Vooral op het einde van zijn leven kwam dit naar voren: "Je me suis revenu avec la sensation que moi, je me suis peut-être replié un peu trop vers le passé.  Il est trop tard pour faire encore des pirouettes."[30]  Toch probeerde hij ook een vol te houden: "Tu as raison, j’ai cultivé ma bonne humeur. J’ai vu pour mon bonheur des peintres tristes: Baertsoen, Léveque, Delville.  J’ai réagi contre la vie même, qui vous fait parfois rêver de corde de pendre. J’en ai décroché, des pendus.  Ce n’est pas que j’ai tant de courage… mais céder est passif, presque lâche, peu viril."[31]  Hij leefde van zijn mooie herinneringen: "Il y a trop de choses que nous ne verrons plus jamais et que nous emporterons avec nous."[32]  Deze man had geen schrik om op de barricades te staan om zijn idealen ― vakmanschap en natuurgetrouwheid ― te verdedigen.  Hij was tevreden over het gevulde leven dat hij had gehad en stond elke dag om vier à vijf uur op om brieven te schrijven aan zijn vrienden.  Die waren dan ook heel belangrijk in zijn leven, maar het allerbelangrijkst waren zijn boeken en zijn schilderspalet.  Harde werker als hij was, bleef hij tot zijn 80e schilderijen produceren.  Bij zijn laatste tentoonstelling zei hij: "Mais oui, il y a encore des tableaux au bout de mes doigts!"[33]

Bastien kon mensen heel erg beledigen, maar dat stond allemaal in functie van zijn mentaliteit om te vechten voor datgene waarin hij geloofde.  In de tijd dat hij voorman was van de Sillon-beweging[34] werd hij beschouwd als een reactionair, een rebel.  Volgens hem stond het behoren tot een ‘isme’ gelijk aan vluchten in een woord, terwijl vakmanschap en schilderen het enige was dat telde.  Het werd bijna een schandaal, dat een toen nog onbekend iemand zich verzette tegen de gang van zaken.[35] 

Bastien moest steeds zijn mening kwijt kunnen en anderen konden ook op hem rekenen om hen te steunen in conflicten: "Tu sais que quand il soit y avoir un peu de bagarre, on peut toujours compter sur moi pour protester, un fière belge que je suis!"[36]  De jonge romantische Bastien raakte zijn weg kwijt in de twintigste eeuw en vluchtte daarom in het verleden, ‘zijn’ negentiende eeuw.  Deze romantische interesse vond men niet alleen in zijn kunst terug, maar kon men ook aflezen in zijn atelier, dat versierd was met vlaggen, tapijten en schilderijen.  Hij schreef in een brief aan Isidoor Opsomer[37]: "Je reste pour toi le vieux camarade romantique qui croit encore aux barricades, au drapeau de la Croix et à ce merveilleux morceau de centre de la Révolution de Wappers qui est au Musée de Bruxelles."[38] 

Bastien kon ook zichzelf bekritiseren: "Il en faut de la patience et de la bonté pour vivre à côté d’un mauvais garçon comme moi!"[39]  Hoewel hij zichzelf profileerde als ‘vechtend voor zijn idealen’, was hij toch eerder pacifistisch ingesteld.  Toch kon hij het niet laten zich te mengen in conflcten: "C’est tout cela qui me révolte et me fait crier. J’ai mal moi, et je ne suis pas au dessus de la mêler. Mon cœur est du peuple et je vais toujours au pire de la bagarre. C’est à tout que tu crois qu’on me peut pas séparer les chiens qui se battent. Moi je m’en mêle même si je suis mordu."[40]

 

 

 

Alfred Bastien in zijn romantisch ingericht atelier met op de achtergrond een aantal van zijn schilderijen.

 

BRON: DESEYNE, Alfred Bastien en het IJzerpanorama [Tent.cat.2001], p 26.

De wet op de auteursrechten maakt het ons onmogelijk om alle afbeeldingen bij deze thesis te tonen. Ook  hier ontbreekt er één of meerdere. Wie een volledige versie van deze scriptie wil kan die aanvragen via ethesis of via de auteur.

 

Bastien stond steeds klaar voor zijn leerlingen aan de Academie en was vaak de eerste om beginnend talent op weg te helpen.  Zo is er een anekdote die door zijn leerling Paul Delvaux verteld werd in diens boekje over Bastien: in 1924, toen Delvaux een klein werkje tentoonstelde bij Le Sillon, werd het schilderij tijdens de tentoonstelling voor 400 frank gekocht door een oudere dame.[41]  Een tijdje later bezocht Delvaux het atelier van Bastien en zag daar dat werkje hangen.  Bleek dat Bastien het had gekocht en in alle discretie het verhaal van dat oud vrouwtje verzonnen had.  Bastien gaf graag complimentjes weg: "Je suis jaloux à toi!  Dois-je ajouter que c’est en toute fraternité sportive?  Tu as mieux réussi que moi et je ne veux pas essayer d’en chercher les raisons… Tous mes compliments encore pour les admirables résultats gagnés."[42]

 

b. Bastien waagde zich eveneens aan de politiek

 

Bastien was niet alleen geïnteresseerd in kunst, maar ook in politiek, zoals blijkt uit zijn dagboeken, waarin hij vaak zijn visie op de politieke gebeurtenissen gaf.  Zo schreef hij over een tweede wereldconflict in zijn dagboek van 1930: "Hélas! Encore quelques années et ce sera de nouveau Bang-Bang et les maisons voleront en miettes et les pacifistes foutront le camp laissant la sale besogne aux ‘patriotes’ dont on se moque aujourd’hui."[43]  Hij voelde de Tweede Wereldoorlog naderen, toen hij in zijn dagboek van 1933 schreef: "J’ai commencé toute une série de tableaux, et j’ai bon espoir.  Bien que l’atmosphère du monde s’empoisonne de plus en plus dans tous les pays environnants.  Les boches deviennent redoutables.  On a réchauffé le serpent… il est prêt à mordre.  Et les affaires d’Autriche qui ont mis le feu aux poudres en 1914 sont en train de jouer le même jeu.  L’expulsion des juifs a réveillé la haine du boche par le monde entier et le socialisme, comprimé entre les patriotes et les communistes, ne sait plus sur quel pied danser.  Le pauvre monsieur Vandevelde, qui parle de boycotter l’Allemagne… On aura tout vu."[44] 

Bastien gaf scherpe kritiek op de massamoorden, op Hitler en Mussolini en de Duitse invasie: "On se demande alors pourquoi nos ouvriers vont en Allemagne, travailler???  Et on insiste dans leurs journaux qu’ils y vont en ‘volontaires’.  Eh eh… ça s’appelait la déportation, l’autre fois.  Mais on a changé les mots, simplement.  Aujourd’hui, on est ‘gentil’."[45]  Hij dacht voortdurend terug aan zijn ervaringen in de Eerste Wereldoorlog.  Hij kon heel cynisch worden over de oorlog, bijvoorbeeld toen hij in zijn dagboek schreef: "J’aurais travaillé toute une vie pour avoir droit selon Hitler à deux complets, deux pantalons de travail, six paires de bas, un caleçon? On viendra compter mes mouchoirs? Et les mètres cubes d’air que je respire? C’est tout ça cette Europe Nouvelle."[46]  In 1944 beschreef hij de toestand op deze manier: "La guerre est dans le ciel et il y a des morceaux pour tout le monde.  On en vient à cette égoïste prière: Bon Dieu, épargnez-moi."[47]

Bastiens anti-Duitse gevoelens kwamen meer dan eens aan de oppervlakte in zijn brieven, maar vaak werd het door hem subtiel verwoord: "Si monsieur Hitler me prête vie, je compte encore sur de riches journées d’automne d’une longue vie qui a débuté mieux qu’elle ne finit."[48]  Bastien bood in de oorlog hulp aan ondergedoken joden en ontwikkelde een steeds grotere haat voor de Duitsers.  Die afkeer van de Duitsers werd nog gevoed doordat een groot aantal vrienden van de schilder het leven hadden gelaten in de Tweede Wereldoorlog: "Les expositions de la guerre m’ont placé petit à petit au premier rang, par la fatalité des choses: les maîtres peintres sont morts: Laermans, Courtens, Delaunois, Emile Wauters,…, Wagemans, Cassiers, Firmin Baes, et d’autres.  En dix ans, c’est effrayant ce que je compte de morts autour de moi.  Pourquoi suis-je épargné et même mieux portant que jamais?"[49] 

Bastien pleitte ten allen tijde voor pacifisme.  Hij had zo een grote afkeer van oorlog, dat hij het helemaal niet heldhaftig vond van moeders om hun zonen op te offeren in een gevecht voor het vaderland.  Hij vertrouwde zijn dagboek toe: "Si le boche revient, je serais tué un des premiers, car mon ressentiment n’a pas changé.  Encore, si l’on pouvait mourir à mon âge en servant à quelque chose… Mais périr dans une cave, asphyxié, où est l’héroïsme?  Combien de mes camarades, que j’ai volontairement exaltés, sont morts du typhus, de la grippe, ou comme notre cuistot de Nieuport, qui est cent fois mort de peur avant d’avoir été touché par une balle perdue, pendant qu’il lavait ses chaussettes."[50]  Bastien vond dat vechten van niemand een held maakte en schreef: "J’ai vu les pauvres héros tomber autour de moi et pleurer pour leur maman."[51]  Maar niet enkel de belangrijke wereldconflicten interesseerden hem: hij velde ook over binnenlandse politieke veranderingen zijn oordeel.  Zo beschreef hij in zijn dagboeken de Koningskwestie, waarbij hij verklaarde dat het onnodig was om de koning terug te laten keren, als prins Karel (Bastiens vriend) zijn taak als regent foutloos uitvoerde.[52]

            Bastien heeft zelfs persoonlijk deelgenomen aan de Belgische politiek.  Hoewel hij opgevoed was in een liberale familie en zelf eerst liberale sympathieën koesterde, richtte hij zich na de Tweede Wereldoorlog meer en meer op het communisme.  Hij schreef in zijn dagboek: "Si mon papa savait que je suis obligé, pour entrer au Sénat, d’avoir son acte de naissance.  Lui qui était fils d’un bourgemestre… voir son fils élu parmi les ‘révolutionnaires’."[53]  Dit communistische succes kaderde enerzijds in de polarisatie die plaatsvond na die oorlog, maar anderzijds was het voor Bastien meer dan alleen stemmen voor de Communistische Partij.  Hij sloot zich namelijk bij de partij aan en was zeker niet de enige kunstenaar met communistische sympathieën, daar bijvoorbeeld ook René Magritte lid werd.  Hetzelfde fenomeen kon men trouwens waarnemen in Frankrijk, waar kunstenaars als Picasso en Paul Eluard gebruikt werden als uithangbord van de communistische partij om bewijs te leveren dat intellectuelen en kunstenaars er thuishoorden.[54] 

Er vond zelfs een tentoonstelling plaats, waarbij ‘De Vriendenkring der Kommunistische Kunstenaars’ werken tentoonstelde van al dan niet communistische schilders.  Het werkte als een soort propaganda voor het communisme, waarbij het samenbrengen van allerlei genres en stijlen (de tentoonstelling trok immers geen enkele school voor) gelijk stond aan een ideologie die goed was voor alle mensen.  Er werden werken getoond van Bastien, maar ook van Alechinsky, Ensor, Magritte, Picasso en anderen.[55] 

Bastien kwam bij de Communistische Partij terecht via de bibliothecaris van de Brusselse Academie.  Wanneer hij zich vlak na de Wereldoorlog lid maakte, werd er veel publiciteit rond gemaakt.  Het feit dat hij de partij vervoegde, kaderde vooral in zijn afkeer van het nazisme en van de Duitsers, wiens misdaden bij het volk nog vers in het geheugen lagen en door wiens toedoen het land in een grote chaos verkeerde.  Bastien schreef in zijn dagboek: "La justice est vraiment trop lente à venir. Il y a 16 mois que nous sommes libérés des boches et leurs complices courent encore et forment des‘maquis’ à leur façon et intriguent dans l’ombre."[56]  Het was vooral zijn wens voor vrede die hem uiteindelijk over de rode streep trok: "Adhérer au Drapeau Rouge? Et pourquoi pas? Nous assistons à l’effondrement de cette grande malice: l’ordre nouveau, à cette contrainte qui va jusqu’au four crématoire et la bombe atomique. Tout ce déploiement de forces funestes et toute le difficulté de rétablir la Paix, la pauvre simple paix."[57]  Tijdens de oorlog wilde Bastien niets liever dan vrede, maar telkens werd hij ontgoocheld toen er ergens een nieuwe strijd losbrak: "Ah, quel beau rêve j’ai fait! La paix avait littéralement et soudainement éclaté.  Et nul ne savait pourquoi, mais tout le monde était ravi.  Et l’on cessait de torpiller des navires.  Et les avions restaient au nid!  J’ai même serré la main à un boche qui était ravi de rentrer chez lui.  Il n’y aurait plus de frontières, plus de douanes, et plus de chicane.  Mais je me suis réveillé… et la triste réalité c’est qu’il faut planter des légumes au jardin, terminer les tableaux."[58] 

Bastien vroeg zich vaak af, wanneer hij nu uiteindelijk het woord vrede in zijn dagboek kon noteren: "Joli cahier neuf… Contiendras-tu les joyeuses lignes de la Liberté, de la Délivrance, de la Victoire?"[59]  De schilder was redelijk fatalistisch over de kwestie: "Quand je regarde une mappemonde, notre pauvre petite Belgique presque introuvable, que compte-t-elle pouvoir encore faire, dans ce fameux concert européen?  Il faut attendre, attendre, espérer.  En attendant, travailler fort, et c’est bien ce que j’ai fait."[60] 

Tijdens de oorlog zelf echter, geloofde Bastien nog niet zo sterk in de kracht van het communisme: "Qu’il me laisse dans ma douce erreur de vieillard qui croit en l’Ordre ancien."[61]  Maar die conservatieve gedachten, werden na vijf jaar onophoudelijke oorlog omgevormd in extreem-linkse ideeën.  Op 18 januari 1946 schreef hij in zijn dagboek: "J’ai accepté de figurer à côté du docteur Pierre Depage sur la liste des candidats communistes au Sénat de Belgique.  Cela va surprendre bien des gens.  Et je vois comme Johnnie s’en irrite.  Mais je veux encore, une dernière fois, chercher à aider mes compagnons de misère.  Si je me trompe, je le verrai bien."[62]  Hij verklaarde dat hij de politiek wou gebruiken om het lot van het volk te verbeteren: "Au fond, je refais mon geste de 1914, j’entre dans les rangs des pauvres bougres, avec cette différence que l’ennemi, c’était le boche exécré… Aujourd’hui, ce sont les coffres-forts de certains Belges que je méprise encore plus.  La guerre se termine en bussiness et sur le dos des artisans de la victoire.  Tout le reste ne me regarde pas, parce que les questions artistiques n’iront jamais jusqu’au Parlement."[63]

Het is opmerkelijk dat iemand die zo sterk geloofde in de kracht van de traditie, de rangen van de progressieve communisten vervoegde, maar Bastien wou een nieuwe wereld, zonder onrecht en haat en hij was bereid er zijn liberale idealen voor op te geven.  Hij legde het zelf echter niet altijd op die manier uit: "Toute ma vie j’ai voulu être un bon boy-scout en aidant à bien faire. Mon communisme n’était pas autre chose."[64]  Misschien is het zelfs overdreven om te spreken over het opgeven van liberale overtuigingen, daar Bastien eigenlijk als jongeman al afweek van het familiale stemgedrag, bijvoorbeeld door zijn sympathieën voor ‘Les Anarchistes d’Elisée Reclus’.[65]  Deze werden regelmatig door Bastien bezocht in de tijd dat hij in Gent studeerde.  Elisée Reclus was een communistische anarchist die in 1871 meehielp met de Parijse Commune door onder andere artikels te publiceren in de pers.[66]  Hij werd na twee weken van revolte tot deportatie veroordeeld.[67]  Reclus was een figuur die men zowel met het anarchisme als met het socialisme kon verbinden en daarom had hij ook heel wat aanhang van de linkse artistieke Belgen.[68] 

Bastien, als anti-bourgeois voelde zich thuis bij de anarchisten en is zeker nooit beschaamd geweest over deze periode van zijn leven: "On buvait sur l’apathie bourgeoise car le bourgeois était très près du charcutier."[69]  Hij was nog geen twintig jaar, toen hij revolteerde tegen de bourgeoisie die – in tegenstelling tot de schilder– geld wél meer dan een middel vond.  In deze tijd zat hij ook bij de Rodenbach’s vrienden[70], een Gentse studentenvereniging die het huidige Algemeen Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond vormt.  De vereniging groepeerde in eerste instantie Vlaamsgezinde katholieke studenten, maar werd al snel een culturele organisatie die algemeen vormende voordrachten gaf.[71]   Ook na de oorlog bleef Bastien trouw aan de linkse idealen van zijn jeugd.  Zo schreef hij in 1946 ― het jaar waarin hij opkwam voor de verkiezingen[72] ― in zijn dagboek: "Je suis contre et resterai contre ce que Gustave Flaubert a défini ‘Le Bourgeois’, celui qui pense bassement.  Il y a de bons bourgeois, de braves gens.  Mais il y a la terrible majorité compacte des inertes, des trembleurs qui ne sont que par les marches de la Bourse.  Je sais que dans mon pays ‘l’artiste’  est encore considéré comme un dévoyé, un bohème, Don Quichotte! Eh bien! Cela ne me décourage pas!"[73] 

Een bijkomende reden voor Bastien om de communistische rangen te vervoegen, was de situatie van de Belgische schilders en zijn eigen financiële situatie: hij verkocht op dat moment namelijk niet veel schilderijen meer en zo kan zijn lidmaatschap misschien ook gezien worden als een révolte tegen het bestaande politieke bestel.  Niet alleen Bastien stond er financieel slecht voor; andere kunstenaars ervoeren hetzelfde probleem: "Les sculpteurs sont à une diète terrible, pire encore que la nôtre."[74]        

Bastien werd dus uiteindelijk op de lijst van de verkiezingen gezet en in 1946 behaalde de KPB een enorme overwinning, maar ondanks dit alles was de ‘communistische triomf’ in Bastiens hart snel geminderd.  Hij schreef in een brief aan Van Zype: "Mon propriétaire me signifie congé de sa maison que j’occupe depuis vingt ans! Je trouve ma petite Johnnie toute radieuse.  Tu venais de téléphoner la surprenante nouvelle de mon élection et mon seul rival fut mon…propriétaire! J’ai presque envie de redevenir anarchiste – pour une petite danse du scalp – car en vérité c’est ma dernière Victoire, avec un grand V."[75]  Hij besefte dat hij allesbehalve een geëngageerd artiest was en wou het liefst van al zo snel mogelijk de politiek de rug toekeren.  In februari 1946 schreef hij in zijn dagboek: "Aujourd’hui, je puis dire que je suis par l’insistance de mes amis, égaré dans la politique.  En conscience, j’espère qu’on n’aura pas besoin de moi, et que je puisse retourner à mes chères études."[76] 

Bastien kwam tot de conclusie dat zijn hart bij het schilderen lag en hoewel hier twijfel over bestaat, besloot hij af te zien van zijn zetel in de Senaat.[77]  Het is zelfs zo dat men in de literatuur beweert dat Bastien effectief in de Senaat gezeteld heeft, terwijl hij eigenlijk gewoon opvolger was: "Je suis sénateur suppléant, mais trois de mes camarades sont passés d’emblée, mon ami Depage en tête!"[78]  Hij kon zich uiteindelijk niet vinden in het hele Senaatgebeuren: "Exactement la moitié des élus de février est là pour nuire, pour saboter, pour essayer de chasser l’autre moitié."[79]  Een jaar na zijn verkiezing had Bastien bijna geen contact meer met de partij.  In 1949 werd zijn "rood avontuurtje" beëindigd, wanneer hij zich, samen met vele andere intellectuelen, definitief terugtrok uit de KPB.[80]

 

 

2. Bastien ALS TRADITIONELE kunstenaar

 

a. Bastiens academische opleiding

 

Als men Bastien in een paar woorden zou moeten samenvatten, moet men zeker vermelden dat hij ongelofelijk veel belang hechtte aan een artistieke opleiding.  Hij genoot zelf een meer dan degelijke vorming en doordat hij leraar werd aan de Academie, zorgde hij ook voor een goede opleiding voor anderen.  Dat hij echt een goede schildertechniek bezat, bewijst het volgende: "On s’extasie sur ce que j’ai déjà brossé en un jour et on dispose la petite croûte pour que j’y travaille tout de suite.  Vrai caprice d’enfant.  On rit, on fait des boutades au sujet de ma main gauche."[81]  Het is namelijk zo dat Alfred Bastien tegelijkertijd met zijn linkse én zijn rechtse hand kon schilderen, wat op heel wat verrassende blikken van zijn collega’s stuitte.

Vanaf zijn 11 tot zijn 23 jaar bezocht Bastien regelmatig de Gentse Académie Royale des Beaux-Arts.  Overdag ging hij naar het Atheneum, waar hij humaniora volgde.  De rest van zijn dagen vulde hij met schilderen en lezen, waardoor hij een zeer geleerd man werd.  Bastien was het type dat ’s morgens wat vroeger opstond om te lezen: "J’ai dormi tard, jusqu’à cinq heures.  C’est beaucoup pour moi."[82]  Aan de Académie kreeg hij les van Jean Delvin, een dierenschilder. In Gent ontmoette hij eveneens Jules De Bruycker[83] en Albert Baertsoen[84], die beiden een voorbeeldfunctie zouden krijgen in zijn leven. 

 

Op 15 november 1891 schreef Bastien zich in op de Académie in Brussel, waar hij ― als één van de laatste in het rijtje van velen ― bij de zeer geprezen Jean Portaels terecht kwam.[85]  Hij volgde er onder meer ‘Tekenen naar de antieken’ en ‘Sierkunsten’.[86]  Hij keek erg op naar Portaels: "Il était sévère et difficile, mais longanime et bon; car nous n’étions guère facile à conduire en 1892, à cette époque où passait sur le monde un souffle de révolte."[87] Zijn meester, die gezien wordt als de vader van het Belgische oriëntalisme, vertelde hem over de reizen die hij allemaal ondernomen had en de kunstenaars die hij ontmoette.  Dat alles fascineerde zijn leerling enorm.  Bastien, die ondertussen al beloond was met een aantal prijzen, zou later door én op kosten van Portaels naar Parijs gestuurd worden, waar hij in het Louvre zijn grootste voorbeelden zou kopiëren.  Portaels werd later ook leermeester van Emile Wauters[88], die zich – net zoals Bastien – toelegde op de panoramaschilderkunst.[89]

Door zijn opleiding aan de Academie, kwam Bastien meer te weten over het reilen en zeilen van het kunstenaarswereldje.  Hij leerde er ook over de werking van de salons en dergelijke: "Ces sociétés Royales comptaient à leur tête de notables mécènes qui avaient de larges moyens, étaient les amis des artistes et collectionneurs pour la plupart.  Les musées s’enrichissaient de la sélection d’œuvres acquises qui constituaient pour les artistes les honneurs et les moyens d’existence.  Chaque ville avait ses maîtres préférés et c’était déjà un honneur pour un jeune d’être admis au Salon."[90]

 

b. Bastiens liefde voor andere culturen

 

Bastien was een fervent reiziger en hij gebruikte het reizen ook om zijn kennis van de wereld en de mensen aan te scherpen en om nieuwe inspiratie op te doen.  Het prijzengeld dat hij met zijn kunstwerken verkreeg, werd vaak in reizen geïnvesteerd.  Zijn vriend Frans Smeers[91] vertelde: "Bastien était capable de décider de partir en deux minutes."[92]  Hij doorkruiste de wereld en alles wat hij daarvoor nodig had, was zijn schilderspalet.  Hij schreef in een brief aan Opsomer: "Armé de mon carnet de croquis, je ne m’ennuie jamais. Je dessine même dans les trains."[93]  Hij improviseerde ter plaatse een atelier of tekende alles op in zijn zakboekje.  Bastien schetste landschappen in vijf minuten en dat gaf hem dan inspiratie voor tien schilderijen: "Ma main dessine sans que j’y pense."[94]  Hij schreef aan de zuster van de schilder Willy Slobach: "Je lis assez bien dans les étoiles ayant passé une belle part de ma vie avec les marins, les Arabes, les Chinois et les projecteurs de génies aux tranchées.  Mais pour cela, il faut avoir d’abord les étoiles, des nuits claires et du temps."[95] Wanneer hij uiteindelijk niet meer bij machte was om te reizen, vond hij dat vanzelfsprekend heel erg: "On m’a mis au bac, comme un voleur et les passeports et les pesetas peuvent attendre…"[96], schreef hij in een brief aan één van zijn leerlingen.

Bastiens eerste reis bracht hem naar Frankrijk, waar hij Parijs en Bourgondië bezocht.  Hij was in Parijs geraakt dankzij zijn leermeester Portaels en ook bevriende schilders als Maurice Wagemans[97], Frans Smeers en Maurice Blieck[98] waren van de partij.  Zij stelden er hun werken tentoon in het Salon de la Société Nationale.  Bastien trok naar het Louvre om er Rembrandt ("le bon Dieu de la peinture"[99]), Rubens en Velasquez te kopiëren.  De pointillisten zeiden hem niet zo veel, want zijn aandacht ging vooral uit naar Géricault, Constable en Ingres.  Zijn absolute favorieten echter, waren ― en zouden dat altijd zijn ― de realist Gustave Courbet en de romanticus Eugène Delacroix.  Na zijn avonturen in het Louvre trok hij verder naar Bourgondië, waar hij door een mecenas gevraagd werd het kasteel van Lantenay te restaureren.[100]  Hij leefde er als een god in Frankrijk, daar hij zich niet om materiaal en financiën moest bekommeren en zich naar hartelust kon uitleven in zijn schilderkunst.

Na Frankrijk was het de beurt aan Spanje, waar Bastien in 1903 met zijn vriend Wagemans verbleef.  Hij spendeerde er uren in het Prado in Madrid om de grote Spaanse meesters te kopiëren en bezocht er Toledo, Salamanca en Sevilla.  Ook Engeland ― waar de ouders van Johnnie woonden[101] ― en Italië bleven niet van zijn reishonger gespaard.  Over Engeland schreef hij: "Tout le monde là bas a des voitures sur les routes idéales.  Dans des paysages purs où l’homme respecte les arbres… C’est souvent trop grand, trop vaste à la manière de Turner ou de Constable… Et même sous la pluie, c’est encore très beau."[102]

In 1905 ontmoette Bastien Pierre de Crawhez, een avonturier die reizen organiseerde in de Sahara.  Samen trokken ze naar Algerije, waar ze verbleven in Bou Saâda, een idyllische oase te midden van de woestijn.[103]  Bastien noemde de plaats "la perle du Désert".[104]  Ook Wagemans, zijn trouwe compagnon, kwam hen vervoegen.  Bastien schilderde er zonovergoten taferelen met het warme kleurenpalet waarvoor hij bekend stond.  De vreemde Arabische gewoonten gaven hem veel inspiratie voor latere schilderijen.  In zijn brieven schreef hij over zijn belevenissen in Algerije en in de oase van Bou Saâda: "Moi, pauvre Belgicien sans protection, j’aspirais au bout du chemin comme un pèlerin vers la Mesque! Il n’y comprenait rien, tout en fumant mes cigarettes et me prenait pour une tourte."[105] 

Uit zijn briefwisseling blijkt dat Bastien eveneens in Algerije verbleef in 1907.  Hij beleefde er, naast leuke avonturen, ook minder prettige momenten: "Il y a presque deux mois que je suis en panne à Algers, où nous avons commencé par être bien malades tous les deux, après avoir été joliment volés. Ça nous apprendre à avoir des malles et des costumes de rechange comme de sales bourgeois!"[106]  Hij kreeg af en toe ook te kampen met eenzaamheid, zoals blijkt uit de brieven die hij schreef aan Georges Giroux.  "Depuis une semaine je suis ici, et j’ai ta lettre depuis hier.  C’est depuis que je suis en Afrique la seule page d’amitié que j’ai reçue.  Je ne sais pas si tu sais combien d’amis j’ai eu… et si tu sais pourquoi j’en ai plus!  C’est à mourir de rire quand je pense à tout cela!"[107]  Hij hield van de mentaliteit van de Algerijnen: "Quand je suis là, bien seul de ma race, parmi des hommes farouches et jaloux… Oui, c’est délicieux de vivre parmi eux et je les vois capable de toutes les aptitudes humaines et si vierges de toute la perversion morale dont nous sommes aimantes chez nous!  Ils sont chevaleresques, fier, prêt à tout exploit qui leur vaut quelque gloire d’aventure, de sang froid, d’ardeur."[108]

Eén van de belangrijkste reizen die Bastien maakte, was die naar Congo in 1911.  De schilder werd er naartoe gezonden door minister Renkin om er etnografische studies voor een panorama te maken in het kader van de wereldtentoonstelling in Gent in 1913.[109]  Hij werd hiervoor bijgestaan door schilder Paul Mathieu[110].  Ze brachten hun tijd daar door met het maken van schetsen en tekeningen van de Belgische kolonie. 

Na zijn reizen naar Egypte, India, China en Japan had het Oosten geen geheimen meer voor Bastien, dus werd het tijd om het Westen te bezoeken.  Bastien reisde naar Honolulu, vanwaar hij inscheepte richting Amerika.  Hij genoot er vooral van de mooie natuur, zoals die van de Niagara-watervallen.  Hij trok verder naar Canada, maar zijn reislust werd gestopt toen in 1914 de Grote Oorlog uitbrak.  Hij keerde terug naar België, waar hij zich zou inzetten om zijn vaderland te verdedigen.  Maar zowel de reizen als de oorlog zouden een blijvende invloed uitoefenen op zijn leven en zijn schilderwerk: "Des souvenirs de la guerre aussi – lamentables – mais j’éspère que j’aurai réussi à mettre dans chacune de ces toiles ma sensibilité amusée et grave tour à tour, mon amour de la Nature et de mon pays."[111]

 

c. Bastiens kunststijl en zijn inspiratoren

 

Bastiens stijl is moeilijk onder één noemer te brengen.  Hij wordt vaak beschreven als een nakomer van de romantici, maar zijn stijl wordt evengoed gematigd realistisch, discreet luministisch en postimpressionistisch genoemd.  ‘Postimpressionistisch’ is eigenlijk een zeer slechte benaming, daar Bastien absoluut tegen elke vorm van modern ‘isme’ was en hij zich helemaal niet kon vinden in het pointillistische aspect van het impressionisme.  Zo was Bastien bijvoorbeeld de bezieler van de reactie tegen het ‘impressionisme dissolvant’.[112]  Men kan hem inderdaad een nakomer van de romantici noemen door zijn voorliefde voor de natuur (zoals dat te zien is in de taferelen die hij schilderde in het Zoniënwoud en aan het Rood Klooster) en door zijn bewondering voor de oude meesters.  Hij schreef in een brief aan Gustave Van Zype: "Nous sommes de ceux qui attachent une sorte de fétichisme à des vieilles choses."[113]  Maar hij koesterde eveneens de idealen van het realisme: "Il faut, non pas, photograpier les huîtres, mais provoquer chez le spectateur le désir de courir s’en acheter une douzaine!"[114] Hij schilderde wat hij zag: "Je vois le forêt comme un loup la regarde, je regarde l’eau comme le cygne qui voit tout. Je peins les fruits comme un enfant gourmand qui les adore. Je peins un ami avec simplement d’amitié, maman avec toute ma tendresse.  Il n’y a rien de sublime en tout cela.”[115] 

Daarenboven wordt Bastien ook vaak luministisch genoemd.  De term luminisme gebruikt men vooral voor de Belgische stroming die de invloed van de Franse impressionisten, het divisionisme van Seurat en het Belgische realisme samenbrengt.[116]  De luministen toonden vooral interesse in de helderste stralen van het licht.  Delvin, Bastiens eerste leermeester, was een spilfiguur van het luminisme.  Hoewel Bastien dus tegen het pointillistische impressionisme was, kan men paradoxaal genoeg toch enige invloed van die stroming in zijn werk ontwaren, omdat hij de werking van licht en kleuren heel belangrijk vond.  Het is dan ook in zekere zin logisch dat men hem bij het luminisme situeert door zijn interesse in het licht, maar tegelijkertijd is het ook merkwaardig, omdat dit luminisme zo nauw samenhangt met de moderne kunst van het impressionisme.  Bastien werd dus wel beïnvloed door het luminisme, maar zou het nooit zo ver laten komen dat het licht heel zijn schilderij bepaalde. 

Bastien kan dus het best een eclecticus genoemd worden, door zijn combinatie van romantisch realisme en luminisme.  Bovendien klasseert men hem eveneens bij de oriëntalisten, zoals ook Delacroix, omdat hij veel Oosterse taferelen schilderde.  Bastien heeft inderdaad heel wat oriëntalistische werken op zijn palmares, door zijn reizen naar het Oosten, maar hij was zeker geen oriëntalist in hart en nieren, daar het slechts één periode van zijn leven omvatte.  Zijn oriëntalistische werken werden desalniettemin zeer goed bevonden, zodat er in 1999 een tentoonstelling werd georganiseerd met werken van Etienne Dinet[117] en Alfred Bastien met de titel ‘Couleurs Orient’.  Beide oriëntalisten bezochten de oase van Bou Saâda in Algerije, wat ook te zien was in hun schilderijen.[118]  De komst van de Eerste Wereldoorlog deed het oriëntalisme echter grotendeels verdwijnen en bracht op zijn beurt een koloniale, imperialistische schilderkunst voort, waarin Bastien eveneens zijn gading vond.[119]  Het is dus moeilijk Bastien in één vakje te stoppen en dat vond hij zelf ook: "En science exacte, en pharmacie, deux et deux font quatre, mais en peinture?"[120]  

 

 

Deze illustraties tonen werken uit de oriëntaalse periode van Bastien.  Het eerste is het schilderij ‘Fantasia’, dat door Bastien tentoongesteld werd op de Britse tentoonstelling ‘Belgian art in exile’, in 1916.  Het tweede werk heet ‘La marché aux tapis de Bou Saâda’.  Het toont de Algerijnse oase, waar Bastien een poosje verbleef.  Het derde schilderij is getiteld ‘Le soir chez les danseuses Ouled Naïl’ en het werd door L’Art moderne "un retour inquiétant au romantisme suranné" genoemd.

 

BRON: Belgian art in exile. [Tent.cat.1916] (illustratie 1).

ENGEN, Couleurs Orient [Tent.cat.1999] (illustratie 2 en 3).

 

Deze illustraties tonen de jonge Bastien.  De tweede illustratie is een zelfportret van de schilder. 

 

BRON: KMSK, Catalogi: foto Bastien (illustratie 1).

            GROSBOIS, Journal intime, p 225 (illustratie 2).

De wet op de auteursrechten maakt het ons onmogelijk om alle afbeeldingen bij deze thesis te tonen. Ook  hier ontbreekt er één of meerdere. Wie een volledige versie van deze scriptie wil kan die aanvragen via ethesis of via de auteur.

 

Bastiens grootste voorbeelden waren dus vooral romantici zoals Delacroix en realisten zoals Courbet, maar daarnaast genoten ook Rubens en Rembrandt zijn aandacht.  Over Rubens schreef hij in een brief: "Ah! Cher grand Pierre-Paul! Si tu pouvais redescendre de l’Olympe un beau jour – pour bien rire de toutes les bêtises qu’on championnesur ton compte."[121]  Hun invloed merk je sterk in Bastiens schilderijen en bovendien kon hij hele bladzijden uit Delacroix’ boeken citeren: "Il n’est pas une ligne de Delacroix, de Fromentin, Baudelaire et Verlaine…que je n’ai lue. Tous ne sont pas aussi chics qu’Eugène Delacroix dont je me sens fait un Dieu."[122]  Het ging zelfs zo ver dat hij ging helpen als misdienaar, omdat hij dan de doeken van zijn grote voorbeeld kon bewonderen.[123]  Hij schreef: "Delacroix! Aura-t-il obsédé ma vie, mes rêves, mon ambition de l’approcher, mon regret de n’avoir pu être son compagnon. Ah! Comme j’aurais travaillé pour lui, avec lui. Il n’y a rien que je n’aime de lui, tant de ses idées, de sa palette, de sa plume, de son burin, quel lion il était."[124]  Maar ook Courbet was een groot voorbeeld voor Bastien: "Toi tu sais que j’étais parti pour mieux quand le gamin de vingt ans se donnait des allures de jeune Courbet… ‘L’homme à la ceinture de cuir’ du Louvre que j’ai copié à vingt ans!"[125]  Hij maakt hier allusie op een zelfportret dat Bastien liet maken in zijn jeugd en waarop hij juist dezelfde houding en haardracht vertoont als zijn "idool" Courbet.

 

 

De eerste illustratie toont Bastien, die dezelfde houding aanneemt als Courbet in diens zelfportret, dat daaronder afgebeeld staat.

 

BRON: DESEYNE, Alfred Bastien en het IJzerpanorama [Tent.cat.2001], p 35 (illustratie 1).

Collections, 1996 (http://www.musee-orsay.fr) (illustratie 2).

 

Wat Bastien ook schilderde, hij drukte er telkens zijn persoonlijke stempel op.  Hij haalde vaak inspiratie bij zijn reizen en zijn ervaringen in de oorlog.  Hij schilderde veel oorlogstaferelen[126], maar gebruikte daarnaast zijn penseel ook voor stillevens, landschappen, bosgezichten, marines en portretten.  Het liefst schilderde hij het sous-bois met zijn weelderig kreupelhout in de herfsttijd, omdat op die manier zijn warme kleurenschakeringen naar voren kwamen.[127] 

Hoewel Bastiens doeken overal gesmaakt werden, werd hem ook vaak gezegd dat hij te weinig emoties legde in zijn grote doeken.  Hij kon zijn talent blijkbaar vooral laten spreken via zijn kleinere schilderijen, hoewel men hier natuurlijk  zijn panorama’s buiten beschouwing moet laten.  Zijn schilderkunst was materialistisch en sober, omdat hij de objecten schilderde zoals ze waren, maar men verweet hem dat hij dat deed zonder een greintje verbeelding en dat er té weinig emotie of poëzie in zijn werken zat.[128]  Bastien streefde er wel naar om zijn werken te bezielen: "Moi, j’ai limité le champ de mes explorations dans le domaine du visible et c’est déjà bigrement difficile. Le temps dira si je suis parvenu à y mettre un peu de mon âme comme un Chardin[129], un Fantin[130], un De Braeckeleer[131] Mon ambition n’a jamais plâné plus haut."[132]  Hij was een kunstenaar die alle genres de baas kon en zich zelfs af en toe waagde aan het beeldhouwen, maar zich het liefst toelegde op het natuurgetrouw schilderen van stille taferelen.[133] 

            In alles wat Bastien schilderde, probeerde hij het mooie te ontdekken en men zal dus van hem zeker geen choquerende taferelen te zien krijgen: "D’une brosse vibrante de passion, mais avec une science ― et un conscience ― technique exemplaire, il arrivait au bout de toutes les tâches.  Cherchant la beauté plus que le style et l’originalité, mais accordant son émotion à la nature et à l’humain, avant de la soumettre à la convention de la mode."[134]

De opstandige Bastien was heel fel in zijn strijd tegen de moderne kunst.  Hij was tegen de kunstenaars van de Ecole de Paris, die naar zijn mening geen enkel vakmanschap vertoonden.  Enkel Picasso kon volgens hem schilderen, maar was dat zelf al lang vergeten: "Picasso, cet Espagnol qui savait peindre, mais qui a préféré devenir cuisinier en trigonométrie de cauchemars."[135]  "Toute peinture, tout en bloc est malade, et je ne vois pas, ce qu’on va sortir de cette révolution, où Van Gogh et Cézanne, deux fous sont les phares de jeunesse."[136] Bastien misprees de "generatie van de kleinste inspanning en van de spontane aanleg"[137], bij wie de opleiding niet meer op de eerste plaats kwam.  Hij was er trots op dat hij wél kon schilderen, hoewel hij door de conservators van de Brusselse musea genegeerd werd[138] en weinig mensen zijn kunst nog apprecieerden: "On range mon énorme travail parmi les basses oeuvres ‘militaires’, ‘impérialistes’ et autres lourdes, sans d’ailleurs l’avoir vu, un tas de ces ‘pures’ qui ne peignent plus que des natures-mortes ‘à la Cézanne’ m’excommunicent de l’art."[139] 

Bastien beschuldigde de avant-garde schilders "d’avoir brûler le Louvre".[140]