Het Barcelona Proces: een studie van de aanpak van het terrorisme voor en na 11 september 2001. (Charlotte Gilson)

 

home lijst scripties inhoud  

 

“… Mille choses à la fois. Non pas un paysage, mais d’innombrables paysages. Non pas une mer, mais une succession de mers. Non pas une civilization, mais plusieurs civilizations superposées… La Méditerranée est un carrefour antique. Depuis des millénaires, tout conflue vers cette mer, bouleversant et enrichissant son histoire…”

- Ferdinand Braudel -

(PRODI, 2002, p. 1).

 

Inleiding

 

2005 was ‘The Year of the Mediterranean’ omdat in dat jaar de tiende verjaardag van het Barcelona proces werd gevierd. Dit verjaardagsjaar werd afgesloten met een Euro-Mediterrane Ministeriële Conferentie te Barcelona in december waaraan er toch wel wat media-aandacht werd gegeven. Ondanks deze media-aandacht in 2005 was de meest gehoorde vraag van mensen aan wie ik mijn scriptietitel vertelde ‘Wat is het Barcelona Proces?’. Zelfs het Euro-Mediterraan Partnerschap deed geen belletje rinkelen. Deze reactie toont aan hoe gekend of juist ongekend het Barcelona Proces wel is.

Een van de beste metaforen over het Barcelona Proces, met betrekking tot zijn bekendheid en werking, is neergeschreven door Christian Leffler, directeur van de ‘Middle East and South Mediterranean DG external Relations’ binnen de Europese Commissie:

 

“It is not a sprinter, but rather a middle-distance runner; neither is it a rolls royce but rather a dependable family car. Sometimes that car might stall, or even break down but it will continue to move forward.” (LEFFLER, 2005, p. 63).

 

Deze vergelijking is deels een verklaring voor de onwetendheid met betrekking tot het Barcelona Proces, een supersnelle bolide wordt makkelijker vlugger onthouden dan een gewone familiewagen.

 

Het specifiek onderzoek in mijn scriptie gaat over de aanpak van het terrorisme binnen het Barcelona Proces. Is er wel een aanpak van terrorisme en is deze aanpak veranderd als gevolg van de terroristische aanslagen te New York op 11 september 2001?

De aanslagen van 11 september 2001 hebben verschrikkelijk veel gevolgen veroorzaakt in de internationale politiek. Nadien volgden er aanslagen in Casablanca, Madrid, Londen, Sharm al-Sheikh, en Istanbul, dus zowel de Europese Unie en de mediterrane partnerlanden zijn een doelwit geweest van het internationale terrorisme (REINARES, 2006, p. 2). Er ontstond een internationale coalitie in de strijd tegen het terrorisme, maar hebben deze aanslagen ook zoveel effect gehad op de relatie tussen de Europese Unie en de partnerlanden uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten wat betreft de samenwerking in de strijd tegen het terrorisme?

 

De basistheorie voor dit onderzoek om de aanpak van het terrorisme binnen het Barcelona Proces te analyseren is het constructivisme. Het eerste hoofdstuk behandelt dan ook deze theorie. Hoe het constructivisme is ontstaan, wat de belangrijkste kenmerken zijn van het constructivisme, hoe het constructivisme veiligheid, terrorisme en het Barcelona Proces analyseert; dit zijn allemaal elementen die aan bod komen in dit hoofdstuk. Het is noodzakelijk om eerst het theoretische kader te schetsen zodat de andere hoofdstukken van deze scriptie in dit kader kunnen worden geplaatst.

 

Het tweede hoofdstuk analyseert één van de centrale elementen van deze scriptie, namelijk het Barcelona Proces zelf. In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt het ontstaan van het Barcelona Proces besproken. Deze ontstaansgeschiedenis behandelt ook de pogingen van de Europese Unie die zijn ondernomen voor het ontstaan van het Barcelona Proces om een om een soort van politiek te voeren met de landen uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Het tweede deel van dit hoofdstuk bespreekt op welke manier het Barcelona Proces werkt en welke instellingen helpen bij de werking van het Barcelona Proces.

Het is namelijk niet mogelijk om de aanpak van terrorisme binnen het Barcelona Proces te analyseren als je niet weet hoe het Barcelona Proces zelf in elkaar zit.

 

Vooraleer de aanpak van terrorisme binnen het Barcelona Proces wordt geanalyseerd is het noodzakelijk om te weten welke veiligheidsvisie het Barcelona Proces hanteert om uitdagingen voor deze veiligheid te bestrijden. Doordat de veiligheidsvisie van het Barcelona Proces sterk afhankelijk is van de veiligheidsvisie van de Europese Unie wordt eerst de veiligheidsvisie van de Europese Unie behandeld. Voordat beide veiligheidsvisies kunnen worden geanalyseerd wordt de veiligheidssituatie na de Koude Oorlog gereconstrueerd. Het einde van de Koude Oorlog heeft zo veel invloed gehad op de veiligheidsvisie van vandaag dat het noodzakelijk is om de veiligheidssituatie na de Koude Oorlog te schetsen.

 

Via de analyse die in de vorige drie hoofdstukken (het constructivisme, het Barcelona Proces, de veiligheidsvisie binnen het Barcelona Proces) is gebeurd, is het perfecte kader geschapen om de aanpak van terrorism in het Barcelona Proces te onderzoeken. Omdat het de bedoeling is dat er een analyse wordt gemaakt van de situatie voor 11 september 2001 en de situatie na 11 september 2001 wordt het eerste deel van dit hoofdstuk gewijd aan de aanpak van terrorisme binnen het Barcelona Proces voor 11 september 2001 en het tweede onderdeel aan de aanpak van terrorism binnen het Barcelona Proces na 11 september 2001. De manier waarop de analyse van de aanpak van het terrorisme binnen het Barcelona Proces gebeurt, is gelijk voor de twee onderdelen, namelijk een analyse van het politieke en veiligheidsluik, van het economische en financiële luik en van het sociaal-culturele luik van het Barcelona Proces. Via deze analyse is het gemakkelijker om de verschillen te zien tussen de aanpak van het terrorisme voor 11 september 2001 en de aanpak van het terrorisme na 11 september 2001 binnen het Barcelona Proces. Het idee voor deze manier van analyseren komt van Gijs De Vries, die de drie doelstellingen van het Barcelona Proces zag als het perfecte kader in de strijd tegen het terrorisme (DE VRIES, 2005, p. 1).

Er is één belangrijk verschil, in het tweede onderdeel over de aanpak van het terrorisme binnen het Barcelona Proces na de aanslagen van 11 september 2001, wordt er ook uitgelegd waarom migratie geen onderdeel zou mogen vormen van de aanpak van terrorisme en van veiligheid in het algemeen. Dit onderdeel legt dus uit waarom migratie niet wordt behandeld in deze scriptie als een onderdeel van de aanpak van terrorisme binnen het Barcelona Proces.

 

Het vijfde hoofdstuk tenslotte gaat over het European Neighbourhood Policy. Dit beleid is ontstaan in 2003 en is eigenlijk geen onderdeel van het Barcelona Proces, maar het European Neighbourhood Policy heeft wel als doel het Barcelona Proces aan te vullen (MALMVIG, 2004, p. 21 & MOSCHELLA, p. 4). Het European Neighbourhood Policy kan het Barcelona Proces dus helpen bij zijn aanpak van terrorisme. Om deze reden vond ik het noodzakelijk om dit hoofdstuk bij deze scriptie te betrekken. Dit hoofdstuk behandelt dus het European Neighbourhood Policy, zijn werking en op welke vlakken dit beleid het Barcelona proces aanvult.

Deze vijf hoofdstukken vormen dus het onderzoek over de aanpak van terrorisme binnen het Barcelona Proces voor en na 11 september 2001.

 

 

1. Het constructivisme

 

1.1. Inleiding

 

Vooraleer er een analyse gemaakt kan worden over de aanpak van terrorisme in het Barcelona Proces is het noodzakelijk om eerst een theoretisch kader te schetsen. De theorie die ik zal gebruiken in mijn scriptie is het constructivisme. Dit hoofdstuk behandelt het constructivisme op zich en verklaart vervolgens veiligheid, terrorisme en het Barcelona proces volgens het constructivisme.

 

 

1.2. Het constructivisme: algemeen

 

De eerste maal dat het constructivisme als theorie werd vermeld, was in het werk van Nicholas Onuf, ‘World of Our Making’, in 1989 (RUGGIE, 1998, p. 28). Het einde van de Koude Oorlog was namelijk een gouden kans voor nieuwe kritische theorieën omdat de traditionele theorieën, zoals het realisme, hadden gefaald om deze omwenteling in de internationale politiek te voorspellen en te verklaren (PRICE & REUS SMIT, 1998, p. 265). In het verdere verloop van de jaren ’90 werd het constructivisme de rijzende ster in het spectrum van de theorieën met betrekking tot Internationale Relaties (FINEMORE & SIKKINK, 2001, p. 391).

De plaats die het constructivisme krijgt tussen de traditionele theorieën, is moeilijk te bepalen. Sommigen zien het constructivisme als de absolute tegenpool van neorealisme, anderen beschouwen het constructivisme als een soort brug tussen het neorealisme en het neoliberalisme (ZEHFUSS, 2002, p. 3-5).

 

Het constructivisme noemt ‘het constructivisme’ omdat deze constructivistische theoretici de wereld bekijken als een sociale constructie van de wereldpolitiek (PRICE & REUS SMIT, 1998, p. 266).

De definitie van het constructivisme is echter niet zo eenduidig als de oorsprong van zijn naam. Dit komt voornamelijk omdat het constructivisme is onderverdeeld in verschillende onderliggende stromingen (ZEHFUSS, 2002, p. 6). Sommigen definiëren het constructivisme als een verzamelnaam voor de verschillende stromingen, terwijl anderen één algemene definitie geven voor het constructivisme. Zo definieert Adler het constructivisme als

 

“The view that the manner in which the material world shapes and is shaped by human action and interaction depends on dynamic normative and epistemic interpretations of the world” (ZEHFUSS, 2002, p. 7).

 

Om duidelijk te maken hoe verschillend het constructivisme benaderd kan worden, schets ik kort het werk van Onuf, Wendt en Kratochwil.

Onuf heeft in zijn werk ‘World of Our Making’ voornamelijk de grens bestudeerd tussen internationale relaties en het internationale recht (Zehfuss, 2002, p. 19). Het basiselement voor Onuf is dat mensen sociale wezens zijn en dat deze wezens menselijk worden door sociale relaties.

Een tweede belangrijk element in Onufs werk zijn regels op zich, want deze leiden het menselijke gedrag waardoor de mens de materiële wereld vormt tot zijn eigen sociale realiteit. Hieruit volgt dat er geen één echte waarheid bestaat (Zehfuss, 2002, pp. 20-21).

Het constructivisme volgens Wendt, dat beschreven staat in ‘Anarchy is what the states make of it’, is gebaseerd op de evolutie van identiteit en belangen (Zehfuss, 2002, p. 12). Wendt heeft als belangrijkste stelling dat identiteit niet zomaar ontstaat maar dat identiteit wordt gevormd. Intersubjectiviteit speelt hierbij een belangrijke rol, want via deze vorming van een identiteit bepaalt deze het handelen van personen ten opzichte van objecten en andere personen (Zehfuss, 2002, pp. 12-14).

Op deze manier wordt de internationale politiek gevormd en de enige manier om een andere politiek te volgen, is het veranderen van de identiteiten (Zehfuss, 2002, p. 14).

Een derde constructivistische benadering die steunt op regels en normen is afkomstig van Kratochwil. Regels en normen zijn volgens deze constructivist de elementen die het menselijk handelen bepalen (Zehfuss, 2002, p. 15). Politieke interactie als voorbeeld van menselijke handelen kan alleen als de verschillende actoren voor een groot deel dezelfde opvattingen hebben. Er is dus een intersubjectieve gedeelde context nodig vooraleer een handeling van enige betekenis kan zijn (Zehfuss, 2002, p. 16). Bij de vorming van deze context spelen de basiselementen van Kratochwils theorie, regels en normen, een belangrijke rol want deze bepalen of een politieke actie ook een betekenis heeft (Zehfuss, 2002, p. 19).

 

Ondanks het gebrek aan een algemeen aanvaarde definitie van het constructivisme zijn er wel een aantal kenmerken die bij de meeste constructivisten terugkomen namelijk, de rol van ideeën, identiteit en het verschil tussen materiële en sociale structuren. Deze drie kenmerken worden hieronder verder besproken en toegepast op de internationale politiek.

 

Dat ideeën een belangrijke rol spelen in het constructivisme is duidelijk omdat deze theoretici vinden dat het internationale politieke leven gevormd wordt door het debatteren over verschillende ideeën. Zo geloven verschillende constructivisten in het ‘Dorothy-principe’, wat wil zeggen dat als je met je ogen toe iets wenst dan kan je de realiteit veranderen zoals Dorothy dat deed in het Land van Oz (RUGGIE, 1998, p. 3). Macht is deels afhankelijk van ideeën want de groep die andere groepen kan overtuigen om zijn ideeën over te nemen, heeft de macht in handen (SNYDER, 2004, p.59). De belangrijke rol die is weggelegd voor ideeën vindt men reeds terug in het werk van Durkheim en Weber. Deze hebben dan ook een belangrijke invloed gehad op de ontwikkeling van het constructivisme. Het werk van Durkheim heeft een grote invloed gehad op vele constructivisten omdat hij ideeën en overtuigingen centraal stelde (RUGGIE, 1998, p. 29). Weber heeft misschien nog een grotere invloed gehad op het constructivisme via zijn werk ‘Objectivity’ van 1949. Hierin schreef hij:

 

“We are cultural beings endowed with the capacity and the will to take a deliberate attitude towards the world and to lend it signifcance. Whatever this significance may be, it will lead us to judge certain phenomena of human existence in its light and to respond to them as being (positively or negatively) meaningful” (RUGGIE, 1998, p. 30).

 

Dit betekent dat ideeën bij Weber op instrumenteel én normatief vlak een belangrijke rol hebben.

Naast ideeën hebben identiteiten ook een belangrijke plaats in de constructivistische theorieën. Een identiteit is een weerspiegeling van jezelf via stabiele ideeën en verwachtingen. Hieruit volgt dat identiteiten belangrijk zijn voor de vorming van belangen en voor het definiëren van situaties (ZEHFUSS, 2001, p. 318). Het gedrag van individuen is dus afhankelijk van hun identiteit en hetzelfde geldt voor staten.

Als het gedrag van een staat A niet wordt aanvaard door staat B, is dit voornamelijk doordat het gedrag van de staat A niet past in de identiteit van de moderne, constitutionele staat B (BARNETT, 1996, p. 598).

 

Wendt maakt een onderscheid tussen twee soorten identiteiten in internationale relaties, type- & rolidentiteiten. Type-identiteiten bepalen de verschillende soorten staten, vb. dictaturen, democratieën, ... Ze bepalen de legitimiteit van de soort staten in het internationale systeem. Rolidentiteiten ontstaan door de betrekkingen tussen staten. Ze zijn afhankelijk van hoe een staat zich positioneert ten opzichte van een andere staat (FINEMORE & SIKKINK, 2001, p. 399).

Volgens Wendt zorgt interactie tussen staten ervoor dat een staatsidentiteit wordt ontwikkeld en blijft bestaan:

 

“A world in which identities and interests are learned and sustained by intersubjectively grounded practice, by what states think and do, is one in which anarchy is what the state makes of it” (ZEHFUSS, 2001, p. 318).

 

Interactie veroorzaakt gedeelde overtuigingen waardoor er intersubjectieve structuren ontwikkeld worden die het gedrag en de identiteiten van de staten bepalen. Hierin verschilt het constructivisme sterk met het neorealisme want deze laatste beschouwt staten als een gegeven element en niet als iets dat gevormd wordt door identiteiten en belangen (AALBERTS, 2004, pp. 35-36). De beste manier om intersubjectieve structuren te begrijpen, is via een vergelijking met de taal. Elke taal is publiek dus de betekenis die één individu aan een taal geeft, is geen algemene betekenis. Maar als een hele groep dezelfde betekenis geeft aan een taal dan bestaat deze taal pas echt (GUZZINI, 2000, p. 164).

Dat interactie een belangrijk element is bij de vorming van een identiteit wordt duidelijk via het verhaal van Alter en Ego. Ego definieert als eerste de situatie waarin hij zich bevindt en voert handelingen uit waarop Alter Ego kan identificeren en zo zijn acties kan voorspellen. Op basis van deze interpretaties onderneemt Alter handelingen die Ego dan weer op zijn beurt interpreteert. Uiteindelijk reageert Ego als laatste[1].

Een sociale handeling is dus een soort pingpongspel tussen interpreteren en antwoorden (ZEHFUSS, 2001, p. 320).

Internationale politieke structuren, die de identiteiten en belangen van staten bepalen, zijn voornamelijk sociaal in plaats van materieel (WENDT, 1995, p. 71-72). Deze sociale structuren bestaan uit drie elementen. Als eerste de gemeenschappelijke overtuigingen die bepalen hoe actoren zich ten opzichte van elkaar gedragen. Materiële bronnen zijn het tweede element van de sociale structuren. Ze hebben op zich geen betekenis maar krijgen deze wel in een context van gedeelde kennis. Het derde element is het feit dat sociale structuren alleen in de praktijk bestaan als er gemeenschappelijke kennis is (WENDT, 1995, p. 74). Het belang van het sociale in structuren naast het materiële zorgt ervoor dat het constructivisme een sociale theorie is in tegenstelling tot het neorealisme en het neoliberalisme (FINEMORE & SIKKINK, 2001, p. 393).

 

In een constructivistisch onderzoek over internationale relaties is de belangrijkste vraag “How does this shaping happen and with what results?” ( FINEMORE & SIKKINK, 2001, p. 397). Naast deze onderzoeksvraag beschouwen constructivisten interpretaties van gebeurtenissen in de wereldpolitiek niet als grote waarheden of “big T-thruts” maar als “small T-thruts”. Deze verwerping van grote algemene waarheden vindt zijn oorsprong bij het positivisme. Deze stroming beschouwt de wereld namelijk als een ding en wordt dus ook zo geïnterpreteerd, dus er kan geen objectieve algemene kennis van de wereld bestaan (PRICE & REUS SMITH, 1998, pp. 271-272).

 

 

1.3. Het constructivisme en veiligheid

 

Het veiligheidsdenken is één van de belangrijkste studiegebieden waar het constructivisme het traditionele veiligheidsdenken van het realisme aanviel in het begin van de jaren ’90 (WILLIAMS, 2003, p. 511). Het veiligheidsdenken tijdens de Koude Oorlog volgde het realistische model waar elke staat voor zijn eigen belangen vocht tussen een anarchie van staten, maar deze staatscentrische visie kwam onder vuur te liggen na de Koude Oorlog (NEWMAN, 2001, pp. 241-242). Na de Koude Oorlog ontstonden er namelijk nieuwe onveiligheden die cultureel getint zijn omdat ze afhankelijk zijn van de betekenis die mensen aan hun acties geven in een bepaalde omgeving (DUVALL, GUSTERSON, LAFFEY & WELDES, 1999, p.1).

 

Het constructivisme stelt dat de identiteit van een staat bepaalt hoe deze staat veiligheid percipieert, want deze identiteit bepaalt hoe de staat de wereld, waarin deze bestaat, zich voorstelt (DUVALL, GUSTERSON, LAFFEY & WELDES, 1999, p. 14).

Staten bestaan uit verschillende identiteiten, maar de belangrijkste identiteit is de ‘wij-identiteit’ van de staat zelf. Als de ‘wij-identiteit’ van een staat in botsing komt met een ‘zij-identiteit’ kan er een conflict ontstaan. Een gemeenschappelijke ‘wij-identeit’ in een regio zorgt voor politieke stabiliteit want compromissen worden gemakkelijker gevormd doordat de verschillende staten zich baseren op dezelfde normen (ADLER & CRAWFORD, 2002, p. 4 & BARNETT, 1996, p. 599). Een vorm van onveiligheid of veiligheid is dus het resultaat van een identiteitsconstructie (DUVALL, GUSTERSON, LAFFEY & WELDES, 1999, p. 10). De vorming van een collectieve identiteit ontstaat via onderhandelingen waarin deze identiteit actief wordt verdedigd. Een voorbeeld van een regio met een collectieve identiteit is de Europese Unie. Volgens de EU is er sinds het einde van WO II geen conflict meer geweest binnen de grenzen van de EU doordat er een collectieve identiteit via het Europese lidmaatschap is (ADLER & CRAWFORD, 2002, pp. 7-8).

 

De manier waarop een land zijn veiligheidscultuur vormt is volgens Krause via

 

“Enduring and widely shared beliefs, traditions, attitudes, and symbols that inform the ways in which a state’s/society’s interests and values with respect to security, stability and peace are perceived, articulated and advanced by political actors and elites.”

(ATTINÀ, 2002, p. 10).

 

Een concreet schema van hoe een nationaal beleid, zoals het veiligheidsbeleid, wordt gevormd binnen het constructivisme vinden we terug in ‘The Culture of National Security’ van P.J. Katzenstein. In dit schema wordt de link gelegd tussen belangen, normen, cultuur en identiteit (JEPPERSON, KATZENSTEIN & WENDT, 1996, p. 53).

 

(Bron: JEPPERSON, KATZENSTEIN & WENDT, p. 53)

 

 

De verschillende nummers staan voor normen die de veiligheidsbelangen van een staat beïnvloeden (1), normen die de identiteit van een staat beïnvloeden (2), een verandering in de identiteit van de staat zorgt voor een verandering in de staatsbelangen (3), een identiteit van een staat beïnvloedt de structuur tussen staten (4) en recursiviteit wat wil zeggen dat een staat via zijn beleid ook een invloed uitoefent op culturele en institutionele structuren (5) (JEPPERSON, KATZENSTEIN & WENDT, p. 53).

De hierboven vermelde normen kunnen omschreven worden als

Collective expactations about proper behaviour for a given identity” (JEPPERSON, KATZENSTEIN & WENDT, 1996, p. 54).

De veiligheidscultuur van een land wordt gevormd en evolueert door tradities, ervaringen, symbolen, geloof,… en deze cultuur bepaalt op welke manier een land staat ten opzichte van bepaalde veiligheidsinstrumenten, zoals dit wordt uitgelegd in het bovenstaande schema.

 

Zo is de manier waarop de lidstaten van de EU veiligheid benaderen verschillend van de manier waarop Arabische landen veiligheid benaderen (ATTINÀ, 2004, pp. 12-13).

De Europese lidstaten baseren hun veiligheidscultuur op drie ervaringen, de veiligheidssituatie tijdens de Koude Oorlog, het Helsinki Proces van 1975 en de defensiepolitiek van de jaren ‘90 in de strijd tegen de proliferatie van massavernietigingswapens.

Door deze ervaringen past de EU de coöperatieve en comprehensieve benaderingen van veiligheid toe op de nieuwe bedreigingen[2] (ATTINÀ, 2004, p. 13).

De Arabische landen hebben vier verschillende benaderingen van veiligheid. De eerste twee visies zijn gebaseerd op oude tradities. De eerste visie heeft als doel een Arabische transnationale gemeenschap te creëren ten voordele van regionale vrede en veiligheid. De tweede visie baseert zich op het feit dat goede relaties tussen de Arabische landen, de Arabische landen beschermt tegen buitenlandse inmenging in hun binnenlandse zaken en op deze manier veiligheid creëert. De twee andere visies zijn ontstaan tijdens de jaren ’90 en zijn een reactie op de traditionele veiligheidsvisies.

De eerste is een reformistische visie die de nadruk legt op economische hervormingen die eerbied hebben voor de Arabische cultuur en de islam. De economische hervormingen hebben als doel het verbeteren van de levensstandaard in deze Arabische landen. De tweede visie die is ontstaan in de jaren ’90 is de islamitische visie. Deze visie benadrukt het belang van de islam en de culturele identiteit van de islamitische landen en wil deze landen beschermen tegen non-islamitische of westerse dreigingen. Ook het falen van de staat op het socio-economische vlak staat centraal in deze visie. Regionale veiligheidssamenwerking zoals in het Helsinki Proces is iets onbekend voor de Arabische landen als gevolg van hun veiligheidscultuur (ATTINÀ, 2004, pp. 13-14).

Er is ook een subregionaal verschil want de landen van de Maghreb en van de Mashrek hebben een verschillende visie op veiligheid. De Maghreb concentreert voornamelijk op niet-militaire dreigingen terwijl de Mashrek zich concentreert op militaire dreigingen als gevolg het conflict in het Midden-Oosten (BIAD, 2002, p. 33).

 

Om duidelijk te maken hoe het constructivisme internationale veiligheidssituaties verklaart, bespreek ik kort het veiligheidsdilemma, het veiligheidsevenwicht en de democratische vrede vanuit het constructivistische perspectief.

Het neorealisme stelt dat alle staten tegen alle vormen van macht, een dreiging volgens het neorealisme, samenwerken. Het constructivisme daarentegen stelt dat elke staat een dreiging op een andere manier ervaart doordat elke staat een dreiging op zijn manier interpreteert (HOPF, 2004, p. 187).

Een veiligheidsdilemma veroorzaakt onzekerheid in de wereldpolitiek en deze is alleen oplosbaar als er een bepaalde politiek wordt gevoerd tussen de verschillende staten waardoor het evenwicht tussen de staten wordt hersteld. Het voeren van een politiek als een vorm van samenwerken, is echter alleen maar mogelijk als er algemeen gedeelde opvattingen bestaan tussen de verschillende staten (HOPF, 2004, p. 188).

 

Het principe van de democratische vrede wordt gezien als een empirische waarheid maar via het constructivisme krijgt dit principe ook een theoretische basis. Democratieën voeren geen oorlog met elkaar omdat ze dezelfde intersubjectieve basis hebben en dus een geloof hebben in dezelfde ideeën (HOPF, 2004, pp. 191-192 & NEWMAN, 2001, p. 248).

 

 

1.4. Het constructivisme en terrorisme

 

1.4.1. Inleiding

 

Sinds de aanslagen van 11 september ligt het onderwerp ‘terrorisme’ op ieders lippen maar het is blijkbaar gemakkelijker om erover te praten dan om er één algemene definitie voor te geven (WEISS, 2002, p.11). Zo hebben de VN verschillende resoluties gecreëerd die te maken hebben met terrorisme maar de VN zijn er tot en met vandaag niet in geslaagd om één algemeen geldende definitie van terrorisme te ontwikkelen.

De EU had tot voor kort ook géén gemeenschappelijke definitie maar via het kaderbesluit van 13 juni 2002 met betrekking tot terroristische acties is deze leegte opgevuld.

Het enige waar men het op internationaal vlak over eens is, is dat het terrorisme geen ideologie is, maar een handeling (KEELEY, 2002, p. 34).

 

Het uitblijven van een algemene definitie heeft als belangrijkste oorzaak dat er een strijd wordt geleverd tussen de verschillende ideologieën om dé juiste definitie van terrorisme te geven. Tijdens de Koude Oorlog bijvoorbeeld werd elke vorm van terrorisme gezien als deel van een internationaal terroristisch netwerk gecontroleerd door de Sovjet-Unie.

Nu wordt het merendeel van de terroristische acties gezien als acties van het islamitisch fundamentalisme. Deze transitie werd goed omschreven door Blank:

 

“Since the end of the Cold War, Muslim fundamentalism seems to have replaced Soviet communism as the West’s bugbear of choice.” (ELNUR, 2003, p.4).

 

Dus de definities van terrorisme veranderen naargelang het politieke klimaat verandert (HOLYK, 2005, p. 4).

 

1.4.2. Het terrorisme volgens het constructivisme

 

Het valt immens op hoe weinig het onderwerp ‘terrorisme’ is onderzocht door de theorieën over internationale relaties. De twee theorieën met betrekking tot internationale relaties, die een goede basis hebben om terrorisme te verklaren, zijn het rationalisme en het constructivisme (HOLYK, 2005, p.5).

 

Voornamelijk het constructivisme is handig om uit te leggen waarom het zo moeilijk is om één definitie te geven voor terrorisme. Zoals eerder vermeld ziet het constructivisme de wereld als iets dat sociaal is geconstrueerd. Hieruit volgt dat ook terrorisme wordt gevormd via de taal en in een bepaalde context. De bekendste uitspraak over terrorisme “One man’s terrorist is another man’ s freedom fighter” past perfect in de manier waarop het constructivisme terrorisme verklaart. Het zijn vooral diegenen die de macht bezitten die bepalen hoe ‘terrorisme’ wordt gedefinieerd, daarom kan men stellen dat er geen enkele terroristische actie een onafhankelijke, niet-subjectieve verklaring heeft (HOLYK, 2005, p. 6). Men kan stellen dat de manier waarop men terrorisme aanpakt afhankelijk is van hoe men staat ten opzichte van veiligheid. Om het met andere woorden te zeggen, de subjectiviteit speelt een belangrijke rol bij de manier waarop men veiligheid definieert en dit heeft dan weer gevolgen op de maatregelen die men neemt in de strijd tegen het terrorisme (HOLM, 2004, p. 4).

Zo gebeuren de meeste terroristische acties in de mediterrane regio door een niet-statelijke actor die buiten de staat wordt gesloten en de politieke en economische voordelen daaraan verbonden. Het politiek geweld tegen een staat wordt door de staat zelf als een terroristische actie beschouwt maar dat wordt niet zo gezien door de niet-statelijke actor die geweld gebruikt want voor hem is dit politieke geweld de enige manier om verandering te brengen in de staat. Het is dus duidelijk dat de taal met betrekking tot terrorisme een belangrijke rol speelt en diegene die de macht heeft kan de term terrorisme van een verklaring voorzien. Dit betekent niet dat het daarom de juiste verklaring is (JOFFE, 2000, p. 8).

 

Deze constructivistische visie verschilt sterk van de rationalistische visie want een rationalist beschouwt een terroristische actie als een handeling van een bepaalde groep of een individu met een bepaald doel binnen een aantal beperkingen (HOLYK, 2005, p. 6).

 

Om duidelijk te maken hoe verschillend definities van terrorisme kunnen zijn, geef ik de definitie overeengekomen door de Arabische Liga[3] op de Conventie over terrorisme te Cairo in 1998 en de definitie over terrorisme van de EU, die beschreven staat in het kaderbesluit van 13 juni 2002.

De definitie van terrorisme waarmee alle Arabische ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie akkoord gingen in 1998 is de volgende:

 

“any act of violence or threatening violence regardless of its motives or purpose that takes place in the execution of a criminal undertaking” (JOFFE, 2000, p. 3).

 

Deze definitie besluit dus dat een organisatie slechts terroristisch van aard is als deze een terroristische handeling pleegt en dus niet terroristisch is als een persoon of een groep een ideologie ondersteunt die terroristische acties goedkeurt en aanmoedigt (JOFFE, 2000, p. 4).

 

De definitie van terroristische misdrijven staat beschreven in het kaderbesluit van 13 juni 2002 over de strijd tegen het terrorisme. In dit kaderbesluit64/475/JHA)tiona orgaisation.ical, constitutional, economic or social structures of a country or an international organisation. heeft men een lijst opgesteld van de mogelijke ernstige misdrijven en de voorwaarden van zo’n misdrijf. Deze voorwaarden zijn de volgende:

 

- seriously intimidating a population, or

- unduly compelling a Government or international organisation to perform or abstain from performing any act, or

- seriously destabilising or destroying the fundamental political, constitutional, economic or social structures of a country or an international organisation

            (2002/475/JHA, 164/4)

 

De lijst die er op volgt, bestaat onder andere uit aanvallen op een persoon zijn leven, gijzelingen,… Naast een definitie voor terroristische misdrijven wordt er ook een definitie gegeven voor een terroristische groep en daarnaast nog de justitiële straffen en acties die gevolgd moeten worden na een terroristische actie of ten opzichte van een terroristische groep (2002/475/JHA, 164/4).

De definitie van de EU is dus veel uitgebreider en houdt rekening met meerdere factoren in vergelijking met de definitie van de Arabische Liga van 1998.

 

 

1.5. Het constructivisme en het Barcelona Proces

 

Om het Barcelona Proces te verklaren via het constructivisme is het eerst nodig om te onderzoeken hoe de Europese Unie zich gedraagt in de relaties tussen de Europese Unie en zijn buurlanden.

Het constructivisme ziet de Europese Unie als een Kantiaanse staat die via lidmaatschap of partnerschap andere staten probeert te overtuigen bepaalde veranderingen door te voeren met als doel de ontwikkeling van de economie en de politiek van zijn buurlanden volgens het model van de Europese Unie. De Europese Unie verkiest dus de export van zijn normen in plaats van het bereiken van verandering via militaire middelen (CRAWFORD, p.13). Ook met betrekking tot veiligheid verkiest de Europese Unie niet-militaire oplossingen zoals het bovenvermelde export van normen waarop de Europese Unie is gebaseerd[4] (BICCHI, 2004, p. 4).


 

De veiligheidsvisie van de Europese Unie is dus coöperatief en comprehensief wat wil zeggen dat de Europese Unie een veiligheidsprobleem niet alleen militair aanpakt maar voornamelijk aandacht heeft voor de onderliggende grondoorzaken, die economisch, cultureel, politiek van aard zijn of te maken hebben de schending van de mensenrechten[5] (CRAWFORD, p. 14).

De opbouw van een regio met een gemeenschappelijke identiteit en op basis van een comprehensieve veiligheid is het doel van de Europese Unie als civiele macht en via het Barcelona proces werd de theorie in praktijk omgezet.

 

De Barcelona Verklaring, opgesteld onder Spaans EU-voorzitterschap te Barcelona in 1995 bevat drie luiken namelijk een politiek, een economisch en een sociaal-cultureel luik (CRAWFORD, p. 1). Deze verklaring legde de basis voor de opbouw van een regionale gemeenschap en heeft dus alle elementen in zich om het principe van een comprehensieve en coöperatieve veiligheid toe te passen (CRAWFORD, p. 2).

 

Volgens het constructivisme is het absoluut noodzakelijk dat er vertrouwen is tussen de partners en dat er een gemeenschappelijke identiteit nodig is om tot een vredevolle ontwikkeling te komen van de zuidelijke mediterrane partnerlanden (ADLER & CRAWFORD, 2002, p. 3). Het Barcelona Proces is ontstaan als een partnerschap waarin de Europese Unie en de mediterrane partnerlanden gelijkwaardige partners zijn. Deze evenwaardigheid wordt echter zwaar op de proef gesteld want het is de Europese Unie die zijn normen oplegt aan de mediterrane partnerlanden, er is geen sprake van een wederkerige relatie op het vlak van de export van normen (VOLPI, 2004, p. 153). De gelijkwaardigheid tussen de Europese Unie en de mediterrane partnerlanden is ook moeilijk te bereiken omdat de Zuidelijke mediterrane landen niet dezelfde politieke en economische integratie hebben als de lidstaten van de Europese Unie (CRAWFORD, p. 5).

Ook het vertrouwen tussen de partners op het vlak van veiligheid is soms ver te zoeken[6].

Als besluit kan men stellen dat het Barcelona Proces een uitoefening is van de macht van de Europese Unie als civiele macht volgens het principe van de comprehensieve veiligheid en volgens het principe van de democratische vrede (CRAWFORD, p. 15).

 

De Arabische partnerlanden en Israël denken wel anders over het Barcelona Proces. Zij zien het Barcelona Proces niet als een manier van de Europese Unie om op te treden als een civiele macht maar verwachten het volgende van het Barcelona Proces. De veiligheidsvisie van Arabisch mediterrane partnerlanden wordt bepaald door het onopgeloste conflict met Israël en het unilateralisme van het westen na de Koude Oorlog. Om deze reden zijn de belangrijkste verwachtingen van de Arabische partnerlanden dat het Barcelona Proces ervoor zou zorgen dat hun internationale status steviger zou worden en dat ze ook dezelfde positie zouden hebben als de Europese Unie in het Barcelona Proces. Daarnaast hopen de Arabische partnerlanden ook dat de EU zich meer zou engageren in het conflict van het Midden-Oosten. Israël daarentegen hoopt dat ze via het Barcelona Proces er voor kunnen zorgen dat de EU niet te veel de kant van de Arabische wereld kiest (ALIBONI, 2000, pp. 15-16).

 

 

2. Het Barcelona Proces

 

2.1. Inleiding

 

De analyse van de aanpak van het terrorisme vereist eerst en vooral een korte beschrijving van de ontstaansgeschiedenis, de werking en de instellingen van het Barcelona Proces.

 

 

2.2. Ontstaansgeschiedenis en evolutie van het Barcelona Proces

 

De eerste maal dat het Middellandse-Zeegebied - het kruispunt van Azië, Europa en Afrika - als één regio[7] werd beschreven in een document van de Europese Unie was in 1971 in het Rossi-rapport[8] van het Europese Parlement (BICCHI, 2004, p. 6). Dit idee heeft het overleefd tot en met de jaren ‘90 waar het idee voor een partnerschap tot leven kwam via het Barcelona Proces maar het was via een proces van vallen en opstaan (ABIS, 2004, p. 1 & BICCHI, 2001, p. 8).

 

Sinds de jaren ’70 heeft de Europese Unie verschillende pogingen ondernomen om een nauwere samenwerking te ontwikkelen met de landen rond de Middellandse Zee. De belangrijkste reden voor deze wens tot samenwerking was de oliecrisis van 1974 en de verschillende terroristische aanslagen op het Europese vasteland als gevolg van het conflict tussen Israël en de Palestina[9] (CRAWFORD, p. 2).

Er waren dan ook verschillende initiatieven die een hechtere samenwerking tussen de twee oevers van de Middellandse Zee wilden bewerkstelligen. De Europese Commissie startte als eerste met de ‘Global Mediterranean Policy’. Dit beleid werkte vooral rond handelsovereenkomsten, landbouw en migratie en had dus voornamelijk een economisch en financieel doel (CRAWFORD, p. 3 & MEDINA ABELLAN, 2004, p. 279).

Daarnaast begon de Europese Unie met de Euro-Arabische dialoog om een oplossing te vinden voor de oliecrisis. Deze dialoog vormde de basis voor de Barcelona Conventie van 1976 (CRAWFORD, p. 3).

 

De ‘Global Mediterranean Policy’ bleef gelden tot en met het begin van de jaren ’90 mits een aantal aanpassingen, waaronder de uitbreidingen van de Europese Gemeenschap. In 1992 kwam er een ingrijpendere aanpassing via de oprichting van de ‘Renovated Mediterranean Policy’. Deze aanpassing gebeurde op twee gebieden.

De Europese Unie erkende dat het mediterrane beleid voornamelijk gebaseerd was op bilaterale akkoorden en dat er weinig aanzet was onder de zuidelijk mediterrane landen om te starten met een regionale integratie.

De tweede verandering kwam er als gevolg van de vraag van Marokko op 20 juli 1987 om lid te mogen worden van de Europese Unie. Hierdoor werd het duidelijk voor de Europese Unie dat een zuidelijke integratie niet zo vlug van de grond zou komen als men had gehoopt (MEDINA ABELLAN, 2004, pp. 279-280). De sfeer van de Koude Oorlog zorgde er echter voor dat er geen verder initiatieven ontstonden tussen de Europese Unie en de mediterrane landen (CRAWFORD, p. 3).

 

Het einde van de Koude Oorlog daarentegen zorgde voor een hergeboorte van de mediterrane initiatieven omdat de Europese Unie zijn visie niet meer moest richten op de geïmplodeerde USSR en zijn bondgenoten, maar een hernieuwde aandacht kreeg voor zijn buurlanden waaronder de mediterrane landen (CRAWFORD, p.3 & KHADER, 1997, p. 68). De OVSE startte met zijn Conference on Security and Cooperation in the Mediterranean (CSCM), de WEU deed promotie voor interregionaal vertrouwen, er was een Frans voorstel gebaseerd op het CSCM en ook de NAVO begon met een Mediterraan Beleid in 1994 (CRAWFORD, p. 4).

Deze initiatieven zette de Europese Unie er toe aan om de bestaande bilaterale akkoorden verder uit te werken zodat deze akkoorden een meer politiek geheel zouden vormen (CRAWFORD, p. 4 & OLIVI, 1998, p. 620). Er volgden verschillende voorstellen voor een Euro-Mediterrane samenwerking waaronder een Italiaans-Spaans voorstel voor de oprichting van een Conferentie voor de Veiligheid en Samenwerking voor de mediterrane regio naar het model van de CVSE[10], een Frans voorstel met 5+5 model[11], een voorstel van Egypte voor de oprichting van een forum met 12 landen en een Jordaans voorstel voor de oprichting voor de Conferentie over de Veiligheid en Samenwerking in het Midden-Oosten (KHADER, 1997, p. 68).

Alle pogingen die het Barcelona Proces voorafgingen kenden dezelfde stille dood na de eerste meetings maar ze maakten wel de weg vrij voor het Barcelona Proces (KING, 1997, p. 4).

 

Tijdens de Europese Raad van Lissabon in juni 1992 wordt het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een regionaal partnerschap tussen de Europese Unie en de landen van de Maghreb goedgekeurd. Dit voorstel beperkte zich tot de landen van de Maghreb en van de UMA[12] voor de creatie van een vrijhandelszone en een politieke dialoog.

Als gevolg van de positieve evolutie in het vredesproces van het Midden-Oosten[13], stelde de Commissie in 1993 een samenwerking voor met de landen van de Maghreb én van het Midden-Oosten (KHADER, 1997, p. 69).

In 1994 gaf de Europese Raad te Corfoe de opdracht aan de Europese Commissie om een beleid te ontwikkelen met betrekking tot Middellandse-Zeegebied. Het eerste voorstel van de Commissie in 1994 gebruikte voor de eerste maal het woord ‘partnerschap’ om een Euro-Mediterrane regio te creëren die economisch verbonden zou zijn en waar er veiligheid en politieke stabiliteit zou heersen.

Vervolgens werd de eerste Euro-Mediterrane Conferentie in 1995 te Barcelona georganiseerd[14] (OLIVI, 1998, pp. 620-622).

Het is belangrijk om op te merken dat de Barcelona Conferentie in 1995 voor de eerste maal alle 15 lidstaten van de Europese Unie en de 12 mediterrane partnerlanden (Marokko, Tunesië, Algerije, Egypte, Israël, de Palestijnse Autoriteit, Libanon, Syrië, Jordanië, Turkije, Cyprus en Malta)[15] samenbracht. Het is vooral een grote verdienste van de Europese Commissie dat ze erin slaagde om de Arabische landen te overtuigen om aan één tafel te zitten met Israël en waar de Palestijnse Autoriteit, Israël en Syrië gelijke partners zijn[16]. Hierdoor was de legitimiteit van het Barcelona proces zeer groot[17] (CHRYSSOCHOOU & XENAKIS, 2001, p. 10, HELLER, 2001, p. 76 & XENAKIS, 1998, p. 8).

 

De Europese Unie heeft geopteerd voor een regionaal mediterraan beleid in plaats van een politiek ten opzichte van de Arabische wereld. Het Barcelona Proces is ontstaan los van de religies of culturen en heeft gekozen voor een overeenkomst met de landen zelf, die rond de Middellandse Zee liggen (ALIBONI, 2004, p. 38). Via het Barcelona Proces wilden de beleidsmakers duidelijk maken dat de twee oevers verbonden zijn door de geschiedenis van de oude Romeinse cultuur (ALIBONI, 2004, pp. 38-39).

De regionaliseringtrend en de mondialisering speelden ook een belangrijke rol in de keuze van de Europese Unie voor een Euro-Mediterraan Partnerschap. Maar één van de belangrijkste redenen blijft dat de Europese Unie een stabiele en veilige mediterrane regio wou creëren via politieke en socio-economische ontwikkeling zodat de Europese Unie zelf ook stabiel en veilig zou blijven (DERISBOURG, 1997, p. 9).

 

 

2.3. De werking en de instellingen van het Barcelona Proces

 

Een puur theoretische verklaring van het Barcelona Proces is:

 

“a complex of mechanisms, agreements and institutions drawn to address the strategic objective of building security throughout European Neighbourhood” (MOSCHELLA, p. 4).

 

Deze uitleg voldoet niet in het verklaren van de werking van het Barcelona Proces. Het is belangrijk bij de verklaring van de werking van het Barcelona Proces om ook de uitdagingen die uitgaan van het Middellandse-Zeegebied te identificeren. Men kan dit echter niet beter zeggen dan in de woorden van Bichara Khader, een zone met

 

“les grands déséquilibres, des trois D (développement, démographie, démocratie), les défis (migratoires, écologiques, rareté des ressources naturelles comme l’eau) et des risques importants (déstabilisation des Etats, conflits de voisinage, revendications territoriales, poussées identitaires, avec leur cortège d’éclatement des solidarités territoriales, de fondamentalisme religieux, de distanciation culturelle et de xénophobie nationaliste,…) (KHADER, 1997, p. 67).

 

Om deze zeer uiteenlopende uitdagingen te counteren is er ook een zeer uiteenlopend beleid nodig. Daar heeft men natuurlijk aan gedacht bij de oprichting van het Barcelona Proces en om deze reden verklaarde men in de Barcelona Verklaring het volgende:

 

“… to establish a comprehensive partnership among the participants – the Euro-Mediterranean Partnership – through strengthened political dialogue on a regular basis, the development of economic and financial cooperation and greater emphasis on the social, cultural and human dimension, these being the three aspects of the Euro-Mediterranean partnership …” ( Barcelona Verklaring).

 

De drie objectieven die men wou nastreven om tot een “area of dialogue, exchange and cooperation guaranteeing peace, stability and prosperity” (De Barcelona verklaring) te komen zijn:

 

(Europese Commissie, the Barcelona Process: five years on, 2000, p. 6)

 

Deze drie objectieven werden in de Barcelona Verklaring omgezet in drie ‘baskets’ namelijk het politieke en veiligheidspartnerschap, het economische en financiële partnerschap en het sociaal-culturele partnerschap[18].

Tsardanides beschreef de structuur van het Barcelona Proces als volgend:

 

“The three set of actions agreed at Barcelona involved some well-known topics of the Euro-Mediterranean diplomacy revised to elucidate the Mediterranean regional complexity, while it encompassed a group of new advanced policy components which have their roots in the notion of the Maastricht treaty” (XENAKIS, 1998, p. 7).

 

Het Euro-Mediterraan Partnerschap wil dus via economische vooruitgang politieke stabiliteit en vooruitgang creëren in deze regio.

 

Om de economische en politieke hervorming van de mediterrane partners te steunen legt het Euro-Mediterraan Partnerschap de nadruk op het respect voor democratie en mensenrechten, de creatie van een dialoog op economisch en politiek vlak, de liberalisering van de markt en financiële en technische steun via de drie ‘baskets’ van het Barcelona Proces (XENAKIS, 1998, p. 7).

Via het citaat van Malcolm Rifkind wordt dit nog eens benadrukt:

 

“One of the most important ways in which we can achieve political stability is by economic growth, and by the countries helping those in North Africa and the Middle East develop their economic potential and economic infrastructure: Political stability will flow from that.” (XENAKIS, 1998, p. 8).

 

Het Barcelona Proces bevat dus deze drie luiken omdat de visie binnen het Barcelona Proces is dat alle problemen, of ze nu economisch, politiek of sociaal-cultureel van aard zijn, aan elkaar gelinkt zijn . Om deze reden wordt er een multidimensionele aanpak gevoerd binnen het Barcelona Proces (PHILIPPART, 2003, p. 209).

 

Naast deze drie baskets is er nog een belangrijk onderdeel in de Barcelona verklaring namelijk de principes waarop men de nadruk heeft gelegd in de Barcelona verklaring en waarvan wordt verwacht dat alle partnerlanden deze onderschrijven.

Deze principes bestaan zoals uit het afzweren van het gebruik van een strijdkracht, de bescherming van de territoriale integriteit, conflicten vredevol oplossen, het niet tussenkomen in de binnenlandse zaken van een staat, een strijdkracht ontwikkelen die alleen bedoeld is voor het verdedigen van de staat, conflictpreventie om tot een stabiele en vredevolle mediterrane regio te komen, de gelijkheid van de verschillende volkeren, het respect voor de democratie en voor de rechten van de mens en het aanvaarden van het pluralisme van de verschillende gemeenschappen (LE MORZELLEC, 2003, p. 67).

 

Het Barcelona Proces bestaat uit een unilaterale, een bilaterale en een multilaterale dimensie. Deze drie dimensies zijn een omzetting in de realiteit van de drie basis principes van het Barcelona Proces: gelijkheid tussen de partnerlanden van het Barcelona Proces, aanvulling via de bilaterale akkoorden en een decentrale, allesomvattende en geleidelijke aanpak.

Het multilaterale niveau[19] of de follow-up procedure van het Barcelona Proces bestaat uit de Euro-Mediterrane Conferentie van de ministers van Buitenlandse Zaken en het Euro-Mediterraan Comité dat bestaat uit Hoge Functionarissen van de Europese Unie[20] en vertegenwoordigers van elk mediterraan partnerland. Dit comité komt zes keer per jaar samen en discussieert over de agenda en het werkprogramma. De landen van de Europese Unie, die geen deel uitmaken van de EU-troika, worden uitgenodigd om als waarnemers te zetelen in het comité.

De ad-hoc meetings van hoge vertegenwoordigers en ministers van een bepaald onderwerp verzorgen de follow-up van het werkprogramma voor dat bepaald onderwerp.

 

Er is ook nog een speciale meeting van hoge vertegenwoordigers waar het eerst luik van het Barcelona Proces de hoofdrol speelt namelijk de periodieke bijeenkomsten van de Senior Officials on Political and Security Questions. Op deze meetings worden er vragen in verband met politiek en veiligheid bediscussieerd.

Er is ook een meeting op het parlementaire niveau en dat is de Euro-Mediterranean Parliamentary Assembly (MOSCHELLA, p. 9, PHILIPPART, 2003, p. 202 & XENAKIS, 1998, p. 7).

 

Het bilaterale niveau wordt gevormd via de Associatie Akkoorden tussen elk mediterraan partnerland apart en de Europese Unie (PHILIPPART, 2003, p. 203). De bilaterale tak van het Barcelona Proces uit zich via Associatie Overeenkomsten tussen elk partnerland en de Europese Unie. Sinds 1995 heeft elk partnerland een overeenkomst gesloten met de Europese Unie met uitzondering van Syrië dat zijn overeenkomst nog moet tekenen.

Deze bilaterale dimensie heeft meer vooruitgang gemaakt dan de multilaterale dimensie die een beetje slabakt als gevolg van regionale conflicten, en dan vooral het Palestijns-Israëlisch conflict, en de consensus regel (DE VASCONCELOS, 2005a, p. 8).

 

De Associatie Akkoorden zijn een vervanging voor de overeenkomsten die werden gesloten in de jaren ’70. De nieuwe Associatie Akkoorden bestaan uit de basisprincipes die belangrijk zijn in de drie onderdelen van het Barcelona Proces namelijk het politieke, economische en sociaal-culturele onderdeel van het Barcelona Proces. Naast deze principes zijn er ook elementen die specifiek werden bepaald voor de relatie tussen het land in kwestie en de Europese Unie (EUROPESE COMMISSIE, 2002, p. 9). De bedoeling van een Associatie Akkoord is om de banden die er zijn tussen de Europese Unie en het mediterrane partnerlanden vast te leggen in een aantal specifieke domeinen. Het einddoel is het creëren van vrijhandel tussen de Europese Unie en het land in kwestie en de economische hervorming van het mediterrane partnerland.

 

De gemeenschappelijke kenmerken van de Associatie Akkoorden binnen het Barcelona Proces zijn de creatie van een politieke dialoog tussen de Europese Unie en het mediterrane partnerland, het respect voor de democratie en de mensenrechten, de creatie van een Euro-Mediterrane vrijhandelszone tegen 2010, economische samenwerking in een aantal gebieden, samenwerking in sociale zaken en migratie, culturele samenwerking en bepalingen met betrekking tot intellectuele eigendom, diensten, regels voor de bevordering van de competitiviteit, monopolies en staatshulp. De implementatie van de akkoorden gebeurt door de Associatie Raad en het Associatie Comité. De Raad neemt plaats op het ministeriële niveau en het Comité op het Hoge Functionarissen niveau. De ratificatie van het akkoord kan tot 4 jaar in beslag nemen want alle nationale parlementen van de lidstaten van de Europese Unie en het mediterrane partnerland moeten het akkoord ratificeren[21] (SPAPPERI in NOUR, 2001, p. 5).

 

Alle Associatie Akkoorden volgen ongeveer hetzelfde stramien, uitgezonderd het akkoord tussen Israël en de Europese Unie en tussen de Palestijnse Autoriteit en de Europese Unie doordat de Palestijnse Autoriteit nog niet overeen soevereine staat beschikt (KHADER, 1997, p. 150).

Het voorbeeld akkoord voor de andere mediterrane partners is het associatie akkoord tussen Marokko en de Europese Unie dat bestaat uit 96 artikels.

De preambule van het akkoord beschrijft de afhankelijkheid en de traditionele banden tussen de Europese Unie en het koninkrijk Marokko. De preambule heeft ook aandacht voor het Handvest van de VN, de rechten van de mens en voor de politieke en economische rechten. Het eerste artikel beschrijft de objectieven van het associatie akkoord die overeenkomen met de drie partnerschappen van het Barcelona Proces.

Deze objectieven zijn de creatie van een politieke dialoog, de liberalisering van de economie, de verdere integratie van de Maghreb en de verdere uitwerking van economische, financiële, sociale en culturele samenwerking. Het tweede artikel bevat de clausule met betrekking tot de rechten van de mens en de principes van de democratie.

De overige artikels van het akkoord leggen de nadruk op de financiële en economische samenwerking tussen de Europese Unie en Marokko en de creatie van de vrijhandelszone tegen 2010 (KHADER, 1997, pp. 152-153).

 

Het unilaterale niveau van het Barcelona Proces gaat alleen over het financiële gedeelte van het Barcelona Proces. Het zijn de instituties van de Europese Unie die hier alleen over beslissen. De Europese Commissie verzorgt de algemene programmering en het management van de projecten. Om dit verwezenlijken zijn er strategieën nodig voor elk mediterraan partnerland en voor de gehele mediterrane regio, het bepalen van de objectieven en prioriteiten op de lange termijn, indicatieve programma’s op nationaal en regionaal vlak en een jaarlijkse planning van de financiële middelen. De Raad van de Europese Unie en het Europese Parlement bepalen de politieke oriëntaties, de financiële perspectieven en het jaarlijkse budget voor de externe relaties van de Europese Unie (PHILIPPART, 2003, pp. 203-204). De voorzitter van de Europese Unie heeft als taak de objectieven vast te leggen aan het begin van zijn periode als voorzitter. Als de voorzitter een zuidelijke lidstaat van de Europese Unie is kan dit voor een vooruitgang zorgen in het Barcelona Proces. Naast het bepalen van de agenda heeft de voorzitter ook de belangrijke taak om consensus te zoeken tijdens de Euro-Mediterrane ministeriële conferenties (BICCHI, 2004, pp. 12-13).

Het onderstaande schema van Federica Bicchi geeft goed weer wanneer er welke dimensie - de unilaterale, de bilaterale of de multilaterale dimensie - wordt toegepast.

 

 

 

3. De veiligheidsvisie binnen het Barcelona Proces

 

3.1. Inleiding

 

De aanpak van het terrorisme bespreken binnen het Barcelona Proces is onmogelijk als je niet weet hoe de aanpak van de veiligheidsproblemen binnen het Barcelona Proces in elkaar zit. Om deze reden bespreek ik eerst hoe de visie op veiligheid is veranderd als gevolg van het einde Koude Oorlog, hoe de Europese Unie veiligheid bekijkt en wat de veiligheidsvisie is binnen het Barcelona Proces als een soort inleiding op het hoofdstuk over de aanpak van het terrorisme binnen het Barcelona Proces.

 

 

3.2. De veiligheidssituatie na de Koude Oorlog

 

De Koude Oorlog stond in het teken van de voornamelijk militaire spanningen tussen het westers blok onder leiding van de VSA en het oosters blok onder leiding van de USSR. De veiligheidsvisie was dan ook staatcentrisch gericht die voornamelijk zijn aandacht richtte op de militaire dimensie van de veiligheid zoals de nucleaire wapenwedloop tussen de VSA en de USSR (BARNETT, 1996, p. 606 & BICCHI, 2001, p. 2).

 

De geopolitieke situatie veranderde volledig met het einde van de Koude Oorlog omdat de Oost-West tegenstellingen werden vervangen door nieuwe dreigingen en uitdagingen. Voornamelijk de mediterrane regio werd geteisterd door de nieuwe uitdagingen zoals migratiestromen, milieuproblemen, terrorisme, … en in plaats van de Oost-West tegenstelling tijdens de Koude Oorlog maken de verschillen tussen noord en zuid hun intrede na de Koude Oorlog (CHRYSSOCHOOU & XENAKIS, 2001, p. 7 & MEDINA ABELLAN, 2004, p. 278). Men wou veiligheid niet meer zien als iets puur militair zoals tijdens de Koude Oorlog door de Oost-West tegenstelling en de nucleaire dreiging (BICCHI, 2001, p. 2).

De militaire visie op veiligheid verschoof naar een meer zachte veiligheidsvisie met aandacht voor terrorisme, illegale migratie, georganiseerde misdaad en drugshandel. De mediterrane regio was toen al meer in de aandacht als een regio vol conflicten (CALLEYA, 2002, p. 31).

Omwille van de zachtere veiligheidsvisie maakte de coöperatieve veiligheidsvisie furore in plaats van de staatscentrische veiligheid tijdens de Koude Oorlog zelf, die voornamelijk aandacht had voor de militaire kant van de veiligheidsstrategie (BARNETT, 1996, p. 606). De basis van deze aanpak van veiligheid is het feit dat er gemeenschappelijke actie nodig is tussen de staten om hun gemeenschappelijke belangen te verdedigen. Dus men probeert via instituties en normen deze samenwerking te bereiken (BARNETT, 1996, p. 607).

 

Als gevolg van de aanslagen van 11 september was er ook een verandering merkbaar in het internationale veiligheidsdenken. Deze verandering was niet zo extreem als de verandering in het veiligheidsdenken na de Koude Oorlog, maar er was toch een trend merkbaar in de VSA en de Europese Unie om nog meer de nadruk te leggen op een coöperatief veiligheidsbeleid en de strijd tegen het terrorisme werd een van de belangrijkste prioriteiten op de veiligheidsagenda van de VSA en de Europese Unie (CALLEYA, 2002, p. 31).

 

 

3.3. De veiligheidsvisie van de Europese Unie

 

De veiligheidsvisie die de Europese Unie ontwikkelde in de jaren ’90, was het gevolg van de veranderingen in het veiligheidsdenken na het einde van de Koude Oorlog. Deze visie integreerde de politieke, socio-economische, militaire, culturele en ecologische dimensies van veiligheid in het veiligheidsbeleid van de Europese Unie.

Er werd veel aandacht gevestigd op de economische verschillen tussen arm en rijk want deze kloof beschouwde de Europese Unie als een belangrijke conflicthaard. Als de ongelijkheid tussen groepen binnen een land te groot wordt, wordt de toestand in het land oncontroleerbaar als gevolg van de politieke instabiliteit omdat het regime van het land zijn legitimiteit verliest. Omwille van deze reden is de toegang tot ‘Global Public Goods’[22] is een belangrijk element geworden in de veiligheidsvisie van de Europese Unie (BISCOP, 2004, pp. 50-51).

 

Deze nieuwe veiligheidsvisie van de Europese Unie, die meer aandacht kreeg als gevolg van het einde van de Koude Oorlog, staat beter bekend als de comprehensieve en coöperatieve veiligheidsvisie. Het belangrijkste kenmerk van deze benadering van veiligheid is de lage aanwezigheid van militaire componenten. De nadruk ligt op economische, politieke, humane en milieu factoren en op het verzekeren van de ‘Global Public Goods’. Voor het politieke en humane aspect van veiligheid wordt er veel aandacht besteed aan de binnenlandse situatie van een land. De belangrijkste voorwaarden voor stabiliteit en veiligheid zijn het recht, democratie, pluralisme, respect voor mensen- en minderheidsrechten, een sterke civiele maatschappij, een open markteconomie, …

Als er bijvoorbeeld maatregelen moeten worden genomen in de strijd tegen het terrorisme, moet er ook een samenwerking zijn met betrekking tot justitiële kant van het terrorisme, de politieke en economische ontwikkeling van het land van oorsprong en het beschermen van fundamentele rechten en vrijheden van de mens. (ATTINÀ, 2000, p. 9 & DE VASCONCELOS, 2001, p. 51).

 

Naast deze veiligheidsvisie begon de Europese Unie meer belang te hechten aan zijn buurlanden met betrekking tot zijn veiligheidspolitiek (MOSCHELLA, p. 2). Want zoals het in de Europese Veiligheidsstrategie van 2003 staat beschreven zijn “de interne en de externe aspecten van de veiligheid onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden” en is “veiligheid een voorwaarde voor ontwikkeling” (de Europese veiligheidsstrategie, 2003, p. 2).

Deze aandacht voor zijn buurlanden uit zich bijvoorbeeld in de toetreding van landen tot de Europese Unie nadat ze eerst een onderdeel waren van de veiligheidspolitiek van de Europese Unie ten opzichte van zijn buurlanden[23] (MOSCHELLA, p. 2).

 

 

3.4. De veiligheidsvisie binnen het Barcelona Proces

 

Zoals eerder vermeld zorgde het einde van de Koude Oorlog ervoor dat de focus van de Europese Unie met betrekking tot veiligheid lag op het nabuurschap van de Europese Unie zelf. Voornamelijk de zwakke economische en politieke structuren in deze landen baarde de Europese Unie zorgen omdat dat deze zwakheden als een mogelijke bron van onveiligheid worden beschouwd. Om deze structuren sterker te maken in het teken van veiligheid is een militaire methode zinloos, daarom gaf de Europese Unie de voorkeur aan een comprehensieve aanpak (MALMVIG, 2004, p. 4).

 

Ook het mediterraan gebied werd anders benaderd door de Europese Unie na de Koude Oorlog want het veiligheidsdenken zat niet meer vast in het Oost-West keurslijf (BICCHI, p. 2). Deze regio waar Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten samenkomen, de economische kloof tussen Noord en Zuid, en de culturele verschillen tussen het Westen en de Islam zichtbaar zijn, is ook een gebied waar de nieuwe dreigingen die ontstaan zijn na de Koude Oorlog, door de grote verschillen tussen de twee oevers, in grote mate aanwezig zijn. Een aantal voorbeelden van deze dreigingen zijn migratie, fundamentalisme, intra- en interstatelijke conflicten, drugsverkeer en terrorisme[24] (BISCOP, 2001, p. 236 & CRAWFORD, p. 1).

 

Het mediterrane gebied werd vroeger voornamelijk door de Zuidelijke EU-lidstaten met argwaan bekeken. De zuidelijk gelegen lidstaten van de Europese Unie vreesden dat door de uitbreiding van de Europese Unie naar Oost-Europa, men het Zuiden uit het oog zou verliezen (MALMVIG, 2004, p. 5). Maar de Europese Unie besefte hoe belangrijk de mediterrane regio was in de veiligheidsdimensie van de EU. Een stabiele mediterrane regio is namelijk zeer belangrijk voor de veiligheid van de Europese Unie zelf dus men kan zeggen dat de Europese Unie via het Barcelona Proces de politieke en veiligheidssituatie in het Middellandse zeegebied onder controle wil houden (MEDINA ABELLAN, 2004, p. 278).

 

Het Barcelona Proces betekende een hele verandering in vergelijking met de relatie tussen de Europese Unie en de landen rond de Middellandse Zee van de vorige jaren. De bestaande economische relaties werden vervangen door een Euro-Mediterraan Partnerschap dat uit drie onderdelen bestond namelijk een politiek en veiligheidsonderdeel, een economisch en financieel onderdeel en een humaan sociaal-cultureel onderdeel (BISCOP, 2004, pp. 50-51).

 

Dat het Barcelona Proces drie onderdelen bevat, heeft te maken met de comprehensieve aanpak van de Europese Unie met betrekking tot veiligheid. Om een “ shared zone of peace, stability and prosperity” (de Barcelona Verklaring) te creëren is er meer nodig dan alleen politieke en militaire maatregelen (MALMVIG, 2004, p. 5). Het is noodzakelijk om samen te werken zowel op het politieke en veiligheidsvlak, als op het economische en financiële vlak en op het sociale en culturele vlak (MOSCHELLA, p. 5). Via deze aanpak worden er allerlei onderwerpen aangepakt zoals terrorisme, xenofobie, migratie, sociale ontwikkeling, …

De politieke en veiligheidsonderwerpen zijn dus niet de traditionele veiligheidsonderwerpen want bepaalde uitdagingen voor de veiligheid kunnen niet via militaire middelen worden opgelost

Deze comprehensieve aanpak rust op de stelling dat er geen economische ontwikkeling kan zijn als de politieke ontwikkeling achterblijft en er geen politieke stabiliteit ontstaat (PANEBIANC