| Armenzorg te Gent, 1600-1640. (Toon Boden) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
4 Openbare onderstand
4.1 Wekelijkse distributie te Gent
Tot 1626 gelde te Gent een strikt bedelverbod. Personen wiens inkomen ontoereikend was om in de primaire levensbehoeften te voorzien en voor bijkomende ondersteuning in aanmerking wilden komen, dienden zich persoonlijk bij de gouverneurs van de armenkamer te melden. Dit betekent niet dat alle behoeftigen steungerechtigd waren of effectief werden bedeeld. Aangezien de beschikbare fondsen niet volstonden om alle steunaanvragen in te willigen, hanteerde het armbestuur bijkomende selectiecriteria. Het belangrijkste criterium was sedentarisme. De armen dienden immers over een vaste woonplaats te beschikken en reeds bepaalde tijd in de stad te verblijven, waardoor omvangrijke categorieën noodlijdenden werden uitgesloten van de openbare onderstand. Daarnaast werden bijkomende selectiecriteria aangelegd al naar gelang de financiële mogelijkheden van de armenkamer of de eisen van de machthebbers. Gezien de onderstand gedurende het Ancien Regime structureel gekarakteriseerd wordt door een zekere graad van lokale exclusiviteit, is het interessant om de procentuele evolutie van de openbare steunverlening te confronteren met de bevolkingsevolutie. Spijtig genoeg zijn er voor het begin van de zeventiende eeuw geen armenrollen bewaard gebleven zodat we geen informatie hebben over het aantal en de structuur van de ondersteunde gezinnen. De bedragen die jaarlijks werden overhandigd aan de ontvangers-particulier, belast met de wekelijkse bedelingen in de afzonderlijke parochies, kunnen we terugvinden in de boekhoudkundige verslagen van de armenkamer. Vanaf 1634 werd in de jaarboeken gerekend met de bedragen die door de armenkamer werden bijgepast indien de inkomsten van de afzonderlijke parochies niet volstonden om de wekelijkse distributie te financieren. Traditiegetrouw bleef men wel de totale ontvangsten uit elke parochie noteren zodat we precies weten hoeveel de geldelijke steunverlening jaarlijks inhield.[142]
Voor de periode 1627-1631 beschikken we over een register waarin de armenlijsten van de afzonderlijke parochies werden bewaard. De steunlijsten werden opgesteld in de zomer van 1627 (deze valt in de jaarrekening van 1628 (1 mei 1627- 30 april 1628) ). Er werd voor elke afzonderlijke wijk ruimte vrijgelaten voor aanvullingen die gedurende alle maanden van het jaar konden plaatshebben. Het grootste deel van de aanvullingen betreft steuntrekkers die bij de aanvang van de wintermaanden werden genoteerd en waarvan de uitkeringen gewoonlijk werden voorzien tot Pasen. Op basis van dit register konden we vrij nauwkeurig het aantal en de gezinsstructuur van de bedeelden nagaan maar het is twijfelachtig of deze momentopname representatief is voor de gehele periode. Aangezien een deel van de steungerechtigden voortaan een bedelvergunning kreeg, was men immers in staat de steunlijsten aan te passen. We weten ook niet hoeveel personen een toelating kregen om te bedelen.
4.1.1 Kosten van de openbare steunverlening.
De wekelijkse distributie bleef de grootste uitgavenpost (gemiddeld ca. 35%) gedurende de eerste helft van de zeventiende eeuw. Het totale bedrag dat jaarlijks voor openbare ondersteuning werd voorzien, varieerde tussen de 812 ponden in 1602 en 1824 ponden in 1627. Het valt op dat, ondanks de saneringsmaatregelen vanaf 1626, de wekelijkse distributie in nominale waarde algemeen hoger lag in de periode die erop volgde. Indien men het totale bedrag van de wekelijkse distributie deelt door het aantal inwoners, krijgt men een idee van de kosten van de openbare onderstand per capita. Deze liggen in het decennium na 1626 iets hoger dan de voorgaande decennia. Twee mogelijke verklaringen, of een combinatie van beide, kunnen hiervoor verantwoordelijk zijn. De toegenomen verarming spoorde de armbestuurders aan om een relatief groter aantal gezinnen te ondersteunen. Anderzijds is het mogelijk dat de gouverneurs ervoor opteerden om, gezien de stijging van de algemene levensduurte, een hogere uitkering toe te kennen aan een beperkt aantal behoeftigen. Aangezien de versoepeling van de wetgeving omtrent bedelarij de mogelijkheid bood om het aantal uitkeringsgerechtigden te verminderen lijkt ons de tweede verklaring het meest waarschijnlijk.
Figuur 4.1 Gemiddelde kost van de publieke steunverlening per inwoner in groten Vlaams.
|
periode |
Openbare onderstand |
Bevolkingsaantal |
Gemiddeld bedrag/inwoner |
|
1606-15 |
235056 |
31073 |
7,56 |
|
1616-25 |
283020 |
37380 |
7,57 |
|
1626-35 |
346260 |
40797 |
8,48 |
Ter vergelijking: in de boekhoudkundige periode december 1584 – 30 april 1585 werd er voor een totaal bedrag van 1000 ponden (55% van de totale uitgaven) aan openbare ondersteuning voorzien, wat relatief veel is gezien de korte tijdsspanne.[143] Er dient wel op gewezen te worden dat deze rekening vooral de wintermaanden omvat. Hoewel de winter in dat jaar relatief zacht was, mag men er toch van uitgaan dat een groter aantal gezinnen tijdelijke ondersteuning genoot. Het is moeilijk om het aantal inwoners te schatten in deze periode onmiddellijk na de herovering van de stad. Enerzijds zou er met het einde van het calvinistische bewind een migratiestroom in gang worden gezet van inwoners die om politieke, godsdienstige of economische redenen Gent verlieten en anderzijds is het niet onwaarschijnlijk dat er in de stad nog een goot aantal gevluchte plattelandbewoners en tijdelijke immigranten verbleven. Voor de emigratiegolf zou de Gentse populatie op ongeveer 42000 inwoners mogen worden geschat.[144] Als we ervan uit mogen gaan dat dit cijfer iets was gedaald in de periode onmiddellijk volgend op de reconciliatie van de stad, lagen de gemiddelde kosten aan openbare onderstand per inwoner zeker zo hoog als in de zeventiende eeuw. Het geld voor de steunverlening was vooral afkomstig van de stedelijke financiën. In 1741 overhandigde de armenkamer 1512 ponden aan de ontvangers-particulier, belast met de wekelijkse bedeling.[145] Dit komt overeen met 19% van de totale fondsen die aan armenzorg werden besteed in dat jaar. De bevolking mag op dat moment geschat worden op ca. 44000 inwoners. De kosten van de openbare onderstand bedroegen gemiddeld 8,2 Vlaamse groten per inwoner en verschilden dus niet wezenlijk van de bedragen in het begin van de zeventiende eeuw.
4.1.2 Evolutie van de wekelijkse distributie.
Grafiek 4.2 Evolutie
van het bevolkingspeil, de wekelijkse distributie en de roggeprijzen te Gent
(3-jaarlijkse voortschrijdende gemiddelden).[146]

Indien we de evolutie van de wekelijkse bijstand vergelijken met de graanprijzen en de algemene bevolkingsontwikkeling, kunnen we nagaan in hoeverre er een verband bestond tussen de verschillende variabelen. De invloed van de roggeprijzen op het verloop van de wekelijkse distributie blijkt duidelijk uit de grafische voorstelling. Twee verklaringen, die elkaar niet uitsluiten, zijn hiervoor verantwoordelijk. Enerzijds werden de steuntarieven opgetrokken in duurtejaren en anderzijds kwamen meer gezinnen in de behoeftigheid terecht omdat hun inkomen niet langer toereikend was om de essentiële voedingsuitgaven te dekken. Ook de demografische ontwikkelingen kunnen rechtstreeks in verband worden gebracht met de curve van de wekelijkse bedeling. Het valt op dat de wekelijkse bedeling in de eerste decennia een stijgend verloop kende hoewel de roggeprijzen op een relatief laag niveau bleven. Aangezien de economie in deze periode een gunstige ontwikkeling kende en de levensstandaard van de loontrekkende bevolking relatief gunstig was, mag de stijging van de uitgaven aan openbare onderstand in verband worden gebracht met de demografische ontwikkeling. Aangezien een vroegmoderne samenleving gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van structurele armoede, impliceert een stijging van de bevolking ook een absolute stijging in het aantal armen. In de jaren twintig stegen de uitgaven aan steunverlening duidelijk sneller dan de bevolkingsevolutie. Vanaf 1616 tot 1627 wisselden jaren van strenge winters en jaren van duurte zich voortdurend af.[147] De stijging van de levensduurte impliceerde een dalende koopkracht voor de loontrekkers. Er was immers geen reden om de lonen op te trekken aangezien het aanbod groter was dan de vraag. Waarschijnlijk werden ook meer en meer arbeiders geconfronteerd met tijdelijke of structurele werkloosheid door de recessiefase die zich in dit decennium heeft voorgedaan. Deze factoren verklaren waarom meer gezinnen dan voordien in de behoeftigheid terecht kwamen en de uitgaven aan openbare onderstand in snel tempo stegen. Aangezien de financiële middelen van de armenkamer niet in dezelfde mate waren toegenomen was de toestand niet langer houdbaar. De geleidelijke afname van de wekelijkse distributie vanaf ca. 1626 kan waarschijnlijk evenzeer worden toegeschreven aan een doeltreffende financiële sanering van de armenkamer dan aan een verbetering in de materiële condities van de lagere klassen. De werkgelegenheid zou wel toenemen tegen het einde van de bestudeerde periode waardoor een verbetering in de bestaansvoorwaarde van de werkbekwame bevolking optrad. Het snelle economische herstel mag evenwel geen beeld oproepen van relatieve welstand. De lonen werden immers niet aangepast aan het algemene prijsniveau en vele arbeidersgezinnen verkeerden ondanks de gestegen werkgelegenheid in een situatie van reële behoeftigheid.
Grafiek 4.3 Jaarlijkse evolutie van de wekelijkse distributie in ponden Vlaams.

Om inzicht te krijgen in de factoren die invloed hebben uitgeoefend op de omvang van de geldelijke steunverlening, is het nuttig om de bedragen op jaarlijkse basis te analyseren. De afbakening van de jaren is gebaseerd op de boekhoudkundige indeling die door de armenkamer werd gehanteerd. De jaarrekeningen liepen van 1 mei tot 31 april en we hebben de gegevens van de graanprijzen die werden genoteerd op 30 november aangepast zodat ze in de periode van de rekenboeken vallen. Als we het hebben over de winter van 1608 is het de winter die tijdens deze boekhoudkundige periode viel (1607-1608). Dank zij de studie van J. Buisman beschikken we over informatie met betrekking tot de lengte en de strengheid van de wintermaanden.[148] Winters impliceerden in de pre-industriële samenleving een verhoging van het armoedeprobleem en deze had haar weerslag op de openbare steunverlening. De steuntarieven lagen in de winter het hoogst omdat de uitgaven stegen en de inkomsten daalden omwille van seizoenswerkloosheid en lagere lonen. Tijdens de wintermaanden werd aan een grotere groep behoeftigen tijdelijke steunverlening toegekend.
De jaren 1600 en 1601 waren strenge winters maar door de lage graanprijzen was het waarschijnlijk niet noodzakelijk om de steunverlening te verhogen. In 1608 stegen de uitgaven aan de openbare onderstand in aanzienlijke mate. In dit duurtejaar was er tevens een uitzonderlijk strenge winter, een dramatische samenloop van omstandigheden die niet vaak voorkwam. De kou was het hevigst in januari en februari.[149] Het is dan ook geen toeval dat men in de rekenboeken van de armenkamer voor de eerste maal de ontvangsten van een ‘extraordinaire ommegang’ ziet opduiken. Deze werd op 28 januari georganiseerd en was “geaccrediteerd bij sijne eerweerde ende schepenen vande Keure ter regarde vanden cauden winter”.[150] In 1609 was de winter relatief zacht maar lagen de graanprijzen nog iets hoger dan het jaar voordien. De steunverlening zakte tegenover het 1608 maar er werden wel extra kleren en schoeisel aangekocht voor een bedrag van 101 ponden Vlaams die men had verkregen door het verkopen van een rente. Tot 1615 vertoont de curve van de wekelijkse distributie een dalend verloop. In 1612, een duurtejaar, werd wel nog een bijzondere ommegang georganiseerd maar deze extra inkomsten weerspiegelen zich niet in een stijging van de geldelijke steunverlening. Vanaf 1616, strenge winter, tot 1619 bleef de wekelijkse bedeling aanhoudend toenemen. De gevolgen van de opeenvolgende duurtejaren 1617 en 1618 zullen waarschijnlijk in 1619 nog voelbaar zijn geweest. Het stijgende verloop van de curve van de wekelijkse bedeling werd enkel in 1620 onderbroken. Aangezien de jaarrekening van 1621 verloren is gegaan, weten we niet hoeveel de openbare onderstand in dit boekhoudkundige jaar koste. Drie opeenvolgende strenge winters (1620-1622), waarvan vooral 1621 buitengewoon streng was, hebben ervoor gezorgd dat ondanks de gedaalde graanprijzen toch meer gezinnen in de behoeftigheid terecht kwamen. Door de afloop van het Twaalfjarig Bestand en de hervatting van de krijgsverrichtingen, werden de graanprijzen de hoogte in gestuurd en steeg de demografische druk binnen de stadsmuren. Tussen 1620 en 1627 was er slechts een jaar (1625) waar de graanprijzen een iets lager niveau haalden en er geen strenge winter was geweest. De opeenvolging van moeilijke jaren heeft de koopkracht van grote delen van de bevolking gevoelig aangetast. De arbeiders leefden vanaf de jaren twintig op de rand van het bestaansminimum en bij duurtejaren kwamen zij en hun gezinnen onmiddellijk terecht in een situatie van reële behoeftigheid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de steunverlening in deze periode een stijgend verloop kende. Het deficit van de armenkamer was reeds opgelopen tot 864 ponden Vlaams in april 1626 en een grondige financiële sanering diende doorgevoerd te worden om de leefbaarheid van de instelling te garanderen. Dank zij het stedelijke voorgebod van 16 september 1626 konden voortaan bedelvergunningen worden toegekend aan werkonbekwame inwoners van de stad of immigranten van de zelfde categorie op voorwaarde dat zij minstens drie jaar in Gent hadden gewoond. Hoewel de armenkamer waarschijnlijk geconfronteerd werd met een toeloop van het aantal steunaanvragers, kon de druk op de fondsen enigszins worden verlicht. In het rekenjaar 1627 bereikte de wekelijkse bijstand een hoogtepunt en werd er bijna dubbel zo veel uitgegeven dan in de eerste decennia van de zeventiende eeuw. In 1628 was het deficit van de armenkamer, ondanks de iets lagere uitgaven aan openbare onderstand, verder toegenomen tot 1009 ponden Vlaams. Blijkbaar werd de financiële sanering van dan af grondiger doorgevoerd want in 1629 werd een heel deel minder uitgegeven aan de geldelijke steunverlening. De graanprijzen waren wel iets gedaald maar toch stelt men vast dat de curve van de wekelijkse distributie een licht dalend verloop vertoond dat contrasteert met de sterke stijging van de jaren twintig. Het duurtejaar 1631, de winter van 1635 en de hoge graanprijzen in 1640 hebben deze dalende tendens onderbroken maar niet teniet gedaan. Het dient wel vermeld te worden dat de werkgelegenheid in deze jaren terug was toegenomen door snelle heropleving van de economie.
Wegens het gebrek aan bronnenmateriaal is het onmogelijk om uitspraken te doen over het aantal bedeelden en de toegekende steun per capita voor het begin van de zeventiende eeuw. Voor bepaalde jaren konden we achterhalen hoeveel paar schoenen werden aangekocht: 1600: 978; 1605: 983; 1611: 1043; 1615: 1373; 1616: 1430; 1618: ca. 1459; 1619: ca. 1354; 1620: ca. 1246; 1624: 1123.[151] Deze werden bezorgd aan de steungerechtigde huisarmen maar ook aan de kinderen, ouderen en krankzinnigen in de instellingen die onder het beheer van de armenkamer stonden. Op deze post werd vanaf de jaren twintig stevig bezuinigd zodat het gewaagd is om uitspraken te doen over het aantal ondersteunde armen. De enige bron die ons kwantitatieve en kwalitatieve informatie biedt over het ondersteunde deel van de bevolking is het register van de armenrollen dat spijtig genoeg enkel voor de jaren 1627-1631 bewaard is gebleven. Hierin werden de bedeelden, hun gezinsstructuur en het bedrag van de toegekende steun genoteerd per parochie. De lijsten werden voortdurend aangepast en aangevuld zodat het bijzonder moeilijk is om voor elk jaar het precieze aantal ondersteunden te achterhalen. Voor 1627 was dit wel mogelijk omdat de latere aanpassingen op paleografisch vlak duidelijke verschillen vertonen en normaal gezien van datum werden voorzien. Het is niet evident om voor de volgende jaren een totaalbeeld te krijgen aangezien meestal niet werd genoteerd wanneer de gezinnen van de lijsten werden geschrapt. We hebben voor de afzonderlijke parochies het aantal bedeelden in 1627 in tabellen gezet. Bijkomende informatie zoals de reden waarom de uitkeringen werden stopgezet, het beroep of de gezondheidstoestand van de bedeelden hebben we voor de hele periode onderzocht omdat deze gegevens ons interessante kwalitatieve informatie opleveren die we anders niet op het spoor zouden komen. De steunlijsten werden niet overal met even veel zorg bijgehouden, zodat het niet nuttig zou zijn om deze gegevens per parochie of jaar te groeperen. Het nadeel is dat we voor deze inlichtingen moeilijk een procentuele evaluatie kunnen maken. Om toch een idee te geven van het totale aantal gezinnen dat in het register werd genoteerd over de gehele periode, mag het aantal geschat worden op een duizendtal. Een exact aantal is moeilijk vast te stellen aangezien de bedeelden vaak werden geschrapt of elders in het register op een andere datum opduiken (bijvoorbeeld bij verhuis of besteding van kinderen).
4.2.1 De bedeelden: aantal en gezinsstructuur.
Aantal bedeelden te Gent in 1627
Over de zeven parochies verspreid genoten 553 gezinnen in 1627 van de openbare steunverlening. De stad telde in dit jaar naar schatting 39384 inwoners.[152] Het aantal personen dat door de armenkamer werd ondersteund, maakte ongeveer vier procent uit van de totale Gentse bevolking. Uit dit relatief laag percentage mag men uiteraard niet besluiten dat het pauperisme in omvang was beperkt. De gegevens uit de armenlijsten verschaffen enkel informatie over het bevolkingsdeel dat ondersteuning genoot van de stedelijke armenkamer. Met uitzondering van de enkele ambachtsmeesters die een beroep konden doen op de bijstandskas van hun gilde bevatten de lijsten de namen van alle bedeelde personen. Behoeftigen die een bedelvergunning hadden verkregen van de armmeesters kwamen niet op de lijsten voor. Dat de openbare onderstand slechts een kleine groep noodlijdende bereikte, kan ook in andere vroegmoderne stedelijke gemeenschappen worden vastgesteld. In Antwerpen werden in 1621 op een totale bevolking van ca. 54000 inwoners slechts 1245 thuiszittende armen (2,3%) door de weekboeken bedeeld. Hierbij moet wel rekening worden gehouden dat de occasioneel ondersteunden tijdens de wintermaanden een apart bedelingsysteem hadden gekregen, waardoor het totale aantal uitkeringsgerechtigden iets hoger mag worden geschat.[153]
Gezinsstructuur van de bedeelden in 1627
Figuur 4.4 Gezinsstructuur van de huishoudens ondersteund door de armenkamer te Gent in 1627
|
|
met kinderen |
|
zonder kinderen |
|
totaal |
|
Echtpaar |
107 |
19% |
27 |
5% |
134 |
|
alleenstaande man |
21 |
4% |
53 |
10% |
74 |
|
alleenstaande vrouw |
30 |
5% |
88 |
16% |
118 |
|
Weduwe |
89 |
16% |
116 |
21% |
205 |
|
bestede kind/andere |
13 |
2% |
9 |
2% |
22 |
|
Totaal |
260 |
47% |
293 |
53% |
553 |
|
aantal personen |
1295 |
|
320 |
|
1615 |
Door een analyse van de demografische structuur van de ondersteunde gezinnen kunnen we trachten aan te geven in hoeverre de huishoudens van de bedeelden al dan niet afweken van de andere sociale groepen van de Gentse samenleving en of de armenkamer een vergrote aandacht toonde voor specifieke groepen armen. Op basis van het register van de armenrollen hebben we de bedeelden gecategoriseerd in huishoudens met of zonder kinderen en met twee of een gezinshoofd. De categorieën van huishoudens zonder kinderen ten laste zijn in het totaal net iets meer vertegenwoordigd. Het betreft hier vooral de structurele armen: personen die door hun kwetsbare positie op de arbeidsmarkt niet in staat waren om voor eigen inkomsten in te staan (bejaarden, weduwen en zieken). Bijna de helft van alle bedeelde huishoudens telden slechts een enkele persoon. Het valt op dat zo goed als alle bedelingseenheden bestaan uit een kerngezin, beperkt tot een of twee generaties. Heel uitzonderlijk kwam het voor dat ouders in het huishouden van hun kinderen bijwoonden en er zijn enkele gevallen waar de grootouders instaan voor de opvoeding van hun kleinkinderen. Ook samenwonende verwanten (broers of zussen) kwamen sporadisch voor maar hun aantal is verwaarloosbaar klein. Veruit de grootste categorie bedeelden bestaat uit alleenstaanden (75%), voornamelijk vrouwen (58%). Het aantal alleenstaande mannen is beduidend lager (14%) wat erop wijst dat mannen in de toenmalige perceptie van de armoedeproblematiek minder snel onder de categorie van invalide armen werden gerekend. Enkel indien zij door ouderdom, ziekte of hoge kinderlast niet in staat waren met werken in hun levensonderhoud van hun gezin te voorzien, kwamen zij voor bijkomende ondersteuning in aanmerking. De oververtegenwoordiging van het aantal alleenstaanden (met of zonder kinderen ten laste) wordt enigszins beperkt door het grote aantal echtparen met kinderen (19%). Opvallend is dat gezinnen met kinderen bijna de helft van alle bedeelde huishoudens vertegenwoordigden, wat erop wijst dat grote gezinnen bij overlijden, ziekte of werkloosheid van het gezinshoofd op steunverlenende instellingen waren aangewezen. In principe werden valide gezinshoofden uitgesloten van de openbare steunverlening. Van deze regel werd afgeweken indien de kinderlast bijzonder groot was.
Het mag duidelijk zijn dat de Gentse bedeelden verschilden qua gezinsstructuur van de globale stedelijke bevolking. Een gelijkaardige discrepantie werd vastgesteld in andere Europese steden. Arme huishoudens waren gewoonlijk relatief klein en slechts sporadisch samengesteld uit een volledig kerngezin met beide ouders. In de meeste van de onderzochte steden bestond zelfs meer dan de helft van de bedeelden uit single huishoudens, meestal weduwen.[154] De geslachtsverhouding in alle steden tonen een duidelijk overwicht aan vrouwen (zie figuur 4.5). Gent beantwoordt aan deze typering wat betreft de oververtegenwoordiging van vrouwen, maar is eerder atypisch door de relatief grote omvang van de huishoudens (gemiddeld 2,9 personen), die zoals aangegeven, in de meeste Europese armengemeentes eerder beperkt was. De reden hiervoor is dat bijna de helft van de ondersteunde huishoudens kinderen ten laste hadden en de gemiddelde kinderlast relatief hoog was, namelijk 3,66. In de Antwerpse weekboeken werden gelijkaardige gemiddelden aangetroffen.[155] Het zou interessant zijn om na te gaan of de grote gezinsomvang van de ondersteunde bevolking typisch was voor de Zuid-Nederlandse steden en of deze verklaard kan worden door de gehanteerde selectiecriteria. In de achttiende eeuw blijkt de gemiddelde gezinsomvang van de bedeelde te Gent te zijn gedaald tot ca. 2,1 personen.[156]
Figuur 4.5 Geslachtsverhouding tussen bedeelden vergeleken met andere Europese steden.[157]
|
|
mannen% |
vrouwen% |
|
Straatsburg 1523 |
31 |
69 |
|
Toledo 1573 |
37 |
63 |
|
Antwerpen 1610 |
23 |
77 |
|
Gent 1627 |
19 |
80 |
|
Antwerpen 1649 |
14 |
86 |
|
Antwerpen 1679 |
29 |
71 |
|
Würzburg 1791 |
18 |
82 |
|
Grenoble 1771 |
33 |
67 |
Het grote aantal alleenstaande vrouwen kan uiteraard slechts gedeeltelijk verklaard worden door het vrouwenoverschot dat inherent is aan de meeste vroegmoderne stedelijke gemeenschappen.[158] Vooral in tijden van verminderde welvaart was het aantal vrouwen proportioneel hoger dan het aantal mannen. Bovendien verplichte de verminderde werkgelegenheid vaak het gezinshoofd om zijn huishouden achter te laten op zoek naar werk. Vrouwenarbeid werd over het algemeen slechts de helft betaald van mannenarbeid, zodat het voor alleenstaande vrouwen zo goed als onmogelijk was een gezin te onderhouden. Daarnaast mag ook een cultureel-ideologische factor niet over het hoofd worden gezien. De traditionele evangelische opvatting van de kwetsbaarheid van een vrouw impliceerde dat hun armoede minder in vraag werd gesteld en er minder nood was aan rechtvaardiging in geval van steunverlening.[159]
Niet enkel de geslachtsverhoudingen maar ook de leeftijdsstructuur van de bedeelden verschilde met de leeftijdssamenstelling van de globale bevolking. Zowel kinderen als ouderlingen waren oververtegenwoordigd in de steunlijsten. Op het totale aantal ondersteunden: 1615 waren 928 kinderen en minstens 199 ouderen, samen goed voor ongeveer 70 procent.[160] Dit betekend dat slecht 30 procent van de ondersteunde bevolking in de leeftijdscategorie van de actieve bevolking kan worden gerekend. Het dient aangegeven te worden dat in de vroegmoderne steden doorgaans een lage en gunstige ‘depency ratio’ of afhankelijkheidslast voorkwam, van de orde van 0,6 (passieve/actieve bevolking).[161] Het grote aantal ouderen en kinderen en vrouwen wijst erop dat de bedeelden niet als een marginale klasse kunnen beschouwd worden maar dat hun armoede veroorzaakt werd door de structurele kwetsbaarheid die voortvloeide uit de invaliditeit op de arbeidsmarkt. De sociale structuren en normen van de vroegmoderne samenleving impliceerden immers dat de overgrote meerderheid van de bevolking in meerdere fasen van de levenscyclus in de behoeftigheid terecht konden komen.
R. Smith formuleerde de ‘nuclear hardship’ hypothese om te refereren naar de moeilijkheden gesteld aan individuen wanneer sociale regels hen verplichten te leven in een kerngezin.[162] Het kerngezin werd als sociale norm beschouwd en het huwelijk werd uitgesteld tot men voldoende financiële onafhankelijkheid had verworven om een eigen verblijfplaats te bekostigen. Ieder lid van het gezin diende en steentje bij te dragen aan het gezinsinkomen. De adaptieve gezinseconomie en de kleine omvang van het kerngezin impliceerde dat gezinnen in meerdere fasen van de levenscyclus in moeilijkheden terecht konden komen. Kinderen, en zeker pasgeborenen, vormden een aanzienlijke belasting op het familiale inkomen. Een eerste fase van verarming duurde tot ongeveer de leeftijd van vijftien jaar, wanneer de kinderen zelf konden gaan werken om bij te dragen aan de gezinseconomie. Deze leeftijdsgrens werd door de meeste armbesturen als norm voor economische onafhankelijkheid beschouwd. Vele arme gezinnen waren echter genoodzaakt om de grens te trekken bij de leeftijd van twaalf jaar of zelfs vroeger. Jongens werden verplicht om buitenshuis te gaan werken en hadden meer kans om ontwricht te geraken van hun families dan meisjes, die konden ingeschakeld worden in de huisnijverheid en vaak tot op hun huwelijksleeftijd thuis bleven wonen.[163] In de steunlijsten van de armenkamer treft men vaak jongeren aan die een opleiding konden genieten dank zij de openbare onderstand. Zij werden van de lijsten geschrapt als de Heilige Geestmeesters oordeelden dat ze oud genoeg waren om de kost te verdienen of als ze hun ambacht hadden geleerd. Deze pauperkinderen waren zowel weeskinderen en achtergelaten kinderen als telgen uit arme gezinnen die door de armenkamer werden geplaatst. In het laatste geval werd de steunverlening aan hun ouders meestal stopgezet.
In deze leeftijdscategorie was het verlies van een van de ouders, meestal de vader, door overlijden of verlating een belangrijke oorzaak voor verarming. Uit hospitaalregisters in verschillende Europese steden blijkt dat bij de overgrote meerderheid van de arme kinderen de vader was gestorven of verdwenen.[164] In het voorgebod van 1626 werd in strenge bewoording uitgehaald naar gezinshoofden die hun familie achterlieten. Zij moesten toelating vragen aan de armbestuurders om te vertrekken en riskeerde verbannen te worden indien zij dit niet deden. Dat gezinsontwrichting een vaak voorkomend gegeven was blijkt uit de armenlijsten. In 39 gevallen werden gezinsleden ondersteund omdat iemand van de ouders, meestal de vader, het gezin had verlaten of tijdelijk had achtergelaten. Drie keer kwam het voor dat beide ouders waren verdwenen. Blijkbaar gaf de recessiefase in de economie aanleiding tot arbeidsmigratie. In de lijsten staat immers meermaals vermeld dat de kostwinner op zoek was naar werk. Ook echtelijke conflicten konden aanleiding geven tot gezinsontwrichting. In twee gevallen verleende de armenkamer bijstand aan een gescheiden vrouw maar eiste dat ze terug zou trouwen met haar man. Dit wijst erop dat de armenzorg gehanteerd werd om het gezinsleven van de lagere klassen te controleren. De openbare steunverlening kon invloed uitoefenen op het gezinsleven door de bedeelde armen een juiste gezinsmoraal bij te brengen en overtreders van de steunlijsten te schrappen. Tijdelijke ondersteuning kon worden voorzien zolang het gezinshoofd van huis was.
Een tweede fase manifesteerde zich ruwweg tussen 35 en 50 jaar en betrof diegene die op het einde van hun twintiger jaren getrouwd waren en waarvan het reële inkomen omgekeerd evenredig was met het aantal kinderen ten laste. Ook in deze fase van de levenscyclus was het overlijden van de kostwinner dramatisch voor de wederhelft en nabestaanden. Deze oversterfte verklaart ook het grote aantal eenoudergezinnen dat door de armenkamer ondersteund werd. Een derde fase van verarming trad op bij ouderdom wanneer men niet langer in staat was de kost te verdienen en, voor zover de sociale regels van het kerngezin strikt werden toegepast, niet kon terugvallen op bijstand van naaste familieleden. Uit de studie van P. Laslett blijkt dat de ‘nuclear hardship’ hypothese genuanceerd dient te worden. Volgens zijn berekeningen mag het aantal complexe huishoudens in preïndustrieel Engeland, dat nochtans wordt gekenmerkt door het West-Europese restrictieve huwelijkspatroon, op vijftien procent worden geschat. Het grootste deel van deze huishoudens herbergden drie generaties en volgens Laslett was het een gangbare praktijk dat oude mensen bij hun gehuwde kinderen kwamen inwonen of andersom dat kinderen terug in het huishouden van hun ouders terecht konden in geval van nood, in het bijzonder bij overleden van hun echtgenoot. Weeskinderen werden niet a a-priori aan hun lot overgelaten maar konden op opvang rekenen door grootouders of andere familieleden. Er dient wel op gewezen te worden dat deze vormen van opvang enkel mogelijk waren in geval van uitnodiging en niet als een sociaal recht kunnen beschouwd worden.[165] In deze context zou het interessant zijn om een gedifferentieerde analyse van de gezinsstructuur op te stellen die rekening houdt met het inkomen van de betrokken gezinnen. Het is niet ondenkbaar dat het kerngezin bij lagere klassen in een consistentere vorm voorkwam omdat zij niet over de financiële capaciteiten beschikten om invaliden of bejaarden op te vangen. We beschikken niet over gegevens van de Gentse samenleving maar het lijkt aannemelijk dat ook hier solidariteitsbanden bestonden die ervoor zorgden dat behoeftige familieleden konden terugvallen op verwanten, waarvan de bestaansbasis niet werd aangetast door de opneming van een minder productief lid. Uit de Gentse armenlijsten blijkt dat samenleven van ouders bij hun volwassen kinderen slechts sporadisch voorkwam onder de ondersteunde bevolking. Op de steunlijsten kwamen uiteraard vooral de noodlijdenden voor die niet konden terugvallen op familiebanden en die bestempeld kunnen worden als slachtoffers van ‘nuclear hardship’: weeskinderen, weduwen en weduwnaars en ouderlingen.
4.2.2 Socio-professionele onderverdeling
Figuur 4.6 Beroepen aangetroffen in de steunlijsten (1627-1633)
|
textielarbeiders |
|
(haven)arbeiders |
|
bouwsector |
|
andere beroepen |
|
||
|
Linnenwever |
3 |
Bootsgezel |
4 |
metster |
2 |
coopman |
1 |
spielman |
1 |
|
wollenwever |
5 |
waghen crudere |
1 |
metsercnape |
3 |
viscooper |
1 |
tambourijn |
2 |
|
passementwever |
1 |
Wagheneer |
2 |
schrijnwerker |
1 |
brouwer |
1 |
pachter |
1 |
|
Wasseresse |
4 |
Tonnendrager |
1 |
timmerman |
1 |
beenhouwer |
1 |
|
|
|
schoenlapper |
7 |
Dragher |
1 |
schilder |
1 |
bode |
1 |
|
|
|
hoestoffeerder |
1 |
drayer van de poort |
1 |
|
|
assistent |
2 |
|
|
|
Saelmaker |
1 |
pompel drayer |
1 |
|
|
spelmaker |
1 |
|
|
|
Lijndrapier |
2 |
Mesraper |
5 |
|
|
mandemaker |
1 |
|
|
|
Kleermaker |
3 |
Arbeyder |
8 |
|
|
soldaat |
9 |
|
|
|
Leertouwer |
2 |
|
|
|
|
Officier |
3 |
|
|
|
Totaal |
29 |
|
24 |
|
8 |
|
|
|
13 |
Over het algemeen gaven de armenlijsten te weinig informatie over de beroepsactiviteiten om representatieve analyses toe te laten. De kans is groot dat de steunlijsten vooral de minder frequente beroepen vermelden. Het beroep van de bedeelden werd in ieder geval niet altijd vermeld, zodat het moeilijk is om procentuele uitspraken te doen over de beroepsactiviteiten van de ondersteunde klassen. Vrouwenarbeid was zelden corporatief georganiseerd en nam meestal minder opvallende vormen aan. Binnen de patriarchale ambachtswereld namen vrouwen een ondergeschikte positie in die niet los kan gezien worden van het heersende genderpatroon in de vroegmoderne samenleving.[166] Aangezien aan de professionele activiteiten van vrouwen zelden een status werd verleend, werden deze bijna nooit in de steunlijsten genoteerd.[167] Uit het overzicht van de beroepen die werden aangetroffen, kunnen we wel besluiten dat er een grote socio-professionele diversiteit bestond onder de bedeelden. Hieruit zouden we kunnen afleiden dat de bedeelden geen marginale groep vormden, maar behoorden tot de overgrote meerderheid van de samenleving die op de rand van het bestaansminimum leefden en in moeilijke fasen van de gezinscyclus of door onvoorziene omstandigheden tijdelijk of permanent in de behoeftigheid terecht kwamen.
Het overwicht van textielarbeiders is niet enkel representatief voor de gehele Gentse samenleving, maar is ook inherent aan de sector waarin uiterst lage lonen werden betaald. Deze groep was dominant aanwezig in de steunlijsten en vormde daarmee geen uitzondering wat betreft andere Europese steden.[168] Van de textielarbeiders mag worden aangenomen dat zij op de rand van het bestaansminimum leefden. Hoewel zij te Gent de titel van ‘meester’ droegen, kan aan dit statuut niet veel betekenis worden verleend. In realiteit vloeide de zogezegde zelfstandige positie enkel voort uit de structuur van de nijverheid en de handel. Aan de bekwaamheidsproef werd niet veel aandacht besteed en zelfs vreemdelingen konden lid worden van het ambacht. De corporatieve organisatie was uitgehold tot een stedelijk bedrijfskader en werd gedomineerd door de kooplieden, die in het bestuur zetelden.[169] Zij hadden er alle belang bij dat de exportnijverheden van voldoende arbeidskrachten werden voorzien om druk te kunnen uitoefenen op de lonen. Het inkomen van schoen- en kleermakers was blijkbaar niet altijd toereikend om in hun levensonderhoud te voorzien. Misschien verklaard hun relatief grote aanwezigheid op de steunlijsten en de weinig rooskleurige materiële conditie die hieruit kan afgeleid worden ook het feit dat tegen hen in de stedelijke voorgeboden regelmatig strafmaatregelen werden uitgesproken voo