| Sluikpers. Antwerpen, 1940-1944. (Gert De Prins) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk 2. De Vroegste Sluikbladen
In Antwerpen werden meerdere sluikbladen gedrukt onder de titel De Vrijheid. Chronologisch gezien volgden ze elkaar op, maar een en ander leidde na de bezetting tot een zekere naijver. Het komt de overzichtelijkheid van het geheel bepaald niet ten goede. In de dossiers werd naar de eerste uitgave, die verscheen in 1940, regelmatig verwezen als De Vrijheid I, samengesteld door de ‘groep Van Geffen’. De Vrijheid II was dan de uitgave van 1941 en 1942, die gedrukt werd door de ‘groep Buysaert’. Naar analogie met deze verdeling werd soms verwezen naar De Vrijheid III. Het ging daarbij dan om de laatste drie nummers, die de ‘groep Riquier’ uitbracht na de aanhouding van Carlo Buysaert.
Tussen de verschillende ‘groepen’ is nochtans een zekere continuïteit zichtbaar. De onderverdeling wordt hier aangehouden omwille van de duidelijkheid.
De Vrijheid I
De groep die de eerste versie van De Vrijheid uitgaf, mag niet gezien worden als een strikt georganiseerd verband. Dirk Martin sprak over hen als de ‘habitués’ van El Bardo, het café van het Luna-theater op de St.-Jacobsmarkt.[63] Het was waarschijnlijk nog niet zo ver naast de waarheid. Het initiatief vlugschriften of sluikkrantjes te drukken, werd genomen kort na de aanvang van de bezetting. De beweegreden leek vooral een patriottische afkeer van de bezetting te zijn - al hadden de leden een aantal banden met het politiek liberale milieu. De rol van John Van Geffen in het tot stand komen van het geheel was vrij groot:
“De Heer John Van Geffen kennende sinds mijne jeugdjaren en later bij mij komende op café El Bardo, vroeg mij als vriend besprekingen te kunnen voeren in een klein vertrek, dienst doende als vergaderzaal, om met enige vrienden een weerstandsblad uit te geven, waarop ik eveneens tegenwoordig bleef en aktief deelnam.”[64]
Van Geffen was betrokken bij het Nationaal Werk der Oorlogsinvalieden. Daar had Corneel Heynen, oud-strijder van de Eerste Wereldoorlog, hem leren kennen en mogelijk dus ook Arnold Segers, die eveneens oud-strijder was.[65] Louis Van Coppenolle, die de eerste uitgaven van De Vrijheid drukte, was voorzitter van een Verbroedering van oud-militairen.[66] De Eerste Wereldoorlog was trouwens niet ver weg in El Bardo: in oktober 1914 werd het gebruikt als een noodonderkomen voor de vluchtelingen.[67]
Behalve John Van Geffen en Arnold Segers waren ook John Beuckeleers, advocaat Georges Debroux, Jan Verhaeghe en John Janssens betrokken bij de eerste De Vrijheid. In het lokaal El Bardo had men daarnaast ook nog geregeld contact met advocaat Paul Gryspeerdt.[68]
Er zou door Arnold Segers al een eerste vlugschrift zijn gedrukt in juli 1940.[69] De eerste echte uitgave van De Vrijheid werd pas een maand later gedrukt, in augustus 1940. John Janssens had daarvoor een hoofding getekend: links van de titel stond nu een Vrijheidsbeeld. Hij zou nog tot 1942 bladen verdelen, maar slechts in kleine aantallen.[70] John Van Geffen had ondertussen contact met Louis Van Coppenolle, van wie hij wist dat hij als secretaris van de Union des Armateurs beschikte over een stencilmachine. De volgende nummers werden door hem gedrukt. Nog volgens Van Geffen zouden de heren De Bosschere en De Bruyn, directeur respectievelijk vice-directeur van de Union des Armateurs, hebben ingestemd met deze gang van zaken. De nummers verschenen dan in augustus, september en oktober, telkens op ongeveer tweehonderd exemplaren.[71] De teksten werden onder meer ingeleverd door Jan Verhaeghe, die ze direct aan Van Geffen overhandigde, of via Segers in El Bardo.[72]
In oktober werd de werking stopgezet. De reden hiervoor is niet duidelijk. In zijn eigen verklaring liet hij optekenen: “Wegens gebabbel in het openbaar zet ik mijn werking na anderhalve maand met Van Coppenolle stop.”[73] In de historiek van het blad schreef hij: “Onraad! Meester Gryspeerdt raadt aan te stoppen met uitgeven van Vrijheid I.”[74] Louis Van Coppenolle zelf overleed korte tijd na de bevrijding. Van hem zijn geen verklaringen bewaard.[75]
De Vrijheid II: ‘Voor Vrijheid, Vorst en Vaderland’
Waar de groep die De Vrijheid I opstelde eerder losjes georganiseerd was rond het lokaal El Bardo en vooral steunde op patriottische gevoelens en oude vriendschapsbanden, was dat geheel anders voor de groep rond De Vrijheid II. De centrale figuur was Carlo Buysaert en de groep rond hem was duidelijk jonger en steunde sterk op de Antwerpse advocatuur. Bovendien waren er nu veel duidelijker banden met de liberale partij dan bij de eerste groep het geval was.
Buysaert had de eerste stappen in de richting van het verzet al genomen in de zomer van 1940, nadat hij erin geslaagd was zijn krijgsgevangenschap te ontvluchten. Hij was lange tijd actief geweest in de Liberale Jonge Wacht en hoopte van daaruit een aantal initiatieven te kunnen starten. Een eerste ontmoeting met het hoofdbestuur leverde niets op. Een meer zekere basis vond hij in een locale afdeling van de Liberale Jonge Wacht, in de achtste wijk.[76] Voor die vergadering had hij ook Willy Koninckx uitgenodigd, secretaris van de liberale schepen Eric Sasse. De activiteit van de groep beperkte zich voorlopig nog tot het verzamelen van “namen van belgen die zich met propaganda voor den bezetter inlieten”.[77]
Het uitgeven van een eigen sluikblad was een volgende stap:
“Intusschen had ik reeds persoonlijk het initiatief genomen een sluikblad uit te geven en stelde mij daartoe in verbinding met een vriend, namelijk dhr. Van Coppenolle […]. Na enkele vergaderingen met dhr. Van Coppenolle, waarbij zich later op mijn verzoek ook dhr. Debroux Georges voegde, kwamen wij ertoe een eerste blad uit te geven begin December 1940. Dit blad droeg als titel De Vrijheid.”[78]
Volgens John Van Geffen - die in deze nochtans geen toeschouwer op de eerste rij was - werd het contact gelegd door Van Coppenolle zelf.[79] Dat Buysaert net Van Coppenolle en Debroux aansprak in verband met de sluikpers; dat die ontmoeting plaatsvond op het moment dat De Vrijheid I net opgehouden had te bestaan; en dat hij daarbij ook de titel overnam, kan bezwaarlijk een toeval zijn. Buysaert had besloten De Vrijheid opnieuw uit te geven. Wat Van Geffen frustreerde was dat Buysaert dit nooit toegaf:
“Na de bevrijding ontmoet ik Buysaert op de overzetboot en vroeg hem voor wie hij gewerkt had, waarop hij antwoordde: ‘Ik wil me niet aansluiten want ik werkte alleen voor mijn liberale partij’ en hij beweerde enkel zijn door hem uitgegeven blad De Vrijheid te erkennen.”[80]
Het is overigens interessant dat Carlo Buysaert zelf nooit over De Vrijheid I, II en III sprak, maar slechts over De Vrijheid. Jan Verhaeghe zag het eenvoudiger. Hij verklaarde later over de discussie:
“Ik denk dat zowel Van Geffen als Buysaert in deze kwestie gelijk hebben: wat is er van het standpunt van oud-liberalen als Van Geffen en Buysaert natuurlijker dan dat zij aan hun sluikbladen de titel van De Vrijheid zouden schenken. Hunne twee blaadjes waren verschillend van hoofd, van formaat, enz. De medewerkers van het ene waren niet de medewerkers van het andere. Naar mijn bescheiden mening hoeven die twee zaken gesplitst en is zowel Buysaert als Van Geffen stichter van een groep en oprichter van een sluikblad, en Van Geffen zowel als Buysaert.”[81]
De medewerkers van Buysaert waren voornamelijk advocaten: Georges Debroux, Frans De Hondt, Herman Van Snick, Louis Joris, Jules Gepts, Paul Gryspeerdt en Robert Bibauw. Louis Joris was daarenboven volksvertegenwoordiger sinds 1926.[82] Gilberte Buysaert, zuster van Carlo Buysaert en echtgenote van Jules Gepts, was als ‘redactiesecretaresse’ betrokken bij De Vrijheid.[83]
Behalve Van Coppenolle en Debroux werd ook Willy Koninckx door Buysaert zelf gecontacteerd:
“De Heer Carlo Buysaert […] is mij ten stadhuize van Antwerpen op het einde van 1940 komen spreken over de stichting van een sluikblad dat den titel De Vrijheid zou dragen en zou opgevat worden als een inlichtings- en discussieorgaan voor vrijzinnige Vlamingen.”[84]
De medewerking van Herman Van Snick werd gevraagd door Frans De Hondt en Georges Debroux, oud-studiegenoten en confraters van hem aan de Antwerpse balie.[85]
De onderneming zou bekostigd zijn geweest door de advocaten Winkelmolen en Paul Gryspeerdt; door Eric Sasse; door Henri Buscher, die een apotheek uitbaatte aan de Suikerrui, door Eugeen Verschueren en door Carlo Buysaert zelf.[86] Eugeen Verschueren stelde overigens zijn gebouwen ter beschikking van “de clandestiene groep ‘Herleving’” - een groep die niet nader omschreven werd.[87]
Het drukken van een sluikblad
Eigenaardig genoeg moest de groep, ondanks haar maatschappelijk gewicht, een beroep doen op anderen om De Vrijheid gedrukt te krijgen. Het eerste nummer werd in december 1940 gedrukt door Louis Van Coppenolle op de Union des Armateurs. Van Coppenolle trok zich daarna terug, volgens Buysaert om “familiale redenen”.[88] Nieuwe contacten werden gezocht en gevonden via Isidoor De Brauwere. De stencil voor het tweede nummer kon hij opmaken bij een zekere advocaat Koll, die op de Italiëlei woonde. Frans Verstraeten, een bediende van de Agence Maritime Internationale, zorgde voor het afdrukken ervan. Het derde nummer werd volledig opgesteld op de Agence.[89]
Klik op te vergroten
Afbeelding 2: ‘De Vrijheid’, nr. 9 (oktober 1941) (Amsab - Centrum Antwerpen)
Daarna volgde een onderbreking van enkele maanden. De reden hiervan is niet erg duidelijk, maar wanneer het vierde nummer van De Vrijheid verscheen in juni 1941, was dit niet meer gedrukt op de Agence. De Hondt had Andreas Wijn, één van zijn contacten uit de Liberale Jonge Wacht, kunnen overtuigen: “Nadat hij mij het gevaar welke daaraan verbonden was, had doen opmerken, nam ik het aan.”[90] Langs De Hondt kreeg Wijn dan de stencils en het nodige papier, en drukte zo ongeveer driehonderd exemplaren per uitgave. Hij gebruikte daarvoor de stencilmachine van de Belgische Turnbond die bij hem thuis opgesteld stond, aan de Antwerpsesteenweg in Hemiksem.
Hij verrichte dit werk een aantal maanden alleen, waarna hij hulp kreeg van Jan Frans Wijnen en Isidoor De Brauwere. Ze waren hem toegestuurd via De Hondt.[91] Het juiste moment waarop dit gebeurde, is moeilijk te bepalen. Allicht was het de maand september of oktober 1941.[92]
Wat volgde is niet sluitend te bepalen. Zeker is dat er vervolgens gedurende korte tijd gedrukt werd bij architect Emile Janssens in de Jozef Wautersstraat in Berchem. De stencilmachine zou er op de eerste verdieping geïnstalleerd zijn geweest, in de tekenkamer. Drukkers waren nog steeds Wijnen en De Brauwere, nu geholpen door Emile Janssens en zijn zoon Paul Janssens.[93] De oplage van De Vrijheid moet op dat moment ongeveer vijfhonderd exemplaren zijn geweest. Nieuwe Duitse overburen maakten het werk in de tekenkamer - die een groot raam had langs de straatzijde - onmogelijk.[94] Het stencilapparaat zou wegens een defect bij Janssens zijn opgehaald door Jan De Kok, die het na herstelling bij Buysaert bracht.[95] Buysaert was blijkbaar niet in staat het apparaat zelf te bedienen: de zoon van Jan De Kok kwam het hem tonen, en moest daarbij een exemplaar drukken van… De Vrijheid.[96]
De laatste uitgaven zouden zijn gedrukt op het kantoor van August Champy, dat gelegen was aan de Oude Koornmarkt.
Arrestaties
Carlo Buysaert werd gearresteerd op 27 juli 1942. Het was een gevolg van zijn activiteit in het gewapend verzet. De contacten met Breughelmans en Paul Hoornaert van het Nationaal Legioen waren onbevredigend en werden verbroken. Via Debroux kwam Buysaert in contact met een zekere Blockx die net als Debroux advocaat was aan de Antwerpse balie. Het was mogelijk ook Debroux die hem later bij Willy Bernaert bracht.[97]
Buysaert was niet de enige die contacten had met de inlichtingendiensten. Willy Koninckx kon berichten doorgeven aan Londen via Harold Petri, de Zweedse consul-generaal in België. De contacten bleven behouden, ook na het sluiten van het Zweedse consulaat in september 1941. Omgekeerd bezorgde Petri hem Zweedse kranten, waarop Koninckx zich baseerde voor het opstellen van de buitenlandse berichten in De Vrijheid.[98] Willy Bernaert zelf had eveneens contacten met Zweden.
Met Bernaert, een door het Britse War Office geparachuteerd agent, richtte men een verzetsgroep op in het Kempische Olen.[99] Een tweede agent die hen door het War Office gezonden werd, kon echter door de Duitse politie onderschept worden. Naar de ontmoeting in Antwerpen zonden ze hun eigen agent, om Buysaert en Bernaert te kunnen betrappen. De aanhoudingen werden uitgevoerd op 27 juli 1942 door de Geheime Feldpolizei in café Lido op de Antwerpse Linkeroever.[100]
De Vrijheid III
Na de aanhouding van Carlo Buysaert nam Fernand Riquier het initiatief.[101] Hij verdeelde De Vrijheid al sinds Buysaert dat uitgaf, en gaf deze onder meer door aan John Van Geffen.[102] Riquier had sinds begin 1941 ook Louis Pighini bij zijn actie weten te betrekken en was mogelijk betrokken bij het drukken van De Vrijheid, toen de stencilmachine opgesteld stond bij Jean Champy op de Oude Koornmarkt.[103]
Omwille van de aanhouding van Buysaert wou Riquier snel een nieuw nummer van De Vrijheid uitgeven. Contacten met de advocaten die het blad vroeger opstelden, had hij blijkbaar niet en dus sprak hij Maurice Prues aan, die hij kende van voor de bezetting:
“[Fernand Riquier] zegde mij dat de leider van de groep De Vrijheid, Buysaert Karel, was aangehouden door de Duitsers […]. Hij vroeg mij verder of ik bereid was, dezelfde dag nog een nummer van het sluikblad De Vrijheid op te stellen, om dit onmiddellijk over te kunnen drukken met Roneo, en verspreiden, om zodoende de Duitsers in de waan te brengen dat Buysaert Karel niet de drukker en verspreider van voornoemd blad was geweest. Ik heb daarin onmiddellijk toegestemd, en daar ik dagbladschrijver van beroep ben, was dit nummer waarvan sprake, opgesteld op de afgesproken tijd. Daarna heb ik de tekst ervan onmiddellijk overgemaakt aan Riquier […].”[104]
Klik om te vergroten
Afbeelding 3: de laatste uitgave van De Vrijheid, van september 1942. (Amsab -
Centrum Antwerpen).
Maurice Prues was directeur van het Journal d’Anvers en redactiesecretaris van het liberale Le Matin.[105] Volgens Jeanne Antonissen, de echtgenote van Louis Pighini, schreef Riquier zelf ook, en liet hij dit vertalen door Prues.[106] Ondertussen werd de stencilmachine weggehaald bij Champy en geïnstalleerd bij Louis Pighini op de Handschoenmarkt:
“La nuit de l’arrestation de celui-ci, ma femme, monsieur Riquier et moi nous avons imprimé sur duplicateur un numéro du dit journal (duplicateur marque Ronéo) et nous l’avon propagé […].”[107]
De oplage ervan - en van de volgende nummers - was lang niet meer zo hoog als bij de eerdere uitgaven. Volgens Pighini werden ten hoogste driehonderd exemplaren gedrukt.[108] Op deze manier verschenen de nummers 16, 17 en 18. Jan Frans Wijnen was hierbij niet meer betrokken.[109] De oplage werd ongeveer gelijk verdeeld onder Riquier en Pighini.
De laatste uitgave, nummer 18, werd gedrukt in september 1942. In de maanden die volgden werden vele betrokkenen aangehouden, al is niet echt duidelijk op basis van welke verklaringen of op welke gronden dit gebeurde. Vooral op 29 en 30 december 1942 werden een aantal arrestaties uitgevoerd, waaronder Fernand Riquier en zijn echtgenote Joanna Leemans, Jan Frans Wijnen, Edouard Milpas en een aantal leden van de groep uit Olen. Deze groep had overigens ook contacten met Wim Luyten, die zelf op 4 december 1942 gearresteerd was bij een grootscheepse actie tegen het Antwerpse Onafhankelijkheidsfront.
Later werden nog Jean Champy aangehouden (7 januari 1943), Paul Janssens (26 februari 1943), Emile Janssens en Astier Noemie (de beide ouders van Paul Janssens; 19 maart 1943), Andreas Wijn (mei 1943?) en Isidoor De Brauwere (2 juli 1943).
Het Roode Hoekje was oorspronkelijk het werk van één man, Hyppoliet Van der Vaet.[110] Hij vluchtte in mei 1940 voor de naderende Duitse troepen. Wat hij daarna weervond, deed hem weinig plezier:
“Na mijn terugkeer van de vlucht in het begin van Juli 1940 merkte ik de collaboratie van sommige onzer landgenoten met de bezetter. Als dusdanig besloot ik deze feiten aan mijn vaderlandslievende medeburgers kenbaar te maken bij middel van een sluikblaadje.”[111]
Vanaf augustus 1940 verspreidde hij een eigen sluikblaadje, dat hij thuis maakte op een schrijfmachine en verspreidde in erg kleine aantallen:
“Bij ieder verschijnen van een nummer typte ik telkens met een doorslag 5 exemplaren, waaronder ik dan vermeldde ‘Vijf maal overtypen en doorgeven aub.’ Wanneer mij de tijd overbleef maakte ik er telkens 5 exemplaren bij, die ik dadelijk verspreidde, zodat ik omzeggens nooit sluikbladen in voorraad had. Ik heb zo gemiddeld een 40-tal exemplaren per maand verspreid.”[112]
Het is nauwelijks na te trekken, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat Het Roode Hoekje als titel een eigen vondst was van Van der Vaet. De socialistische politicus Willem Eekelers gebruikte de titel al sinds kort na de Eerste Wereldoorlog voor zijn dagelijkse bijdrage in de Volksgazet. Als volksvertegenwoordiger sedert 1919, gemeenteraadslid sinds 1921, schepen van onderwijs van 1927 tot 1939 en directeur-hoofdredacteur van de Volksgazet, was hij zonder meer een geziene figuur op het Antwerpse politieke toneel.[113] Van der Vaet knoopte in zijn Het Roode Hoekje meer aan bij Eekelers’ anekdotische en column-achtige stijl, dan bij zijn politieke idealen.
Van der Vaet gaf exemplaren van Het Roode Hoekje aan onder meer Petrus Milants en Jerome Vermersch, die een oude buur van hem was. Wat Van der Vaet niet wist, was dat Vermersch op dat moment reeds betrokken was bij de sluikpers. Al kort na het begin van de bezetting had hij met Corneel Heynen, een oude bekende van hem, afgesproken zich te verzetten. Enkele dagen later zocht Heynen hem opnieuw op, en bracht deze keer John Van Geffen mee. Van Geffen bezorgde hen dadelijk enkele nummers van De Vrijheid, het krantje waar hij zelf bij betrokken was.[114] In september 1940 stelde Van Geffen nog Willy Waiblinger aan hen voor.
Verspreiding van het blad
Het was dus langs Jerome Vermersch dat Het Roode Hoekje het groepje bereikte. Blijkbaar was het een inspirerend initiatief, want in september 1940 werden verschillende personen gevraagd te helpen bij de verspreiding ervan. Corneel Heynen zorgde dat het blad gecopieerd werd, waarschijnlijk gewoon door gebruik te maken van ‘doorslagjes’ of carbonpapier, net zoals Van der Vaet dat deed.[115] Jerome Vermersch kon in november Margaretha Aerts als typiste bij de werking betrekken. Al het nodige materiaal werd bezorgd door Heynen.[116] Het was waarschijnlijk afkomstig van Valentina Grewel, die in de Katelijnevest de winkel Anvers Copies uitbaatte. Zij stond in contact met John Van Geffen.[117] In de maanden september en oktober werden de meeste contacten gelegd. Deze zouden niet meer veranderen zolang het blad verdeeld werd.
Jerome Vermersch bewaarde de volledige oplage van Het Roode Hoekje. Het zou daarbij steeds om hondervijftig tot driehonderd exemplaren gaan. Zelf gaf hij bladen aan Omer Bonte, Margaretha Aerts en Willy Waiblinger.[118] Waiblinger ruilde de bladen met Frans Peeters (NKB) voor De Werker en La Libre Belgique. Hij gaf ze ook aan Victor Bal en Jozef Vereyken. Nadat Waiblinger gevangen werd genomen, nam John Van Geffen zijn contacten over.[119]
Corneel Heynen gaf de bladen aan Simon Demolie (NKB), een oude kennis van hem uit Wilrijk, en aan Andreas Daenen.[120]
John Van Geffen bracht de bladen bij Achilles Herincx. Het was waarschijnlijk ook via Van Geffen dat het blad Joannes Slagmolen bereikte en OF-verdeler Victor Vandecasteele.[121]
Niet iedereen was even happig het blad te verdelen: “Hij [Achilles Herincx] heeft er mij zelfs willen geven om verder te verspreiden, doch ik heb het niet aangedurfd.”[122]
Een onafhankelijke groep
De groep was eerder losjes georganiseerd. Sluikpers en propaganda tegen de bezetter leken de voornaamste bezigheden:
“Ik herinner mij ook nog dat ik samen met Van Geffen, Vermersch en Heynen, ’s avonds, op verschillende tijdstippen, ik geloof een zestal malen, anti-duitse pamfletten ben gaan plakken op reklaamborden, bomen en openbare plaatsen. Dit deden wij uit anti-duitsgezindheid en om de moraal der Duitsers te breken.”[123]
Er zouden ter gelegenheid van de eerste verjaardag van de oorlog op 10 mei 1941 ook ‘rouwkaarten’ zijn uitgedeeld.[124] Waiblinger werd op 21 juli 1942 gearresteerd voor het dragen van een Belgisch strikje en het verspreiden van pro-Belgische vlugschriften.[125] Hoewel de groep in zekere zin gedragen werd door Corneel Heynen - de voornoemde actie van Waiblinger zou op zijn vraag zijn uitgevoerd - ontkenden alle betrokkenen later het georganiseerde karakter van hun verzet:
“Tijdens de bezetting was ik niet aangesloten bij een verzetsgroepering. Oorlogsinvalied zijnde heb ik tijdens de bezetting uit eigen initiatief mijn patriottische bedrijvigheid uitgeoefend.”[126]
“Voor zover het mij voorstaat, handelde ik niet in de schoot ener organisatie, het was meer het samenslagen van een paar personen.”[127]
“Onze activiteit was onafhankelijk van gelijk welke weerstandsgroepering, en zijn [Jerome Vermersch] aansluiting bij het OF heeft op zijn activiteit geen invloed gehad. Al hetgeen nuttig kon zijn voor de bestrijding van de vijand werd door ons gedaan.”[128]
“Ik wist niet dat de Heer Heynen of Van Geffen ergens aangesloten waren; nu val ik zogezegd in de Groep Van Geffen (als men het zo kan noemen) […].”[129]
Einde van ‘Het Roode Hoekje’
Het Roode Hoekje verscheen nog tot september 1942. Eerder al werden aanhoudingen uitgevoerd. De verschillende acties hielden echter geen enkel verband.
Hyppoliet Van der Vaet werd zelf aangehouden op 29 juli 1941, naar eigen zeggen in verband met zijn deelname aan een betoging op 21 juli 1941. In ieder geval werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Hij kwam vrij op 13 december 1941. Opmerkelijk genoeg vermeldde geen van de betrokkenen dat er een onderbreking was in de verspreiding van Het Roode Hoekje.
Bij een huiszoeking bij Valentina Grewel werden in juni 1941 vlugschriften gevonden. Ze werd echter pas aangehouden in september 1941.[130] Petrus Milants werd gearresteerd op 23 januari 1942.[131]
Joseph Van der Vaet, zoon van Hyppoliet Van der Vaet, werd gearresteerd op 31 juli 1942, in verband met een overval die hij de voorgaande dag had gepleegd. De overval zou gepleegd zijn samen met de Revolutionaire Volksjeugd - een opdracht van het verzet, met andere woorden - maar het Onafhankelijkheidsfront wou dat na de bevrijding bevestigen noch ontkennen. Joseph Van der Vaet werd in ieder geval veroordeeld en in november 1942 terechtgesteld. In september 1942, na twee huiszoekingen, hield Hyppoliet Van der Vaet op met Het Roode Hoekje.[132]
“Journal belge d’unité nationale”
Later: “De Voorlooper. Belgisch blad voor Nationale Eenheid”
De aanzet tot het oprichten van Le Précurseur was afkomstig van Marcel Alexandre.[133] Al in juni 1940 sprak hij Herman Kermans aan. Alexandre, voor de oorlog redactiesecretaris bij de liberale krant Le Matin, kende Kermans op professionele basis. Kermans zelf was reserve-officier in het Belgisch leger en voorzitter van ‘L’ancienne garde au Rhin’, de verbroedering van oud-militairen die deelnamen aan de bezetting van het Rijnland in 1923, en daarmee was hij voor Alexandre een betrouwbaar patriot.
De groep rond Le Précurseur zou altijd beperkt blijven. Marcel Alexandre engageerde nog Tigrane Vrouyr en Kermans had Karel Van Gorp als bijkomend contact. Nog andere personen zouden het krantje verdelen, maar dit was de kerngroep die behouden bleef tot de aanhoudingen van december 1941.
Tot die tijd werden waarschijnlijk een vijftal uitgaven van Le Précurseur uitgebracht, opgesteld door Alexandre en Kermans, en gestencild op ongeveer vijfhonderd exemplaren. De oplage werd door henzelf verspreid. Langs Alexandre kwam een deel terecht bij Vrouyr en mensen als Albert Rudelsheim en James Gersdorff. In geringere mate kwamen de bladen ook bij Annie De Belder terecht. Kermans verdeelde aan Georges Lauwers, aan enkele mensen in het Brusselse, die hij kende via de verbroedering waarvan hij voorzitter was, en aan Georges Petit, van wie hij zelf reeds sinds augustus 1940 La Libre Belgique (uitgave ‘Peter Pan’) ontving. Vrijwel alle Antwerpse contactpersonen woonden tussen de Vlaamse Kaai en de wijk Zurenborg.
Volgens Vrouyr, die drukker was van beroep, bestonden er plannen om het uitzicht van Le Précurseur te verbeteren door het in linotype op te stellen. De productie zou in dat geval verhuizen van het pand aan de Steenhouwersvest naar zijn eigen drukkerij op de Komedieplaats. De locatie op de Steenhouwersvest werd gehuurd door Alexandre.[134] Naar eigen zeggen had hij de eigenaar verteld er enkele romans te willen schrijven.[135]
Arrestaties
De verhuizing kwam er nooit. In de laatste dagen van december 1940 werden Tigrane Vrouyr en Marcel Alexandre gearresteerd. Bij de huiszoekingen werden niet alleen twee schrijfmachines en een stencilapparaat aangeslagen, maar men vond er ook voldoende inlichtingen van militaire aard om de arrestanten te beschuldigen van spionage. Daardoor veranderde de aard van het proces dat volgde. Vrouyr verklaarde later dat:
“[…] zij er van beticht werden propaganda tegen de Duitsers gevoerd te hebben, en dat de zaak ten slotte zo erg niet zou geweest zijn, zo de Duitsers tijdens hun huiszoeking bij Alexandre geen documenten gevonden hadden waarop inlichtingen voorkwamen over de dokken en over de haven, de opstelling van Duitse batterijen en militaire doelen, die gereed waren om aan de geallieerden overgemaakt te worden. [Het maakte] dat op de zitting van het Kriegsgericht geen sprake meer was van clandestiene pers, maar dat de ontdekking van voormelde documenten in hoofdzaak tegen [ons werd] aangevoerd.”[136]
Het geeft een idee van het relatieve belang dat men aan sluikpers hechtte, al blijft natuurlijk de vraag of dit eveneens het geval zou zijn geweest indien het hier om een communistische groepering ging.
Met Alexandre en Vrouyr werden ook Albert Rudelsheim, James Gersdorff, Eugène Bloem en Robert Van Hooghten aangehouden. Van deze groep lijken alleen Rudelsheim en in mindere mate Gersdorff op de hoogte te zijn geweest van het feit dat Alexandre verantwoordelijk was voor Le Précurseur. Hun eigen activiteit schijnt zich eerder gesitueerd te hebben in het verzamelen van militair interessante gegevens, in de aard van wat beschreven werd in bovenstaande verklaring van Vrouyr. In mei 1941 werden Alexandre en Vrouyr vanwege hun activiteit in de sluikpers veroordeeld tot 15 jaar dwangarbeid, voor hun spionage kregen Van Hooghten en Alexandre de doodstraf. Van Alexandre is geweten dat hij niet werd terechtgesteld, maar wel de rest van de bezetting doorbracht in gevangenschap. Hij overleed in 1946.
De betrokkenheid van Rudelsheim bij de sluikpers is niet geheel duidelijk. Zeker is dat hij Le Précurseur verspreidde in het Astridbad in de Nerviërsstraat, waarvan hij de beheerder was. Naar verluidt verdeelde hij een aantal exemplaren door ze te verstoppen tussen de bagage van de Duitse soldaten die er kwamen zwemmen. Hij stelde bovendien ook zelf nog bijkomende exemplaren van het krantje te hebben vervaardigd, met behulp van het echtpaar Van den Bil - Verstappen.[137] Volgens Van Hooghten was hij daarnaast ook betrokken bij de spionageactiviteiten van Alexandre en Vrouyr.[138] Hierbij moet opgemerkt worden dat hij wel samen met hen werd gearresteerd, maar niet tegelijk werd veroordeeld.
‘De Voorlooper’
De publicatie van Le Précurseur werd voortgezet door Kermans en Van Gorp. Het aantal verklaringen dat betrekking heeft op deze periode is gering en de rol van Karel Van Gorp is slechts bij benadering te bepalen. Hij werd in 1943 terechtgesteld en het dossier “Weerstander door de Sluikpers” dat na de oorlog postuum werd opgemaakt, bevat nauwelijks informatie. Dat hij daarbij niet werd toegelaten tot het statuut, lijkt niet zozeer het gevolg te zijn van een gebrek aan activiteit als wel van een gebrek aan gegevens over die activiteit.[139]
Volgens de verklaringen die Kermans later aflegde, zou het blad dan opgesteld zijn bij Van Gorp thuis in de Brederodestraat. De afdrukken werden dan gemaakt op de stencilmachine van Kermans.[140] Aanvankelijk werd nog gepubliceerd in het Frans, later in het Nederlands. De titel werd daarbij letterlijk vertaald: De Voorlooper. Belgisch blad voor Nationale Eenheid.
In het voorjaar van 1941 schijnt de activiteit te zijn stilgevallen. De reden daarvan is niet duidelijk. In mei 1941 werden zware straffen uitgesproken tegen Alexandre, Vrouyr en de anderen die in december 1940 waren aangehouden. Het valt niet uit te sluiten dat dit mee bepalend was voor het stopzetten van het blad. Andere mogelijkheden zijn het veranderde politieke klimaat, zoals dat ook in verband met het stopzetten van Le Clan d’Estin wordt aangehaald, of het feit dat Kermans en Van Gorp betrokken raakten bij andere vormen van verzet, waardoor Le Précurseur / De Voorlooper werd opgeofferd. Dit laatste lijkt niet geheel onmogelijk. Van een verdere activiteit van Kermans werden weinig sporen teruggevonden, maar Van Gorp werd aangehouden op 4 februari 1943, als laatste arrestant van de acties tegen het Onafhankelijkheidsfront (4 december 1942), de groep rond Jules Drayers (zelf opgepakt op 29 december 1942) en het Légion Belge (kol. Paul Housmans, aangehouden op 6 januari 1943). Op 17 mei 1943 werd Van Gorp gefusilleerd op de d’Harbouvillekaai.[141]
“Pamphlet paraissant irrégulièrement”
Le Clan d’Estin ontstond rond een groep van mensen die elkaar reeds kenden uit liberale kringen.[142] Het ging om oud-leden van liberale jeugdbewegingen en studentenclubs, en oud-studenten van het Antwerpse Lyceum. Plaats van ontmoeting was de ‘Librairie de l’Harmonie’, de boekhandel van Fernand Rahier aan de Mechelsesteenweg. De drie centrale figuren waren Jacques Van Offelen, Jean Sasse (zoon van schepen Eric Sasse) en Rahier zelf, die Van Offelen en Sasse nog kende als oud-leerlingen van hem. Behalve leraar en uitbater van een boekhandel had Rahier ook nog een betrekking als journalist bij de liberale krant Le Matin.[143]
De motivatie om over te gaan tot het uitbrengen van een clandestien blaadje zei Van Offelen te hebben gevonden in het algemene defaitisme dat hij rondom zich zag in de zomer van 1940.[144] De schijnbare onoverwinnelijkheid van de Duitse troepen en de opbouw van een invasievloot in de haven van Antwerpen, overtuigden velen ervan dat de bezetting een gedane zaak was, en dat Engeland snel tot een compromisvrede zou komen met Duitsland. Wanneer Van Offelen in augustus 1940 in Antwerpen terugkeerde, ontmoette hij er Fernand Rahier. De boekhandel van Rahier groeide in de eropvolgende maanden uit tot een plaats waar verschillende mensen, vaak met een liberale achtergrond, elkaar ontmoeten.
Rahier was betrokken bij een spionagegroep rond Emmanuel Hobben - waarvoor hij in 1941 ook gearresteerd werd - maar was zelf slechts zijdelings actief in de sluikpers. Zo zou hij onder meer gezorgd hebben voor reproducties van het verslag van Oscar Plisnier, secretaris-generaal van het ministerie van Financiën, waarin de rampzalige gevolgen van de bezetting op de staatsfinanciën besproken werden.[145] Dat pamflet, dat liefst twaalf pagina’s telde, zou hij op 1200 exemplaren verspreid hebben, samen met Michel Liverant.
Het blad van Jacques Van Offelen
Van Offelen kon de schrijfmachine en duplicator van Rahier gebruiken, en stelde een sluikblad op dat hij afdrukte samen met Fernand Rahier en Jean Sasse, met wie hij in 1937 en 1938 al het culturele maandblad Hors du Siècle uitbracht. Volgens Van Offelen zou het aantal medewerkers steeds beperkt blijven tot deze drie personen. Het eerste nummer van le Clan d’Estin was gedateerd op 1 november 1940.
Het blad bestond uit één gestencilde pagina. Van Offelen zou dan ook altijd blijven spreken over ‘pamfletten’, niet over ‘sluikbladen’ of ‘krantjes’.[146] De bladspiegel was erg herkenbaar en bleef behouden bij alle nummers die teruggevonden werden, zelfs bij de overgeschreven exemplaren. Nooit bevatte le Clan d’Estin meer dan één artikel. De volgende titels konden teruggevonden worden:
- nr.1, 1 november 1940: “Contre l’Europe Allemande (par Estin)”
- nr.2, 15 november 1940: “La trahison des partis d’extreme droite (par Estin)”
- nr.3, 20 november 1940: “Le 11 novembre au Schoonselhof (par un du Clan)”
- nr.5, 25 november 1940: “ ‘Leur’ Europe (par Estin)”
- nr.6, 1 december 1940: “Il n’y a pas de paix allemande (par Estin)”
- nr.7, 5 december 1940: “L’esclavage du vingtième siècle (par Estin)”
- nr.1, 1 januari 1941: “Les anglais et nous (par Estin II)”
- nr.1 (sic), maart 1941: “Le vrai point faible de l’Allemagne (par Estin)”
De data tonen dat de ondertitel “pamphlet paraissant irrégulièrement” geen overdrijving was. Daarnaast blijkt niet elk pamflet geschreven te zijn door Estin, alias Jacques Van Offelen. Het artikel over de 11 november-viering op het Schoonselhof is van de hand van Frank Jonckheere. Wie de auteur was van “Les anglais et nous” kon niet worden opgemaakt uit de doorgenomen dossiers.[147]
Oplage
De oplage van le Clan d’Estin is niet eenduidig vast te stellen. Bij de eerste uitgave werd onderaan het blad een oplage van duizend exemplaren gemeld. Latere uitgaven claimden een oplage tot tweeduizend exemplaren, en een verdeling in Brussel, Luik en Antwerpen. Het waren cijfers die erg hoog lagen, zeker wanneer daarbij het vroege verschijnen ervan in aanmerking genomen wordt. Van Offelen zelf had er in 1970, gedurende een interview door José Gotovitch, weinig aan toe te voegen. Hij vermoedde dat Fernand Rahier er een groot aantal van verspreidde, maar kon dit niet concretiseren, evenmin als de geclaimde verdeling in Brussel, Luik en Antwerpen.[148]

Afbeelding 4:
onderschriften van de tweede uitgave van ‘Le Clan d’Estin’, november 1940.
Bovenaan het origineel van Jacques Van Offelen, onderaan het anonieme afschrift.[149]
Indien de oplage werkelijk zo groot was, dan is het toch opvallend dat van het eerste nummer verschillende afschriften bekend zijn. Zowel de Stadsbibliotheek Antwerpen als het SOMA bewaren een afschrift van duidelijk verschillende oorsprong. Dat twee verschillende personen het nummer kopieerden zegt iets over de vraag naar dergelijke publicaties, maar het zegt ook iets over het aanbod ervan. Eén van beide personen die Le Clan d’Estin afschreef, had blijkbaar zijn eigen idee over de oplage ervan. Het nummer dat hij vervaardigde is identiek aan het origineel, tot de bladspiegel toe, zij het dan dat onderaan de pagina de oplage weggelaten is. Slechts de oproep het blad over te tikken op vier of vijf exemplaren, bleef behouden (zie afbeelding 4, pagina 63).
Gedurende het reeds aangehaalde vraaggesprek merkte José Gotovitch op dat het lichtjes opdrijven van de cijfers kon overeenstemmen met het doel van le Clan d’Estin, namelijk indruk maken op de lezer, om opnieuw een zeker optimisme aan te wakkeren. Het blijft een interpretatie voor rekening van de interviewer, maar uit de onderzochte dossiers kwamen geen gegevens naar voren die dit konden tegenspreken.
Het einde van ‘Le Clan d’Estin’
De arrestatie van Fernand Rahier op 30 april 1940 beëindigde de activiteiten in de boekhandel. Rahier zelf werd niet gearresteerd voor zijn betrokkenheid bij de sluikpers, maar omwille van spionage. Hij was namelijk betrokken bij de groep rond Emmanuel Hobben, spion van de Britse Intelligence Service, waarvoor hij inlichtingen verzamelde over de Antwerpse haven. Het was een netwerk dat als basis de contacten had die onder meer bestonden rond het Lyceum van Antwerpen. De arrestaties werden verricht in de tweede helft van april 1941, en in de maand juli van datzelfde jaar werden in de zaak 26 personen veroordeeld. Gedurende zijn gevangenschap schreef Rahier zijn ervaringen en overpeinzingen neer. Ze werden buiten gesmokkeld en na het einde van de bezetting gepubliceerd als Adieu aux vivants.[150] Op 11 november 1942 werd hij terechtgesteld in de Berlijnse Tegel-gevangenis, samen met tien anderen, waaronder Emmanuel Hobben, Fernand Ansay, Robert Aernout, Cornelius Maudoux, Gaston Sody en Hubert Van Overloop.
Jacques Van Offelen was niet betrokken bij dit netwerk - evenmin trouwens als de anderen in de groep rond de boekhandel van Rahier - maar de aanhoudingen maakten voldoende indruk om het verschijnen van le Clan d’Estin stop te zetten. Volgens de verklaringen in de dossiers van Van Offelen en Jean Sasse gebeurde dat omwille van hun goede contacten met de boekhandel, die te zeer bekend waren. Ook de veranderde politieke toestand schijnt een invloed te hebben gehad: aan Gotovitch vertelde hij dat hij het belang van de publicatie niet meer zag. Inderdaad was in het voorjaar van 1941 de boodschap dat ‘England fights on’ niet meer van toepassing. Dirk Martin merkte daarnaast nog op dat voor Van Offelen ook de naderende inleveringdatum van zijn doctoraatsverhandeling van belang kan zijn geweest.[151]
Verdere activiteit in de sluikpers
Na april 1941 kregen de contacten een ander karakter: de boekhandel bleef een plaats van ontmoeting, waar nu de echtgenote van Rahier, Yvonne Gigot, de leverancier werd van verschillende sluikbladen. Ze verdeelde zo onder meer la Libre Belgique, la Voix des Belges, Steeds Vereenigd, Belgie Vrij, l’Independance, le Belge, l’Espoir, De Vrijschutter, Revue de la Presse Libre, La Résistance Passive, le Parachutiste en le Precurseur. Deze verdeling zou ze, samen met Jacques Van Offelen, voortzetten gedurende de rest van de bezetting.

Afbeelding 5: de vijfde uitgave van ‘Le Clan d’Estin’, verschenen in november 1940.[152]
2.5 La Libre Belgique: Antwerpse uitgaven
De ‘Antwerpse’ geschiedenis van La Libre Belgique is niet eenvoudig te achterhalen, en dat om verschillende redenen. In de eerste plaats is er het feit dat er niet zoiets bestond als ‘de’ Libre Belgique. Er was La Libre Belgique ‘Peter Pan’, maar daarnaast waren er nog talrijke andere versies: de ‘Guide de la Presse Clandestine de Belgique’ vermeldt liefst elf verschillende uitgaven die verschenen onder de titel La Libre Belgique, zij het dan dat elke versie zijn eigen ondertitel had. Daarbij komt dat net dergelijke ‘specificiteiten’ niet bewaard bleven in de latere getuigenissen, wat het onderscheid tussen de verschillende uitgaven bepaald moeilijk maakt. Het is de bedoeling hier slechts die uitgaven te behandelen welke met zekerheid opgesteld en uitgegeven werden in het Antwerpse. De niet-Antwerpse uitgaven worden elders behandeld.[153]
De sporen die verwijzen naar de Antwerpse versies van La Libre Belgique zijn zeldzaam maar betekenisvol. Vrijwel alle verwijzen ze, direct of indirect, naar de vroegste kernen van de Witte Brigade.
Arthur Degrève - Marcel Louette
In september 1940 kwam Marcel Louette door toedoen van Roger Champagne in contact met Arthur Degrève.[154] Champagne was een oud-leerling van Degrève en werd zelf gedreven door wat Louette noemde “un grande amour patriotique”.[155] Arthur Degrève maakte op dat moment reeds afschriften van La Libre Belgique. Degrève en Louette kwamen overeen samen te werken, mogelijk daartoe aangezet door het te kleine aantal bladen waarover men kon beschikken. Louette zelf zorgde daarbij voor de Nederlandse vertaling van sommige artikelen. Op die manier zouden per uitgave honderd tot driehonderd exemplaren verzorgd zijn geweest.[156] Degrève zou enige tijd later ook Paul Janssens, eveneens een leerling van hem, betrekken bij de actie.[157] Marcel Louette meldde een verdeling van de bladen aan onder meer John Opdebeeck, Maria Michiels, Leon Boumans, Frans Hellemans en het echtpaar Hector Cornelissens en Joanna Veraa. Ook een zekere Krop van de NKB zou de bladen hebben gekregen.[158]
Het drukken van La Libre Belgique zou al in februari 1941 opgehouden zijn. Een duidelijke verklaring hiervoor werd nergens gevonden, maar veronderstellen dat het om een samenloop van omstandigheden ging, lijkt aanvaardbaar: enerzijds raakte Degrève steeds meer betrokken bij de groep die later België Vrij zou gaan uitgeven, anderzijds groeide de Witte Brigade snel aan in de eerste helft van 1941, wat voor Louette andere prioriteiten moet hebben meegebracht.[159] Arthur Degrève werd gearresteerd op 4 december 1942, bij de razzia die gericht was tegen het Antwerpse Onafhankelijkheidsfront.
Charles Cox: ‘La Libre Belgique - Édition de Province’?
Marcel Louette kreeg in september 1940 niet alleen contact met Arthur Degrève, maar via hem ook met Charles Cox.[160] Deze maakte volgens Louette drie- tot vijfhonderd exemplaren van La Libre Belgique. In zijn dossier ‘Weerstander door de Sluikpers’ bevinden zich twee gefotokopieerde uitgaven van La Libre Belgique - Édition de Province, gedateerd op oktober en november 1940 (de nummers 3 en 4). Mag aangenomen worden dat Cox er de opsteller van was?
Cox lijkt vooral in zijn omgeving de Libre te hebben verdeeld: de meeste contacten situeerden zich ten zuiden van het Stadspark. Onder andere gaf hij een vijftigtal exemplaren ervan aan Alida Wouters, die ze verdeelde vanuit haar krantenwinkel in de Lange Leemstraat. Met haar was hij in contact gekomen omdat ze hem zelf enkele malen vlugschriften had bezorgd. Cox werd gearresteerd op 28 augustus 1941 en veroordeeld samen met zijn echtgenote Eugenie Ariel, met Alida Wouters en een zekere mevrouw Thijs aan wie zij een aantal van de sluikbladen had bezorgd.[161] Pas in januari 1942 kwam Cox opnieuw vrij.[162]
Jan Knaeps
Uit het dossier van Jan Knaeps kan opgemaakt worden dat hij betrokken was bij het vertalen van artikels uit La Libre Belgique, die dan afgedrukt werden door Elbert Eyckens.[163] Deze laatste bezit jammer genoeg geen dossier ‘Weerstander door de Sluikpers’, zodat van hem weinig meer geweten is. Knaeps zelf werd aangehouden op 16 september 1941. Bij de huiszoeking trof men onder meer een exemplaar aan van het vlugschrift Antwoord aan de Feldkommandantur. Ondertussen had hij de bladen doorgegeven aan onder meer Henri De Braekell, Lodewijk Fontyn en Leopold Geertsen.
Jan Knaeps gaf ook bladen aan Pieter De Coster.[164] Hij vroeg evenmin een erkenning aan als ‘Weerstander door de Sluikpers’, waardoor alles samen maar weinig geweten is over de versie van La Libre Belgique die Knaeps verspreidde.
Optimisme was een initiatief van Alfons Van Wassenhove (Kapellen), Frans Van der Veurst (Antwerpen), Constant Pelemans (Merksem) en Martin Maes (Schoten).[165] Alle vier werkten ze tijdens de bezetting op het vormingsstation Antwerpen-Dam. Hun activiteit begon in augustus 1940 en duurde zonder onderbreking voort tot de bevrijding. Zonder onderbreking, maar niet zonder moeilijkheden: noodgedwongen bleef het grootste deel van hun activiteit in de sluikpers beperkt tot het jaar 1941.
Het groepje claimde ook sabotagedaden te hebben verricht, maar daarvan werden geen concrete voorbeelden gevonden. Het is ook niet duidelijk of er daartoe contacten waren met andere kernen. Slechts van Van der Veurst is geweten dat hij, sinds eind 1942, aangesloten was bij de NKB.[166]
Productie en verdeling
De verdeling van het blaadje was een taak die door iedereen gedragen werd, maar de productie ervan gebeurde door Van Wassenhove alleen. Hij stelde de teksten op en drukte ze af door middel van een stencilmachine. Dat werk gebeurde in zijn huis aan de Oudebaan in Kapellen. Het eerste blaadje, nog ongenummerd, is gedateerd op 18 augustus 1940 (voor de datering van de verschillende nummers, zie tabel 3 op p. 75). Van Wassenhove had een scherp omlijnd beeld van het doel van deze krantjes: “Weerstanders te kweeken en meteen een heftige campagne te voeren, niet alleen tegen de landverraders, maar tevens ook om onheil te stichten in de duitsche militaire rangen.”[167] Wat de betekenis was van het cijfer 2344 dat bovenaan elk blaadje stond, is niet duidelijk.
Een volgende uitgave verscheen pas in de maand december van dat jaar. Na een derde blaadje in januari 1941 volgden de verschillende nummers elkaar snel op. Eén jaar later, in januari 1942, verscheen al het achttiende blaadje. Terwijl had men ook nog een vijftal pamfletten verspreid. Volgens de cijfers van Van Wassenhove werden de krantjes gedrukt op ongeveer tweehonderd exemplaren, de pamfletten op ongeveer zeshonderd.[168] Na januari 1942 viel de productie sterk terug, zonder echt op te houden (zie verder).
Een deel van de oplage, ongeveer een vijftigtal exemplaren, behield Van Wassenhove om te verspreiden in Kapellen zelf. Een hondertal nam hij mee naar de stelplaats, om er te verdelen onder Van der Veurst, Pelemans en Maes. De overige vijftig gaf hij in kleine pakjes van vijf tot tien krantjes aan nog enkele andere verdelers, zoals Ivo Van den Bergh.[169]
Pelemans verspreidde zijn bladen op de stelplaats zelf. Eén van de methoden die hij vermeldde was het verstoppen van de bladen in het opdrachtenboek, waar elke machinist dagelijks zijn opdrachten afhaalde. Langs Lodewijk Lombaerts kon hij de bladen verdelen tot in Boom. Door gebruik te maken van de verschillende treinverbindingen wist hij zijn bladen te verspreiden tot in Merelbeke, Dendermonde, Leuven en Hasselt.
Van der Veurst liet een deel van de blaadjes achter in verschillende treincompartimenten, maar verdeelde ze ook in zijn directe omgeving: aan buren, vrienden en kennissen in de straat waar hij woonde, en in de vlakbij gelegen Viséstraat. Hij gaf ook een klein aantal aan Walter Suykerbuyk, die toen een café uitbaatte in de Klamperstraat, en waar Van der Veurst dagelijks de Londense radio kwam beluisteren.[170] Enkele bladen gingen ook naar Aalst, waar de familie van Van der Veurst woonde.
Ivo Van den Bergh kreeg zijn bladen rechtstreeks van Van Wassenhove, die bij hem in de buurt woonde. Bovendien vervaardigde hij zelf met de schrijfmachine nog bijkomende exemplaren. Hij verdeelde ze vooral in Ekeren.