| De Sint-Annaparochie in de negentiende eeuw: aanpassing van de materiële infrastructuur. (Harko Vande Loock) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
In eerste instantie was het bedoeling om een parochiegeschiedenis te schrijven voor Sint-Anna in de negentiende eeuw. Daarin zouden we nagaan wie de parochieherders waren, welke hun visie was, welke invloed ze hadden op de gelovigen; we zouden nagaan hoe de kerkfabriek was samengesteld, wie de personeelsleden waren, welke broederschappen er waren en hoe ze functioneerden, welke heiligen een bijzondere verering kregen, welke processies er op uittrokken en ga zo maar door.
Maar tijdens het voorbereidende werk werd al gauw duidelijk dat dé belangrijkste gebeurtenis op de parochie in de negentiende eeuw, namelijk de bouw van een nieuwe kerk, nog fel onderbelicht was. Voorgaand onderzoek had, zo bleek uit archiefwerk, telkens maar aandacht besteed aan enkele aspecten van het project. Vanluchene bekeek het project vooral door de bril van de stedenbouwkunde, Suys bekeek het vooral vanuit kunsthistorisch oogpunt. Dit was naar mijn aanvoelen onvoldoende om een juist beeld te krijgen van het immense bouwproject. Daarom dus deze verhandeling. Ik hoop, door uitgebreid archiefonderzoek een totaalbeeld te kunnen brengen van het bouwproject.
In het eerste deel wil ik een beeld krijgen van het stadsdeel waar de latere Sint-Annaparochie zal ontstaan. Het deel begint in de vroege middeleeuwen en eindigt met de Franse Revolutie.
In het tweede deel, “Een nieuw begin onder de Kapucijnen”, gaan we na hoe de parochie de Franse Revolutie overleefde. De periode 1804-1830 vormt in feite een overgangsfase, waarin de parochie zich langzaam maar zeker weet te herstellen en zelfs te versterken.
Het derde deel, “Veranderende Stad, Veranderende Wijk”, wil een blik werpen op de materiële veranderingen binnen de stad, in het eerste hoofdstuk, en binnen de wijk waar de parochie zich bevind, we zullen het maar gemakshalve de hedendaagse naam van “De Zuid” geven. Er wordt daarbij gekeken naar de socio-demografsche toestand en naar de stedebouwkunde.
In het vierde deel, “De parochie aan het midden van de negentiende”, wil ik in feite onderzoeken hoe de parochie omgaat met al deze veranderingen. Dit wil ik doen aan de hand van de twee priesters die de parochie leidden tussen 1830 en 1878, namelijk E.H. Bracq en E.H. Hulin. Daarbij spendeer veel aandacht aan hun ijver om meer geestelijken toegewezen te krijgen aan de parochie. Een belangrijk onderdeel van hun reactie bestaat uit het uitbreiden van de infrastructuur. De uitbreiding van de materiële infrastructuur als reactie op de maatschappelijke veranderingen vormt in feite hét onderzoeksthema van deze verhandeling. Het grootste bouwproject van de parochie was uiteraard de bouw van een nieuw kerkgebouw. We bekijken in detail de stappen die gezet werden om te komen tot de start van de bouwwerken. Belangrijk daarbij zijn vooral de gebruikte argumenten.
Het effectieve bouwproces wordt uitvoerig beschreven in het vijfde deel. In het zesde deel werpen we een blik op de werken aan het interieur binnen in de kerk.
Ook voor het zevende deel blijven we binnen in de kerk, daarin gaan we de schilderwerken bekijken.
Daarna zullen we pogen te komen tot een voorlopig besluit.
Ik benadruk het woordje voorlopig, deze verhandeling wil zeker niet het eindpunt zijn van onderzoek naar de Sint-Annaparochie, integendeel. In deze verhandeling hopen we aanzetten te geven voor verder onderzoek. Daarom zal ik aan het einde van deze verhandeling nog een aantal punten bijeenzetten die smeken om bestudering.
DEEL 1. De vroegste geschiedenis van een stadsdeel tot 1797
In dit eerste deel is het bedoeling dat we de geschiedenis van dit stadsdeel in grote lijnen bekijken. Volledigheid wordt hier uiteraard op generlei wijze betracht. En toch moeten we de voorgeschiedenis even verkennen, dit om toch enigszins een breder historisch kader te krijgen bij de gebeurtenissen in de negentiende eeuw. Daarbij maken we uitsluitend gebruik van algemene literatuur, dit niet uit onwil maar uit onmacht, er zijn eenvoudigweg geen diepgaande studies te vinden over dit stadsdeel in de hier besproken periode.
1. Het vroegste begin
In het zuidoosten van de Stad, buiten de Brabantpoort, bevond zich de alluviale vlakte van de twee Scheldearmen, de Oude en de Nieuwe Schelde. Dit gebied werd vanaf de elfde, twaalfde eeuw gebruikt voor veeteelt, het was tevens de groene long van de stad. De weilanden werden door koeien begraasd en de opbrengst van hooi en gras werd door de stad verkocht[1].
In de 11de eeuw werden de relikwieën van de in Gent zeer populaire heilige St.-Lieven uit de kerk van St.-Lievenshoutem overgebracht naar de kapel van de St.-Baafsabdij. Op de feestdag van St.-Lieven, 27 juni, werden de relikwieën in processie meegevoerd naar St.-Lievenshoutem, en terug. Deze religieuze processie vergrootte nog het belang van de drukke handelsroute naar Brussel[2].
Een belangrijk onderdeel van de stedelijke verdediging werd gevormd door de Sint-Jorisgilde. Deze gilde had tot 1381 een belangrijk kampement in dit gebied, het Hof ter Vijfwindgaten.
In 1234 werd daar vlakbij het Klein Begijnhof, Onze-Lieve-Vrouw ter Hoyen opgericht, onder bescherming van de Abt van de Sint-Pietersabdij en gravin Johanna van Constantinopel[3].
In 1254 werd uiteindelijk beslist om dit gebied toe te voegen aan het stedelijk grondgebied[4]. Om de verdediging van dit gebied te verzekeren werden er onmiddellijk poorten gebouwd, de Hooipoort en de Koepoort. Er werd ook een verdedigingsgracht gegraven, de Schepenenvijver. Eigenlijk was het een gracht met zo goed als stilstaand water, die met geen ander waterloop was verbonden, tenzij dan vanaf de 15de eeuw, door een smalle verbinding met de Oude Schelde. Overtollig water kon wel weg via de Schelde bij de Koepoort. De Koepoort stond vlak aan de huidige Van Eyckbrug. Het was een eerder kleinere versterking en men neemt aan dat de naam voortkomt van de koeien die er door moesten, op weg naar hun weilanden[5]. De Hooipoort stond vlakbij het huidige St.-Annaplein. De Vijfwindgatenpoort vormde de buitenste verdedigingslijn en was verbonden aan het Hof ter Vijfwindgaten van de Sint-Jorisgilde. Het complex bestond uit oefenterreinen, een wapenmagazijn, een hospitaal en de Sint-Joriskapel[6].
Dit gebied werd aan het stedelijk grondgebied toegevoegd onder de benaming van Brabantwijk. Deze wijk werd onderverdeeld in drie kleinere wijken: de Overschelde was het gebied net voor de Brabantpoort en liep tot aan de verdedigingsgordel van Koepoort, Schepenenvijver en Hooipoort. Daarna begon de Groene Hooie, die liep tot aan de Vijfwindgaten, daarachter lag ’t Sant[7].
In 1203 werd een kapel gebouwd, gewijd aan de heilige Katharina van Alexandrië.
Katharina van Alexandrië is één van die vele martelaressen uit de beginperiode van het Christendom. Net als zovele andere is ook haar historiciteit twijfelachtig. Haar levensverhaal staat opgetekend in de kerkgeschiedenis van Eusebius.
Katharina was de dochter van Costos, koning van Cyprus rond het jaar 300. Zij werd aangesteld als adviseur voor Keizer Maximinus in Alexandrië. Daar stortte ze zich in de studie op de filosofie. Zodoende maakte ze kennis met het Christendom. En uiteraard raakt ze in de ban van het ware geloof: terwijl ze de christelijke filosofie aan het bestuderen is verschijnt haar de Maagd Maria met het Kindje Jezus en bekeert ze zich.
Keizer Maximus ging in die tijd over tot het vervolgen van de christenen. Katharina ging naar de keizer toe en spelde ze hem de les over zijn fout geloof. De keizer kon echter niet antwoorden op haar filosofische aanval. Hij stuurde dan maar 50 filosofen naar haar toe om dat 18-jarig meisje eens op haar plaats te zetten. Uiteraard slaagt ze erin hun filosofische argumentatie te weerleggen, de filosofen moeten haar gelijk gegeven en ze bekeren zich allen tot het ware geloof. De keizer reageert furieus en laat de 50 levend verbranden.
De keizer reageerde geheel anders op Katharina zelf, hij vroeg haar ten huwelijk. Andere hagiografen spreken over een “poging tot overspel” van de keizer. Katharina krijgt echter een visioen waarin Christus haar een gouden ring om de vinger doet. Na dit hemelse huwelijk moet ze de keizer afwijzen.
Deze liet zich echter niet ongestraft iets weigeren en hij liet Katharina twee uur lang geselen, waarna hij haar in de kerker liet opsluiten, terwijl de keizer zijn troepen ging inspecteren. In haar cel kreeg ze gezelschap van een duif die haar eten en drinken bracht, Christus zelf verscheen haar om haar te troosten. Faustina, de keizerin en Porphrius, opperbevelhebber van het leger, gingen eens een kijkje nemen in de cel en ook zij bekeerden zich.
De keizer was woedend en liet ze alle ombrengen.
Katharina werd omgebracht door een bijzonder gruwelijke straf. Ze werd op een wiel geplaatst met daarop mesjes en spijkers, ze bleef echter ongedeerd, het wiel brak en de spijkers vielen eraf. De keizer liet zich echter niet van de wijs brengen en liet haar prompt onthoofden. Uit haar wonden spoot geen bloed maar witte, melkachtige olie.
Haar beenderen werden in 8ste eeuw overgebracht naar het Katharinaklooster op de berg Sinaï, in Egypte[8]. Het is vandaar uit dat de cultus van de Heilige Katharina zich zou verspreiden naar West-Europa. In de 11de eeuw schenken de monniken een heilige relikwie van haar vinger aan Rouen. In 1229 wordt er in opdracht van koning Louis een kerk gebouwd ter haren ere in Parijs.
De Katholieke Kerk verheft haar tot één van de Veertien Heilige Helpers, een groep van heiligen die speciaal kunnen aangeroepen worden en die verhoor verzekeren.
Jean d’Arc was een trouwe volgeling van Sint-Katharina, de hagiografie stelt dat zij haar stem hoorde, die haar raadgevingen influisterde.
Toch nog even bij vermelden dat zij de patroonheilige is van de bibliotheken en zij die daar werken, van leraars, archivisten en in feite iedereen die zich bezighoud met kennis en onderwijs[9].
2. De Middeleeuwse bloei
De Brabantwijk werd al gauw een vrij grote wijk, vooral door zijn ligging aan de zeer belangrijke weg naar Sint-Lievens-Houtem en de steenweg naar Brussel.
In de veertiende eeuw kwamen de volders zich in deze zone vestigen en stichtten er een godshuis met kapel in de Brabantdam, de Sint-Christoffelkapel. Aan ’t Stuk draaide een watermolen voor het vollen van lakens. Op de braakliggende gronden, vlakbij de Koepoort, waren grote houten ramen opgesteld om de lakens te drogen.
Na 1381 verplaatste de Sint-Jorisgilde zijn werkterrein naar de Hoogpoort, in het hart van de stad. De verdediging werd overgenomen door de handboogschutters van Sint Sebastiaan, die hun terreinen hadden aan de Koepoort en de Apostelhuizen.
Het Hof ter Vijfwindgaten werd ingenomen door een religieuze orde, de Broeders (later de Zusters) van Sint-Joris, die zich bezighielden met het verzorgen van de zieken, maar vooral met de opvang van pelgrims en armen in het godshuis[10].
Vlakbij de Schelde was er de refuge van het klooster der zusters Cisterciënzerinnen uit Heusden[11].
Deze wijk kwam tot grote bloei en de Sint-Katharinakapel werd druk bezocht. Verschillende ambachten vierden hun diensten in de kapel.
3. De turbulente 16de eeuw
De 16de eeuw was voor Gent een zeer turbulente eeuw. De stedelijke economie had al een tijdje zwaar te lijden onder de concurrentie van de vele kleinere steden waar de textielnijverheid bloeide. Doorheen de middeleeuwen stuurde de stedelijke overheid regelmatig milities uit om dergelijke pogingen in de kiem te smoren. Maar de ontwikkelingen waren nu niet meer te stoppen, de kleinere steden gingen nu op grote schaal over tot proto-industriële massaproductie. De stedelijke macht kreeg ook rake klappen door zware confrontaties met de opkomende Bourgondische macht. De stad ging zijn laatste grote confrontatie aan in 1539-1541. De stad Gent opende de frontale aanval op het opkomende absolutisme van Keizer Karel V. De Keizer mobiliseerde echter een omvangrijke troepenmacht en de stedelijke burgerij moest de poorten opstellen en zich overgeven. Karel V strafte de stad door o.a. de omwallingen neer te halen en poorten af te breken. De Sint-Baafsabdij werd door deze “zeer katholieke koning” met de grond gelijkgemaakt en vervangen door een permanent basis voor een omvangrijk garnizoen, het Spanjaardenkasteel[12].
De stedelingen waren zwaar aangeslagen door al die tegenslagen, en toen kwamen vanuit het Duitse Rijk en vanuit Zwitserland de eerste protestantse predikanten. De stedelijke elite werd sterk aangesproken door de “intellectuele” Lutherse leer, terwijl de creezers, de onderste lagen, zich vooral aangesproken voelden door de militante leer van het Anabaptisme[13]. De spanningen worden nu gekatalyseerd door de ketterse ideeën en zullen tot een uitbarsting komen in 1566. Over de gehele Nederlanden breekt er een golf uit van fanatisme, gericht tegen de katholieke kerk. De vele kerken en kapellen die de stad telde werden flink onder handen genomen. De kapellen van Sint-Joris, Sint-Kristophel en Sint-Katharina krijgen er van langs[14]. Het Begijnhof wordt, na eerdere mislukte pogingen, in 1567 aangedaan door de beeldenstormers[15].
In 1570 werd de stad getroffen door een zoveelste pestepidemie. Om de zieken van de wijk op te vangen werd er aan de Keizerspoort een pesthuis gebouwd, dat dienst zou doen tot aan de 18de eeuw, wanneer de Oostenrijkse ruiterij zijn intrede neemt in wat weldra de Hollainkazerne werd[16].
Geleidelijk aan komt er een einde aan de anarchie, de verschillende lagen van de bevolking vinden elkaar in de zeer militante en uiterst gedisciplineerde leer van het Calvinisme, zodoende slagen zij erin om in 1578 de macht te grijpen in Gent onder leiding van d’Hembeyze en Ryhove. Het Spaans garnizoen moet de benen nemen en het Spanjaardenkasteel wordt platgebrand. Opnieuw wordt er een beeldenstorm georganiseerd, verschillende kerktorens worden professioneel gedemonteerd, vele kerkschatten vormen nu brandstof voor de vreugdevuren, zilver en goud worden opgeëist voor de stadskas. Onder een Calvinistische stadsbestuur groeit Gent uit tot een ware stadsstaat met garnizoenen in het gehele graafschap. Gent werd één van de voornaamste krachten binnen de opstand tegen het absolutistische bewind van Philips II[17].
Het stadsbestuur was dan wel rabiaat Calvinistisch, ze liet toch toe dat er op vijf plaatsen missen werden gehouden volgens de katholieke ritus. Een van die plaatsen was de Sint-Katharinakapel.
In 1583 werd de stad overrompeld door de Spaanse troepen onder leiding van Farnese. Ook zij richtten een ware ravage aan, de universiteit van het Genève van de Lage Landen werd platgebrand, er werden slachtpartijen aangericht en er waren standrechtelijke executies van de voornaamste leiders en militieleden[18].
De stad kon beginnen aan een langzaam herstel. Het zou echter duren tot na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) vooraleer de geestelijkheid de draad van het katholieke herstel meer met succes kon opnemen. De kerk voerde, via het ontplooien van koortsachtige bouwactiviteit, een propaganda die haar macht en rijkdom moest aantonen, teneinde meer gelovigen voor zich te winnen na het geleden verlies tijdens de godsdienstmoeilijkheden. Door de ijver van de bisschoppen en de kloosterorden en onder impuls van de overheid kwam op die manier een duidelijk katholiek reveil tot stand[19].
In de katholisering van de Zuidelijke gewesten kregen de bisschoppen de steun van vele kloosterorden.
In 1589 zouden de Paters Kapucijnen zich met de steun van hertog Alexander Farnese in Gent komen vestigen en kregen er de beschikking over de Sint-Christophelkapel en het aanpalend godshuis van de vrije volders aan de Brabantdam. Maar daar gaan we later nog uitgebreid op in.
4. Nieuwe opbloei
Tegen het einde van de 16de eeuw werd er in de stad Gent een enorme bouwactiviteit ontwikkeld. De contrareformatie leidde tot een ware bouwwoede, in vrijwel alle abdijen en kloosters werden plannen gemaakt om een nieuw complex op te richten, ofwel werden de bestaande gebouwen gesloopt, ofwel werden ze uitgebreid en aangepast. Om er maar enkele te noemen: de Sint-Pietersabdij, de Bijlokeabdij, het Dominicanenklooster, het Rijke Gasthuis, het klooster van de Ongeschoeide Karmelieten, het Drongenhof, het klooster van de Geschoeide Karmelieten, het Augustijnenklooster, het Kapucijnenklooster, het Alexianenklooster, het Wenemaergodshuis, het Sint-Elisabethbegijnhof, het Klein Begijnhof van Onze-Lieve-Vrouw ter Hooie, de Baudeloo-abdij, de Nieuwenbosabdij en het Jezuïetenklooster[20].
Ondanks het feit dat de Kapel doorheen de 16de eeuw gewoon in gebruik is gebleven, was die toch zwaar beschadigd. De kapel werd daarom heropgebouwd in 1644. De kapel werd dan ook omgedoopt tot kapel van Sint-Anna en Sint-Katharina. De kapel werd herbouwd in de toen populaire Jezuïetenbarok.
Als u mij toestaat zou ik hier een kleine excursie willen maken naar de figuur en de cultus van Sint-Anna.
Sint-Anna wordt vereerd als de moeder van Maria. Zij komt echter niet voor in de evangeliën. Zij wordt voor het eerst vermeld in het proto-evangelie van Jacobus, een zogenaamd apocrief werk, d.w.z. niet erkend door de Katholieke Kerk en daarenboven pas in de 16de eeuw voor het eerst vertaald in het Latijn. Werken die veel vlugger verspreid raakte in het Westen waren: het proto-Mattheusevangelie en het Evangelie van de geboorte van Maria, dat reeds in de 10de eeuw vertaald en verspreid werd.
In die evangelies werd een beeld geschetst van een echtpaar, Joachim en Anna. Zij leidden een vroom leven maar hadden desondanks geen kinderen kunnen krijgen. God brengt echter redding en Anna wordt op hoge leeftijd toch nog moeder, moeder van Maria nog wel, de moeder van de Christus. Het verhaal plaatst Anna in een bijbelse traditie van kindloze vrouwen die op hoge leeftijd voor hun vroomheid beloond worden met de geboorte van een belangrijk kind. Denk maar aan Hanna, moeder van de profeet Samuel, aan Rachel, moeder van Jozef, aan de vrouw van Manoach, moeder van Samson of aan Elizabeth uit het Nieuwe Testament, moeder van Johannes de Doper[21].
De Katholieke Kerk had lang grote moeite met het erkennen van de heilige, in de Oosterse kerk stond de heilige steeds hoog aangeschreven.
In het Westen had men eigenlijk geen weet van het bestaan van de figuur van de Heilige Anna, moeder van Maria, grootmoeder van Christus. Ze werd in het Westen enkel maar bekend onder invloed van occasionele pelgrimstochten naar het Heilig Land of het Byzantijnse Rijk. Daar raken ze in contact met de orthodoxe verering van Sint-Anna. Op enkele plaatsen ontstaan locaal cultusplaatsen, maar met niet meer dan een zeer plaatselijke uitstraling[22]. De bekendheid en belangstelling voor Anna komt maar op in de 12de en 13de eeuw. De kruistochten spelen in die ontwikkeling een grote rol. Die invasie vanuit West-Europa in het Midden-Oosten ging gepaard met grootschalige plunderingen, de kruisvaarders zorgden ervoor dat vele relikwieën, fysieke overblijfselen toegeschreven aan heiligen, hun weg vonden naar onze contreien. In 1101 kwam de St.-Niklaaskerk te Gent in het bezit van een kostbaar reliek van Sint-Anna, dat de kruisvaarder Godfried van Bouillon aan Boudewijn van Vlaanderen ten geschenke zou hebben gegeven.
Het duurde echter nog tot de tweede helft van de 14de eeuw voordat de Annadevotie officieel werd erkend. In 1378 stelde paus Urbanus VI het Annafeest in voor Engeland. Door de intensieve handelscontacten tussen Engeland en Vlaanderen zou de devotie gemakkelijk ingang gevonden kunnen hebben of versterkt kunnen zijn in de Nederlanden. In 1481 nam paus Sixtus IV het feest op in de officiële Roomse heiligenkalender. In 1623 verklaarde Gregorius XV 26 juni tenslotte tot een verplichte Roomse feestdag[23].
Omstreeks 1500 ontstaan een reeks legenden over Sint-Anna, legenden die Anna en Christus plaatsen in een echte stamboom, een netwerk van familierelaties. Er wordt gesproken over het trinubium, de drie huwelijken van Sint-Anna. Anna zou na de dood van Joachim nog tweemaal hertrouwd zijn met Cleophas en met Salomas[24]. Maar het zou ons ter ver leiden om hier dieper op in te gaan, deze legenden worden trouwens door het Concilie van Trente veroordeeld[25]. Maar kenden een enorme populariteit en vormden materiaal voor een grote kunstproductie.
Een belangrijke rol in de verspreiding van de verering van Sint-Anna werd gespeeld door verhalenbundel die doorheen de 15de-16de eeuw verspreid worden. Deze Annahistories bevatten legenden en verhalen over het leven van Sint-Anna maar ook mirakelverhalen over bekeringen van beroemde volgelingen. Eén van de meest bekende verhalen is die van de Heilge Coleta van Boilot (of van Corbie, 1381-1447). Deze abdis van de clarissen te Gent genoot veel aanzien in haar tijd en stichtte meer dan 17 kloosters voor vrouwelijke religieuzen in Frankrijk, Savoye, Duitsland en Vlaanderen, die zij onderwierp aan strenge regels.
In een bekend mirakel lezen we dat Coleta aanvankelijk weigerde Sint-Anna te vereren omdat zij drie mannen had gehad. In een visioen ziet zij echter een voorname vrouw te midden van een grote schare die haar met eerbied behandelt. De vrouw negeert St.-Coleta en loopt haar met het edele gezelschap voorbij. Als Coleta vraagt wie deze vrouw is, wordt er geantwoord dat het de Heilige Anna is. Zij is de voornaamste van de grote schare heiligen omdat zij door haar huwelijk moeder van Maria, grootmoeder van Christus en belangrijke apostelen, stammoeder van een voornaam en heilig geslacht kon worden. Daardoor heeft zij groot aanzien verkregen in de hemel.
Ook een tweede mirakel maakt duidelijk dat Sint-Anna een machtige positie als pleitbezorgster heeft verkregen. Coleta ziet in een visioen een waardige vrouw in een groene mantel. Het blijkt Sint-Anna te zijn die de gebeden van alle heiligen op een gouden schaal verzamelt om ze voor God te brengen.
Sint-Coleta wordt beschouwd als één van de voornaamste pleitbezorgers voor de Annacultus in onze contreien[26].
In de 17de eeuw werd Bottelaere bij Gent een bekend bedevaartoord met een mirakelbeeld en een bloeiend broederschap.[27]
Doorheen de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijden werd Anna vooral geëerd als stammoeder van een heilig en edel geslacht. Later verschoof het accent naar een vermenselijkte heilige familie. Anna werd gezien als een opvoedende, zorgzame (groot)moeder. Dit paste ook in een algemene beweging voor een meer menselijke voorstelling van zowel Jezus als Maria[28]. Het is onder die vorm ook dat zij in de Sint-Katharinakapel geïntroduceerd wordt. In één van de boeken van het Broederschap van Sint-Anna, vermoedelijk opgericht in 1690, vinden we een afbeelding van de zorgzame grootmoeder die toekijkt hoe Maria de borst geeft aan het kindje Jezus. Dit broederschap kent trouwens een zeer lange geschiedenis, het blijft bestaan minstens tot 1940. Een aparte studie naar dit broederschap lijkt mij geen overbodige luxe.
De plechtige heropening van de kapel ging gepaard met een mirakel, een kind werd genezen na een gebed op voorspraak van de Heilige Moeder Anna, tenminste zo meldt ons het Tweede boek van het Broederschap van Sint-Anna van Bottelaere. Dit verhaal en het feit dat het opgetekend staat bij een broederschap in Bottelaere lijkt mij op zich al onderwerp voor een diepgaandere studie[29].
5. De Franse Revolutie
Door een volledig gebrek aan beschikbare studies zijn we gedwongen om een reusachtige sprong te maken van meer dan een eeuw, zo belanden we bij de inval van de Franse republikeinse troepen.
Begin 1792 verklaarde de jonge Franse Republiek de oorlog aan het Keizerrijk Oostenrijk, in november namen de Franse revolutionaire troepen Gent in.
Van 12 november 1792 tot 29 maart 1793 werd Gent door de Fransen bezet. De Franse revolutionaire oorlogsmachine moest gevoed worden: belastingen en vorderingen volgen elkaar in een hoog tempo op. De waardevermindering van de assignaten zette een domper op de economie en ook de tot dan toe bevoorrechte standen kregen het zwaar te verduren. De bevrijding was van korte duur, op 18 maart 1793 leed het revolutionaire leger een verpletterende nederlaag te Neerwinden. Het Franse leger moest wijken voor de Oostenrijkers en zo kwam de (tweede) Oostenrijkse restauratie tot stand . Er werd nu gestreefd naar een volledig herstel van het Ancien Regime.
Na de slag van Fleurus (26 juni 1794) kwamen de Fransen terug, nu voor de periode van 20 jaar. Op 4 juli 1794 kwam Gent weer in handen van de revolutionairen. Dit maal zouden de Fransen er blijven tot 1814.
De officiële aanhechting van Gent bij Frankrijk gebeurde op 1 oktober 1795[30]. Uit vrees voor negatieve reacties bij de bevolking beloofde het Comite de SalutPublic niet te zullen raken aan het geprivilegieerde statut van de Rooms-katholieke kerk. Niettegenstaande deze verklaring nam de revolutionaire overheid al vlug een aantal maatregelen die de Kerk beschouwde als een aanslag op haar positie. Voor alle officiële schriftstukken werd de republikeinse kalender opgelegd, op 5 oktober 1794. Op hetzelfde tijdstip werden in de steden de eerste kerkgebouwen opgeëist om er een tempel van de Rede te vestigen. Vanaf 14 november 1794 dienden de gemeenten registers van de Burgerlijke Stand bij te houden. Om de priesters en gelovigen tegen het sarcasme van de republikeinen te beschermen werden in de steden de processies, openbare begrafenissen en plechtige berechtingen verboden. Zoals alle andere feodale rechten werden de tienden afgeschaft, waardoor de kerkelijke instellingen van deze inkomsten beroofd werden.
De regering zocht naar de juiste middelen om een effectieve scheiding van kerk en staat door te voeren. Als eerste stap kwam de invoering van de Burgerlijke Stand met inbegrip van de echtscheiding, met overdracht van de parochieregisters. Daarop werden de liefdadigheidsinstellingen omgevormd tot openbare lichamen en onder toezicht van de locale overheid geplaatst. Reeds toen verordende de wet van 1 september 1795 de opheffing van alle abdijen en niet-actieve kloosters. In het late najaar 1796 en het vroege voorjaar 1797 werden de leden van de getroffen gemeenschappen uitgedreven. De gematigde kerkleiders ijverden voor het bekomen van een Romeinse instemming voor het aanwenden van de aangeboden bons, waarmee de kloosters een gedeelte van hun bezit zouden kunnen redden. In de opheffingswet werd door het berooide Directoire aan elke kloosterling in de plaats van een jaargeld een bon aangeboden, die uitsluitend kon worden aangewend voor de aankoop van domeingoederen. De Heilige Stoel stemde er tenslotte onder bepaalde voorwaarden mee in. Te Gent aanvaarden de augustijnen, de dominicanen en de geschoeide karmelieten de bon, waarmee zij hun klooster en kerk kochten.
Terwijl de reguliere clerus zware klappen kreeg, nam de overheid maatregelen om ook de seculiere kerk te treffen. Reeds in januari 1797 werden een aantal paragrafen uit de wet van 29 september 1795 uitvoerbaar verklaard. De eredienst mocht voortaan alleen binnen de kerkgebouwen gehouden worden. Daartoe diende de clerus wel een verklaring te onderschrijven namelijk: een erkenning van de volkssoevereiniteit, onderwerping en gehoorzaamheid aan de wetten van de republiek. Meteen werd de geprivilegieerde positie van de Rooms-katholieke kerk ondergraven.
Op 12 mei verklaarde het vicariaat dat iedere priester over deze eed zelf naar eer en geweten mocht beslissen. 132 priesters besloten deze eed te zweren.
De onderwerping door een meerderheid van de parochieclerus in de bisdommen Doornik, Luik en te Gent, bemoeilijkte de zaak van de clerus die rekende op de koningsgezinde meerderheid in de beide Parijse Assembléesom een wijziging van de wet te bewerken.
Met de staatsgreep van het Directoire van 4 september 1797 kwam het radicale antwoord. Terstond werd een sterk antiklerikale koers gevaren. De wet van 29 september 1795 werd in oktober strikt en volledig toegepast, wat meteen, met de scheiding van kerk en staat, de verwijdering van alle uiterlijke symbolen van de eredienst uit het straatbeeld en het kerkhof impliceerde. De verklaring werd vervangen door de eed van haat aan het koningsschap en al wie ervan verdacht werd de openbare orde te verstoren, kon bij individueel besluit van het Directoire tot deportatie veroordeeld worden. Tenslotte werden in de loop van het najaar in de aangehechte departementen alle nog bestaande kerkelijke instellingen opgeheven en hun bezittingen genaast, namelijk pastorieën en pastorale goederen, kerkfabrieken, seculiere kapittels, seminaries, eenvoudige beneficiën en de voorheen gespaarde kloosters. Er was 1 uitzondering: de beëdigde pastoors mochten hun pastorie bewonen en van het vruchtgebruik van de pastorale goederen genieten[31].
Dus vrij vertaald, op 4 september 1797 begon de zogenaamde “Beloken tijd”. De periode van sluikkerken en altaren vermomd als ingebouwde kast, die we nu nog in verschillende musea kunnen terugvinden. Een klassiek voorbeeld van een dergelijk sluikaltaar is te bezichtigen in het Klein Begijnhof Onze-Lieve-Vrouw ter Hooie, een ommuurd eiland op het grondgebied van de parochie van Sint-Anna[32].
In 1797 werd ook de Kapel van Sint-Katharina op ’t Sant openbaar verkocht. Hij kwam in handen van 2 burgers met een oog voor zaken, een koperslager en een apotheker, Hellebaut en Van Bavegem. Zij kochten de kerk met pastorij, de hovenierswoning, het hoveniershof en het kerkhof[33].
Bedenkingen
In dit deel hebben we in een ijltempo zo’n 7 eeuwen geschiedenis doorlopen. We zagen hoe het stadsdeel ontstond en tot ontwikkeling werd gebracht. We zagen hoe het stond met de aanwezigheid van gebouwen voor de eredienst. We zagen hoe Sint-Katharina in de 17de eeuw het gezelschap kreeg van Sint-Anna als patroonheilige van de kapel die dan ook werd hergebouwd in de Jezuïetenbarok. En tenslotte zagen we hoe de Franse republikeinen Gent inlijfden en de zogenaamde beloken tijd inluidden.
Het is van groot belang dat we benadrukken dat er nog een overvloed aan werk ligt te wachten op onderzoek, een wijkgeschiedenis, een studie van de verschillende religieuze orden, die zich in de loop der tijden vestigden in dit stadsdeel,… Hierbij hoort ook een oproep om de geschiedenis van de Katharinakapel, de voorloper van de Sint-Annakerk, te bestuderen: er liggen hopen archieven te wachten op studie.
Deel 2. Een nieuw begin onder de Kapucijnen
In het vorige deel deed ik een poging om een ruwe schets te geven van de voorgeschiedenis. Het deel eindigde met de Beloken Tijd. Dit deel staat in het teken van de wederopbouw. We zullen pogen na te gaan hoe de Kerk en de parochie in het bijzonder de ravage van de Franse tijd overleefde en hoe ze zich in de eerste helft van de negentiende eeuw terug herstelde. Ons verhaal begint met het einde van de Beloken Tijd, het Concordaat.
1. Het Concordaat
De Beloken Tijd komt tot een einde met het Concordaat tussen Napoleon Bonaparte en Paus Pius VII, afgesloten op 15 juli 1801. Het Concordaat luidde het einde in van het Ancien Regime, de kerk legde zich neer bij de scheiding tussen kerk en staat en nam afstand van haar oude voorrechten (voorlopig toch). De wereldlijke overheid zag af van de antireligieuze maatregelen. De Kerk kreeg voldoende vrijheid om zijn religieuze plichten te vervullen maar moest zich onthouden van iedere bemoeienis met het wereldlijk gezag.
Samen met deze beginselverklaring waren er ook een heel reeks meer praktische maatregelen, zoals de reorganisatie van de bisdommen. Veel van deze praktische maatregelen waren geïnspireerd door het zogenaamde gallicanisme. De bisschoppen verkregen meer autonomie en vooral meer zeggenschap over de parochiepriesters[34].
In 1802 werd Etienne Fallot de Beaumont aangesteld als bisschop in het Bisdom Gent. Hij werd een groot organisator, zo slaagde hij erin om op 1 januari 1803 een nieuwe indeling van de parochies door te voeren. Bij deze reorganisatie was hij niet over één nacht ijs gegaan. Hij liet daarbij een tabel opstellen van alle beschikbare priesters. De grootvicarissen en de dekens moesten hem informeren over de stand van zaken in de parochies en over de verschillende kandidaten. Om het kaf van het koren te scheiden moesten alle religieuzen van het bisdom, onder de 60 jaar, deelnemen aan een algemeen examen. Er moest duidelijk terug gekeerd worden naar het priesterideaal van Trente, dat stelde dat een priester deftig, sober en gehoorzaam moest zijn, de “pastor pius et zelosus”.
De kerk had grote nood aan capabele priesters die de kerk moesten herstellen van de zware klap die hen was toegebracht door de Franse Revolutie. De kerk moest alle hens aan dek geven om zich te herstellen en vooral om de verloren schapen terug naar de stal te leiden. Er was duidelijk een tekort aan priesters, maar ook een te veel, een te veel aan ‘werkeloze’ priesters, die vroeger behoord hadden tot een bepaalde orde of kapittel en nu ‘stuurloos’ waren.
De Beaumont voerde de priesterretraites terug in en heropende het seminarie. Hij pleitte er ook voor om het volksgeloof terug leven in te blazen door middel van de heroprichting van de broederschappen en de opwaardering van processies en bedevaarten. Zijn te grote volgzaamheid ten opzichte van Napoleon zorgde voor heel wat spanningen en eindelijk zijn ontslag, maar dit geheel terzijde[35].
2. De Succursale Sint-Annakerk
Het belangrijkste gevolg van het Concordaat voor de gewone mensen was het feit dat de kerken weer konden opengaan.
De Kapel van Sint-Katharina en Sint-Anna op ’t Sant wordt formeel omgevormd tot de Succursale Kerk van Sint-Anna op 30 november 1802. E.H. Joes Livinus Van Den Bossche wordt bevestigd in zijn functie als Directeur, een functie die hij bekleedde sedert 1779. De kerk gaat, net zoals het nabijgelegen Onze-Lieve-Vrouw Presentatie, functioneren als succursale kerk bij de parochie van Sint-Jacobs[36].
Ik zeg wel formeel want de kerk is nog steeds eigendom van Van Bavegem en de weduwe Hellebaut.
In januari 1803 stelde Guillaume Charles Faipoult, prefect van het Scheldedepartement voor om de Sint-Annakerk af te schaffen, hij stelde voor om de Onze-Lieve-Vrouw Presentatiekerk te bevorderen tot parochiekerk van dit stadsdeel. Dit was een klein stadsdeel met relatief weinig inwoners, er was geen reden om twee parochiekerken te behouden zo dicht bij elkaar.
Mgr. De Beaumont verzette zich hiertegen. Hij argumenteerde dat het begijnhof Onze-Lieve-Vrouw ter Hooie een parochie op zich is en dat daar niet aan geraakt mag worden. Tevens wees hij erop dat de totale capaciteit van de beide kerken het aantal zielen op de parochies niet overschreed en er dus geen sprake kon zijn van een teveel aan kerkgebouwen in dit stadsdeel. Het plan wordt begraven[37].
E.H. Van Den Bossche overlijd begin maart 1804. Hij wordt vervangen door E.P. Modest Vande Voorde.
3. De Kapucijnen
In maart 1804 werd Modest Vande Voorde aangesteld als nieuwe parochiepriester. Modest Vande Voorde was ook bekend als Everardus van Gijzegem, Pater Kapucijn. Hij was gardiaan geweest van het voormalige klooster aan de Brabantdam. De Sint-Annaparochie gaat nu tot 1830 geleid worden door paters Kapucijnen, ik stel voor dat we die Kapucijnen eens van wat dichter gaan bekijken.
Het verhaal van de paters Kapucijnen in Gent begint in 1583, toen, zoals al eerder vermeld, de Gentse Republiek onder de voet werd gelopen door de Spaanse troepenmacht. Er moest nu begonnen worden met de Contrareformatie. Een belangrijke rol was daarin weggelegd voor de kloosterorden.
In 1589 zouden de Paters Kapucijnen zich met de steun van hertog Alexander Farnese in Gent komen vestigen. Een delegatie van de Kapucijnen onder leiding van Pater Antonius Vooght, die de prior zou worden, trok in 1589 naar Gent op zoek naar een geschikte vestigingsplaats.
Een passend terrein was dadelijk gevonden. De stad kocht het godshuis en de kapel van de volders, dichtbij de Hooipoort. De oude Sint-Christophelkapel zou als kloosterkerkje dienst doen, zodat het overbodig werd, er een nieuw te bouwen. Tijdens de Republiek was het gebruikt voor de protestantse eredienst.
Reeds in maart 1589 werd met het bouwen van het klooster een aanvang gemaakt en in vier maanden was alles voltooid.
Het kerkje werd door de Aartsbisschop van Tuam op 2 juni 1589 heringewijd.
In 1610-11 werd het klooster te Gent grotendeels herbouwd, op kosten van de stad.
Het klooster te Gent was in 1610-1611 grotendeels herbouwd, doch de kerk bleef voorlopig onveranderd. Ook de tuin kon men in 1613, 1616 en 1619 merkelijk uitbreiden. Daarenboven werd een pesthuis gekocht in 1619. Dat waren allemaal aanwinsten zonder groot belang; doch spoedig zou het klooster helemaal vernieuwd worden.
In Mei 1628 werden de gebouwen geïnspecteerd door de Pater Provinciaal met drie bouwmeesters, de conclusie was dat men de kerk en het klooster veel te klein vond, ook vonden ze dat de kerk meer op een stal dan op een huis van God geleek.
Reeds in Januari 1630 werd besloten de kerk af te breken en het beschikbare terrein uit te breiden door nog een paar eigendommen aan te kopen. Alles moest van de grond af worden herbouwd.
Dat alles verliep zo voorspoedig, dat Bisschop Triest, broer van de Gardiaan Eugenius van Gent, op 14 Juli 1631 de eerste steen van de gebouwen kon wijden.
Verschillende rijke geldschieters werden uitgenodigd om ook een steen te komen leggen: Philippus de Blasere, heer van Ydewalle, namens het stadsbestuur, Thomas van Dendermonde, namens de magistraat van de Oudburg, Horatius Bertelli en Anna de la Tour, vrouwe van Cortewijle.
De plannen werden op 13 februari 1632 officieel door de magistraat goedgekeurd. Het wapenschild van de stad moest op de voorgevel en op een van de glasramen prijken. Alles zou in baksteen worden gebouwd, doch de kerkgevel moest nogal veel versiersels dragen in wittesteen.
Het hoogaltaar werd geschonken door de Abt van St.-Pieters. Samen met de kerk en de beide kleinere altaren werd het door Bisschop Triest in 1633 geconsacreerd. Onder de plechtige mis hield pastoor Adriaenssens, van St.-Jacobs, de feestrede. Op 12 Juin 1638 moest het hoogaltaar echter door dezelfde Bisschop opnieuw worden geconsacreerd, vanwege sommige noodzakelijke veranderingen, die daar waren aangebracht. De bouw van het klooster en de kerk kostte 30.000 gulden[38].
De Kapucijnen vormden een belangrijke kloostergemeenschap in de wijk, met regelmatige gastoptredens in de Sint-Katharinakapel.
Na een eeuw werd de rust echter verstoord, de Franse revolutionaire troepen vielen Gent binnen. De wet van 1 september 1795 verordende de opheffing van alle abdijen en niet-actieve kloosters. In het late najaar 1796 en het vroege voorjaar 1797 werden de leden van de getroffen gemeenschappen uitgedreven. De gematigde kerkleiders ijverden voor het bekomen van een Romeinse instemming voor het aanwenden van de aangeboden bons, waarmee de kloosters een gedeelte van hun bezit zouden kunnen redden. In de opheffingswet werd door het berooide Directoire aan elke kloosterling in de plaats van een jaargeld een bon aangeboden, die uitsluitend kon worden aangewend voor de aankoop van domeingoederen. De Kapucijnen weigerden die bons en werden na twintig dagen uitgedreven[39]. Daarna werden de gebouwen tot profane doeleinden gebruikt. De gebouwen werden in 1809 gebruikt als hospitaal In 1828 was er een kosteloze jongensschool gevestigd; een ander deel van de gebouwen werd een magazijn van het leger. In 1842 kocht de stad de gebouwen en het erf. In 1816 werd de voormalige Sint-Christophelkapel overgedragen aan de Protestantse kerk.
De tuin werd als bouwgrond benut, daar werd het Van-Arteveldeplein en het begin van de Keizer Karelstraat gebouwd[40].
De nieuwe omstandigheden maakten het kloosterleven onmogelijk. Van een uiterlijk godsdienstig gewaad kon er geen sprake meer zijn en van de geloften van gehoorzaamheid en vooral van armoede kon er niet veel meer worden onderhouden. De meeste paters kregen hiervoor van de bisschoppen dispensatie[41].
De Kapucijnen moesten nu een ander onderkomen gaan zoeken. Ze vonden een onderkomen in verschillende landhuizen en kastelen in de omgeving: het kasteel van advocaat Brandt, in Merelbeke, het kasteel van Bottelare en in Lemberge[42].
Er was aan het begin van de negentiende eeuw een groot tekort aan priesters. Het is dan ook niet meer dan logisch dan dat de paters zich zouden aanbieden om aan een kerk verbonden te worden, als mislezer, biechtvader, kapelaan of zelfs pastoor.
Toen de Gentenaars de Prefect van het Scheldedepartement gevraagd hadden, om de kapel als hulpkerk te erkennen, vroegen de Kapucijnen eveneens aan het bisdom, om ze te mogen bedienen. Mgr. Fallot de Beaumont, die de kloosterlingen niet ongenegen was, vond echter een andere oplossing en benoemde in 1804 de Gardiaan Everardus van Gijzegem tot pastoor van St.-Anna[43].
4. Het Pastoraat van E.P. Vande Voorde (1804-1810)
E.P. Vande Voorde wordt op 16 maart 1804 aangesteld als pastoor van de zelfstandige parochie van Sint-Anna.
Modestus Vande Voorde werd op 05 juli 1752 geboren als zoon van Joannes Vande Voorde en Adriana Michiels. Op 22 september 1770 treed hij in orde van Paters Kapucijnen. Hij neemt de naam aan van Everardus van Gijzegem. Bij de instelling door de Franse overheid van de eed weigert hij deze af te leggen, hij wordt ter deportatie veroordeeld, maar ontsnapt. In 1797 neemt hij de functie van Gardiaan op zich. Na het afkondigen van het Concordaat wil hij zich actief inzetten voor het parochieleven in de stad en wordt aangesteld aan de Sint-Annakerk[44].
Op 16 maart 1804 wordt hij aangesteld als deservitor en op 30 juni als pastoor[45].
Het eerste wat hij doet is het organiseren van een collecte om de kerk terug te kopen.
Van Bavegem, die eigenaar was van de kerk, de pastorij en een deel van de grond, vraagt 400 ponden groot, plus 100 pond interesten.
Vande Voorde verkrijgt de 400 pond van een zeer gulle dame, die echter anoniem wenste te blijven. Jammer genoeg respecteerde Vande Voorde deze wens ook in zijn persoonlijke nota’s.
De 100 pond voor de interest wordt geschonken door Maria Catharia De Rycke, grootjuffrouw van het Klein Begijnhof Onze-Lieve-Vrouw Ter Hoye[46].
De kerk wordt dus in april 1804 eigendom van de Kerkfabriek van Sint-Anna[47].
E.H. Vande Voorde moet echter onmiddellijk weer op bedelronde, de kerk moet namelijk dringend gerestaureerd worden. Op 28 maart wordt door de Kerkfabriek de koster van de oude kapel gevraagd om, naar zijn beste vermogen, een inventaris te maken van de inboedel van de kapel vlak voor de sluiting. Hij wordt ook gevraagd om te proberen na te gaan waar alles is naartoe gegaan[48].
Van de stad Gent krijgen ze voor de restauratie “der gedelabreerde succursale kerke van sinte-Anna” een subsidie van 2000fr om de “dringenste en onvereijdelijke reparaatie te beginnen –als den opgebroken vloer, het schaille dak, de loode goten, buytenmuren en gelaasde vensters”[49].
Het orgel en het ‘portaal’ worden aangekocht voor 600 pond door grootjuffrouw De Rycke.
Op 3 mei organiseerde E.P. Vande Voorde een omhaling op de parochie waarbij 400 gulden werd gecollecteerd. Daarmee worden dringende herstellingen betaald aan het dak, de vloer en de glasramen.
Op 25 mei wordt het heilig sacrament uit de kathedraal naar de kerk overgebracht, in een processie “verselt met brandende licht en andere teekens van eerbied die men aan het Opperwezen verschuldigt is”[50].
Op 27 juni, feest van de Heilige Drievuldigheid, wordt de kerk plechtig geopend door E.H. Ambrosius Goethals, de vicaris-generaal van het Bisdom Gent van 1803 tot 1813[51].
De weduwe Hellebaut is ondertussen hertrouwt met procureur Coninck. Zij verkopen voor 80 pond de preekstoel, het tabernakel en vier kasten aan de Kerkfabriek.
De Kerkfabriek slaagt erin om na bemiddeling door zowel de bisschop als prefect Fraipont het marmeren altaar te verkrijgen uit de voormalige Sint-Joriskapel[52].
Er worden nog 2 kleine altaren aangekocht voor de twee zijkapellen.
In 1806 worden twee nieuwe biechtstoelen aangekocht voor 170 gulden. Deze biechtstoelen waren gemaakt in de neoclassicistische stijl, die in die tijd zo populair was. De andere biechtstoelen die reeds in de kerk stonden worden nu ook in die stijl aangepast, voor de som van 93 gulden.
De kerk krijgt van een dame uit de parochie, Agnes de Meulenaere een aantal relikwieën, namelijk een splinter uit het ware Heilig Kruis, een relikwie van de Heilige Anna, van Sint-Agnes, van Sint-Liborius en van Sint-Franciscus à Paulo. Het is totaal onbekend waar zij die vandaan heeft gehaald, hoogstwaarschijnlijk heeft ze die bij het sluiten van de kerken door de Franse overheid ergens op kop weten te tikken.
De succursale kerk van Sint-Anna krijgt de beschikking over één onderpastoor, de keuze valt op medepater Kapucijn, P.B. Van De Velde.
Petrus Bernardus Van De Velde wordt geboren op 13 juli 1754 als zoon van Joannes Baptista Van De Velde en Catharina de Ridder. Op 12 augustus 1778 treed hij in bij de Paters Kapucijnen en neemt de naam aan van Constantinus. Op 3 juli 1804 volgt hij de Gardiaan naar de kerk van Sint-Anna en wordt onderpastoor[53].
E.P. Vande Voorde overlijd op 24 juli 1810 en wordt één dag later begraven. Hij wordt opgevolgd als pastoor van Sint-Anna door zijn onderpastoor, E.P. Van De Velde[54].
5. Het Pastoraat van E.P. Van De Velde (1810-1820)
Op 18 augustus 1810 wordt Petrus Bernardus Van De Velde, E.P. Constantinus, officieel aangesteld als pastoor van de Sint-Annakerk.
Onder E.H. Van De Velde kende de parochie een groot verloop aan onderpastoors, zowel E.H. Moreel als E.H. Van Reeth moeten de parochie al na een jaar terug verlaten wegens ziekte.
Jacobus Franciscus Eugenius Moreels wordt op 18 oktober 1751 in Ooike geboren uit Franciscus Moreels en Teresia Sapyn. Hij treedt op 19 maart 1771 toe tot de Paters Kapucijnen en neemt de naam aan van Alardus. Op 22 augustus 1810 wordt hij aangesteld als onderpastoor van E.P. Van De Velde. Het is echter van korte duur, op 27 oktober reeds moet hij ontslag nemen wegens ziekte. Een jaar later, op 29 augustus 1811, zal die ziekte hem vellen[55].
Hij wordt opgevolgd door E.P. Van Reeth.
Petrus Antonius Van Reeth, geboren in september 1762 in Boom als zoon van Petrus Antonius Van Reeth en Maria Teresia Spillemaeckers. Op 14 juli 1791 treedt hij binnen bij de Paters Kapucijnen. Het is echter van korte duur, op 1 december 1791 treedt hij weer uit, enkel om 7 dagen later terug in te treden. Deze keer voorgoed. Hij neemt de naam aan van Pater Silvester.
Hij weigert, net als zijn Gardiaan, E.P. Everardus, de eed van haat aan het koningschap te zweren en wordt gevangen genomen op 19 november 1798, hij wordt opgesloten in het rasphuis en in het voormalige klooster der Alexianen. Op 09 januari 1800 wordt hij vrijgelaten.
Op 13 januari 1803 wordt hij aangesteld als onderpastoor in Waasmunster. Drie jaar later, op 09 augustus 1806 verhuist hij naar Bazel. Op 10 maart 1808 zit hij in Rupelmonde en op 30 juli 1810 is hij onderpastoor in Zeveneken. Een half jaar later, op 27 december 1810 wordt hij onderpastoor op Sint-Anna.
Daar blijft hij tot hij een jaartje later, op 16 november 1811, ontslag moet nemen wegens ziekte. Hij overlijdt op 09 mei 1812[56].
Hij wordt opgevolgd door E.P. Josephus Samyn, geboren op 16 juli 1771 uit Petrus Samyn en Maria Bernarda van Vyve. Hij wordt reeds vroeg tot priester gewijd, en treedt korte tijd later, op 12 augustus 1791, in bij de Paters Kapucijnen. Hij neemt de naam aan van Pater Joachim van Brugge. Hij treedt regelmatig op als gastpriester, meestal als doopheer in de Sint-Annakerk. Op 18 februari 1807 wordt hij aangesteld als onderpastoor in Destelbergen. Op 20 februari 1809 verhuist hij naar Zele. Op 16 november 1811 wordt hij onderpastoor in Sint-Anna[57].
E.P. Van De Velde blijft zijn functie uitoefenen tot aan zijn overlijden op 07 oktober 1820. Hij wordt opgevolgd als pastoor door zijn onderpastoor, Pater Joachim.
6. Het Pastoraat van E.P. Samyn (1821-1830)
Op 7 oktober 1820 overlijd E.P. Van De Velde, maar zijn opvolger, E.P. Samyn wordt pas formeel aangesteld op 12 september 1821 als pastoor van de Sint-Annakerk.
De opvolger van E.P. Samyn als onderpastoor wordt E.H. De Muynck, een seculier priester.
Joannes Franciscus De Muynck werd in Sint-Laureins geboren op 20 november 1795.
Op 13 augustus 1820 wordt hij tot priester gewijd. Op 12 september 1821 wordt hij dan aangesteld tot onderpastoor van Sint-Anna.
Alsof het expres gedaan is, wordt hij op 31 augustus 1822 benoemd tot onderpastoor van Sint-Anna, deze in Brugge. Vijf jaar later, op 14 augustus 1827 wordt hij bevordert tot pastoor in Heist. Op 11 september 1832 verhuist hij als pastoor naar Vosselare. Op 5 maart 1841 wordt hij pastoor in Meldert, waar hij op 18 september 1851 overlijdt[58].
Op 31 augustus 1822 wordt E.H. Bracq aangesteld als onderpastoor van Sint-Anna.
Joannes Baptista Bracq werd op 06 november 1783 in Gent geboren.
Op 07 augustus 1814 wordt hij tot priester gewijd. Vijf jaar later, op 03 november 1819, wordt hij onderpastoor in Brugge en inderdaad op de parochie van Sint-Anna. Vanwaar hij dus drie jaar later van weggeroepen wordt om de functie van onderpastoor waar te nemen in de Sint-Annakerk in Gent[59].
E.H. Samyn had reeds na verschillende verzoeken alarm geslagen bij zijn oversten: de parochie had dringende nood aan een bijkomende onderpastoor. Het bisdom vond een oplossing door het aanstellen van een geestelijke als koster. E.H. Verheust wordt aangesteld op 4 december 1827. Deze oplossing was uiterst inventief. Een bijkomende onderpastoor betekende voor de staat een bijkomend salaris, iets wat ze niet wilde betalen, het bisdom laat nu een betaalde functie invullen door een geestelijke, die in de praktijk kan functioneren als onderpastoor[60].
Van E.H. Antonius Verheust weten we eigenlijk bijzonder weinig. Hij werd in Kortrijk geboren op 26 oktober 1797. Dertig jaar later, op 25 januari 1827 werd hij tot priester gewijd.
Op 4 december 1827 wordt hij dus aangesteld als koster in de kerk van Sint-Anna.
Meer informatie over zijn levensloop konden we niet vinden.
In de tweede helft van de jaren 1820 werd duidelijk dat de parochiekerk veel te klein was geworden om alle gelovigen op zijn grondgebied te kunnen bedienen. De kerkfabriek telde 6000 gelovigen op zijn grondgebied, met een kerk die slechts plaats bood aan 600 man. Er werd geargumenteerd dat zelfs het vieren van drie hoogmissen op zon- en feestdagen niet kon volstaan om alle gelovigen de kans te bieden hun zondagsplicht te volbrengen. Er werd gewaarschuwd voor het gevaar van ‘afvalligheid’. De kerkfabriek beraadslaagde over deze kwestie en kwam tot het besluit dat het beter zou zijn moest het gebouw vergroot worden.
In 1829 deed de kerkfabriek van Sint-Anna een eerste aanvraag bij de Gentse gemeenteraad om een nieuwe en grotere kerk te bekomen[61].
Door omstandigheden (1830 genaamd) bleef dit evenwel zonder gevolg.
7. Het vertrek van de Kapucijnen
In 1827 zijn er in het totaal nog 5 paters Kapucijn in Gent.
E.P. Samyn vertrekt in juni 1830 met de laatste paters naar Eernegem. Daar vestigden ze zich in de Raapstraat. E.P. Samyn werd op 15 juni aangesteld als pastoor van de locale parochie. Daar overlijdt hij uiteindelijk op 25 juni 1847[62]. Hiermee komt er een einde aan drie eeuwen Kapucijnse aanwezigheid in Gent.
E.P.Samyn wordt vervangen door zijn seculiere onderpastoor, E.H. Bracq.
DEEL 3. Veranderende Stad, Veranderende Wijk
In dit deel is het bedoeling om een beeld te schetsen van de situatie in de Stad Gent en de Zuidwijk. De stad transformeert op zeer korte tijd van een Ancien Regime stad naar een ware industriestad met grote fabrieken, zware milieuvervuiling en heuse krottenwijken, ook wel beluiken genaamd, waar ziekten weelderig tierden en waar opstanden broeiden. Deze situatie was onthoudbaar, en tot die conclusie kwam ook de stedelijke burgerij, die grootste plannen ontwikkelde om de lont uit het kruidvat te halen. De stad werd letterlijk opgekuist. Gent werd opnieuw getransformeerd in een op en top moderne stad met grootse monumenten, prachtige pleinen en parken en brede lanen met prachtige façades. En achter die façades, net zoals het ook vaak nu nog het geval is, krottenwoningen en complete miserie.
1. Veranderende stad
Gent was aan het begin van de 19de eeuw nog een op en top Ancien Regime stad. De stadsomwallingen waren dan wel gesloopt onder Jozef II, toch bleef de stad binnen zijn grenzen. De bevolking van de stad was gedurende het Ancien Regime vrijwel stabiel gebleven. In 1805 telde de stad zo’n 56.000 inwoners.
1.1. De Industriële Revolutie te Gent
Toen de Industriële Revolutie in Engeland losbarstte was Gent zoals gezegd nog een op en top Ancien Regimestad. Maar Gent zou zich op zeer korte tijd opwerpen als het ‘Manchester van het Vasteland’. Gent was een grootstad met een bevolking van om en bij de 56.000 inwoners, met voldoende beschikbare werkkrachten, die konden ingezet worden in de nieuwe gemechaniseerde fabrieksarbeid. Gent was een rijke stad, met een sterk ontwikkelde proto-industrie, met omvangrijke manufacturen. Een stad met niet alleen rijken maar ook met innovatieve rijken met ondernemingszin, die het aandurfden om te investeren in risicovolle innovaties. De Franse Revolutie zorgde ervoor dat hinderlijke ambachten wegvielen en verbood elke vereniging van arbeiders. Een ander pluspunt was dat nu grote gebouwen waarin voorheen onproductieve religieuze orden gevestigd waren vrij stonden om te worden gebruikt als fabriekshal.
De Industriële Revolutie schudt de stad op zijn grondvesten. In de periode 1770-1800 openen in Gent zo’n 25 grote “manufacturen”, met meer dan 100 arbeiders, de deuren.
De belangrijkste industriële tak in Gent was ongetwijfeld de textielindustrie, in een eerste fase vooral de katoenspinnerij. Op het vlak van tewerkstelling was de textielnijverheid trouwens al ver voor de industriële productiewijze doorbrak de belangrijkste[63]. Lieven Bauwens was de man die het katoenspinnen tot op het niveau van de gemechaniseerde fabrieksarbeid bracht