| "Mes qué un club?" Een comparatieve studie over de sociaal-economische en ideologische achtergronden van twee Europese stylistische voetbalclubs F.C. Barcelona en R.S.C. Anderlecht (1899-1960). (Karlien Guldentops) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Voetbal is een sport die over de hele wereld populariteit geniet. Daardoor is haar impact niet te onderschatten. Daarbij komt nog dat deze sport uitgegroeid is tot een ware industrie, waarbij spelers uit de hoogste divisies voor veel geld van club verhuizen en waar zowel de sponsoring als de merchandising een belangrijke rol spelen.
Onze interesse voor het voetbal, in combinatie met onze belangstelling voor geschiedenis en meerbepaald de sociale variant ervan, vormde de aanleiding tot het kiezen van dit onderwerp. We opteerden voor twee ploegen: Futbol Club Barcelona en Royal Sporting Club Anderlecht.
De keuze voor Futbol Club Barcelona lag voor de hand, vermits we het voorrecht hadden in het kader van een Erasmus/Socrates programma zes maanden in Barcelona te verblijven. Gedurende dit verblijf viel het ons op dat de Catalaanse bevolking zich sterk met de club vereenzelvigt. Op dat moment ging het niet goed met de club en de sportieve successen bleven uit, toch bleef Barcelona de club met het grootste aantal supporters. Opvallend was de symboliek die de club vertegenwoordigde.
Deze thesis omvat de periode vanaf het ontstaan tot 1960. Toch is het nuttig om bij wijze van inleiding een kort overzicht te geven van de periode 1960-2003. Dit om aan te duiden welke evolutie de clubs in de jaren daarna kenden. Dit biedt ons de mogelijkheid om vanuit het heden naar het verleden te kijken.
In het meer dan honderdjarig bestaan van de Catalaanse club behaalde ze al vele titels. Het totale aantal bedraagt 77, waaronder 22 Catalaanse kampioenschappen, één Europacup (de voorloper van de hedendaagse Champions League), 15 landstitels, twee Copa Latina’s,…. De club bestaat momenteel uit 103 000 leden (socios) en uit meer dan 1.200 supportersverenigingen (penyes).
Dat de club één van ‘s werelds populairste clubs is, valt dus niet tegen te spreken. De symbolisering van de Catalaanse cultuur verklaart grotendeels deze populariteit. Niet voor niets beschouwen de Catalanen F. C. Barcelona als més qué un club (meer dan een club).[1]
F.C. Barcelona werd vanaf 7 juni 1961 door de textielfabrikant Enric Llaudet geleid. Het ledenaantal van de Catalaanse club liep in 1962 op tot 50.000. De club sloot het seizoen van 1962–1963 af op een zesde plaats, het slechtste resultaat in twintig jaar tijd. De ploeg probeerde belangrijke spelers als Suárez, Ramallets, Czibor, Evaristo, Martínez en ook Kubala, die op dat moment als trainer optrad, te vervangen. 1964 betekende het debuut van Carles Rexach en van Joan Segarra.
Ondanks verschillende overwinningen zoals het behalen van de ‘Copa de Fires’, leidde de toen aanwezige sportieve crisis tot het ontslag van president Llaudet. Hij werd vervangen door Narcís de Carreras.
De rivaliteit tussen de Catalaanse club en de club uit de hoofdstad werd steeds heviger. Dit werd duidelijk tijdens de bekerfinale van 11 juli 1967 in het stadion Santiago Bernabéu. Deze partij werd door de Catalanen met 0–1 gewonnen, maar de supporters van de Madrileense ploeg gedroegen zich erg onsportief ten aanzien van de bezoekers. Hoe deze rivaliteit ontstond wordt verder in de eindverhandeling behandeld.
Op 18 december 1969 werden er nogmaals presidentsverkiezingen georganiseerd, die door Agustí Montal i Costa gewonnen werden. Hij was de zoon van de voormalige president Montal i Galobart en eveneens textielfabrikant.
Tijdens de beker van 1970 vond het beruchte ‘schandaal Guruceta’ plaats. Dat schandaal kreeg de naam van de betrokken scheidsrechter Guruceta die een bekerwedstrijd tussen Real Madrid en F.C.Barcelona leidde. Deze wedstrijd werd in Nou Camp gespeeld; de scheidsrechter floot een strafschop voor Real en sloot de verdediger Eladi uit. Barcelona verloor de partij en een aantal supporters stormde het veld op.
Ook gedurende het seizoen 1972–1973 was er sprake van een schandaal. Ditmaal ging het over het aantal buitenlanders dat mocht worden opgesteld. De discussie begon bij de opstelling van de Argentijnse speler van F.C. Barcelona Juan Carlos Heredia. Door de druk die de club op de Spaanse federatie uitoefende, werd het nadien trouwens toegelaten om twee buitenlanders op te stellen.
In 1973 trok de club de Peruaan Hugo ‘Cholo’ Sotil en de Nederlander Johan Cruyf aan. Barça werd op dat moment ook door de Nederlander, Marinus Michels, getraind. Deze ploeg won de Liga in het seizoen 1973–1974 gemakkelijk. Op 17 februari 1974 versloegen de Catalanen hun grootste rivaal, Real Madrid, in het Madrileense stadion Santiago Bernabéu met de zware 0–5 cijfers. Dit is tot vandaag hun grootste overwinning tegen de Madrilenen.
Tussen 6 november en 1 december 1974 vierden de Catalanen het 75–jarige bestaan van hun club. De bekende Catalaanse artiest Joan Miró droeg aan deze viering ook zijn steentje bij door een schilderij te maken.
Ook Johan Neeskens kwam bij de club na de wereldbeker. Toch werd Barcelona toen teleurstellend derde op dertien punten van Madrid.
In 1975 stierf Franco en konden er in het stadion Nou Camp weer volop Catalaanse vlaggen zwaaien. De eerste democratische verkiezingen in 42 jaar werden het daaropvolgende jaar gehouden. Na 38 jaar van ballingschap werd Josep Tarradella tot president van de Catalaanse regering verkozen. Het jaar 1977 werd gekenmerkt door het vertrek van de president Agustí Montal. Op het einde van zijn presidentschap telde de club 77.683 socios.
Op 6 mei 1978 werd Josep Lluis Núñez verkozen. Hij bracht een boodschap van vernieuwing. Deze man zou in een periode van 22 jaar vijfmaal herverkozen worden. In het daaropvolgende jaar won de club de beker voor Bekerwinnaars, de eerste internationale triomf na 23 jaar. Deze overwinning werd door meer dan één miljoen supporters van de Catalaanse club gevierd. Wanneer de Catalanen op 16 mei 1979 de Europacup tegen Dusseldorf wonnen, stroomden de straten vol met meer dan één miljoen Barça supporters. Dezelfde cup werd drie jaar later nogmaals gewonnen in een finale tegen Standard Luik.
In 1982 werd er een vernieuwing aan het stadion doorgevoerd die zorgde voor een uitbreiding van 22.150 nieuwe plaatsen op de derde verdieping. Daarmee telde het stadion dan een totaal van 115.000 plaatsen. De uitbreiding van het stadion was daarmee echter niet afgelopen. Camp Nou is momenteel het grootste stadion van Europa en het tweede grootste van de wereld, na dat van Maracaná van Brazilië.[2]
Ook werd de, op dat moment, beste voetballer ter wereld naar Barça gehaald, Diego Armando Maradona. Met hem behaalde de club onder leiding van Terry Venables in het seizoen 1984–1985 zonder enig probleem de landstitel.
Al op vier speeldagen van het einde van het seizoen speelde de club kampioen. Op dat moment bevond ze zich in een benijdenswaardige positie; er waren 108.000 socios en de economie draaide eveneens uitstekend.
Het daaropvolgende seizoen viel echter tegen, noch de Liga, noch de finale van de Europacup werd gewonnen. Deze finale tegen Boekarest werd bepaald door middel van penalty’s na een doelpuntenloze wedstrijd waarbij ook in de verlengingen niet werd gescoord.
De crisis bereikte haar hoogtepunt in het seizoen 1987–1988. De ploeg speelde zeer slecht in de competitie en er volgde een financieel dispuut tussen de directie en de spelers. De president besloot voor de club nieuwe fondsen te verwerven en trok ook ex–speler Johan Cruyff aan als trainer. In een wedstrijd tegen Real Sociedad en onder leiding van trainer Luis Aragonés slaagde Barcelona er dat seizoen toch nog in om de beker te behalen.
Het aantrekken van verschillende spelers, waaronder Bakero, Begiristain, Julio Salinas, Eusebio en Amor, in het seizoen 1988–1989, zorgde voor een verbetering van het spel van de ploeg. Het daaropvolgende seizoen werden Ronald Koeman en Michael Laudrup aangetrokken. De verdediging werd geleid door Migueli. Dat seizoen won de Catalaanse club dan ook de landstitel en brak haar meest succesrijke periode aan. Na het aantrekken van Albert Ferrer, Josep Guardiola en Hristo Stoitxkov werd de ploeg het zogenaamde Dream Team genoemd.
De vier daaropvolgende seizoenen waren eveneens succesrijk; in 1990–1991 won de club de landstitel op zeer overtuigende wijze. Het daaropvolgende jaar werd afgesloten met de landstitel en met een overwinning in de Europacup. In 1992–1993 wonnen de Catalanen voor de derde opeenvolgende maal de landstitel .
Voor het seizoen 1993–1994 werd de Braziliaanse sterspeler Romario aangetrokken wat leidde tot overwinningen in drie verschillende competities, namelijk landstitel, beker van Spanje en Catalaanse titel, maar de finale van de Europacup werd met 4–0 tegen Milaan verloren. De periode van de successen van de Nederlandse trainer werd hiermee afgesloten.
In het seizoen dat daar op volgde, slaagde de club er amper in zich te plaatsen voor UEFA–voetbal en ook de aankopen van het seizoen 1995–1996 (waaronder Figo) deden het tij keren. Een dispuut tussen de trainer en het bestuur leidde uiteindelijk tot het vertrek van Johan Cruyff. Hij werd vervangen door Bobby Robson.
Het seizoen werd afgesloten op de tweede plaats waardoor de club Champions League mocht spelen. Het seizoen 1996–1997 was eveneens erg succesvol, de club slaagde erin drie titels te winnen, waaronder één Europese. Het was ook de periode van de nieuwe rijzende Braziliaanse ster, Ronaldo.
Trainer Bobby Robson werd al in het daaropvolgende seizoen ingeruild voor, opnieuw, een Nederlander Van Gaal. Deze bracht waardevolle spelers als Rivaldo, Anderson… mee, maar de club verloor wel superster Ronaldo. Het seizoen was niet erg succesrijk door verlies tegen Real Madrid en uitschakeling in de Champions League.
De socios waren niet erg gesteld op de Nederlandse trainer en maakten dit ook duidelijk. Naderhand keerde het tij en werden er toch verscheidene titels binnengehaald. Toch bleef Van Gaal niet populair.
Het voetbal dat zijn ploeg bracht, was veeleer praktisch, iets wat inging tegen de verlangens van de socios. In 2000 werd Van Gaal vervangen door Llorenç Serra Ferrer, die op zijn beurt reeds in april door Carles Rexach vervangen werd.
In juli werd Joan Gaspart verkozen tot voorzitter, nadat Lluís Núñez, na 22 jaar trouwe dienst, van welverdiende rust ging genieten.
Voor het seizoen 2002–2003 werd opnieuw Louis Van Gaal aangetrokken wat door vele socios opnieuw niet als positief werd ervaren. Door de slechte resultaten werd hij nog tijdens datzelfde seizoen vervangen en dit bracht ook de positie van Joan Gaspart aan het wankelen.[3] Uiteindelijk werd hij vervangen door Joan De La Porta, die er na een onregelmatig begin, nu toch schijnt in te slagen, de ploeg terug op de rails te krijgen. De huidige trainer van de club is de Nederlander Frank Rijkaard.[4]
Van jongs af aan zijn wij supporter van Royal Sporting Club Anderlecht, de keuze om deze ploeg te bespreken lag dus voor de hand. Deze affiniteit is van generatie op generatie overgeleverd en is deels ontstaan door de liefde voor technisch verfijnd voetbal. Sporting, als vaandeldrager van dit soort voetbal in België, was dan ook een logische keuze. De club staat al lang aan de top van het nationale voetbal en speelde ook op internationaal gebied een rol, hoewel deze de laatste jaren sterk afgezwakt is.
Royal Sporting Club Anderlecht heeft eveneens een eerbiedwaardig palmares. De ploeg werd zevenentwintig maal kampioen van België en won achtmaal de beker van België werd zesmaal winnaar van de Supercup.
Ook op internationaal gebied behaalde de club indrukwekkende resultaten. Sporting nam éénentwintigmaal deel aan de ‘beker met de grote oren’ en nam zevenmaal deel aan de beker voor bekerwinnaars. Bij deze laatste was Anderlecht viermaal finalist en won ze tweemaal, in 1976 en 1978. Ze nam vijftien keer deel aan de UEFA–Cup U, was twee keer finalist en won deze finale ook een keer.
Bij de voorloper van de UEFA–Cup, de zogenaamde beker der jaarbeurssteden, was de ploeg éénmaal finalist. De UEFA Super Cup werd twee keer gewonnen.[5] In het totaal heeft de ploeg 44 keer deelgenomen aan een Europese campagne en dit 40 keer zonder onderbreking. Dit wordt niet door vele andere clubs nagedaan.
De club wordt beschouwd als een voorloper in het Belgische voetbal. Voor de Tweede Wereldoorlog was er grote concurrentie met de andere Brusselse clubs maar na 1945 nam Sporting een grote voorsprong. Deze voorsprong kwam tot stand dankzij modernisering en vernieuwing onder impuls van enkele markante figuren.
Zo werd er een bewuste transferpolitiek gevoerd. In de jaren ’50 en ’60 gebeurde dit vooral in het binnenland, later ook in het buitenland. Hoewel Anderlecht al lang aan de overgang naar het professionalisme werkte, maakte de club pas echt de stap in 1973. De professionalisering van het voetbal werd in ons land toen ook officieel erkend.
Bij de 75ste verjaardag van de club werd er begonnen met de bouw van een nieuw stadion, door middel van autofinanciering, een techniek die nieuw was in België en waar verder in deze eindverhandeling dieper wordt op ingegaan.
Het mag duidelijk zijn dat de club steeds stabiliteit trachtte na te streven. Door deze pogingen behoort de club nu op internationaal gebied niet meer bij de absolute top, het budget is daarvoor immers te klein. Toch beschikt de club binnen België over het grootste budget en is de ambitie van Sporting om elk jaar kampioen te spelen en tot de Champions League door te dringen.
Anderlecht was erg succesvol gedurende de periode 1973–1983, nadien volgden enkele tegenslagen. Zo is er in 1984 de Bellemans-affaire. Door de ontrafeling van het omkopingsschandaal bij Standard Luik, kwam onderzoeksrechter Bellemans op het spoor van het vele zwarte geld dat omging in de voetbalwereld. Deze affaire trof vele ploegen en schaadde zowel hun financiële als hun zakelijke belangen.
Vervolgens gebeurde in 1985 het Heizeldrama. Deze ramp resulteerde in een veel strengere wetgeving betreffende de infrastructuur. De investeringen die volgens deze wetgeving moesten genomen worden, betekenden een mokerslag voor de clubs die nogmaals hun financiële en zakelijke belangen geschaad zagen.
Ook het Bosman-arrest en de strijd die momenteel gevoerd wordt in verband met de licenties zorgden voor beroering. Het Bosman-arrest betekende het einde van de gangbare praktijk dat een profspeler aan het einde van zijn contract alleen maar van club (werkgever) mocht veranderen als zowel de club die hij verliet als degene die hem opnam het met elkaar eens waren over de verschuldigde transfersom.[6] Zijn toekomstige ploeg hoeft dus niet langer een afkoopsom te betalen aan de ploeg waarvan de speler afkomstig is. De ‘handel’ in spelers is dus minder winstgevend, een evolutie dat de clubs proberen tegen te gaan door het aanbieden van lange contracten. Toch was dit arrest een financiële aderlating voor clubs.
Momenteel moeten clubs ook een licentie verkrijgen om te mogen spelen. In het profvoetbal is het licentiesysteem van start gegaan vanaf het seizoen 2001-2002. Om een licentie te krijgen, moeten clubs zelf als werkgever optreden. Ze moeten bovendien financieel gezond zijn, wat onder meer betekent dat ze de spelerslonen, de schulden bij de voetbalbond en de werkgeversbijdragen (RSZ) betaald hebben. Voor RSZ-schulden kan eventueel bij de RSZ een afbetalingsakkoord bekomen worden of kan de rechtbank een afbetalingsplan toestaan. Om te bewijzen dat ze RSZ-schuld volledig betaald hebben of op zijn minst volgens plan aflossen, moeten de clubs aan de Licentiecommissie een attest voorleggen. Clubs die om financiële redenen geen licentie bekomen, zakken automatisch naar derde nationale.[7] Er is sprake om een dergelijk systeem ook op Europees niveau in te voeren.
Het jeugdcentrum van Anderlecht te Neerpede houdt zich specifiek met vorming bezig, het heeft dus een educatieve functie. Jonge talentvolle voetballers worden hier klaargestoomd in de hoop dat zij op een dag naar de A-kern doorstromen. Sporting bekostigt dit jeugdcentrum zelf, maar er is er sprake van een vorm van subsidie aangezien de club hier ook een extra–sportieve taak vervult, namelijk de opvang van jongeren. [8]
Hierbij profileert de club zich als ‘open minded’ en multicultureel. Jeugdspelers zoals ondermeer de revelatie van 2003-2004, Vincent Kompany, zijn hiervoor erg belangrijk. Zo heeft de club de interesse getrokken van de Brusselse regering, wat tot eventuele financiële steun leidde. Brussels minister Guy Vanhengel bevestigt dit. Hij was ook de eerste die de kwestie van subsidiëring voor dit centrum aankaartte. “Als men de sport wil laten evolueren, dan moet de overheid op twee manieren investeren, zowel in de breedte als in de hoogte. Investeren in de breedte, waarbij men de kleinere clubs als bijvoorbeeld F.C. Brussels, helpt om over een basisinfrastructuur te kunnen beschikken, want hoe meer jeugd in de beste omstandigheden kan voetballen, hoe beter de sociale integratie. De overheid moet echter ook investeren in de hoogte, bij de jonge sporthelden, want het zijn zij, die de jongeren kunnen aansporen om bij een sportclub aan te sluiten, om later misschien in hun voetsporen te treden. Hier in Anderlecht hebben we zulke sporthelden, jongeren waar ik ook persoonlijk naar op kijk, die erin geslaagd zijn een topcarrière uit te bouwen; zoals bijvoorbeeld Junior en nu natuurlijk ook Vincent Kompany.
Kompany is het ideale voorbeeld voor de Brusselse jeugd, hij heeft een andere huidskleur, werd thuis in het Frans opgevoed, genoot Nederlandstalig onderwijs, is daardoor perfect tweetalig en combineert momenteel zijn studies met een profcarrière bij Anderlecht. Zulke sporters hebben we nodig, zij kunnen de Brusselse jeugd van straat halen en hen aansporen om zich bij een club aan te sluiten en zo ook gemakkelijker op het rechte pad te blijven. Via de sport leren ze namelijk omgaan met discipline en verwerven ze maatschappelijke waarden, waarmee ze anders minder in contact zouden komen, ze leren werken in teamverband en krijgen de nodige sociale vaardigheden om in deze maatschappij goed te kunnen functioneren, want zo zullen zij begrijpen dat men zonder de nodige inspanningen niet vooruit geraakt? Het is belangrijk in te zien, dat al die elementen een hoop maatschappelijke problemen in Brussel kunnen oplossen.”[9]
Dit is een duidelijke weerspiegeling van de sociale rol die sport in de huidige maatschappij kan spelen. Hiermee wordt bewezen dat dit “investeren in de hoogte en in de breedte” door de grote aantrekkingskracht een niet te onderschatten invloed heeft. Een club als Anderlecht, kan in Brussel een zeer belangrijke maatschappelijke rol spelen, met de juiste ondersteuning. Voor de club alleen is de last wel zwaar om dit te dragen.
Dat de stad dit zelf ook begint te beseffen, bewijst de discussie over het al dan niet geven van subsidies aan de club.
“Volgens De Standaard mag Anderlecht zich opmaken voor subsidies voor de bouw van zijn jeugdcentrum in Neerpede. De bestuurstop van Paars-Wit zat gisteren aan tafel met Brussels ministerpresident Daniel Ducarme en ministers Guy Vanhengel en Didier Gosuin. De overheid wil zich engageren om een deel van de financiering voor haar rekening te nemen, de totale kostprijs van het project wordt op 10 miljoen euro geschat. Sporting Anderlecht plant de bouw te starten in 2004. Daniel Ducarme vroeg de club zo snel mogelijk een volledig budget op te stellen. De Brusselse gewestregering zou dan bekijken hoeveel de steun zal bedragen. Voorlopig kent het project nog tegenwind van de PS-fractie, die vindt steun aan profclubs ongepast en ligt voorlopig wel dwars.”[10]
Reeds vroeger had Sporting met kleinere clubs relaties opgebouwd. Deze vertrouwden hun grootste voetbaltalenten aan de club toe, wat voor een constante stroom van talent naar Anderlecht zorgde. Op deze manier slaagde Royal Sporting Club Anderlecht erin een hoog peil te behouden.
De komst van de Corsicaan Sinibaldi in 1959, was het begin van een glorieperiode voor de club. De nieuwe trainer zorgde voor de doorbraak van Paul Van Himst die al op zestienjarige leeftijd samen met andere grote namen als Puis, Jurion, Verbiest en Hanon in het eerste elftal speelde. Deze periode werd gekenmerkt door grote technische vaardigheid en tactische vernuft van de ploeg. Zij behaalde vier titels op zes jaar tijd.
Ook toen nog bestond de ploeg bijna uitsluitend uit Belgen, namelijk Trappeniers, Heylens, Verbiest, Lippens, Cornelis, Hanon en Jurion, Janssens, Stockman (soms vervangen door Devrindt, Van Himst en Puis, met uitzondering van twee Hollanders, Pummy Bergholtz en Jan Mulder.
Bij het stadion werd er in september 1965 een tweede, overdekte tribune gebouwd. Dit nieuwe gedeelte kreeg de naam van de voormalige Algemene Secretaris van de club, Eugène Steppé. De ‘Tribune Steppé’ bevat 2.500 overdekte zitplaatsen. Een deel daarvan werd voor de eerste maal op 23 augustus gebruikt, bij een match tegen Español Barcelona. Pas op 4 september, bij een confrontatie tegen Brugge, werden alle plaatsen gebruikt. Er waren nog plannen voor vernieuwingen, maar deze werden in 1968 door de gemeentelijke administratie tegen gehouden.
Sinibaldi werd vervangen door Beres, een Hongaar die erin slaagde om nog een vijfde landstitel te behalen. Nadat deze trainer door Norberto Höfling, afkomstig van Club Brugge, werd opgevolgd, kwam de club door de tegenvallende resultaten in een crisis terecht. Sinibaldi werd vervolgens terug binnengehaald, maar zonder het gewenste effect.[11]
Grote veranderingen waren noodzakelijk en in april 1971 werd Constant Vanden Stock tot voorzitter benoemd. Albert Roossens verliet de club en ook Eugène Steppe beëindigde zijn carrière bij Anderlecht. De nieuwe voorzitter trok Georg Kessler aan als trainer en deze tekende een contract voor vier jaar. Vanden Stock haalde eveneens Robby Rensenbrink en Jean Dockx naar Sporting. Voor de vijftiende maal werd de titel behaald en dit ondanks een slechte seizoensstart. Het seizoen daarop was minder succesrijk en Kessler werd vervangen door Polyte Vandenbosch die er toch nog in slaagde de beker te behalen.
De periode met Hans Croon als trainer (1975–1976) was eveneens erg succesvol. Hij bleef evenwel slechts één seizoen en werd vervangen door Raymond Goethals. Dit was een afspraak die al lang op voorhand gemaakt was. Onder zijn leiding kende Anderlecht zijn grote Europese successen. Raymond Goethals tekende voor zes jaar, maar vertrok na drie jaar naar Bordeaux. Ondanks de Europese successen had Anderlecht gedurende de drie jaar onder zijn leiding geen enkele titel behaald wat leidde tot een totaal van zes achtereenvolgende seizoenen zonder titel.
In 1976 werd het veertigjarige contract dat Anderlecht in 1946 over het gebruik van het complex had afgesloten, nog eens met veertig jaar verlengd in samenspraak met burgemeester Henri Simonet. De club ving aan met een nieuwe fase van vernieuwingen. Al in mei 1977 werd beslist om het aantal plaatsen in Tribune I en II op te trekken. De werken werden uitgevoerd door de firma Rombaut uit Aalst.
Door de tegenvallende resultaten besloot voorzitter C. Vanden Stock maatregelen te nemen en hij benoemde Michel Verschueren tot secretaris–generaal, de Kroaat Tomislaw Ivic werd trainer. Zijn systeem leverde de club een zeventiende landstitel op. Onder hem werd Juan Lozano aan de club toegevoegd. Ivic werd niet geapprecieerd door de pers en het publiek en na wat tegenvallende resultaten in zijn derde seizoen werd hij door Paul Van Himst vervangen.
De voormalige speler van Anderlecht slaagde erin om de rust binnen de club te bewaren. Hij ontdekte ook Georges Grün en Enzo Scifo, beide jeugdproducten, en stelde hen geregeld op. De resultaten die onder hem behaald werden, waren goed, maar tijdens het seizoen 1984–1985 was er dan het omkoopschandaal Standard–Waterschei, dat uitmondde in de affaire Bellemans.
Tijdens de voorbereidingen van de 75ste verjaardag van de club werd door toenmalig voorzitter Constant Vanden Stock besloten om nog meer verbouwingen aan het stadion aan te vatten. Dit idee werd onder meer door zijn zoon, Roger, enthousiast ontvangen.
Over deze vernieuwingen zei voormalig General Manager, Michel Verschueren, het volgende: «Lorsque nous allions en déplacement européen à l’ Inter Milan ou au Real Madrid, nous étions toujours gênés de les recevoir au retour dans les installations vraiment dé passées sur le plan international. Nous avions une très belle carte sportive, mais vraiment plus un stade digne de nos ambitions européennes. L’idée était de construire une nouvelle grande tribune.»[12]
Het probleem was echter dat de club de beoogde veranderingen niet zelf kon financieren en dus fondsen moest zien te verzamelen. Hiervoor werd een techniek gebruikt die de ploegleiding in 1981 tijdens een bezoek aan New York ontdekt had.
Na de wedstrijd die de club daar gespeeld had, werd een bezoek gebracht aan een groot en modern stadion, met plaats voor vijf tot zesduizend toeschouwers en bestaande uit vijf verdiepingen.
In 1982 werd er, in het kader van de halve finale voor de kampioenenbeker tegen Aston Villa, een bezoek aan Birmingham gebracht. Ook daar was er een nieuwe, twee verdiepingen tellende tribune met privé–boxen. Dit bracht de beleidsmannen van Anderlecht op het idee om met dezelfde techniek de financiering voor de verbouwingen rond te krijgen.
De club besloot 24 loges te bouwen die voor één miljoen BEF per jaar gehuurd konden worden met de verplichting om minimum voor drie jaar te huren en op voorhand te betalen. Dit zou 70.000.000 BEF. opbrengen. De club besloot dat de werken konden beginnen van zodra er vijftien loges verhuurd zouden zijn. In eerste instantie was de verhuur geen succes, maar bij het begin van het seizoen 1983–1984 kon de nieuwe tribune dan toch worden voorgesteld tijdens een vriendschappelijke match tegen het F.C. Barcelona van Diego Maradona.
Het seizoen 1985-1986 was fataal voor Paul Van Himst, hij werd vervangen door Arie Haan. Deze Hollander bleef trainer tot en met het seizoen 1986–1987, waarin de club ook haar twintigste landstitel behaalde. De trainer vertrok samen met enkele belangrijke spelers, Olsen, Peruzovic, Vandereycken en Vandenbergh volgens de directie omwille van verjonging. Haan vertrok zelf na twee seizoenen omdat hij het niet eens was met de aankopen voor het volgende jaar.
In 1986 begon ook de derde fase van de vernieuwing en de modernisering van het stadion met het optrekken van een nieuwe tribune die business seats zou bevatten.
Nog twee seizoenen later werd er met de vierde fase begonnen wat de verbouwing van de tribune “Steppé” inhield.
Na Haan werd Georges Leekens trainer bij R.S.C.A. Hij werd voorgesteld als het boegbeeld van een jongere generatie trainers. De nieuwe trainer lag evenwel niet goed in de spelersgroep en al snel waren er conflicten met onder meer Munaron. Ook de resultaten vielen tegen, waarop de ‘tovenaar’ Raymond Goethals teruggeroepen werd. Deze slaagde erin om toch nog de vierde plaats te bereiken en zo Europees te spelen.
Het bijna ter ziele gegane K.V. Mechelen was in deze periode de grootste concurrent van paars–wit, een strijd die de Mechelaars wonnen meestal de strijd. De trainer van Mechelen, Aad De Mos, werd voor het daaropvolgende seizoen aangeworven.
Club Brugge geleid door Georges Leekens behaalde in dit seizoen de titel. Sporting kocht onder de leiding van Aad De Mos vele spelers van K.V. Mechelen, die een financiële klap kreeg, door het ontslag van de Mechelse voorzitter John Cordier. De concurrentie kwam aan het einde van de jaren ’90 niet langer van deze club maar van Club Brugge en in mindere mate van Standard Luik.[13]
Deze concurrentie zou alle jaren ’90 blijven duren. De club won in de seizoenen 1993–1994 en 1996–1997 de beker van België en werd kampioen in de seizoenen 1990–1991, 1992–1993, 1993–1994, 1994–1995, 1999–2000 en 2000–2001, 2003–2004.
Ten slotte werd in 1991 voor het stadion, in een vijfde fase, een nieuwe tribune ontworpen, naast het de ‘De Linde’-plein. Het idee om daar een tribune te zetten was trouwens al in 1968 geopperd, maar werd toen door het gemeentebestuur afgeschoten.
Om de aantrekkelijkheid voor de investeerders en de bedrijven nog te vergroten, werd in het stadion een restaurant ondergebracht, de “St. Guidon”, een seminariezaal en verschillende conferentiezalen. Verder is er ‘De Linde’, een gelegenheid in de stijl van Café de Paris en een ruime ontvangstbar. Deze investering bedroeg in het totaal 1,5 miljard BEF.
De inkomsten uit de verhuur van loges en business seats, en uit het rendement van de andere faciliteiten van de club zorgen voor 60 % van het totale budget en laat de club toe om tegelijkertijd op een zeker niveau te blijven functioneren en financieel gezond te blijven.
Aad De Mos werd in 1992 opgevolgd door Peruzovic, die in datzelfde jaar nog door Boskamp vervangen werd. Onder de leiding van Boskamp behaalde de ploeg ook vele successen. Na het seizoen 1994–1995 werd Neumann aangesteld als trainer, die in hetzelfde seizoen eerst door Goethals en vervolgens nogmaals door Boskamp vervangen werd.
Nadat Boskamp met zijn team in het seizoen 1996–1997 op de vierde plaats eindigde, werd hij door Vandereycken vervangen. Door de tegenvallende resultaten werd deze tijdens hetzelfde seizoen ingewisseld voor Haan, die het seizoen erop plaats moest maken voor Dockx.
Vervolgens werd Aimé Antheunis aangeworven en deze leidde de ploeg naar twee opeenvolgende kampioenstitels en naar goede resultaten in de Champions League. Nadat hij in 2002–2003 op de derde plaats eindigde, werd hij vervangen door Hugo Broos die nog steeds trainer van Royal Sporting Club Anderlecht is.[14] Hij speelde dit seizoen kampioen.
Constant VandenStock is al enkele jaren vervangen door zijn zoon, Roger Vanden Stock, maar blijft nog steeds actief bezig met ‘zijn’ Anderlecht. Ook Michel Verschueren is nog actief binnen de club, al bekleedt hij niet langer de functie van General Manager. Momenteel is hij Afgevaardigde Beheerder van de Saint–Guidon. Hij vervult daar de functie van. Ook zetelt hij in de Raad van Beheer en vertegenwoordigt hij de club in de Profliga. De functie van General Manager wordt nu uitgevoerd door Herman Van Holsbeek, die bij de start van het seizoen reeds gewoon manager was.[15]
Tengevolge van het Heizeldrama wilde de club de modernisering van het stadion versnellen, maar net op dat ogenblik beleefde de club een moeilijke periode.
Bepalende spelers uit het elftal verdwenen, onder andere Erwin Vandenbergh of hadden zware problemen zoals Juan Lozano.
Dit zorgde natuurlijk voor een daling van de aantrekkelijkheid van het spel en daardoor een dalende interesse bij de investeerders.
Daarnaast was er nog de concurrentie met K.V. Mechelen, die op dat moment de ploeg van de toekomst leek, en was er de verhoging van de transfersommen.
Deze ontwikkeling verspreidde zich vanuit Frankrijk en had als gevolg dat Sporting niet langer op de internationale transfermarkt in concurrentie kon treden. Aangezien dit financieel niet houdbaar was konden de Fransen uiteraard niet zelf deze gang van zaken blijven bolwerken, maar de trend was wel gezet.[16] Gedurende drie jaar zou Anderlecht zich in financieel nauwe schoentjes bevinden. Daarna keerde het tij weer.
Een aantal mensen binnen de club is erg misnoegd geweest over het gebrek aan hulp. Hierdoor was het ook bijvoorbeeld niet mogelijk om het Constant Vanden Stockstadion van Anderlecht te gebruiken voor Euro 2000. Brussel had namelijk al een stadion, het Koning Boudewijn stadion, waarin de Rode Duivels spelen en het wou aan de club geen financiële steun geven waardoor het de noodzakelijke uitbreidingen niet kon laten uitvoeren.[17]
De bedragen die in het hedendaagse voetbal circuleren, zijn bijzonder groot. Voetballers verhuizen voor grote geldsommen van de ene club naar de andere en ook het bedrag van hun loon bevat vele nullen. Daarbij komt de merchandising, zowel van de spelers zelf als van de club, wat eveneens veel geld opbrengt. De belangen in het voetbal zijn dus bijzonder hoog. Het is niet verwonderlijk dat er misbruiken voorkomen en dat er veel protest komt van andere sporttakken, zoals de commentaar van Jean-Marie Dedecker en de kritiek van de gewone man. Toch kon deze evolutie alleen gebeuren door de populariteit die de sport geniet in alle delen van de wereld.
Voetbal spreekt een zeer groot deel van de bevolking aan en clubs hebben de winst van de merchandising hard nodig, terwijl dergelijke opdrachten voor de speler een leuke extra zijn. David Beckham bijvoorbeeld, verdient meer aan zijn reclameopdrachten en het promotiemateriaal rondom zijn persoon, dan aan het voetbal zelf.
Dat hij op een dergelijke wijze geld kan verdienen, ligt niet alleen aan zijn kwaliteiten als speler, maar vooral aan zijn uitstraling en zijn zogenaamde ‘star quality’, die hem bij zowel ouderen als jongeren en bij beide geslachten geliefd maakt. “David Beckham, de kapitein van Engelands nationale elftal, heeft meer invloed op hoe jongens en mannen zich kleden dan topontwerpers als Giorgio Armani en Ralph Lauren. Dat beweert een panel met vooraanstaande spelers uit de kledingindustrie. De uitslag van de rondvraag werd deze maand gepubliceerd in het modetijdschrift Loaded Fashion.
Zelfs Beckhams modeblunders – denk bijvoorbeeld aan zijn sarong, zijn mohicanenkapsel of zijn ene afgeschoren wenkbrauw – doen geen afbreuk aan zijn kracht als stijlicoon.
Donatella Versace, Paul Smith en Ozwald Boateng zijn enkele van de panelleden die Beckham de vierde plaats toebedeelden in de lijst van de meest invloedrijke personen op het gebied van mannenkleding.”[18]
Topverdieners in het Europese voetbal in 2002. (in miljoen euro):[19]
|
Speler |
Club |
Salaris |
Commerciële inkomsten |
Extra premies |
Totaal: |
|
Zinedine Zidane |
Real Madrid |
6,4 |
6,8 |
0,4 |
13,6 |
|
David Beckham |
Manchester United |
3 |
6,8 |
0,5 |
10,3 |
|
Gabriel Batistuta |
AS Roma |
6,1 |
3,55 |
0,45 |
10,1 |
|
Hidetoshi Nakata |
Parma |
4,26 |
4,87 |
0,32 |
9,45 |
|
Ronaldo |
Internazionale |
4,57 |
4,57 |
0,076 |
9,22 |
Deze gegevens zijn niet recent, maar dienen slechts om te illustreren dat de spelers ook belangrijke commerciële inkomsten hebben.
Voor de clubs zijn de inkomsten uit deze tak zeer belangrijk, gezien de grote investeringen die zij moeten doen. Door de verstrengde wetgeving in verband met de veiligheid, hebben vele clubs zwaar moeten investeren in het verbouwen van hun stadion. Ook een andere wetgeving, namelijk het Bosman-arrest, betekende voor de clubs een financiële terugval.[20]
Een ander gevolg van dergelijke vereiste investeringen, was het toenemende belang van sponsoring van voetbalclubs. Deze vorm van reclame kwam sterk op vanaf 1950. Twintig jaar na de sterke opkomst deden ook bedrijven die niets met sport te maken hadden aan sponsoring van voetbalclubs. Betrouwbare cijfers met betrekking tot de sponsoractiviteit in België zijn niet vrijgegeven.[21]
Deze vormen van inkomsten en de zwaardere lasten die de clubs moesten dragen, zorgden voor een grote kloof tussen de topclubs en de rest. Het budget van ploegen als Manchester United en Real Madrid is veel groter dan de budgetten van clubs uit Nederland en België. In het seizoen 1999-2000 realiseerde Anderlecht een omzet van 32,3 miljoen euro, terwijl Manchester United in datzelfde jaar 185 miljoen euro verzamelde.
In grotere landen zijn er bovendien grotere inkomsten, ondermeer door de tv-rechten, de bezoekersaantallen,… Vooral Spanje, Italië en Engeland hebben een grote totaalomzet, terwijl België, Nederland en de Scandinavische landen een betrekkelijk laag inkomen hebben. Er zijn verschillende oorzaken om dit verschil te verklaren.
1) De ongelijke toegang tot tv-inkomsten.
2) Grotere Europese voetbalclubs hebben meer toegangsmogelijkheden tot de aandelen- en kapitaalmarkt.
3) Nieuwe supercompetities als de Champions League bestendigen deze ongelijkheid. Door de verdeelsleutels worden rijke clubs steeds rijker en arme clubs steeds armer.
4) Grote clubs investeerden meer in hun infrastructuur, waardoor zij meer abonnementen en kaarten kunnen verkopen. Ook kan hun stadion voor andere evenementen gebruikt worden.
5) De uitstraling van een voetbalclub bepaalt voor een groot deel de sponsorinkomsten.
6) Ook de mogelijkheden voor merchandising zijn groter bij internationaal bekende clubs.[22]
Hierbij moet wel duidelijk vermeld worden dat vele van die grote bekende clubs momenteel met een enorme schuldenlast zitten, een praktijk waar een einde aan kan komen, door het licentiesysteem dat al in de Belgische Eerste Klasse gebruikt wordt, op Europees niveau in te voeren. Ploegen met schulden kunnen dan niet langer spelen in de jackpot, de Champions League.
Een dergelijk systeem kan eveneens de matiging van zowel de spelerslonen als de transfersommen in de hand werken, wat de concurrentie voor kleinere ploegen uit kleinere landen tegen deze giganten terug mogelijk kan maken.
Er is ook een nieuwe ‘trend’ in de voetbalwereld te bespeuren. Zeer rijke zakenlui kopen een club en voorzien die dan van spelers en technische staf, zoals Chelsea.
Gezien de grote belangen qua sponsoring en merchandising binnen de sport, ligt de grote populariteit van het voetbal voor de hand. Immers, waarom zouden bedrijven investeren in een product dat niet goed verkoopt? De populariteit van de balsport is werkelijk ongelofelijk.
Wedstrijden, vooral op internationaal niveau, worden door een ruim publiek bekeken en de topclubs spelen bijna elke week in een vol stadion. Supporters leven volledig mee met ‘hun’ ploeg en trachten hun steentje bij te dragen aan de successen van de clubs. Ook dit is één van de redenen waarom we voor dit onderwerp kozen.
De affiniteit en de gevoelens die supporters voor ‘hun’ club koesteren, is werkelijk ongelofelijk. Mannen, kinderen en vrouwen van alle rangen en standen en van alle leeftijden worden verenigd in een collectieve empathie voor een club. Maar ook de verschillen in het beleven van emoties tussen de supporters uit verschillende landen zijn erg opvallend.
Getuige hiervan zijn de vele boeken die verschenen met betrekking tot de ontwikkeling van het spel, de supporters en vooral het hooliganisme. Dit laatste fenomeen heeft zich sterk ontwikkeld vanuit Groot-Brittannië en heeft een erg negatieve connotatie gekregen door de aanwezigheid van skinheads, beschuldigingen van vandalisme en geweld en zelfs veronderstelde banden met extreemrechts.
Vanuit deze openingshoek onderzoeken we het verleden van beide clubs. We bekijken in welke sfeer zij zijn ontstaan en hoe zij zich ontwikkeld hebben. Vervolgens zullen we beide clubs vergelijken. Het is duidelijk dat F.C. Barcelona een belangrijke symboliek vertolkt, maar was dit vroeger ook zo en hoe is dit gegroeid? En heeft ook Sporting een dergelijke symbolische waarde? Verder wordt er ook bekeken of bepaalde sterke figuren de ontwikkeling van de club bepaald hebben en hoe de relatie gedurende de besproken periode tussen de staat en de club was.
De speciale aandacht voor het interbellum is ontstaan naar aanleiding van een these van professor Santacana, die geponeerd heeft dat Barcelona in deze periode zijn symbolische waarde heeft verkregen. Het leek ons interessant vervolgens te kijken waar een ploeg als Anderlecht, afkomstig uit een veel kleiner land met een heel andere mentaliteit, op dat moment stond.
De periode tussen beide Wereldoorlogen was belangrijk in de ontwikkeling van de Catalaanse club. De Brusselaars hebben echter hun prestige pas echt na de afloop van de Tweede Wereldoorlog opgebouwd.
Gezien het belang dat de sport van het voetbal en de vele gemoederen die het spel in beroering kan brengen, leek ons de invloed van voetbal op onze maatschappij niet te onderschatten.
Hoewel we er ons van bewust zijn, dat deze clubs slechts een beperkte plaats in de geschiedenis van de sport innemen, hopen we toch dat ons onderzoek een licht werpt op de verschillen tussen beide clubs, die beide een ander imago hebben.
Na dit onderzoek wordt vervolgens de vergelijking tussen beide ploegen getrokken. Dit zullen we dan toetsen aan een aantal sociologische theorieën. Zo bekijken we de zogenaamde ‘faction theory’.
Deze theorie, die door Giulianotti in 1999 wordt weergegeven, vertelt ons dat een club zich manifesteert door middel van de rivaliteit met andere ploegen. Volgens hem zijn er daarom meestal twee voetbalclubs in één stad.[23]
Het onderzoek van Roland Renson en Vic Duke gaat daar dieper op in en spitst zich specifiek toe op de Belgische situatie. Beide auteurs stellen vast dat deze theorie ook in kleinere steden en zelfs in dorpen van toepassing is.
Er zijn twee manieren die kunnen leiden tot de vorming van ‘factions’, namelijk op geografische basis en op ideologische basis. In België is dit laatste meestal het geval, als gevolg van de verzuiling die gedurende de 19de en 20ste eeuw in onze maatschappij heeft plaatsgevonden.[24]
De verzuiling brengt met zich mee dat mensen vanaf hun geboorte tot aan hun dood in een bepaalde ideologie opgenomen worden. Elk van de zuilen heeft zijn eigen mutualiteiten, vakbonden en politieke partij en zorgt voor de noden van de mensen die bij hen zijn aangesloten. In België is er sprake van drie zuilen: de liberale, de katholieke en de socialistische.[25]
We werken verder eveneens op basis van de theorie geformuleerd door Xavier Pujadas en Carles Santacana met betrekking tot de voetbalclub als sociaal fenomeen. Beide auteurs onderzoeken welke factoren de oorzaken zijn van dergelijke evolutie en dit op basis van de ontwikkelingen van de club in Spanje.
Dit type van organisatie is afkomstig uit Groot-Brittannië en wordt gekenmerkt als een ‘vrije vereniging bestaande uit vrije mannen’. In deze vereniging kunnen de mannen trachten politieke en culturele doelen na te streven, ook kan het een gewone vrijetijdsbesteding met gelijkgezinden zijn. De eerste vormen van voetbalclubs zijn meestal georganiseerd door sociale elites, die een erg afgesloten en discriminerende groep vormen.
Na verloop van tijd ging de kleine landadel in Groot-Brittannië (‘gentry’) over tot het vormen van dergelijke organisaties en stelde ze al op het einde van de 18de eeuw reglementen op voor sporten als cricket, paardensport en lijf aan lijf gevechten.
Voor de reglementering was de opneming van deze klasse erg belangrijk geweest. Meestal bestonden dergelijke verenigingen uit leden van de aristocratie, van de kerk, van het leger en van de politieke klasse.
Pas in de 19de eeuw werd overgegaan tot de reglementering van andere sporten, ondermeer het voetbal. De opkomst van de industriële burgerij en de vrije stedelijke beroepen speelde hierbij een niet te onderschatten rol daar deze nieuwe groeperingen voornamelijk bestonden uit leden afkomstig uit de burgerij. De liberale ideeën van deze sociale groepen werden ook weerspiegeld in de inhoud van de reglementen.
Vanuit Engeland werd deze evolutie vervolgens verder verspreid over het vaste land en over de Verenigde Staten. De clubs die in Europa worden opgericht, ondermeer in Spanje, hadden dezelfde doelstellingen als die van Groot-Brittannië. Zo wilden zij gelijkheid tussen de spelers en streefden zij ernaar dat de leden van het bestuur van de club een zeker sociaal en publiek prestige genoten. Ook ijverden ze voor een zekere competitie en rendement. Verder kan dit ook aangevuld worden met andere doelstellingen, zoals symboliek.
Doordat het Britse ideaal gevolgd werd, droegen ook de Spaanse clubs het amateurisme hoog in het vaandel. Toch betekende de teloorgang van dit ideaal de democratisering van de sport betekenen.
De massa werd aangesproken door de creatie van mythische figuren, die iets konden presteren en daarvoor betaald werden. Verder speelde de pers in deze evolutie een belangrijke rol. Zij bracht de sport dichter bij de gewone man.
De clubs hadden de inkomsten die de supporters binnenbrachten ook nodig om de verdere toekomst van de club te waarborgen. Zo bouwden vele clubs stadions, die moesten gefinancierd worden.
De inkomsten die van toeschouwers en van passieve leden van de club verkregen werden, waren uiteraard welkom om de bouw van dergelijke stadia te financieren. Af en toe werd de clubkas gespijsd door mecenaten.
Dat de sporten erg spectaculair waren, kwam uiteraard ten goede aan de vergroting van de populariteit en de aantrekkelijkheid. [26]
Er was ook kritiek op deze evolutie. De elite wenste het ideaal van de ‘sportsmen’ en het daarmee samenhangende amateurisme te behouden. Deze evolutie kon echter niet worden gestopt.[27]
Sommigen waren bevreesd voor de invloed die dergelijke verenigingen op de massa uitoefenden, waardoor het volk eventueel zou reageren tegen de machthebbers.
We bekijken in hoeverre de bevindingen van dit onderzoek overeenstemmen met die van ons eigen onderzoek en of een dergelijke evolutie eventueel is terug te vinden bij Royal Sporting Club Anderlecht.
Ook Eric Dunning beweert dat de positie van het voetbal veranderd is door de nieuwe verhoudingen tussen verschillende sociale groepen en door de toenemende industrialisering, die zorgde voor een mentaliteitsverandering. Deze nieuwe houding ten opzichte van de voorloper van het voetbal was ten nadele van de volkssporten die op minder sympathie konden rekenen.
In tegenstelling tot James Walvin, die beweert dat er in het voetbal van het pre-industriële Engeland geen tolerantie was, zegt Dunning dat er ook toen wel degelijk een openheid bestond. Walvin maakte volgens hem de klassieke fout van vele historici: omdat de samenleving door een grote ongelijkheid gekenmerkt werd, kon er ook in de sport geen sprake zijn van een sociale vermenging. Volgens hem was het sociologisch gezien juist erg duidelijk dat dergelijke ongelijkheid een voorwaarde was om een sociale mix te krijgen in de sporten.
Deze ‘sociale mix’ is in niets te vergelijken met de latere openheid, naar aanleiding van ondermeer de industrialisering. De uitbreiding van de voetbalsport naar de ‘working class’ was de belangrijkste reden voor de latere uitgroei naar een toeschouwersport en naar de verdere professionalisering.[28]
Ook andere boeken met betrekking tot de sociologie van sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder, zoals het werk van D. Stanley Eitzen en Harry Edwards hebben ons geholpen om de materie beter te begrijpen.[29]
Van beide clubs hebben we veel medewerking gekregen. De reeds vernoemde Carles Santacana is verbonden aan de Universitat de Barcelona en houdt zich al geruime tijd bezig met de sociale geschiedenis van het Spaanse voetbal. Ook heeft hij onderzoeken specifiek met betrekking tot F.C. Barcelona uitgevoerd.
Al in de eerste maand van ons verblijf, kwamen we met hem in contact en hij heeft ons alle medewerking verleend. Dankzij deze ontmoeting hebben we de gehele periode van ons verblijf in de stad kunnen wijden aan het onderzoek met betrekking tot dit luik van onze eindverhandeling.
We zijn erin geslaagd onderzoek te voeren in de archieven van de club. Vrij snel kwamen we tot de conclusie dat bijna alle voor dit onderzoek relevante bronnen zijn opgenomen in werken, ondermeer in het werk van Sobrequés Callicó en van Rodes i Català. Vooral met betrekking tot het laatste kunnen we spreken over een bronnenuitgave.
Zowel in juni als september zijn we nogmaals naar Barcelona teruggekeerd om daar nog wat relevante literatuur te halen, die helaas niet in ons land te verkrijgen is.
Verder hebben we vele gesprekken gevoerd met de heer Santacana, die niet alleen bijzonder enthousiast was, maar ook verscheidene goede invalshoeken voor dit onderzoek heeft aangegeven. Zijn geestdrift gold niet alleen het onderwerp, maar ook het uitgangspunt dat dergelijk onderzoek nog niet wijdverbreid is. Dat het door een vrouw werd gevoerd, was in zijn ogen al helemaal uniek.
Na onze terugkeer hebben we ons dan bezig gehouden met Royal Sporting Club Anderlecht. We hadden ook hier het voordeel dat deze club haar medewerking verleende. We kregen de kans enkele gesprekken met de toenmalige General Manager, Michel Verschueren, te voeren.Via de familie Vreven zijn we met ‘de zilveren vos’ in contact gekomen en zij bezorgde ons eveneens bijzonder veen informatie.
Met betrekking tot Sporting hebben we verder veel gebruik gemaakt van verschenen werken over de geschiedenis van de club, zoals de werken van Max Well en van Henri Guldemont, en ook van Het Nieuwsblad uit het jaar 1935. Bovendien hebben we in het Sportmuseum van Leuven veel interessant materiaal gevonden.
Om de vergelijkende analyse te kunnen maken, hebben we de twee clubs in afzonderlijke hoofdstukken behandeld.
Allereerst wordt de situatie van het land gedurende het interbellum geschetst, gevolgd door de geschiedenis van de club zelf. De geschiedenis bevat enkel de periode tussen het ontstaan en 1960. Het verdere verloop is reeds in deze inleiding geschetst.
Ook worden hier de verschillende stadions waarin de clubs gespeeld hebben en de rivaliteit die er met andere clubs heerste, behandeld.
Soms bespreken we eveneens het puur sportieve aspect van de gebeurtenissen. Deze techniek heeft als doel het geheel wat levendiger te maken. Dit maakt het voor de lezer gemakkelijker om met de clubs mee te leven. In onze opinie zorgt dergelijke weergave ook voor een beter begrip van de tijdsgeest.
In de eindverhandeling wordt de toenmalige relatie tussen de staat en de club onder de loep genomen, waarbij het onderzoek met betrekking tot Sporting zich vooral richt op de relatie met de andere hoofdstedelijke clubs.
Om meer zicht te krijgen op de eventuele ideologie achter de clubs zijn de belangrijkste personen in de geschiedenis van de club weergegeven. In dit onderdeel worden zowel de voorzitters, de spelers als de trainers besproken. Om eventuele verschillen aan te duiden wordt soms verwezen naar personen uit latere periodes.
In het besluit proberen we tenslotte de verschillen en de gelijkenissen tussen de clubs weer te geven en bekijken we de ideologische achtergrond en de relatie met de staat. Ook zullen we daar de aangegeven theorieën op het onderzochte materiaal toepassen.
A. Wisselende machten in Spanje
De situatie in Spanje gedurende het interbellum is verre van stabiel te noemen. De Restauratie, het conservatieve, maar ook corrupte regime dat begin jaren twintig aan de macht was, houdt slechts tot 1923 stand omwille van de sociale onrust en de verwikkelingen in Marokko. De tegenstrijdigheden tussen links en rechts waren erg groot en dit leidde tot een hevige politieke en sociale strijd.
Op het internationale toneel waren er zowel aan de linkse als aan de rechtse zijde gebeurtenissen voorgevallen waar beide moed uit konden putten. Voor links was dat de vestiging van een communistisch regime in Rusland in 1917 en voor rechts was dit het aan de macht komen van de fascisten in Italië in 1922.
De ramp van de Annual was de rechtstreekse aanleiding van de onvrede die bestond door de Marokkaanse oorlog. Een aanval op de troepen van de vrijheidsstrijder Abd-el-Krim was op een fiasco uitgelopen. Ook de dreiging van een muiterij van de Marokkaanse troepen in Spaanse dienst werd genegeerd. Deze troepen kozen dan ook de kant van Abd-el-Krim, wat in de Spaanse gelederen voor paniek zorgde. Door het verschijnen in de Spaanse pers van gruwelijke foto’s van rottende lijken, werd het debat over de Marokkaanse oorlog weer aangezwengeld. Uiteindelijk werd er dankzij dit debat een commissie aangesteld die de schuldigen van de ramp moest aanduiden.
Uiteraard was deze nederlaag een grote blamage voor het leger. Op 13 september 1923 pleegde generaal Miguel Primo de Rivera een staatsgreep, waarbij de vorst de macht van de democratische regering aan de generaal overdroeg. Deze actie werd niet alleen gesteund door de koning en het leger, de belangrijkste sociale basis kwam van de hogere bourgeoisie van Catalonië.
De hogere klasse reageerde hiermee op de vrees die zij had voor sociale onrusten, die haar positie zou verzwakken. Ook de Catalaanse fabrikanten voelden zich bedreigd door de nakende afschaffing van de protectionistische douanetarieven, een maatregel waarmee de laatste regering dreigde.
In 1923 werd het regime van de Restauratie vervangen door de dictatuur van Primo de Rivera naar aanleiding van de oorlog in Marokko en door de sociale onlusten. “De militaire dictatuur van generaal Primo de Rivera, die op 13 september 1923 aan de macht komt, is niets anders dan de doodsstrijd der monarchie”.[30]
Het is belangrijk niet te vergeten dat Spanje steeds een land van erg trage evoluties is geweest. Wanneer Frankrijk, beginnend met de Franse Revolutien evolueerde naar een democratie, was Spanje nog steeds in de ban van het Ancien Régime. De evolutie naar een burgerdemocratie startte pas met de staatsgreep van generaal Primo de Rivera; daarvoor was de eigenlijke macht nog steeds in het bezit van de machtsgroepen uit het Ancien Régime.[31]
Als gevolg van de chaotische periode vóór de staatsgreep werd de dictatuur beschouwd als een terugkeer naar relatieve rust en stabiliteit, als het einde van een schijndemocratie. Ook het regime zag zichzelf als de ‘hersteller van de orde’.
De bourgeoisie had zich, met haar steun, echter lelijk in de vinger gesneden. Elk streven naar autonomie van de Catalanen werd resoluut de kop ingedrukt. Toch zou er hier sprake zijn van een zachte dictatuur als we de vergelijking maken van het fascisme onder Franco, dit ondanks de duidelijke dictatoriale tendensen die het bestuur van Primo de Rivera kenmerkte.
Na het relatieve succes van de dictatuur in de eerste periode, begon er een periode van institutionalisering. De basis van de dictatuur moest zich uitbreiden en om dit doel te bereiken werd de reeds vernoemde oorlog in Marokko gebruikt.
Primo de Rivera slaagde erin een vrede te bewerkstelligen in Marokko, waardoor Spanje zich uit deze regio kon terugtrekken zonder eerverlies. De oorlog was immers te zeer een prestigekwestie om zich zomaar terug te trekken. Door deze eervolle oplossing kreeg Primo de Rivera binnen Spanje een immense populariteit. Het einde van deze oorlog betekende meteen ook het einde van het militair bestuur (1923-1925), de institutionalisering was een feit.
Pogingen om internationaal prestige te verkrijgen faalden echter jammerlijk door twee diplomatieke nederlagen. Spanje maakte reeds jarenlang aanspraak op de Marokkaanse stad Tanger maar deze aanspraken werden echter afgewezen.
Ook de strijd om een permanente zetel in de Veiligheidsraad van de Volkenbond te verkrijgen, werd verloren waarna Spanje zich in 1926 uit de organisatie terugtrok. Twee jaar later herzag Primo de Rivera evenwel deze beslissing.
Van 1925 tot 1930 spreekt men over het Burgerlijk Bestuur, dat werd beïnvloed door de gebeurtenissen op internationaal gebied. Als voorbeeld volgde Primo de Rivera het beleid van Mussolini in Italië. Vooral de brede basis van het bewind van Mussolini wekte zijn jaloezie op. De dictatuur nam dan ook maatregelen om dezelfde steun te bewerkstelligen en Italië te imiteren. Zo werd het éénpartijstelsel ingevoerd, de enige toegelaten partij was de Unión Patriótica (de UP). Toch had dit niet het gewenste effect.
De oude standenmaatschappij in Spanje liet zich niet zo gemakkelijk verslaan. Slechts in Barcelona en Bilbao kwamen er nieuwe figuren op, in de andere steden werd de UP opgebouwd volgens de oude hiërarchie. Waarom gebeurde dit niet in Barcelona en Bilbao? Hier hadden de traditionele machthebbers ook andere kanalen om politieke macht uit te oefenen. De generaal slaagde er dus niet in om het model van Italië te imiteren.
Er werd ook een volksraadpleging gehouden waarbij de dictatuur de bevolking vroeg aan Primo de Rivera haar steun te betuigen. Tegencampagnes werden uiteraard streng bestraft. Bij deze stemming steunde 57 % van de bevolking de dictatuur. De stemming was echter vaak niet authentiek, bedrijven bijvoorbeeld stemden voor hun arbeiders.
De populariteit van Primo de Rivera was echter niet louter schijn. Het imago van een eenvoudige man dat hij cultiveerde (hoewel hij eigenlijk een zuidelijke grootgrondbezitter was) en zijn opmerkelijke toespraken, maakten hem bij de bevolking erg geliefd.
Het bewind van de ‘zachte dictatuur’ werd vooral gekenmerkt door het paternalisme dat het tentoonspreidde. Door deze paternalistische houding is het duidelijk dat de dictatuur eigenlijk de laatste stuiptrekking was van de restauratieve krachten, die steeds een paternalistische visie op de maatschappij hadden.
Wat betreft de economie profiteerde de dictatuur mee van de gunstige jaren twintig. Primo de Rivera voerde een ouderwetse agrarische politiek, dit in tegenstelling tot de relatief tolerante houding die hij had ten opzichte van de industriearbeiders. De sociale onrust werd door het corporatieve stelsel, waarin overleg tussen de verschillende belangengroepen centraal staat, beheerst.
Dankzij de hoogconjunctuur kon de staat onder zeer gunstige voorwaarden staatsleningen uitschrijven. Het gevolg was een klimaat van speculatie. Het prestige van de dictatuur werd vergroot door grootschalige projecten, waardoor ook de werkloosheid werd teruggedrongen. Deze economische politiek, die ook het kunstmatig hoog houden van de peseta voorstond, zorgde ervoor dat de internationale crisis van 1929 zeer hard toesloeg.
De politieke onkunde van Primo de Rivera betekende het einde van de dictatuur. Een reeks omstandigheden inherent aan de dictatuur gaf hiervoor de rechtstreekse aanleiding;
- het leger zelf en dan vooral de artillerie die vond dat ze benadeeld werd
- het fiasco van de monetaire politiek
- het wegvallen van de steun van de zakenwereld
- de massabeweging van het socialisme, die dan ook nog eens uitgebreid werd met de intellectuelen als reactie op de anti-intellectuele instelling van Primo de Rivera
- de houding van de koning, die lijnrecht inging tegen de politiek van Primo de Rivera.
In januari 1930 vroeg Primo de Rivera aan het leger om het vertrouwen in hem te herstellen. Dit werd geweigerd en op 30 januari 1930 werd hij gedwongen af te treden.
Na dit gedwongen aftreden wendde men zich meer en meer af van de monarchie. Alfonso XIII wenste immers terug te keren naar het regime van voor de machtsgreep van Primo de Rivera. Verschillende oppositiegroepen begonnen zich echter te organiseren en ook belangrijke conservatieve politici (aanvankelijk pro-monarchistisch) wendden zich van de koning af.
De aanstelling van generaal Dámaso Berenguer was een poging om de orde en de oude staatsstructuur te herstellen. De klok werd teruggedraaid, zowel wat betreft de economische politiek (een orthodox liberale anti-inflatiepolitiek) als wat betreft het bestuur van het land. Deze generaal pakte het weliswaar allemaal iets rustiger aan, maar het was helaas al te laat.[32] Een terugkeer naar het Ancien Régime was zo goed als onmogelijk.
Met uitzondering van de communistische partij (de CNT) verenigde de oppositie zich in juli 1930 in het Pact van San Sebastian en ook in het leger ontstond er een vereniging, de Unión Militar Republicana y Antifascista. Op twaalf december 1930 vond er in het stadje Jaca een republikeinse opstand plaats, een zogenaamde pronunciamiento. Hoewel deze al snel werd neergeslagen, werd ze toch een symbool.
Doordat generaal Gonzalo Queipo de Llano nogmaals een poging tot opstand ondernam, werd de staat van beleg in december afgekondigd. De situatie werd steeds moeilijker. In 1931 schreef Berenguer verkiezingen uit terwijl de staat van beleg gehandhaafd werd. Het leidde dan ook tot zijn ontslag. Het is namelijk onmogelijk een onafhankelijke en eerlijke verkiezing te laten plaatsvinden in een land dat onder de staat van het beleg staat.
Queipo de Llano werd opgevolgd door Juan Bautista Aznar, die een kabinet samenstelde dat enkel uit leden van de adel bestond. Op 12 april 1931 werden er gemeenteraadsverkiezingen uitgeschreven en werd de staat van beleg opgeheven. Overal wonnen de republikeins-socialistische lijsten, met uitzondering van Cadiz en sommige plaatsen op het platteland.
Op 14 april 1931 werd de republiek uitgeroepen onder leiding van een overgangsregering. Van in het begin werd deze door twee verschillende groeperingen bestreden; de Kerk, die op basis van de feodaliteit zijn macht verworven had en deze macht nu ook wou behouden, en de CNT, die nog steeds naar een sociale revolutie streefde.
Op 28 juni 1931 vonden dan de eerste verkiezingen van de republiek plaats en het was duidelijk dat de democratische tendens aan belang won. De grondwet was geïnspireerd op die van de Weimar–republiek. Omwille van de belangrijke positie die de kerk steeds had ingenomen in de oude feodale standenmaatschappij was vooral de secularisering van de staat een belangrijk punt van discussie.
De grondwet werd goedgekeurd op 9 december 1931 en een dag later werd Alcalá Zamora tot president van de Tweede Republiek verkozen. Iets later werd onder leiding van Azaña een regering gevormd.
De Tweede Republiek werd beheerst door de strijd tegen het grootgrondbezit in het zuiden. Zowel de onderlinge verdeeldheid en het revolutionaire karakter van extreem links, als de opmars van de kleine bourgeoisie leidde uiteindelijk tot de ondergang van de Tweede Republiek.