| De laatste symfonie van het Concert van Europa. De Nederlandse vredesmissie in Albanië 1913-1914 in internationaal perspectief. (Sicco de Ruijsscher) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Inleiding

Afbeelding 1: Albanië 1914. bron Fabius, Zes maanden in Albanië
In deze scriptie zal een “vergeten” stuk uit de Nederlandse geschiedenis worden behandeld, namelijk de Nederlandse deelname aan de vredesmissie in Albanië 1913-1914. Dat deze missie een vergeten bladzijde in de geschiedenisboeken is, hangt samen met het weinige (wetenschappelijk) onderzoek dat er naar is gedaan. Alleen het onderzoek van G. Goslinga, The Dutch in Albania, en het boek van J. Fabius, Zes maanden in Albanië, zijn hierbij het vermelden waard. Voor de rest was ik aangewezen op de bronnen die zich in het Nationaal Archief te Den Haag bevinden. Het boek van Fabius is echter geen wetenschappelijk onderzoek. Het is meer een beschrijving over het Albanese volk en leest als een dagboek. Wat deze publicatie interessant maakt, is het feit dat Fabius als één van de Nederlandse officieren in Albanië gediend heeft. Zijn publicatie kan dan ook als een bron, met een ietwat éénzijdige visie, worden beschouwd. Het werk van Goslinga kan daarentegen wel als een wetenschappelijk onderzoek aangemerkt worden. Bij mijn weten is dit boek de enige wetenschappelijke verhandeling over de Nederlandse vredesmissie in Albanië. Dat de uitgave ervan in Rome is gedaan, zal niet tot de bekendheid ervan hebben bijgedragen. Als vooronderzoek voor een dissertatie is het in 1972 gepubliceerd. Het heeft echter niet tot een proefschrift over het onderwerp geleid. Misschien zou hieruit opgemaakt kunnen worden dat Goslinga bij nader inzien in dit onderwerp geen heil meer zag, of dat zijn beoogd promotor Prof. Dr. H.W. von der Dunk het onderzoeksvoorstel heeft afgewezen. Hoe het ook zij, hierdoor is toentertijd de kans gemist om deze episode van de “Vaderlandse geschiedenis aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog” aan de vergetelheid te onttrekken. Toen Von der Dunk zeven jaar later zijn bijdrage schreef voor de Algemene Geschiedenis der Nederlanden vond hij het blijkbaar de moeite niet waard de eerste Nederlandse vredesmissie te vermelden.[1] Voor dit standaardwerk beschreef hij Nederland aan de vooravond van en tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Nederlandse neutraliteitspolitiek komt daarbij uitgebreid aan de orde. Maar er wordt met geen woord gerept over de Nederlandse bijdrage aan “het Kruitvat van Europa” met een militaire missie, terwijl dit toch de neutraliteit ernstig aan het wankelen had kunnen brengen.
Het lijkt er dan ook op dat Von der Dunk zich hiermee heeft vergist. De hamvraag is dan ook hoe de Nederlandse vredesmissie is verlopen en waarom die het vermelden waard zou zijn geweest. Om tot een antwoord te kunnen komen staat vooral de houding van de Europese grootmachten ten opzichte van de Nederlandse missie centraal. Het onderzoek hiernaar zal in drie hoofdstukken worden opgedeeld in grofweg vóór, tijdens en het einde van de vredesmissie.
In het eerste hoofdstuk zullen de Europese grootmachten en hun onderlinge machtsverhoudingen aan bod komen. Tenslotte waren zij het die besloten dat een vredesmissie in Albanië noodzakelijk was. Hierbij zullen de belangen van de grootmachten in Albanië bekeken worden en op welke manier en waarom zij zijn overgegaan tot het zenden van een vredesmacht. In dit licht zal de situatie in het Ottomaanse Rijk en de Albanese chaos in het bijzonder worden uitgewerkt, wat immers tot het directe ingrijpen van de grootmachten heeft geleid.
In het tweede hoofdstuk zal de nadruk worden gelegd op het verloop van de Nederlandse missie in Albanië. Hierbij zal voornamelijk gekeken worden hoe de Nederlandse officieren hebben getracht de missie tot een succes te volbrengen. Hiervoor zal allereerst de Nederlandse besluitvorming omtrent het al dan niet uitzenden van officieren worden beschreven. Daarna zal gekeken worden naar de voorbereiding op de missie en naar de Nederlandse belangen met betrekking tot het zenden van de militairen. Het verloop van de missie zal aan de hand van drie belangrijke gebeurtenissen beschouwd worden, respectievelijk de Grébéné-affaire, de kwestie Epirus en de Centraal-Albanese opstand.
Het derde hoofdstuk staat in het teken van de beëindiging van de Nederlandse vredesmissie. Hiervoor zal het verloop van de terugtrekking van de officieren en de omstandigheden waaronder dit gebeurde worden beschreven. Daarvoor moeten tevens de verhoudingen tussen de Nederlandse militairen onderling en tussen hen en het Albanese gezag aan de orde komen. Dit naast de Europese machtsverhoudingen. Tot slot zal het einde van de Nederlandse vredesmissie en de machtsverhoudingen tussen de Europese grootmachten in het licht van de Nederlandse neutraliteit worden bekeken.
1 De belangen van de Europese grootmachten in Albanië
De bemoeienis van de Europese grootmachten met de gebeurtenissen in Albanië kwam niet uit de lucht vallen. In dit hoofdstuk zullen de fricties tussen de grote mogendheden, die een belangrijke rol speelden omtrent de problemen in Albanië, worden besproken, alvorens de problematiek in het Balkanland zelf aan bod zal komen. Hierbij zal met name gekeken worden naar wat de eventuele belangen van de mogendheden in Albanië waren. Hiervoor zal allereerst een globaal overzicht worden gegeven van de machtsverhoudingen binnen Europa in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. De vijf grootmachten die uiteindelijk het lot van Albanië bepaalden komen daarna uitgebreid aan de orde in paragraaf 1.2.1 tot en met 1.2.5: respectievelijk Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Frankrijk en Duitsland. Tevens zullen de belangen van Italië, het land dat in het Albanese drama ook een hoofdrol zou spelen, in de daarop volgende paragraaf worden behandeld. In paragraaf 1.2.7 en 1.2.8 zal een beschouwing worden gegeven van het Ottomaanse Rijk, waar het Albanese volk immers onderdaan van was. Tot slot zullen de problemen in Albanië aan bod komen die het ingrijpen van de Europese grootmachten vereisten. Het hoofdstuk zal met een samenvattende conclusie worden afgesloten.
1.1 Machtsverhoudingen
De honderd jaar tussen het einde van de Napoleontische oorlogen en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt gezien als één van de meest vreedzame periodes van de West-Europese geschiedenis. Zowel in aantal als omvang bleven tussenstatelijke oorlogen in West-Europa in dit tijdbestek beperkt. Een uitzondering hierop vormde de Krimoorlog 1854-1856 tussen Rusland enerzijds en Frankrijk, Groot-Brittannië, Sardinië en het Ottomaanse Rijk anderzijds. Daarnaast waren er de éénwordingsoorlogen van Italië en Duitsland,[2] de Turks-Russische oorlog en de Balkanoorlogen. Deze oorlogen werden echter gevoerd met beperkte middelen en hadden een beperkt doel. Geen ervan had het karakter van de absolute oorlog zoals die door Carl von Clausewitz als nieuwe vorm van oorlogsvoering na de Napoleontische tijd was beschreven.[3]
Door de vrees voor het mogelijke destructieve karakter van een eventuele totale oorlog waren de Europese grootmachten tot een relatieve onderlinge stabiliteit gekomen: het “Concert van Europa”.[4] Dit was een consultatiemechanisme dat in stand werd gehouden door Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk, Pruisen en na 1840 mede door de in 1815 overwonnen agressor Frankrijk. Door overleg poogden de staten een onderling status quo te handhaven. Het Concertsysteem was gevormd om te voorkomen dat één van grootmachten een hegemoniale positie binnen Europa kon verwerven.[5]
Op het eerste gezicht leek dit een idealistische poging om een algehele vrede in Europa te bewaren. Van idealisme was echter geen sprake. Het was juist een realistisch systeem, waarbij ervan werd uitgegaan dat alle naties elkaars potentiële vijanden waren. De nationale veiligheid zou enkel gegarandeerd kunnen blijven zolang andere staten hun machtspositie niet uitbreidden. Als er een spanningsveld ontstond of een machtsvacuüm in Europa dreigde, werden de grote mogendheden geconsulteerd.[6] Hierbij werd, al dan niet door middel van een conferentie, naar een oplossing gezocht waarbij het machtsevenwicht, de zogenaamde “Balance of Power”, zou worden behouden. Indien één van de grote mogendheden bepaalde voordelen had verworven, moest dit teniet worden gedaan door de andere te compenseren. Het voortbestaan van de grootmachten was essentieel voor het functioneren van het Concertsysteem.
Na de Krimoorlog maakte dit consultatiemechanisme plaats voor wisselende bondgenootschappen tussen de grootmachten. Het principe van “Balance of Powers” met een handhaving van de status quo bleef echter voortbestaan.[7] Tijdens het laatste kwart van de negentiende eeuw begonnen zich twee gelijkwaardige allianties te vormen. Enerzijds de Entente Cordiale tussen Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland, die later de Triple Entente zou gaan heten, en anderzijds de Triple Alliantie tussen Duitsland, Italië en Oostenrijk-Hongarije.[8] Italië was als staat dusdanig belangrijk geworden dat het zich met de bestaande grootmachten wilde meten. Deze bondgenootschappen manifesteerden zich nadrukkelijk aan het begin van de twintigste eeuw. Dit betekende echter niet dat de staten binnen hetzelfde bondgenootschap geen onderlinge conflicten konden hebben. De allianties waren niet het resultaat van een blind onderling vertrouwen in de bondgenoten. Ze waren min of meer ontstaan uit wantrouwen in de staten van het andere bondgenootschap.
1.2 De grote mogendheden en de Balkan
Door middel van allianties wilden de grote mogendheden hun vitale nationale belangen beschermen. Elke grootmacht probeerde aan het eind van de negentiende eeuw, begin twintigste eeuw zijn macht te consolideren of uit te breiden, zonder daarbij de machtsbalans te forceren. Dit streven viel samen met de nationalistische en imperialistische ideologieën die in deze periode hoogtij vierden.
Tegen het einde van de negentiende eeuw versnelde het verval van het grote en machtige Ottomaanse Rijk. In 1830 had het Servië al een formele autonomie moeten toekennen en in 1878 moest het onder meer Montenegro en Roemenië onafhankelijkheid verlenen. Cyprus kwam onder het toezicht van Groot-Brittannië te staan.[9] Onder invloed van het nationalisme probeerden verschillende Balkanvolkeren zich van het Ottomaanse Rijk los te maken en tot natievorming te komen. Het tanende Turkse Rijk, dat in deze tijd beschouwd werd als “The Sick Man of Europe”, kon ondanks repressie de lappendeken van etniciteiten op de Balkan niet meer bijeen houden. Het nationalisme was te krachtig en zou dan ook de voornaamste factor blijken te zijn voor de totale ineenstorting van het Ottomaanse Rijk.[10] Voor de Europese grootmachten betekende dit verval dat er een machtsvacuüm ontstond. Met name Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Griekenland, Servië en Italië probeerden dit op te vullen. Hierbij werd ook Albanië de inzet voor machtsuitbreiding.
1.2.1 Groot-Brittannië
Tijdens de negentiende eeuw was Groot-Brittannië een grootmacht die over een wereldrijk regeerde. Hiervan was het koloniale bezit in India van vitale betekenis voor de economische gesteldheid van het moederland. Groot-Brittannië was sinds de tweede helft van de negentiende eeuw meer en meer afhankelijk geworden van grondstofimporten. Daarom moest aan het beheersen van de zeewegen de hoogste prioriteit worden gegeven.[11] Het wilde dan ook de suprematie op zee behouden. In het begin van de twintigste eeuw bleek alleen Duitsland, door middel van de “Welt- und Flottenpolitik”, de Britse maritieme macht te kunnen benaderen. Zelfs zo ver dat Groot-Brittannië de “two-powers standard”, de beschikking over een sterkere vloot dan die van de erna komende twee sterkste vlootmachten tezamen, moest opgeven.[12] De kern van de Britse diplomatie berustte op de “splendid-isolation” theorie. Dit hield in dat de staat geen bondgenootschappen wilde aangaan die het Britse Rijk in een oorlog konden meeslepen.[13] Aan het begin van de twintigste eeuw werd dit idee losgelaten. De reden hiervoor was de vrees voor een Duitse hegemonie in Europa. Deze zou kunnen ontstaan omdat Groot-Brittannië zich afzijdig hield van bondgenootschappen die dit juist trachtten te voorkomen. De gedachte hierachter was dat de Britse isolatie een Duitse hegemonie in de hand kon werken.[14]
Naast Duitsland was Rusland de andere tegenspeler van Groot-Brittannië. Sinds de Napoleontische oorlogen werd Rusland door Groot-Brittannië gezien als een mogelijke hegemoniale machthebber.[15] Door het landoppervlak, het potentieel van een reusachtig leger en de aspiraties op de Balkan, waar de Slaven als broedervolk werden beschouwd, zou Rusland een bedreiging kunnen vormen voor zowel Europa als voor India. Een streven van Rusland was het verkrijgen van de vrije vaart door de Bosporus en de Dardanellen.[16] Dit zou voor Rusland een ontsluiting van de Zwarte Zee en zo een directe toegang naar de Middellandse Zee en het Suez-kanaal mogelijk maken. Daardoor zouden de betrekkingen tussen Rusland en Groot-Brittannië onder druk komen te staan gezien de daar langslopende kwetsbare Engelse toevoerwegen vanuit India.[17] Britse diplomatie probeerde Rusland hiervan te weerhouden door het Ottomaanse Rijk te garanderen. Gedurende de negentiende en begin twintigste eeuw vormde het voorkomen van desintegratie van het Turkse Rijk één van de Britse buitenlandse politieke punten. Dit beoogde een tweeledig doel: de Bosporus en de Dardanellen bleven gesloten voor Russische oorlogsbodems en het Ottomaanse Rijk bleef een bufferstaat tegen de Russische expansie[18]. Voor de Britten betekende het Ottomaanse Rijk een ‘barrier Power to British India’ en ‘the destruction […] by a European Power would endanger India in so far as it would expose it to the early invasion of such a Power’.[19] De koningin (Victoria) ging zelfs een stap verder. Indien Constantinopel door één van de grootmachten (Rusland) veroverd zou worden dan zou Groot-Brittannië ‘no longer exist as a Great Power’.[20] Zij verwoordde hiermee de Britse noodzaak het Ottomaanse Rijk stabiel te houden. Maar op de Balkan en in Albanië had Groot-Brittannië geen directe belangen.[21] Groot-Brittannië voelde zich wel aan de stand verplicht zich met de daar ontstane problematiek te bemoeien.
1.2.2 Rusland
In Rusland kwam het industrialiseringsproces laat op gang. Daardoor dreigde het land met imperialistische aspiraties op de andere grootmachten achter te lopen.[22] De Russische ambities in Europa lagen vooral in het uitbreiden van de invloedsfeer op de Balkan en het verkrijgen van vrije doorvaart door de Dardanellen en de Bosporus. Na de verloren Krimoorlog werd dit laatste een stuk moeilijker voor het Tsarenrijk, doordat bij de Vrede van Parijs (1856) de Bosporus voor alle buitenlandse oorlogsbodems gesloten was verklaard. De Russische aspiraties op de Balkan werden mede ingegeven door de etnische overeenkomst tussen de verschillende Slavische volkeren. Rusland zag zichzelf als beschermheer van alle Slavische volkeren en werd door deze ook zo gezien.[23] Door als grote Slavische broer op te treden, steunde Rusland de pan-Slavische beweging op de Balkan. Het idee van het pan-Slavisme behelsde één grote Slavische federatie georiënteerd op en gedomineerd door Rusland.[24] Vooral Bulgarije werd hierbij ondersteund aangezien deze Slavische staat het dichtst bij Constantinopel lag. De beweging werd door het Russische nationalisme gebruikt om haar invloedsfeer op de Balkan te vergroten in de hoop daardoor een uitweg naar de Middellandse Zee te verkrijgen.
De steun aan de pan-Slavische beweging, die zich vooral tegen het Ottomaanse Rijk maar ook Oostenrijk-Hongarije keerde, resulteerde in 1877 in een nieuwe Turks-Russische oorlog toen de Russen, na Turkse wreedheden, voor de Slavische volkeren opkwamen. Rusland wist als overwinnaar de onafhankelijkheid van Roemenië, Servië en Montenegro bij de Vrede van San Stefano (1878) vast te leggen. Bulgarije werd autonoom. De andere mogendheden voelden de dreiging van een expanderend Russisch Rijk binnen Europa.[25] Te meer omdat de nieuwe Bulgaarse staat als marionet van Rusland werd gezien. Tijdens het congres van de mogendheden in Berlijn (1878) werden de meeste Russische “gebiedsuitbreidingen” dan ook teniet gedaan en terug gegeven aan het Ottomaanse Rijk (zie afbeelding 2).

Afb. 2: Verdrag van San Stefano 1878 en Verdrag van Berlijn 1878.
bron: http://www.amitm.com/thecon/lesson8.html
Daarnaast werd ook het autonome gebied van Bulgarije aanzienlijk verkleind. Hierbij was het opmerkelijk dat Ottomaanse aangelegenheden door de grootmachten werden geregeld. Het tekende het begin van het einde van de Turkse heerschappij over de Balkan.
Rusland voerde in 1911 een soortgelijke strategie als het in 1877 met de pan-Slavische beweging had gedaan. Dit maal moedigde het de Slavische volkeren aan zich aan te sluiten bij de Balkan-liga.[26] Deze liga kwam voort uit een geheim verdrag tussen Serven en Bulgaren en was voornamelijk gericht tegen de Ottomaanse heerschappij. Later sloten ook de Grieken zich bij deze liga aan. Hun gezamenlijk optreden tegen het verzwakte Ottomaanse Rijk resulteerde in oktober 1912 in de Eerste Balkanoorlog. De Europese grootmachten waren opnieuw genoodzaakt zich met de Balkan te bemoeien. Er was een machtsvacuüm ontstaan en hierdoor een grote onrust tussen de staten. Dit zou kunnen uitmonden in een Europese hegemoniale oorlog. Precies dat wat de grootmachten al bijna honderd jaar probeerden te vermijden. Volgens de Franse president Raymond Poincaré hield bondgenoot Rusland er echter een andere agenda op na. Hij meende dat dit land de Balkan-liga enkel voor de eigen doeleinden gebruikte en stelde in oktober 1912: ‘… it is certain that she [Rusland] knew all, and that far from protesting against it, she saw in this diplomatic document the means of assuring her hegemony in the Balkans. She perceives to-day that it is too late to stop the movement which she provoked, and […] she tries to apply the brake, but it was she who started the motor’.[27]
Hiermee suggereerde hij dat de Russische bemoeienis de oorzaak van de Balkanoorlog was en het zo een nieuwe Europese oorlog riskeerde.
Rusland fungeerde weliswaar als katalysator, maar de oorzaak voor deze oorlog was ontstaan vanuit het nationalistisch perspectief van de verschillende volkeren. Rusland maakte hier wel gebruik van door het Balkannationalisme in te zetten voor de eigen belangen.
1.2.3 Oostenrijk-Hongarije
Naast Rusland had ook de Donaumonarchie Oostenrijk-Hongarije directe belangen op de Balkan. Dit land was sinds de Ausgleich in 1867 een dubbelmonarchie. De staat vormde een heterogeen rijk en bevatte een groot aantal etniciteiten. Zo woonden er onder meer Tsjechen, Slowaken, Polen, Kroaten, Serven, Duitsers, Roemenen, Magyaren, Italianen en Oekraïners.[28] Door het aan de oppervlakte komen van het nationalisme had het te kampen met veel interne problemen. De Magyaren, het politiek en getalsmatig dominante volk in het Hongaarse deel, onthielden de andere nationaliteiten iedere vorm van autonomie. Door middel van een actieve Balkanpolitiek probeerde de Donaumonarchie de steun te beperken die de Slavische minderheden binnen het rijk vanuit buurstaten ontvingen, met name uit Servië en Rusland.[29] De Dubbelmonarchie wilde de Slavische minderheden geen beperkte autonomie verlenen uit vrees voor een expanderend Servisch rijk.[30] De Serven streefden namelijk naar een Groot-Servië waarin alle Slavische Balkanvolkeren zouden worden opgenomen. De verwezenlijking hiervan zou voor Oostenrijk-Hongarije onder meer betekenen dat de Dalmatische kust verloren zou gaan. Niet alleen zou er dan een machtig buurland ontstaan, tevens zou Oostenrijk-Hongarije haar enige uitgang naar zee verliezen.[31] Het gebruik van de Adriatische zeewegen vormde ook de inzet van strijd tussen de Dubbelmonarchie en Italië.[32] De frictie met de Serven zou uiteindelijk het begin van de Eerste Wereldoorlog inluiden.
De buitenlandse politiek berustte mede op het beperken van de Russische en Servische invloed op de Balkan. Een probleem voor Oostenrijk-Hongarije was dat het in militair opzicht niet alleen tegen Rusland op kon en vooral op Duitse steun was aangewezen. Zo bleek de Duitse dreiging ten opzichte van Rusland de doorslaggevende factor die het mogelijk maakte dat Oostenrijk-Hongarije in 1908 Bosnië annexeerde.[33] De Russische afzijdigheid in verband met deze annexatie was het gevolg van een geheime bijeenkomst in september.[34] Hierbij werd afgesproken dat Rusland zich bij de Oostenrijkse annexatie afzijdig zou houden als Oostenrijk-Hongarije zich zou inzetten voor het ongedaan maken van het verdrag van Berlijn. Frankrijk voelde zich als bondgenoot door Rusland verraden. Dat Frankrijk de bondgenoot nu niet wilde steunen was het directe gevolg van de daad van agressie die Rusland met een Duitse bondgenoot was overeengekomen.[35] Oostenrijk-Hongarije hield zich niet aan de afspraak omdat het wist dat Rusland zich nooit een gewapend optreden wilde permitteren zonder Franse militaire steun. Het eindigde voor Rusland in een diplomatiek debacle na een Duits ultimatum dat de erkenning eiste van Bosnië als nieuw Oostenrijks gebied. De Dubbelmonarchie had een grote belangen op de Balkan. Niet alleen omdat het hieraan grensde, maar ook omdat de staat veel Slavische volkeren binnen haar grenzen had.
1.2.4 Frankrijk
De Franse buitenlandse politiek werd in de eerste plaats beheerst door de vrees voor een sterk Duitsland.[36] De rancune over het verlies van Elzas-Lotharingen en de nederlaag in de oorlog van 1870-1871 gaf de Franse politiek een sterk revanchistisch karakter. Bij iedere politieke stellingname voerden de anti-Duitse sentimenten de boventoon.
Net als Groot-Brittannië en Duitsland had Frankrijk enkel indirect belang op de Balkan. De economische en militaire steun die Frankrijk sinds 1893 aan Rusland verleende,[37] was slechts een middel om Duitsland en zijn bondgenoot Oostenrijk-Hongarije tegen te werken. De Franse strategie hierbij was gericht op een overeenstemming van mobilisatie met Rusland. Door een economisch-militair bondgenootschap probeerde Frankrijk Duitsland te weerhouden van agressie. Als gevolg van deze samenwerking was Duitsland namelijk tussen de twee landen ingesloten en zou het een tweefronten oorlog riskeren zodra het een aanval op Frankrijk of Rusland zou doen.[38] De reden van Frankrijk voor een bondgenootschap met Rusland was dus ingegeven uit angst om opnieuw in oorlog met Duitsland te geraken. Dat Frankrijk de Balkan-liga en Rusland steunde was vooral als tegenwicht bedoeld voor de aspiraties van Oostenrijk-Hongarije, dé bondgenoot van Duitsland, op de Balkan. Tevens betekende de Franse steun aan de Balkan-liga een verzwakking van een andere Duitse bondgenoot, het Ottomaanse Rijk. Daarnaast was het vanuit financieel belang dat Frankrijk met name Servië steunde. Niet alleen had Frankrijk grote leningen in Servië uitstaan, het was ook dé wapenleverancier van dit Balkanland.[39] De Fransen waren echter niet bereid een gewapend conflict aan te gaan dat enkel over Balkan aangelegenheden ging.
‘Public opinion in France would not permit the French government to decide on a military action in a purely Balkan matter unless Germany became involved and through its initiative brought about a casus foederis. In this latter case [Russia] could count on the exact and complete fulfilment by France of her obligations’.[40]
Hiermee gaf Poincarré aan dat Frankrijk niet bereid was een Europese oorlog te riskeren voor de Balkan, behalve als Duitsland de initiator van een dergelijk gewapend conflict zou zijn.
1.2.5 Duitsland
Duitsland had een belangrijke rol binnen de Europese machtsverhoudingen ingenomen. Door de centrale ligging ten opzichte van de andere grootmachten, het hoge tempo van het industrialiseringsproces, de snel groeiende bevolking, maar vooral door de in oorlogen duidelijk aangetoonde kracht van het leger was Duitsland de sterkste mogendheid op het continent. Juist deze potentie als een hegemoniale macht, maakte het Duitse keizerrijk kwetsbaar. Zowel het concertsysteem als de alliantievormingen waren gericht op het behoud van de status quo waarmee geprobeerd werd een hegemoniale macht tegen te gaan. Terwijl de andere grote mogendheden een langdurige vrede voor ogen hadden door het behoud van de machtsbalans, zag Duitsland de “Balance of Power” als een bedreiging. Met name het bondgenootschap tussen Rusland en Frankrijk betekende voor Duitsland een “Einkreisung”.[41] Het zag zich door deze landen ingesloten en op die manier geïsoleerd. Dit was de reden waarom Duitsland ten koste van alles een onvoorwaardelijk bondgenootschap met Oostenrijk-Hongarije in stand wilde houden.[42] Duitsland had aan de Dubbelmonarchie een “carte blanche” gegeven in het geval de Donaumonarchie in een gewapend conflict zou raken.[43]
Met betrekking tot de Balkan verkeerde Duitsland in een niet benijdenswaardige positie. Duitsland zelf had geen noemenswaardige aspiraties op de Balkan.[44] De imperialistische race in Afrika had voor Duitsland een veel hogere prioriteit.[45] De moeilijke Duitse situatie was vooral het gevolg van de Balkanpolitiek van haar bondgenoten, zowel van Oostenrijk-Hongarije en Italië in de Dreibund als het Ottomaanse Rijk. Al deze drie zagen Duitsland als hun belangrijkste bondgenoot. Bij elke voorkomende gelegenheid probeerden ze zich van Duitse steun te verzekeren. Met betrekking tot de Balkan problematiek kon dit voor Duitsland een groot probleem gaan vormen, omdat Italië en Oostenrijk hun invloedssfeer in het westen van de Balkan wilden uitbreiden. Dit ten koste van het Ottomaanse Rijk. Duitsland hield zich dan ook zo veel mogelijk afzijdig van de Balkanproblemen.
1.2.6 Italië
De andere nieuwe staat die zich wel intensief met de Balkan ging bemoeien, was Italië. De Italiaanse éénwording, bewerkstelligd door het “Risorgimento”, was in 1870 compleet. De nieuwe staat wilde zich graag meten met de Europese grootmachten, maar had net zoals Duitsland geen koloniën. De overtuiging heerste dat je pas als grote mogendheid meetelde zodra je een koloniaal imperium had verworven.[46] Desondanks claimden Italiaanse nationalisten er toch wel bij te horen.[47]
De Italiaanse imperialistische ambities werden ingegeven door de idee van een herleving van het Romeinse Rijk in het Middellandse zeegebied.[48] De verwerkelijking hiervan bleef echter een illusie aangezien grote delen van Noord-Afrika Turks waren of al door Frankrijk en Groot-Brittannië waren bezet. Het belangrijkste doel van de Italiaanse imperialistische politiek was echter het “Italia Irredenta”,[49] het (nog) niet teruggewonnen (deel van) Italië. Het irredentisme was een nationalistisch streven naar het bij Italië voegen van gebieden waar een Italiaanstalige bevolkingsgroep onder vreemd bestuur leefde. Dit richtte zich voornamelijk op Trentino, Triëst, en de Dalmatische kust.[50] Allemaal gebieden die tot het grondgebied van Oostenrijk-Hongarije behoorden.
Het vormde een probleem voor het Italiaanse lidmaatschap van de Triple Alliantie, aangezien Oostenrijk-Hongarije formeel een bondgenoot was. Aangezien het irredentisme als het belangrijkste streven werd beschouwd, was het ook niet vreemd dat Italië de Dubbelmonarchie als aartsvijand zag.[51] Dit was dan ook de reden waarom Italië aan het begin van de twintigste eeuw de Dreibund terzijde schoof en toenadering tot Rusland en Frankrijk zocht. Italië probeerde van deze twee landen steun te krijgen tegen Oostenrijk-Hongarije in de hoop op die manier het “Italia Irredenta” te verwezenlijken. Dit resulteerde niet in het gewenste effect.
Ook bij de imperialistische ambities op de Balkan stuitte Italië op Oostenrijk-Hongarije. Beide staten toonden veel interesse in met name Albanië. Italië zou namelijk door het bezit van Albanië de hele Adriatische Zee beheersen, omdat het daarmee de Straat van Otranto kon afsluiten.[52] Hierdoor zou het de enige uitgang van de Oostenrijk-Hongaarse havens naar de Middellandse Zee blokkeren.[53] In 1901 gaf een Italiaans parlementslid aan hoe belangrijk Albanië en haar havens konden zijn, ‘Whoever possesses the port of Vlore will be the absolute ruler over the Adriatic’.[54] Italië trachtte door middel van propaganda en het scheppen van economische belangen in Albanië een klimaat te creëren, waarin het gebied geleidelijk geannexeerd zou kunnen worden.[55] In 1909 verklaarden Italië en Oostenrijk-Hongarije echter dat ze hun invloedssfeer in Albanië niet verder zouden uitbreiden en de status quo aldaar zouden respecteren. Indien dit niet kon worden gehandhaafd, zouden beide landen zich inzetten voor een autonoom Albanië. Zij waren hiertoe gekomen omdat ze elkaar Albanië niet gunden en beiden bevreesd waren dat de ander dit gebied zou annexeren.[56]
Nadat Italië garantie wist te krijgen van Frankrijk, Rusland en Engeland, dat zij zich afzijdig zouden houden, kon het land zich volledig richten op een oorlog met het Ottomaanse Rijk om Tripolitanië (het huidige Libië).[57] Op 29 september 1911 viel Italië Tripolitanië binnen. In deze Italiaans-Turkse oorlog bezette Italië verder ook Cyrenaïca en de eilanden van de Dodecanesos met Rhodos als belangrijkste haven. De Europese grootmachten hielden zich afzijdig uit vrees voor een maritieme oorlog in het Middellandse Zeegebied. Daarnaast waren de landen van de Triple Entente bevreesd dat ze door een veroordeling van de Italiaanse actie, Italië weer terug in het kamp van de Triple Alliantie zou drijven.[58] De Triple Alliantie was daarentegen weer bevreesd dat Italië zich bij de Entente zou voegen indien ze tot represailles zou overgaan. Italië werd dan weliswaar niet als grootmacht beschouwd, maar het land was belangrijk genoeg om te vriend te houden. Het was duidelijk geworden dat Italië de machtsbalans kon doen kantelen.
De Italiaanse imperialistische belangen botsten dus met Oostenrijk-Hongarije in het Dalmatische kustgebied en op de Balkan, waar het met de Dubbelmonarchie op alle fronten geconfronteerd werd. Dat Italië allerminst een betrouwbare bondgenoot was, mag blijken uit het voortdurend wisselen van bondgenootschap, waarbij het uiteindelijk tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de Entente zou kiezen.
1.2.7 Het Ottomaanse Rijk en de Balkan
De grote mogendheden hadden weliswaar onderling conflicten, de belangrijkste Europese crisishaard eind negentiende / begin twintigste eeuw was de Balkan. Voornamelijk door de opkomst van het nationalisme raakte het Ottomaanse Rijk steeds meer in verval. Het kon de verschillende volkeren binnen de eigen grenzen niet meer onder controle houden en tegelijkertijd de grootmachten buiten de deur houden. Zoals al eerder vermeld, probeerde Rusland een grotere invloed op de Balkan te krijgen en bedreigde het met name, door bondgenoot Bulgarije, de Bosporus en de Dardanellen. Sommigen vreesden zelfs voor een inname van Constantinopel. Ook Oostenrijk-Hongarije poogde meer invloed op de Balkan te verwerven. Italië richtte zich op de Adriatische Zee en het zuidwesten van de Balkan. Daarnaast wist het onder meer Tripolitanië en de eilanden van de Dodecanesos op het Ottomaanse Rijk te veroveren. Ondertussen werd het Noord-Afrikaanse deel van het Ottomaanse Rijk door Frankrijk en Engeland bedreigd. Maar uiteindelijk bleek het Balkan nationalisme de nekslag aan het Turkse Rijk te geven.
Al deze problemen hadden tot politieke onenigheid in de Porte geleid.[59] Daarnaast was in het begin van de twintigste eeuw in Saloniki een illegale oppositiebeweging ontstaan van officieren, gegoede burgerij en intellectuelen.[60] Deze beweging zou onder de naam “Jong Turken” bekend worden. Zij keerde zich vooral tegen het reactionaire regime en despotisme van Sultan Abdoel Hamied II en presenteerde zich aanvankelijk als liberaal. In begin 1908 ontketenden de Jong Turken een revolutie onder het motto “vrijheid, gerechtigheid, gelijkheid en broederschap”.[61] Hierbij werd de Sultan van de troon gestoten. Zijn broer Mehmet V Rasjaad werd als constitutioneel vorst in zijn plaats gesteld. Deze moest aan de Jongturkse eisen voldoen: de in 1878 ingetrokken grondwet werd in ere hersteld en er zouden verkiezingen worden gehouden.[62] Met deze “coup d’etat” wilden de Jong Turken een concept van modernisering en reorganisatie binnen het Rijk doorvoeren. De onder het Turkse gezag staande Balkanvolkeren hadden aanvankelijk hoge verwachtingen van het liberaal karakter van de staatsgreep in het Turkse moederland. Ze hoopten op meer autonomie en nationale rechten.
Het tegenovergestelde gebeurde. De Jong Turken kwamen nu met de theorie van het “Ottomanisme”.[63] Een centralistisch begrip dat slechts “Ottomaanse onderdanen gelijk voor de wet” kende, en daardoor op gespannen voet stond met welk nationalistisch idee dan ook.[64] De noodzaak voor de Turken om zich sterk aan dit begrip vast te houden was evident. Naast de modernisering en reorganisatie van het Ottomaanse Rijk wilden ze de volledige controle over Bulgarije, Bosnië en Herzegovina terug winnen. Echter direct na de Jongturkse staatsgreep zag Oostenrijk-Hongarije de kans schoon om Bosnië in te lijven. Daarnaast verklaarde Bulgarije zich onafhankelijk.
De niet-Turkse onderdanen van het Ottomaanse Rijk bleken tevergeefs gehoopt te hebben op “vrijheid, gerechtigheid en gelijkheid”. Mede hierdoor begon het nationale zelfbewustzijn van de Balkanvolkeren zich versneld tegen de Turkse heerschappij te keren.[65] De eis voor nationale zelfbeschikking zorgde echter ook voor problemen tussen de Balkanlanden onderling. Zowel de Grieken, als de Serven en de Bulgaren claimden op etnische gronden grote delen van Macedonië, Albanië en Thracië.[66] Niet alleen de grootmachten, maar ook de Balkanlanden waren dus al bezig met het verdelen van de Ottomaanse erfenis. Russische diplomatieke bemiddeling zorgde ervoor dat de Balkanlanden hun geschillen opzij zetten en zich gezamenlijk gingen richten op de gemeenschappelijke vijand door middel van de Balkan-liga.
Begin 1912 werden in het Ottomaanse Rijk verkiezingen gehouden. Hierbij kwamen 275 van de 290 parlementszetels in handen van de beweging van Jong Turken.[67] Het frauduleus verloop van deze verkiezingen ontketende woede bij de Balkanvolkeren. In Albanië brak in mei 1912 een gewapende opstand uit. De Balkan-liga bereidde samen met Griekenland een aanval voor op de Turken.[68] Het Ottomaanse Rijk was namelijk ook militair verzwakt, doordat het de Turks-Italiaanse oorlog had verloren. In de nu volgende oorlog, die op 8 oktober 1912 begon, wist de Balkan-liga met succes de Turken te verdrijven. Deze strijd is de geschiedenis ingegaan als de Eerste Balkanoorlog.
1.2.8 De Europese grootmachten en de Balkanoorlogen
Het verloop van de Eerste Balkanoorlog werd door de grootmachten van Europa nauwlettend in de gaten gehouden. De verschuiving van de invloedssferen op de Balkan kon van grote betekenis zijn voor de Europese machtsbalans. Hierbij was het voornamelijk van belang dat zij een botsing tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije moesten voorkomen. Om dit te bewerkstelligen mocht geen van de staten voordeel behalen bij een toekomstige regeling voor het Balkanconflict. Rusland had echter al een groot voordeel door middel van haar Slavische bondgenoten, met name Bulgarije, die grote gebiedsuitbreidingen ten koste van de Turken hadden weten te veroveren. Het voorkomen van verder Turks gebiedsverlies was er dan ook de voornaamste reden voor dat de grootmachten begin november 1912 vlooteenheden naar de Aegeïsche Zee stuurden om een eventuele Bulgaarse aanval op Constantinopel te verijdelen.[69]
Ondanks dat de Nederlandse gezant P. van der Does de Willebois te Constantinopel een Nederlandse deelname aan de internationale vloot van de hand wees, besloot de minister van Buitenlandse Zaken Marees van Swinderen toch om twee Nederlandse pantserkruisers naar de Aegeïsche Zee te zenden om de eigen burgers die in het Ottomaanse Rijk verbleven, te kunnen beschermen.[70] Hierop voer de Hr.Ms. Gelderland begin november naar Constantinopel en de Hr.Ms. Kortenaer naar Smyrna (het huidige Izmir) waar zich een omvangrijke Nederlandse kolonie bevond. Ondanks het risico de neutraliteit te verliezen, deed Nederland aan deze internationale “gunboat policy” van de Europese grootmachten mee. Pas in november 1913 werden de twee pantserkruisers weer uit het gebied weggehaald.[71]
In diplomatieke onderhandelingen tussen de grootmachten en de Turken werd besloten dat er geen internationale troepenmacht meer op Ottomaans grondgebied zou landen. Rusland liet echter weten dat het zich bij een eventuele opleving van de gevechten op de Balkan niet op voorhand neutraal zou (blijven) opstellen. Zeker niet nu de door Rusland gesteunde Slavische staten een zeer gunstige territoriale winst hadden geboekt. De Oostenrijkers waren echter allerminst gelukkig met de ontstane frontsituatie waarbij de Serven door de verovering van de Albanese havenstad Durazzo een permanente doorgang naar de Middellandse Zee zouden krijgen.[72] De hierdoor ontstane spanning tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije noopte beide landen hun vloot te mobiliseren. Daarom besloten de andere grootmachten, met name Duitsland en Groot-Brittannië, druk op de Turken uit te oefenen om ze een meer meegaande politiek tegenover de aanspraken van de Balkanstaten te laten aannemen. De Turken weigerden echter een bestand te tekenen. Pas toen het Russische vlaggenschip Rostislav “per ongeluk” een salvo op de kade van het paleis van de Sultan had afgevuurd, herzagen zij hun houding.[73] Eind januari 1913 volgde er een Grieks-Turkse wapenstilstand. Dit hield echter niet in dat de spanningen verminderd werden. Weliswaar hadden de grootmachten hun landingsdivisies teruggehaald, maar ze versterkten hun vlootmachten. Ook nadat Bulgarije op 15 april 1913 een wapenstilstand met de Turken had gesloten, verminderden de spanningen niet. Aan de andere kant van het Balkanfront hadden de Montenegrijnen, door Rusland gesteund, op 23 april 1913 de Albanese stad Scutari bezet. Terwijl de Turken voor het grootste deel van de Balkan waren verdreven, waren nu de territoriale geschillen vooral tussen Servië, Bulgarije en Griekenland weer boven komen drijven. Gebruik makend van de Balkanoorlog, hadden de Grieken het zuiden en de Serven het noorden van Albanië bezet. Albanië had intussen in november 1912 de onafhankelijkheid geproclameerd, maar door onderlinge geschillen tussen rivaliserende clanhoofden, kon er geen éénduidige regering worden samengesteld.[74] De chaos in Albanië was amper te overzien. Oostenrijk-Hongarije kon niet accepteren dat Servië Noord-Albanië, en Montenegro Scutari hadden bezet en trad verbaal hard op. Het eiste een algehele terugtrekking met de dreiging van een oorlog als ultimatum.[75] Onder zware druk van Groot-Brittannië en Duitsland werden zij van hun oorlogsplannen weerhouden. Hierop bleven deze twee grootmachten vastbesloten verdere conflicten op de Balkan in de kiem te smoren en legden de strijdende partijen een vredesconferentie op.
Deze vredesconferentie moest echter afgebroken worden. Door de grote instabiliteit in de regio was er de Tweede Balkanoorlog uitgebroken. Hierin hadden de Turken zich bij de Balkanbondgenoten aangesloten in de strijd tegen Bulgarije. Met het uitbreken van deze oorlog in juni 1913 liepen de spanningen opnieuw hoog op. Na herovering van Adrianopel op de Bulgaren, was het Rusland dat Constantinopel dreigde in te nemen als de Turken zich niet zouden terug trekken. Onder zware druk van Berlijn trokken zij zich echter terug waardoor een Europese oorlog werd voorkomen. Door het ontstane machtsvacuüm moesten de Europese grootmachten nu optreden, opdat de conflicten niet tot een Europese oorlog zouden gaan leiden. Tijdens een conferentie van ambassadeurs van de grote Zes te Londen werden de grenzen van de Balkanlanden definitief vastgelegd.[76] Voor Albanië, één van de grootste conflicthaarden op de Balkan en inzet van strijd tussen Servië, Oostenrijk-Hongarije, Italië en Griekenland, werd een aparte commissie ingesteld.
1.3 Albanië
Albanië was een relatief klein gebied binnen het Ottomaanse Rijk en werd grosso modo gevormd door de huidige staat Albanië, de tegenwoordige Griekse provincie Epirus en de Servische provincie Kosovo.[77] Tot 1912 werd de naam Albanië gebruikt als aanduiding van het hele territorium waar etnische Albanezen woonden. De bevolking noemden zichzelf Shqiptaren. Stammen en clans vormden de sociale basis van de maatschappij. Men sprak er gemeenschappelijk een Indo-Europese taal, het Albanees. De rivier de Shkumbi vormde traditioneel een grens tussen het noorden en zuiden. Hierdoor werd de taal verdeeld in twee hoofddialecten: het Gegënisht en het Toskërht. Ze werden respectievelijk gesproken door de Gegen, bergbewoners die in clanverband in het noorden leefden, en de Tosken, landarbeiders in het zuiden.[78]
1.3.1 Van Ottomaans onderdaan tot eigen natie 1878-1912
In de maalstroom van het verval van het Ottomaanse Rijk zou het Albanese volk op eigen wijze tot natievorming komen. Na een turbulente periode vanaf 1875-1878 (de Balkancrisis), kreeg het uitroepen van Albanië tot nationale staat op 28 november 1912 zijn beslag. De achterliggende redenen en voorwaarden voor het tot stand komen van deze staat, verschilden volkomen van het traject tot onafhankelijkheid dat de omliggende Balkanstaten doorliepen. Anders dan Macedonië, Montenegro, Servië, Bulgarije en Griekenland, waren in de eeuwen dat Albanië deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk, de Albanezen voor een groot deel overgegaan tot de Islam.[79] Dit gold voor alle lagen van de bevolking in de traditionele, voornamelijk agrarisch ingestelde samenleving. Niet alleen de adel of grootgrondbezitters hadden zich bekeerd om privileges te verkrijgen of te behouden, maar ook veel van de boeren.[80] In het begin van de twintigste eeuw leefden er nauwelijks één miljoen Albanezen binnen het Turkse Rijk. Hiervan was ongeveer 70% moslim en ongeveer 30% christen. Terwijl de ene helft van de moslims tot de soennieten behoorde, mocht de shiïtische Bektasi sekte de andere helft tot haar sympathisanten rekenen. Dit omdat deze als enige religieuze groepering een positieve houding aannam jegens de nationale beweging.[81] Van de christenen was éénderde Rooms-Katholiek (voornamelijk in het noorden) en tweederde Orthodox (vooral in het zuiden bij het aangrenzende Griekse Epirus).
Doordat het grootste deel van de bevolking moslim was genoten de Albanezen, in vergelijking tot de andere Balkanvolkeren, een speciale status binnen het Rijk. Dit was inherent aan het godsdienstig karakter van het Ottomaanse Rijk waar, zeker onder moslims, de religie en niet de etniciteit het belangrijkste criterium vormde.[82] Dit resulteerde onder meer in tal van beroepsmogelijkheden: het leger, het openbaar bestuur en posities met aanzien. Deze waren immers enkel aan moslims voorbehouden.[83] Dit impliceerde dat de bevolking zich relatief prettig voelde onder het Turkse gezag. Zolang er geen grote problemen ontstonden, was men trouw aan de Sultan. Dit hield echter wel in dat de Albanezen, om het eufemistisch uit te drukken, niet geliefd waren bij de omliggende christelijke volken. Zeker omdat ze daar als de zogenaamde Arnauten (Turks voor Albanezen) een deel van het onderdrukkende leger uitmaakten.[84] Dit betekende niet dat er tijdens het Turkse gezag geen revoltes voorkwamen. Integendeel, die waren er onophoudelijk, maar dit was niet meer dan lokale rebellie. Principieel verzet kwam niet tot nauwelijks voor.
De gemeenschappelijke nationale bewustwording in Albanië was vooral de verdienste van Albanese emigranten.[85] Deze gaven met name vanuit Italië[86] de denkbeelden en idealen van het Italiaanse Risorgimento aan landgenoten door. Tegen het einde van de negentiende eeuw kon het min of meer op Italiaanse leest geschoeide nationalisme, het winnen van de traditionele religieuze loyaliteiten. Althans bij het kleine aantal ontwikkelde Albanezen.[87] Over het algemeen bleef men echter de voorkeur geven aan de bestaande staatkundige constellatie.
Pas in 1878 ontstond voor het eerst een georganiseerd Albanees nationalisme. Dit werd gekenmerkt door de oprichting van de “Liga van Prizren” in Kosovo, ook wel de Albanese Liga genoemd.[88] Deze Liga werd gevormd omdat men de integriteit van door Albanezen bewoonde gebieden door middel van gewapend verzet wilde verdedigen.[89] Daarnaast wilde ze een autonoom Albanees gebied vormen. Deze vorm van zelfbewustzijn keerde zich niet zozeer tegen het Ottomaanse gezag, maar vooral tegen de christelijke buurstaten. De vrees bestond opgedeeld te worden. De directe aanleiding hiervoor was de uitlevering van zo’n Albanees gebied aan Servië en Montenegro na de Turks-Russische oorlog bij het Verdrag van San Stefano.
Een jaar later bij het Verdrag van Berlijn werd door de gezamenlijke Europese machten een regeling getroffen om de Turkse problemen binnen Europa op te lossen. Hierbij werden de Albanese gebieden weer onder Ottomaans bestuur geplaatst. De Porte weigerde echter op het gebied van autonomie concessies te doen. Hierop richtte de Liga een provisorische regering op voor Albanië.[90] Onderlinge meningsverschillen en het neerslaan van het gewapend verzet zorgden ervoor dat de Liga geen lang leven was beschoren. In 1881 werd deze opgeheven. De Europese grootmachten waren door de gewapende opstanden wel tot het besef gekomen dat er een Albanees volk bestond, dat niet verdeeld wenste te worden.[91] De nationale beweging richtte zich vanaf nu voornamelijk op een “culturele wedergeboorte”, de zogenaamde Rilindja. Vooral de Albanese taal had de belangstelling. In deze periode verscheen dan ook het epos “De geschiedenis van Skanderberg” waarmee de auteur Naim Frashëri zijn naam als de Albanese nationale dichter vestigde.[92]
De opkomende behoefte aan een grotere autonomie werd verwoord door de Albanese afgevaardigde in het Turkse parlement en toekomstig leider van de Albanese nationale beweging, Ismael Qemal.[93] Hij stelde in 1902 te Parijs een manifest op dat neerkwam op een democratische revolutie tegen de Sultan.[94] Hierin werd een grotere autonomie, maar geen onafhankelijkheid, voor de onder Ottomaans gezag levende volkeren geëist. Dit in navolging van de Jong Turkse beweging, die in hetzelfde tijdsgewricht hun oorsprong vond. De bewegingen van Qemal en de Jong Turken kwamen tot een samenwerking, waarbij de Albanezen nationale rechten toegezegd kregen. De machtswisseling die de Jong Turkse revolutie van 1908 bewerkstelligde, wekte bij de Albanese bevolking dan ook grote verwachtingen.[95] In ballingschap verblijvende Albanezen keerden terug, kranten verschenen voor het eerst in de Albanese taal, met gebruikmaking van het Latijnse alfabet en men verwachtte de door de Jong Turken toegezegde nationale rechten.
Het tegenovergestelde gebeurde. Het gehanteerde Jongturkse begrip “Ottomanisme” stond op gespannen voet met ieder nationalistisch idee. De harde lijn die de Turken kozen om verdergaande desintegratie van het Rijk te voorkomen, had voor de Albanezen onder meer tot gevolg dat de Albaneestalige kranten werden verboden.[96] Tevens werden de scholen gesloten waar in het Albanees onderwezen werd. Alle nationale organisaties werden verboden. De bevolking wilde dit niet accepteren.[97] Naar aanleiding van deze maatregelen gingen de Albanezen zich bewapenen en kwam het, met name in Kosovo en Noord-Albanië, vanaf 1910 tot bloedige confrontaties met de Turken. Omdat de rebellie te sterk bleek om door middel van geweld te kunnen breken, moest de Turkse overheid haar houding herzien. In 1911 werd het onderwijs in het Albanees alsnog toegestaan. Het gewapend verzet had in de erkenning van een eigen cultuur geresulteerd.[98] Desalniettemin bleef de bergbevolking rebelleren.
In de frauduleuze verkiezingsoverwinning van de Jong Turken begin 1912 zagen de Albanezen een goede aanleiding om opnieuw in verzet te komen. In mei 1912 brak in Kosovo een grote gewapende opstand uit. Vanuit Servië en Montenegro werden wapens gesmokkeld. Deze twee landen hadden er belang bij dat Albanië het Ottomaanse Rijk verder zou destabiliseren.[99] De revolte was mede door de eerder genoemde Ismael Qemal voorbereid. De opstand sloeg over naar de rest van Albanië en na korte tijd was de feitelijke macht in Albanese handen overgegaan. Binnen het gezamenlijke verzet bestond echter grote verdeeldheid over de te verwezenlijken doelen. Daarnaast kon er geen voor alle groepen acceptabele leider worden gevonden. Zo wilde een deel restauratie van het autocratische regime van Abdoel Hamied van voor 1908. Anderen kwamen met een eigen interpretatie van de na deze sultan weer in werking getreden grondwet. De meerderheid wilde echter tot een vergaande autonomie komen. Dit wel binnen het Turkse Rijk, er van uit gaand dat dit de garantie zou geven om het door Albanezen bewoonde grondgebied als entiteit te behouden. In augustus veroverden Albanese opstandelingen de Macedonische hoofdstad Skopje. Hierdoor overbluft bleek de regering in Constantinopel op 23 augustus 1912 bereid de eisen van de grootste groep rebellen in te willigen.[100] Dit betekende de erkenning van het Albanees territorium en een culturele en economische onafhankelijkheid.
Nog voordat deze autonomie effect kon sorteren, brak op 8 oktober 1912 de Eerste Balkanoorlog uit. Hierbij werden grote delen door Albanezen bewoond gebied door de buurstaten geannexeerd.[101] Zo veroverde de Serven en Montenegrijnen Noord-Albanië en de Grieken Janina en het noordelijke deel van Epirus in Zuid-Albanië. Daarnaast werd de geografische verbinding tussen Albanië en het Ottomaanse Rijk verbroken. Omdat het Turkse Rijk nederlaag na nederlaag leed, bleef er van het Ottomaanse gezag in Europa weinig over.
De Albanezen konden weinig anders dan nu hun onafhankelijkheid proclameren en een voorlopige regering vormen.[102] Dit terwijl de meesten onder hen geen echt nationalistische idealen in die richting gekoesterd hadden. De proclamatie vond op 28 november 1912 plaats in Valona.[103] Ismael Qemal, de vroegere buitenlandse afgevaardigde van de opstandelingen die ooit voorvechter was van autonomie binnen het Turkse Rijk, trad op als president.[104] Deze voorlopige regering werd samengesteld uit christenen en moslims. Zij claimde dat het alle gebieden bestuurde waarin etnische Albanezen woonden.[105] In realiteit controleerde ze alleen Valona en een deel van het zuiden van het huidige Albanië. De andere gebieden waren al tijdens de eerste oorlogsmaanden door de omliggende staten bezet. De overgebleven gebieden werden door lokale heersers bestuurd.[106] Verschillende van deze lokale “warlords” zouden tijdens de latere Nederlandse missie nog een rol gaan spelen. Zo heerste tot 1913 in midden-Albanië Esat Pasha van de machtige Toptani-clan. Toen werd hij als minister van Binnenlandse Zaken in de voorlopige regering te Valona opgenomen. In oktober van dat jaar brak hij met dit bestuur en proclameerde een eigen regering, de Centraal Albanese Senaat. In Noord-Albanië stelden de Malisoren en Mirdieten clans zich onafhankelijk op totdat hun leider Prenk Bib Doda Pasha in december 1913 vice-president van het bestuur in Valona werd.[107] De stad Scutari werd aanvankelijk bestuurd door de bovengenoemde Esat Pasha Toptani, daarna door Montenegro.[108] Niet veel later werd de stad onder het gezag van een Internationale Militaire Commissie geplaatst.[109] Kortom, de binnenlandse situatie was eind 1912, 1913 nogal onoverzichtelijk.
1.3.2 De onafhankelijkheid, van proclamatie tot internationale erkenning
Op 3 december 1912 kwamen de Ottomanen een wapenstilstand met de Balkanlanden overeen. In een poging tot een duurzame oplossing van het conflict te komen werd in Londen door de Europese grootmachten een vredesconferentie belegd. Hieraan namen naast Engeland als voorzitter, Frankrijk, Duitsland, Rusland, Italië en Oostenrijk-Hongarije deel. Deze landen werden vertegenwoordigd door hun ambassadeur in Engeland. De betrokken oorlogvoerende landen waren niet op deze ambassadeurs-conferentie aanwezig. Zij hielden tegelijkertijd, ook in Londen, een eigen conferentie. Deze werd beëindigd door het onverzoenlijk standpunt dat de Jong Turken innamen. Op de Conferentie van Ambassadeurs werd op 20 december 1912 besloten het principe van autonomie voor de Albanese gebieden te accepteren.[110] Maar niet een volledige onafhankelijkheid. Dit betekende dat de staat onder Turkse soevereiniteit zou blijven.
Begin februari 1913 laaiden de gevechtshandelingen weer op, waarbij Albanië het in de volgende maanden opnieuw moest ontgelden. De Grieken veroverden het hun nog ontbrekende deel van Noord-Epirus, en Servië en Montenegro eisten eind maart de noord Albanese stad Scutari als vredesvoorwaarde op. De Londense Ambassadeursconferentie besloot daarop dat deze stad Albanees zou blijven, maar dat Servië gecompenseerd zou worden met Kosovo en Debar.[111] Montenegro kreeg genoegdoening met Peja. Dit betekende dat een derde van de Albanese bevolking onder Servisch of Montenegrijns gezag werd geplaatst. In april moesten de grootmachten tot een blokkade van de Montenegrijns-Albanese kust overgaan, om Montenegro te dwingen het beleg van Scutari te staken.[112] Esat Pasha Toptani gaf de stad echter over in ruil voor Montenegrijnse steun bij zijn streven om geheel Albanië te controleren. Begin mei vestigde hij zich dan ook in het door Serviërs bezette Durazzo,[113] waar hij een eigen Albanese regering vormde tegenover die van Qemal in Valona. Na een Oostenrijk-Hongaars ultimatum gaf Montenegro Scutari op, waarna een Internationaal Militaire Commissie het gezag overnam. Qemal probeerde hierop de grootmachten te bewegen de Albanese onafhankelijkheid en zijn regering te erkennen, in de hoop zo Toptani’s dreiging af te wenden. Zij gingen hier niet op in. Op 30 mei 1913 werd door het Verdrag van Londen de Eerste Balkanoorlog beëindigd. Het betekende tevens het einde van het Turkse gezag in Europa.[114] Afgezien van een “klein” stuk tussen Adrianopel en Constantinopel.
Eind juni 1913 bleek dat de Europese machten de situatie op de Balkan, na het ineenstorten van het Ottomaanse Rijk, helemaal niet onder controle hadden. Op 30 juni 1913 brak de Tweede Balkanoorlog uit waarin de voormalige bondgenoten Bulgarije en Servië elkaar te lijf gingen. De laatste kreeg steun van Griekenland, Roemenië, Montenegro en later ook van de Turken. Deze oorlog eindigde op 10 augustus 1913 met het Verdrag van Boekarest, waarbij Bulgarije gebieden aan de anderen moest afstaan. De regio deed zijn naam “het wespennest de Balkan” eer aan.
Door alle ontwikkelingen begon de Balkan een steeds grotere bedreiging voor de vrede in Europa te vormen. Albanië vormde een twistappel voor de omliggende staten en was daarnaast van strategisch belang voor drie van de zes grootmachten, Oostenrijk-Hongarije, Rusland en Italië.[115] In Londen moesten beslissingen genomen worden. Vooral Oostenrijk-Hongarije en Italië, gesteund door Duitsland, wilden dat Albanië als natie erkend zou worden.[116] Zij het om verschillende redenen. De Oostenrijkers voelden niets voor een aan zijn grenzen expanderend Servië. Daarnaast werd de geleidelijke toename van de Italiaanse invloed in Albanië gezien als de voorbereiding op een Italiaanse annexatiepoging. Dit terwijl de Italianen bevreesd waren voor een grote Griekse en Oostenrijkse invloed in de regio.[117] Tevens was voor beide landen een onbelemmerde scheepvaart op de Adriatische Zee van belang. Door de geografische ligging aan de Straat van Otranto was Albanië voor Italië een gebied waar het zelf grotere invloed wilde hebben. Deze zeestraat vormde immers de uitgang van de Adriatische naar de Ionische Zee. Italië wilde zijn macht in het hele Middellandse Zeegebied uitbreiden.[118] Het land zou zich de komende jaren dan ook sterk met de gebeurtenissen in Albanië gaan bemoeien, zowel diplomatiek als militair. In de nabije toekomst zou dit resulteren in het, op z’n zachts gezegd, niet loyaal meewerken aan de Nederlandse missie. Rusland, in principe gesteund door Frankrijk, stond achter de eisen van Servië en Montenegro. Servië wilde toegang tot de zee krijgen met een havenstad, bij voorkeur Durazzo.[119] Dit was één van de belangrijkste achterliggende gronden voor de oorlog geweest. Als het bezit van deze stad geëffectueerd werd, vreesden Oostenrijk-Hongarije en Italië dat dit een haven voor Rusland zou worden, dat immers met Servië bevriend was. Terwijl Montenegro het oog had laten vallen op de gebieden in Noord-Albanië. Griekenland, dat op de ambassadeursconferentie geen pleiters voor zich had, wilde het aan het eigen Epirus grenzende zuidelijke deel van Albanië annexeren en hield dit gebied al bezet.[120]
In Londen bleek uiteindelijk de Italiaans – Oostenrijkse diplomatie het meest succesvol te zijn.[121] De zes grootmachten besloten op 20 december 1912 Albanië als onafhankelijke en neutrale constitutionele monarchie te garanderen.[122] Zij weigerden echter de voorlopige regering in Valona te erkennen.
1.3.3 De uitwerkingen van de Londense ambassadeursconferentie
De conferentie benoemde in augustus 1913 een Internationale Controle Commissie (ICC) om een overdracht van het binnenlandse bestuur voor te bereiden.[123] De ICC kreeg namens de zes grootmachten feitelijk het gezag om de gebeurtenissen in Albanië te controleren. De commissie moest trachten daar haar autoriteit te laten gelden en er de plaats in te nemen van zowel de “regering” van Qemal in Valona als die van Toptani in Durazzo. De nu volgende periode is de Albanese historiografie ingegaan als de tijd van de “xenocratie”. Door de Commissie werd een constitutie geschreven die voorzag in een Nationale Assemblee met gekozen lokale afgevaardigden, verschillende religieuze leiders, tien door de monarch benoemde personen en enkele andere hoogwaardigheidsbekleders. Een ministerraad zou door de toekomstige monarch benoemd worden en alleen aan hem verantwoording schuldig zijn. De Ottomaanse administratieve organisatie zou, op een paar uitzonderingen na, onveranderd blijven. Daarnaast werd bepaald dat Albanië een prinsdom (vorstendom) zou worden.[124] Het zoeken naar een staatshoofd had als resultaat dat eind 1913 de Duitse prins Wilhelm zu Wied bereid gevonden werd de Albanese troon te bestijgen. Hij was aanhanger van een religie die in Albanië onbekend was: hij was protestant.
Er zouden nog een aantal zaken geregeld moeten worden. Met name moesten de definitieve grenzen van de nieuwe staat vastgesteld worden. Het bestuur moest georganiseerd worden. Daarnaast wilde men in Albanië een stabiele interne situatie creëren. Al deze zaken zouden via een moeizaam proces tot stand worden gebracht. Dit leidde echter niet tot een grotere stabiliteit in Albanië of in de regio.[125] Het vaststellen van de grenzen was het eerste probleem dat werd aangepakt. Bij het Verdrag van Boekarest kreeg Albanië de grenzen die het nu grotendeels nog heeft.[126] Deze waren niet zoals verwacht. Grote delen van het door Albanezen bewoond territorium vielen buiten de nieuwe staatsgrenzen. Naast West-Macedonië was Kosovo de voornaamste regio. Deze laatste ging definitief deel uitmaken van Servië. De Albanezen noch de omliggende volkeren hebben ooit vrede gehad met de toen vastgestelde grenzen.[127] Onder druk van de omstandigheden bleek men geen rekening te willen houden met het zeker op de Balkan belangrijke etniciteitbeginsel. En dat terwijl de Albanezen juist hiervoor in het verleden in opstand waren gekomen. Rusland bleef de territoriale eisen van Servië en Montenegro steunen, alhoewel het de onafhankelijkheid van Albanië erkende. Deze twee landen waren eind september opnieuw Albanië binnengevallen. Zowel in Noord-Albanië als in Kosovo brak daardoor een opstand uit. In West-Macedonië werden tegelijkertijd de door Albanezen bewoonde dorpen met de grond gelijk gemaakt. Om op die manier de “etnische” grens op te schuiven. Hierop eiste de “Servische stadhouder” Toptani dat de voorlopige regering van Qemal ontbonden zou worden. Dit maal trad Oostenrijk verbaal hard op tegen de Serviërs. De Dubbelmonarchie, gesteund door Duitsland, dreigde met een oorlog en eiste dat Servië zich binnen een week uit Noord-Albanië zou terug trekken. Op 25 oktober 1913 evacueerde Servië zijn troepen. Maar het kon het eerder toegewezen substantieel Albanees grondgebied rond Prizren behouden: Kosovo. Door het negeren van het etniciteitbeginsel door de Europese grootmachten was de lont in het kruitvat gelegd dat bijna een eeuw later tot ontploffing zou komen.[128] Op 30 oktober werd een soortgelijk ultimatum aan Griekenland voor Zuid-Albanië gesteld, maar dit bleef zonder effect. Bij de grensvaststelling in het zuiden lieten de deelnemers van de Conferentie van Londen zich wel meer door het etniciteitbeginsel leiden.[129] De Griekse ontevredenheid over het afwijzen van hun territoriale eisen zou zich voorlopig blijven uiten door het veroorzaken van problemen in Zuid-Albanië.
Ismael Qemal trad weliswaar als president op, maar was bij grote groepen Albanezen onbekend. Laat staan dat hij als autoriteit erkend werd. Daarnaast had hij nogal wat rivalen die allen een eigen agenda hadden, waarvan Esat Pasha Toptani de belangrijkste bleef. De meesten hiervan kwamen uit het noorden van Albanië. Daar hadden zij met hun clans een eigen machtsbasis, die ze in hun ambities ondersteunde. Tevens wilden de grootgrondbezitters hun eigen rechten en verworven privileges blijven uitoefenen, onder welk regime dan ook. Zo dienden ze na de geruchten over landhervormingen bij de ICC een klacht in tegen Qemal. Rusland en Frankrijk zagen de regering van Qemal als een marionet van Oostenrijk-Hongarije en Italië.[130] Op het moment dat deze zich meer onafhankelijk ging opstellen, verloor hij ook de steun van deze laatste twee Europese grootmachten. Kortom, zijn toch al niet al te sterke positie werd in de loop van 1913 steeds zwakker.
Het creëren van binnenlandse stabiliteit vormde het grootste probleem. In Albanië was nauwelijks sprake van een wegennet, om van communicatiemiddelen maar te zwijgen.[131] Albanië werd in dit tijdsgewricht als het meest achterlijkste land van Europa beschouwd.[132] De nieuwe staat beschikte uiteraard nog niet over een georganiseerd staand leger. Dit terwijl de grenzen bedreigd werden, er meerdere bewapende rivaliserende “bendes” de dienst probeerden uit te maken en er op verschillende plaatsen een buitenlandse krijgsmacht aanwezig was.
Om de toekomstige vorst en de regering tot gezagsuitoefening in staat te stellen, besloot de ICC tot het vormen van een gendarmerie over te gaan. Dit moest geëffectueerd worden door buitenlandse officieren, die voorlopig ook de leiding ervan op zich zouden nemen. Het contigent officieren moest door een neutraal, niet betrokken land uitgezonden worden. In eerste instantie werd de Zweedse regering om de levering van officieren gevraagd. Deze ging niet op het verzoek van de Internationale Controle Commissie in. Zweden had al in Perzië militaire instructeurs ingezet.[133] Het volgende neutrale land dat door commissie werd gevraagd was Nederland, op 1 augustus 1913. Nederland dat zich exact honderd jaar lang buiten alle Europese interne conflicten had weten te houden, zou wel op het verzoek ingaan.
Samenvatting
Hoewel de honderd jaar tussen de Napoleontische oorlogen en de Eerste Wereldoorlog doorgaans beschouwd wordt als één van de meest vreedzame periodes in de Europese geschiedenis, lijkt de Balkan bij deze opvatting niet te zijn opgenomen in het geografische begrip “Europa”. Met name in de tweede helft van deze periode groeide de Balkan uit tot een crisishaard met zowel inter- als intrastatelijke conflicten. Als gevolg van het groeiende nationale bewustzijn probeerden de verschillende volkeren door gewapend verzet het Turkse juk van zich af te werpen en tot nationale éénwording te komen. Het nationalisme, dat zeker op de Balkan mede door het etniciteitbeginsel werd vorm gegeven, zorgde tevens voor onderlinge conflicten tussen de Balkanvolkeren. De Europese grootmachten probeerden al bijna honderd jaar een grote Europese oorlog te voorkomen. Door middel van relatief gelijkwaardige allianties tussen de grootmachten, probeerden ze de onderlinge machtsbalans in evenwicht te houden. Het verval van het Ottomaanse Rijk veroorzaakte een machtsvacuüm, waardoor de stabiliteit in gevaar dreigde te komen. Gebruik makend van dit vacuüm, probeerden een aantal van de grootmachten hun belangen op de Balkan uit te breiden, waarbij onder andere Albanië de inzet was van strijd. Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk hadden slechts indirecte belangen op de Balkan en in Albanië.
Voor Groot-Brittannië was het openhouden van de zeewegen en het stabiel houden van het Ottomaanse Rijk het belangrijkste motief om zich met de Balkanproblematiek te bemoeien. De Duitse buitenlandse politiek met betrekkin