Uniti per costruire un mondo migliore: Sociaal-politieke actie van een migrantenorganisatie. ACLI-Limburg (1946-1996). (Marie Janart)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Algemene inleiding

 

Afbakening van het onderzoek

 

Uniti per costruire un mondo migliore. Verenigd om een betere wereld op te bouwen. Het is een citaat van Michele Ottati, één van de zes bestudeerde voorzitters van ACLI-Limburg in deze eindverhandeling en legt uit waarom volgens hem de migrantenvereniging ACLI-Limburg tot stand is gekomen.[1]

ACLI-Limburg kan onder het label van een zelforganisatie geplaatst worden. Dit is een organisatie die volledig door de migranten gerund wordt en die niet op initiatief van een overheid uit het gastland werd opgericht. Het belang van deze organisaties werd pas in de jaren 1980 door die overheid erkend. Het is een migrantenorganisatie die ontstond in de Italiaanse gemeenschap in het Kempense mijnbekken na de Tweede Wereldoorlog. Na het bilateraal akkoord tussen België en Italië in 1946 dat stelde dat Italië mijnkrachten naar België zou zenden in ruil voor kolen, kwam een massale migratie op gang naar ons land. ACLI-Italia, een Italiaanse christelijke arbeidersvereniging, wou de migranten verhinderen om naar het linkse kamp over te lopen en sloot een akkoord met het ACW/MOC in 1947. Zo kon ACLI in België opereren.[2]

De provinciale koepel van ACLI in de Kempen, ACLI-Limburg, wordt bestudeerd vanaf 1946 toen het akkoord van ACLI-Italia met ACW/MOC tot stand kwam tot de viering van zestig jaar Italiaanse gemeenschap in Limburg in 1996. In deze vijftig jaar werd ACLI-Limburg opgericht, begon ze haar lokale activiteiten voor de Italiaanse mijnwerkers en groeide ze uit tot een goed functionerende migrantenorganisatie.

 

 

Vraagstelling

 

Als methodische leidraad werd het concept van Lucassen gebruikt voor integratie. Hij spreekt van structural en identificational integration. De eerste valt objectief te meten via bijvoorbeeld huisvesting, loopbaan en schoolprestaties. De identificational integration is echter moeilijker te onderzoeken. Zij is namelijk subjectief en wordt bepaald door het zelfbeeld dat de migrant van zichzelf heeft ten opzichte van zijn moederland en gastland. Beide integratiebegrippen zullen op ACLI-Limburg worden toegepast. Ook was er het werk van Martiniello: Leadership et pouvoir dans les communautés d’origine immigrée. L’exemple d’une communauté ethnique en Belgique. Hierin worden de leiders van de Italiaanse migrantengemeenschap in België bestudeerd. [3]

Deze verhandeling valt dus uiteen in twee onderzoeksvragen. Enerzijds is er de vraag naar de profilering van ACLI-Limburg: hoe kwam die over als migrantenorganisatie? Dit werd zowel nagegaan in de context van de vakbonden, als hoe ze politiek positie innam. Ook de relaties met andere verenigingen werden onderzocht, zowel Belgische organisaties als Italiaanse en niet-Italiaanse migrantenorganisaties. Verder werd ook gekeken of de interne conflicten enige invloed hadden op de profilering van ACLI-Limburg en haar acties. Tenslotte was er de profilering van ACLI-Limburg ten opzichte van ACLI-Italia, haar moederzetel. Zo kon onderzocht worden welke integratieve kracht de vereniging mag toegeschreven worden. Hier werd gebruik gemaakt van de twee concepten van Lucassen.

Een tweede luik is de identiteit van de voorzitters aan de hand van zes interviews. Er werd nagegaan welk profiel de voorzitters hadden, hoe zij integratie beschouwen en hoe ze terugbliken op hun periode binnen ACLI. Ook werd onderzocht welke politieke strekking en vakbond ze aanhingen en hoe belangrijk ze zichzelf als persoon en ACLI als beweging beschouwden binnen België en de migrantenproblematiek. Hier werd besloten met een typering van de voorzitters aan de hand van de stellingen door Martiniello aangehaald.

Samengevat kan dus gesteld worden dat deze thesis de socio-politieke actie en de integratie van de migrantenorganisatie ACLI-Limburg onderzoekt tussen 1946 en 1996.

 

 

Status Quaestionis

 

Er werd al veel onderzoek verricht naar de mijnbouw in Limburg en migratie door Italianen. Over de Limburgse mijnbouw werd voldoende informatie gevonden in de bibliotheken van de KU Leuven, waarbij vooral Tine De Rijck, Luc Minten en Griet Van Meulder als autoriteit naar voor traden. Voor het fenomeen van de migratie in België bleek Martens een autoriteit, terwijl voor de migratie van de Italianen vooral de literatuur van Anne Morelli en Marco Martiniello werd geraadpleegd. Achtergrondinformatie over de ACLI was moeilijker om te verzamelen. Twee studies die door de ACLI zelf werden uitgegeven, hielpen hierbij: La Baracca en …Per un sacco di carbone. Daarnaast waren er ook korte verwijzingen in thesissen en studies.[4]

In de jaren 1980 werd het potentiële belang van de organisaties ook stilaan in studies opgenomen. Stuer eindigde zijn licentiaatverhandeling met de stelling dat zelforganisaties van de migranten de integratie bevorderden maar dan wel op voorwaarde van financiële middelen en structurele randvoorwaarden van de overheid. Gramenos stelde hetzelfde vast in zijn studie over de activiteiten en rol van migrantenorganisaties in Europa.[5]

 

Wat de ACLI betrof, viel op dat vijf overzichtsstudies de vereniging nooit aanstipten. Terwijl ACV en ACLI een korte tijd sterk aan elkaar gebonden waren en ACLI zelf ACV steeds in haar studies vernoemde, schonken de algemene studies over het ACV en ACV-Limburg geen aandacht aan ACLI, zoals de studie van Gerard over het ACV en Bogaers over ACV-Limburg. Evenmin vermeldden Vanhoof in de studie over ongesyndiceerde mijnwerkers of Vints met zijn werk over de christelijke arbeidersbeweging in Limburg, de ACLI. Wat ook opviel was de foutieve omschrijving van ACLI als een vakbond, zoals door Aerts en Martens in Gastarbeider, lotgenoot of landgenoot en door een journalist van de Gazet van Antwerpen.[6]

 

 

Gebruikte materiaal

 

In de licentiaatverhandeling werd zowel gebruik gemaakt van studies als van bronnen. Voor de situering van het thema werd beroep gedaan op secundaire literatuur. Deze werd gevonden in de verschillende bibliotheken van de KU Leuven en er werd ook informatie aangereikt door ACLI-Limburg wanneer de Leuvense bibliotheken te weinig informatie bevatten.

Verder werd voor de thesis gebruik gemaakt van twee soorten bronnen. Er was het archief van ACLI-Limburg en er waren de interviews die werden afgenomen van mannen die actief waren bij ACLI-Limburg.

Het archief van ACLI-Limburg werd lange tijd ongeordend en verspreid over verschillende plaatsen bijeengehouden. Pas recent werd alles samengebracht en gerangschikt op de zolder van de provinciale zetel. De bruikbare documenten voor deze thesis waren diegene uit de periode 1954-1994. Dat deel van het archief besloeg vijf lopende meter, opgeslagen in zeven dozen. Daarin zaten telkens verschillende mappen en bundels. Ze hadden een bepaalde thematische rangorde die echter niet altijd nauwgezet werd opgevolgd, waardoor een strikte inventarisering nodig was.[7]

De handgeschreven documenten waren in de minderheid; ook de vroegste archiefstukken uit 1954 waren getypt. De dominerende taal hierbij was het Italiaans. In brieven met ACLI-cirkels in Wallonië werd soms in het Frans geconverseerd en de briefwisseling met overheden en lokale verenigingen gebeurde in het Nederlands. De congresverslagen en voorbereidende documenten werden pas vanaf 1977 voorzien van een Nederlandstalige versie maar dit werd gedurende de hele bestudeerde periode geen algemene regel.

Het archief hield vooral de briefwisseling in van binnen de ACLI-cirkels. Dit waren uitnodigingen voor activiteiten en vergaderingen. Ook informatie over wetgeving of actualiteit zat daarbij. Daarnaast waren er verslagen van congressen van ACLI-Limburg, ACLI-België, ACLI-Benelux, –Belux en vanuit Italië van de hoofdzetel te Rome. Deze documenten waren heel politiektheoretisch en gaven een beeld van de houding die de vereniging aannam in de samenleving. Tenslotte was er nog de externe briefwisseling met de overheid en sporadisch met politici en media.

De politieke visie die ACLI-Limburg vooropstelde, was gemakkelijk te volgen door de congresresoluties en de briefwisseling, maar het bleef de visie van bovenaf. Het bestuur van ACLI-Limburg stemde de resoluties maar reactie van de basis was in het archief niet terug te vinden. Als er al interne conflicten waren, bleef dit binnen het provinciale bestuur en werden de Aclisten die de lokale ACLI-cirkels bezochten daar niet bij betrokken. Daardoor kon in deze verhandeling slechts indirect de concrete actie van ACLI-Limburg bestudeerd worden en werd de indruk gecreëerd dat ACLI-Limburg vooral een formele koepel was die de te volgen lijn uitstippelde, waarna de actie dan werd overgelaten aan de lokale cirkels.

Naast het archief van ACLI-Limburg nam ik ook vijf interviews af. De analyse van een zesde persoon werd gemaakt op basis van een eerder afgenomen interview door Leen Beyers en het interview in In de mijn is iedereen zwart. Van deze respondenten waren er in 1996 nog vijf actief binnen ACLI.[8]

Deze zes personen werden gekozen omwille van de rol die ze binnen ACLI-Limburg vervulden. Allen hebben de functie van provinciaal voorzitter gedragen of hebben bijgedragen als voorzitter van een lokale cirkel. Hun namen kwamen ook vaak voor in het archief van ACLI-Limburg en bovendien zijn ze representatief voor de eerste en tweede migrantengeneratie.

Tijdens de interviews probeerde ik vooral te weten te komen hoe de ideeën die in het archief naar voor kwamen, door hen gepercipieerd werden en wie de personen achter ACLI-Limburg waren. In de vragenlijst, die min of meer op elke respondent toepasbaar was, kwamen vier themata aan bod. Er waren eerst de persoonlijke vragen, vervolgens de politieke ideeën van ACLI-Limburg en tenslotte de houding van ACLI-Limburg ten opzichte van andere verenigingen en ACLI-afdelingen.

Die interviews toonden aan dat de relatie met de vakbonden belangrijker was dan het archief liet vermoeden en wezen een cesuur rond 1970 aan. Wat soms echter een moeilijkheid was, was de personen over de bestudeerde periode te laten vertellen zonder hun huidige idee daarover weer te geven.

 

 

I. ACLI-Limburg in de Italiaanse migrantengemeenschap

 

Vanaf 1946 werden massaal Italianen gerekruteerd om in te zetten in de Belgische mijnen. Velen daarvan kwamen in Limburg terecht en gingen er hun vrijetijdsleven organiseren. Deze thesis behandelt ACLI-Limburg en haar voorzitters in de periode 1946-1996. Dit is een lange naoorlogse periode waarin zowel de crisis binnen de mijnen als de migratie van de Italianen het kader van ACLI-Limburg bepaalden. Om de lezer een inzicht en een beeld te geven van de context van die periode, moet eerst dit ruime kader van de Italianen in de Limburgse mijnen en van ACLI geschetst worden.

 

 

1.1. De mijnbouw in Limburg

 

Het delven in de mijnen in Wallonië gebeurde al in de late middeleeuwen maar de idee dat er ook in Limburg ‘zwart goud’ zou te vinden zijn, bleef lang onbewezen. Toen in 1876 in de Nederlandse provincie Limburg steenkool werd gevonden, rakelde professor Guillaume Lambert de idee weer op. Uiteindelijk zou het de leerling van professor Lambert zijn, André Dumont, die een jaar later de fondsen voor proefboringen begon in te zamelen. Op één augustus 1901 weerklonken enthousiaste kreten: bij boringen nabij As was steenkool gevonden. Zo werd een uitgestrekt bekken ontdekt met vetkolen van een hoog gasgehalte, wat een uitstekende kwaliteit beloofde. De kolenkoorts kon beginnen.[9]

Waalse en Franse geldschieters begonnen al gauw proefboringen uit te voeren in Limburg. De provincie, tot dan heel agrarisch en dunbevolkt, ging een industriële boom tegemoet. Om de gevonden steenkool echter te mogen ontginnen, had men een concessieakte nodig van de Belgische overheid. Tot groot protest van de Limburgers, waren het vooral Franse en Waalse zakenmannen die nv’s oprichtten waarin de concessies werden opgenomen. De uitgereikte vergunningen betroffen Zwartberg, Zutendaal, Helchteren-Zolder, Bering, Waterschei, Eisden en Winterslag.

Deze bedrijfsleiders wilden het geïnvesteerde kapitaal zo vlug mogelijk zien renderen. In augustus 1914 viel het Duitse leger België echter binnen en in een mum van tijd was heel het land bezet. Eind 1915 werden onder die bezetting de werkzaamheden wel hervat maar het zou nog twee jaar duren vooraleer de mijnen op volle kracht draaiden.

Eens de Eerste Wereldoorlog achter de rug was, draaiden de mijnen in de Kempen op volle toeren en reeds vanaf 1922 werden arbeiders uit Oost-Europa ingezet om het tekort aan arbeidskrachten op te vangen. De mijnen ondervonden echter sterke concurrentie van de Duitse steenkool. In de naoorlogse onderhandelingen had men Duitsland immers met het oog op een snelle heropbouw toegestaan om zijn steenkool aan dumpingprijzen in de buurlanden aan te bieden. Tijdens de crisis van de jaren dertig kwam steeds meer kritiek op deze politiek en in 1933 besliste de regering om een invoerheffing van tien Belgische frank te voorzien per geïmporteerd ton steenkool. De steenkoolmarkt in ons land zou pas in 1937 even heropleven, waardoor de import zonder invoerheffing verkocht werd. Een jaar later ging de situatie in de sector opnieuw neerwaarts waarop de importrestricties heropgelegd werden.[10]

Toen het Duitse leger België voor een tweede maal binnenviel in mei 1940, keerden vele migranten die in de mijn tewerkgesteld waren, terug naar hun vaderland. Het tekort aan arbeidskrachten groeide toen er een verplichte legerdienst werd ingesteld voor de volwassen en gezonde Belgische mannen. Naast de Belgen die in de mijnen gingen werken om vrijgesteld te worden van verplichte tewerkstelling in Duitsland, waren er ook de Belgen die afgekeurd waren voor het Duitse leger en de – voornamelijk Russische – krijgsgevangenen. Geen van hen blonk uit in enthousiasme om kolen voor de Duitse oorlogseconomie te leveren, de ondervoeding woog zwaar door en bovendien was er de sabotage door het verzet.

 

Na de Tweede Wereldoorlog vreesde men een gelijksoortige crisis als in de jaren dertig en de regering zette alles op alles om dit te vermijden. Ze hechtte veel belang aan een betrouwbare energiebron voor een heropleving van de industrie. Bovendien waren de Belgische mijnen tijdens de oorlog niet vernield, in tegenstelling tot de mijnen in de buurlanden. Achiel Van Acker, Eerste Minister van België en Minister van de Kolenmijnen, begon daarop zijn kolenslag. De mijnen werden, vooral in Limburg, gemoderniseerd en ook de gezondheid kreeg voor het eerst aandacht met de oprichting van het Instituut voor Mijnhygiëne te Hasselt in 1944. Zo probeerde Van Acker het mijnwerkersberoep te ontdoen van zijn slechte reputatie. Daarvoor stelde hij ook het Mijnwerkersstatuut op, dat voordelen inhield zoals extra verlof, gratis treinkaarten en pensioen na dertig jaar ondergronds werk. De hoop om op die manier Vlamingen te vinden die bereid waren in de Limburgse mijnen te werken, was groot. Men ging zelfs werkloosheidsvergoedingen inhouden van de werklozen die weigerden in de mijnen te werken maar dat baatte al evenmin als het Mijnwerkersstatuut. In 1946 zag de regering in dat haar politiek weinig Vlamingen aantrok terwijl het tekort aan arbeidskrachten steeds nijpender werd. De ingezette Duitse krijgsgevangen moesten in 1947 immers worden vrijgelaten en meer incivieken inzetten was onmogelijk. Men ging over tot de laatste optie: het inzetten van gastarbeiders via konvooien waarbij voor het eerst de overheid het initiatief ging nemen.[11]

Zoals hieronder nog verder wordt uitgelegd, begonnen er toen gesprekken met Italië. Toen op één november 1947 de Duitse krijgsgevangenen werden vrijgelaten, was er al een bilateraal akkoord met het economisch zwakke Italië dat werkkrachten zou leveren in ruil voor kolen. Zij kwamen samen met 7100 displaced persons in de haastig gebouwde barakken in de Kempen terecht. Tien jaar na het bilaterale akkoord tussen België en Italië, in 1956, waren er al 28.035 Italianen tewerkgesteld in de Limburgse mijnstreek. De overheid begon echter ook al in andere landen te rekruteren. Zo kwamen er konvooien aan vanuit Griekenland tijdens 1955-57 en vanuit Spanje en Hongarije in 1956-57. Van 1962 tot 1963 zag men opnieuw Grieken en Spanjaarden aankomen, waarna men ook in Turkije en Marokko begon aan te werven. De eerste Turken werden er tewerkgesteld tussen 1963 en 1965 en de Marokkanen tussen 1963 en 1964. De Fédération des Associations Charbonnières (Fédéchar), leidde het hele proces tussen emigratie- en immigratieland.[12]

De mijnbouwsector kwam echter snel in een crisis terecht. Al in 1948 moest ze een eerste periode van laagconjunctuur met de bijkomende stakingen zien te overwinnen. Toen in 1952 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal werd opgericht, kortweg de EGKS, hadden de Kempense mijnen een serieuze achterstand in productie en verkregen ze de gunstmaatregel dat ze zich in tijden van depressie mochten isoleren van de Europese markt. Naast verschillende kleinere mijnongelukken, had vier jaar later de grote mijnramp plaats te Marcinelle, een mijn in Wallonië. Het aantal slachtoffers had een negatieve impact op de motivatie van de ondergrondse mijnwerkers. In 1958 kwam daarbij nog een tweede recessie in de Belgische economie, de steenkoolcrisis genaamd omdat die het zwaar te verduren kreeg door de opmars van aardolie. Zware staatssubsidies aan de privé-firma’s in Limburg hielpen de mijnmaatschappijen niet vooruit en toen de economie zich een jaar later herstelde, bleven de mijnen achter. De vette kolen bleken verouderd; aardgas en goedkope petroleumproducten namen hun plaats in. Steeds meer vroeg men om de Waalse mijnen te sluiten.[13]

The golden sixties golden al niet meer voor de Limburgse mijnen. Privé-aanhouders verlieten de bedrijven en de overheid pompte tot 2,9 miljard Belgische frank subsidies in de Limburgse mijnen terwijl de Waalse mijnen hun productie drastisch begonnen af te bouwen. De productie in Limburg daalde van 10,1 miljoen ton in 1964 naar zes miljoen ton in 1974. In 1966 nam de overheid een harde beslissing: de sluiting van de mijn Zwartberg. Er volgde een harde staking in de maanden erna die het sluiten van de mijn niet kon beletten. De regering creëerde datzelfde jaar ook de nv Kempense Steenkoolmijnen die de vijf resterende mijnen verenigde.[14]

De crisis had echter niet verhinderd dat er gedurende de jaren zestig nog steeds een grote immigratie van arbeiders werd toegestaan. Er bleef immers een groot tekort aan arbeiders voor het ondergrondse mijnwerk. Italië, Spanje en Griekenland waren intussen zelf aan de heropmars van hun interne economie begonnen, waardoor voornamelijk Noord-Afrikaanse en Turkse arbeiders bereid werden gevonden het ondergrondse werk in de mijnen te verrichten. Het tekort aan arbeiders werd er nog niet door opgevuld en naast de konvooien ontstond toen de toerisme-immigratie. Dit waren arbeiders die hier ‘op vakantie’ kwamen en pas na aankomst een vergunning aanvroegen. De toevoer werd steeds minder gecontroleerd en de overheid stelde zich zelfs soepel op tegenover deze methode van aanwerving. Tegelijk zorgden ze ook voor een betere opvang voor de nieuwe gastarbeiders. Door de Europese richtlijnen in verband met het vrij verkeer van werknemers en de demografische zorgen rond de vergrijzing van de bevolking, begon de overheid voor het eerst met een echte integratiepolitiek, zoals met de oprichting van provinciale onthaaldiensten.

In 1966 zag de overheid echter in dat ze van tactiek moest veranderen. Vanaf één april werden niet langer arbeidsvergunningen bij immigratie uitgereikt terwijl de voorwaarden van intrekking van arbeidsvergunningen werden uitgebreid. Immigratie werd eens te meer als een beheersen van de arbeidsmarkt gezien. Terwijl in 1960 nog 23.500 mensen tewerkgesteld waren in de Limburgse mijnen, was dit aantal in 1973 gedaald naar 17.500.

In volle oliecrisis had men wel weer migranten aangeworven omdat steenkool even weer aantrekkelijk leek te worden, maar steeds vaker staken twijfels over de rendabiliteit van de mijnen de kop op. Door de inflatie waren de loonkosten immers meer toegenomen dan de steenkoolprijs waardoor zelfs tijdens de oliecrisis geen winst werd geboekt. Bovendien raakten de aangeboorde lagen stilaan uitgeput en drong zich de noodzaak op tot dure diepere boringen.

De overheid gaf als antwoord op de groeiende kritiek de opdracht tot een studie. In 1979 werd een studie van de dienst Nijverheidsbevordering gepubliceerd. Hierin werden de nefaste personeelspolitiek en het tekort aan gegevens over de beschikbare reserves neergesabeld. Een sluiting zou echter meer kosten dan het openhouden van de mijnen als men geen alternatief vond voor de werkkrachten in de mijnen. Willy Claes had als Minister van Economie al een jaar eerder die bevindingen gepubliceerd en kreeg een nieuwe wet gestemd die hem toeliet jaarlijks de productie van de nv KS vast te leggen. Niets kon echter de zware subsidies naar beneden helpen, terwijl de Herstelwet in 1980 de overheid definitief de meerderheid in de nv KS bezorgde.

In 1981 werd de Nationale Maatschappij voor de Financiering van de Steenkoolmijnen opgericht en werd een tienjarenplan voorgesteld. Ondergronds wreekte zich intussen de pensioenmaatregel, pensioen na 25 jaar dienst, uit 1975. Hierdoor ging de ervaring van die kompels immers verloren en moest er meer geïnvesteerd worden in de opleiding van buitenlanders. Toen de laatste mijn in Wallonië sloot in 1984, werd ook de toekomst van de nog operatieve Limburgse mijnen steeds onzekerder.

De kritiek op het beleid van de mijnen begon door te wegen halverwege de jaren tachtig, versterkt door een studie van het Centrum voor politieke, economische en sociale studies die stelde dat er een hoger rendement nodig was, wou men voordeel halen uit het krampachtig openhouden van de mijnen. Waterschei had nood aan een verluchtingsschacht, wat een zware kost betekende. Als die niet gebouwd werd, zouden afvloeiingen in Waterschei en Eisden nabije toekomst zijn. Bovendien was de uitputting van de mijn Winterslag nabij Intussen bedroeg de werkloosheid in Limburg in 1984 25,3 procent, het hoogste percentage van het land. De regering besloot om over te gaan tot een grondige sanering, waarvoor ze Thyl Gheyselinck inschakelde. Hij stelde voor om Waterschei, Eisden en Winterslag respectievelijk te sluiten. De mijnwerkers reageerden furieus op de bekendmaking van die plannen en hielden zware stakingen in april 1986 en maart 1987. Dit haalde echter weinig uit. Er werd vervolgens een plan ter reconversie opgesteld om via herscholing, renovatie en het ondersteunen van de KMO’s het aantal ontslagen te beperken.

Eens de knoop was doorgehakt, werd het snel stil op de mijnterrils. Waterschei en Eisden sloten in 1987, Winterslag een jaar later. Hierbij werd dertig procent van de arbeiders op pensioen gesteld, tien procent trok naar een andere mijn en zestig procent aanvaardde een afscheidspremie, waarna ze ander werk zochten. Beringen sloot in 1989 en Zolder in 1992 met een plechtige ceremonie. België had het wegvallen van steenkool inmiddels al volledig opgevangen door andere energiebronnen zoals gas en kernenergie.[15]

 

 

1.2. Italiaanse migratie in België

 

Migratie is een fenomeen dat de demografische ontwikkeling van een land een stuk complexer maakt. Het houdt een verhuis in over een grotere afstand, vaak maar niet altijd met het oog op permanente vestiging, waarbij er zowel het onderscheid bestaat tussen individuele en massamigratie als tussen gedwongen en vrijwillige migratie. Na even kort stil stil te staan bij de gedwongen individuele migratie, wordt hieronder vooral de vrijwillige massamigratie in de tweede helft van de twintigste eeuw vanuit Italië naar België besproken. De redenen van de beschreven migratie zijn veelzijdig: er zijn zowel de pullfactoren van gerekruteerde migratie als de pushfactoren van een zwakke economie en tot 1932 politieke overtuigingen.[16]

 

Sinds 1830 kende ons land altijd de aanwezigheid van Italianen. Ze vochten zelfs mee in de Belgische revolutie. Sindsdien is het aantal Italiaanse migranten enkel toegenomen.[17]

Gedurende de negentiende eeuw kwamen vaak politieke vluchtelingen naar België die hun vaderland moesten verlaten wegens de woelige Italiaanse eenwording, de Risorgimento. Op het einde van die eeuw begon de collectieve migratie naar België om economische redenen. De Belgische bevolking wou niet langer lastige of vuile arbeid verrichtten en arme Italianen kwamen ervoor in de plaats. Tijdens de Italiaanse revoluties in 1893 en 1894 kwamen ook politieke vluchtelingen met een socialistisch ideaal in België terecht.[18]

De economische factor zou versterken in de twintigste eeuw, met bijvoorbeeld het begin de officiële rekrutering voor de Belgische mijnen door de maatschappij Fédéchar in 1922. De laatste politieke vluchtelingenstroom vanuit Italië naar België vond in datzelfde decennium plaats. Mussolini had alle macht in handen sinds de Mars op Rome in 1922 en maakte het leven zuur van syndicalisten en aanhangers van het linkse gedachtegoed. Mussolini wou de economie van Italië echter nieuw leven inblazen met arbeidskrachten en verdroeg de titel van sterkst emigrerende natie niet. Hij verzette zich tegen alle emigratie uit zijn land en liet die vanaf 1932 totaal verbieden. Op dat moment bevonden zich in Limburg 1310 Italianen, van wie 716 in Genk, op een totaal van 21.863 vreemdelingen.[19]

 

Toen na de Tweede Wereldoorlog veertigduizend Duitse krijgsgevangenen moesten vervangen worden, vond de Belgische overheid in Italië een grote bereidheid tot een bilateraal akkoord. Italië verkeerde immers in een grote naoorlogse crisis en zag voor het eerst emigratie als een ontwikkelingsinstrument om de werkloosheidsgraad van twintig procent te doen dalen. De gesprekken begonnen in Rome en op 20 juni 1946 werd er het eerste protocol gerekend. De emigratiegolf die hieruit zou volgen, was de grootste georganiseerde rekruteringsactie in het buitenland die België tot dan toe gekend had. Het akkoord hield in dat Italië vijftigduizend werknemers zou verzamelen voor de Belgische mijnen. In ruil zou België tweehonderd kilo kolen per dag leveren per tewerkgestelde Italiaan met een contract van minimum twaalf maanden. Het protocol hield ook in dat de Belgische overheid een logement zou voorzien bij aankomst en dat er kindergeld uitgekeerd werd aan de achtergebleven families. Italië wou met het Italo-Belgisch akkoord bewijzen dat het land het verleden definitief de rug wou toekeren en wou meewerken aan een Europese heropbouw.[20]

De Italiaanse regering begon dadelijk aan een grote wervingscampagne in alle uithoeken van het land met affiches en informatiefolders. Hierop werden alle werkloze mannen opgeroepen om zich in het Stazione Centrale te Milaan te melden voor een baan in België. Er werd echter zelden volledige informatie gegeven over het te verrichten werk in het gastland. Na een medische selectie in Milaan werden de kandidaten met een tolk tot Namen gebracht in vaak onmenselijke treinkonvooien. Daar werden ze opgedeeld per mijn en zo over de vijf Belgische mijnbekkens verspreid. Bij hun aankomst in het eindstation kregen ze een verblijfplaats toegewezen. Fédéchar lapte de belofte voor degelijke huisvesting al gauw aan hun laars. Door de enorme toevloed van arbeiders, werd het huisvestingsprobleem in Limburg groter. In plaats van de barakken gingen de mijnmaatschappijen over tot de bouw van wijken die echter de ruimte en het groen van de cités uit de jaren dertig verloren hadden. Het werden haastig ingeplante eenvormige huisjes. Verder kwamen de Italiaanse mannen ook in barakken of logementhuizen terecht. De schok van het andere klimaat en het harde ondergrondse werk betekende voor de mannen, vaak boerenzonen uit een warmer klimaat, een domper op hun vreugde en velen pleegden contractbreuk. Toch werd al gauw het aantal van 2000 Italianen per week overschreden want tussen 1946 en 1948 kwamen 65.000 Italianen naar de Belgische mijnen, 15.000 meer dan oorspronkelijk afgesproken. Zij kregen allen een hernieuwbare arbeidsvergunning B voor één jaar.[21]

Een tweede protocol werd ondertekend op één april 1952 waarin een stage en een terugbetaling van de reiskosten bij een terugkeer na vijf jaar dienst werd voorzien. De arbeiders kregen ook de vrijheid om in een andere industrietak te gaan werken eens zij een permanente arbeidsvergunning A verkregen hadden. Een gelijkheid met de Belgische arbeiders qua loon en werkomstandigheden was al bezegeld in 1948 en nu kregen ze ook gelijkheid qua sociale zekerheid. Een derde protocol in maart 1954 beoogde vooral de verbetering van de werk- en leefomstandigheden met veiligheidscontroles en betere huisvesting.[22]

Deze vlotte samenwerking kwam tot stilstand met de zware mijnramp op acht augustus 1956 in een mijn te Marcinelle. Van de 262 doden werden er 136 van de Italiaanse nationaliteit geteld, tussen 14 en 53 jaar. De mijnramp kwam bovendien ruim in beeld op de Italiaanse televisie en de druk op de Italiaanse regering groeide. De bevolking had het gevoel dat haar zonen voor enkele kolen verkocht waren en de pers bestempelde de Belgische mijnen als muizenvallen. Een bezoek van de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken Dina Del Bo moest de Italiaanse bevolking van de actiebereidheid van de regering overtuigen. De dag van de mijnramp werd uitgeroepen tot Internationale dag van het Offer van het Italiaanse werk en de regering verbood verdere collectieve emigratie naar België. Meer dan achtduizend mijnwerkers zouden de bezorgdheid van de regering delen en terug naar huis getrokken zijn.[23]

Toch hield de toevoer van arbeidskrachten uit Italië niet op. Een vierde protocol volgde in december 1957 en een laatste in mei 1966, in het kader van de EEG die het vrije verkeer en gelijke behandeling van de werknemers binnen de EEG garandeerde. Twee jaar later, in 1968, werd besloten dat EEG-onderdanen geen arbeidsvergunning meer moesten voorleggen waardoor definitief bij wet werd vastgelegd dat Italiaanse werknemers niet verschillen van Belgische werknemers wanneer zij in België tewerk gesteld werden. Er werden dus nog wel bilaterale akkoorden gesloten maar deze betroffen niet meer de collectieve migratie van Italianen naar België. Deze migratie gebeurde sinds Marcinelle altijd individueel. De migratie zou zich niet langer enkel op de mijnen richten. Vanaf de jaren zestig kwamen pas aangekomen Italianen ook in fabrieken in Gent, Antwerpen, Brussel en Genk terecht.[24]

 

In 1970 telde de Italiaanse gemeenschap in België 249.490 Italianen waarmee ze de grootste migrantengroep van het land was. In Limburg telde men op dat moment 19.093 Italianen. De inmiddels genaturaliseerde Italianen werden bij beide cijfers niet meegeteld. Hiermee waren ze op een totaal van 55.096 vreemdelingen de grootste groep. Het sekseratio in de vreemdelingenbevolking is op dat moment al heel wat evenwichtiger dan bij het begin van de konvooien, zoals de tabel in bijlage ons toont. Waar er in het begin vooral mannen naar Limburg kwamen, waren er tegen 1970 ook al veel vrouwen naar België overgekomen via de gezinsherenigingen. Deze Italianen waren tot 1953 vooral afkomstig uit de noordelijke regio’s, terwijl Limburg daarna vooral Italianen van het zuiden en van de twee eilanden ontving. Meer dan de helft kwam uit een landbouwersgezin.[25]

Vanaf 1970 is de onophoudelijke instroom van Italianen sterk verminderd. Hoeveel er in totaal zouden teruggekeerd zijn, is echter niet gekend. Rubattu sprak van meer dan 8000 die tussen 1967 en 1976 zijn teruggekeerd maar gaf nergens bronvermelding. In 1996, waar het onderzoek van deze eindverhandeling halt houdt, telde het Nationaal Instituut voor de Statistiek nog 15.429 Italianen in Limburg op een totaal van 775.302 inwoners, van wie 66.386 vreemdelingen. Het procent inwoners in Limburg met de Italiaanse identiteit bedraagt dus bijna twee procent ten opzichte van de totale bevolking, waarvan 8,56 procent van vreemde afkomst is. Er moet bij deze cijfers wel opgemerkt worden dat de naturalisering van Italianen naar de Belgische nationaliteit niet kon nagespoord worden. Zo werden in Limburg in 1996 alleen al 2693 migranten genaturaliseerd.[26]

 

 

1.3. Integratie van de Italianen

 

Het woord integratie lijkt een moeilijk te vatten begrip maar wordt duidelijker aan de hand van Lucassen. Hij stelde dat integratie een alineair proces is dat op lange termijn en dus intergenerationeel moet bekeken worden. Bovendien heeft het proces ook een invloed op het gastland. De integratie verloopt mogelijk op een verschillend tempo op economisch, sociaal-politiek en cultuur vlak. De opdeling die Lucassen maakte, is tweeledig. Er is de structural integration, die objectief te meten valt aan de hand van parameters zoals schoolresultaten, huisvesting en loopbaan. De identificational integration is echter subjectief en behelst hoe de migrant zichzelf ziet ten opzichte van het land waarheen hij of zij geëmigreerd is.[27]

Het algemene beeld dat over de Italiaanse migranten heerste, was positief: de Italiaan werd voorgesteld als volledig en quasi probleemloos geïntegreerd. Bij wetenschappelijke studies werd via enquêtes de Italiaanse migrant telkens tussen de autochtoon en de allochtoon van islamitische afkomst in geplaatst, wat onderwijsniveau, woonst en kapitaal betrof. Zo plaatsen zowel Martens als Martiniello hen tussen die twee groepen in en loofden Minten en Standaert hun makkelijke integratie. Ze hadden het echter vooral over die structural integration. Over identificational integration werd in die onderzoeken niet gesproken.[28]

Een algemene studie van Rose, geciteerd door Martens, gaf drie voorwaarden voor de integratie van een migrantengroep. Ten eerste was de openheid van de gastgemeenschap van belang zoals in de politieke acties, de programma’s en ook in de vakbonden. In dit geval zou de overheid vanaf de jaren vijftig wel een vestigingspolitiek voeren maar pas halverwege de jaren zestig met concrete acties de integratie van de gastarbeiders bevorderen. Ten tweede was er de overeenstemming in cultuur tussen beide landen, een reden waarom nu vaak wordt aangenomen dat Italianen zich makkelijker zouden integreren in België dan migranten van islamitische afkomst. In het begin van de bestudeerde periode was dat echter niet het geval. De Italianen werden gezien als vreemdelingen met een totaal andere cultuur die nauwelijks overeenkomsten vertoonde met de Limburgse manier van leven. Door professor Claes werd dat in zijn onderzoek omschreven als een “konstante die het integratieproces van de betrokken immigranten sterk bemoeilijkt”. De hedendaagse perceptie van de gemakkelijke integratie van de Italianen en de overeenkomstigheid van hun cultuur met de Belgische is er dus pas geleidelijk aan gekomen. Tenslotte telde ten derde ook de graad van gehechtheid aan het land van herkomst van de migrant.[29]

 

De graad van gehechtheid aan Italië werd karakteristiek voor de wijken waar de Italianen terecht kwamen. In de jaren vijftig ging de Belgische overheid een bewustere vestigingspolitiek voeren die de gezinshereniging bevorderde. De overheid zag die gastarbeiders immers liever permanent blijven, aangezien ze inzag dat de Belgen niet konden worden aangezet tot het ondergrondse werk. De getrouwde Italianen konden nu makkelijker en gratis hun echtgenote, al dan niet met hun kinderen, naar België doen overkomen. De vrouw liet dan wel haar dierbare familie achter zich maar stond ook niet langer onder de grote sociale controle die, vooral in de kleine zuiderse dorpjes, op die achtergebleven vrouwen drukte. De barakken ruimden ook stilaan plaats voor tuinwijken, waarheen ook de vroegere bewoners van logementhuizen trokken. Dit versnelde na het derde Italo-Belgisch protocol uit 1957 dat de klemtoon had gelegd op de verbetering van de werk- en leefomstandigheden. De mijn was verantwoordelijk voor een huis voor het Italiaanse gezin maar sprong daar altijd licht mee om. Als men al een huis voor zichzelf toebedeeld kreeg, waren het vaak heel vochtige en slecht onderhouden woningen. Voor een degelijk onderkomen, moest men over een lange – en liefst Belgische – arm beschikken. Vaak werden de gezinnen ingedeeld in wijken volgens nationaliteit. Zo ontstonden hele Italiaanse straten, met winkels met Italiaanse etenswaren en Italiaanse restaurants.[30]

De Italiaanse vrouwen bleven veelal thuis. Ze kenden de taal niet, hadden geen auto en hadden geen van beide nodig om inkopen te kunnen doen. Terwijl hun man in de mijn werkte, zorgden zij voor het huishouden en de opvoeding van de kinderen. Enkel als hun man werkonbekwaam werd of stierf, gingen ze uit werken. Sommigen runden een café of winkeltje. De vrouw aan de haard was een door de mijnen geprezen ideaal. Zij zagen de mijnwerkersvrouwen liever thuis om veel toekomstige werkkrachten op te voeden. Door hun geringe mobiliteit, hadden de buurvrouwen dan onderling ook veel contact. De wijken waren niet volledig gesegregeerd waardoor de huisvrouwen soms ook contact hadden met vrouwen van niet-Italiaanse oorsprong.[31]

 

Een enquête door Borgerhoff in 1962 in Limburg in het kader van zijn eindverhandeling, onthulde dat 76 procent van de alleenstaande Italiaanse mannen hetzelfde eetpatroon behield als in Italië. Wat wel veranderde, was het vervullen van de zondagsplicht: terwijl in Italië 58 procent van de ongehuwde en 62 procent van de gehuwde mannen regelmatig naar de mis gingen, daalde dit aantal tot respectievelijk 10 en 32 procent.[32]

Verder stelde Borgerhoff dat minstens 27 procent van de ongehuwde Italianen nooit contact had met de Limburgse bevolking. Tot 48 procent van hen verstond weinig tot niets van het Nederlands. Deze resultaten zijn echter beperkt tot de ongehuwde Italianen die Borgerhoff in zijn onderzoek aansprak en de resultaten zijn dus niet relevant voor de volledige Italiaanse bevolking in Limburg in die periode. [33]

Om de integratie verder te beoordelen, is er een andere parameter relevant om te bestuderen: de graad van syndicalisering. Het betrof immers een immigratie uit economisch motief, waardoor de Italianen dadelijk in het bedrijfsleven werden ingeschakeld. De mate van hun syndicalisering kan dan de integratie aantonen. De activiteit van de Italianen bij de vakbonden is echter nog niet uitgebreid onderzocht geworden. Meer gegevens daarover worden in het onderzoekgedeelte weergegeven.[34]

 

 

1.4. De ACLI en ACLI-België

 

ACLI is een letterwoord dat staat voor Associazione Cristiani dei Lavoratori Italiani: Christelijke vereniging voor Italiaanse arbeiders. De vereniging werd opgericht in juni 1944 in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog te Rome. Op dat moment heerste er in Italië een grote politieke crisis en de drie grote partijen besloten om, althans op syndicaal vlak, voor vrede te zorgen. Dit waren de Democrazia Cristiana, de Christen-Democratische Partij, de Partito Communista Italiana (PCI), de Italiaanse Communistische Partij en de Partito Socialista Italiana (PSI), de Italiaanse Socialistische Partij. Men ondertekende dit Pact van Rome op drie juni 1944 en zo ontstond de Cgil, Confederazione generale italiana del lavoro, de Algemene Italiaanse federatie voor het werk Achille Grandi, ondertekenaar langs christen-democratische zijde besefte dat deze vakbondseenheid onder de Cgil hen weinig ruimte liet voor hun christelijke inspiratie. Daarom besliste hij om een vereniging op te richten die de presyndicale opening kon vullen: de ACLI.[35]

Het letterwoord werd niet willekeurig gekozen. Associazioni, Vereniging, werd doelbewust in het meervoud geplaatst om de veelsoortigheid van de organisaties die de ACLI overkoepelde, te benadrukken. Zo werd het ook Cristiane en niet louter Cattoliche omdat men teruggreep naar de sociale doctrine van het christendom en dei omdat het de enige officiële christelijke vereniging van Italiaanse arbeiders was en niet di: zomaar één van de vele. Tenslotte werd de beperking Lavoratori Italiani, Italiaanse arbeiders, opgenomen om op het presyndicale e wijzen. De vereniging had als doel een syndicaal kader te vormen met aan de basis de cirkels die per parochie of per gemeente de arbeiders aan zich bond.[36]

 

Het was dus een vereniging die in haar beginperiode sterk met de Democrazia Cristiana verbonden was, wat nog versterkte toen de PCI en de PSI uit de regering gegooid werden in 1947. Vanaf dan begonnen de socialisten en vooral de communisten binnen de Cgil hun positie immers te misbruiken om de regeringsstoel van de Democrazia Cristiana wankel te maken en groeiden de stromingen binnen de eenheidsvakbond steeds meer uiteen. Een aanslag op de communistische frontman Palmiro Togliatti op 14 juli 1948 was meteen de laatste druppel die de spreekwoordelijke emmer deed overlopen. De syndicale vrede werd opgeheven, aparte vakbonden werden opgericht en op 22 juli 1948 besloot de top van de ACLI los te gaan van de christelijke stroming. Dadelijk rezen dan ook vragen over het nut van de ACLI als zij zich niet meer als vereniging voor christelijke arbeiders definieerde en na een korte crisis werd op een nationale vergadering op 31 oktober 1948 de ACLI als een Movimento dei lavoratori cristiani, beweging voor de christelijke arbeiders, omschreven met als doel alle christelijke arbeiders te organiseren en te adviseren. De trend van steeds onafhankelijker te gaan van de Democrazia Cristiana was echter ingezet, evenals, hoewel zich als arbeidersbeweging profilerend, het zich loskoppelen van de vakbond. ACLI verloor haar organiserende en vormende functie binnen de Cgil maar overleefde.[37]

Een tweede crisis betrof de discussie of men al dan niet een kaderfunctie binnen de ACLI kon combineren met een zetel in het Italiaanse Parlement. Deze crisis bereikte haar hoogtepunt en tegelijk haar oplossing op het Nationaal Congres te Milaan in 1959, waar besloten werd dat men niet langer mocht cumuleren. Dat impliceerde echter niet dat de arbeidersbeweging zich niet langer met politiek zou inlaten.[38]

In 1969, in navolging van het linkse studentenprotest, brak opnieuw een interne crisis uit. De vraag waar alles om draaide was of men al dan niet een einde moest maken aan de sterke aanhang met de Democrazia Cristiana. Uiteindelijk werd in 1972 besloten dat men de fundamentele inspiratie op het christendom eensgezind zou behouden maar dat het collateralisme, die sterke aanhang met de christendemocratische partij, niet meer uitgeoefend zou worden.[39]

In het begin van de jaren zeventig nam ACLI dan wel deel aan de antifascistische betogingen in Rome maar stelde ze zich tegelijk agressief op ten opzichte van de legalisering van abortus of echtscheiding. Van de zeventig ACLI-leiders in de noordoostelijke regio Veneto, waren 52 voorzitters lid van de Democrazia Cristiana in 1987. Het bleef dus een vereniging die, dertig jaar na haar oprichting, nog steeds als centrumbeweging te bestempelen viel met een blijvend teruggrijpen naar de kerkelijke leer.[40]

 

Toen in 1946 met het bilaterale akkoord het inschakelen van Italiaanse arbeiders in de Belgische mijnen voor het eerst officieel en grootschalig werd, raakte de top van de Democrazia Cristiana en de Italiaanse kerk steeds ongeruster over de oriëntering van de aan hun lot overgelaten Italianen. Vooral de angst voor een overstap naar extreem links, de PCI, was groot in het kader van de beginnende Koude Oorlog. Er werden priesters naar de Belgische mijncités gezonden en de Italiaanse missies werden in allerijl opgericht. Ze organiseerden feesten en bedevaarten om de Italiaanse mijnwerkers dichtbij de katholieke kerk te houden. Van in het begin hadden deze priesters meer succes in Limburg, vooral omdat de Italianen in Wallonië een kleinere taalbarrière te overbruggen hadden en bovendien in meer verstedelijkt gebied terechtkwamen. Daardoor werden zij sneller in de al lokaal opererende organisaties geabsorbeerd.[41]

In hun kielzog werden enkele Aclisten naar België gestuurd om er lokale cirkels op te richten in opdracht van de moederorganisatie in Italië. Een Italiaanse ACLI zou echter in België als buitenlandse organisatie geen rol kunnen spelen. Daarom ging men vanuit Rome contact zoeken met de lokale christelijke arbeidersbeweging in België. De gesprekken vanaf juni 1946 resulteerden in een akkoord dat op 23 januari 1947 te Rome werd ondertekend. Hierin werd afgesproken dat het ACW/MOC vijf secretariaten, Patronati, zou oprichten, één per mijnbekken, om de Italianen op te vangen. Deze secretariaten zouden onder de leiding staan van een Italiaan, waarvan één bezoldigd zou worden door ACV/CSC. De overige vier moesten door ACLI betaald worden tot ze erin slaagden 1200 Italiaanse leden per bekken te werven voor het ACW/MOC. Het ACW/MOC verbond zich ertoe syndicale vorming te geven waarbij expliciet gesteld werd dat moest vermeden worden dat de arbeiders zich door een andere, dus linkse, vakbond zouden aangetrokken voelen. Tenslotte beloofde de top van het ACW/MOC de mogelijkheden voor een Italiaans weekblad te onderzoeken terwijl de kost voor het zenden van sociale assistenten op de schouders van de Italiaanse ACLI viel.[42]

Umberto G. Stefani kwam in 1947 in opdracht van ACLI in België aan en startte in samenwerking met ACW/MOC het Italiaanstalig en sterk anticommunistisch krantje Sole d’Italia, dat zijn eerste editie in Luik zag ontstaan in hetzelfde jaar. Het krantje werd al vlug op hoge oplage in de mijncités verspreid, gratis voor Italiaanse ACV/CSC-leden en was het middel bij uitstek om de miserabele situatie van de Italianen onder de aandacht van de media te houden.[43]

De organisatie van ACLI besloeg vier niveaus. Ten eerste waren er de lokale cirkels, die verschillende diensten aanboden: het Patronato met sociale dienstverlening, de ENAIP, Ente Nazionale ACLI Istruzione Professionale, in Limburg sinds 1970 met opleidingsvoorzieningen en de ENARS, Ente Nazionale ACLI Ricreazione Sociale, voor cultuur en recreatie, waaronder bijvoorbeeld de sportieve afdeling US ACLI viel. Tenslotte waren er nog de jongeren- en vrouwenafdelingen, respectievelijk Gioventù Aclista en Coordinamente Donne.[44]

1.5. Besluit

 

Achter het onderwerp van deze thesis, gaan dus vele facetten schuil. Zo moet men de langzame neergang van de mijnen indachtig zijn, samen met de migratie van de Italianen in Limburg om in die mijnen tewerkgesteld te worden. De Italianen kenden hier de woelige jaren zestig en de mijnstakingen in de jaren zeventig en tachtig. Er waren de komst van andere migranten, de mijnsluitingen, de problemen met huisvesting en sociale voorzieningen. Met deze omstandigheden werd ACLI in die periode geconfronteerd in Limburg, terwijl de organisatie zelf in het moederland los probeerde te komen van de Democrazia Cristiana. Hier in België kende ze een enorme groei en moest ze proberen zichzelf een rol in de Belgische maatschappij toe te kennen, waarbij het strakke gehecht zijn aan het ACV niet door iedereen even makkelijk verdragen werd.

Nu we de lezer een goede inleiding gegeven hebben om de achtergrond van dit onderzoek te begrijpen, kunnen we starten met het belangrijkste deel van deze thesis, namelijk het onderzoek naar de politiek en voorzitters van ACLI-Limburg tussen 1946 en 1996.

 

 

II. De eerste generatie binnen ACLI-Limburg (1954-1970)

 

In dit deel wordt ACLI-Limburg belicht in de periode 1954-1970. De prominenten die toen ACLI leidden, waren personen uit de eerste generatie van de Italiaanse migranten. In de periode 1969-1972 volgde in ACLI-Italia een belangrijke ideologische koerswijziging die ook in Limburg de grens trok tussen twee fasen. Deze twee fasen zullen deels overeenkomstig blijken met de eerste en tweede generatie van Italiaanse migranten.

 

Zoals eerder gezegd, omvat de ACLI-vereniging verschillende niveaus. Om de termen die hierna gebruikt zullen worden, te begrijpen, wordt hier eerst de organisatie van ACLI uitgelegd.[45]

In 1947, nadat het akkoord tussen ACLI-Italia en ACW/MOC bezegeld was, ging het ACLI-patronaat van start in de verschillende mijnbekkens. Zij namen de feitelijke begeleiding van de pas aangekomen Italiaanse mijnwerkers op zich. Zo hielpen ze met de administratieve zaken, adviseerden ze inzake sociale wetgeving en stonden ze de mijnwerkers bij in geval van ziekte of langdurige werkonbekwaamheid.[46]

Een eerste cirkel in België zou echter pas in 1954 ontstaan door toelating van het ACV/CSC op initiatief van Giuseppe Pesenti in La Croyère, een deelgemeente van La Louvrière. Al vlug werden in heel het land lokale cirkels opgericht, ook in Limburg. Hierover bestaat nogal discussie. De Italiaanse auteur van La Baracca, Rubattu, en de gelegenheidsuitgave ACLI-Limburgo benoemden Houthalen als eerste Limburgse cirkel. Diego Lagana stelde echter in het interview dat hij documenten heeft teruggevonden in een oud archief die stellen dat Waterschei-Zwartberg de eerste zou geweest zijn. Beide stammen in elk geval uit 1954. Toen werden ook Zolder, Koersel en Beverlo opgericht, waarbij zowel Waterschei-Zwartberg als Zolder voor hun activiteiten een barak van de mijndirectie verkregen. Maasmechelen richtte een cirkel op in 1958 en een jaar later volgde als laatste Winterslag. ACLI-Italia erkende de Belgische cirkels tijdens het eerste Belgische congres in Brussel in 1961. Waar er in 1960 slechts 2393 lidkaarten werden uitgereikt, waren dat er vijf jaar later al 4586. In 1986 telde ACLI-Belux nog 54 cirkels, wat tot vandaag niet zou veranderd zijn.[47]

Om een betere coördinatie te bekomen in Limburg, werd een provinciale koepel opgericht, ACLI-Limburg. De eerste voorzitter zou Silvano Grossi worden, gesteund door een provinciale raad van bestuur. Zowel de lokale cirkel als de provinciale koepel hielden vergaderingen waar elke Aclist welkom was en waarop ook de verkiezingen van het bestuur werden gehouden.[48]

Boven ACLI-Limburg stond de regionale koepel ACLI-Benelux. Nederland zou eind de jaren 1970 onafhankelijk gaan zodat ACLI-Belux overbleef. Tegelijk opereerde ook ACLI-Benelux nog. Dit regionale niveau was er naar analogie met de Italiaanse koepels en ACLI-Belux en -Benelux stonden dus op hetzelfde niveau als de Italiaanse regio’s zoals ACLI-Lazio of ACLI-Umbria. Naast ACLI-Belux erkende ACLI-Limburg echter ook een andere koepel boven zich, namelijk ACLI-België. Alhoewel ACLI-Italia pas in 1996 deze koepel zou erkennen, stamden de eerste archiefdocumenten ervan al uit 1967. De beslissingen van deze drie koepels boven ACLI-Limburg zullen in het onderzoek af en toe aan bod komen naarmate zij ook representatief waren voor de actie van ACLI-Limburg. Bovendien zou ACLI-Belux in 1988 haar suprematie boven de onderliggende ACLI’s vastleggen.[49]

Boven dat alles stond ACLI-Italia als moederzetel. Althans tot 1993, waarna boven de buitenlandse ACLI-afdelingen de FAI geplaatst werd. FAI was de afkorting voor Federazione ACLI Internazionale, de Internationale ACLI Federatie. Zo werden die buitenlandse afdelingen, want ACLI was ook actief in Frankrijk, Zwitserland, Canada, Brazilië en Zuid-Afrika, feitelijk onafhankelijk van Italië..[50]

 

De eerste generatie Italiaanse migranten was op dat moment nog van plan om naar huis terug te keren na een grote som geld verdiend te hebben. Maar naarmate hun kinderen, in Italië of in België geboren, groter werden en hier hun leven uitbouwden, werd die terugkeer op de lange baan geschoven. De kinderen gingen hier naar school en moesten van hun ouders goed studeren want geen enkele mijnwerker wou dat zijn zoon in de mijn werkte. Een terugkeer zat er dus niet dadelijk in en al gauw begon men in Limburg een sociaal leven uit te bouwen op basis van hun Italiaanse cultuur.[51]

In die wijken waren ook de Italiaanse missies aanwezig. De priesters, gezonden door de Italiaanse kerk, vulden een groot deel van de vrije tijd van de mijnwerkers op. Heel populair waren bijvoorbeeld de bedevaarten. Een uitstap naar Scherpenheuvel lokte veel volk. Hier speelde niet alleen het religieuze aspect mee. Ook het toeristische aspect trok de Italianen aan.[52]

Daarnaast ontstond een druk verenigingsleven: Azione Cattolica, de Katholieke Actie, Associazione di Famiglie Italiane (AFI), de Vereniging der Italiaanse families en ACLI waren de belangrijkste. In Limburg waren dus vooral katholieke verenigingen dominant: Azione Cattolica en ACLI, ruim ondersteund door de toenmalige angst voor communisme. AFI begon enigszins neutraal maar evolueerde naar een communistische groepering. Pas later, in de jaren zeventig, ontstonden de louter culturele en streekgebonden organisaties, met centraal de plaatselijke keuken en het voetbal.[53]

Er bestonden geen beperkingen op de invulling van vrije tijd, behalve het verbod op een deelname aan politiek activisme voor alle inwoners met een andere nationaliteit dan de Belgische. Deze naoorlogse wet kwam er uit angst voor het rode gevaar. De Partito Communista Italiana, opereerde dan ook clandestien.[54]

De enquête van de student Borgerhoff stelde dat alle ondervraagde ongehuwde Italianen lid waren van ACLI, terwijl onderzoeker Claes in een enquête in datzelfde jaar in Limburg vaststelde dat slechts 18% van de ondervraagde mannen lid bleek te zijn van ACLI, drie procent van Azione Cattolica, en evenveel van AFI. Claes interviewde echter een meer representatieve groep Italianen omdat hij zich niet beperkte tot de ongehuwde Italianen. Het verschil in het aantal dat lid was van ACLI lag misschien net in het ongehuwd zijn, waardoor zij vlugger lid werden om hun vrije tijd op te vullen.[55]

 

In wat volgt, met analoog in deel III, worden verschillende facetten van ACLI-Limburg besproken. Allereerst is er de relatie met de vakbonden, namelijk de houding van ACLI-Limburg ten opzichte van ACV. Deze is van groot belang omdat de vereniging pas van start kon gaan nadat ACLI-Italia in 1947 een akkoord had gesloten met het ACW/MOC en wordt daarom het eerst besproken.

Daarna wordt bekeken welke politieke standpunten ACLI-Limburg innam en hoe de vereniging zich positioneerde ten opzichte van andere verenigingen, om dan de interne conflicten te bespreken. Na ook de relatie met de moederorganisatie ACLI-Italia te hebben weergegeven, volgt een identiteitsschets van de respondenten van respectievelijk de eerste generatie in deel II en de tweede generatie in deel III.

 

 

2.1. ACLI-Limburg en de vakbonden tot 1970

 

ACLI werd in Italië opgericht om de presyndicale leegte op te vullen. Hieronder wordt nagegaan hoe in België de relaties tussen ACLI en de vakbonden verliepen tijdens de eerste generatie. Over de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België (ACLVB), werd noch in de literatuur noch in het archief en de interviews een vermelding gevonden, waardoor werd besloten om die hier niet verder te behandelen.

 

De houding van ACV en ABVV ten opzichte van de nieuwe immigratie kende wel een evolutie in de naoorlogse periode. In eerste instantie hebben de vakbonden zich verzet tegen migratie om zo de banen voor hun eigen leden te behouden. Ze vreesden immers loonsverlagingen door die goedkope arbeidskrachten. Toen de Belgen echter eenvoudigweg weigerden om de vrije arbeidsplaatsen in te nemen, veranderden ze van koers. De toevoer van migranten startte en de vakbonden zagen vlug in dat ze hun macht zouden verliezen als ze zich bleven afsluiten voor de gastarbeiders. Daardoor startten ze met het pleidooi voor gelijke arbeidsvoorwaarden voor Belgen en migranten.[56]

Het ACV heeft zich van bij het begin expliciet positief opgesteld ten opzichte van de Italiaanse migranten. Toen ACLI vanuit Italië een manier zocht om de Italianen in de mijnbekkens bij de katholieke kerk te houden, werd duidelijk dat ze hiervoor een Belgische bondgenoot nodig had. Als buitenlandse vereniging kon ze immers geen rol spelen. De gesprekken met ACW/MOC gingen van start en op 23 januari 1947 werd het akkoord tussen ACLI en ACW/MOC ondertekend.[57]

Het akkoord hield in dat de christelijke arbeidersbeweging in elk mijnbekken, vijf in totaal, een ACLI-Patronaat zou oprichten in de zetel van de lokale christelijke vakbond. Het Patronaat was een sociaal secretariaat voor de Italianen die er met al hun problemen qua werk, huisvesting en administratie terecht konden. Het ACW/MOC zou de syndicale vorming op zich nemen. Toen vanaf 1954 de eerste ACLI-cirkels werden opgericht in Limburg, werden de jonge Aclisten dan ook sterk bij de hand gehouden door de plaatselijke ACW- en ACV-afdelingen. Zo impliceerde een lidkaart bij ACLI meteen ook lidmaatschap bij het ACV. De voordelen voor ACV lagen voor de hand: een snelle en efficiënte werving onder de nieuwkomers. Ook ACLI zag voordelen in het akkoord omdat ze zo begeleiding kreeg in de Belgische sociale wetgeving en een Belgische partner achter zich had.[58]

Met het akkoord met ACLI had ACV al een eerste actie ondernomen om migranten te werven. Er werden aparte afdelingen opgericht voor Italiaanse mijnwerkers maar ook aparte afdelingen voor bijvoorbeeld Polen en Oekraïners. Nationaal richtten ze ook nog een Dienst voor Vreemdelingen op. Ze namen op congressen openlijk het standpunt in dat ze gastarbeiders goede arbeids- en verblijfsvoorwaarden zouden bezorgen zolang de gastarbeiders geen concurrentie betekenden voor de Belgen. De strijdpunten in de aparte afdelingen waren dezelfde als voor de Belgische leden: veiligheidsmaatregelen, een herziening van de lonen en de erkenning van beroepsziekten. ACV vreesde dus niet langer voor concurrentie van gastarbeiders als die in de mijnsector werden tewerkgesteld.[59]

ABVV intussen richtte in 1947 enkel een info- en studiecentrum op die de Nationale Raadgevende Commissie voor de Immigratie werd genoemd. Bovendien wilden zij het anders zijn van de migranten niet erkennen, iets wat het ACV wel deed met haar aparte afdelingen per nationaliteit. ABVV was echter van mening dat er geen fundamenteel verschil mocht zijn tussen Belgische en buitenlandse arbeiders. Dit belette niet dat zich ook bij het ABVV Italianen aansloten, vooral toen de Eenheidsvakbond uiteen viel met de coup de Prague in 1948. Deze machtsgreep door de communisten in Tsjechoslovakije zorgde in onze gebieden immers voor een groeiende angst voor het ‘rode gevaar’ en de communistische Eenheidsvakbond hield op met bestaan.[60]

 

De aankomst van de Italianen mocht dan door de vakbonden goed voorbereid zijn, de Italianen die in België aankwamen, waren niet vertrouwd met de vorm van syndicalisme die hier toen bekend was. Door het fascisme van Mussolini kenden ze het gegeven en de voordelen van een vakbond niet. Het akkoord tussen ACW en ACLI sprak dan ook expliciet over een nood aan syndicale opvoeding. De geëmigreerde Italiaanse priesters pleitten voor het ACV ofwel hielden ze een antisyndicaal pleidooi om het overgaan naar een linkse vakbond te beletten. Ook de taalbarrière bij de vakbonden speelde mee. Bovendien herinnerden de reeds aanwezige Italianen de nieuwkomers aan de xenofobie van de vakbonden gedurende de crisis van de jaren dertig en met name aan hun toenmalige eis tot terugkeer van de migranten om meer werkgelegenheid te creëren voor de Belgen.[61]

De activiteit van Italianen binnen het ACV en het ABVV werd nog niet grondig geanalyseerd. Er heerst ook een tekort aan cijfers. De student sociologie Borgerhoff stelde in zijn thesis uit 1962 vast dat slechts achttien procent van de ongehuwde ondervraagden aangesloten was bij een vakbond, waarvan elf procent bij het ACV. Claes echter ondervroeg in datzelfde jaar een bredere groep Italianen in Limburg en gaf 41 procent aan als gesyndiceerden, waarvan 23 procent bij het ACV. Hij voegde eraan toe dat van de gesyndiceerden 59 procent verklaarde hun lidgeld te betalen om materiële voordelen. Een derde auteur, Renders, stelde tien jaar later, in zijn thesis uit 1972, dat in het begin de Italianen zich niet even vaak bij een vakbond aansloten als de Belgen. Hij voegde er echter aan toe dat er geen reden was om aan te nemen dat die syndicalisatiegraad na die inloopperiode lager zou zijn dan die van de Belgische mijnwerkers, wat in die jaren 1970 meer dan zestig procent bedroeg. ACV gaf ACLI in elk geval de schuld van de lage syndicalisatie in het begin, omdat de Patronati ook niet-gesyndiceerde Italianen hielpen.[62]

De lagere syndicalisatiegraad sloot actiebereidheid echter niet uit. Verschillende stakingen werden geleid door Italianen. Voorbeelden daarvoor zijn die stakingen voor een beter loon in 1947 en 1948 of de ondergrondse staking in 1966 in Zwartberg, toen de naderende sluiting bekend raakte. Samen met de Spanjaarden leidden ze vier jaar later ook de staking te Winterslag in het kader van de langdurige staking in heel Limburg met de eis tot een loonsverhoging van vijftien procent. De staking onder leiding van het Permanent Komitee met Gerard Slegers werd noch door ACV noch door ABVV ondersteund.[63]

 

ACLI-Limburg onderhield dus tijdens die eerste fase ruime contacten met het ACV en de overkoepelende ACW. De verbondenheid met het ACV werd vooral duidelijk in de kwestie van de cirkels. In 1954, zeven jaar na het akkoord, besloot het ACV/CSC een zekere autonomie te verlenen aan de Patronaten van ACLI, die zouden instaan voor de sociale diensten. In datzelfde akkoord gaf het ACV/CSC ook de toestemming tot de oprichting van de cirkels. Dit werd wel eens als de echte intrede van ACLI in België genoemd. Men begon dadelijk met de oprichting van de lokale circoli overal in België. Dat ACLI nu ook institutioneel kon gaan werken, kaderde in de eerste voorwaarde voor integratie volgens Rose. Volgens VUB-onderzoekster Van Meulder en de Italiaanse priester Sartori was hier zelfs al sprake van een afscheuring van ACLI van het ACV maar dat deze stelling overdreven is, zal hieronder worden bewezen.[64]

Zo was ACW nog samen met ACLI aanwezig op de Romebedevaart, niet alleen in 1949 maar ook nog in 1961, waarbij telkens vergaderingen doorgingen tussen beide organisaties. In het KADOC-archief kunnen ook andere foto’s worden teruggevonden die getuigen van een toespraak van August Cool tijdens zijn periode als voorzitter van het ACV op een ACLI-congres.[65]

Wat ook wees op hun samenwerking was de uitnodiging in 1964 aan ACLI door het ACV voor een infosessie over de werking van de vakbond. Opmerkelijk hierbij was dat deze Franstalige brief oorspronkelijk bedoeld was voor de Marokkaanse gastarbeiders en niet voor de Italiaanse mijnwerkers. De uitnodiging werd echter ook ondertekend door G. Canini, de Italiaanse vrijgestelde voor ACV en de infoavond vond plaats in het Italiaans Centrum in Winterslag. [66]

 

Guglielmo of Willem Canini was een belangrijk figuur voor de Italiaanse wereld in Limburg. Geboren in 1924 in Italië, emigreerde hij zes jaar later met zijn ouders naar Brabant. Vanaf 1955 werkte hij als vrijgestelde voor ACV-Limburg, waar hij verantwoordelijk was voor de Dienst voor Gastarbeiders. Intussen lag hij mee aan de basis van Missione Cattolica Italiana in Limburg. Daarnaast was hij een actieve supporter van de POG, de Provinciale Onthaaldienst voor Gastarbeiders, toen die in 1965 werd opgericht. Tussen 1977 en 1979 was hij nationaal verantwoordelijk voor de Dienst voor Gastarbeiders, waarna hij een functie op zich nam in ACV-Genk. Hij heeft dan ook altijd de belangen van de migranten in het algemeen en van de Italianen in het bijzonder behartigd vanuit zijn ACV-overtuiging. Daardoor en ook door de sterke vriendschap met Silvano Grossi, die heel actief was binnen ACLI-Limburg, was hij in die periode sterk met ACLI verbonden.[67]

 

Tijdens de eerste fase liep de samenwerking tussen ACLI en het ACV/ACW echter niet altijd even vlot. Een congresresolutie uit 1965 uitte een scherpe kritiek naar het ACW vanwege het bestuur van ACLI-België. Ze waren van mening dat het ACW de werknemers niet voldoende integreerde op de werkvloer en dat ze meer arbeiders moest opnemen in het ACV, de Christelijke Mutaliteit CM en de CVP. Deze kritiek kwam er toen de eerste Italianen naar België kwamen om in andere industrieën dan de mijnbouw aan te slag te gaan, waarbij het dus niet toevallig was dat ACLI-België toen ook opriep om meer aandacht te hebben voor andere industrietakken. Daarnaast wou ze ook meer aandacht voor vrouwen en jongeren door de gezinsherenigingen en de opkomende tweede generatie. Het doel van het ACW was volgens het bestuur immers net zoals ACLI “realizzare un vero progresso sociale”, een werkelijke sociale vooruitgang realiseren, en dit los van de politieke partijen of organisaties. Hier werd dus het sterke aanleunen van het ACW bij de CVP op de korrel genomen.[68]

Van deze revolutionaire wind die door de motie blies, was in 1967 al niets meer te merken. Peretto, voorzitter van ACLI-België, riep toen alle Aclisten in een brief op om voor de sociale verkiezingen meer samen te werken met het bestuur van het ACV, onder de noemer “spirito di feconda collaborazione con gli amici della C.S.C.”, een geest van vruchtbare samenwerking met de vrienden van het ACV. De hoofding van die brief van Peretto droeg zelfs als enige uit het archief de ondertitel “en collaboration avec le Mouvement Ouvrier Chrétien”.[69]

Datzelfde jaar werd op initiatief van ACLI-België ook een Italiaanse studiedag georganiseerd in Brussel in nauwe samenwerking met het ACV en het ACW. De studiedag resulteerde in een gezamenlijk uitgegeven brochure in het Italiaans over de rechten en juridische instellingen van de Italiaanse arbeider. Daarin werd gesteld dat de ACLI in het begin door gemeenschappelijke interesse was gaan samenwerken met het ACV maar dat de huidige differentiatie in hun taken een verrijking betekende. Deze stelling klonk wat dubbelzinnig. De differentiatie in hun taken was al vastgelegd in het akkoord met het ACW in 1947, waarbij ACLI de mensen sociaal zou vormen en het ACW instond voor het syndicale deel. Mogelijk werd hier bedoeld dat ACLI pas vanaf nu tot echte vorming kon overgaan omdat het tot dan zich had bezig gehouden met haar eigen oprichting. Na die studiedag begon de vorming voor het leidende kader van ACLI-België. Er werd hen toegelicht hoe ze ACLI moesten leiden en organiseren en er werd nader ingegaan op de achterliggende christelijke ideologie van ACLI. Voor de vorming van alle Aclisten was het echter nog wachten tot de jaren tachtig, dus nog niet dadelijk na de Italiaanse studiedag in 1967. De laatste documenten voor 1970, hadden het over de manifestatie die ACLI-België in Brussel organiseerde op 23 november 1968 met het ACV om de aandacht te vestigen op de situatie van de Italiaanse gastarbeiders. Daarvoor werd een voorbereidende vergadering belegd.[70]

 

ACLI-Limburg onderhield dus nauwe contacten met het ACV tijdens die eerste periode. Tot 1970 ondernamen ze gezamenlijke initiatieven, ook op het niveau van ACLI-België met bijvoorbeeld de studiedag in 1967. Er werd slechts één keer een kritiek gevonden en dan richtte die zich nog vooral op het ACW en minder op de christelijke vakbond ACV. Het was een kritiek op de verzuiling die ook na 1970 nog zou terugkomen. Verder liep de samenwerking met ACW en ACV goed. Een belangrijk brugfiguur tussen ACLI-Limburg en het ACV was Willem Canini die als Italiaan binnen het ACV voor ACLI-Limburg als steunpunt fungeerde. Deze verbondenheid zou zich na 1970 stilaan gaan wijzigen.

 

 

2.2. De politieke stellinginname tot 1970

 

ACLI-Limburg had een lange aanloopperiode nodig vooraleer ze politiek actief werd. Gelinkt aan het ACV en de Italiaanse Democrazia Cristiana, volgde de raad van bestuur hun politieke overtuiging. ACLI-Limburg hield zich niet bezig met een concrete invulling van die overtuiging maar vervoegde hun kamp. Hoewel ACLI-België in 1961 op het elfde nationaal congres pleitte voor een politiek optreden, zou het provinciale niveau binnen ACLI voor 1971 niet met grote politieke programma’s naar buiten komen.[71]

 

 

In 1965 werd op het congres van ACLI-Limburg een reeks plannen opgesteld. De aanwezigen namen zich toen voor om ACLI meer naambekendheid te geven bij de arbeiders en om buiten de cirkels een standpunt in te nemen over de problemen waarmee ze in aanraking kwamen. Verder verbonden ze zich ertoe om de ACLI-cirkels meer open te stellen voor vrouwen, jongeren en arbeiders uit andere sectoren, omdat men niet langer een vereniging wou zijn van de mannelijke en ouder wordende mijnwerkers alleen. In diezelfde resolutie riep ze ook het ACW op tot dezelfde openstelling, omdat het ACV zich in haar Italiaanse afdelingen tot dan enkel op de mijnwerkers concentreerde.[72]

De resolutie zorgde echter niet dadelijk voor een ommezwaai. Toen in 1966 de problemen van Italiaanse migranten opgesomd werden in voorbereiding van het tweede Europese congres voor ACLI-migrantenleiders, ging men nog steeds vooral in op de mijnwerkersproblematiek. Men had het over hun pensioenen, de stoflong en het tekort aan technische opleiding ondergronds. Op het congres zelf in juni 1966 oversteeg het thema wel de mijnwerkersproblemen en het regionale niveau. Twee gastsprekers, Gariazzo en Carbone van ACLI-België, deden een aanval op het internationale beleid. Ze waren het sterk oneens met het beleid van de EEG. Ze wilden een Gemeenschap die niet alleen economisch maar ook sociaal zou ingrijpen en de migranten in hun gastland beter begeleidde. Gariazzo stelde zich op die manier positief op tegenover een vrij verkeer van werknemers, op voorwaarde dat de nationale en Europese overheid de woon-en leefomstandigheden van de migranten zou opvolgen. Op dit internationale congres slaagde men er dus wel in om het lokale te overstijgen. Voor stellinginname door ACLI-Limburg over  de politiek, moest men wachten tot 1971.[73]

 

 

2.3. Contacten met andere organisaties tot 1970

 

Voor 1970 had ACLI-Limburg zelden contact met andere verenigingen. Ondergronds hadden de Italianen contact met mijnwerkers van andere nationaliteiten, maar die contacten werden door ACLI-Limburg bovengronds niet verdergezet. ACLI-Limburg richtte zich bewust enkel tot de Italianen. Zo waren er weinig ontmoetingen met andere migrantenorganisaties of met Belgische verenigingen, met uitzondering van het ACW. Illustrerend is de analyse die het bestuur van ACLI- België opstelde van de activiteiten van ACLI-België tussen oktober 1966 en mei 1969. In die samenvatting van de afgelopen drie jaar, werden dan ook enkel het ACW/MOC en ACV/CSC vermeld als organisaties waarmee ACLI op de verschillende niveaus tijdens die periode in contact was gekomen.[74]

Er was in die periode nochtans al een rijkdom aan organisaties rond de mijnen. Waar Marzo stelde dat de Italianen in Limburg op een ervaring bogen van meer dan zestig jaar migratie, moesten de andere bevolkingsgroepen daar zeker niet voor onderdoen. Niet alleen waren er voor de Tweede Wereldoorlog al toneelverenigingen, sportclubs en harmonieën bij de mijnen, nadien ontstonden ook vele etnische organisaties zoals de Spaanse Garcia Lorcia of Związek Polaków, de anticommunistische Bond van de Polen.[75]

 

Wat de Italiaanse organisaties dan betrof, gingen twee respondenten er bovendien prat op dat binnen die Italiaanse wijken ACLI-Limburg de eerste en enige vereniging was. Dit zou het afwezig zijn van contacten met andere Italiaanse organisaties gelegitimeerd hebben. Dit klopte echter niet volledig. Naast ACLI-Limburg bestonden er in die periode ook andere verenigingen. Er was AFI, de Associazione Famiglie Italiane wat staat voor de Vereniging van Italiaanse families, onder meer door de vader van Silvano Grossi mee opgericht. Er zullen wellicht goede contacten geweest zijn in de beginperiode, aangezien AFI dezelfde stichters had. Toen AFI echter de communistische weg opging, zullen die contacten waarschijnlijk verminderd zijn. Verder was er nog Azione Cattolica, de Katholieke Actie, en de Missione Cattolica Italiana, Italiaanse Katholieke Missies. Deze concentreerden zich rond de pas opgerichte Italiaanse kerken met de Italiaanse priesters. De grote verscheidenheid aan regionale organisaties, zou zich pas in de jaren zeventig ontwikkelen, met de steun vanui