| De burgerlijke aansprakelijkheid van minderjarigen en hun ouders voor de Jeugdrechtbanken: een actuele doorlichting van de aquiliaanse aansprakelijkheid. (Rajesh Mattias Hoebeke) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Deze eindverhandeling beoogt de weergaven te zijn van een alomvattende commentaar betreffende “de burgerlijke aansprakelijkheid van minderjarigen en hun ouders voor de Jeugdrechtbanken (nummer 22 uit de Onderwerpenlijst).”
In tegenstelling tot het eerste rechtspracticum (Academiejaar 2003-2004) waar tezamen met de bespreking van het opgedragen arrest ook de beschrijvende opzoekingsmethodologie een centrale plaats innam, wordt in deze eindverhandeling in hoofdzaak de klemtoon gelegd op het zelf construeren en uitwerken van een consistent, vanuit een juridische logica en praktisch inzicht gestuurd betoog.
Deze eindverhandeling biedt de opsteller zodoende een ruimere beleids -en interpretatiemarge, maar juist dat gegeven vereiste een nauwkeurige, consequent doorgedreven werkwijze.
Het onderwerp “de burgerlijke aansprakelijkheid van minderjarigen en hun ouders voor de Jeugdrechtbanken” wordt hier op een multi-disciplinaire manier benaderd: taalfilosofisch, historisch, politologisch (rechts-)sociologisch en juridisch.
Deze benaderingswijze vanuit verschillende invalshoeken doet een ander (doch niet noodzakelijk contradictoir) licht schijnen op de te behandelen materie.
De algemene samenstelling van deze eindverhandeling is dezelfde als voor het eerste rechtspracticum
(Academiejaar 2003-2004).
De eindverhandeling beslaat de maximaal opgedragen 20 pagina’s. Ze bevat voorts 143 noten, de geïnteresseerde (niet-) juridisch geschoolde lezer kan zich zo in bepaalde materies verder verdiepen. Deze verscheidenheid aan noten is ook elementair bij de toetsing van de wetenschappelijke waarde van onderhavige eindverhandeling.
Er worden achteraan 41 bijlagen ingevoegd. Sommige van die 41 bijlagen bevatten sub-bijlagen.
In de beschrijvende tekst werden de bijlagen vetjes gedrukt, dit vereenvoudigt het opzoekingswerk.
Voor de bijlagen XX, XXIV en XXVI doe ik beroep op het opzoekingsmateriaal dat ik heb gevonden in de Kinderrechtswinkel te Gent, op 18-02-2004. Vandaar dat er voor de verwijzing naar die 3 bijlagen “Kinderrechtsw. Gent” staat vermeld.
Voor de bijlagen VIII, IX, X, XI, XII, XXII en XXX heb ik geput uit de lectuurbundel betreffende allerhande juridische onderwerpen, die ik sinds aanvang van de studies (Academiejaar 2001-2002) zelf heb aangelegd. Vandaar dat er voor de verwijzing naar die 7 bijlagen “persoonlijk archief” staat vermeld. Het is altijd mogelijk om desbetreffende bundel op te vragen.
Tenslotte is het nuttig de lezer erop te attenderen dat de meest relevante jurisprudentie in de doorlopende tekst werd opgenomen. Om ze gemakkelijk te kunnen raadplegen werd de jurisprudentie onderscheiden middels een ander lettertype (“Times New Roman”) en werd ze voorafgegaan door een in het vetjes gedrukte pijl.
Rest mij nog mijn oprechte dank uit te spreken voor Mr. J. Bruyninckx vanwege de systematische en grondige begeleiding van de eindverhandeling, Docente K. Spelmans voor het inzichtelijke leer-onderricht in juridische Staatkundige materies, mijn ouders en voor allen die in mij zijn blijven geloven: acceptissima semper munera sunt, auctor quae pretiosa facit et juncta juvant! 0
HOOFDSTUK I: OMSCHRIJVING VAN HET ONDERWERP
1. Studie en commentaar bij een rechtskundig onderwerp 1
Onder hoofding 2, deel A, (Te verrichten werkzaamheden) van opdracht 2 wordt gevraagd het onderwerp op maximaal één halve pagina te definiëren. Dit vormt tegelijkertijd het begin van deze eindverhandeling. Deze definitie werd op 30 januari 2003 aan Docent Bruyninckx voorgelegd:
“-De eindverhandeling zal handelen over de burgerlijke aansprakelijkheid van minderjarigen en hun ouders t.o.v. de Jeugdrechtbanken.
Wanneer een minderjarige (en dit wil zeggen elke persoon die de volle leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt) een als misdrijf omschreven feit (MOF) heeft begaan, worden zowel hij als zijn ouders door de Procureur des Konings voor de Jeugdrechtbank gedagvaard.
De ouders worden dan in de hoedanigheid van burgerlijke aansprakelijke partij (BAP) gedagvaard.-Indien het MOF werd bewezen (alle bestanddelen van het misdrijf werden aangetoond en er werd aan een derde schade veroorzaakt) geldt artikel 1384, lid 2, B.W.
De ouders (BAP) dienen dus in te staan tot de vergoeding der gemaakte schade. Indien de minderjarige voldoende inzicht had in zijn handelswijze kan ook hij aansprakelijk worden gesteld op basis van artikel 1382 B.W., doch de ouders zullen nog steeds de schade moeten vergoeden. Ze kunnen dit echter vanaf de wettelijke meerderjarigheid (de volle leeftijd van 18 jaar) van hun kind terugvorderen.
-In deze eindverhandeling zal verder worden stilgestaan bij de volgende elementen:
a) de betekenis van artikel 1384, lid 2 en 1382 B.W. in de rechtspleging
b) het weerlegbaar vermoeden van de ouders, artikel 1384, lid 5 B.W. en de BAP
c) de functie van de verzekeringsmaatschappijen (i.e. de familiale verzekeringspolis)
d) de rechten van de minderjarige voor de Jeugdrechtbank
e) het ‘uit handen geven’ door de jeugdrechter
-De eindverhandeling zal een blik werpen op de actualiteit: de aandachtspunten van de Minister(s) van Justitie versus de oppositie i.v.m. de responsabilisering van ouders en hun minderjarige kind (klemtoonverschillen!).”
De aangehaalde
materies worden in deze eindverhandeling op een specifieke wijze geïntegreerd.
De definitie dient dan ook te worden beschouwd als een leidraad.
HOOFDSTUK II: OPZOEKINGSMETHODOLOGIE
1. Een viersporenbeleid
Omdat het gegeven onderwerp “de burgerlijke aansprakelijkheid van minderjarigen en hun ouders voor de Jeugdrechtbanken” terminologisch een te breed scala aan informatie kon opleveren, heb ik mijn opzoekingswerk ingedeeld in drie fasen. Vooreerst werden er bij de geautomatiseerde juridische documentatiesystemen zoveel mogelijk relevant geachte zoektermen ingevoerd. Na deze eerste kennismaking met heel wat jurisprudentie en doctrine, ben ik in een tweede fase gaan zoeken naar informatie op het Internet. In de derde fase van het opzoekingswerk heb ik een informatie- en werkbezoek gebracht aan de Kinderrechtswinkel van Gent. De vierde en tevens afsluitende fase van de gegevensverzameling bestond erin om handmatig opzoekingswerk te verrichten in boeken uit drie bibliotheken en een selectie te maken van nuttige artikels uit mijn persoonlijk archief.
1.1. De geautomatiseerde juridische documentatiesystemen
Tegenwoordig zijn elektronische
databanken niet meer weg te denken uit het (juridisch) leven.
Hoewel deze wijze van informatiewinning heel wat voordelen kent (o.a.
tijdswinst, beknopte gegevens, et cetera), is het wetenschappelijk niet
verantwoord om bij het schrijven van een rechtspracticum deze
opzoekingstechniek
als (quasi) enig middel (of ultimum remedium) te gebruiken.
Professor B. De Schutter (VUB) zegt hierover het volgende “Steeds zal er een zweem van onzekerheid blijven hangen of de meest recente, de meest ‘to the point’ zijnde bron wel werd gevonden.” 2
Dit onderstreept nogmaals het belang om het opzoekingswerk zo nauwkeurig mogelijk in te delen en om vervolgens deze indeling ook consequent aan te houden.
Via een site van de Faculteit Rechtsgeleerdheid (KUL) krijgt men op een toegankelijke manier een weergave van alle E-bronnen (Bijlage I).
Het weergeven van de zoekresultanten m.b.t. de geautomatiseerde juridische documentatiesystemen (infra), biedt de lezer de mogelijkheid om na te gaan op welke taalkundige wijze juridische informatie werd opgezocht. Het juridisch Nederlands vraagt immers een grote mate van aandacht voor wat betreft het schrappen van overbodige woorden en het correct gebruik van de spreek- en schrijftaal. 3
1.1.1. De zoekresultanten van het gehanteerde geautomatiseerde juridische documentatiesysteem “Judit”
Weerhouden

1.1.2. De zoekresultanten van het gehanteerde geautomatiseerde juridische documentatiesysteem“Jura-oude stijl”

1.2. Het Internet
Via de zoek- en navigatiematrix van de Katholieke Universiteit Leuven (KUL) krijgt men op een overzichtelijke wijze toegang tot Webrobots, Webgidsen, etc. (Bijlage II).
Hoewel het internet een steeds populairder wordende bron van informatie- en nieuwsgaring wordt, is het zeker voor juridisch geschoolden belangrijk om de nodige waakzaamheid aan de dag te leggen bij wat wordt gevonden. 5
Een andere interessante site die fungeerde als vertrekpunt voor het opzoekingswerk, is deze van de opleiding Criminologie (KUL), onder meer het hoofding “Jeugddelinquentie” is het bezoeken waard
(Bijlage III).
1.2.1. Enkele vermeldenswaardige sites
http://www.test-aankoop.be (Consumentenmagazine)
http://www.hrj.be/ (Hoge Raad voor de Justitie)
http://www.kinderrechteneducatie.be (CJB en De Kinderrechtwinkels)
http://www.statbeld.fgov.be/ (Nationaal Instituut voor de Statistiek)
http://www.unhchr.ch (Office of the High Commissioner for Human Rights)
http://www.advocaat.be (Orde van Vlaamse Balies)
http://www.argo.be/ond/ccv/recht/htm1.htm (Verdragen en Decreten)
http://www.verkeerswet.be (Verkeerswet dd. 1 maart 2004)
http://www.wegcode.be (Wegcode)
1.3. De Kinderrechtswinkel te Gent
Via de website van de opleiding Criminologie, KUL, (Bijlage III) vond ik onder het hoofding “Jeugddelinquentie” informatie over het doel en de werking van “De Kinderrechtswinkel.” Vlaanderen kent twee Kinderrechtswinkels, één in Brugge en één in Gent (opgericht in 1994).
Op 16 februari 2004 heb ik per e-mail contact opgenomen met De Kinderrechtswinkel van Gent
(Bijlage IV). Op 18 februari 2004 heb ik dan een informatie- en werkbezoek gebracht aan De Kinderrechtswinkel van Gent. “De belangrijkste opdracht van De Kinderrechtswinkel bestaat erin om minderjarigen te informeren over hun rechten en plichten en in het uitwerken van een doeltreffende rechtsbijstand aan jongeren. Daarnaast organiseren we ook vormingen en workshops (e.g. voor advocaten gespecialiseerd in het Jeugdrecht),” aldus Mevrouw Desmet die hier de coördinatrice is (Bijlage V).
Het materiaal dat ik heb kunnen selecteren in hun “Kinderrechtenbibliotheek” en dat zal worden gebruikt bij het opstellen van de eindverhandeling, wordt bij verwijzing in bijlagen aangeduid als “Kinderrechtsw. Gent.”
1.4. Handmatig opzoekingswerk in bibliotheken en persoonlijk archief
De vierde, en laatste, fase van het opzoekingswerk betrof het handmatig opzoeken in drie bibliotheken en in het weerhouden van nuttige artikels uit m’n persoonlijk archief (aangelegd sinds de aanvang van de studies, Academiejaar 2001-2002).
1.4.1. De Rechtsbibliotheek van de Katholieke Universiteit Leuven (KUL)
In de Rechtsbibliotheek van de KUL (College De Valk, Tiensestraat 41, 3000 Leuven), heb ik uittreksels van een zevental boeken genomen.
Een handige leidraad bij het selectiewerk is de map “Tijdschriften RBIB/Periodicals RBIB” dat er ter inzage ligt (Bijlage VI).
1.4.2. De Universiteitsbibliotheek van de Katholieke Universiteit Leuven (KUL)
In de Universiteitsbibliotheek (Mgr. Ladeuzeplein, 21, 3000 Leuven), ook wel de Centrale Bibliotheek genoemd, is er een kleine afdeling met Nederlandstalige juridische werken. Deze werken staan onder het nummer “34 (493)” gerangschikt. Eén boek was relevant genoeg om uit te copiëren.
1.4.3. De Openbare Stadsbibliotheek “Tweebronnen” (stad Leuven)
In de Openbare Stadsbibliotheek (Tweebronnen, Rijschoolstraat, 4, 3000 Leuven) heb ik een drietal relevant geachte doctrines gevonden.
Enkele aanwezige computers bieden de mogelijkheid om via een intern site-adres (http://172.21.162.5/cobl_cgi/Pipacl) referenties van werken op te vragen. Ik heb een vijftal boeken ontleend om nadere studie te kunnen verrichten.
1.4.4. Onderwerpenselectie uit het persoonlijk archief
Acht artikelen uit mijn persoonlijk archief zijn hetzij rechtstreeks hetzij onrechtstreeks gelieerd aan het te behandelen onderwerp. Ze zullen dan ook in deze eindverhandeling worden verwerkt.
Voor de verwijzing in bijlagen zal dit aangeduid worden als “persoonlijk archief.”
2. Studiedag permanente vorming
Op vrijdag 5 maart 2004 heb ik deelgenomen aan een studiedag van de Faculteit Godgeleerdheid (Bijlage VII), onder de noemer “Jongeren zoeken naar zingeving en geloof.”
In het kader van mijn werkstuk, i.e. “de burgerlijke aansprakelijkheid van minderjarigen en hun ouders voor de Jeugdrechtbanken,” heb ik twee werkwinkels gevolgd (Bijlage VII/A):
a) Jongeren en maatschappelijke inzet, gedoceerd door K. Helsen en S. Peeters
b) Jongeren en media, gedoceerd door J. Permentier
Deze twee werkwinkels gingen dieper in op de socio-economische situatie van jongeren en de manier waarop jongeren in de media worden opgevoerd. Indirect werden er linken gelegd naar het hoe, waar-voor en waar jongeren worden aansprakelijk gesteld voor actuele maatschappelijke kwesties (onder meer binnen het veiligheidsthema, de instuiking van klassieke waardenpatronen, etc.).
Deze studiedag is geen rechtstreekse bron geweest voor deze eindverhandeling maar de gemaakte aantekeningen, conclusies en dies meer worden hierin wel verwerkt.
3. Debat over het gevangeniswezen: situatie, ontwikkelingen en uitdagingen
Op woensdag 17 maart heb ik een debat bijgewoond in het MTC over het gevangeniswezen in België.
Dhr. J. Vanacker (FOD Justitie), Prof. L. Dupont (Prof. Penitentiair recht, KUL), Dhr. J.P. Ramaekers
(vakbondsafgevaardigde en penitentiair beambte), dhr. J. Vercruysse (gevangenisdirecteur Merksplas)
en een assistent Criminologie (KUL) namen aan dit debat deel.
Toepasselijk voor deze eindverhandeling maakte Professor L. Dupont (Rechten/Criminologie, KUL) in het debat de volgende synthese: “Een gevangenisstraf zou het ultieme alternatief moeten zijn, de alternatieve maatregelen van nu (zoals de jeugdbeschermingsmaatregelen, nvdr.) moeten altijd de regel worden.” Dit is een reductionistische visie. Verder in dit werkstuk zal de betekenis worden aangetoond van het subsidiariteitsbeginsel en het begrip pro-actieve sociale politiek (zie Hoofdstuk III: 2.1.1. De Wet op de Kinderbescherming van 15 mei 1912 en 2.1.2. De Wet op de Jeugdbescherming van 8 april 1965).
Net zoals de “Studiedag permanente vorming” is ook dit debat geen rechtstreekse bron geweest, maar het debat was interessant om bepaalde problematieken breder te kunnen kaderen.
HOOFDSTUK III: HET “KINDBEELD” ALS (ON)VERANDERLIJK PARADIGMA
1. Taalgebruik en maatschappelijk discours
Een samenleving is constant in beweging. Haar waarden- en normenpatroon wordt ter discussie gesteld, er worden voortdurend nieuwe rechten en plichten toegekend, ontnomen of bestendigd.
Het taalgebruik binnen een maatschappij vertelt dan ook veel over de heersende opvattingen en geplogendheden. Bijgevolg is het belangrijk om de betekenis en betekenisverschuivingen van woorden in het maatschappelijke discours te leren onderkennen.6 We spreken hierbij evenwel louter over de interpretatie van de soorten betekenissen en -verschuivingen van woorden betreffende de menselijke kennis van de menselijke wereld (onder verschillende bewoordingen ook de zintuiglijke, zichtbare, natuurlijke of maatschappelijke wereld genoemd) en niet over deze van een (gewijzigde) interpretatie van zulke woorden binnen een eventuele metafysische wereld. 7
Een paradigma is een geheel van vooropstellingen en denkmiddelen die zelf niet worden uitgevonden maar waardoor ons denken wel wordt bepaald en beheerst. Paradigma’s staan evenzeer in concurrentie met elkaar. 8
Hierna zal de betekenis worden aangetoond van het “kindbeeld” als (on)veranderlijk paradigma.
1.1. Een transformerend kindbeeld: jongeren als aparte sociale categorie
Het kindbeeld, in bepaalde literatuur ook wel het “kindbegrip” genoemd, van een maatschappij is bepalend voor de rechtspositie die ten aanzien van minderjarigen wordt uitgewerkt.
Het samenlevingsmodel dat vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw tot ontwikkeling kwam
en dat wordt aangeduid met de term “verzorgingsstaat” had als één van de kenmerken dat twee groepen zich begonnen te emanciperen: vrouwen en jongeren. In het kader van dit werkstuk is de laatstgenoemde referentiegroep belangrijk.
De maatschappelijke discussies rondom de positie van de jongere in de samenleving werd
op het eind van de jaren zestig in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië op gang gebracht
met de “Children’s Rights Movement:” de individualiteit van kinderen werd benadrukt. Dit was een voor onze Westerse maatschappij nieuwsoortig paradigma. De confrontatie met de hier geldende paradigma’s leidde tot wat later een botsing zou worden tussen een “conservatieve” kijk op kinderen (kinderen als passieve wezens, onder de vleugels van de ouders en de maatschappij) en een “progressieve” benadering van kinderen (kinderen als individuele wezens met eigen rechten, deels gepositioneerd t.o.v. die ouders en de maatschappij). In de jaren zestig begon de Belgische Natie op haar grondvesten te daveren, Natie en Volk vielen allesbehalve nog tezamen.9 Volledigheidshalve dient hierbij wel te worden opgemerkt dat de drie traditionele spanningsvelden van de Belgische, politieke, samenleving (de socio-economische, de ethische en de communautaire) altijd al hadden geleefd. Met uitzondering van het intermezzo van de Tweede Wereldoorlog dat even voor relatieve rust had gezorgd, waren de paradigma’s van Katholieken, Socialisten en Liberalen immer met elkaar in botsing; zo ook over de opvatting van het kind, de ouders en het gezin.10 De jaren zestig verscherpten de tegenstellingen alleen maar.
Het “kindbeeld” werd de inzet van een confrontatie tussen verschillende soorten paradigma’s (o.m. de Angelsaksische, supra), waarbij langzaamaan de conservatieve kijk plaats ruimde voor een progressieve inkleuring van het kindbegrip, aangevuld met conservatieve elementen (het Verdrag inzake de rechten van het Kind zal proberen om deze tegenpolen te verzoenen, zie 2.4. Supra-nationale beïnvloeding: het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989).
De specifieke gevolgen hiervan op juridisch vlak worden later toegelicht.
Rechtssociologisch onderzoek in België toont aan dat het in de periode 1970-1990 was dat de positie van de minderjarige veelal continue en diepgaand wijzigde. De emancipatie van jongeren (en vrouwen) vanaf de jaren zestig, zorgde tegelijkertijd ook voor dat in heel wat Europese landen regeringen een specifieke gezinspolitiek gingen voeren. Deze “portefeuille” was nieuw. 11
De veranderende maatschappelijke positie van de minderjarige kwam tweevoudig tot uiting:
a) de interne verhoudingen (de relatie met de ouders)
b) de externe verhoudingen (de relatie met anderen, voornamelijk dan medecontractanten)
Vanuit privaatrechtelijk oogpunt beschouwd, kan worden gesteld dat de rechtspositie van de minderjarige momenteel wordt gekenmerkt door een principiële (daarom niet altijd feitelijke!) handelingsonbekwaamheid gerelateerd aan het afhankelijk zijn van anderen (ouders, voogd,…). Professor J. Berghman (Sociologie, KUL) zegt hierover: “(…) Deze evoluties plaatsen jongeren in zekere zin in een paradoxale situatie, tussen sociaal-culturele autonomie en mondigheid enerzijds en sociaal-economische afhankelijkheid anderzijds.” 12
1.2. Naar een overresponsabilisering?
De tendens die sinds de jaren zestig eerst in de Angelsaksische wereld en vervolgens op het continent op gang werd gezet door de Kinderrechtenbeweging om de minderjarige als aparte sociale categorie te benaderen, houdt echter ook steeds meer risico’s in: jongeren worden in toenemende mate geresponsabiliseerd voor steeds diversere (strafbare) handelingen. De gedachte dat een jongere voor alles beschermd en opgevoed moet worden dreigt zo in de vergetelheid te geraken.
Een actueel praktijkvoorbeeld van deze vaststelling is de aanslepende discussie rond het Jeugdsanctierecht: de Wet op de Jeugdbescherming van 1965 vertrok vanuit de idee dat een minderjarige moest beschermd worden. Hiertegenover staat dat een significante groep minderjarigen er niet voor terugdeinst om steeds zwaardere misdrijven te plegen (Bijlage VIII, persoonlijk archief). 13
Op 1 januari 2002 werd artikel 53 van de Wet op de Jeugdbescherming afgeschaft.14 Dit was een niet mis te verstaan politiek (en maatschappelijk) signaal: jeugdrechters konden een minderjarige die een zwaar misdrijf had gepleegd niet langer voor maximum vijftien dagen in de gewone gevangenis opsluiten. De afschaffing van dit wetsartikel gebeurde onder goedkeurend oog van Vlaams minister van Welzijn Vogels (Agalev, 1999-2003) en diens Franstalige collega van Jeugdhulp Maréchal (Ecolo, 1999- ?). Ze positioneerden zich hiermee tegenover toenmalig Justitieminister Verwilghen (VLD, 1999-2003). Hoewel Justitieminister Verwilghen het liever niet zo noemde, verschilden zijn gesloten Jeugdinstellingen niet veel van het principe van Jeugdgevangenissen. Hij argumenteerde: “Een harde kern van minderjarige delinquenten begrijpt alleen de harde taal van de vrijheidsberoving (…)” (Bijlage IX, persoonlijk archief).
Ook de benadering van de huidige Justitieminister Onkelinx (PS, 2003- ) gaat in tegen de piste-Verwilghen: in plaats van de nadruk te leggen op de verantwoordelijkheid van de jongeren die een als misdrijf omschreven feit begaan (MOF), wil zij eerst de verantwoordelijkheidszin van ouders verder stimuleren (Bijlage X, persoonlijk archief). 15
Vlaams Minister van Welzijn Byttebier (Groen!, 2003- ) zet het beleid van haar voorgangster Vogels verder: niet het opsluiten van de delinquente minderjarige moet de motor van het beleid zijn maar wel het instellen van alternatieve maatregelen zoals bijvoorbeeld de “herstelbemiddeling” waar Professor L. Walgrave (Criminologie, KUL) een groot pleitbezorger van is. Dit systeem vraagt de dader om de geleden schade te herstellen en hiervan het bewijs te leven, indien het slachtoffer dat wil kan deze in de bemiddelingsprocedure worden betrokken. 16
Jaarlijks staan jeugdrechters ongeveer 130 minderjarige delinquenten af in het kader van de “uithandengeving.” De jongeren worden dan berecht door de Correctionele rechtbank of door het Hof van Assisen voor wat betreft de ernstige misdrijven (Bijlage XI, persoonlijk archief).17 Vlaams Minister van Welzijn Byttebier besluit dan ook “(…) We vinden ook dat het ‘uit handen geven’ van jongeren tussen zestien en achttien jaar en hen toevertrouwen aan de volwassen rechtbank niet zomaar kan” (Bijlage XII, persoonlijk archief). 18
Het bondig besproken praktijkvoorbeeld omtrent de strubbelingen aangaande het “Jeugdsanctierecht” laat zien hoe moeilijk het is om een consensus te vinden tussen enerzijds een maatschappij die steeds harder roept om repressieve en autoritaire maatregelen en anderzijds de effectuering van de tendens in de jaren zestig om de minderjarige als volwaardig burger een plaats te geven in het maatschappelijk bestel.
Dit soort ontwikkelingen blijft waarschijnlijk niet zonder gevolgen voor het gevormd kindbeeld en dito discours in de eenentwintigste eeuw. Niet in het minst zal het medium televisie bij de vorming en sturing van dit kindbeeld een toenemende rol spelen. Het is daarom nuttig om de woorden van de Filosoof en TV-producer dhr. Bottelberghs in herinnering te brengen: “Televisie is trouwens nooit zulk een objectief raam op de werkelijkheid geweest. Ook niet toen het oude politieke paradigma dat eiste. Elk beeld op televisie, ook nu, en ook in het journaal, is een gemanipuleerd beeld.” 19
Ook al worden heel wat discussies bemoeilijkt doordat de media jongeren problematiseren en dit uitvergroten, toch meent Dhr. J. Permentier (Zie Hoofdstuk II: Opzoekingsmethodologie, 2. Studiedag permanente vorming) dat beleids- en opiniemakers het kindbeeld actief zullen moeten sturen en de mensen opvoeden tot een kritisch kijkgedrag. Hij meent dat het niet langer zin heeft de media met alle zonden van Israël te overladen voor de gepercipieerde maatschappelijke werkelijkheid.
Mevrouw D. Deli (UIA) heeft een bijzonder lezenswaardig doctoraat geschreven over de privaatrechtelijke positie van de minderjarige bij het stellen van rechtshandelingen. In de bibliografie van deze eindverhandeling kunnen de nodige zoekgegevens worden gevonden (“Referenties voor verdere lectuurstudie”).
2. Juridische consequenties van een gewijzigd kindbeeld
Zoals aangetoond wijzigde vanaf de jaren zestig het kindbeeld veelvuldig en grondig.
Deze veranderende socio-economische en politieke kijk kreeg niet in het minst haar weerslag op wetgevend gebied.
Alvorens de belangrijkste wetgevende innovaties aan te halen, is het nuttig om het begrip “kind” juridisch te definiëren: in de vigerende wetgeving wordt de term “kind” tweevoudig gehanteerd: enerzijds als aanduiding voor het begrip “afstammeling” (bv. binnen het Burgerlijk Wetboek onder het afstammingsrecht, huwelijksrecht, erfrecht, et cetera) en anderzijds als aanduiding voor een jeugdig, minderjarig persoon. Dit werkstuk ent zich op laatstgenoemd begrip.
2.1. Correlatie tussen de Kinderbeschermingswet uit 1912 en de Jeugdbeschermingswet uit 1965
Zoals vroeger gesteld (supra) werd het kindbeeld het onderwerp van een hevige strijd tussen verschillende soorten paradigma’s. Het kindbegrip transformeerde van een zuiver conservatieve interpretatie naar een progressieve benadering met een conservatief randje.
Op juridisch vlak weerspiegelde deze transformatie zich doordat de Wet op de Kinderbescherming van 1912 (Bijlage XIII) 20, die nog hoofdzakelijk repressief van aard was t.o.v. de minderjarige delinquent,
werd aangepast door de Wet op de Jeugdbescherming van 1965 (Bijlage XIV). 21
2.1.1. De Wet op de Kinderbescherming van 15 mei 1912
Uit de taalkundige benaming van de Wet van mei 1912 kan worden afgeleid dat ze het belang van het kind centraal stelde. Hierbij dient echter de kanttekening te worden gemaakt dat er eerst sprake diende te zijn van een ongewenste gedraging van het kind of de ouders, alvorens er aan hulpverlening werd gedaan. Het subsidiariteitsbeginsel (de gerechtelijke tussenkomsten zijn slechts in finitum) wordt zo omgekeerd: hulpverlening wordt pas mogelijk als er een misdrijf werd gepleegd. Een pro-actieve sociale politiek was geheel afwezig. 22
2.1.2. De Wet op de Jeugdbescherming van 8 april 1965
De nieuwe wet van 1965 wenste de belangen van de minderjarige als individu zoveel als mogelijk te benadrukken (Titel II, Hoofdstuk 2: Burgerrechtelijke bepalingen). Daartoe werd onder meer de bevoegdheid van de Jeugdrechtbank uitgebreid m.b.t. de burgerlijke materie (de Kinderrechter werd vervangen door de Jeugdrechtbank).
Er werd tegemoetgekomen aan het subsidiariteitsbeginsel: er werd een nieuw officieel buitengerechtelijk
Jeugdbeschermingssyteem (d.w.z. naast en los van de gerechtelijke jeugdbescherming) gecreëerd met de oprichting van jeugdbeschermingscomités.23 Men kon nu met recht en reden spreken van een pro-actieve sociale politiek, er werd gepoogd om de gerechtelijke hulpverlening zoveel mogelijk te vermijden. 24
Deze vaststelling ligt in het verlengde van de penologische maatschappijvisie, het reductionisme, die
mensen zoals Professor L. Dupont (Rechten/Criminologie, KUL) aanhangen (zie Hoofdstuk II: Opzoekingsmethodologie, 3. Debat over het gevangeniswezen: situatie, ontwikkelingen en uitdagingen).
Opmerkelijk genoeg leidde artikel 36 lid 2 van deze wet25 ertoe dat juist steeds meer jongeren bevoogd en onmondig werden verklaard (e.g. het aantal geplaatste jongeren steeg pijlsnel). Dit was geheel in tegenspraak met de individualiteitsgedachte die de Wet van 1965 proclameerde. De Wet van 1965 normeerde dus onvoldoende het toenmalig maatschappelijk klimaat. Niettemin was ze zeker vanuit juridisch-filosofisch standpunt een belangrijke doorbraak in de juridische positionering van kinderen.
2.1.2.1. Van Jeugdbescherming naar -sanctierecht?
Onder hoofding 1.2. (1.2. Naar een overresponsabilisering?) werd de moeilijke rechtsverhouding tussen jeugdbescherming en jeugdsanctierecht vanuit de praktijk toegelicht. De Jeugdbeschermingswet van 1965 baseerde zich op de filosofie van het “Sociaal verweer” (de beschermingsgedachte) en ging uit
van een duidelijke breuk tussen volwassennen en kinderen. Deze Wet werd snel voorwerp van controverse.
Enerzijds nam de maatschappelijke roep naar repressieve maatregelen tegen (jeugd-) delinquentie steeds toe, anderzijds schept de Jeugdbeschermingswet ook heel wat dubbelzinnigheden: zo bestaat er het systeem van “uithandengeving” (dit gaat in tegen de Sociale verweerleer) en beschouwen jeugd-
delinquente jongeren tal van beschermings- en opvoedingsmaatregelen als ware straffen.
De Commissie tot Hervorming van de Wet betreffende de Jeugdbescherming wil afstappen van het bestaande beschermingsmodel en pleit voor de invoering van een Jeugdsanctierecht vanaf 12 jaar
(hoewel doorgaans 7-8 jaar de richtleeftijd is waarop jongeren geacht worden “tot de jaren des onderscheids” te zijn gekomen, neemt sommige jurisprudentie en doctrine 12 jaar als maatstaf).
Ze wil echter niet zover gaan om ook de strafrechtelijke meerderjarigheid te verlagen.
Belangrijke innovatie van de Commissie tot Hervorming van de Wet betreffende de Jeugdbescherming is dat ze de idee wil implementeren dat een minderjarige nooit mag ontsnappen aan de gevolgen van gepleegde daden voor geringe criminaliteit. Vandaar dat ze het volgende voorstelt:
a) de gewone en buitengewone bevoedgheid van de Politierechtbank dient te worden uitgebreid tot de
minderjarige. De Politierechtbank is momenteel bevoegd voor verkeersovertredingen gepleegd
tussen 16-18 jaar.
b) de Politierechtbank kan voor 12-14 jarigen een berisping uitspreken, voor 14-18 jarigen zal ze
lichte sancties kunnen uitspreken.
Over een hervorming van de bugerlijke aansprakelijkheid van de minderjarigen rept de Commissie met geen woord, ze gaat nog steeds uit van het bestaande systeem van burgerlijke aansprakelijkheid (zie Hoofdstuk IV: Het aansprakelijkheidsgegeven) waarbij de burgerlijke meerderjarigheid gekoppeld blijft aan de strafrechtelijke meerderjarigheid (Bijlage XV). 26
2.2. De Wet van 19 januari 1990 tot verlaging van de burgerrechtelijke meerderjarigheidsgrens (Bijlage XVI) 27
2.2.1. Resolutie van het Comité van Ministers van de Raad van Europa en de juridische weerslag op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
Het was het Comité van Ministers van de Raad van Europa, niet te verwarren met de Raad van de Europese Unie of de Europese Raad,28 dat in Resolutie 72/29 had aanbevolen om de meerderjarigheid op 18 jaar te brengen.
Voor de toepassingswijze van bepaalde artikelen uit het EVRM is de leeftijd waarop iemand
meerderjarig wordt, van belang. Zo kent artikel 5, lid 1,29 de Verdragsstaten ruime bevoegdheden toe ten aanzien van minderjarigen. Artikel 26 EVRM30 heeft weerslag op de procesrechtelijke positie van de minderjarige: de Europese Commissie kan een zaak slechts en dan in behandeling nemen nadat alle nationale rechtsmiddelen werden uitgeput. 31
2.2.2. De verlaging van de burgerrechtelijke meerderjarigheid als sluitstuk van een maatschappelijke trend
Tussen de jaren zestig en de jaren zeventig werd in de meeste Europese landen de grens van de burgerrechtelijke meerderjarigheid vastgesteld op een leeftijd die lager werd dan 21 jaar. Voor het Angelsaksisch gebied bracht in Groot-Brittannië de Family Law Reform Act van 1969 de meerderjarigheid op 18 jaar, het pad werd geëffend door de in Groot-Britannië en de Verenigde Staten op gang gebrachte Children’s Rights Movement:”
De verlaging van de burgerrechtelijke meerderjarigheidsgrens consolideerde de maatschappelijke trend die werd ingezet vanaf de jaren zestig, dat jongeren een belangrijke speler zouden worden in het maatschappelijke verkeer. Treffend voor deze maatschappelijke ommekeer is het wetgevend woordgebruik in Frankrijk: onder druk van de gebeurtenissen van mei 1968 werd in 1970 de “puissance paternelle” omgezet in de “autorité parentale (Loi 4 juin 1970 “sur l’autorité parentale”).” M.a.w.: door de enorme verzwakking van het gezag in alle geledingen van de maatschappij, moest ook het ouderlijk gezag worden herijkt.
In België maakte sinds 1975 de verlaging van de burgerrechtelijke meerderjarigheid het voorwerp uit van een uitgebreid wetsontwerp. 32
Sinds 1 mei 1990 worden personen vanaf 0 en 18 jaar beschouwd als minderjarigen. 33
De meerderjarigheid geldt ten aanzien van diegenen die de volle leeftijd van 18 jaar hebben bereikt: zij zijn dan bekwaam tot alle handelingen van het burgerlijk leven34; men denkt hierbij aan de burgerlijke- en politieke rechten waarnaar voor geschillenbeslechting in de Belgische Grondwet wordt verwezen. 35
2.3. Wet van 2 februari 1994 tot wijziging van de Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming (Bijlage XVII) 36
De federale wet van 2 februari wordt beschouwd als een mijlpaal in de hervorming van het jeugdbe-
schermingsrecht.37 Strikt juridisch genomen is dit zo, maar Rechtssociologisch beschouwd was deze Wet van 1994 een logisch uitvloeisel van een evolutie die reeds sinds de jaren zestig aan de gang was.
Het eerste oogmerk van deze Wet was de nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met enerzijds het EVRM (Bijlage XVIII)38 en anderzijds met het V.N.-Verdrag over de rechten van het Kind (Bijlage XIX).39 Een tweede doel van deze Wet van 1994 was het verhogen van de rechtswaarborgen van de minderjarige bij het nemen van voorlopige maatregelen door de jeugdrechter (de onbepaalde duur werd afgeschaft). Het derde doel beoogde de aanpassing van de gevolgen van de verlaging van de burgerrechtelijke meerderjarigheid tot 18 jaar40, vooral ingevolge het arrest van het Arbitragehof van januari 199241 waarbij artikel 45 van de Wet van 19 januari 1990 werd vernietigd. 42
2.4. Supranationale beïnvloeding: het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989
Er werd zonet aangetoond wat de invloed is van het EVRM op de minderjarige: enerzijds wijst ze ruime bevoegdheden toe aan de Verdragsstaten en determineert ze de procesrechtelijke positie en anderzijds dwingt ze Nationale Regeringen hun wetgeving te conformeren (zoals met de Wet van 2 februari 1992 tot wijziging van de Wet van 8 april 1965). 43
Een tweede vorm van supranationale (wetgevende) beïnvloeding is het Verdrag inzake de rechten van het kind (VRK). Het VRK mag niet beschouwd worden als een herdruk van het EVRM. Zo wordt in het VRK geen recht op arbeid ingevoerd maar wel het recht op bescherming tegen economische
exploitatie ingevolge kinderarbeid (Bijlage XX, Kinderrechtsw. Gent).
Het Verdrag inzake de rechten van het kind werd zowel op Federaal44 als op Gemeenschapsniveau geratificeerd. 45
Het Verdrag inzake de Rechten van het kind (1989) kent haar oorsprong in de Verklaring van de Rechten van het Kind (Verenigde Naties, 1959). Dit is een wachttijd van dertig jaar.
Artikel 4 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Bijlage XIX)46 verplicht de gebonden Staten om alle wettelijke en bestuurlijke maatregelen te nemen om de rechten die in dit Verdrag worden vastgelegd te realiseren.
Artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Bijlage XIX)47 omschrijft het kind als “ieder mens jonger dan achttien jaar, tenzij volgens het op het kind van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt.” Artikel 6 van dit Verdrag48 somt de rechten van het kind op.
Doordat het Verdrag inzake de rechten
van het kind duidelijke formuleringen gebruikt, en het kind vanuit politiek,
economisch, sociaal, cultureel en pedagogisch oogpunt benadert; gaat dit Verdrag
veel verder dan alle normatieve teksten van voordien.49 Het Verdrag
inzake de rechten van het kind gaat niet langer uit van een spanningsverhouding
tussen het zelfbeschikkingsrecht (het recht te ontplooien) en de preferentiële
rechten (het recht op specifieke bijstand en zorg voor het mens-zijn in
wording).
Het spanningsveld tussen deze twee tegengestelde krachten wordt opgevangen door
het begrip “ouderlijke verantwoordelijkheid:” artikel 18 van het Verdrag50 stelt dat de
ouders de eerste verantwoordelijken zijn voor de ontwikkeling van hun kind, het
belang van het kind staat voorop.
51
Men kan stellen dat het VRK probeerde om de reeds beschreven spanningen tussen een conservatief en een progressief kindbeeld te verzoenen (zie 1.1. Een transformerend kindbeeld: jongeren als aparte sociale categorie).
Professor E. Verhellen (Rechtsgeleerdheid/ Psychologie/Pedagogiek, RUG) wijst op het belang van dit Verdrag: “(…) dient benadrukt te worden dat het Verdrag door zijn juridisch bindend karakter, zijn comprehensiviteit en zijn quasi universele ratificatie een historisch gloednieuw en uniek geo-politiek sociaal contract is.” 52
HOOFDSTUK IV: HET AANSPRAKELIJKHEIDSGEGEVEN
In hoofdstuk III heb ik proberen aantonen dat een goed achtergrondinzicht in de totstandkoming en evolutie van het kindbeeld (het kindbegrip) onontbeerlijk is om de positie van de minderjarige te begrijpen. Het heersend kindbegrip van een maatschappij bepaalt de mate van responsabilisering van de minderjarige en dus mutatis mutandis de geldende rechtspositie van de minderjarige.
In dit hoofdstuk wordt het aansprakelijkheidsgegeven van de minderjarige en diens ouders in concreto verder toegelicht. Meer bepaald de burgerlijke aansprakelijkheid voor de Jeugdrechtbank zal worden behandeld.
1. Bijzonder vonnisgerecht: de Jeugdrechtbank bevoegd als ratione personae
Omwille van de leeftijd van de dader of wegens diens hoedanigheid wordt de beoordeling van bepaalde misdrijven door de wet opgedragen aan bijzondere vonnisgerechten. Zo wordt een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit pleegt (MOF) berecht door de Jeugdrechtbank. De Jeugdrechtbank is één van de drie afdelingen van de Rechtbank van eerste aanleg (naast de burgerlijke rechtbank en de correctionele rechtbank).
De Jeudrechtbank houdt zich uitsluitend bezig met de zaken die betrekking hebben op de Jeugdbescherming.53 Ze spreekt zich uit in zowel burgerlijke als correctionele zaken.
De strafrechtbanken van gemeen recht zijn de Politierechtbank, de Correctionele rechtbank, Het Hof van beroep en het Hof van Assisen. Het is dan ook wezenlijk op te merken dat de Jeugdrechtbank geen straffen uitspreekt, maar wel beveiligings- en opvoedingsmaatregelen neemt tegen de minderjarige en/of de ouders. 54
De jeugdrechter kan de zaak ook “uit handen geven” (Bijlage XI, persoonlijk archief) wanneer de minderjarige de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, een ernstig misdrijf heeft gepleegd en er sprake is dat een opvoedkundige maatregel niet kan of dat de minderjarige onverbeterlijk gedrag vertoont. De minderjarige zal dan terechtstaan voor Correctionele rechtbank of in het uiterste geval (moord en doodslag) voor het Hof van Assisen.55
1.1. Toepasselijke wetgeving
a) Wet van 8 april 1965 56
b) Besluit 4 april 1990 van de Vlaamse Regering 57
c) Decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap 58
1.2. Organisatie en functionering van de Jeugdrechtbank
De procedure voor de Jeugdrechtbank wordt geregeld door de wet van 8 april 1965.59 Zij is van toepassing op de minderjarigen onder de leeftijd van 18 jaar (bij uitzonderingen beneden de 16 jaar) op het ogenblik van de feiten.
De inrichting van de Jeugdrechtbank wordt geregeld zoals in het Gerechtelijk Wetboek,60 evenals de benoemingsvoorwaarden voor de jeugdrechters.61 De aanstelling van de onderzoeksrechters die belast zijn met zaken waarin minderjarige verdachten zijn betrokken wordt geregeld door de Jeugdbeschermingswet62 evenals de aanwezigheid van het Openbaar Ministerie (OM) bij de Jeugdrechtbank.63 Het OM is partij in elk strafproces en kan nooit verstek laten gaan. 64 Op het niveau van de Rechtbank van eerste aanleg bestaat het OM uit de Procureur des Konings, de eerste substituut Procureur des Konings en de substituten van de Procureur des Konings. 65
Over de regeling van de bevoegdheid van de Jeugdrechtbank is er geen duidelijke wettelijke bepaling.
Men heeft dan ook twee strekkingen:
a) de minimalistische: enkel wat uitdrukkelijk in de wet staat geldt
b) de maximalistische: wijst ruime bevoegdheden toe aan de jeugdrechter
Het Hof van Cassatie hangt eerder de maximalistische strekking aan. 66
Omdat dit het hoogste rechtscollege van de Belgische rechterlijke macht is67 verdient
de maximalistische strekking de voorkeur.
Elk gerechtelijk arrondissement kent een Jeugdrechtbank. Over de regeling der territoriale bevoegdheid van de Jeugdrechtbank (Federaal, Gemeenschappen en Gewesten) zal in het kader van dit werkstuk niet worden uitgeweken (Bijlage XXI). 68
Ten aanzien van minderjarigen kunnen voor als misdrijf omschreven feiten (MOF) en aanverwante materies69 door de Jeugdrechtbank maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding worden bevolen. 70 Slechts in uitzonderlijke materies kunnen minderjarigen worden blootgesteld aan eigenlijke bestraffing.71 Bij verschijning voor de jeugdrechter, worden de jongeren verplicht bijgestaan door een advocaat (Bijlage XXII, persoonlijk archief).
Ingevolge artikel 50, §1, lid 1, Wet op de Jeugdbescherming72 kan de jeugdrechtbank verschillende persoonlijkheids- en milieuonderzoeken aangaande de jongere bevelen om de meest gepaste behandeling van de zaak te realiseren. De verkregen elementen van deze onderzoeksmaatregelen zijn strikt vertrouwelijk en mogen dus geenszins aangewend worden in debatten betreffende de burgerlijke vordering (burgerlijke aansprakelijkheid van de ouders op grond van artikel 1384, lid 2, B.W.) noch in het kader van de strafprocedure (bijvoorbeeld na de uithandengeving). 73 Belangrijk om aan te stippen is dat mochten de ouders in het kader van de weerlegging van het wettelijk vermoeden (het weerlegbaar vermoeden) gebruik kunnen maken van het persoonlijkheidsdossier van hun minderjarig kind, het “belang van het kind” mogelijk ondergeschikt wordt gemaakt aan de “materiële belangen” van de ouders (Bijlage XXIII). 74 De Ministerraad maakt n.a.v. een prejudiciële vraag het Arbitragehof hieromtrent duidelijk dat het in de bedoeling ligt (van de Wetgever, nvdr.) dat er een opdeling wordt gemaakt tussen de beslissingen van de Jeugdrechtbank over de beschermingsmaatregelen aan de ene kant en de vaststelling van de burgerlijke aansprakelijkheid aan de andere kant.
→ Ingevolge een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof betreffende het artikel 10 G.W. en de uitoefening van het inzagerecht door de ouders van het persoonlijkheidsdossier van hun minderjarige kind (ter verschijning voor de Correctionele rechtbank in het kader van de uithandengeving door de Jeugdrechter) stelt het Arbitragehof dat de ouders noch voor de Correctionele rechtbank noch voor de Jeugdrechtbank het persoonlijkheidsdossier van hun minderjarig kind mogen inzien. Het is enkel bij het opleggen van jeugdbeschermingsmaatregelen door de Jeugdrechtbank dat dit inzagerecht mag worden uitgeoefend. Wanneer dus de burgerrechtelijke aansprakelijkheid wordt behandeld voor de
Jeugdrechtbank geldt het inzagerecht niet, zulks is evenzeer van toepassing bij de
weerlegging door de ouders van hun burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de Correctionele rechtbank. Artikel 10 G.W. (De Belgen zijn gelijk voor de wet) wordt niet geschonden.
Door deze stelling maakt het Arbitragehof een evenwichtige afweging van de belangen van de verschillende partijen, het beginsel van tegenspraak, het recht op privé-leven en de vrijwaring van de rechten van verdediging. 75
1.2.1. Het voorleiden van de minderjarige: praktijkwerking
De Procureur des Konings (OM) wordt van de situatie van de minderjarige op de hoogte gebracht door:
de Federale of lokale politie die n.a.v. het plegen van een als misdrijf omschreven feit (MOF) een proces-verbaal heeft opgesteld
de bemiddelingscommissie 76
door de diensten (zoals het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg) of personen die op de hoogte zijn van de moeilijke of onveilige situatie
De Procureur des Konings oordeelt over de ernst van de situatie en beslist of een zaak wordt doorverwezen naar de jeugdrechter. Indien de Procureur een maatregelt vraagt van de jeugdrechter, spreekt men van een vordering. De jeugdrechter wordt geassisteerd door een griffier.
De jongere heeft altijd recht op bijstand van een advocaat indien hij voor de jeugrechter dient te verschijnen. De jongere kan ook het recht uitoefenen om gehoord te worden door de jeugdrechter alvorens die een vonnis wijst.
De jeugdrechter kan beveiligings- of opvoedingsmaatregelen treffen of de zaak uithanden geven.
Het vonnis dat de jeugdrechter velt wordt bijgehouden in het centraal strafregister maar de feiten komen niet in het gemeentelijk strafregister nog op het getuigschrift van goed zedelijk gedrag (Bijlage XXIV, Kinderrechtsw. Gent). 77
1.3. Het hoger beroep
België kent vijf grote rechtsgebieden met elk een Hof van beroep: Brussel, Antwerpen, Gent, Luik en Bergen.
Elk Hof heeft drie soorten kamers: voor burgerlijke zaken, voor correctionele zaken en jeugdkamers.78 Normaal gesproken worden de zaken toegewezen aan kamers met drie raadsheren79 maar voor het hoger beroep tegen vonnissen van de rechter in de Jeugdrechtbank geldt dit niet.80 Het OM bestaat uit de Procureur-generaal, de eerste advocaat-generaal, de advocaten-generaal en de substituut Procureur-generaal. 81
Op 31 december 2003 werd de top vijf van de nieuwe zaken bij de Hoven van beroep als
volgt ingedeeld: 82
1) overeenkomsten zoals huur en koop, 24,3%
2) echtscheidingen, 13,3%
3) bouwzaken, 7%
4) beslagprocedures, 5,7%
5) burgerlijke aansprakelijkheid-onrechtmatige daad, 5,6%
Indien de jongere niet akkoord gaat met de door de jeugdrechter bevolen voorlopige maatregelen, dan kan hij binnen 15 dagen voor de meeste (gewone) voorlopige maatregelen beroep aantekenen.
Het Hof van Beroep doet dan binnen de termijn van twee maanden uitspraak.
Bij opsluiting in een gesloten Instelling moet het beroep worden ingesteld binnen de 48 uur en moet het Hof van Beroep de zaak behandelen binnen de 15 werkdagen.
In het geval dat de jongere wordt opgesloten in een gevangenis dan moet het beroep binnen de 48 uur worden ingesteld en moet het Hof van Beroep uitspraak doen binnen de 5 werkdagen.
2. De burgerlijke aansprakelijkheid
2.1. Invloed van het Romeins recht
De burgerlijke aansprakelijkheid wordt ook de “aquiliaanse aansprakelijkheid” genoemd. Dit begrip verwijst naar een “lex aquilia”, Romeinse wet, opgesteld door de volkstribuun Aquilius (ca. 286 v. Chr.). De burgerlijke aansprakelijkheid vormt door die Romeinse wet een tweeluik met de strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Men ziet het vergoedende element (het burgerlijke) en het penale element. Beiden zijn niet meer los te koppelen, iets wat in ons vigerend recht nog steeds geldt.
Het Burgerlijke Wetboek (1804) spreekt van een onrechtmatige daad, omschreven ingevolge artikel 1382 B.W. Deze definiëring is echter algemeen. De Romeinen kenden limitatief opgesomde “onrechtmatige daden.” Het Romeins recht kende in aanvang enkel aansprakelijkheid aangaande positieve rechtshandelingen: de rechtsonderhorige moest iets doen. Vandaag de dag bepaalt artikel 1383 B.W. dat ook nalatigheid en onvoorzichtigheid vallen onder de onrechtmatige daad (Bijlage XXV).83
2.2. De betekenis van rechtsfeiten: excepties van rechtshandelingen
Rechtsfeiten zijn feiten (geboorte, dood,…) of menselijke gedragingen (huwelijk, misdrijf,…) waardoor een rechtsregel in werking treedt. Stelt een natuurlijk persoon een handeling met doel om bepaalde rechtsgevolgen tot stand te brengen, dan spreekt men van een rechtshandeling. 84
Let wel: elke rechtshandeling is een rechtsfeit maar niet vice versa.
Het personenrecht kent een specifieke