| Studentenactivisme aan de UNIKIN (1998-2006). (Stijn Van Bever) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Het voorbije decennium was, alweer, een erg bewogen periode voor de Democratische Republiek Congo. Het land werd tussen 1998 en 2003 het toneel van wat de eerste Afrikaanse wereldoorlog werd genoemd, een conflict waarbij alle landen van de Centraal- Afrikaanse regio betrokken raakten en dat het leven koste aan naar schatting drie miljoen mensen. De woelige en chaotische overgangsperiode die tussen 2003 en 2006 op het conflict volgde, werd op 30 juli 2006 afgesloten met de eerste vrije verkiezingen sinds de onafhankelijkheid, verkiezingen die een nieuw begin voor het land moesten inleiden na een valse start die al vier decennia aansleepte.
De voorbije negen jaar heeft er in onze contreien een opmerkelijke ommekeer plaatsgevonden wat betreft de aandacht voor de ex-kolonie. Terwijl het conflict in zijn eerste jaren bijna werd doodgezwegen, zagen we hoe de Vlaamse pers bij het naderen van de verkiezingen Congo opnieuw ontdekte. In het kielzog van de talrijke ministeriële bezoeken streken verslaggevers en journalisten weer neer in Kinshasa.
Toch lijkt het nieuws uit Congo altijd weer uit dezelfde hoek te komen en dezelfde thema’s te beslaan: kindsoldaten, de illegale grondstoffeneconomie, het nakende einde van het regenwoud of de verdwijning van de zoveelste gorilla, het zijn thema’s die de in Congo geïnteresseerde Belg intussen wel kent, ook al kunnen ze nooit voldoende onder de aandacht gebracht worden.
Omdat ikzelf ook één van die in Congo geïnteresseerde Belgen ben, stond het voor mij reeds lange tijd vast dat het land het decor zou vormen voor mijn eindverhandeling. Tezelfdertijd wou ik echter de bekende paden verlaten. De voorbije jaren hebben een enorme impact gehad op de Congolese samenleving. Het was mijn ambitie die impact te onderzoeken bij een bevolkingsgroep die op het eerste zicht geen uitstaans heeft met het conflict of de transitieperiode: de studenten aan de staatsuniversiteit van Kinshasa, de Unikin. Deze keuze werd me ingegeven door enkele goede redenen. Ten eerste wilde ik te weten komen hoe leeftijdsgenoten deze moeilijke periode ervaren hebben. Daarnaast vond ik het interessant om, in het kader van de hernieuwde interuniversitaire samenwerking tussen de Belgische en Congolese universiteiten, die toch vooral boven de hoofden van de studenten verloopt, eens de stem en de visie van de studenten te kunnen weergeven. Tenslotte meen ik dat een forum bieden aan de studenten van vandaag, in alle bescheidenheid, een mentaliteitsstudie kan vormen van de Congolese leiders van morgen.
In dit inleidende hoofdstuk zal ik een overzicht geven van het onderzoek dat reeds gevoerd is naar studentenactivisme en de conclusies die uit dit onderzoek naar voor komen.
1. Onderzoek naar studentenactivisme.
Onderzoek naar studentenactivisme ziet het levenslicht eind jaren zestig. Dit is geen toeval. De jaren zestig worden gebrandmerkt als het decennium van wijdverspreid studentenactivisme. De iconen van die tijd zijn de Mei ’68-beweging in Parijs en de vredesbeweging in de VS, die haar hoogtepunt kent eind jaren zestig, begin jaren zeventig. De impact van deze studentenbewegingen is erg groot. Het studentenactivisme overstijgt de grenzen van de campus en slaagt er in om te wegen op de politieke besluitvorming en om een brede maatschappelijke beweging te worden die ambities heeft om de maatschappij te veranderen.
Deze gebeurtenissen vormen het startsein voor onderzoek naar studentenactivisme. Dit onderzoek wordt vooral vanuit sociologische en pedagogische kringen gevoerd. De sociologische onderzoeken spitsen zich toe op de afkomst van de studentenleiders, de genese en de maatschappelijke impact van het studentenactivisme, terwijl de pedagogische wereld ondermeer de invloed van het studentenactivisme op de hervormingen van het hoger onderwijs zal bekijken.[1]
Het onderzoek dat in de nasleep van deze studentenbewegingen gevoerd wordt, is zo vrijwel uitsluitend westers gericht. Hoewel het studentenactivisme in de postkoloniale wereld duurzamer is en vaak intenser inwerkt op de samenleving dan bovengenoemde bewegingen, zijn het vooral de mediagenieke studentenbewegingen uit Frankrijk en de VS, en bij uitbreiding de gehele westerse studentengemeenschap, die voorwerp zijn van onderzoek.
Intussen is ook het studentenactivisme in de niet westerse, postkoloniale wereld voorwerp geweest van onderzoek. Autoriteit op dit gebied is Philip G. Altbach. Hij deed ondermeer onderzoek naar studentenactivisme in de VS en in India, comparatief onderzoek naar studentenactivisme over de wereld en onderzocht het studentenactivisme in historisch perspectief.[2] Bovendien onderzocht Altbach de invloed van het studentenactivisme op zowel het onderwijs als op de samenleving. Ik zal vooral gebruik maken van de werken en inzichten van Altbach om een theoretisch kader voor mijn onderzoek te vormen.
Ook aan de universiteit van Kinshasa, waar ik mijn onderzoek uitgevoerd heb, is onderzoek gedaan naar het studentenactivisme in de schoot van de instelling. De professoren Jean Abemba Bulaimu en Hubert Ntumba Lukunga, respectievelijk antropoloog en socioloog verbonden aan de faculteit sociale en politieke wetenschappen van de Unikin onderzoeken in hun studie “Mouvements étudiants et évolution politique en Republique Démocratique du Congo. Tome 1: 1971-1991.” de invloed van het studentenactivisme op de politieke ontwikkelingen in Congo/Zaïre tussen 1971 en 1991.[3] De laatste jaren werden ook verschillende eindverhandelingen rond het thema gemaakt, die het meer recente studentenactivisme bestuderen.[4] Aangezien deze werken deels dezelfde periode behandelen als mijn eigen onderzoek, heb ik deze uiteraard geraadpleegd.
2. Aspecten van het studentenactivisme.
In dit hoofdstuk zullen enkele algemene inzichten over studentenactivisme worden gegeven. Onderzoek naar studentenactivisme is lange tijd vooral geconcentreerd geweest op westers studentenactivisme. Daarom zal ik in dit hoofdstuk vaak verplicht zijn om een globaal beeld te schetsen aan de hand van onderzoeken naar westers studentenactivisme. Omdat het westerse maatschappijmodel echter grote verschillen vertoont met het maatschappijmodel van verschillende postkoloniale staten en die verschillen een grote invloed hebben op het studentenactivisme in deze gebieden, zal ik, aan de hand van onderzoeken naar studentenactivisme in de postkoloniale staten, vaak een duidelijk onderscheid maken tussen de algemene bevindingen en bevindingen die specifiek gelden voor het studentenactivisme in Zuid-Amerika, Azië en Afrika. Deze opdeling wordt in het tijdperk van de mondialisatie vaak - en op vele vlakken terecht - als voorbijgestreefd beschouwd, maar indien we een accuraat overzicht willen geven van de kenmerken en eigenheden van het studentenactivisme, is deze ingreep noodzakelijk.
Tot op heden is er nog geen holistisch theoretisch kader dat de dynamiek van studentenactivisme ontleedt. De belangrijkste oorzaak hiervan is net de variërende context waarin het activisme optreedt. Studentenactivisme ontwikkelt zich steeds binnen specifieke omstandigheden, die naar tijd en ruimte erg variabel zijn. Philip Altbach heeft in zijn comparatief onderzoek wel enkele algemene perspectieven van het studentenactivisme op een rij gezet die een aanzet geven tot een theoretisch model. Ik zal dan ook voornamelijk teruggrijpen naar Altbachs ondervindingen in dit hoofdstuk.
2.1. Historische context.
De start van het wetenschappelijk onderzoek rond studentenactivisme wordt gegeven in de jaren zestig. Het activisme zelf kent echter een langer verleden, een verleden even oud als dat van het onderwijs zelf. Uit de Oudheid en de Middeleeuwen zijn bronnen bekend die getuigen over studentenopstanden.[5] Recenter in het verleden, in de negentiende eeuw, waren Duitse studenten een belangrijke pijler van de revolutionaire bewegingen in het Duitse rijk die aan de basis lagen van de eenmaking van het Duitsland in 1948.[6] Ook in het toenmalige Russische Tsarenrijk stonden studenten mee op de barricades van de revolutie.[7] In het begin van de twintigste eeuw waren studentengroeperingen bij de eerste voorstanders van de fascistische bewegingen in Duitsland en Italië.
Het studentenactivisme heeft in het westen vooral naam gemaakt met de befaamde studentenbewegingen eind jaren zestig. De Europese studentenmanifestaties met als bekendste de Mei ’68-beweging in Frankrijk en de anti-oorlogsbeweging op de universiteitscampussen in de Verenigde Staten zijn iconen van het decennium van de jaren zestig. Voor het eerst in de moderne geschiedenis overstijgt het studentenactivisme de campus en slaagt het er in om de maatschappelijke debatten te domineren en de besluitvorming onder druk te zetten.[8] De studentenbewegingen zijn in dit decennium niet langer deel van een maatschappelijke stroming, zoals in het verleden, ze zijn nu voortrekkers in het maatschappelijk debat.
De impact die het studentenactivisme in die tijd kende op de samenleving, heeft het later nooit meer kunnen evenaren. Een direct gevolg van het studentenprotest uit die tijd waren de hervormingen aan de universiteiten, die de participatie van studenten in het onderwijsbeleid ( de eis tot participatie was namelijk de aanleiding van het studentenprotest in Parijs) statutair vastlegden.[9] Met de uitbouw van de participatieorganen voor studenten in het beleid van de instellingen van hoger onderwijs, nam het activisme bij de studenten af. Bovendien slaagden de studenten er nooit meer in om hun specifieke, sectoriële eisen te koppelen aan maatschappelijke kwesties die in staat waren om een algemene mobilisatie te veroorzaken.
Zoals we reeds bemerkten, volgt het ontstaan van het studentenactivisme onmiddellijk op de oprichting van het onderwijs. Dit is ook zo in de koloniale gebieden. Het studentenactivisme in de postkoloniale gebieden kan niet ten volle begrepen worden, zonder de ontstaansgeschiedenis en het karakter van het hoger onderwijs in de koloniale wereld te schetsen. Het hoger onderwijs is in de koloniale gebieden ingeplant door de kolonisator . De instellingen van hoger onderwijs in de kolonies waren steeds een minutieuze kopie van de instellingen in het moederland. Universiteiten onderwezen volgens hetzelfde leerplan, professoren kwamen uit het moederland en studenten kregen een curriculum voorgeschoteld dat perfect op de Europese lijst geschoeid was.[10] Deze imitatiedrang kent verscheidene oorzaken. De metropool was het zaligmakende model. Om het ontwikkelingspeil van het moederland te bereiken, moest het onderwijs in de kolonies een perfecte afdruk zijn van dat in het moederland. Het was onvoorstelbaar te denken dat de lokale cultuur een plaats zou hebben in het hoger onderwijs. De studie van het koloniale gebied gebeurde toen vooral in gespecialiseerde instituten, vaak nog gesitueerd in het moederland, die zich voornamelijk toelegden op antropologie, geneeskunde en geografie. Bovendien waren de universiteiten die in de kolonies werden opgericht ook bedoeld voor de nazaten van kolonisatoren, wiens toekomst moest gevrijwaard worden door hen een opleiding te geven evenwaardig aan die in het moederland.
Het is de handhaving van dit Europese model van hoger onderwijs die de eerste grote studentenmanifestaties in de postkoloniale landen heeft veroorzaakt. Hoewel de meeste Zuid-Amerikaanse landen in het begin van de twintigste eeuw bijna een eeuw de onafhankelijkheid hadden verworven, bleef het onderwijssysteem onveranderd. De instellingen van hoger onderwijs bleven volledig afhankelijk van de universiteiten in de oud-kolonie Spanje.[11] Het curriculum bleef net als het professoraat Spaans getint en de macht bleef in handen van een kleine klerikale en politieke groep. In deze periode beginnen studenten in het Zuid-Amerikaanse continent te ijveren voor een grotere zeggenschap in het universiteitsbeheer. Deze eis wordt gekoppeld aan een grotere onafhankelijkheid van onderwijsinstellingen van de oud-kolonie, zowel op politiek als op academisch vlak en een hervorming van het lessenpakket. De Zuid-Amerikaanse studenten werden immers nog steeds onderwezen in de Spaanse geschiedenis en cultuur, ten nadele van de Zuid-Amerikaanse, die verwaarloosd werd in het curriculum.
Al snel komt er in Zuid-Amerika een supranationale studentenbeweging op gang. De gemeenschappelijke taal bevordert de communicatie en over gans het continent delen de studenten dezelfde eisen. Reeds in 1909 wordt het eerste internationale Latijns-Amerikaanse studentencongres gehouden, dat opvolging kent in 1910 en 1912.[12] Op deze bijeenkomsten bereiken de Zuid-Amerikaanse studenten gemeenschappelijke standpunten over kwesties zoals de academische autonomie van de faculteiten en meer inspraak voor studenten in het beheer van de universitaire instellingen.
Het cruciale moment voor het Zuid-Amerikaanse studentenactivisme valt in 1918, aan de universiteit van Cordoba. Wanneer na onlusten een studentenhuis wordt gesloten, breken er massale stakingen uit bij de studenten. Zij eisen, naast tal van andere zaken, studentenvertegenwoordiging in het bestuur van de universiteit en academische onafhankelijkheid voor de faculteiten. Onder impuls van de toenmalige, hervormingsgezinde president Roque Sáenz Peña worden de universiteiten verplicht deze eisen in te willigen.[13] Het nieuws verspreid zich snel over het continent en ook in landen als Chili, Peru, Venezuela en Colombia wordt de hervorming van het hoger onderwijs doorgevoerd.
Na deze opmerkelijke overwinning verbreedt de jonge Latijns-Amerikaanse studentenbeweging zijn horizonten. De participatie van de studenten in het beleid van de universiteit wordt nog versterkt en verankerd en de studentenbeweging gaat zich, gesterkt door zijn succes, ook toeleggen op maatschappelijke kwesties, zoals democratisering. De universiteit wordt het toneel voor maatschappijkritiek, een proces dat nog toeneemt wanneer de militaire junta’s het continent stilaan overnemen. In enkele decennia is de Zuid-Amerikaanse studentenbeweging uitgegroeid van een puur academische beweging naar een maatschappelijke kracht. Het activisme dat zich bij zijn ontstaan richtte op onafhankelijkheid van de oud-kolonie en democratisering van het onderwijs heeft zich ontwikkeld tot een brede beweging die druk kan uitoefenen op de burgerlijke autoriteiten.[14]
Het verhaal van het Zuid-Amerikaanse studentenactivisme is bewust zo gedetailleerd weergegeven. Het kan immers model staan voor de studentenbewegingen in de postkoloniale wereld. Bovendien verklaart het deels het essentiële verschil tussen het activisme in het westen en in de vroegere Derde Wereld. Hoewel waarschijnlijk geen enkele studentenbeweging ooit nog de aandacht en de symboolwaarde zal krijgen van de westerse studentenbewegingen eind jaren zestig, is het studentenactivisme in grote delen van de rest van de wereld veel duurzamer. Bovendien is het studentenactivisme in de postkoloniale wereld veel meer ingeburgerd en heeft het een veel grotere maatschappelijke invloed dan het activisme bij ons. De belangrijkste reden hiervoor is de historische verbondenheid die de universiteiten in het algemeen en het studentenactivisme in het bijzonder hebben met de antikoloniale strijd.
Wanneer onmiddellijk na de tweede wereldoorlog in Azië en tijdens de jaren vijftig in Afrika het antikolonialisme een georganiseerde structuur krijgt , worden de universiteiten één van de cruciale pijlers van de onafhankelijkheidsbeweging.[15] De universiteiten zijn dan ook een vruchtbare bodem. Enerzijds is er de westerse dominantie aan de universiteiten die duidelijk naar voorkomt in het professoraat en het curriculum, anderzijds is er de vaststelling voor de afgestudeerden dat ze zelfs met hun diplomatie niet kunnen doorstoten naar de hogere functies in hun land. De universiteiten worden het toneel van openlijke contestatie van het koloniaal gezag, maar tezelfdertijd wordt aan de universiteiten ook een nationaal concept gecreëerd, een natie-idee die het protest een ideologische en culturele ruggengraat schenkt. In landen als Kenia, Vietnam en India zullen studentenbewegingen een cruciale rol spelen in de onafhankelijkheid van het land.[16]
Wegens zijn cruciale rol in de onafhankelijkheidsbeweging, zal de studentenbeweging steeds een belangrijke stem blijven in het politieke debat in de postkoloniale wereld. De studenten zijn zich hier uiteraard ook van bewust en ze zullen de invloed die ze hebben vaak uitspelen. Zowel in Azië, Zuid-Amerika als in Afrika hebben studentenbewegingen verschillende keren regimes aan het wankelen gebracht. In het huidige Myanmar en in Zuid-Korea en Thailand lag langdurig algemeen studentenprotest mee aan de basis van politieke veranderingen.[17] Hoewel het studentenactivisme vandaag ook in deze landen in intensiviteit is afgenomen, behoudt de studentenbeweging een belangrijke stem in het politieke debat.
2.2. Kenmerken van het studentenactivisme : het sporadische karakter.
Een opmerkelijk kenmerk van studentenactivisme is het sporadische karakter. [18]Studentenbewegingen zijn steeds gemobiliseerd rond een specifiek thema en uiterst zelden groeit de contestatiebeweging uit tot een duurzame stroming of groepering. Verschillende oorzaken verklaren dit kenmerk. Ten eerste zijn er de specifieke, academische eigenheden. De indeling van het academische leven heeft reeds een grote invloed op het activisme. In het traditionele Europese systeem, dat slechts één examenperiode telde, konden studenten gemakkelijk tijd vrijmaken voor extra-academische activiteiten. Het huidige Europese en het Amerikaanse systeem, die een intensievere examinering kennen, bieden studenten minder de mogelijkheid tot die activiteiten. Het is duidelijk dat de academische kalender een bepalende factor is in het studentenbestaan.
Een andere factor die het weinig duurzame karakter van het studentenactivisme kan verklaren is het vluchtige verloop van de studentengeneraties. Studentengeneraties veranderen gemiddeld elke vier jaar. Duurzaam studentenactivisme wordt door dit verloop erg bemoeilijkt. Studentenbewegingen kennen op een korte tijd een enorme verandering van leden, wat de continuïteit niet bevoordeelt. Bovendien kennen jongere generaties op deze leeftijd vaak een groot verschil in mentaliteit: wat voor één generatie een prioriteit is, is dit niet voor hun opvolgers. Zaken die voor één generatie studenten een strijdpunt kunnen betekenen, zijn voor een volgende generatie misschien reeds een evidentie.
Omdat studenten ook weten dat hun tijd aan een universiteit beperkt is, lijken zij minder geneigd te strijden voor veranderingen op lange termijn. Ze zijn ze eerder gefocust op het zo snel mogelijk oplossen van kwesties, om er zelf ook de vruchten te kunnen van plukken.
Altbach geeft ook nog een, volgens hem, belangrijke sociologische oorzaak voor het niet-duurzame karakter van studentenactivisme.[19] In vele landen zijn studenten vooral afkomstig uit gegoede families. Hun activisme rond maatschappelijk-politieke kwesties gaat uit van idealisme en niet van een rechtstreekse of persoonlijke betrokkenheid. Het feit dat hun engagement niet is ingegeven door persoonlijke noden, maakt volgens Altbach dat studenten sneller het activisme vaarwel zeggen.
2.3. Kenmerken van het studentenactivisme: de activisten.
Uiteraard kan dit onderzoek niet de volledigheid nastreven zonder een blik te werpen op de acteurs van het studentenactivisme. We zullen ons concentreren op de leiders van de activisme. Er is reeds, zij het zeer summier, comparatief onderzoek gedaan naar de sociologische kenmerken van studentenleiders, in de VS, verscheidene Europese landen, India en Japan. Wij zullen de resultaten van deze onderzoeken gebruiken om, in grote lijnen, een sociologisch beeld te geven van de leiders actief in de studentenbewegingen. Daarnaast zal ik enkele gegevens aanvullen met resultaten van een onderzoek van Altbach naar studentenleiders uit postkoloniale gebieden.
Kwantitatief gezien vormen de leiders van de studentenbewegingen een minieme minderheid van de studentenpopulatie. Het ledenaantal van de studentenbewegingen is steeds een minderheid geweest van de totale studentenpopulatie, zelf tijdens de grootste en meest gekende studentenmanifestaties zoals de mei 1968- beweging in Parijs of het vredesbeweging ten tijde van de Viëtnamoorlog in de VS. Altbach verdeelt de actieve studenten in drie categorieën, die hij voorstelt als drie concentrische cirkels, al naar gelang hun engagement.[20]
Dit zijn de cirkels, van binnen naar buiten voorgesteld: de middelste, kleinste groep is die van “het leiderschap”. Dit is de minieme minderheid van de studenten die aan de leiding van de beweging staan. Deze zijn opmerkelijk radicaler dan de overige betrokken studenten. De volgende cirkel is die van de “actieve volgelingen”. Deze zijn zich bewust van de kwesties waarrond de beweging actief is, zijn betrokken bij de werking en de acties van de beweging en zijn bereid mee actie te voeren. De grootste cirkel groepeert de studenten die wel sympathiseren met de beweging, maar die niet echt vertrouwd zijn met de specifieke invulling van haar objectieven. Deze groep is slechts sporadisch betrokken bij de acties van de beweging. Buiten deze groepen bevindt zich nog een groot deel van de studentenpopulatie, die ofwel apathisch, ofwel vijandig tegenover de beweging staat.
De dynamiek van een studentenbeweging verschilt niet veel van die van andere bewegingen, al zijn er natuurlijk specifieke kenmerken, die terug te brengen zijn op de eigenheid van het studentenbestaan: een beperkte leeftijdscategorie, een vrij gesloten en beperkte populatie, gemeenschappelijke sociale achtergronden. Onderzoek naar de sociologische achtergrond van studentenleiders bracht volgende conclusies naar voor.[21]
Studentenleiders zijn overwegend actief in politieke bewegingen. Zij zijn vaak reeds lid van een politieke beweging en zijn tijdens het academiejaar, betrokken bij de werking van deze beweging.
Studentenactivisten zijn vaak terug te vinden in studierichtingen uit de sociale en humane wetenschappen. Algemeen beschouwd zijn studenten uit deze faculteiten sociaal betrokken en politiek bewuster dan studenten uit technische richtingen of uit de exacte wetenschappen. Dit politiek bewustzijn gaat uit van eigen interesses en kan uiteraard gestimuleerd worden tijdens de opleiding.
De leiders van het studentenactivisme komen vaker uit kosmopolitische families. De families zijn overwegend afkomstig uit stedelijk gebied, hun inkomen ligt hoger dan dat van het gemiddelde familiale inkomen en de families kennen een hoog opleidingsniveau. Deze vaststelling wordt uitvergroot door landen zoals de VS, waar het inkomensverschil binnen de populatie erg groot is. Ook in de landen van de Derde Wereld zien we dit inkomensverschil. Toch lijkt hier stilaan, door de democratisering van het onderwijs, verandering in te komen.
De familiale afkomst speelt in de postkoloniale landen nog een belangrijke supplementaire rol. Door hun familiebanden voelen deze studenten zich vaak beschermd bij het actievoeren. Potentieel gevaarlijke situaties kunnen zij afwenden door beroep te doen op de relaties die hun families hebben in politieke middens.
Studentenleiders halen overwegend betere resultaten dan de gemiddelde student.
Studentenleiders zijn vaak afkomstig uit minderheidsgroeperingen. Zowel in Japan, Korea, Frankrijk als de VS is een disproportioneel groot deel van de activistische studentenpopulatie afkomstig uit minoritaire bevolkingsgroepen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat sociaal bewuste leden uit deze groeperingen door hun ervaringen sneller de stap zullen zetten naar activisme.
Deze data zijn voornamelijk afkomstig uit onderzoek gedaan in Westerse landen. We kunnen deze gegevens bij het eigen onderzoek in ons achterhoofd houden, maar het lijdt geen twijfel dat er variaties op deze stellingen zullen opduiken.
2.4. De aanzet tot activisme.
Er is weinig gekend over de oorzaken van studentenactivisme. De moeilijkheidsgraad voor onderzoek naar de oorzaken van activisme wordt versterkt door de variatie die er in de omgevingsfactoren. Kan het studentenactivisme van mei 1968 in Parijs wel vergeleken worden met studentenactivisme in Kenia? Toch is het nuttig om sommige factoren te bekijken die mogelijk invloed hebben op studentenactivisme.
Socioloog en filosoof Lewis Feuer meent dat studentenactivisme vaak terug te brengen is tot een generatieconflict. Veel activisten strijden vanuit hun rol als studenten nog steeds tegen de generaties van hun ouders.[22] Andere onderzoekers, zoals Edward Shils, menen dat studenten, door de interactie op de campus en hun jeugdig idealisme een hang hebben naar “antiregimegevoelens”. Kenneth Keniston meent eveneens dat studenten, door hun scholing en de interactie op het academisch niveau, meer idealistisch ingesteld zijn dan hun leeftijdsgenoten.[23] Het mag echter duidelijk zijn dat deze stellingen in de verste verte geen coherente theorie benaderen.
Er wordt algemeen aangenomen dat studentenactivisme gestimuleerd wordt door uitzonderlijke gebeurtenissen in een samenleving. Het studentenactivisme als een pijler van de dekolonisatiebeweging, de burgerrechtenbeweging, de anti-apartheidsbeweging of de anti-oorlogsbeweging is hier een duidelijke illustratie van. Studentenactivisme draait vooral rond sociale kwesties.De studenten zien zichzelf als het geweten van de samenleving en voelen zich verplicht om op te treden wanneer de waarden van deze samenleving in gevaar komen. Deze acties maken ons ook duidelijk dat studentenactivisme zich, zij het zeker niet exclusief, toch voornamelijk richt op kwesties die buiten de campus plaatsvinden.
Studentenactivisme kan wel een academische oorsprong kennen, maar dit activisme slaagt er nooit in om zich tot een massabeweging te ontplooien. Het is pas wanneer een academische kwestie gekoppeld wordt aan een bredere maatschappelijke zaak, dat deze beweging kan uitgroeien tot een massabeweging. Al bestaat dan het risico dat de aandacht voor de academische agenda in de bredere beweging naar de achtergrond wordt gedrongen.
Het is duidelijk dat de factoren die leiden tot studentenactivisme complex zijn. Onderzoekers hebben tot vandaag nog steeds geen coherent theoretisch kader uitgewerkt dat studentenactivisme verklaart en ontleedt. Allen zijn het er echter over eens dat het activisme gestimuleerd wordt door een complexe symbiose van psychologische en maatschappelijke elementen.
2.5. Antwoorden op het activisme .
Studentenactivisme roept uiteraard reacties op, van academische en burgerlijke autoriteiten en in bepaald uitzonderlijke gevallen, van brede lagen van de bevolking. De impact van het activisme wordt enerzijds bepaald door de thema’s die het activisme aangrijpt en anderzijds door de reacties die er op volgen. Wanneer een puur academisch thema de inzet is van het activisme, zal dit nooit een grote maatschappelijke impact kennen. Studentenactivisme richt zich echter zelden exclusief op de leefwereld van de universitaire instellingen. Vaak zijn maatschappelijk-politieke kwesties de oorzaak van het activisme. Wanneer universitaire kwesties aan de basis liggen van het activisme, zullen deze al snel gekoppeld worden aan maatschappelijke fenomenen. Zo overstijgt de impact van de beweging toch vaak de universitaire ruimte. Om deze reden worden de overlevingskansen van een studentenbeweging ook bepaald door de reacties van maatschappelijke actoren.
2.6. Antwoorden op het activisme: de burgerlijke autoriteiten.
Reacties op het activisme kunnen grofweg in twee categorieën worden ingedeeld. Ofwel wordt er repressief opgetreden tegen het studentenactivisme, ofwel wordt het activisme eenvoudigweg genegeerd.[24] Wanneer de autoriteiten het activisme geen aandacht schenken, wordt voornamelijk volgende redenering ingeroepen: studentenactivisme is een academische aangelegenheid, die door de academische autoriteiten behandeld dient te worden. Slechts wanneer het activisme de universitaire ruimte overstijgt, gebeurt het dat de burgerlijke autoriteiten reageren. Deze redenering wordt voornamelijk toegepast in Europa en de Verenigde Staten, waar studentenactivisme overwegend een academische aangelegenheid is, met weinig maatschappelijke relevantie. Slechts in de jaren zestig heeft het studentenactivisme in de VS (de burgerrechtenbeweging en de anti-Vietnam-beweging) en in Europa (ondermeer mei 68 in Frankrijk) een brede maatschappelijke impact gekend. Volgens Altbach is de brede impact van deze bewegingen te wijten aan de thema’s die de studentenbeweging had aangegrepen, thema’s die brede lagen van de bevolking beroerden.[25] Toch hebben ook de reacties van de autoriteiten meegespeeld in het succes van de bewegingen. De vredesbeweging in de VS kende een explosie van aanhangers, toen de autoriteiten repressief optraden. De doden die vielen onder de studenten na een politiecharge op de Kent State University in 1970 en het zenden van federale troepen naar de universiteiten, zorgde voor een nationale protestbeweging, die de grenzen van de campus oversteeg.
De relatie tussen het studentenactivisme en de politieke wereld is in de postkoloniale landen veel intenser dan in de westerse wereld. Deze situatie is niet alleen het gevolg van de rol van het studentenactivisme in de dekolonisatiebeweging. Het politieke systeem in veel postkoloniale landen verleent studenten een belangrijke plaats in het politieke spectrum.[26] Dit systeem is minder uitgebouwd dan het klassieke westerse model, waar naast de politieke partijen allerlei middenvelden, lobby’s en colonnes bij machte zijn om de politieke agenda te sturen. In postkoloniale landen zijn deze extrapolitieke krachten veel minder frequent en machtig. De massamedia zijn minder ontwikkeld, het parlementair systeem is minder krachtig en instellingen zoals vakbonden die in ons systeem deel uitmaken van het middenveld zijn vaak onmondig. Dit laat studenten toe om dichter bij het politiek proces te staan.
De studenten ontlenen hun positie ook aan de lage alfabetiseringsgraad die nog steeds de realiteit is in veel landen. Zij worden, te midden van een vaak miniem onderwezen bevolking, als intellectuelen gezien, zowel door de autoriteiten als door de bevolking.[27] Studenten werpen zich, gezegend met het aureool van intellectueel, vaak op als de spreekbuis van de bevolking of de streek van waar ze afkomstig zijn. Universiteiten zijn steeds in een metropool gevestigd, vaak zelfs de hoofdstad. Hierdoor bevinden studenten zich letterlijk vlakbij het machtscentrum. Van deze nabijheid maken studenten gebruik om problemen die op het thuisfront spelen, aan te kaarten. Tezelfdertijd verspreiden ze op het thuisfront ook informatie over de beslissingen die genomen zijn door de politici. Studenten zijn dus zowel woordvoerders als opiniemakers. Dit maakt van hen een groep binnen de bevolking waaraan politici niet kunnen voorbijgaan.
Het is in postkoloniale landen ook zo dat de politieke besluitvorming een veel directere impact heeft op het leven van zijn burgers. Politieke beslissingen kunnen bijvoorbeeld een rechtstreekse invloed hebben op de werkgelegenheid in een land, zeker wanneer de overheid de belangrijkste werkgever is, zoals het geval is in veel postkoloniale landen. Studenten volgen daarom het politieke bedrijf met argusogen, deels uit eigen belang, deels vanuit het bewustzijn van hun unieke rol in de samenleving.[28] Studenten beschouwen zichzelf als de elite van de toekomst, uitverkoren door het lot en de samenleving. Hun politiek engagement zien ze om deze redenen als een plicht ten opzichte van de huidige en toekomstige samenleving. Ze zijn het geweten van de samenleving.
De politieke ambities van de studenten worden echter niet altijd gesmaakt door de autoriteiten. Waar studentenactivisme ooit aan de basis lag van hevige onrust en zelfs regimes aan het wankelen bracht, hebben burgerlijke autoriteiten de neiging om sneller en repressiever te reageren. Dit heeft volgende belangrijke oorzaak. Studentenactivisme beperkt zich in bepaalde landen nooit tot academische kwesties. Deze academische kwesties worden steevast in verband met het (falende) beleid van het aan de macht zijnde regime. Deze vaststelling treedt in wisselwerking met de aard van deze regimes. Het zijn vooral totalitaire regimes die repressief optreden tegen studentenactivisten, regimes die op alle sectoren van de maatschappij directe macht uitoefenen en die protest, hoe specifiek ook, steevast zien als protest tegen het regime zelf.[29]
Er zijn genoeg voorbeelden gekend van postkoloniale autoritaire staten die repressief optreden tegenover politiek studentenactivisme, omdat ze vrezen voor algemene onrusten. Studentenbewegingen, zoals de opstand op het Tien Amen plein in Peking in juni 1989, worden bloedig neergeslagen, campussen worden door de strijdkrachten bezet, universiteiten worden door de autoriteiten gesloten en de studenten worden gedwongen de studentenhomes te verlaten. Repressief optreden kan een studentenbeweging de genadeslag geven, maar het kan ook een dynamiek ontwikkelen binnen de beweging. In Argentinië, Uruguay en in de VS zorgde het repressief optreden tegen de studentenactivisten voor een brede maatschappelijke beweging.[30] In Nigeria en Kenia sloten de autoriteiten de universiteiten en de studentenhomes en verplichtten ze de studenten huiswaarts te keren. Dit verminderde geenszins de agitatie, integendeel: door de studenten te dwingen naar huis terug te keren, werkten de regimes de verspreiding van het oproer in de hand.
Meer en meer staten gaan nu ook over tot het opleggen van preventieve maatregelen, om het politiek activisme op de campus zo veel mogelijk aan banden te leggen. In landen, zoals Thailand, China, Indonesië of Singapore, is een “certificaat van volgzaamheid” vereist om toegelaten te worden in het hoger onderwijs.[31] Op deze manier tracht men politieke dissidenten van de universitaire campus te weren. Daarnaast wordt de politieke activiteit op de campus tot het minimum herleid. De politieke neutraliteit, die in de statuten van de instellingen van hoger onderwijs is vastgelegd, wordt door de autoriteiten omgebogen tot een verbod op politieke activiteiten op de campus en een strikte reglementering rond politiek getinte uitspraken. Deze greep van de burgerlijke autoriteiten druist uiteraard in tegen het traditionele concept van de autonomie van het hoger onderwijs. Bovendien zijn deze maatregelen niet altijd even succesvol. Zo heeft bijvoorbeeld het Chinese “certificaat van volgzaamheid” de opstand op het Tien Amen plein niet kunnen verhinderen.
2.7. Antwoorden op het activisme: de universiteitsautoriteiten.
Indien we het studentenactivisme willen onderzoeken, kunnen we niet voorbijgaan aan zijn voornaamste biotoop, de instellingen van het hoger onderwijs. Het is vanzelfsprekend dat deze omgeving een invloed uitoefent op de mentaliteit van wie er actief is. Om de invloed van de universiteit te kunnen duiden, zullen we eerst de instelling zelf van naderbij bekijken.
De universiteit is in de eerste plaats een onderwijsinstelling. De prioriteiten zijn wetenschappelijk onderzoek en het doorgeven van kennis. Vanuit haar wetenschappelijke missie is de universiteit in staat om de maatschappelijke betrokkenheid van zijn studentenpopulatie te stimuleren. De meest evidente manier waarop dit kan gebeuren is via het curriculum. Vooral in de sociale en de humane wetenschappen worden maatschappijstelsels bestudeerd en geanalyseerd. De kennis die studenten hier opdoen, kunnen ze aanwenden om de maatschappij waarin ze zelf leven te analyseren en om alternatieven voor te stellen voor zaken die ze wensen te veranderen. Op deze wijze vormt de universiteit een vruchtbare bodem voor activisme.
De academische cultuur wakkert het kritisch denken ook aan door haar positie in de samenleving. In vergelijking met de andere delen van de samenleving in postkoloniale landen, zijn instellingen van hoger onderwijs liberaal ingestelde milieus. De student wordt beschouwd als een individu en ervaart aan de universiteit een mate van vrijheid die binnen zijn eigen gemeenschap vaak niet mogelijk is.[32] Bovendien biedt de universiteit meer kansen op sociale interactie met leden van diverse sociale groepen, wars van de traditionele barrières zoals etniciteit of religie. Door haar kosmopolitische sfeer staat de universitaire wereld vaak in oppositie met de samenleving waarin zij functioneert. De universiteit tracht deze positie zo veel mogelijk te behouden door zijn autonomie in te roepen, conditio sine qua non voor onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek.
Toch dient vermeld te worden dat die autonomie niet altijd een conditio sine qua non is geweest voor universiteiten in de postkoloniale gebieden. In de decennia net na de dekolonisatie bestond er, zeker in éénpartijregimes, een erg nauwe band tussen de burgerlijke autoriteiten en de academische wereld. In de geest van het “developmentalisme”, het collectieve vooruitgangstreven dat eind jaren zestig, begin jaren zeventig de heersende ideologie was in verschillende Afrikaanse staten, verenigden staat en hoger onderwijs de middelen om opleidingen aan te bieden die de studenten kennis en vaardigheden bijbrachten, maar ook traditionele waarden van het land.[33] Deze bundeling van krachten moest leiden tot de vorming van generaties patriottistische, plichtsbewuste en capabele functionarissen die mee het nationaal belang zouden dienen.
De universiteit kan zelf ook de directe aanleiding vormen voor studentenactivisme, wanneer de onderwijs- of levensomstandigheden in de schoot van de instelling aanleiding geven tot misnoegdheid. Hoewel het dan gaat om interne academische kwesties, betekent dit niet dat het activisme niet kan overslaan naar andere segmenten van de samenleving. Altbach’s voorbeeld hier van is het studentenactivisme in India.[34] De laatste decennia kende India verscheidene, zelfs gewelddadige studentenmanifestaties, die steeds dezelfde problemen naar voor brachten : een groeiende onvrede over de levens- en studieomstandigheden op de universiteit. Deze manifestaties breidden zich steevast uit buiten het academische milieu. Altbach geeft enkele oorzaken aan die verantwoordelijk zijn voor de uitbreiding van dit activisme. Ook in India was de studentenbeweging één van de pijlers in de onafhankelijkheidsbeweging, wat haar een van een bevoorrechte plaats verzekerde in de Indische maatschappij en haar het recht gaf om haar grieven voor een breed, nationaal publiek kenbaar te maken. Zijn de omstandigheden op de campus echter de aanleiding voor het protest, de dieperliggende oorzaken zijn maatschappelijke kwesties, zoals de schaarse werkgelegenheid voor universitair gediplomeerden. Dit protest, dat op zich non-ideologisch is, wordt aangewakkerd door politieke groepen, die de macht en de mobilisatiekracht van de studentenbeweging kennen en die het protest recupereren om hun eigen politieke agenda uit te voeren. Deze combinatie van factoren zorgt er voor dat puur academisch georiënteerd studentenactivisme vaak uitgroeit tot een globale maatschappelijke protestbeweging.
Wanneer studentenactivisme veroorzaakt wordt door een academische kwestie, is het aan de academische autoriteiten om te reageren. Toch verloopt de interactie tussen de studenten en de academische autoriteiten niet altijd gestroomlijnd. De academische besluitvorming verloopt niet altijd even snel, terwijl de meeste studentenacties, door het korte verblijf van de studenten aan de instelling, net gefocust zijn op onmiddellijk effect.[35] Op het ogenblik dat een door de studenten geëiste verandering kan worden ingevoerd, kunnen de prioriteiten van de studenten alweer verlegd zijn.
In de laatste decennia zien we dat de inspraak van studenten geïnstitutionaliseerd wordt in de academische instellingen. Deze ontwikkeling lijkt de belangrijkste - maar zeker niet de enige - oorzaak te zijn voor de afname van studentenactivisme rond academische thema’s in onze contreien.[36]
III. Context van het onderzoek
In dit hoofdstuk zal ik de specifieke situatie aan de Universiteit van Kinshasa schetsen. Het is immers noodzakelijk om de context te kennen waarin het onderzoek is gebeurd.
1. De Unikin.
De huidige Staatsuniversiteit van Kinshasa of Unikin is de oudste universiteit van Congo. In 1954 wordt ze, onder de naam Lovanium, opgericht.[37] Lovanium is de “dochteruniversiteit” van de Katholieke Universiteit Leuven. De universiteit is een getrouwe kopie van de Leuvense Alma Mater. Curriculum én professoraat zijn afkomstig uit Leuven. Trouw aan de principes van het schoolpact krijgt het Congolese onderwijs een blauwdruk van het Belgische systeem. Lovanium is de katholieke universiteit, Elisabethstad (Lubumbashi) krijgt een staatsuniversiteit en in Stanleystad (Kisangani) wordt de protestantse universiteit opgericht. Lovanium is de meest moderne universitaire instelling van Sub-Sahara Afrika. De universiteit zal voorzien in de universitaire opleiding van in Congo verblijvende Europeanen en een selecte groep Congolese uitverkorenen, die de elite moeten vormen van Belgisch Congo.
Zes jaar na de oprichting van Lovanium is Congo onafhankelijk. Voor de universiteiten verandert er maar weinig: zij blijven filialen van hun Belgische moederuniversiteiten. Deze afhankelijkheid zal in 1969 de inzet worden van studentenprotesten, die bloedig neergeslagen worden door het Mobutubewind. In 1971, ten tijde van de grote nationaliseringsgolf, zal Mobutu echter zelf de nationalisering van het hoger onderwijs doordrukken. Alle onderwijsinstellingen worden genationaliseerd. De drie universiteiten van het land worden gegroepeerd in de nationale universiteit UNAZA.[38] In de geest van het “developmentalisme” heeft het hoger onderwijs als hoger doel de vorming van patriottistische, eerlijke Congolezen, die begeesterd zijn door de Afrikaanse waarden van solidariteit en respect voor de autoriteit. In die optiek is de universiteit, zoals alle sectoren van de samenleving, erg sterk gelieerd met het monoparteïsme van die tijd.
De hervormingen gingen echter gepaard met een verminderde autonomie van de universitaire instellingen. De staat bepaalde vanaf nu wie de rector en de decanen werden van de universiteiten. Ook de harmonisering van het curriculum van de drie universiteiten werd door een staatscommissie uitgewerkt. Deze centralisatie zorgde echter voor het ontstaan van een enorme bureaucratie en een onderlinge rivaliteit tussen de drie afdelingen van de UNAZA. Deze rivaliteit werd nog versterkt door de ontoereikendheid van de staatssubsidies voor de UNAZA. Om dit tekort te compenseren dienden de afdelingen de inschrijvingsgelden op te trekken. Bovendien trachtten ze zoveel mogelijk studenten naar hun instelling te lokken, wat ten koste ging van de andere afdelingen van de UNAZA.[39]
Hoewel de evaluatie van de eerste centraliserende hervorming negatief uitviel, schakelt de Zaïrese staat in 1981 nog een versnelling hoger. Het hoger onderwijs wordt nog sterker gecentraliseerd. Het opzet van deze algemene hervorming is het afschaffen van de relatieve autonomie die de instellingen na de nationalisatie van 1971 nog behouden hadden.[40] Een van de maatregelen die volgens Bongo-Pasi enorm zal doorwegen op het hoger onderwijs is de ondoordachte afrikanisering van het universiteitspersoneel. Deze maatregel zou de oorzaak zijn voor de daling van het onderwijsniveau aan de instellingen, een minder secuur financieel beheer en de verwijdering tussen de Congolese en de buitenlandse academische wereld.[41] De malaise die heerst aan de academische instellingen wordt bovendien nog versterkt door de politisering van de benoemingen: bekwame intellectuelen moeten wijken voor trouwe partijsoldaten.
In de loop van de jaren tachtig gaat niet alleen het academisch wanbeleid wegen op de kwaliteit van het hoger onderwijs, ook de economische en politieke achteruitgang die de Zaïrese samenleving treft, raakt het onderwijs. Het budget van het ministerie van Onderwijs en Opvoeding, dat bij de onafhankelijkheid in 1960 nog 15 percent van het nationale budget uitmaakte, neemt ieder jaar af, om in 2003 minder dan 1 percent te bedragen.[42] In de jaren ‘80 verdwijnen geleidelijk de studiebeurzen en de schrapt de staat faciliteiten zoals transport en restauratie voor de studenten.
In het begin van de jaren 90 verzeilt Zaïre in een diepe crisis. Het Mobutu-regime wankelt en om zichzelf te redden past de président-fondateur de tactiek van de verbrande aarde toe. Alle geledingen van de Zaïrese maatschappij worden meegesleurd in de impasse. Tussen 1991 en 1993 kent de Unikin “deux années blanches”, academiejaren waarin de academische activiteiten worden geschorst.[43] De oorzaak voor de sluiting van de Unikin waren politieke onlusten. Na Mobutu’s toespraak van 24 april 1990, waarin hij het einde van het éénpartijstaat had aangekondigd, hadden de studenten hem iets te geestdriftig aan zijn beloften willen houden.
Wanneer in 1994 de Unikin opnieuw de activiteiten herneemt, staakt het zieltogende regime de uitbetaling van de lonen van de professoren, een uitbetaling die toch maar sporadisch meer gebeurde. Intussen komt het privaat hoger onderwijs opzetten in Kinshasa. Er gaan stemmen op om de Unikin eveneens te privatiseren, als mogelijke uitweg voor de financiële problemen voor de universiteit, maar dit voorstel wordt echter door de staat afgewezen.
Het universitair systeem wordt in 1994 gered door een merkwaardige alliantie tussen de professoren en de families van de studenten, gedoopt “sauvetage de l’année académique” of “le partenariat”.[44] De professoren, die hun baan willen behouden, en de studenten en hun families, die een universitair diploma beschouwen als een investering en een toekomstverzekering, kennen gelijklopende belangen en slaan de handen in elkaar. De studenten en hun families betalen de professoren, die garanderen in te zullen staan voor de lessen.
“Le partenariat” redt dan wel het academisch onderwijs, de formule heeft ook veel nadelen. De overeenkomst stipuleert dat de professoren een “academisch minimumprogramma” aanbieden. Dit betekent dat het professoraat alleen nog de lessen garandeert. Hun absenteïsme is echter enorm. De professoren maken gebruik van de uitstraling van hun functie om hun inkomen te verhogen: ze geven les in verschillende instituten, ze doen aan consultancyopdrachten of ze zijn actief in de politieke wereld. Dit doet de lengte van de academiejaren toenemen, tot soms wel vierentwintig maanden. Bovendien zijn de misbruiken door professoren wijdverspreid. Studenten worden verplicht om de cursussen van de professoren aan te schaffen, examenresultaten zijn te koop. Andere aspecten van de universitaire opleiding zoals het onderhoud van de auditoria en de aankoop van nieuw materiaal voor laboratoria en de academische bibliotheken worden opgeschort. Praktijkonderzoek of de verbeteringen van verhandelingen gebeuren alleen wanneer de student voor deze diensten betaalt.
Het partenariat heeft ook gezorgd voor een explosie van het aantal studenten op de Unikin. Aangezien de studenten instaan voor het inkomen van de professoren, betekent een toename van het aantal studenten een verhoging van het inkomen van de professoren. Deze verhoging van het aantal studenten bracht echter ook een gevaar mee voor het niveau van het onderwijs. De toelatingsvoorwaarden werden verlicht waardoor de universiteit voor meer studenten toegankelijk werd. Bovendien heeft de universiteit nog steeds dezelfde infrastructuur als bij zijn oprichting in 1954. In 2001 waren 25886 studenten ingeschreven op de Unikin, die studeerden en leefden in infrastructuren in 1954 begroot op 5000 studenten. Het is evident dat de kwaliteit van het onderwijs te lijden heeft onder deze omstandigheden.
Tenslotte is het meest perverse gevolg van dit partenariat misschien wel zijn permanente karakter. Toen dit in het academiejaar 1994-1995 werd ingevoerd, was het partenariat bedoeld als een voorlopige maatregel die het toenmalige academiejaar moest redden. De relatieve doeltreffendheid van de maatregel deed het Mobutu-regime echter definitief verzaken aan zijn verplichtingen. Ook het Kabila-regime heeft, mede door de oorlogskosten gemaakt tussen 1998-2003, nog geen echt begin gemaakt van een financiering van het hoger staatsonderwijs.
Vandaag bevindt de Unikin zich nog steeds in een echte impasse. De infrastructuur van de leslokalen en de studentenhomes is nooit vernieuwd, laat staan onderhouden. Er heerst een acute overbevolking in de auditoria, terwijl de leefomstandigheden in de studentenhomes revolterend zijn. De frustratie van studenten en professoren is erg groot, maar ook het regeerakkoord van de nieuwe regering-Gizenga voorziet weinig middelen voor het hoger onderwijs.
2. Studentenactivisme in Kinshasa.
Ook Congo kende in de loop van zijn bewogen geschiedenis uitingen van studentenactivisme. Professoren Herbert Lukunga Ntumba en Jean Abemba Builamu geven in hun werk “ Mouvements étudiants et évolution politique en République Démocratique du Congo” een overzicht van het studentenactivisme tussen 1971 en 1991.[45] Ik zal in dit deel een beknopt overzicht geven van het activisme in het onafhankelijke Congo.
In tegenstelling tot andere Afrikaanse landen zoals Senegal of Ghana kende Congo geen op de universiteit ingeplante onafhankelijkheidsbeweging. De reden hiervoor is eenvoudig: het land telde voor de onafhankelijkheid te weinig autochtone studenten. Ten tijde van de onafhankelijkheid waren er slechts tien universitair gediplomeerde Congolezen. De opkomst van het studentenactivisme in Congo loopt gelijk met de toename van de autochtone studenten aan de instellingen van hoger onderwijs in het land, een toename die een start neemt na de onafhankelijkheid.
Het activisme kent halverwege de jaren zestig zijn eerste strijdpunt. De nauwe banden tussen de Congolese universiteiten en hun “moederuniversiteiten”, de KU Leuven voor Lovanium en de Vrije universiteit van Luik voor de Vrije universiteit van Elisabethstad, het Belgisch professoraat en het Europese curriculum zijn voor de Congolese studenten symptomen van een nog steeds voortdurende kolonisatie. Nu de onafhankelijkheid een feit is, is het tijd om alle sectoren van het maatschappelijk leven te dekoloniseren. Reeds in 1964 kent Lovanium een eerste grote staking van de Congolese studenten, die de democratisering en de afrikanisering van de instelling eisen.[46] Er wordt echter geen gehoor gegeven aan de eis en de studenten houden elk academiejaar een manifestatie de autoriteiten te herinneren aan hun eisen.
Deze manifestaties worden opgezet door eenheidsbewegingen, die alle studenten groeperen en dus op enorme aantallen kunnen bogen. De studenten hebben, naar analogie met landen zoals Senegal, die reeds een cultuur van studentenbewegingen kennen, verenigingen verboden die steunen op verdelende criteria zoals tribale afkomst. Studenten groeperen zich in grote eenheidssyndicaten.[47] In Kinshasa zijn er twee zulke syndicaten. Er is het eenheidssyndicaat van de studenten van Lovanium, AGEL (Association Générale des Etudiants de Lovanium) en er is UGEC (Union Générale des Etudiants du Congo).[48] Deze syndicaten, die overwegend links en nationalistisch van ideologie zijn, hebben overal in Afrika hetzelfde doel. De dekolonisatie in alle sectoren van de samenleving doorzetten en het neokolonialisme bestrijden.
Op 4 juni 1969 bereikt het nationalistisch studentenactivisme een hoogtepunt. Op deze dag houden de studenten in Kinshasa een massale betoging waarmee ze hun eisen voor de democratisering van Lovanium nog eens willen onderstrepen. Tezelfdertijd willen de studenten ook hun ontgoocheling tonen tegenover het Mobutu-regime. Zij hadden gehoopt dat de generaal hun zou bijstaan in hun nationaliseringseisen, maar voor hen ontwikkeld Mobutu zich steeds duidelijker tot pion van het neokolonialisme.[49]
Mobutu is duidelijk niet opgezet met de betoging. Deze wordt met fors geweld uiteengedreven. Naargelang de bron vallen er tussen 6 en 112 doden. De universiteit wordt gesloten en de vierduizend studenten worden naar huis gestuurd. Een jaar later nemen enkele studenten, zij het symbolisch, weerwraak. Bij de presidentsverkiezingen waarbij Mobutu de enige kandidaat is, krijgt hij 158 tegenstemmen, allen afkomstig van de stembureaus op de campus van Lovanium.[50]
Wanneer de studenten in 1971 de verjaardag van deze slachtpartij willen herdenken, ondergaan ze opnieuw hetzelfde lot. Het komt tot hevige onrusten, de universiteit wordt gesloten en het merendeel van de 4000 studenten wordt twee jaar in het leger ingelijfd, om hen orde en tucht bij te brengen.[51]
De belangrijkste beslissing is het verbod van Mobutu op alle studentenverenigingen en syndicaten op de campus. De JMPR (Jeune MPR), de jeugdafdeling van Mobutu’s eenheidspartij Mouvement Populaire de la Révolution, is de enige organisatie die nog is toegelaten. Deze verwerft de facto een monopolie op de campus. Dit monopolie garandeert echter niet het einde van het protest tegen Mobutu. Gedurende twee decennia blijft de campus een broeinest van contestatie tegen het gezag, vaak clandestien, maar ook openlijk.
Bij gelegenheid zal het studentenprotest de buitenwereld bereiken, zoals tijdens het bezoek van premier Martens in 1981. [52] Op het einde van de jaren tachtig zijn de opposanten op de campus niet meer in bedwang te houden. Ondermeer geïnspireerd door de achteruitgang van de levensomstandigheden op de universiteitscampussen, wordt de studentenpopulatie één van de grootste critici van de maréchal. De campus van de Unikin wordt een bolwerk van de oppositiepartij UDPS (Union pour la Démocratie et le Progres Social) van Etienne Tshisekedi. Wanneer deze op 24 april 1990 het einde van de MPR-staat aankondigt, is de vreugde bij de studenten groot. De studenten zetten Mobutu onder druk om zo snel mogelijk af te treden, waarop deze reageert met arrestaties van studenten. De spanning tussen de studenten en het gezag neemt korte tijd later echter ongeziene proporties aan, wanneer het nieuws over de al dan niet plaatsgevonden slachtpartij van studenten op de universiteitscampus van Lubumbashi bekend raakt . Na een jaar van onrusten wordt de universiteitscampus van Kinshasa in 1991 gesloten om pas in 1993 weer open te gaan.[53]
Mobutu’s toespraak over het einde van de MPR-staat stort de Zaïrese samenleving in een jarenlange chaos, die ook doordringt tot op de campus. Naast de financiële problemen veroorzaakt de overgangsperiode ook een enorme chaos binnen de studentenverenigingen aan de universiteit. Het einde van de MPR als eenheidspartij betekent immers ook het einde van de JMPR als enige toegelaten studentenbeweging. Al die jaren leek de campus ingedeeld in twee kampen, de JMPR en de Mobutu-tegenstanders, die elkaar bestreden. Nu er een vrijheid van vereniging ontstaat, vallen beide kampen uit elkaar en worden er tientallen studentenverenigingen opgericht.
Dit proces is niet zo verwonderlijk als het op het eerste zicht mag lijken. Het studentenactivisme kende, ook gedwongen door de omstandigheden, sinds de onafhankelijkheid een relatieve eenheid. Het is ontegensprekelijk zo dat de strijd tegen Mobutu een bindmiddel is geweest tussen studenten, maar geen van beide kampen heeft eigenlijk ooit een eenheid gevormd. Zowel binnen het anti-Mobutu kamp als binnen de JMPR bestonden er steeds verschillende fracties, vaak regionaal gegroepeerd, die streden om de macht. Nu het Mobutu-kamp in de touwen lag, kwamen alle breuklijnen naar boven en ontstonden er, naar analogie met de politiek, ontelbare verenigingen, volgens tribale, politieke, religieuze en andere criteria.[54] De verdeeldheid die de studentenpopulatie steeds in zich had gedragen, komt na 24 april 1990 onstuitbaar aan de oppervlakte en beheerst vandaag nog steeds het verenigingsleven aan de universiteit.
IV. Probleemstelling en methode.
1. Probleemstelling.
Dit onderzoek behandelt het studentenactivisme aan de Unikin (Staatsuniversiteit van Kinshasa) in de periode 1998-2006. Zoals reeds in de inleiding aangehaald, is de weerklank van studentenmanifestaties in postkoloniale landen groter dan in de westerse wereld. Door de structuur van het politieke bedrijf staan studenten dichter bij politici en kunnen ze een grotere invloed uitoefenen. Ik wil nagaan of deze conclusies ook opgaan voor Congo, met name voor het studentenactivisme dat zich in Kinshasa ontplooide tussen 1998 en 2006.
De afgebakende periode is uiteraard niet willekeurig gekozen. De periode 1998-2006 kan beschouwd worden als de meest woelige uit de Congolese postkoloniale geschiedenis. In 1998 wordt het toenmalige regime van Laurent-Désiré Kabila aangevallen door een coalitie van rebellenbewegingen en enkele buurlanden van de RDC. Het conflict groeit uit tot een oorlog, waarin omzeggens alle landen van centraal Afrika betrokken raken. In 2002 wordt er in het Zuid-Afrikaanse Sun City een vredesakkoord gesloten, dat de oorlog, althans officieel, beëindigt. De bepalingen in deze akkoorden stipuleren een overgangsperiode van maximum twee jaar, waarin de belangrijkste strijdende partijen de macht delen. Deze transitieperiode zal de geschiedenis ingaan als de 1+4, naar de machtsdeling tussen de president en de 4 vice-presidenten. De transitie zou maximum twee jaar duren, maar deze werd twee maal verlengd, om uiteindelijk uit te monden in de verkiezingen van 2006.
Het is zonneklaar dat de gebeurtenissen van de voorbije acht jaren een enorme impact hebben gehad op alle geledingen van de Congolese maatschappij. De invloed van het conflict is reeds vele malen onderzocht, maar veelal komen dezelfde onderzoeksgebieden aan bod. Dit zijn meestal onderzoeksobjecten waarop de rechtstreekse impact van het conflict gekend is. Met dit onderzoek heb ik getracht om deze paden eens te verlaten. Ik wou de invloed onderzoeken die het conflict heeft uitgeoefend op een sector die op het eerste zicht misschien weinig of niet met het conflict gelieerd is, namelijk het universitaire milieu in het algemeen en de studentenpopulatie in het bijzonder.
Het doel van dit onderzoek is nagaan onder welke gedaante het studentenactivisme zich heeft gemanifesteerd in deze rumoerige jaren van conflict en transitie. Een blik op de Congolese geschiedenis leert ons dat studenten in Congo/Zaïre vaak actief hebben getracht het politieke bestuur te beïnvloeden. Ik wil onderzoeken hoe het activisme aan de universiteit zich ontplooid heeft in deze jaren van politieke hoogspanning. Is er een afname geweest van studentenactivisme, of is het activisme integendeel gestimuleerd door de ontwikkelingen in het land? Hebben de studenten zich gefocust op maatschappelijke kwesties in hun acties of heeft het activisme zich geconcentreerd op de interne, universitaire aangelegenheden?
Studentenactivisme kan volgens Altbach grotendeels in twee categorieën onderverdeeld worden. Het activisme kan zich concentreren op aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het studentenleven, zoals de leefomstandigheden van de studenten en de inschrijvingsgelden, of het kan betrekking hebben op bredere, maatschappelijke verschijnselen, zoals de politieke toestand van een land.
Deze opdeling mag echter niet strikt geïnterpreteerd worden. Er is altijd sprake van wisselwerking tussen beide contestatiegebieden. Onderzoek, onder meer naar het activisme in India, toont aan dat manifestaties die draaien rond academische kwesties vaak de grenzen van de campus overstijgen om uit te groeien tot globale politieke kwesties. Het studentenprotest wordt immers gerecupereerd door politieke krachten om hun eigen agenda kracht bij te zetten. In hoeverre speelt deze dynamiek ook in Kinshasa?
Voorts wil ik ook nagaan wat de reactie was van de burgerlijke en universitaire autoriteiten op eventueel studentenactivisme. Is het activisme genegeerd, wegens dringender zaken, werd het activisme repressief neergeslagen, of werd het gestimuleerd?
Mogelijke reacties van de autoriteiten op het studentenactivisme vinden we terug in het werk van Altbach. Het activisme kan genegeerd worden door de burgerlijke autoriteiten en beschouwd worden als een interne, academische aangelegenheid. Het gebeurt echter ook dat de burgerlijke autoriteiten wel reageren. Een mogelijke optie is dat het academisch bestuur aangezet wordt om een oplossing te zoeken, maar ook een repressieve aanpak door de burgerlijke autoriteiten zelf behoort tot de mogelijkheden. Deze repressieve aanpak komt er vooral in landen die reeds te maken gehad hebben met een politiek invloedrijke studentenpopulatie, of wanneer het studentenactivisme uitgroeit tot een beweging die het maatschappelijk debat domineert. Ook hier wil ik onderzoeken in hoeverre het studentenactivisme in Kinshasa gelijkenissen of verschillen vertoont met de onderzoeksconclusies van Altbach.
Dit werk zou gezien kunnen worden als een comparatief onderzoek ten opzichte van Altbachs bevindingen rond studentenactivisme in de postkoloniale wereld, of als een chronologisch vervolg op het werk van Abemba Bulaimu en Ntumba Lukunga rond studentenactivisme en politieke evolutie in Congo/Zaïre. Hoewel beide uiteraard een leidraad en een inspiratiebron zijn voor mijn eigen onderzoek, zal ik me niet vastpinnen op hun werken. Beiden behandelen immers geografisch of chronologisch een andere context, en net die context is steeds essentieel voor zowel de structuur als de bevindingen van elk onderzoek naar studentenactivisme.
2. Methode.
De doelstelling van dit onderzoek is een beeld te schetsen van het studentenactivisme aan de Unikin tussen 1998 en 2006. “Welke acties hebben de studenten in die jaren ondernomen en hoe reageerden de academische en burgerlijke autoriteiten op hun acties?” zijn de belangrijkste vragen. Om een antwoord te krijgen op deze vragen, heb ik volgende stappen ondernomen. De eerste, voorbereidende fase van het onderzoek bestond uit het doornemen van literatuur om een theoretisch kader te scheppen voor het onderzoek. De neerslag van dit voorbereidend werk is terug te vinden in het theoretisch kader in de inleidende hoofdstukken. De volgende fase was uiteraard het onderzoek zelf.
2.1. Terreinonderzoek.
Deze scriptie is het resultaat van terreinonderzoek. Zoals reeds aangegeven is er tot op heden reeds onderzoek gedaan naar studentenactivisme in postkoloniale landen, maar dit vond vooral plaats in Azië en Zuid-Amerika. Het onderzoek naar Afrikaans studentenactivisme is eerder aan de bescheiden kant, laat staan dat de resultaten ervan makkelijk te verkrijgen zijn. Een literatuurstudie naar Congolees studentenactivisme vanuit België zou dan ook onbegonnen werk geweest zijn. De literatuur die ik in dit onderzoek heb gebruikt over het Congolese studentenactivisme komt overigens zo goed als volledig uit Kinshasa.
Er wordt heden ten dage algemeen aangenomen dat de mogelijkheden van de communicatie, ondermeer door de wereldwijde inplanting van het internet, onbegrensd zijn. Wereldwijde inplanting -een bewering die sowieso reeds gerelativeerd mag worden- is echter nog geen synoniem voor wereldwijde toegankelijkheid. Deze toegankelijkheid is immers eveneens afhankelijk van verschillende andere factoren: technologische en financiële middelen, tijd en bereikbaarheid en een gedegen kennis van de communicatiemiddelen zijn elk afzonderlijk bepalende factoren die het gebruik van deze middelen mogelijk of onmogelijk maken. De realiteit is dat vandaag nog steeds een markante minderheid van de wereldbevolking toegang heeft tot internationale communicatiemiddelen. Het zou onmogelijk zijn om aan de hand van deze media een intensief onderzoek te voeren van op afstand.
Deze logistieke beperkingen vormen echter niet de belangrijkste beweegredenen om te opteren voor veldonderzoek. Het belangrijkste criterium om over te gaan tot veldonderzoek is zijn wetenschappelijke meerwaarde. Een onderzoek naar acht jaar studentenactivisme aan een universiteit is een intensief onderzoek. Niet alleen is de afgebakende termijn vrij uitgebreid, de universiteit vormt op zich ook een grote gemeenschap, die uit meer bestaat dan alleen maar studenten. Om deze entiteit te kunnen doorgronden, om aan te voelen welke interacties en verhoudingen invloed hebben op het leven aan en de werking van deze gemeenschap, is men verplicht om zich minstens gedurende enkele weken in te werken in dit geheel.
Voor dit onderzoek verbleef ik twee maanden aan de universiteit van Kinshasa. Reeds voor mijn vertrek had ik intensief contact gehad met professor Hubert Ntumba Lukunga, co-auteur van het boek “Mouvements étudiants et évolution politique en République Démocratique du Congo”, die me door professor Jean Omasombo, werkzaam in het centrum voor studies in Midden-Afrika in Tervuren, was aanbevolen. Het oorspronkelijke plan, het voeren van het onderzoek vanuit de vakgroep sociologie waaraan professor Ntumba Lukunga was verbonden, werd echter, na het kennismaken met de eigenheden van het onderzoek op de vakgroep, vrij snel aangepast aan de realiteit. Ik verkoos om enkel voor het verkrijgen van de toegang tot de administratieve diensten vanuit de vakgroep te opereren. De overige stappen in het onderzoek heb ik zelfstandig gezet, me bij gelegenheid en noodzaak beroepend op het netwerk dat ik zelf, door het intensief leggen van contacten, had opgebouwd. Dit netwerk bestond ondermeer uit academisch personeel en (oud-)studenten van de Unikin, met wie ik vanuit België reeds contact had, persoonlijke relaties aan de Unikin en contacten gelegd tijdens het onderzoek zelf. Omdat het onderzoek een globaal beeld vereiste van de Unikin, heb ik getracht om contacten uit te bouwen in alle geledingen van de Unikin.
2.2. Interviews
Om antwoorden te kunnen formuleren op de onderzoeksvragen heb ik me toegelegd op de analyse van mondelinge interviews en tekstdocumenten. Tijdens mijn verblijf in Kinshasa heb ik vijfentwintig interviews afgenomen van mensen die verbonden waren aan de universiteit. Zestien interviews waren gesprekken met leiders van studentenverenigingen of studentenvertegenwoordigers. Ik sprak ook met COJESKI (Collectif des Organisations des Jeunes Solidaires du Congo-Kinshasa), een organisatie die niet exclusief universitair is, maar die alle jongerenorganisaties in de RDC groepeert. Naast de studenten had ik ook interviews met leden van het professoraat en personen die op een andere wijze verbonden waren met de Unikin, zoals de politiecommissaris van de universitaire politie.
Bij de selectie van de gesprekspartners speelden verscheidene criteria mee. Zo diende ik er op toe te zien voornamelijk personen te interviewen die de jaren van het onderzoek hadden beleefd op de campus en dus al in 1998 in Kinshasa aanwezig waren. Cynisch genoeg stak de wanorde van het universitair onderwijs hier een handje toe: door de “elasticiteit” van de academische jaren, die soms wel tweeëntwintig maanden in beslag namen, waren er nog voldoende studenten op de campus aanwezig die de volledige periode hadden meegemaakt. Om deze reden sprak ik informeel trouwens ook met enkele assistenten of doctorandi. Zij hebben immers de periode zowel als student als langs de andere kant van het bureau meegemaakt.
Het belangrijkste criterium was echter de representativiteit: de Unikin telt een populatie van meer dan dertigduizend studenten en academisch personeel. Deze bevolking is afkomstig uit gans het land en vertegenwoordigt enorm veel groeperingen en overtuigen, van tribaal, over politiek tot religieus. Ik heb gepoogd om de verscheidenheid van de Unikin zo getrouw mogelijk te representeren bij de keuze van de geïnterviewden. Zo bestaat er een enorme diversiteit aan studentenverenigingen. De Unikin telde in het academiejaar 2005-2006 eenenzeventig officieel toegelaten studentenverenigingen, georganiseerd volgens tribale, regionale en religieuze criteria. Daarnaast bestaan er ook facultair georganiseerde verenigingen, sociaal geëngageerde groeperingen en socio-culturele gezelschappen. Naast de erkende zijn er echter nog allerhande niet-erkende verenigingen op de campus actief. Het was dus de bedoeling om binnen dit overaanbod aan organisaties een selectie te maken die representatief was voor de universiteitspopulatie.
Zoals reeds geschreven interviewde ik zestien studentenleiders of –vertegenwoordigers. Vijf van hen waren vertegenwoordigers van verenigingen die op regionale of tribale basis waren georganiseerd. Met de selectie van deze verenigingen verzekerde ik me van een billijke representatie van de verschillende regio’s in Congo. Dit zijn ze, met vermelding van de provincie van afkomst.
CEM (Cercle des Etudiants Ressortissants du Territoire de Mweka): afkomstig uit de provincie West-Kasai (centrale provincie in Congo)
MERI (Mutuelle des Etudiants Ressortissants de l’Ituri): afkomstig uit de provincie Noord-Kivu ( gelegen in het noordoosten van Congo)
MERB (Mutuelle des Etudiants Ressortissants de Bikoro): afkomstig uit de Evenaarsprovincie (gelegen in het noordwesten van Congo)
CEOBE/Unikin (La Communauté des Etudiants Originaires de Boma, Moanda et Bas Fleuve): afkomstig uit de provincie Bas Congo (gelegen in het westen van Congo)
MUUNGANO (Dynamique des étudiants de Kivu-Maniema pour la paix et le développement dans la region des grands lacs): afkomstig uit de provincies Noord- en Zuid-Kivu en Maniema (gelegen in het oosten van het land)
De laatste vereniging beschouwde zichzelf trouwens ook als lid van de “société civile”, net zoals COJESKI. Ik zal de overige studentenverenigingen of -structuren die me een interview toestonden ook opsommen, met een omschrijving van hun activiteiten of functie.
Paroisse estudiantine: de universiteitsparochie.
MIEC (Mouvement International des Etudiants Chrétiens): een katholieke vereniging die studenten uit alle onderwijsinstellingen van Kinshasa groepeert.
Café Juridique, Cassation Togue Noire & CERI (Cercle des Etudiants en Relations Internationales de l’Université de Kinshasa): twee facultair georganiseerde instellingen wiens missie het vulgariseren van de wetenschap is.
RETO (Regroupement des Etudiants des Territoires Occupées): een belangenvereniging die de rechten verdedigt van de studenten afkomstig uit de door het conflict getroffen gebieden.
JUPRDC (Jeunesse Patriotique de la RDC): officieel socio-culturele vereniging, in werkelijkheid vereniging die student-soldaten groepeert.
DEAZ (Dynamique des étudiants Amis de Z’Ahidi Ngoma): de enige politieke vereniging die op de campus is toegelaten.
De redacteur van het studentenblad Politikonzo.
De voorzitter van de Coördination des étudiants de l’Unikin en de studentenvertegenwoordigers uit de faculteiten sociale en politieke wetenschappen en geneeskunde.
Daarnaast interviewde ik volgende professoren of personen die verbonden zijn aan de Unikin:
Evarist Boshab, professor faculteit rechten Unikin en député national (parlementslid).
Herbert Ntumba Lukunga, professor faculteit sociale en politieke wetenschappen
Flavien Musitu, professor faculteit letteren & wijsbegeerte en voorzitter waarheids- en verzoeningscommissie Unikin.
Willy Bongo-Pasi Moke Sangol, decaan faculteit letteren en wijsbegeerte Unikin.
Octave Kamwiziku Wozol, secretaris APUKIN (Association des Professeurs de l’Unikin.
Patrick Kelele, Chef de travaux faculteit economie Unikin.
Kalonda Shaku, verantwoordelijke Division des activités culturelles de l’Unikin.
Commissaire Luzayadio, commissaris universitaire politie.
Naast de vijfentwintig interviews had ik ook talrijke niet georganiseerde gesprekken met personen die aan de universiteit verbonden waren, of latere gesprekken met de geïnterviewden, buiten het kader van het interview zelf. Het spreekt voor zich dat ik de informatie bekomen in deze gesprekken zal aanwenden wanneer deze voor verduidelijking kan zorgen rond bepaalde kwesties die later aan bod zullen komen. Deze losse gesprekken hebben het voordeel dat ze buiten het georganiseerde karakter van het onderzoek en dus in een meer ontspannen sfeer plaatsvonden. Weinig geïnterviewden zagen het vraaggesprek immers als louter een interview over hun ervaringen aan de universiteit of rond de activiteiten van hun studentenvereniging. Een buitenlandse onderzoeker die contact met hen zocht en interesse vertoonde voor hun activiteiten, creëerde bij de verenigingen vaak hoge verwachtingen. Na het gebruikelijke wantrouwen overwonnen te hebben dat bij de eerste contacten steevast aanwezig was, ontstond er zo goed als altijd een erg gastvrije sfeer. Toch werd er meermaals duidelijk gemaakt dat ze hun informatie niet belangeloos deelden. Zo goed als elke vereniging verwachtte dat dit interview zou leiden tot duurzame banden en samenwerkingsverbanden met de oud-kolonie. Op zich is hier uiteraard niets verkeerd mee, maar deze verwachtingen kleurden wel de antwoorden van de geïnterviewden. Op geregelde tijdstippen kon ik me niet van de indruk ontdoen dat sommige woordvoerders van verenigingen zich uitputten in het legitimeren van de eigen vereniging en in elk antwoord het zaligmakende karakter van hun vereniging benadrukten, om me er op te wijzen dat steun voor hun vereniging beslist geen weggegooid geld zou zijn. Anderzijds gebeurde het regelmatig dat woordvoerders van bepaalde studentenverenigingen het interview aanwendden om hun heldendaden te illustreren en aan te tonen hoe machtig ze wel waren op en buiten de campus.
Het spreekwoord “De overwinning kent vele vaders, de nederlaag geen enkele.” was vaak van toepassing op de acties waarover ik praatte met de gesprekspartners. De studentenacties, die ik later zal bespreken, hadden, naargelang het succes van de actie, wel erg veel vaders, waarbij het plan van de één nog listiger en gewaagder was dan dat van de andere. Acties die niet goed waren afgelopen of erg gecontesteerd waren, werden vaak op “de andere” afgeschoven. Deze andere kon op ontelbare manieren worden ingevuld: studenten van andere faculteiten, studenten van andere verenigingen, studenten uit het oosten versus studenten uit het westen, professoren versus studenten en vice versa of professoren die andere professoren aanklaagden en last but not least, politici en hun stromannen op de campus.
Het zal later in het onderzoek duidelijk worden dat in de transitieperiode, naarmate de strijd om de macht tussen de burgerlijke autoriteiten steeds grotere proporties aannam, deze strijd ook op de campus werd geïmporteerd en uitgevochten. Niettegenstaande deze vaststelling bleek het uit de interviews meermaals dat de implicatie van de politiek niet altijd nodig was om een machtstrijd te doen losbarsten op de campus. De heersende machtsverhoudingen, maar ook de constante dreiging van en angst voor een machtsomwenteling, werden meermaals impliciet en expliciet naar voor gebracht in gesprekken.
Tenslotte had ik regelmatig de indruk dat het interview voor bepaalde verenigingen een welgekomen promostunt was. Het feit dat uit tientallen studentenverenigingen zij precies waren uitgekozen voor een interview was voor velen het ultieme bewijs van de goede werking van hun organisatie. Vaak werden de ontmoetingen met “ onze Belgisch-Congolese broer en onderzoeker” vastgelegd op de gevoelige plaat en werd beloofd om bij volgende gelegenheden uit te pakken met de internationalisering van de werking van de vereniging, een nieuwe grote stap in hun ontwikkeling. Zoals ik reeds schreef, is dit vrij onschuldig, het gevaar bestaat alleen dat in het enthousiasme van het ogenblik de studentenvereniging iets groter en belangrijker werd voorgesteld dan ze eigenlijk was.
De interviews werden gedaan op basis van een vooraf opgestelde vragenlijst.[55] Deze vragenlijst had ik samengesteld op basis van enerzijds de literatuur die ik had doorgenomen en anderzijds de gesprekken die ik de eerste weken had op de universiteitscampus van de Unikin. De literatuur voorzag me van een theoretische basis, die ik aan de hand van de gesprekken en literatuur geraadpleegd aan de Unikin zelf eventueel kon aanpassen aan de realiteit van de Unikin. Zo stelde ik aan de hand van deze literatuur en gesprekken een lijst op van de belangrijkste studentenmanifestaties die in de voorbije acht jaar hadden plaatsgevonden in Kinshasa.[56] Deze legde ik dan tijdens het interview ook voor aan de gesprekspartners en vroeg hen te vertellen over de acties waar zij al dan niet betrokken bij waren.
De vragenlijst toont enkele nuances naargelang de geïnterviewde een student was, een professor of een functionaris met de Unikin verbonden. Zo was er bij de interviews met de voorzitters van de studentenverenigingen steeds een aantal vragen over hun vereniging zelf. Via de antwoorden op deze vragen, die ondermeer handelden over het aantal leden, de objectieven, de activiteiten en de financiering van de organisatie, was het mogelijk om een beeld schetsen van de studentenverenigingen aan de Unikin.
Het belangrijkste deel van de vragenlijst handelt over de jaren van het onderzoek, namelijk 1998-2006. Deze periode splitste ik op in twee delen. De eerste periode vangt aan bij het begin van het conflict in 1998 en eindigt met de ondertekening van de akkoorden van Sun City eind 2002. Het tweede deel behelst de volledige transitieperiode, vanaf de ondertekening van de Sun City-akkoorden tot en met de tweede ronde van de verkiezingen in 2006. Deze opsplitsing voerde ik in omdat het na de eerste gesprekken en het doornemen van de literatuur in de eerste weken duidelijk werd dat de ondertekening van de akkoorden van Sun City ook een cesuur betekende voor het studentenactivisme aan de Unikin. Beide delen van de vragenlijst zijn echter identiek. Een eerste reeks vragen peilt naar de persoonlijke ervaringen van de geïnterviewde in deze periode, een tweede deel naar de activiteiten die zijn of haar vereniging heeft georganiseerd of waaraan de vereniging heeft deelgenomen en een derde deel gaat dieper in op de invloed van de politieke situatie op het leven aan de campus in die jaren.
Het laatste deel van de vragenlijst bestaat uit enkele algemene vragen of stellingen die ik in de eerste weken van mijn verblijf hoorde en die ik voorlegde aan alle geïnterviewden.
Deze vragenlijsten waren de basis voor de interviews, maar er werd niet strikt aan vastgehouden. De interviews waren semi-gestructureerde gesprekken. Deze hebben als doel het verkennen van een bepaald onderwerp op een open manier, waarbij de respondenten zoveel mogelijk gestimuleerd worden om hun gedachten en meningen uit te drukken. Het verloop van het interview bepaalde of er vragen werden toegevoegd of eerder weggelaten. Wanneer een geïnterviewde relevante informatie had, werd er dieper op ingegaan. Bij andere interviews werden, naargelang de situatie dan weer vragen weggelaten. Zo had bijvoorbeeld niet elke geïnterviewde de acht jaar van het onderzoek op de universiteit meegemaakt. Het had weinig zin om aan deze personen vragen te stellen over een periode die ze niet actief hadden beleefd.