| Globalisering of omgekeerde globalisering: de wereld verovert de NBA. (Kevin Vandenberghe) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
‘Globalisering of omgekeerde globalisering: de wereld verovert de NBA’ is de wat bombastisch klinkende titel die we aan onze eindverhandeling hebben meegegeven. Bij het lezen van het tweede deel van dit werk (‘de Amerikaanse sportcultuur en de NBA’) zal blijken dat de vlag niet volledig de lading dekt. Maar toch zullen we aantonen dat deze boutade niet helemaal uit de lucht gegrepen is. Globalisering is in onze titel namelijk synoniem voor amerikanisering, dit is de wereldwijde verspreiding van Amerikaanse culturele en economische goederen. Omgekeerde globalisering is voor ons een soort terugslageffect als gevolg van deze Amerikaanse hegemonie en heeft hier betrekking op de migratie van sportatleten richting de Verenigde Staten van Amerika. In ons onderzoek, deel 3, gaan we na of de prestaties van deze spelers op hun beurt een invloed hebben op de berichtgeving over basketbal in hun land van herkomst. Tevens onderzoeken we of er een significante samenhang bestaat tussen de tijd en de berichtgeving over basketbal sinds de knalprestatie van het Amerikaanse Dream Team op de Olympische Spelen van Barcelona in 1992, algemeen gezien als de definitieve doorbraak van de basketbalsport in de wereld.
In een eerste deel, getiteld ‘Globalisering en mediatisering’, geven we een overzicht van de belangrijkste theorieën over de fenomenen globalisering en mediatisering en brengen we deze in verband met sport en basketbal. Het eerste hoofdstuk is volledig gewijd aan globalisering, het tweede aan mediatisering. We hebben aandacht voor het verband tussen nationalisme en sport en etniciteit/racisme en sport, algemeen en in de media.
Het tweede deel, ‘de Amerikaanse sportcultuur en de NBA’, wordt opgesplitst in vier hoofdstukken. In het derde hoofdstuk schetsen we de ontwikkeling van de Amerikaanse sportcultuur en de organisatie van het huidige sportlandschap. In het vierde en vijfde hoofdstuk richten we ons tot het basketbal, waarin we naast het ontstaan van het basketbal en de NBA ook aandacht hebben voor de tegenstelling tussen blank en zwart. In het zesde hoofdstuk ten slotte, komen de begrippen etniciteit, nationalisme en racisme opnieuw aan bod, maar dan specifiek met betrekking tot sport in de VS. We besluiten dit hoofdstuk met de bespreking van de recente evolutie in de Amerikaanse basketbalcompetitie, de NBA, dat als titel ‘Verovering van de NBA’ meekrijgt.
In het derde deel en het zevende hoofdstuk, presenteren we ons onderzoek naar de berichtgeving over basketbal in Europa sinds 1993. We stellen als nulhypothese dat de samenhang tussen het aantal artikels over basketbal en hun oppervlakte enerzijds en de tijd anderzijds significant gestegen is in de periode 1993-2004 als gevolg van de globalisering van het basketbal en de toetreding van landgenoten tot de NBA. We onderzoeken tien kwaliteitskranten en weekbladen uit vier verschillende landen (België, Duitsland, Frankrijk en Spanje) en nemen de resultaten voor deze landen samen om een uitspraak te doen over de evolutie in Europa.
1. Globalisering en mediatisering
1.1. Globalisering
1.1.1. Wat is globalisering?
De voorbije twintig jaar is de term ‘globalisering’ een hot topic geworden in academische en mediakringen. Te pas en te onpas gebruikt, is de werkelijke betekenis van dit begrip onderwerp van verwarring, verkeerde interpretatie en talloze twisten.
Voor Anthony Giddens betekent globalisering het volgende: “de intensifiëring van wereldwijde sociale relaties die verscheidene streken met elkaar in verband brengen op zo’n manier dat lokale gebeurtenissen mede gevormd worden door gebeurtenissen die aan de andere kant van de aardbol plaats vinden, en vice versa” (Giddens in Maguire, 1999, p. 13).
Adam Lent (04.09.2004) maakt gewag van drie aspecten van globalisering: politieke globalisering, economische globalisering en culturele globalisering. Onder politieke globalisering moet het groeiend aantal intergouvernementele en internationale non-gouvernementele organisaties met significante macht op wereldniveau begrepen worden. De bekendste hieronder zijn ongetwijfeld de Verenigde Naties (VN), de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldhandelsorganisatie (WHO), alsook de Europese Unie (EU). Economische globalisering is de groeiende snelheid en intensiteit van productie, handel en financiële handelingen tussen individuen en organisaties over de landsgrenzen heen. Hoewel dit proces volgens de meeste analisten al eeuwen aan de gang is, is deze vorm van globalisering na de Tweede Wereldoorlog en vooral de laatste 20 à 30 jaar significant gaan versnellen en uitbreiden. Culturele globalisering ten slotte is de groei in uitwisseling van culturele producten en stijlen tussen volkeren en naties. De ICT-revolutie van de laatste twee decennia speelt hier een grote rol in.
Ruud Lubbers, voormalig minister-president van Nederland, en Ignacio Ramonet, hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique, onderscheiden naast de politieke en economische globalisering de globalisering van technologie in plaats van de culturele globalisering. Globalisering van technologie is de snelheid waarmee nieuwe technologie wereldwijd verspreid en algemeen beschikbaar wordt. Nog belangrijker is de nieuwe betekenis die deze technologie geeft aan de begrippen afstand en tijd. Men kan software laten ontwikkelen in Maleisië en er dankzij de telecommunicatiemogelijkheden in real time over beschikken, waar dan ook ter wereld (Naert & Coppieters, 2000, pp. 11-14). Op de visie van Ruud Lubbers betreffende globalisering komen we later nog terug.
Volgens de antropoloog Arjun Appadurai (in Vanreusel & Scheerder, 2000, p. 9) voltrekt dit globaliseringproces zich in vijf verschillende sferen of “scapes”, nl. de ethnoscape, de technoscape, de finanscape, de mediascape en de ideoscape. De ethnoscape is de verplaatsingsstroom van migranten, zakenlui, politici, sporters en toeristen. De technoscape is de verplaatsingsstroom van technologie, de finanscape van kapitaal, de mediascape van beelden en de ideoscape ten slotte van waarden en normen. Deze scapes zijn de bouwstenen voor “imagined worlds”: werelden die door elk individu waar dan ook ter wereld, gevormd kunnen worden.
De socioloog Immanuel Wallerstein (in Maguire, 1999, pp. 18-19) gaat uit van een wereldsysteemtheorie gebaseerd op historische kapitalistische stromingen. Deze vormen de stuwende kracht achter het globaliseringsproces. Sinds de zestiende eeuw heeft zich een wereldsysteem van handel en communicatie ontwikkeld. Gestoeld op een kapitalistische wereldeconomie, heeft dit wereldsysteem zijn tentakels uitgespreid over economische en politieke sferen. In deze wereldeconomie onderscheidt Wallerstein drie soorten staten: de kernstaten, de semi-periferie en de periferie. De kernstaten domineren de productie en exploitatie. De staten in de semi-periferie zijn afhankelijk van handel. De periferiestaten zijn de afzetmarkt van de kernstaten en bevinden zich aan de buitenrand van de wereldeconomie.
Als we even dieper ingaan op deze economische globalisering, kunnen we samen met Erik Buyst (2000, pp. 65-77) twee fasen van economische globalisering onderscheiden: een eerste globale economie (van circa 1860 tot begin WOI) en een tweede globale economie (sinds WOII). Net zoals internet vandaag een nieuwe dimensie geeft aan tijd en ruimte, waren in de tweede helft van de 19e eeuw innovaties als spoorwegen, stoomschepen, telegraaf en telefoon voor hetzelfde verantwoordelijk. Niet alleen op technologisch vlak kreeg de wereldeconomie gestalte, ook op institutioneel vlak waren er belangrijke innovaties. Vanaf 1860 brak de vrijhandelsgedachte door in de westerse wereld. Dit leidde tot een hele resem handelsverdragen die het internationale handelsverkeer een betrouwbaar wettelijk kader bezorgden. En door de gouden standaard te veralgemenen kreeg de wereldeconomie een solide monetaire basis die gestoeld was op vaste wisselkoersen en stabiele prijzen. Deze technologische en institutionele innovaties zorgden voor een fikse toename in de wereldhandel vanaf de tweede helft van de 19e eeuw. Door deze innovaties bereikte de mobiliteit van arbeid een niveau dat nadien nooit meer zou geëvenaard worden, zelfs niet in de twee globale economie. Tussen 1880 en 1915 verlieten maar liefst 32 miljoen Europeanen het Oude Continent richting Verenigde Staten en Latijns-Amerika. Ook binnen Europa was er een immense migratiestroom. Miljoenen Italianen en Polen bijvoorbeeld verlieten hun vaderland hopend op een betere toekomst in landen als Duitsland en Frankrijk. Maar deze florissante wereldeconomie zou niet standhouden. De ‘Agricultural Invasion’, het oprukkende extreem nationalisme en de Eerste Wereldoorlog zouden de ondergang van de eerste wereldeconomie inluiden. Pas na de Tweede Wereldoorlog, in de late jaren ‘40 en de jaren ’50, zou de globale economie stilaan weer op gang komen. Maar deze keer werd resoluut een andere weg ingeslagen, de weg van de oprichting van allerlei internationale organisaties.
De Zweedse antropoloog Hannerz (in Van Poecke & Van den Bulck, 1994, pp. 12-32) is van oordeel dat er zich als gevolg van dit globaliseringproces op cultureel gebied een “globale oecumene” aan het vormen is. Deze oecumene is niet de “global village” die Marshall McLuhan ooit voorspelde, maar een constante stroom van het Westen naar de Derde Wereld. In het proces van culturele globalisering onderscheidt Hannerz twee scenario’s: het saturatie-scenario en het maturatie-scenario. In het saturatie-scenario komt het erop neer dat de gekoloniseerde (de Derde Wereld) volledig afhankelijk en doordrongen wordt van de dominante cultuur (het Westen). De wereld wordt als het ware een soort consumptiemaatschappij. Globalisering is in dit scenario als het ware een schuilnaam voor Verwesterlijking of Amerikanisering. Hiervoor zijn populaire termen bedacht als Dallasificatie, McDonaldisering of nog Cocacolonisering. Het maturatie-scenario echter stelt dat de gekoloniseerde actief omgaat met globale cultuurproducten en de globale cultuur vermengt met de inheemse cultuur, wat leidt tot hybride genres. Hannerz spreekt in dit verband van creolisering. Dit proces zorgt voor een vervaging van de scherpe grenzen tussen identiteiten en culturen, een afname van ‘wij versus zij’- gevoelens. Identiteiten en culturen worden variaties van de globale cultuur en van elkaar. Om het met de woorden van Norbert Elias (1939/1982) te zeggen, creolisering leidt tot “een afname van contrasten en een toename van variaties”. Hier komen we later nog op terug.
Sommige auteurs menen dat globalisering niet zomaar mag gelijkgesteld worden aan Amerikanisering en wijzen bijgevolg het saturatie-scenario van Hannerz af. Hoewel de Verenigde Staten van Amerika vandaag de dag de grootste culturele zender zijn geworden, wil dit volgens Rob Kroes (1994, pp. 39-49) niet zeggen dat de wereld geamerikaniseerd zou worden of zijn. De ontvangers interpreteren deze cultuurproducten op een eigen manier: hoewel ze bepaalde betekenissen missen, die voor een Amerikaan vanzelfsprekend zijn, gaan ze anderzijds betekenissen toevoegen aan bepaalde producten waardoor deze een andere plaats krijgen in een betekenisruimte, die de Amerikanen dan weer niet kunnen vatten. Volgens Kroes gaan nationale culturen veeleer van elkaar lenen, in plaats van opgesoupeerd te worden door elkaar.
Eugeen Roosens (2000, pp. 79-96) stelt dat er vandaag meer dan 100 miljoen mensen in landstreken leven waar ze niet geboren zijn. De grootste migratiestroom is van arme streken naar rijke streken. De belangrijkste motivatie is een verbetering van de materiële leefomstandigheden. Deze migranten bestaan niet alleen uit ongeschoolden of laaggeschoolden, maar ook uit afgestudeerden met een universitair of hogeschooldiploma die op zoek zijn naar een gevoelige verbetering van hun salaris. Het overgrote deel migranten wordt aangetrokken door de bereikbaarheidsgraad van de materiële cultuur. Ze zijn op zoek naar producten en diensten die in hun eigen directe omgeving hetzij niet bestaan hetzij onvindbaar zijn. Volgens Roosens (2000, p. 82) zijn alle migranten, ongeacht culturele en etnische achtergrond, in feite naar hetzelfde op zoek: “de meest gesofistikeerde producten vervaardigd met de meest gesofistikeerde technieken”. We kunnen dus spreken van een homogenisering van de materiële cultuur. Samen met deze culturele uniformering, is er een proces aan de gang van sociale fragmentatie en culturele differentiatie. Steeds meer volkeren en sociale netwerken leggen volgens Roosens de nadruk op hun verscheidenheid met anderen op basis van hun eigen oorsprong en eigen culturele identiteit. Overal ter wereld waar men te maken heeft met snelle en massale migratie, ontstaan na zekere tijd dezelfde gedragsvormen. De migranten willen als een eigen culturele en etnische identiteit worden erkend in plaats van op te gaan in de autochtone massa. Daarenboven worden de allochtonen van de tweede en derde generatie niet als ‘insiders’ aanvaard door de autochtone gemeenschap. Dit versterkt alleen maar hun gevoelen van ‘anders’ zijn. Dit leidt tot etnische bewegingen en structuren die zich afzetten tegen de autochtone cultuur. De huidige globalisering leidt dus niet enkel tot homogenisering maar ook tot fragmentering van de mensheid.
Voor Robertson (in Maguire, 1999, pp. 22-25) is globalisering een proces dat de wereld tot één plaats maakt. Deze globalisering brengt een globale of wereldcultuur tot stand die echter niet homogeen is. Deze globale cultuur is een mengvorm van heterogene tendensen en kenmerken die met elkaar interageren. Hij verwerpt de stelling dat dit globaliseringproces langs economische lijnen verloopt. Nederveen Pieterse neemt vele vormen van globalisering waar. Hij legt de nadruk op het pluralisme en multidimensionalisme van dit proces. Hij is net als Hannerz van oordeel dat deze globale cultuur actief en kritisch wordt ontvangen door de lokale bevolking en leidt tot een creolisering van cultuurvormen en een hybridisering van identiteiten. Hij spreekt van een “globale mélange”.
Zoals we al vermeld hebben, onderscheidt Ruud Lubbers drie aspecten of vormen van globalisering, namelijk politieke, economische en technologische globalisering. Volgens Lubbers heeft de interactie tussen deze drie vormen geleid tot wat we vandaag de dag globalisering noemen. Maar de wortels van deze globalisering stammen al van veel vroeger, namelijk van de Verlichting. De globalisering is de ultieme verspreiding van haar idealen. We leven nu in een wereld waarin grenzen vervagen en waarin de positie van staten, regeringen, democratieën en de politiek in het algemeen sterk verzwakt is. Als we een korte balans opmaken, blijkt dat globalisering de rol van de natiestaat verzwakt en het marktdenken verstevigd heeft. Hoewel dit marktdenken veel positiefs heeft opgebracht, zoals economische groei en lage inflatie, zijn er toch ook veel negatieve reacties gekomen van mensen en instituties. Bekende instituties die zich afgezet hebben tegen de (economische) globalisering zijn Amnesty International en Greenpeace. Lubbers ziet een oplossing voor de bestaande problemen in de vorm van een systeem van ‘global governance’. Hij bedoelt daarmee dat we moeten groeien naar een symbiose tussen markt, politiek en civil society (Lubbers, 2000, pp. 183-192).
1.1.2. Globalisering van de sport
Joseph Maguire (1999, pp. 26-30) geeft een overzicht van de belangrijkste theorieën over de globalisering van sport. We gaan even verder in op de twee belangrijkste theorieën, namelijk de moderniseringstheorie en de cultureel imperialistische theorie. De belangrijkste bijdrage tot deze moderniseringstheorie is die van Eric Wagner. Na een studie van diverse trends in het globale sportwezen, kwam hij tot het besluit dat Amerikanisering slechts deel uitmaakt van het globaliseringproces van de sport. ‘Internationale modernisering’ staat volgens hem centraal. Wagner is aanhanger van het maturatie-scenario van Hannerz (cfr. supra): hij meent dat mensen zelf kunnen beslissen welke sporten ze willen overnemen en beoefenen en welke niet. Allen Guttmann steunt Wagners visie en is van oordeel dat we getuige zijn van een homogenisering van de wereldsport – eerder dan van een Amerikanisering – en van een modernisering.
De aanhangers van de cultureel imperialistische theorie steunen deze visie van homogenisering van wereldsport. Maar ze voegen hier wel de verspreiding van een culturele ideologie en een westerse kosmologie aan toe. Drie auteurs (in Maguire, 1999, pp. 29-30) hebben hier nader onderzoek over gedaan: Henning Eichberg, John Bale en Johan Galtung. Eichberg ziet Olympisme als een sociaal cultuurpatroon en verbindt er een aantal negatieve gevolgen aan vast, zoals doping en geweld. Olympisme is volgens hem een afspiegeling van de koloniale overheersing van het Westen. John Bale schetst een meer destructief beeld van de impact van de verspreiding van sport. Sport speelde een belangrijke rol in het zog van het cultureel imperialisme. Het droeg bij tot het vernietigen van inheemse (sport)culturen. Galtung spreekt over sport als drager van de socioculturele code van de boodschappers, namelijk de Westerse overheersers.
Bale en Maguire (in Vanreusel & Scheerder, 2000, pp. 45-46) passen de scapes van Appadurai (cfr. supra) toe op het globaliseringproces van de sport. Hedendaagse sportprogramma’s bereiken wereldwijd een miljardenpubliek en sportkledij geldt tegenwoordig als statussymbool van sportiviteit en fitheid (media- en finanscape). In elke sport komen technologische snufjes op de markt om prestaties te verbeteren en nieuwe uitdagingen mogelijk te maken (technoscape). Sport wekt over heel de wereld gevoelens van nationalisme en identiteitsvorming op (ideoscape). Dit mondialiseringproces van de sport gaat daarenboven gepaard met een internationale migratie van sportatleten (ethnoscape) (cfr. infra).
In Over de versporting van de samenleving uit 1991 analyseert Crum (in Vanreusel & Scheerder, 2000, pp. 52-54) de ontwikkelingen in de hedendaagse sport- en bewegingscultuur. Hij baseert zich hierbij op de systeemtheorie van Niklas Luhmann. De systeemtheorie stelt dat sociale structuren – waaronder sport – gevoed worden vanuit een systeeminterne logica die zichzelf voortdurend wil ontwikkelen. Het voortbestaan van het systeem is afhankelijk van het zich aanpassen aan veranderingen in de systeemomgeving. Voor Crum is het duidelijk dat het systeem ‘sport’ zich voortdurend moet aanpassen en ontwikkelen om te overleven. Hij omschrijft dit differentiatieproces als ‘de versporting van de samenleving’, of nog, ‘de vermaatschappelijking van de sport’. Deze sportdifferentiatie heeft zich langs twee tegengestelde lijnen gemanifesteerd, namelijk de lijn van versporting en de lijn van ontsporting. In de versportingslijn klasseren we de internationaal vercommercialiseerde topsport. De ontsportingslijn zet zich af tegen de kenmerken van de moderne sport en wordt door Crum ook aangeduid als ‘alternatieve sport’. De kritiek van de ontsportings- op de versportingslijn richtte zich vooral op het prestatieprincipe van de topsport en is de aanzet geweest tot de democratisering van de sport, wat geleid heeft tot de ‘sport-voor-allen’ -beweging. In totaal onderscheidt Crum zeven sportmodi op basis van motieven van de sporter en de wijze van organisatie: topsport, wedstrijdsport, recreatiesport, fitnesssport, avontuursport, lust-/pret-/pleziersport en cosmetische sport.
Roland Renson (in Vanreusel & Scheerder, 2000, pp. 49-50) merkt op dat het sportlandschap zo verscheiden geworden is dat het met alle takken van de maatschappij in aanraking komt. Sport heeft zich onlosmakelijk in de maatschappij genesteld. Door deze verankering in het dagelijkse leven, krijgt het begrip sport een ruimere maar vagere betekenis. Sport is volgens Renson datgene waarmee mensen bezig zijn wanneer zij beweren aan sport te doen.
De meest verspreide sporten ter wereld vinden hun oorsprong in vier landen: Engeland, Duitsland, de Verenigde Staten en Japan (van Bottenburg, 2004, p. 62). De meest beoefende sporten zijn afkomstig uit Engeland (voetbal, golf, tafeltennis, badminton en tennis), de Verenigde Staten (volleybal en basketbal) en Japan (judo en karate). In het lijstje van de 25 meest verspreide sporten ter wereld zijn er slechts twee sporten niet afkomstig uit één van deze vier landen, namelijk taekwondo uit Korea en wielrennen uit Frankrijk. Van de overige 23 sporten zijn er zeven afkomstig uit Engeland, drie uit de Verenigde Staten, twee uit Duitsland en twee uit Japan. Twee van deze sportlanden, Engeland en de Verenigde Staten – door Dejonghe (2001) de innovatoren genoemd – zullen we verderop dieper analyseren (cfr. 1.1.2.1. voor Engeland en 2.1. voor de VS).
Dat de sport vandaag de dag een mondiaal karakter heeft gekregen, en over heel de wereld herkend en gespeeld wordt, willen we aantonen met volgende voorbeelden (De Knop, Vanreusel & Scheerder, 2002, p. 146-150):
Na onderzoek in twintig verschillende landen wereldwijd bleek dat er nauwelijks grote sporttakken bestaan die beoefend worden door jongeren van één (of enkele) land(en);
De wereldhandel in sportkledij en –materiaal. Denken we maar aan grote multinationals als Nike, Reebok en Adidas;
De toenemende macht van internationale sportorganisaties als het IOC, de UCI, de FIFA, het IAAF enzovoort;
De internationale en Europese wetgeving – of het gebrek daaraan – met soms grote gevolgen voor de sport (vb. het Bosman-arrest);
De concurrentiestrijd tussen grote steden om megasportevenementen te kunnen organiseren, met het doel een ‘world-class’-stad te worden[1];
De mediatisering van de sport. Zo werd de finale van het WK voetbal 2002 in Japan en Zuid-Korea en enkele van de belangrijkste evenementen van Athene 2004 door ongeveer een vierde van de volwassen wereldbevolking op tv gevolgd;
De migratie van atleten en coaches in zowat alle sporten ter wereld.
Niet iedereen is overtuigd van het belang van sport voor de samenleving. Volgens Houlihan (in Maguire, 1999, p. 76) maakt sport geen deel uit van de kern van een persoonlijke en nationale identiteit. De impact ervan is dan ook slechts oppervlakkig en kortstondig. De waarheid ligt volgens Maguire zelf ergens in het midden. Hoewel volgens hem duidelijk is aangetoond dat sport weldegelijk een belangrijke hoeksteen vormt in de maatschappij, moet de impact van de Westerse dominantie van deze sportcultuur gerelativeerd worden. De Westerse globaliseringstroom is immers onderhevig aan verandering, weerstand en interpretatie van inheemse bevolkingsgroepen van alle slag over de hele wereld.
1.1.2.1. De vijf versportingsfasen
Alvorens we het ontstaan en de verspreiding van de moderne sporten bespreken, gaan we even verder terug in de tijd, naar het tijdperk van de Grieken en de Romeinen en de Middeleeuwen. Sport in het Oude Rome kan worden gelijkgesteld aan geweld (Dunning, 2001, pp. 47-52). Sport was in die tijd een uitdrukking van een houding ten opzichte van leven en dood. Hoewel algemeen aangenomen wordt dat de oude Griekse sporten minder gewelddadig waren dan de Romeinse, waren ze nog altijd veel meer met geweld verbonden dan de huidige sporten. Het Griekse boksen bijvoorbeeld kende geen regels. Er waren geen gewichtsklassen en de boksers mochten handen en voeten gebruiken om hun tegenstander klein te krijgen. Voor de Grieken was sport een soort training voor oorlogsvoering. Ook in de Middeleeuwen bleef dit gewelddadige karakter van sport behouden. Maar in de volksspelen van die tijd liggen de kiemen van de eerste moderne sporten.
In de Renaissance werd in Firenze een sport ontwikkeld die de Italianen gioco del calcio noemden (Dunning, 2001, pp. 52-53). Dit spel wordt tot op de dag van vandaag gespeeld in en rond Firenze en kan omschreven worden als een ruigere variant van rugby. Sommige auteurs, zoals Bredekamp, beweren dat dit spel model stond voor de Engelse sporten voetbal en rugby, maar daar zijn geen sluitende bewijzen voor. De eerste moderne sporten in Engeland zagen immers pas het levenslicht in de 18e eeuw, ruim twee eeuwen later.
Het globaliseringproces van de sport kan opgedeeld worden in vijf ‘versportingsfasen’ (Maguire, 1999, pp. 57-94). Als vertrekpunt nemen we Norbert Elias. Hij introduceerde het begrip ‘versporting’ (naar Vanreusel & Scheerder, 2000). Versporting is volgens Elias “de transformering van Engelse vrijetijdsbestedingen in sporten en de export van sommige van die sporten op wereldniveau” (Maguire, 1999, p. 79).
Zoals algemeen beweerd en nauwelijks betwist wordt, staat in (het Zuiden van) Engeland de wieg van de sport. In dit land zette de industrialisering zich al in de tweede helft van de achttiende eeuw in, decennia eerder dan in de andere Europese landen (van Bottenburg, 2004, pp. 62-64). De toename van handel en nijverheid zorgde ervoor dat de verschillende markten nauwer op elkaar betrokken geraakten. De uitbouw van een kanalen- en wegenstelsel zorgde voor een vlotte en betere communicatie tussen de mensen. De drijvende kracht achter deze evolutie was de Engelse aristocratie. Engeland was een open samenleving met lage drempels voor sociale mobiliteit en nauwelijks afgeschermde statusgroepen. De Engelse adel en burgerij stonden dicht bij elkaar. Als gevolg hiervan kon de maatschappelijke elite zich makkelijker identificeren met de lokale sporten van de burgerij, dit in tegenstelling tot de landen op het vasteland. Zo werden veel sporten al vroeg gestandaardiseerd, zoals paardenrennen, boksen en cricket. Deze éénduidige relatie tussen de sportrevolutie en de industriële revolutie, met daaronder de verstedelijking en het ontstaan van vrije tijd, wordt door sommige auteurs als een onterechte vereenvoudiging beschouwd (Dejonghe, 2001, p. 17). Volgens hen zijn de industriële revolutie en de verstedelijking symptomen van politieke en normatieve ontwikkelingen in de vroege kapitalistische maatschappij.
Samen met Eric Dunning onderzocht Elias de eerste twee versportingsfasen (Maguire, 1999, p. 79-81). In de loop van de 18e eeuw kwam er een lichaamscultuur op die de nadruk legde op prestaties en ‘fair play’. De voornaamste sporten die toen ontstonden waren cricket, vossenjacht, paardenrennen en boksen (eerste versportingsfase). In de 19e eeuw verspreidde die specifieke lichaamscultuur zich over de hele samenleving in Engeland. In die periode kregen voetbal, rugby, hockey, atletiek, golf en tennis hun moderne vorm (tweede versportingsfase). Er waren enerzijds sporten die binnen het onderwijs werden ontwikkeld door jongeren uit privé-scholen en universiteiten en anderzijds sporten die binnen besloten clubs werden uitgebouwd en vooral aantrekkelijk waren voor oude heren en dames van hoge afkomst (van Bottenburg, 2004, pp. 70-87).
De sterke band tussen sport en oorlogsvoering die er altijd was geweest, moest plaats maken voor het gezonde, ontspannende en sociale karakter van sportbeoefening (Dunning, 2001, p. 53). Voetbal en rugby – en de andere Engelse sporten – onderscheiden zich van hun premoderne varianten en het Italiaanse calcio door een aantal strikte regels (2001, pp. 61-62). Er werd een beperking ingevoerd op het aantal deelnemers, samen met een gelijke verdeling over de verschillende ploegen. Er ontstonden overkoepelende regelgevende organen, de FA (Football Association) en de RFU (Rugby Football Union). Ook nieuw was het feit dat de sporten werden gecontroleerd, door scheidsrechters en lijnrechters in het voetbal, of grensrechters in het rugby. Deze regels waren een uitdrukking van het civilisatieproces dat toen ingang vond (Dejonghe, 2001, pp. 15-17). In tabel 1 geven we een overzicht van de invoering van gestandaardiseerde regels bij enkele van de belangrijkste sporten die in de 19e eeuw waren ontstaan.
Bij het wegvallen van de band tussen geweld en sport moet een opmerking gemaakt worden. Hoewel geweld op het veld nog zelden voorkomt, lijkt het alsof dit fenomeen zich heeft verplaatst naar diegenen die de sport consumeren. Hooliganisme en racisme in diverse sporten over de wereld zijn immers schering en inslag. Het probleem van racisme zullen we later verder uitwerken.
Tot het midden van de negentiende eeuw was sportbeoefening geen vast onderdeel in het onderwijsprogramma. Op het einde van deze eeuw klaagden de ouders dat er meer gesport dan geleerd werd. In deze periode groeiden voetbal en rugby uit tot de populairste sporten op Engelse bodem. Dit was althans het geval bij de mannen. Vrouwen waren niet zo happig op deze fysieke sporten en gingen zich op andere sporten toeleggen, tenminste als ze het geluk hadden tot de hogere milieus te behoren. Voor vrouwen uit de lagere sociale milieus was er na de schooltijd geen tijd meer voor sport. Op de meisjescolleges van Oxford en Cambridge werden vrouwenclubs opgericht voor onder andere tennis, hockey, cricket, fietsen en zwemmen. Vooral hockey werd een echte vrouwensport. Vandaag is vrouwenhockey op wereldniveau nog altijd populairder dan mannenhockey. De andere groep sporten die in de tweede helft van de negentiende eeuw tot volle bloei kwamen, ontsproten uit de ‘weekend party’s’ van de gegoede burgerij. Deze sporten hadden als kenmerk dat iedere vorm van fysiek contact gebannen werd. Ze waren dan ook bedoeld voor de iets oudere dames en heren. De bekendste en tot op heden meest beoefende van deze sporten is waarschijnlijk tennis. Zoals bij zowat elke sport in die tijd, werden regels opgesteld die een onderscheid maakten tussen amateurs en professionals. Dit onderscheid was niet bedoeld om financieel gewin bij amateurs uit te sluiten, maar wel om bepaalde groepen zoals handarbeiders of dienstbodes uit te sluiten. Door de beoefening in besloten clubs namen ook veel vrouwen aan tennis deel, in tegenstelling tot voetbal. Vanuit ‘gender’-perspectief kunnen we stellen dat tennis de eerste nationale sport was (van Bottenburg, 2004, p. 80).
In de derde versportingsfase, die duurde van 1870 tot de jaren ’20 van de twintigste eeuw, bereikten deze moderne Engelse sportvormen het Europese continent (Maguire, 1999, p. 81). Waar Italië het huis is van de muzikale taal die overal ter wereld wordt gebruikt, was Engeland de geboorteplaats van de woordenschat en beoefening van de hedendaagse sport (Dunning, 2001, p. 75). Deze verspreiding ging samen met de opkomst van sterke nationaliteitsgevoelens en het ontstaan van etnische natiestaten. De derde versportingsfase wordt aangeduid als de ‘Europeaniseringfase’. In deze fase bleef Engeland de dominante speler. Ook werd het woord ‘sport’ een algemeen begrip op het Europese vasteland.
In de jaren ’20 en ’30 van de twintigste eeuw kwamen sporten als baseball, basketbal, ijshockey en volleybal overgewaaid vanuit Noord-Amerika. Deze sporten werden vergezeld door een Amerikaanse sportethiek. “De Amerikaanse idealen vervingen […] het Engelse ‘fair play’-model. De Europeanen kopieerden de benaderingen die verantwoordelijk waren voor de Amerikaanse successen in lichamelijke opvoeding, sport en de Olympische Spelen” (Quanz in Maguire, 1999, p. 84). De Verenigde Staten werden nu de dominante speler op wereldvlak. In de tweede versportingsfase hadden de VS zich relatief autonoom gemoderniseerd. Tegen de tweede helft van de negentiende eeuw hadden ze de Europese mogendheden in macht en aanzien geëvenaard (van Bottenburg, 2004, pp. 93-113). Rond de eeuwwisseling hadden de Verenigde Staten een zo goed als onafhankelijke economie met een eigen binnenlandse markt ontwikkeld. De meeste Amerikanen waren Europese immigranten, maar zij hadden vooral aandacht voor de ontwikkelingen op hun eigen continent. Door hun redelijk onafhankelijke positie op wereldvlak, groeide het zelfvertrouwen in eigen prestaties en superioriteitsgevoelens tegenover andere culturen. Op sportvlak had dit tot gevolg dat ze veel minder beïnvloed werden door de Engelse sportcultuur. Ze ontwikkelden eigen sporten en legden de klemtoon op het Amerikaanse karakter ervan. Van de zes meest beoefende sporten in de VS vandaag zijn er vier van Amerikaanse origine: baseball, american football, basketbal en volleybal. Twee van deze sporten, volleybal en basketbal, zijn ook in de rest van de wereld doorgebroken door toedoen van de Young Men’s Christian Association (YMCA). Aan de rol van deze religieus geïnspireerde organisatie op de mondiale verspreiding van sporten besteden we verderop meer aandacht. Baseball, of honkbal, was tot aan de Tweede Wereldoorlog dé nationale sport bij uitstek in de VS. Honkbal had in de tweede helft van de negentiende eeuw de populariteitsstrijd met het Engelse cricket gewonnen. Het verschil tussen honkbal en cricket, was dat de beoefening van deze laatste sport met opzet beperkt bleef tot de Engelse gemeenschap, om hun etnische identiteit te bevestigen en handhaven. Honkbal werd beoefend door alle etnische groepen van de lagere sociale klassen. Honkbal werd onlosmakelijk verbonden met een Amerikaanse identiteit. Dit is waarschijnlijk de reden waarom honkbal niet echt is doorgebroken in de rest van de wereld, met uitzondering van Japan. Honkbal was een typische arbeiderssport. Door de stijgende welvaart na 1950, gingen meer en meer Amerikanen zich interesseren voor sporten met een hogere sociale status. Zo kwam men terecht bij football, een product van de Amerikaanse universiteiten. De ‘Amerikaniseringfase’ duurde tot de jaren ’60.
Al in de vierde versportingsfase kwamen enkele niet-westerse landen fel opzetten. Deze voormalige kolonies van het Westen (Afrika, Azië, Zuid-Amerika) begonnen hun vroegere uitbuiters meer en meer te kloppen in sporten als cricket, voetbal, tafeltennis en atletiek. Sinds de jaren ’60 kunnen we dan ook spreken van een vijfde versportingsfase. De Amerikaanse dominantie begint dan ook stilaan te tanen. De Olympische beweging is al lang niet meer in louter westerse handen. Heel wat oosterse sporten – zoals taekwondo, judo en worstelen – hebben intussen hun plaatsje veroverd in het Westen en zijn Olympische sporten geworden.
De Franse sporteconoom Bourg onderscheidt drie periodes in de versportingsevolutie (Dejonghe, 2001, p. 27). De eerste periode (van 1850 tot 1914) is de morele en educatieve periode. In deze periode werden de moderne Olympische Spelen opgericht (1896). De bezieler ervan, Pierre de Coubertin, stelde ze in het teken van zijn humanistische ideaal dat de klemtoon legde op lichaam, geest, spierkracht en denken. De tweede periode (1918-1980) kenmerkt zich door de overgang van sport naar spektakel en een expressievorm van nationalisme. De sportcompetities krijgen een internationaal karakter. In deze periode vinden tevens de wetten van het kapitalisme hun doorgang naar de sport. In de derde periode (sinds 1980) is volgens Bourg de sportieve mondialisering opgekomen. De organisator van de Olympische Spelen, het Internationaal Olympisch Comité (IOC) laat het amateur-karakter varen. In 1981 werden voor het eerst professionele sporters toegelaten. Met de geamerikaniseerde Spelen van Los Angeles in 1986 werd de sport definitief mondiaal gecommercialiseerd.
Hoewel zowat alle sporten vandaag de dag op wereldvlak beoefend worden, moeten we toch een onderscheid maken tussen mondiale en regionale sporten (Dejonghe, 2001, p. 44). Mondiale sporten zoals voetbal, tennis en formule 1, hebben een wereldwijde actieradius en impact. Regionale sporten, zoals de elfstedentocht in Nederland, de snookerkampioenschappen in Groot-Brittannië of de superbowl american football in de VS, hebben een cultuurintensief karakter. Deze sporten kennen enkel een hoge populariteit in bepaalde regio’s en zijn een uitdrukking van etnisch of regionaal nationalisme.
1.1.2.2. Migratie van sportatleten
Samen met deze verspreiding van sporten op wereldvlak, is ook een globale migratie van sportatleten ontstaan. Atleten reizen heel de wereld rond om hun sport te kunnen beoefenen. De sport krijgt zo een multicultureel accent, hoewel de migratiestroom in hoofdzaak van zuid naar noord en van oost naar west verloopt. Deze internationale migratie is tot een wereldhandel uitgegroeid waarin makelaars het voor het zeggen hebben (Vanreusel & Scheerder, 2000, p. 46). Het voormalige Oostblok speelt een belangrijke rol in deze migratieproblematiek. De politieke hervormingen en de economische moeilijkheden in de Sovjet-Unie waren een aanleiding tot een massale exodus van atleten en trainers richting het Westen. In de periode 1989-1990, het begin van het open-grenzenbeleid, werden Russische coaches en sporters de grootste migrerende populatie in de internationale sport. Nu treft men hen overal ter wereld aan. De migratie van atleten beperkt zich niet alleen tot Oost-Europa, maar is een wereldwijd fenomeen (De Knop, Vanreusel & Scheerder, 2002, pp. 150-152).
Sportmigratie gebeurt op drie niveaus (Maguire, 1999, p. 98). Er is migratie tussen landen onderling, tussen landen van hetzelfde continent en tussen landen van verschillende continenten. In bepaalde sporten zoals rugby, cricket en formule 1, is deze migratie seizoensgebonden. Het ene seizoen speelt zich af in het noordelijke halfrond, het andere in het zuidelijke halfrond. Zo kan de sport het hele jaar door beoefend worden. Andere sporten worden het hele jaar door op dezelfde plaatsen gespeeld.
Het constante heen- en weergereis tussen verschillende culturen maakt van deze atleten wereldburgers. Niet alle atleten passen zich even goed aan hun nieuwe leefomgeving aan en krijgen te maken met een cultuurshock. Buiten deze aanpassingsproblemen van de atleten zelf kan sportmigratie ook vijandigheid opwekken bij de lokale bevolking (Maguire, 1999, p. 102). Zo zijn grote Europese voetbalcompetities als de Engelse Premier League en de Italiaanse Serie A nog altijd niet gespaard van racistische slagzinnen tegenover donkere Afrikaanse spelers. Huidig Engels bondscoach Sven-Göran Eriksson ijvert voor nieuwe wetgeving die teams de mogelijkheid biedt om van het veld te stappen bij gevallen van extreem racisme. Tijdens de vriendschappelijke interland Spanje – Engeland (uitslag 1-0) in november 2004 werden de donkere spelers van Engeland constant uitgejouwd door een agressief Spaans publiek (“Sven on Racism”, 25.11.2004). We komen later (onder 2.4.) terug op racisme in de sport.
Naast de drie niveaus van sportmigratie kunnen we vijf categorieën van migranten onderscheiden. Opnieuw wenden we ons hiervoor tot Maguire (1999, pp. 105-107), die als één van de pioniers mag beschouwd worden in dit onderzoeksveld. De eerste categorie van migranten zijn de zogenaamde ‘pioneers’. Deze proberen de autochtone bevolking met woorden en daden van hun lijfstijl en lichaamscultuur te overtuigen. De ‘settlers’ brengen niet alleen hun sport met zich mee, maar gaan zich daarenboven na hun carrière nestelen in het land waar ze hun sport bedreven hebben. Andere sportmigranten zijn dan weer ‘mercenaries’ die erop uit zijn zoveel mogelijk geld binnen te rijven in zo weinig mogelijk tijd. Bij deze migranten is dan ook nauwelijks sprake van enige band met de lokale cultuur. Een vierde categorie migranten, de ‘nomads’, gebruiken hun sportcarrière om te reizen. Zij zijn op zoek naar het gevoel van de ‘ander’ te zijn. Een laatste groep migranten zijn de ‘returnees’, die na hun carrière te kampen krijgen met heimwee.
Sportmigratie heeft niet enkel een impact op de atleten, maar ook op de landen die erbij betrokken zijn. In baseball is het zo dat veel Latijns-Amerikaanse landen hun beste spelers verliezen aan de clubs van de Major League Baseball in de VS (Coakley, 2003, pp. 465-466). Dit zorgt niet alleen voor een ‘talent drain’ in deze natiestaten, maar maakt hen ook afhankelijk van Amerikaanse televisiestations om de prestaties van hun landgenoten te volgen. Naast Latijns-Amerika wordt ook Japan leeggeroofd door de MLB. In dit land wordt gevreesd dat dit wel eens het einde zou kunnen betekenen van professioneel baseball in hun land. Niettemin is er een zekere trots dat ‘hun’ spelers slagen in de grootste baseballcompetitie ter wereld. Op wereldvlak kent voetbal de grootste migratiegraad, gevolgd door ijshockey, atletiek en basketbal. Of dit in het voordeel speelt van het land van bestemming dan wel het land van herkomst, moet nader onderzocht worden. Wat zeker is, is dat het land van bestemming bevoordeeld is op sportief vlak. De Beckhams en Yao Mings van deze wereld worden immers nog altijd op de eerste plaats gerekruteerd omwille van hun sportieve kwaliteiten.
1.1.2.3. De verspreiding van sporten in Europa
Aan de hand van het boek Verborgen competitie (2004) van Maarten van Bottenburg zullen we nu de verspreiding van sporten over het Europese vasteland proberen in kaart te brengen. Naarmate landen meer overeenkomsten hebben in hun sociale geschiedenis, zijn de overeenkomsten tussen de nationale sportpatronen in Europa groter. Wanneer we de vijftien meest populaire sporten per land op een rij zetten, komen de volgende twaalf sporten het meest voor: de Engelse sporten voetbal, golf, tennis, atletiek en tafeltennis, de Duitse sporten gymnastiek en handbal, de Amerikaanse sporten volleybal en basketbal, en daarnaast zwemmen, zeilen en schieten. Voetbal steekt er met kop en schouders bovenuit. Deze sport is ook in Latijns-Amerika en Afrika de meest beoefende sport. De populariteit van gymnastiek en handbal is uniek in Europa. Daarentegen zijn rugby en cricket in Europa kleine sporten gebleven in vergelijking met de rest van de wereld.
De herkomst van de diverse Europese sporten voor 1945 is terug te brengen tot twee landen: Duitsland en Engeland (van Bottenburg, 2004, pp. 124-161). Duitse sporten zijn vooral populair geworden in Zwitserland, Oostenrijk, Zweden, Noorwegen, Denemarken, de Balkanlanden en natuurlijk Duitsland zelf. Over de pioniersrol van Engeland op sportgebied hebben we het vroeger al gehad. Het prestige dat Engeland als grootmacht kreeg, zorgde ervoor dat men in de rest van Europa belangstelling kreeg voor de leefstijl daar. Er was sprake van een anglomanie, een rage om alles wat typisch Engels was, over te nemen. De Engelse sporten werden op het vasteland eerst overgenomen in de centra van modernisering: de universiteits- en havensteden. De katalysators voor deze verspreiding waren in de eerste plaats de Engelsen zelf: ondernemers, diplomaten en andere ambtenaren. Daarnaast waren ook rijke ondernemers uit het vasteland en kosmopolitisch ingestelde jongelui uit hogere milieus aanstokers. Voetbal ontwikkelde zich geleidelijk tot dé volkssport bij uitstek. De drempel voor deze sport was uiterst gering. Eén bal en een aardappelveld waren bij wijze van spreken al genoeg om het spelletje te spelen. Doelen konden gemakkelijk gemaakt worden door twee stenen of hoopjes aarde op een rechte lijn te leggen. Andere typisch Engelse sporten zoals roeien, rugby en hockey, hadden het moeilijker om vaste grond onder de voeten te krijgen. Hun beoefening bleef vooral beperkt tot de studentenwereld en was dus elitair. Vooral voor rugby was dit vreemd, wegens zijn ruwe, fysieke karakter en daaruit volgende volkse connotaties. Frankrijk is de uitzondering op het Europese vasteland. Met zo’n 282.000 beoefenaars is het de negende sport. De verklaringen hiervoor zijn de centrale positie van de Parijse lycea en het grote aantal Britten dat leeft in de wijnstreken rond Bordeaux. Nederland is vergelijkbaar met Frankrijk wat hockey betreft, met ongeveer 162.000 beoefenaars.
Tennis behoort in de meeste West-Europese landen tot de vier populairste sporten (van Bottenburg, 2004, pp. 146-150). Deze sport kende vooral een sterke groei in de jaren ’60 en ’70. Ook deze sport is geëvolueerd van een elitaire sport tot een volkssport. Vroeger vormde tennis, samen met golf, het eindstation van de sportloopbaan van de maatschappelijke elite. Het spelen van tennis werd gezien als een hogere vorm van ontspanning, enkel gespeeld op de buitenverblijven van de adel. De tennissport vond achtereenvolgens doorgang in Frankrijk, Duitsland en Italië. De pionier van de Duitse tennissport, Carl August von der Meden, had bijvoorbeeld ongeveer 15 jaar in Engeland nabij Wimbledon gewoond, voor hij de sport in zijn land van herkomst introduceerde.
De overname van de Duitse gymnastiek door de andere landen was eerder een gevolg van de mengeling van angst en fascinatie dan van ontzag en bewondering (van Bottenburg, 2004, pp. 154-161). Duitsland werd gezien als een land van modernisering en beschaving. In tegenstelling tot de verschillende Engelse sporten, had de Duitse gymnastiek een uitgesproken nationalistisch karakter. Turnoefeningen dienden om zowel het lichaam als de geest te ontwikkelen en zo een zeker niveau van beschaving te verwerven. In ieder land kreeg de gymnastiek een eigen identiteit en betekenis. In Frankrijk werd gymnastiek overgenomen als resultaat van een soort germanofobie. Naast de ideologische achtergrond van de turnbeweging speelde ook de onderlinge binding een grote rol. Gymnastiek was toegankelijk voor alle lagen van de bevolking. Door de grote druk van de Engelse sporten werd handbal als alternatief voor gymnastiek ontwikkeld. In het begin maakte het deel uit van het gymnastiekprogramma, maar tegenwoordig behoort het als zelfstandige sport in veel Europese landen tot de vijftien meest beoefende sporten. Buiten Europa is handbal echter nauwelijks bekend, door de beperkte Duitse invloedssfeer in de rest van de wereld.
In elk land is deze strijd tussen het Engelse en het Duitse sportmodel anders verlopen en de gevolgen ervan zijn terug te vinden in hun huidige sportpatronen. Door zijn eigen sterke positie heeft Engeland van alle Europese landen de minste invloed ondervonden van Duitsland. In slechts enkele landen geniet de Duitse gymnastiek quasi dezelfde populariteit als het Engelse voetbal, namelijk Zwitserland, Oostenrijk, Zweden en Duitsland zelf. Zwitserland is in Europa de vreemde eend in de bijt, want het is het enige land waar sporten met een Duitse herkomst meer beoefend worden dan sporten met een Engelse origine.
Ondanks zijn internationale uitstraling en belangrijke historische rol blijft het merkwaardig dat weinig sporten hun oorsprong in Frankrijk vinden. Eigenlijk wordt enkel wielrennen gezien als een typisch Franse sport, hoewel ook Engelsen aan de ontwikkeling ervan hebben bijgedragen. Door de marginale belangstelling voor wielrennen rond de eeuwwisseling mislukte een eerste diffusie vanuit het Verenigd Koninkrijk echter (Dejonghe, 2001, p. 57). Niettemin is wielrennen tot één van de populairste en gemediatiseerde sporten uitgegroeid in Europa. De stichting van de “Tour de France” is daarvan de oorzaak. De wielersport kent vooral veel beoefenaars in de landen die vroeger tot de Franse invloedssfeer behoorden: België, Italië, Nederland, Spanje, Luxemburg en Zwitserland. Volgens van Bottenburg (2004, p. 161) is de geringe Franse invloed te wijten aan de tanende macht van Frankrijk in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het kende toen minder bevolkingsgroei en verstedelijking dan de andere Europese grootmachten en moest zijn militair en economisch belangrijke provincie Elzas-Lotharingen afstaan aan Duitsland. Ook was er sprake van een intellectuele geringschatting van sport ten opzichte van andere vormen van cultuur.
Na de Tweede Wereldoorlog moest een sterk verzwakt Europa vreemde invloeden toestaan vanuit de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en in mindere mate Japan (van Bottenburg, 2004, pp. 169-183). De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie werden de twee nieuwe grootmachten in de wereld en zouden nog tot eind jaren ’80 de zogenaamde Koude Oorlog ‘uitvechten’. De Oost-Europese landen werden als het ware gesovjetiseerd: kunst, literatuur, muziek en sport gingen een politiek doel dienen, terwijl West-Europa dan werd geamerikaniseerd. De sovjets ontwikkelden geen nieuwe eigen sporten, maar legden de nadruk op de Olympische sporten. De atleten werden als het ware geprogrammeerd om uit te blinken in één van de Olympische disciplines. Sporten die niet tot het Olympisch programma behoorden, vielen uit de boot. Dat tennis, in die tijd nog geen Olympische sport, in de sovjetstaten Tsjechië en Slowakije wel populair was, had te maken met het feit dat deze sport al voor de sovjetoverheersing deze status had verworven en de economische sterkte van deze landen en hun intensieve relatie met Engeland.
De West-Europese landen maakten kennis met sporten als honkbal, basketbal en volleybal. In het begin waren deze niet echt populair. Na 1950 zou die populariteit drastisch stijgen, tot rond 1980, toen de VS qua macht en prestige een hoogtepunt bereikten (van Bottenburg, 2004, p. 172). Toch moeten we bij deze amerikanisering van de sportcultuur in (West) Europa een kanttekening maken. In tegenstelling tot fastfood, Hollywoodfilms en popmuziek, sloegen de grootste Amerikaanse sporten honkbal en football, niet of nauwelijks aan. Van Bottenburg (2004, pp. 173-174) haalt hiervoor twee redenen aan. Ten eerste mogen we de amerikanisering van de cultuur niet los zien van wat hij de ‘medialisering’ van de samenleving noemt (wij gebruiken de term mediatisering). De elektronische media zijn volgens hem dé katalysator van culturele verspreiding. In de jaren ’20 zorgde de radio ervoor dat het nieuws in alle huiskamers kon binnenkomen. In de jaren ’50 kwam daar de televisie bij. De massaconsumptie van deze producten was mede verantwoordelijk voor de stijgende macht en prestige van dit land. Vanzelfsprekend kregen de Amerikaanse sporten een prominente plaats in de programmering. Maar volgens van Bottenburg (2004, p. 173) is het een misvatting om te denken dat mensen hierdoor meer de sporten zullen beoefenen. Wat er gebeurt, is dat mensen meer naar deze sportwedstrijden gaan kijken en ze louter als televisiesporten gaan beschouwen, als vorm van ontspanning. Eigenaardig genoeg moeten we dan ook vaststellen dat volleybal, de minst gemediatiseerde sport in de VS, de meeste beoefenaars telt in Europa.
De tweede reden die van Bottenburg (2004, p. 174) aanhaalt, is dat de machtsverhouding tussen Europa en de Verenigde Staten veel meer gebalanceerd was dan die tussen de VS en Latijns-Amerika. Van cultureel imperialisme kon je niet spreken. De Amerikaanse sporten moesten de strijd aangaan met de reeds bestaande sporten. In vergelijking met de Europese sporten moesten ze zich nog integreren in het dagelijkse leven. In Zuid-Europa, waar de sportcultuur minder sterk was, stond men meer open voor de Amerikaanse sporten waardoor deze daar ook veel populairder konden worden.
De derde vernieuwing – na de sovjetisering en de amerikanisering – kwam vanuit Japan. Van een japanisering kunnen we niet echt spreken, maar toch vonden heel wat vechtsporten hun weg naar Europa. Judo wierp zich op als exponent van deze sporten. Vanaf 1964 maakte deze deel uit van de Olympische Spelen en als gevolg daarvan steeg het aantal judoka’s in zowel Europa als de VS spectaculair. In het kielzog van judo zouden ook karate, kickboksen en recenter taekwondo zo’n evolutie ondergaan.
Dejonghe (2001, pp. 85-105) probeert het huidige Europese en mondiale sportstelsel te verklaren aan de hand van hegemonische structuren. Hij haalt daarvoor het wereldsysteem van Wallerstein aan (cfr. infra). De hegemonie van het Verenigd Koninkrijk/Engeland is een verklarende factor voor de huidige verspreiding en overheersing van de Britse sporten. Volgens de Britten kon de hegemonie in de wereld enkel gegeven worden aan een land dat goede atleten voortbracht. Op het einde van de 19e eeuw ontstond een hegemoniestrijd tussen Engeland en de machtsblokken Duitsland en de VS. Dit leidde tot een drieledige sportstructuur. Het Britse model was gestoeld op liberalisme en stelde individualisme en vrijhandel voorop. Het Duitse model was gebaseerd op het continentale despotisme die elke vorm van individualisme verwierp en het Amerikaanse model ten slotte voorzag in zelfvoorziening en protectionisme in functie van de groei van de natie. Na de Tweede Wereldoorlog kon dit laatste model zich ongestoord verder uitbouwen. De kenmerken van dit Amerikaanse model waren het exporteren van inheemse sporten en het niet importeren en aanvaarden van vreemde sporten.
In het huidige wereldsportstelsel kan men op basis van Wallerstein een onderscheid maken tussen een sportkern, een semi-periferie en een periferie. De kernlanden hebben de perifere landen ingepast in een wereldsysteem van Europese en Amerikaanse sportcompetities, wat geleid heeft tot een transnationale migratie van spelers (cfr. infra) (Dejonghe, 2001, p. 89).
1.1.2.4. Nationalisme en sport
Zoals eerder al aangehaald door Bale en Maguire (in Vanreusel & Scheerder, 2000, pp. 45-46), wekt sport over de hele wereld gevoelens van nationalisme en identiteitsvorming op. Zij noemen dit de ideoscape in de sportglobalisering, naar de terminologie van Appadurai. We hebben ook al gezien dat bepaalde sporten een uitdrukking van nationalisme zijn, de zogenaamde regionale sporten. Een van de bekendste voorbeelden in België is het veldrijden, een sport die de laatste jaren gedomineerd wordt door onze landgenoten. De Nederlandse veldrijder Richard Groenendaal, één van de weinige niet-Belgische toppers, is al meerdere jaren het slachtoffer van spreekkoren en trek- en duwwerk van Belgische toeschouwers omdat hij algemeen wordt beschouwd als een soort nemesis voor ‘onze Belgen’, die koste wat het kost moeten winnen. Het feit dat hij een Nederlander is, doet daar natuurlijk niet vreemd aan. Het duel der lage landen is niet enkel in het voetbal een begrip.
Billig (in Dejonghe, 2001, p. 66) geeft een goede definitie over wat nationale identiteit juist inhoudt:
National identity embraces a complex set of themes about ‘us’, ‘our homeland’, ‘nations’ (‘ours’ and ‘theirs’), the ‘world’, as well as the morality of national duty and honour. Moreover, these themes are widely diffused and common sense. It is not the common sense of a particular nation, but this common sense is international, to be found in the nations of the so called world order… Having a national identity involves being situated physically, legally, socially, as well emotionally.
Anderson (in Maguire, 1999, p. 177) omschrijft nationale identiteit – en de rol van sport hierin – als volgt:
National cultures contain competing discourses that are bound up with the actions of specific groups. Through these actions and discourses, people construct meanings which influence and organize both their own and others’ actions and conceptions of themselves. The discourses promoted in and through sport by dominant groups construct identities by producing meanings about ‘the nation’ with which people can identify. These meanings are contained in the stories that are told about the nation. They are also evident in the memories that connect a nation’s present with its past. Images are also actively constructed about the nation in social practices. In sum, aspects of national identity involve reference to an ‘imagined community’.
We moeten een onderscheid maken tussen het 20e en 21e eeuwse nationalisme enerzijds en de poging om een nationaal geweten te vinden voor de natiestaten die in de 19e eeuw werden gesticht anderzijds (Dejonghe, 2001, p. 69). Rond de eeuwwisseling tussen de 19e en de 20e eeuw creëerden de politieke en intellectuele elite een hele reeks ideologische gebruiken en festiviteiten om tot een natie te komen. Door identificatie met bepaalde symbolen, iconen, helden, feestdagen en ceremonieën werd tussen de bevolking een soort band van samenhorigheid gesmeed. De burgers gingen geloven in een soort gemeenschappelijke ‘etnohistoriciteit’. Dit resulteerde in een ‘ingebeelde gemeenschap’. Deze ingebeelde gemeenschap was de voedingsbodem voor het 19e eeuwse (nationaal) nationalisme en leidde tot natiestaten. Het hedendaagse (etnisch en regionaal) nationalisme wil deze natiestaten echter opdelen. Door het globaliseringproces wordt de functionaliteit van de natiestaten gefnuikt – binnen de Europese Unie bijvoorbeeld worden de deelstaten verplicht om Europese richtlijnen in hun eigen wetgeving op te nemen en streeft men naar één Europese grondwet en echte president naar Amerikaans model – en ontstaat heimwee naar de 19e eeuwse cultuur en folklore.
Volgens Maguire (1999, pp. 185-186) bestaat de identiteit van mensen uit verschillende lagen. Mensen bezitten een lokale identiteit, een regionale identiteit, een nationale identiteit en een globale identiteit. Coakley (2003) spreekt van een ‘multipliciteit van identiteiten’. Naast een ‘ego-beeld’ en ‘ego-ideaal’ hebben individuen volgens Maguire ook een ‘wij-beeld’ en een ‘wij-ideaal’. Deze ‘ego/wij- (nationale) identiteit’ maakt integraal deel uit van de sociale habitus van een persoon (Elias in Maguire, 1999, p. 186). Hoe deze ‘ik/wij-identiteit’ zal evolueren in de huidige context van europeanisering en globalisering is een open vraag. Het is enerzijds mogelijk dat de Europese burgers van vandaag een eerste stap zetten richting een ‘ik/wij-identiteit’ binnen een verenigd Europa. Het ideaalbeeld hierbij is dat de burgers een sterkere Europese ‘ik/wij-identiteit’ gaan ontwikkelen dan de eigen nationale identiteit. Anderzijds is het ook mogelijk – en deze kans is waarschijnlijk groter – dat europeanisering en globalisering agressieve en defensieve vormen van nationalisme gaan uitlokken. We kunnen hierbij Hall (in Maguire, 1999, pp. 188-189) citeren, die zegt dat: “when the era of nation-states in globalization begins to decline, one can see a regression to a very defensive and highly dangerous form of national identity which is driven by a very aggressive form of racism”.
Coakley (2003, p. 3) maakt een onderscheid tussen etnisch en burgerlijk nationalisme. Beide vormen van nationalisme kunnen de basis vormen voor de uitbouw van een natiestaat. Etnisch nationalisme gaat terug naar de natuurlijke origine van een natie. Er zijn ook vaak sterke banden met taal en ras. Dit nationalisme is exclusief. Men maakt er deel van uit of niet. Burgerlijk nationalisme daarentegen ontstond bij de vorming van de eerste natiestaten in de 19e eeuw. Burgerlijk nationalisme is inclusief. Dit houdt in dat iedereen lid kan worden, mits voldaan wordt aan een aantal formaliteiten.
Zoals we uit de definitie van Anderson hierboven kunnen afleiden, speelt sport een belangrijke rol bij identiteitsvorming en het vormen van een samenhorigheidsgevoel. Dejonghe (2001, p. 71) geeft een opsomming van de relaties tussen sport en nationalisme. We nemen er de voornaamste uit:
Sport is conservatief en draagt bij tot de bevestiging van een centraal nationalisme, patriottisme en racisme;
Sport als instrument voor integratie en eenheidsvorming in opkomende naties;
Het bevestigt en ondersteunt het nationale geweten en het culturele nationalisme.
Sportnationalisme kan aangedreven worden door de politieke elite (Dejonghe, 2001, p. 73, p. 76). Veel sporten hebben nood aan sponsoring, organisatie en faciliteiten. Omdat maar weinig individuen over dergelijke middelen beschikken, zijn regionale en nationale overheden vaak de enige instellingen met de macht en het geld om deze middelen te leveren. Daarbij komt dat velen er ook van overtuigd zijn dat sportparticipatie en –organisatie moeten geregeld worden door een onafhankelijke instantie die een hele gemeenschap vertegenwoordigt. Op lokaal vlak maken overheden van sport vaak gebruik om een zekere identiteit te promoten. Zo krijgen verschillend voetbalclubs in Europa financiële steun van de stad of het gewest omdat ze model staan voor een gemeenschap. Ook op internationaal vlak maken overheden gebruik van sport om hun nationale identiteit in de verf te zetten (Coakley, 2003, pp. 446-451). In de Verenigde Staten wordt sportnationalisme ontwikkeld door een elitaire sportopleiding aan de universiteiten en colleges (Dejonghe, 2001, p. 76). Deze instellingen moeten atleten klaarstomen voor de belangrijkste mondiale competities. In de voormalige DDR en de Sovjet-Unie werd dit zelfs zover gedreven dat men overging tot systematische dopering. Of deze praktijken definitief tot het verleden behoren, is nog maar de vraag. De recente dopinggevallen en -beschuldigingen in de atletiekwereld in de VS (het Balco-schandaal) in het jaar voor de Olympische Spelen in Athene, geven in ieder geval een sterke indruk van niet.
Volgens Coakley (2003, pp. 18-19) is de band tussen sport en nationalisme zelden rechtlijnig. Hij probeert de relatie tussen sport en nationale identiteit in een theoretisch concept te vatten. Volgens Coakley is het inderdaad zo dat burgers zullen juichen bij een uitzonderlijke prestatie van (één van) hun landgenoten. De viering van dergelijke prestaties verschilt echter naargelang de sport. De sport die de meeste aandacht geniet zal meestal beschouwd worden als de ‘nationale sport’. Er zijn verschillende criteria om een sport tot nationale sport uit te roepen. Eén ervan is dat de sport is uitgevonden in een bepaalde natie. Dit is bijvoorbeeld het geval met voetbal in Engeland. Een ander criterium om te spreken van een nationale sport is wanneer een bepaalde sport in een cultuur is opgenomen en wanneer de mensen zich er sterk mee identificeren, ondanks het feit dat deze sport in verschillende landen over de hele wereld wordt beoefend. Een voorbeeld hiervan is wielrennen in België, en dan vooral in Vlaanderen. Ten derde en ten laatste kan een sport beschouwd worden als nationaal wanneer een natie de ontwikkeling ervan beïnvloed heeft of het op een unieke manier speelt. Hierbij kunnen we american football in de VS als voorbeeld aanhalen, wat eigenlijk een moderne variant is van het bij ons bekendere rugby.
Samengevat kunnen we stellen dat sportnationalisme een uitdrukking is van nationalistische sentimenten en onderlinge solidariteit. Deze sentimenten zorgen voor een collectieve nationale identificatie met die bepaalde sport of atleet. In die zin kan sport een tegengewicht vormen voor het etnische en regionale nationalisme als gevolg van de globalisering. Goede prestaties van landenploegen in internationale competities, zoals de vierde plaats van België op het memorabele WK voetbal van 1986 in Mexico, kunnen de interstatelijke spanningen al dan niet tijdelijk onderdrukken. Anderzijds kan sport ook aangewend worden om regionaal nationalisme in de verf te zetten. Zo moeten een Baskisch en Catalaans ‘nationaal’ team het onafhankelijkheidsstreven van het Baskenland en Catalonië in Spanje symboliseren.
1.1.2.5. Globalisering van het basketbal
Als slot van dit inleidende hoofdstuk richtten we ons tot de sport die in deze eindverhandeling centraal staat. We proberen kort de globale verspreiding van basketbal te schetsen aan de hand van enkele auteurs. Het ontstaan ervan komt later (cfr. 2.2.) nog uitgebreid aan bod.
Basketbal verspreidde zich op het einde van de 19e eeuw vanuit de VS naar Zuidoost Azië (Dejonghe, 2001, p. 54). De ‘verovering’ van Europa gebeurde pas na de Eerste Wereldoorlog. Een belangrijke factor hierin was weggelegd voor de YMCA (Van Bottenburg, 2004, p. 108). De ‘Young Men’s Christian Association’ was halfweg de 19e eeuw gesticht in Londen om sociale en morele hervorming en opvoeding te verwezenlijken. De YMCA richtte zich tot de jeugd uit de sociaal lagere klassen in de steden. In de tweede helft van de 19e eeuw ging deze organisatie zich toeleggen op sport en andere lichaamsoefeningen. In het begin lag de klemtoon op de Duitse gymnastiek en werden massaal gymnastiekhallen gebouwd. Maar omdat dit de Amerikaanse jongeren steeds minder en minder ging boeien, moest de YMCA op zoek naar alternatieven om hun sporthallen te blijven vullen. Luther Gulick, de directeur van de YMCA, gaf zijn medewerkers de opdracht om op zoek te gaan naar zaalsporten die zouden kunnen concurreren met de populaire buitensporten. Eén van zijn medewerkers was James Naismith. In 1891 zou Naismith 13 basisregels ontwikkelen die de basis zouden vormen voor een nieuwe sport die de naam basketbal kreeg. Vandaag is basketbal de tweede sport in de Verenigde Staten, na baseball.
Van Bottenburg (2004, pp. 174-176) haalt drie katalysators aan voor de verspreiding van basketbal – en volleybal; de verspreiding van deze twee sporten kent een nagenoeg gelijkaardig patroon. Naast de zojuist besproken YMCA zijn dit het Amerikaanse leger en de school. Gedurende en na de Eerste Wereldoorlog organiseerde de YMCA basketbal- en volleybalwedstrijden als ontspanning voor de Amerikaanse soldaten. Op deze manier kwamen de Europese soldaten uit de diverse landen die in de oorlog betrokken waren met deze sporten in aanraking. In 1919 werden op initiatief van de Amerikaan Elwood S. Brown, physical director van de YMCA en hoofd van de sportafdeling voor Amerikaanse strijdkrachten, ‘intergeallieerde spelen’ georganiseerd in Parijs, waar 500.000 toeschouwers konden genieten van de nieuwste balsporten.
Door zijn relatie met het Amerikaanse leger werd basketbal het eerst beoefend in die staten die hadden meegestreden in WOI. Vlak na de oorlog werden in heel wat Midden-Europese landen secretariaten en scholen uit de grond gestampt door de YMCA om de sportbeoefening te bevorderen. Gedurende de Tweede Wereldoorlog zou de populariteit en beoefening van basketbal opnieuw een boost krijgen door de aanwezigheid van Amerikaanse soldaten in onze contreien. Vooral in Duitsland zou basketbal zich snel ontwikkelen na de oorlog. Hoewel de YMCA en het Amerikaanse leger voor een sterke verspreiding van het basketbal hadden gezorgd, was dit nog geen garantie voor een blijvende en groeiende interesse. Deze interesse zou pas in de jaren ’60 exponentieel stijgen, en daarvoor waren twee andere oorzaken (van Bottenburg, 2004, p. 176). De eerste oorzaak was het feit dat de machtspositie van de VS in de wereld in deze periode een (eerste) absoluut hoogtepunt bereikte en heel wat van de Amerikaanse cultuur kwam overgewaaid. De tweede oorzaak was de nauwe band van de Amerikaanse YMCA en de Europese gymnastiekbeweging. Net zoals de YMCA was de Europese gymnastiekbeweging op het eind van de 19e eeuw ook een offensief gestart tegen de tanende interesse voor de binnensporten, waaruit de balsporten handbal en korfbal ontsproten. Samen met basketbal en volleybal was er nu dus een waardig alternatief voor de buitensporten.
Vandaag is basketbal in Europa het populairst in Zuid-Europa. De reden hiervoor werd eerder al besproken, namelijk de latere industrialisering – en bijgevolg de grotere ontvankelijkheid voor vreemde culturen – in deze landen. De Griekse, Italiaanse en Spaanse competitie zijn de sterkste van Europa en na de NBA de sterkste van de wereld. De internationale basketbalbond, de FIBA (Federation International Basket Associations), werd in 1932 opgericht in Genève. Er zijn 212 aangesloten leden (“Fiba Ranking System”, 22.03.2005; Van Bottenburg, 2004, p. 54). In tabel 2 geven we een rangschikking van de 15 beste landen in het mannenbasketbal volgens de FIBA. De VS is nog altijd de onbetwiste leider. De tweede plaats van Servië-Montenegro is te danken aan de wereldtitel die ze in 2002, in de VS nota bene, behaald hebben, door in de finale Argentinië te kloppen, de huidige Olympische kampioen en derde op de lijst.
1.2. Mediatisering
1.2.1. Wat is mediatisering?
In tegenstelling tot globalisering is mediatisering geen modewoord om een bepaalde evolutie te omschrijven. Het wordt door weinig auteurs in de mond genomen en dan vaak nog onder een andere naam: medialisering (van Bottenburg) of mediasering. Literatuur hierover is dan ook minder voorhanden. Toch zullen we kort een schets trachten te geven over de steeds groeiende rol van de moderne massamedia.
Met Hellemans (1996, pp. 47-86) geven we eerst een overzicht over de opkomst van de moderne (massa)media sinds 1800. Hellemans maakt namelijk een onderscheid tussen premoderne, trage media (vóór 1800) en moderne, snelle media (sinds 1800) maar maakt ons daarbij attent dat beide nog een significante rol vervullen in hoe we de werkelijkheid begrijpen. Vanaf de jaren ’30 van de 19e eeuw verschenen de eerste kranten in grote oplage, eerst in de VS en Frankrijk, gevolgd door Engeland. Tien jaar later werden de eerste moderne westerse nieuwsagentschappen opgericht, zoals het Franse Havas, het Amerikaanse Associated Press en het Brits-Duitse Reuter. Met de uitvinding van de Morse-telegraaf in 1844, kon het nieuws in sneltempo de redacties bereiken. Vanaf dat moment kon men spreken over dagelijks nieuws. De krant werd gecommercialiseerd en werd een echt consumptieproduct.
1895 betekende de doorbraak van de audiovisuele media (Hellemans, 1996, p. 73). Marconi kwam met de radiotelegrafie op de proppen en in Parijs gaven de gebroeders Lumière hun eerste filmvoorstelling in de ‘Salon indien’ van het Grand Café aan de Boulevard des Capucines. Tot de Tweede Wereldoorlog zou de radio heersen, in belangrijke mate omdat die werd gebruikt voor militaire doeleinden in de Eerste Wereldoorlog. Door de radio konden de mensen nu tot op de minuut op de hoogte gehouden worden van de actuele gebeurtenissen. Het enige wat nog ontbrak, waren de beelden. In 1936 begonnen de Britten met regelmatige tv-uitzendingen voor een groot publiek. Na WOII werden de VS echter het Mekka van de televisie. Tegen het einde van de jaren ’50 heerste er een heuse televisierage, terwijl op het Europese vasteland de tv bij wijze van spreken nog in de wieg lag. De televisie – en de cinema, Hollywood was intussen een instituut geworden met wereldwijde uitstraling – gaven de burger een beeld op de wereld. Via kranten (en tijdschriften), radio en televisie kon men nu over alles waar dan ook ter wereld, geïnformeerd worden. De komst van internet en het World Wide Web is in die zin niet meer dan een aanvullend medium. De grootste verdienste van internet is dat het de klassieke tweedeling tussen zender en ontvanger heeft doorbroken. Iedereen kan er – ongecontroleerd en bijgevolg ongecensureerd – boodschappen verkondigen en de werkelijkheid mee bepalen.
De massamedia staan niet op zich in de maatschappij. Ze worden door heel wat externe factoren beïnvloed (Vandebosch, 2003, pp. 9-23, pp. 24-31). De belangrijkste zijn de economische factor, de technologische factor, de politieke factor en de socio-culturele factor. Deze factoren beïnvloeden elkaar ook onderling. Wat betreft de invloeden op de massamedia zijn er vier gangbare theorieën (de “Four Theories of the Press”), die in feite teruggaan op twee typologieën, namelijk de autoritaire en liberale mediatheorie. Deze ideologische indeling was sterk beïnvloed door de Koude Oorlog en is intussen verouderd en achterhaald, en wordt dan ook niet meer gebruikt. In de huidige wetenschappelijke literatuur over de relatie tussen media en maatschappij is er een dubbele tweespalt, tussen technologiedeterminisme en –relativisme enerzijds en tussen een pluralistische mediavisie en kritische visie anderzijds.
Rowe (1999, p. 174) omschrijft mediatisering als “de uitbreiding van de invloed van de media in alle sferen van het sociale leven”. Volgens Rowe was de transformatie van kleine en technologisch rudimentaire media naar een institutioneel complex van zowel sociaal, cultureel, politiek als economisch belang een belangrijk element in de opkomst van het kapitalisme en de industrialisatie. Deze transformatie was niet enkel een technologische evolutie, maar vooral een strijd tussen verschillende machtsblokken om de verspreiding van het woord. De media hebben bij aanvang twee functies, die van informatieverstrekking en die van entertainment. Vandaag lijkt dit onderscheid volgens Rowe niet meer zo duidelijk en is er een trend naar deze laatste functie. Hij stelt dat de media kunnen aanzien worden als een institutionele ruimte die dagelijks moet opgevuld worden om te voldoen aan de eisen van de consument (luisteraar, lezer, kijker). Pure, zakelijke informatie wordt moeilijk verteerd.
Sinds 1960 spreken sommige wetenschappers (oa. Toffler, Porat, Castells) over een ‘informatiemaatschappij’ (Briggs & Burke, 2003, pp. 252-254; De Grooff, 2005, z.p.). Het begrip geeft vorm aan diverse communicatieaspecten – informatie, literatuur, amusement – die uitgewisseld worden via verschillende media met verschillende materialen: papier, inkt, doek, celluloid, radio, televisie en computers. Vanaf de jaren ’60 werden alle boodschappen beschouwd als data, informatie die met behulp van elektronische technologie kon worden verspreid, verzameld en vastgelegd. Vandebosch (2003, pp. 43-44) definieert de informatiemaatschappij als een “fundamentele verandering in de (Westerse) postindustriële maatschappij van de jaren ’80 en ’90, die steeds meer afhankelijk is van de zogenaamde moderne informatie en communicatie”. Centraal staan volgens haar de proliferatie (kwantitatieve groei) en de diversiteit (kwalitatief) van de huidige beschikbare media en mediatechnologieën.
Schulz (april 2003, p. 2) gebruikt het concept ‘mediamaatschappij’ en dit als gevolg van processen die hij ‘mediation’ en ‘mediatization’ noemt. Mediation verwijst enerzijds naar de basisfunctie van massamedia, namelijk mensen toegang verlenen tot die delen van de sociale realiteit die ze zelf niet kunnen zien. Anderzijds verwijst het naar het overbruggen van ruimtelijke, sociale en culturele afstanden tussen verschillende actoren. Mediatization (of mediatisering) duidt op de impliciete gevolgen van de mediaveranderingen, waarbij de klemtoon vaak wordt gelegd op het medium televisie. Volgens Schulz (p. 4)“mediatization affects individuals, groups and organizations, their perception and definition of reality, social behaviour, finally social systems and system parts as well as their interrelations”. Hij maakt tevens de opmerking dat de concepten van mediatization en mediamaatschappij vooral te danken zijn aan het televisietijdperk, dat bij het begin van de 21ste eeuw stilaan ten einde komt. Bij dit hele idee van informatiemaatschappij en mediamaatschappij moeten we erop wijzen dat dit geen wereldwijd fenomeen is. De wereld evolueert immers in verschillende snelheden. Om het met een boutade te stellen: terwijl we in de Westerse maatschappij oplossingen zoeken om de nieuwste vormen van spyware en spam te bestrijden, leert men in grote delen van Afrika, Zuid-Amerika en Azië nog hoe te werken met Windows ’95.
Volgens Wim Van Dinten (in Meijer, 23.03.2005, z.p.) heeft televisie in de loop van de moderne geschiedenis een evolutie doorgemaakt van het domein van ‘televisie als venster op de wereld’ naar het domein van ‘televisie is de wereld’. In zijn pioniersjaren was televisie een medium dat betekenis weergaf. Vandaag domineert televisie betekenis. Mensen ervaren televisie als betekenismaker. De televisie maakt de realiteit (zoals ze is) waar ze deze vroeger enkel toonde.
Jan Blommaert (24.03.2005) onderscheidt drie belangrijke aspecten van mediatisering met betrekking tot België. Het eerste aspect is het aangrijpen van media-beelden om nationale verschillen te beklemtonen. Hij haalt als voorbeeld aan dat de berichtgeving over een buitenlandse reis van een Belgische politicus aangegrepen kan worden voor nationale doeleinden. Het tweede aspect is dat de media actief bijdragen tot de vorming van politieke referentiekaders. Zo zijn de Vlaamse televisiezenders – zowel de commerciële als de openbare – zich voornamelijk gaan richten op berichtgeving uit eigen gemeenschap, en worden gebeurtenissen in Wallonië niet of nauwelijks nog vermeld, laat staan in positieve zin. Het derde en laatste aspect van mediatisering is de belangenvermenging. In het huidige Vlaamse medialandschap zijn de media belanghebbende partijen geworden in de Vlaamse natievorming. Dit is in belangrijke mate het gevolg van het feit dat ze door de Vlaamse overheid gesubsidieerd worden met de opdracht om een Vlaamse culturele identiteit tot stand te brengen.
Mediatisering wordt vaak in verband gebracht met politiek. De invloed van de media op politiek wordt steeds groter en groter. Door de mediatisering van de politiek worden politici afhankelijk van de massamedia – met televisie op kop (Ameye, 23.03.2005, z.p.). Dit is een merkwaardige evolutie. Nauwelijks twintig jaar geleden werden de media nog in grote mate gecontroleerd door de politiek. Iedere politieke kleur had zijn kranten en tijdschriften en de televisie was een spreekbuis voor de beleidsvoerders. Ameye spreekt van een overgang van ‘politisering van de media’ naar ‘mediatisering van de politiek’. De verschillende mediadebatten op de openbare en commerciële televisie- en radiozenders naar aanleiding van verkiezingen zijn van goudwaarde voor de politici en politieke partijen. Een debat verliezen is uit den boze en kost duizenden stemmen. Sommige politici kunnen goed om met deze media-aandacht en groeien uit tot een soort vedetten die niet moeten onderdoen voor hun collega’s uit de sport- en entertainmentwereld. Anderen zijn minder tuk op de media en verzeilen hierdoor in de politieke anonimiteit.
1.2.2. Mediatisering van de sport
1.2.2.1. Inleiding
De mediatisering van de topsport is niet meer uit de hedendaagse maatschappij weg te denken en zal voor een groot deel de richting van de topsport in de komende decennia sturen. Een positief gevolg van deze mediatisering is dat topsport vaak ook een groeipool wordt voor de recreatiesport. Het nadeel is dat er veel minder tot geen media-aandacht gaat naar de kleine en minder bekende sporten, waarvan de beeldimpact inderdaad kleiner is, maar die evenzeer een waardevolle invulling betekenen van een gezonde en authentieke sportbeoefening. De media-aandacht voor sport creëert anderzijds kansen en opportuniteiten om een gerichte sportpromotie te voeren en zo de sportparticipatie van de bevolking te verhogen (Anciaux, 2004, p. 11).
De laatste twintig jaar is de relatie tussen sport en media een belangrijk interessedomein geworden voor verschillende mediadeskundigen en academici. Sport is belangrijk als een populaire media-inhoud. Het speelt een belangrijke rol op het gebied van identificatie, nationaliteitsvorming en globalisering en in de beleidsvoering van verschillende mediaorganisaties (Bernstein & Blain, 2002, pp. 1-3). Volgens De Knop et al. (2002, p. 157) zijn de media zijn één van de vele culturele praktijken in onze maatschappij. Ze nemen een steeds belangrijkere plaats in binnen onze samenleving. Hun relatie met topsport is heel hecht. De media die sport verslaan, hebben als belangrijkste functie het bieden van infotainment, een mix van informatie en entertainment dus.
Binnen het domein van de sociologie kan onderzoek naar sportmedia onderverdeeld worden in drie groepen: inhoudsanalyse, selectieonderzoek en interpretatieonderzoek (De Knop, Vanreusel, & Scheerder, 2002, pp. 160-163). De inhoudsanalyse is het meest voorkomende onderzoek en bestudeert wat er te zien, te horen en te lezen is. Er is een onderscheid tussen kwalitatieve en kwantitatieve inhoudsanalyse. Kwantitatieve inhoudsanalyses bekijken de hoeveelheid aandacht voor de verschillende sporttakken. Kwalitatieve inhoudsanalyses bekijken de manier waarop de media over de sporten berichten.
Selectieonderzoek bestudeert de impliciete en expliciete criteria die worden gehanteerd om al dan niet aandacht te schenken aan een bepaalde sport of wedstrijd. Die criteria kunnen zijn: commerciële belangen, het nakomen van contracten, de populariteit van sporten of het prestatieniveau.
Het interpretatieonderzoek ten slotte bestudeert de verschillende publieksgroepen bij sporten. Ook hier kunnen we een onderscheid maken tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Naar wat wordt gekeken en geluisterd en wat wordt gelezen (kwantitatief) en hoe wordt dit gewaardeerd (kwalitatief)?
1.2.2.2. Invloed van media op de sport
In de 18e en de 19e eeuw publiceerden kranten af en toe nieuwtjes over prijsgevechten, paardenrennen en bootraces. Vanaf de jaren ’50 van de 19e eeuw werden sportitems regelmaat. In die periode begon men elektronische media te gebruiken voor sportverslaggeving. In de jaren ’20 van de 20e eeuw waren de eerste rechtstreekse uitzendingen van sportevenementen op de radio een feit. Pas vanaf de jaren ’50 van vorige eeuw kregen sportevenementen een volwaardige plaats in de televisieprogrammering (McPherson, Curtis, & Loy, 1989, pp. 145-146). Volgens Rowe (1999, pp. 30-32) heeft sport de unieke kwaliteit van nieuws en onvoorspelbaarheid. Mediaberichtgeving is vaak voorspellen en oordelen, voor, tijdens en na het sportevenement. Sport voldoet daarmee aan de twee basisfuncties van de media: informatie en ontspanning.
Vandaag de dag kunnen sport en media niet meer los van elkaar gezien worden. De proportie pagina’s die gereserveerd zijn voor de sportkatern overtreft alle andere katernen, althans in de populaire kranten. In de tv-programmering liggen de verhoudingen iets anders. Daar zijn het vooral de weekends die gedomineerd worden door sportprogramma’s. Daarnaast zijn er zenders die de klok rond sport uitzenden (Lapchick, 1986, p. 311). Met media bedoelen we hier en in het vervolg van dit hoofdstuk in de eerste plaats televisie, en in mindere mate radio en geschreven pers. De reden waarom sportprogramma’s zo populair zijn, is omdat ze zo goedkoop zijn om te maken en veel opbrengsten genereren.
Het globale ‘mediasportcomplex’ anno 2005 bestaat uit drie groepen: de sportorganisaties, de mediaorganisaties en de multinationale ondernemingen (Maguire, 1999, pp. 149-153). De aard van hun relatie varieert. Zo is er een duidelijk verschil tussen Noord-Amerika en Europa. In de VS is de band tussen sport- en mediaorganisaties veel groter. Zo hebben sommige eigenaars van grote kranten ook aandelen van clubs uit de NFL (football), de NHL (ijshockey), de MLB (baseball) of de NBA (basketbal), de vier grote profcompetities. In Europa zijn zulke structuren eerder zeldzaam.
De afhankelijkheid van sport ten opzichte van de media is in de loop der jaren sterk gegroeid. De traditionele bronnen van inkomst, zoals ticketverkoop en sponsoring, hebben aan belang ingeboet. Om break-even te draaien zijn media-aandacht en –verslaggeving onmisbaar. Maguire (1999, pp. 152-153) onderscheidt in de globale mediasport vier kenmerken. Ten eerste heeft sport zich soepeler opgesteld ten opzichte van de media. Ten tweede is de berichtgeving over sport heel wat spectaculairder geworden. Ten derde is de sport een handelsartikel geworden waarvan de mediawaarde wordt bepaald door de grootte en de samenstelling van de consument voor sponsors en reclamemakers. Ten vierde en ten laatste is er ook een trend naar mediasporten die over de hele wereld beoefend worden, zoals voetbal, tennis of basketbal.
Media bieden sport niet enkel aan omwille van haar grote populariteit onder de mensen, maar ook en vooral om de concurrentieslag te winnen en hun winst te vergroten. Dit is ook de reden waarom de populairste sporten de meeste aandacht krijgen in de media. Voor sporten die niet verkopen, is er geen plaats in de programmering of op de voorpagina’s. Sporten die wel goed verkopen, én goed in beeld gebracht kunnen worden – voetbal, wielrennen, tennis, basketbal en formule 1 als belangrijkste – zijn daarentegen grof wild op de mediamarkt. In Duitsland bijvoorbeeld, sloten KirchMedia en de s.Oliver Basketball Bundesliga in 2000 een akkoord om het basketbal één van de best bekeken sporten in Duitsland te maken. Jaarlijks stemden zowat 11 miljoen kijkers af op SAT.1, het tv-kanaal van KirchMedia om de wedstrijden uit de basketbalcompetitie te zien. Intussen is – mede door de financiële problemen van KirchMedia – dit contract afgelopen, en worden de wedstrijden nu live uitgezonden op Premiere. De Duitse basketliga vond ook een partner in UFA, de grootste Duitse cinemagroep. In 38 zalen in 22 grote steden worden voor de films spotjes getoond over de competitie (Reintjes, 2003, p. 54). In onze pluriformer wordende samenleving wordt de berichtgeving steeds globaler en eenvoudiger, mede omdat het veelvoud aan mediaondernemingen in handen is van slechts enkele grote eigenaars.
Bepaalde sporten zijn rijk geworden doordat de media geld moeten betalen om ze te kunnen uitzenden (De Knop, Vanreusel, & Scheerder, 2002, p. 159). Daarbij denken we in de eerste plaats aan voetbal en televisie. In de Champions League en alle Europese topcompetities barst er telkens weer een hevige strijd los als er beslist wordt over de uitzendrechten. De keerzijde van de medaille is echter dat de gewone man in de straat daar het slachtoffer van is. Het zijn namelijk vaak de private, te betalen tv-zenders die de uitzendrechten binnenhalen, waardoor voor veel mensen de toegang tot deze sporten beperkt wordt (Stead, 2003, pp. 188-189). Zo zijn de uitzendrechten voor de Belgische voetbalcompetitie al jaren in het bezit van Canal + (recent door Telenet verkocht aan de VMMa in Vlaanderen en overgenomen door Be-TV in Wallonië).
De sportmedia maken helden van sommige spelers en lokken meer toeschouwers naar de stadions. Er is echter een veelvoud aan ‘consumenten’ die de wedstrijden op televisie en stilaan ook het internet[2] – in mindere mate op de radio – volgen. Omdat kijk- en luistercijfers voor hen het hoogste goed zijn, proberen ze zo veel mogelijk de uitzenduren en –data te bepalen. Ook proberen ze veranderingen in de sport zelf door te voeren. Zo worden competities uitgebreid en spelregels aangepast. Een klassiek voorbeeld dat aangehaald wordt door Derèze (2000, p. 6) is de invoering van de tiebreak in het tennis in 1971. Zo kon de maximale duur van de wedstrijden beter worden voorspeld. De media gaan ook zelf sportevenementen organiseren, denken we bij ons maar aan de Omloop Het Volk (een organisatie van Het Nieuwsblad) in het wielrennen en de Gazet van Antwerpen Trofee in het veldrijden. Het bekendste voorbeeld hiervan in het buitenland is de Ronde van Franrijk, meer dan honderd jaar geleden ontstaan op initiatief van de Parijse sportkrant L’Equipe (Derèze, 2000, p. 1).
Eén van de belangrijkste aspecten van mediasport is het creëren van een sterrencultus (Boyle & Haynes, 2000, pp. 90-96). Dit is iets waar de internationale bedrijven, zoals Nike of Coca-Cola, guitig op inspelen. De kiemen van dit aspect liggen in het Amerika van de jaren ’60. De eerste sporter die de status van ster bereikte, was de Amerikaanse golfer Arnold Palmer. Samen met een zakenpartner slaagde hij erin zijn naam te verkopen als handelsmerk. Hij bereikte pas echt de status van ‘celebrity’ door regelmatig zijn opwachting te maken in televisieshows, reclamespotjes en allerlei zakenevenementen. Palmer besefte dat hij een wandelende advertentie was geworden en kon daar als geen ander in die tijd op inspelen. Mede door zich zo te gedragen, heeft hij de golfsport een wereldwijd karakter gegeven. Na Palmer zouden vele sporters hem evenaren en zelfs overtreffen en hetzelfde betekenen voor hun sport. De sporter die hierin het best geslaagd is, en dit gedurende de hele jaren ’90, is ongetwijfeld Michael Jordan (in Boyle & Haynes, 2000, p.96):
Basketball isn’t my job. For me, my job begins the moment I walk off the floor. It’s everything that surrounds the actual playing of the games. My job is being a product endorser, an employee of the Chicago Bulls, trying to live up to the expectations of others, dealing with the media. That’s my job.
Basketbal is een schoolvoorbeeld van een sport waarin de media verweven zijn. De sport heeft de laatste decennia talloze veranderingen ondergaan om zijn huidige mediavriendelijke status te bereiken. Zo werden time-outs geïntroduceerd voor reclameblokken op tv, de 24-secondenregel – de aanvallende ploeg moet binnen deze tijdsperiode een doelpoging ondernemen – om het spel te versnellen, de driepunters om de score de hoogte in te jagen, en verlengingen om een winnaar aan te duiden. Deze veranderingen hebben ook een invloed gehad op de basketbalspelers zelf. Na een dipje in de populariteit gedurende de jaren ’70, werd een tijdperk van supersterren gecreëerd in de jaren ’80. De bekendste namen in het begin waren Larry Bird en Earvin ‘Magic’ Johnson, maar deze verbleekten toen de – tot op heden – beste basketballer aller tijden halfweg de jaren ’80 zijn opwachting maakte in de NBA. Jordan kon al vlug een miljoenencontract in de wacht slepen met een grote Amerikaanse textielgigant, waardoor ‘Mike’ gedurende de hele jaren ’90 hét uitgangbord werd van Nike. Volgens Dyson (in Boyle & Haynes, 2000, p. 97) had hij dit te danken aan zijn stijl en vaardigheid, die uniek waren in het basketbal.
1.2.2.3. Invloed van sport op de media
De relatie tussen sport en media is echter geen eenrichtingsverkeer. De media zijn ook veranderd door de sport (De Knop, Vanreusel, & Scheerder, 2002, p. 159). Dankzij topsport zijn verschillende programma’s gecreëerd, zoals Stadion op VTM of Sportweekend op Eén bij ons en Studio Sport in Nederland. Er zijn – al dan niet tijdelijk – sportzenders uit de grond gestampt. In de zomer van 2004 richtte de openbare zender VRT een derde net genaamd Sporza op, om de verschillende sportmanifestaties die zomer live en integraal tot in de huiskamers te kunnen brengen. Op Europees niveau bestaat sinds jaar en dag de zender Eurosport, die opereert vanuit Parijs. In de VS zijn FOX Sports en ESPN gelijkaardige zenders. Er zijn talloze sportsites opgericht, die vaak ook live verslaggeving aanbieden. Uitzendtechnieken zoals slow motion en split screen werden speciaal voor sportwedstrijden ontwikkeld. Ook de manier van produceren is veranderd: sportevenementen worden nu met tientallen camera’s gevolgd, waar men het vroeger met een of twee camera’s moest bolwerken. Er is een overvloed aan sporttijdschriften en –programma’s. Veel kranten worden verkocht op basis van hun sportkatern.
1.2.2.4. Sportmedia in relatie tot gender en etniciteit
De (sport)media zijn instituties die een invloed hebben op onze beeldvorming. Ze creëren een bepaald beeld over sport en sporters, vrouwen en mannen, etnische minderheden en meerderheden en verschillende nationaliteiten (De Knop, Vanreusel, & Scheerder, 2002, pp. 163-164). Ze definiëren tevens de sociale en politieke positie van sport in de samenleving (Boyle & Haynes, 2000, p. 144). Beeldvorming omvat de beelden en ideeën die we gebruiken om aspecten van het bestaan te interpreteren en te begrijpen. Door de belangrijke plaats die de media innemen in de huidige samenleving wordt de invloed op onze beeldvorming alleen maar groter.
Uit talloze onderzoeken blijkt dat vrouwensport relatief weinig aan bod komt in de media. Sport wordt door de media nog altijd gezien als een mannenbastion. Enige uitzondering hierop lijkt de WTA-Tour – het professionele vrouwentenniscircuit – te zijn. Beelden van vrouwelijke sporters zijn eerder uitzondering dan regel. We kunnen spreken van een proces van exscriptie of uitschrijving. Sabo en Jansen (in De Knop et al., 2002, p. 163) noemen dit een socially constructed silence: wat niet vertoond wordt, wordt niet erkend en lijkt niet te bestaan. Daarbij komt nog dat de prestaties in vrouwensport vaak geminimaliseerd worden, en de commentatoren en journalisten meer oog hebben voor hun uiterlijk en voorkomen (Bernstein & Blain, 2002, p. 8).
In onderzoeken naar verschillen in sportdeelname op basis van gender of etniciteit wordt vaak verwezen naar het belang van beeldvorming en de invloed van media hierop. Toch zijn de relaties tussen beeldvorming, participatie en integratie niet eenduidig. Uit Nederlands onderzoek van Knoppers en Elling (2001, in De Knop, Vanreusel, & Scheerder, 2002, p. 164) blijkt dat veel mensen, en voornamelijk autochtone jongens en mannen, de relatieve oververtegenwoordiging van ‘zwarte’ sporters in sommige sporten biologisch verklaren. Meisjes en jongens geven naast biologische ook socio-culturele en economische verklaringen.
Onderzoek over sport en etniciteit dateert al van de jaren ’60 van de vorige eeuw (Bernstein & Blain, 2002, pp. 17-21). Veel Brits en Amerikaans onderzoek naar etniciteit in de sportmedia hebben zich voornamelijk beperkt tot de beeldvorming en berichtgeving over zwarte atleten. Ze hebben gewezen op de discriminatie en de stereotypering van zwarten in de verschillende media. In hun onderzoek uit 1992 naar de rol van de media in de relatie tussen etniciteit en sport stellen Sabo en Jansen hierover het volgende:
Media images of black male athletes are a curious confluence of athletic, racial and gender stereotypes. The intermeshing of racial stereotypes with images of hegemonic masculinity, in effect, reflects and reinforces timeworn racist notions about the sexuality and masculinity of black men. It would therefore appear that sport media are complicit in … the larger institutional and cultural processes that reproduce and exonerate white men’s domination over black men (Sabo & Jansen in Bernstein & Blain, 2002, p. 18).
Etniciteit beperkt zich niet enkel tot het onderscheid blank-zwart. In de huidige multiculturele samenleving met zijn diverse godsdiensten en gebruiken moet etniciteit – en daaruit volgend gevoelens van nationalisme en identificatie – ruimer geïnterpreteerd worden, ook in de sport. Aan de relatie tussen etniciteit en sport – en het daarbij horende racisme – wordt in een apart hoofdstuk (2.4.) dan ook uitgebreider aandacht besteed.
1.2.2.5. Sportmedia in relatie tot nationale identiteit
Vandaag zijn de meeste sportculturen gemedieerd door televisie, radio, de gedrukte pers en het internet. De media vormen samen een culturele arena waarin verschillende betogen over sociale en politieke overtuigingen met betrekking tot sport kunnen worden gevoerd. In de mediaverslaggeving van sportmanifestaties is er een trend naar een (vaak agressieve) chauvinistische vorm van nationalisme (Blain, Boyle, & O’Donnel, 1993, p. 12, p. 34). Dit komt het meest naar voor in de Britse pers, vooral dan in de tabloids.
Enkele recente studies hebben het effect van mediasport op nationale identiteit onderzocht (Washington & Karen, 2001, pp. 200-203). Onderzoek van Blain et al. uit 1993 naar nationale stereotyperingen in sportverslaggeving in kranten en op televisie, toonde aan dat de media de mogelijkheid hebben om zowel een natie samen te brengen als vijandige gevoelens te creëren tegenover buitenstaanders en opponenten. Een andere studie naar de rol van de media in de beeldvorming van naties van Tuck uit 1998 (in Washington & Karen, 2001, p. 202), kwam tot het besluit dat de media significant bijdroegen tot wij- versus zij-identiteiten gedurende de Wereldbeker Rugby in 1995.
Boyle en Haynes (2000, p. 148) maken twee opmerkingen met betrekking tot de origine van deze discoursen. Ten eerste wijzen ze erop dat de media onderworpen zijn aan een hele reeks economische, culturele en politieke drukkingsgroepen die in belangrijke mate hun verslaggeving over bepaalde sportgebeurtenissen beïnvloeden. Ten tweede kan het volgens hen misleidend zijn als men de media in het centrum van identiteitsvorming plaatst. Hoewel ze een belangrijke functie vervullen in dit proces, “they are not necessarily the primary definers of either discourse or aspects of identity”.
Tabel 1: Invoering van de eerste gestandaardiseerde regels bij enkele van de belangrijkste Engelse sporten gedurende de 19e eeuw