| Emancipatoire Politiek in een Tijd en Ruimte van Alomtegenwoordige Informatieverwerking. (Jeroen van Strij de Regt) |
| home | lijst scripties | inhoud |
1.1 Smart Mobs?
Begin september 2003 organiseerde Waag Society in Amsterdam een korte lezing van nieuwe mediagoeroe Howard Rheingold, ter gelegenheid van de publicatie van zijn nieuwste boek Smart Mobs (2003). In Smart Mobs kondigt Rheingold de volgende sociale revolutie aan. Aangedreven door mobiele communicatietechnologie, in de fysieke ruimte ingebedde microprocessoren, de dynamiek van samenwerking en de mogelijkheden van gedecentraliseerde zelforganisatie ontspringen smart mobs: coöperatieve, spontane zwermen van technomads die door middel van ‘wearable remote-control devices for the physical world’ nieuwe sociale structuren vormen (Rheingold, 2003: xii). ‘Watch smart mobs emerge when millions of people use location-aware mobile communication devices in computation-pervaded environments’ (ibid.: 86).
Omdat ik Smart Mobs had aangeschaft en met interesse maar ook scepsis had gelezen, besloot ik deze lezing bij te wonen. Ik verwachtte een verhaal te gaan horen van iemand die er uit zag als een droge academicus, maar Howard Rheingold leek meer op een oud geworden hippie. Meteen maakte ik de associatie met John Perry Barlow van The Electronic Frontier Foundation, een ex-hippie en net als Rheingold, een van de eerste profeten van het internettijdperk. Rheingold is bekend geworden door zijn boek The Virtual Community (1994), een van de eerste en destijds populaire sociale analyses van de mogelijkheden van internetgemeenschappen. Smart Mobs is in dezelfde optimistische toon geschreven als The Virtual Community. Dit vond ik aan de ene kant interessant, maar aan de andere kant kon ik niet meegaan in het enthousiaste verhaal van Rheingold.
Rheingold gaf een introducerende lezing over zijn boek en daarna was er tijd voor vragen. Ik was gefascineerd geraakt door het fenomeen flashmobbing, dat toen een hype was. Aangezien het een onderwerp in de lezing was, heb ik Rheingold hierover een vraag gesteld. Een flash mob is een via internet georganiseerde collectieve actie op straat, die vaak een nogal ludiek karakter heeft, zoals de flash mob waarbij mensen gezamenlijk kikkersprongen maakten op de Dam in Amsterdam. Een flash mob is als het ware een absurdistische Smart Mob. Mijn vraag betrof de potentieel emancipatoire politieke actie die uit zou kunnen gaan van Flash Mobs in het bijzonder en Smart Mobs in het algemeen. Ik vroeg Rheingold een reactie te geven op de constante dreiging van de wereld van marketing om elk interessant voortbrengsel van (internet)subcultuur te incorporeren als reclamestrategie. Ik gaf daarbij het fictieve voorbeeld van een Coca Cola flash mob, waarbij mensen met Coca Cola logo’s gezamenlijk reclame zouden maken bij wijze van stunt. De reactie van Rheingold was teleurstellend. Hij antwoordde simpelweg dat authentieke, collectieve actie niet geperverteerd kon worden door commercie. Ik ben het hier in het geheel niet mee eens. Ik verliet de bijeenkomst toch wel tevreden omdat ik mijn exemplaar van Smart Mobs had laten signeren. Een ironische tevredenheid, bedacht ik mij achteraf, omdat zijn boek daardoor meer een commodity werd dan een viering van technoactivisme en elektronisch nomadisme.
Een aantal dagen later las ik een verslag van de lezing van Howard Rheingold op een nieuwspagina op internet. De schrijver van het artikel had waarschijnlijk niet goed opgelet, want hij haalde mijn vraag over het nachtmerriescenario van de Coca Cola flash mob aan als een historisch feit, alsof het al gebeurd was, terwijl ik duidelijk had aangegeven dat ik het slechts als een potentieel gevaar zag.
Dit voorval illustreert een proces dat ik beschouw als het meest dreigende fenomeen in de huidige netwerksamenleving: elke potentieel emancipatoire impuls krijgt amper de kans zich te uiten. Het lijkt bij zijn oorsprong direct gecommuniceerd, geneutraliseerd en geïncorporeerd te worden door de dominante machtsprocessen in een samenleving (het kapitalisme), of de impuls wordt zelf het onderdrukkende regime dat het probeerde onderuit te halen. Deze reflexieve loop beschouw ik als iets dat diep verweven zit in de huidige staat van de wereld. Het is toestand, die politiek hervorming onmogelijk maakt. Het is een sociale pathologie die ik in dit onderzoek in de context van de nieuwe vormen van politieke actie die mogelijk worden door draadloze communicatietechnologie wil behandelen.
1.2 Ubiquitous Computing
Het onderwerp van deze scriptie behelst de filosofische, sociale en politieke implicaties van Ubiquitous Computing, ook wel bekend onder de term Pervasive Computing. Ubiquitous Computing betekent letterlijk ‘overal informatieverwerking’. De alomtegenwoordigheid van computerisering wordt langzamerhand een realiteit met recente, razendsnelle technologische ontwikkelingen in mobiele telefonie, de opkomst van Smart Mobs, WiFi, Bibliografietooth, draadloze netwerken, RFID, Wearable Computing, etc..
De theoretische analyse van Ubiquitous Computing staat nog in de kinderschoenen. De draadloze revolutie is aangekondigd met veel bravoure, op een manier die doet denken aan het techno-utopianisme dat kenmerkend was voor de vroege internetpioniers. Draadloos genetwerkte ruimtes, zoals de stedelijke ruimte en de huiselijke sfeer, worden afgeschilderd als plekken waar geweldige dingen mogelijk worden door middel van draadloze technologie. Rheingold’s Smart Mobs zie ik als een voorbeeld van het optimistische idee over de nieuwe mobiliteiten die door draadloze communicatie mogelijk worden. Maar in hoeverre kunnen we echt spreken van een draadloos vrijheidsfeest? Is de draadloze toekomst onze nieuwe bestemming? En is er een ware vorm van politiek engagement mogelijk door deze mobiele technologieën en draadloos genetwerkte infrastructuren?
In dit onderzoek is een van mijn uitgangspunten dat elke poging om de sociale en politieke kanten van de nieuwe mobiliteiten, die mogelijk worden door draadloze communicatietechnologieën te analyseren, moet beginnen bij een uitbanning van elke vorm van hype, marketing en populaire beloftes. Vodafone, een van de grootste service providers voor mobiele telefonie, publiceert op internet het culturele ideeënmagazine receiver.[i] Op de website staat het volgende: ‘This is a neutral space where pioneer thinkers challenge you to discuss exciting and future-oriented aspects of communications technologies’. Men moet in geen geval denken dat een objectieve discussie mogelijk is onder de hoede van een corporatie die een van de belangrijkste deelnemers is van een van de meest lucratieve industrieën op dit moment. Veel van de artikelen in receiver gaan over nieuwe uitingsvormen en sociale bewegingen die mogelijk worden door mobiele communicatietechnologie. Ik ontken niet dat de schrijvers van de artikelen op de receiver-website waardevolle analyses hebben gedaan, maar het feit dat het in dienst staat van niets anders dan een overkoepelend logo maakt elke vorm van sociale theorie en kritiek die voortkomt uit dat project compleet irrelevant. Het is belangrijk om te onthouden dat het jargon van de verschillende populaire vormen van draadloze, mobiele communicatietechnologie, zoals de term Ubiquitous Computing zelf, WiFi, Bibliografietooth en soortgelijke termen niets anders zijn dan merknamen. In die zin neem ik de aanklacht van Naomi Klein, die zij in No Logo (2000) maakte, ter harte en zie ik het als noodzakelijk om de hegemonie van de merknamen te allen tijde te bekritiseren.
Recentelijk heeft Rein de Wilde een kritiek geschreven op het soort neoliberale gepraat en geschrijf over cultuur zoals in Vodafone’s receiver magazine. De Wilde richt zich tegen de vertegenwoordigers van de toekomstindustrie. In zijn boek De Voorspellers (2000) doelt hij met de term toekomstindustrie op een grenzeloos geloof in vooruitgang dat verkondigt wordt door ‘(post)moderne technocraten van allerlei pluimage, cybergoeroes, digerati, oftewel profeten van het digitale bestaan, management-consultants en transhumanisten’ (De Wilde, 2000: 10-11). De Wilde vindt de huidige populaire discoursen over de toekomst onverantwoordelijk en misleidend. Het luilekkerland van de toekomstindustrie is eenzijdig en lineair, terwijl de echte toekomst veel meervoudiger en gelaagder is. In dit onderzoek wil ik over de toekomst denken op verantwoordelijke manier. Ik wil dit doen in het kader van Ubiquitous Computing, de overkoepelende term die ik gebruik (en misbruik) voor de belangrijkste technologische ontwikkeling op dit moment.
1.3 Politiek
Het doel van deze scriptie is hoofdzakelijk van politiektheoretische aard. Ik wil in mijn analyse vanuit de ontwikkelingen in Ubiquitous Computing een beeld geven van de manieren waarop emancipatoire politiek wordt gedacht in een wereld waarin een radicale vorm van kapitalisme de klok slaat. Het mondiale kapitalisme laat zijn invloed gelden. Steeds meer economie is in handen van een kleine groep transnationale multinationals. Overheden hebben moeten inboeten als machthebbers. Het bedrijfsleven ziet haar belangen steeds meer vertegenwoordigd in regeringen, die door het geloof in het geavanceerde kapitalisme economische groei belangrijker vinden dan de belangen van burgers. Gezien het feit dat multinationals vaak groter en machtiger zijn dan staten, is het niet zo vreemd dat regeringen de belangen van deze grote bedrijven boven die van het volk stellen. Overheden maken de fout dat ze geloven dat het steunen van grote bedrijven hun meer belastinggeld en werkgelegenheid opleveren. Deze grote bedrijven hebben echter geen gevoel van loyaliteit en kunnen zich elk moment vanuit een belastingtechnisch oogpunt naar een gunstigere plek verplaatsen. Zij hebben in die zin daadwerkelijk de macht in handen.
Als gevolg van deze ontwikkelingen is er de laatste tijd een groei aan nieuwe vormen van activisme, die tegen de hegemonie van de transnationale corporaties ingaan. Er is, naast het uitkomen van legio politieke documentaires (bijvoorbeeld van Micheal Moore) en activisme op het internet, een groei aan antikapitalistische literatuur. In boeken zoals het zojuist genoemde No Logo van Naomi Klein of The Silent Takeover (2002) van Noreena Hertz worden de strategieën van transnationale corporaties blootgelegd en bekritiseerd. Deze boeken vormen een aanklacht en een oproep om weerstand te bieden tegen de totaliserende structuren van het mondiale kapitalisme.
Waarschijnlijk het belangrijkste en bekendste werk op dit terrein is het neomarxistische Empire (2000) (met het vervolg Multitude (2004)) van Antonio Negri en Micheal Hardt. Soevereiniteit is volgens Negri en Hardt tegenwoordig grotendeels overgenomen door wat zij Imperium (Empire) noemen, een radicaal gedecentraliseerde machtsvorm bestaande uit een aantal supranationale organismen. Het Imperium is gearriveerd, zeggen Negri en Hardt. Ze doen met deze herinterpretatie van globalisatie een oproep tot politiek engagement.
Imperium opereert volgens biopolitiek, een term die Negri en Hardt overnemen van Michel Foucault. Biopolitiek is het proces van controle-instrumenten, dat alle facetten van het leven wil binnendringen. Het is een alomtegenwoordig, totalitair machtsapparaat: ‘It not only regulates human interactions but also seeks directly to rule over human nature’ (Negri & Hardt, 2000: xv).
Als klasse die emancipatoire politiek nodig heeft in een tijd van een geavanceerde vorm van kapitalisme wordt door Negri en Hardt gewezen op de multitude of menigte. De menigte is ‘the real productive force of our social world, whereas Empire is a mere apparatus of capture that lives only of the vitality of the multitude’ (ibid.: 213). Negri en Hardt stellen dat Imperium afhankelijk is van de menigte. De menigte heeft daarmee een potentiële macht. Imperium draagt in zich de basis voor de eigen vernietiging. Het functioneert op de connecties die mensen met elkaar moeten maken en deze samenwerking is tegelijk de basis voor politieke actie die Imperium omver kan werpen.
Negri en Hardt claimen het recht voor de menigte om haar eigen beweging te reguleren. De vraag is hoe de menigte een politieke beweging kan krijgen die gericht is tegen Imperium. Hierbij beroepen Negri en Hardt zich op zelforganisatie: ‘The Multitude is biopolitical self-organisation’ (ibid.: 407). Negri en Hardt schrijven in hun vervolg op Empire, Multitude (2004): ‘It takes a network to fight a network’ (Negri & Hardt, 2004: 58). Het netwerk van de menigte moet een zwerm zijn, dat het radicale netwerk van Imperium aankan: ‘When a distributed network attacks, it swarms its enemy: innumerable independent forces seem to strike from all directions at a particular point and then disappear back into the environment’ (ibid.: 91). Negri en Hardt refereren naar onderzoek in Artificial Intelligence, waaruit blijkt dat swarm intelligence een collectieve en gedistribueerde vorm van probleemoplossing kan bereiken, zonder centrale organisatie. De menigte of de zwerm krijgt op deze manier een zelforganiserende dynamiek: ‘What we need to understand, then, is the collective intelligence that can emerge from the communication and cooperation of such a varied multiplicity’ (ibid.: 92).
De conclusie die getrokken kan worden uit de recente thema’s in literatuur uit het nieuwe activisme is dat de politieke emancipatie waar de internationale toestand zo aan toe is op dit moment in de handen wordt gelegd van een gedifferentieerde, zelfgeorganiseerde mensenmassa. Deze kan de vormen aan nemen van netwerken, zwermen of simpelweg menigtes. De motivatie voor dit onderzoek komt voort uit mijn interesse voor deze nieuwe vormen van politieke emancipatie. De bewegingen van de menigte kunnen echter niet geconceptualiseerd worden zonder ook grondig nieuwe mediatechnologie in acht te nemen. Ik zal daarom deze ontwikkelingen in deze scriptie in een meer technologische context analyseren. De hoofdvraag die ik in deze scriptie stel is daarom als volgt:
In hoeverre is emancipatoire politiek mogelijk in een ruimte en een tijd van alomtegenwoordige informatieverwerking?
De politieke kwestie wordt steeds belangrijker gezien de implicaties van de in gang zijnde concrete ontwikkelingen naar een draadloze toekomst. Ondanks de overenthousiaste (en zoals later in deze scriptie zal blijken, verre van onproblematische) voorstelling van zaken, maakt Howard Rheingold met zijn Smart Mobs een begin om deze nieuwe ontwikkelen te conceptualiseren. Er ontstaat op dit moment een elektronische vorm van nomadisme. William Mitchell, een andere analyticus van nieuwe media, schrijft in zijn recente boek over draadloze communicatietechnologie met de titel ‘Me++’ (2004):
‘Gradually emerging from the messy but irresistible extension of wireless coverage is the possibility of a radically reimagined, reconstructed, electronic form of nomadicity- a form that is grounded not just in the terrain that nature gives us, but in the sophisticated, well-integrated wirelss infrastructure, combined with other networks, and deployed on a global scale.’ (Mitchell, 2003: 57)
William Mitchell, die in Me++ vaak in de eerste persoon enkelvoud spreekt, ziet zichzelf in de ontwikkelingen van de nieuwe generatie mediatechnologie als een spatially extended of electronomadic cyborg. De cyborg als resultaat van de samensmelting van technologie met het lichaam is een belangrijk onderdeel van wat ik versta onder Ubiquitous Computing. Het is het gebied van de posthuman, de mensmachinehybride.
De ontwikkeling van de mens naar een posthumane levensvorm is reeds verwoord door Donna Haraway in haar beroemde A Manifesto for Cyborgs (1991). Haraway’s idee was om een nieuwe entiteit te visualiseren, die een combinatie van mens en machine is, een cybernetisch organisme of kortweg, de cyborg. Haar hoofddoel met dit concept was om te ontsnappen aan de dichotomie van man/vrouw. Haraway ging met haar idee dus een politieke discussie aan. Het is echter zo dat discussies omtrent de posthuman vaak wegblijven van politiek. In populaire interpretaties is de posthuman vaak meer een flirt met allerlei sciencefictionachtige thema’s, een soort toekomstfetisjisme dus. De posthuman wordt sterk vertegenwoordigd in de toekomstindustrie. Als we de hype moeten geloven, leven we als traditionele mens in een schemerzone. De toekomst is een ontwikkeling voorbij de mens in zijn huidige vorm. We staan op het punt iets nieuws te worden. In de technologieën die deze transformatie mogelijk maken (vooral biotechnologie, robotica, Artificial Intelligence/Life en nanotechnologie, Ubiquitous Computing) wordt door het bedrijfsleven nu al flink geïnvesteerd, omdat er in deze nieuwe sectoren veel geld te verdienen valt. Posthuman empowerment is de nieuwe mode.
Posthumanisme is min of meer gearticuleerd in nieuwe quasi-filosofische disciplines, namelijk het Transhumanisme en het Posthumanisme. Volgens Jos de Mul betekent Trans- of Posthumanisme een filosofie van overstijging van de zelf op sociaal fysiek en mentaal gebied door middel van rede, wetenschap en techniek. Deze stromingen zijn in principe een radicalisering van het utopische denken over de beloftes van nieuwe technologie. Het transhumanistische programma is in dit opzicht een extreme vorm van humanisme, maar tegelijkertijd ook het einde ervan (De Mul, 2002: 333). De Mul stelt dat transhumanisten net als de humanisten, de utopische gedachte van een menselijke transcendentie verwerpen. Echter deze afwijzing wordt vervangen met een andere utopie, namelijk die van ongebreidelde zelfontplooiing. Hierbij bedoel ik niet dat de ontwikkeling van de mens naar een verbeterde vorm een fictie is, maar dat deze ontwikkeling vaak geïdealiseerd naar voren komt in de representatie/interpretatie ervan door het losgeslagen kapitalisme, met als uitvloeisel de toekomstindustrie, dat de technologieën aandrijft die de posthuman mogelijk maken. Een commerciële promotie van posthumaniteit maakt van het idee van een collectieve bewustzijn van de cybernetische levensvorm uit Star Trek, het Borg-collective, geen bizarre fictie meer. Zoals de Borg-singulariteit een radicale onmenselijkheid toont door al het leven in het universum te willen verbeteren door het, of het wil of niet, te assimileren in één technologische matrix met willoze individuen, lijkt ook de uitkomst van de op dit moment in gang zijnde constructie van de non-fictieve posthuman verdacht veel op een slaafse, consumerende mensmachinehybride. Het is nodig om vanuit een verantwoordelijke, filosofische analyse het posthumane te analyseren. Dit is een thema dat in deze scriptie aan de orde zal komen.
1.4 Neomaterialisme
De term Ubiquitous Computing zal ik op een creatieve wijze proberen te gebruiken. De term heeft op dit moment vooral een zakelijke betekenis. Het duidt op een technologisch en economisch paradigma. Ik wil echter aansluiting zoeken tot een meer filosofisch paradigma. Als de fysieke ruimte om ons heen of, simpelweg, materie zelf verzadigd raakt met informatieverwerkende technologie, dan dringt zich de vraag op wat het betekent om in een dergelijke realiteit te bestaan. Dit is een ontologisch vraagstuk. De sociale of politieke situaties die ik in dit onderzoek beschrijf wil ik analyseren in een ontologisch kader, omdat ik van mening ben dat echte verandering pas mogelijk is als de aard van het bestaan of het zijn beter begrepen wordt. Het is mijn uitgangspunt in dit onderzoek dat verandering begint bij het denken.
William Mitchell schrijft dat het verschil tussen de elementaire eenheden van informatie (bits) en de elementaire eenheden van materie (atomen) arbitrair is geworden. Ook Howard Rheingold diagnosticeert in zijn boek Smart Mobs deze tendensen, als hij schrijft over ‘the marriage of bits and atoms’ en ‘clicking on reality’. Deze stelling vormt voor mij een startpunt voor een wat meer filosofische benadering van de sociale en politieke implicaties van Ubiquitous Computing. Het ligt in de context van de huidige opkomst van een nieuw materialisme. Fysieke ruimtes beginnen eigenschappen te vertonen van de structuren van virtuele ruimtes. Het verschil tussen virtualiteit en materialiteit zou in de toekomst een arbitraire notie kunnen worden.
Veel van de bestaande theorie over het overigens vooralsnog zeer vage paradigma van Ubiquitous Computing lijkt treffend geanalyseerd te kunnen worden aan de hand van een op het eerste gezicht vernieuwende, filosofische stroming die ik in dit onderzoek de verzamelnaam neomaterialisme zal geven. Neomaterialisme lijkt één van de belangrijkste thema’s te worden in populaire wetenschap en filosofie. Veel populair-wetenschappelijke publicaties handelen over emergence: het op spontane manier ontstaan van orde uit de chaotische interactie van verschillende actoren.[ii] De fascinatie voor de dynamiek van zelforganisatie is, zoals ik zal aantonen geen subculturele aangelegenheid meer, maar is volledig geïncorporeerd door de mainstream. Ook populaire analisten van de nieuwe generatie nieuwe mediatechnologie lijken onbewust en soms bewust een manier van spreken en schrijven aan te nemen die veel termen bevat die passen in een neomaterialistische manier van denken. Essentiële concepten in het conceptualiseren van nieuwe sociale structuren in genetwerkte ruimtes zijn ‘zelforganisatie’, ‘decentralisatie’ en ‘zwermen’, termen die ook in het jargon van nieuwe nieuwe mediatheorie vaak gebruikt worden. Rheingold gebruikt in Smart Mobs metaforen als ‘flocking’ en ‘swarming’, wanneer hij schrijft over de dynamiek van zijn Smart Mobs. Steven Johnson, ook aangehaald door Howard Rheingold, schrijft in zijn Emergence (2002) over verschillende vormen van zelforganisatie. Johnson noemt het: ‘movement from low-level rules to higher level sophistication’, oftewel, het ontstaan van complexiteit uit simpliciteit (Johnson, 2003: 18).
Ook is er in filosofie en sociaal-culturele theorie een groeiende interesse in de wetenschappelijke inzichten van dynamische materiele processen in de fysieke realiteit. Ik wil voorzichtig proberen mee te gaan in deze trend om een antwoord te vinden op mijn hoofdvraag. Het is nodig om uit te zoeken in hoeverre een neomaterialistische ontologie kan fungeren als theorie voor een emancipatoire politiek (collectieve zelforganisatie) die aangedreven wordt door een nieuwe generatie van informatieverwerkende technologie die steeds mobieler wordt en op steeds grotere schaal in de fysieke ruimte geïntegreerd wordt. Dit is de belangrijkste theoretische kwestie in mijn onderzoek. Een neomaterialistische ontologie, die ik in dit onderzoek hanteer, heeft twee kanten:
Zelforganiserende processen in de stroom van materie en energie. Dit is het gebied van complexiteitstheorie. De extensie van deze theorieën naar sociale, politieke en economische domeinen is een belangrijk probleem dat in deze scriptie aan bod zal komen. Het zal hierbij vooral gaan om zelforganiserende collectieven, waarbij transcendente organiserende factoren, zoals subjecten, kapitaal of leiders geen rol meer spelen. Dit is het denkproject dat in het teken staat van de uitbanning van het hylomorfistische schema: de doctrine dat orde in materiele systemen voortkomt uit een van te voren aanwezig, opgelegd model.
Het menselijke ‘zijn’ dat constant fluctueert, een toestand die veroorzaakt wordt door technologische ontwikkelingen, die het begrip van een menselijke natuur of autonoom, zelfdenkend subject tot een zeer vluchtig of zelfs irrelevant concept maken. De posthuman is in dit kader de ontologische uitkomst.
Het is belangrijk om hierbij niet te vergeten dat deze twee eigenschappen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Ik zal in het onderstaande proberen duidelijk te maken dat de studie naar zelforganisatie en het posthumane met elkaar verbonden ontwikkelingen zijn.:
Ik wil Ubiquitous Computing analyseren als een paradigma dat filosofische kanten heeft. Ik beschouw Ubiquitous Computing als een term die steeds meer er van toepassing is op de netwerkmaatschappij in zijn geheel. Als we over nieuwe media praten, praten we in principe steeds meer over een alomtegenwoordige computerisering. Het is een globaal proces, dat niet opgevat moet worden als simpelweg de opvulling van de wereld met nieuwe media en communicatienetwerken, maar als een aan de gang zijnde, radicale verzadiging van de fysieke realiteit met informatieverwerking. Ubiquitous Computing is een vorm van globalisering, waarbij de nadruk ligt niet alleen ligt op de globe, maar op de fysieke wereld in zijn totaliteit. Het is een concept dat expliciet een ontologische dimensie in zich draagt. Alomtegenwoordigheid van computatie in een situatie bepaalt het ‘zijn’ in die situatie. Ubiquitous Computing is een uitvloeisel van neomaterialisme. Ubiquitous Computing is neomaterialistisch engineering. Ubiquitous Computing incorporeert dus de dynamiek van zelforganisatie en is een verzameling technologieën die de posthuman aandrijven. Mijn centrale hypothese is dat het neomaterialisme een interessant paradigma is dat veel inzicht biedt, maar dat het als politieke theorie faalt, gezien de ontwikkeling dat dominante machtsvormen volgens dezelfde dynamische, neomaterialistische processen opereren. De technologische, hegemonische uiting van dit proces geef ik de benaming Ubiquitous Computing. Hierbij maak ik opzettelijk misbruik van de term.
1.5 Belang
Het is nodig om duidelijk te maken dat het politieke belang van mijn onderzoek niet de enige motivatie is. Er is ook een even belangrijk academisch, theoretisch belang. De bestudering van de praktijken van mobiele communicatietechnologie is een erg jonge tak van de theorie over nieuwe media en digitale cultuur. Er dient nog veel werk gedaan te worden op dit gebied, vooral als het gaat om verantwoordelijke analyses zonder commerciële bijbedoelingen.
Ubiquitous Computing als technologisch paradigma is geen eenduidig concept. Het heeft vele facetten. Recente technologische ontwikkelingen zoals WiFi, Bibliografietooth, RFID, biometrie, Artificial Intelligence, Embedded Intelligence, Ambient Intelligence, Augmented Reality, alles met het prefix Smart- en andere vormen van draadloze, intelligente, responsieve infrastructuur maken Ubiquitous Computing een actuele aangelegenheid. Ik wil mij in dit onderzoek echter vooral richten op het openstellen van de toekomst, maar voordat ik daarmee begin is het eerst nodig om de verschillende huidige vormen van Ubiquitous Computing te analyseren. Het is hierbij mijn bedoeling het populaire begrip van Ubiquitous Computing te bekritiseren en breder te maken. Het zal blijken dat de twee eigenschappen van neomaterialisme die ik net aangaf, zelforganisatie en de posthuman, vaak onderhuids aanwezig zijn in populaire interpretaties van Ubiquitous Computing.
Veel van het denken over een draadloze toekomst staat in dienst van de toekomstindustrie. Hippe sociale onderzoeken, zoals Smart Mobs, klinken in mijn oren vaak meer als lange reclameslogans. De eerder genoemde Rein De Wilde vindt dat het tijd is voor een kritische methode om de toekomst te benaderen (De Wilde, 2000: 127/128). Volgens deze kritische methode moeten we de veelbelovende toekomstvisie aan een kritiek onderwerpen en vervolgens het kaf van het koren scheiden, dat wil zeggen, bepalen wat een ‘juiste’ voorstelling van zaken is. Daarna is het nodig om de logische valkuilen van de toekomstvisie aan de orde te stellen. Tenslotte moet de toekomstvisie in een concrete context geplaatst worden. Met deze adviezen in het achterhoofd zal ik mijn onderzoek proberen te doen. Het technologisch finalisme van de toekomstindustrie (een term van De Wilde) is een soort logocentrisme: de fixatie van metafysische waarheid, waar Jacques Derrida zich tegen keerde door een onderliggende deconstructie te ontmaskeren als een proces dat altijd aanwezig is in de filosofie en in de literatuur. Het is mijn bedoeling om de teleologie van de toekomst te deconstrueren, ten einde de toekomst te open te stellen, zodat de toekomst opener gedacht kan worden.
1.6 Structuur
De structuur van deze scriptie is redelijk eenvoudig. Ik zal beginnen met een poging om de utopie van een draadloze toekomst volledig te ontmaskeren als een antiutopie. In het volgende gedeelte (hoofdstuk 2) zal ik daarom een aantal scenario’s analyseren, die ik beschouw als voor dit onderzoek relevante vormen van Ubiquitous Computing. Hierbij zal de nadruk liggen op de manieren waarop technologie invloed heeft of kan hebben op het gehele bestaan. Het zal blijken dat veel populaire discoursen ideeën over zelforganisatie en posthumaniteit gretig in zich opnemen, zij het op een onverantwoordelijke manier. Het is, zoals gezegd, mijn bedoeling om een verantwoordelijke analyse te doen. Ik zal daarom proberen een kritiek te geven op de tekortkomingen van het populaire denken over Ubiquitous Computing. Hier zal duidelijk worden dat een diepere, filosofische analyse noodzakelijk is voor het conceptualiseren van een effectieve vorm van politiek engagement die in een toekomst van alomtegenwoordige informatieverwerking zou kunnen bestaan.
Ten einde dit te bereiken, zal ik in hoofdstuk 3 Ubiquitous Computing plaatsen in het neomaterialistische denken, dat ik zojuist kort heb beschreven in twee kenmerken. Zoals aangeven wil ik deze theoretische stroming toetsen en bepalen in hoeverre het kan gelden als politieke theorie in een tijd van alomtegenwoordige informatieverwerking. Neomaterialisme ontleent veel van haar concepten aan de natuurwetenschappen, vooral aan complexiteitstheorie. Wat betreft het eerste kenmerk, zelforganisatie, zal ik ingaan op het werk van onder andere Manuel De Landa die de filosofie van Gilles Deleuze en Félix Guattari aan de hand van een studie naar zelforganiserende processen verwerkt heeft tot een vernieuwende materialistische bestudering van geschiedenis. Voor het tweede kenmerk, de opkomst van de posthuman, zal ik de materialistische affirmatie van het met technologie samensmeltende, vleselijke lichaam, zoals door onder andere N. Katherine Hayles geconceptualiseerd, proberen te gebruiken.
Het zal duidelijk worden dat neomaterialisme een uitstekend descriptief model vormt. Het denken over nieuwe media en digitale cultuur zou naar mijn mening veel van neomaterialistische theorie kunnen gebruiken. Het probleem is echter dat de theorie nog geen oplossing biedt voor de politieke problemen van deze en de toekomende tijd. Het zal blijken dat de belofte van elektro-nomadische zelforganisatie en de posthuman als politiek wapen tegen huidige vormen van (kapitalistische) macht niet opgaat.
De kern van de problemen, die ik constateer, liggen op het ethische vlak. Het is in een tijd van verzadiging van de wereld met netwerken niet meer duidelijk wat ons helpt en wat ons schaadt, wat goed is en wat slecht. In hoofdstuk 4 van de scriptie wil ik proberen een ethische exploratie te doen. Hierbij is het doel om aan de hand van hetgeen ik geanalyseerd heb een richtlijn te vinden die ons helpt in de onzekere ontwikkeling naar een schijnbaar toekomstloze toekomst. De politieke kwesties, die niet opgelost kunnen worden door de potentie van een radicale, zelfgeorganiseerde menigte in de ontwikkeling naar alomtegenwoordige informatieverwerking, vragen om een nieuwe ethische bezieling. Hierbij zal ik vooral ingaan op het werk van de Sloveense filosoof Slavoj Žižek en de Franse filosoof Alain Badiou. Het is mijn streven om een politiekgeëngageerde, ethische theorie voor te stellen, die bruikbaar is in een tijd van alomtegenwoordige informatieverwerking.
In hoofdstuk 5 zal ik tenslotte proberen om tot een samenvattende, evenwichtige conclusie te komen.
2.1 Inleiding
Ik zal hieronder proberen een beeld te geven van de voor mijn onderzoek belangrijkste vormen van Ubiquitous Computing en daarbij constant mijn verhaal in een breed kader plaatsen. Hetgeen nu volgt zal geen opsomming van specifieke termen zijn. Ik zal niet de verschillende technologieën systematisch de revue laten passeren. Ik hanteer hier, zoals gezegd, een relatief breed begrip van Ubiquitous Computing. Alhoewel het begrip Ubiquitous Computing op dit moment vooral begrepen wordt als de applicatie van een bepaalde verzameling technologieën, zie ik in het begrip zelf een belangrijke filosofische connotatie, waarbij het idee van ‘alomtegenwoordigheid’ belangrijk is. Ik zie het als een ontwikkeling van technologie, die niet zozeer begrepen moeten worden als de implementatie van een specifieke technologie, maar als een technologisch proces dat de neiging heeft alle facetten van het leven te behelzen. Deze aanname geeft aan waarom ik aan Ubiquitous Computing een ontologische interpretatie geef. Het is mijn bedoeling om duidelijk te maken dat het technologische, globaliserende regime dat ik Ubiquitous Computing noem (en dat Negri en Hardt Imperium noemen) op dit moment een tendens lijkt te zijn die zich uit in een totale consumptie van ruimte en tijd. Virtuele tijden en ruimtes, die verweven raken met de fysieke wereld hebben een implosief effect. Hierbij volg ik min of meer het gedachtegoed van de Franse theoreticus Paul Virilio die in zijn werk de technologische verdwijning van ruimte en tijd vaak behandelt.
Ruimte begrijp ik in dit kader als de fysieke ruimte om ons heen, die verzadigd raakt met genetwerkte infrastructuren en informatieverwerkende technologie. De manieren waarop dit gebeurt of gedacht wordt, kunnen verregaand zijn. Tijd zie ik als een goed dat steeds schaarser wordt, doordat nieuwe mediatechnologie een versnellende invloed hebben op de wereld. De tijd waarin we leven kan gekarakteriseerd worden door haar technologische versnelling en implosie. Laat ik beginnen met de ruimte.
2.2 Ruimte
Wat is Ubiquitous Computing? Ubiquitous Computing is vooralsnog een overkoepelende benaming voor een jonge industrie. De term is afkomstig van de reeds overleden Xerox PARC onderzoeker en door velen tot vader van Ubiquitous Computing omgedoopte Mark Weiser (1952–1999). Ubiquitous Computing wordt de derde golf van de computerisering genoemd. Na grote mainframes en daarna personal computers, breekt nu een derde paradigma aan.[iii] Ubiquitous Computing betekent in eerste instantie de integratie van computerisering of computatie in de omgeving op een manier die de aanwezigheid van computers transparanter of zelfs onzichtbaar maakt. Weiser beschouwde Ubiquitous Computing als min of meer het tegenovergestelde van virtual reality. Het is waar dat op dit moment de fysieke realiteit structurele eigenschappen begint te vertonen van virtuele omgevingen, zoals Howard Rheingold in Smart Mobs beweert. Ruimte krijgt een heel ander begrip door Ubiquitous Computing. In Smart Rooms is er sprake van een interactie tussen mensen en fysieke omgeving door middel van intelligente technologie, die aanwezige individuen kan detecteren. Sentience en location-awareness zijn de nieuwe sleutelwoorden voor de eigenschappen van deze technologie.
Paul Virilio heeft een geheel ander idee over verzadiging van de materiele omgeving met draadloze gadgets. Over een specifieke vorm van Ubiquitous Computing, ‘Domotics’ (de applicatie van computer- en robottechnologie in de huiselijke sfeer) schrijft Virilio: ‘The over-equipped able body of domotics, the one that experiences home automation, is the equivalent of the equipped invalid’ (Virilio, 1999: 66, geciteerd in Redhead, 2004: 42). Virilio trekt een ouderwetse, maar toch nog steeds relevante conclusie. Dingen als smart spaces maken het lichaam onbewegelijk. Het is de kunst van de afstandbediening, die een wonen en leven zonder beweging veroorzaakt. Volgens Virilio blijft deze conditie niet beperkt tot de huiselijke sfeer, maar is het ook daarbuiten van toepassing. In deze vreemde interpretatie is Ubiquitous Computing te begrijpen als een ontwikkeling die juist niet mobiliseert, maar verlamd. Virilio ziet een onbeweeglijkheid als resultaat van draadloze communicatietechnologie. De wereld beweegt zo snel, volgens Virilio, dat de mens niet meer hoeft te bewegen. ‘Intelligente’ ruimtes kunnen dus ook restrictieve ruimtes te zijn.
Rein De Wilde gaat in zijn boek De Voorspellers in op het idee van een toekomst als een maatschappij vol slimme technologie. Het is een van de meest populaire scenario’s van de toekomstindustrie (De Wilde, 2000: 128). De Wilde haalt een aantal keren de eerder genoemde cybergoeroe William Mitchell aan. Mitchell heeft trilogie geschreven over de genetwerkte stedelijke ruimte (City of Bits (1996), E-topia (2000), en het eerder genoemde Me++ (2003) ). De Wilde ziet het werk van Mitchell als een typisch voorbeeld van het blinde geloof in technologische vooruitgang. Volgens Mitchell is de toekomst een e-topia. De Wilde ziet echter een probleem: de interactieparadox. Met dingen die zich volledig naar onze wensen aanpassen is geen betekenisvolle interactie mogelijk: ‘…hoe ‘intelligenter’ de omgevingen waarin wij ons bevinden, hoe minder contact wij ermee zullen hebben en hoe onverschilliger wij er mee zullen omgaan. E-topia ontpopt zich, zoals zoveel heilsgedachten, als een antiutopie’ (ibid.: 142).
De toekomstvisie van de huiselijke of stedelijke ruimte, die gevuld is met slimme technologie en infrastructuur is dus verre van probleemloos. Manuel Castells, vermaard analist van de netwerkmaatschappij, vraagt zich in een recent werk af waarom steden in complexiteit toenemen, ‘ondanks het groeiende technologisch vermogen om of afstand met elkaar te werken en op elkaar te reageren’ (Castells, 2003: 241). Als reden geeft Castells ‘de ruimtelijke concentratie van banen, activiteiten die inkomsten genereren, diensten en menselijke ontwikkelingskansen in de steden, en in het bijzonder in de grootste grootstedelijke gebieden’ (ibid., 241). Castells schrijft dat getechnologiseerde vormen van werk toenemen, maar niet op de manier zoals futurologen hebben voorspeld (ibid., 246). Het futurologische idee van de werkplek die samensmelt met het huis blijkt niet uitgekomen te zijn. De werkplek bestaat nog steeds maar het werkmodel dat ontstaat is ‘niet de telewerker thuis, maar de nomadische arbeider en het ‘mobiele’ kantoor’ (ibid.: 249). Voor Negri en Hardt is deze nieuwe ‘mobility of disciplined labor power’ een voorwaarde voor de opkomst uiting van nomadische vrijheid (Negri & Hardt, 1999: 253). Vooralsnog lijken de mobiele vormen van werk echter niets anders dan een hyperefficiënte manier van werken. Het zal moeten blijken of de huidige mobilisering van arbeiders tot een politieke beweging zal leiden.
De verzadiging van de ruimte met genetwerkte infrastructuur vindt plaats in de nieuwe ruimtelijke vorm van deze tijd: de grootstedelijke regio, een conglomeraat van stedelijke gebieden (Castells, 2003: 244). Castells concludeert dat ruimte zich aan de ene kant spreidt (hypermobiliteit), maar aan de andere kant concentreert (grootstedelijke regio): ‘Er ontstaat een hybride ruimte, bestaande uit plaatsen en stromen: een ruimte van genetwerkte plaatsen’ (ibid.: 250).
Stephen Graham en Simon Marvin hebben in hun uitgebreide geografische studie van de netwerkmaatschappij, Splintering Urbanism (2001), deze globale vorm van urbanisering gekarakteriseerd als een technologisch proces. Ze praten over genetwerkte infrastructuren en technologische mobiliteiten. Graham en Marvin hebben geconstateerd dat dit ontwikkelingen zijn die hoofdzakelijk gebaseerd zijn op uitsluiting: ‘The construction of spaces of mobility and flow for some, however, always involves the construction of barriers for others’ (Graham & Marvin, 2001: 11). Graham en Marvin tonen aan dat over de hele wereld het aanleggen van infrastructuren steeds meer een industrie wordt voor de private sector. De regeling van zaken als water, energie en telecommunicatie (draadloos of niet) zijn ‘profit-driven markets’ geworden (ibid.: 13). De structuur van steden over de wereld raakt op deze manier gefragmenteerd in grote clusters van door kapitaal beschermde, kunstmatige landschappen. Graham en Marvin schrijven dat in steden bijvoorbeeld speciale snelwegen en skywalk systems ontstaan en ook het internet krijgt bypasses om de drukke knooppunten heen (ibid.: 256/257). Corporate enclaves vormen op deze manier een exclusief globaal netwerk. Steeds meer openbare stedelijke (en virtuele) ruimte wordt afgeschermd van de rest van de omgeving door private vormen van rechtshandhaving. Steeds meer werk en vrije tijd wordt mobieler, maar verwijdert zich tegelijkertijd van traditionele stedelijke ruimtes. Dit leidt bij de rijke bewoners van deze glokale netwerken tot een angst voor de buitenwereld, die daardoor steeds meer vermeden wordt: ‘Remaining streets emerge as the ‘fallen city’ of the poor pedestrian unable to enter the corporate enclave’ (ibid. : 259). Het idee van nomadische arbeidersbewegingen (zoals in de analyse van Negri en Hardt) wordt problematisch als de bewegingen van de arbeiders, die zich politiek willen emanciperen, alleen maar kan plaatsvinden buiten de ruimtes van de elite.
Het werk van de schrijver J. G. Ballard is in deze context interessant. Zijn roman Super-Cannes (2001) is een verhaal over een hypermoderne elitegemeenschap en de sociale pathologie die het leven in die gemeenschap veroorzaakt bij de bewoners. Super-Cannes gaat over de corporate enclave in een hightech-businesspark, genaamd Eden-Olympia: een ultrageavanceerde minisamenleving, waar het hypertechnologische gemak de mens dient. Het centrale verhaal in Super-Cannes is een moordmysterie, dat heeft plaatsgevonden in het business park. Het narratief komt echter op de tweede plaats. Ballards observaties beschrijven haarscherp het kille surrealisme en de supersteriele atmosfeer, die bij de bewoners van Eden-Olympia, ondanks de moderne communicatie-infrastructuur, een ziekelijke verveling en onthechting van de wereld veroorzaakt. Dit leidt tot ongebreidelde vrijetijdsbesteding en decadente taferelen die uiteindelijk uitbarsten in uitingen van geweld. Super-Cannes ontmaskert op treffende wijze de utopie van een maatschappij, die verzadigd is met technologie. E-topia is een antiutopie.
De paradox die bij nadere bestudering van de nieuwe netwerken aan het licht gebracht wordt, is dat deze netwerken overal ter wereld bestaan, maar tegelijkertijd een sociale ongelijkheid in zich dragen. Nomadische stedelingen worden kuddes met oogkleppen op weg naar veilige havens. Het publieke domein komt hierbij in gevaar. Dit is namelijk de plek die per definitie niet gebaseerd is op uitsluiting, maar op sociale gelijkheid. In hun zoektocht naar nieuw publiek domein, karakteriseren Maarten Hajer en Arnold Reijndorp deze versplintering van stedelijke gebieden als een archipelvorming die zich kenmerkt door een vermijdingsmobiliteit (Hajer en Reijndorp, 2001: 57). De stedelijke elitenetwerken worden een archipel van verschillende wereldjes, ‘die bepaald wordt door de principes van het themapark: thematisering en comprimering’ (ibid.: 60). Verschillende enclaves in de grootstedelijke regio’s kunnen op steeds effectievere manieren vermijden wat ze willen vermijden. Ieder selecteert op deze manier zijn of haar eigen stad. Hajer en Reijndorp maken hierbij de distinctie tussen plaats en niet-plaats, of non-place. De non-place, een term van de Franse antropoloog Marc Augé, verdient hier nadere toelichting: ‘If a place can be defined as relational, historical and concerned with identity, then a space which can not be defined as relational, historical, or concerned with identity will be a non-place’(Augé, 1995: 77). De non-place ‘designates two complementary but distinct realities: spaces formed in relation to certain ends (transport, transit, commerce, leisure), and the relations that individuals have with these spaces’ (ibid.: 94). Het zijn dus plekken, zoals winkelcentra, luchthavens, hotels, snelwegen, allemaal gevuld met reclame op tv- en computerschermen. Ubiquitous Computing (Augé heeft het in zijn boek echter zelden over nieuwe media) lijkt van elke plaats een non-place te maken. De publieke ruimtes in stedelijke plaatsen blijven ondanks digitale schermen, intelligente microprocessoren, computersensoren en andere gadgets, vluchtige plekken zonder relatie tot het mobiele individu. In non-places zijn mensen anonieme dwellers. Het zijn transitieplekken waarin mensen even niet lijken te bestaan.[iv] Augé concludeert dat de non-place het tegenovergestelde is van Utopia (ibid.: 111/112).[v] We stuiten hier weer op de paradox van de ruimtelijke situatie van deze tijd: genetwerkte ruimte isoleert juist door alles aan elkaar te verbinden.
De non-place lijkt de dominante ruimtelijke vorm te worden in de grootstedelijke regio. Hajer en Reijndorp willen afstand nemen van de negatieve connotatie van de non-place (Hajer en Reijndorp, 2001: 64). Ze willen in de nieuwe ruimtelijke ordening op zoek gaan naar nieuwe vormen van publiek domein. Volgens de principes van de ervaringsmarkt (experience economy), zijn Hajer en Reijndorp voorstanders van de consumptie van plaatsen en events. Vermijdingsmobiliteit krijgt een positieve draai. Door hun eigen stad te creëren, schrijven mensen hun eigen levensverhaal. Ze zijn bricoleurs. ‘Publiek domein is […] niet zozeer een plek als wel een ervaring‘ (ibid.: 116). De ervaring van ‘culturele mobiliteit’ wordt de overlapping van verschillende sociale werelden, aldus Hajer en Reijndorp. Mijn kritiek op deze strategie is dat deze vorm van culturele uitwisseling niet gebaseerd is op een sociale of politieke maar op een commerciële basis. De stad wordt een pretpark door middel van draadloze, mobiele communicatietechnologie. Met location-aware handheld devices als stadsgids en uitgaansagenda is de stad een avontuur, zonder enige vorm van politiek engagement. Vervallen delen van de urbane sfeer zullen nog steeds uit het zicht gehouden worden. Virilio schrijft terecht: ‘The art of remote control being the order of the conditioned reflex but never of any shared democratic 'wisdom'’ (Virilio: 1994, geciteerd in Druckrey: 2002).
2.2.1 Sferen
De dominante manier van leven in rijke westerse gebieden, zoals in Noord-Amerika, is het leven in de suburbs of voorsteden. Voorsteden beginnen steeds meer reservaten te worden voor de geprivilegieerde burgers, die willen leven in veilige omgevingen, vooral nu de wereld steeds onveiliger lijkt te worden. Een radicaal voorbeeld van dit soort exclusieve gemeenschappen is het door Disney gefinancierde en gebouwde stadje Celebration (Florida, Verenigde Staten). Celebration is een planned community, een New Town. Deze vorm van samenleving ontstaat niet, maar worden from scratch gebouwd. Volgens de richtlijnen van het Nieuwe Urbanisme krijgen deze afgeschermde kunststadjes een traditionele dorpsvorm met een centraal plein en eigen bestuur. Voorsteden krijgen letterlijk de vorm van themaparken.
Het probleem van deze neoconservatieve vormen van samenleving is dat ze een sociale ongelijkheid van het landschap in de hand werken. Deze ongelijke versplintering van genetwerkte infrastructuren in grootstedelijke gebieden is filosofisch te analyseren met een vorm van globalisering die de Duitse filosoof Peter Sloterdijk bestudeert aan de hand van zijn sferologie: ‘Sferen zijn ruimtescheppingen die als immuunsysteem werken, voor extatische wezens die het buiten op zich voelen inwerken‘ (Sloterdijk, 2003: 23). Volgens Sloterdijk is het zijn-in-sferen de fundamentele bestaanswijze van de mens. Het is ‘een toestand die van meet af aan door de niet-binnenwereld wordt aangetast en die zich onafgebroken moet verweren tegen, herstellen van en gesterkt worden door de provocaties van de buitenwereld [...] Enkel in binnenruimte vormende immuunstructuren kunnen mensen hun voortplantingspraktijken voortzetten en hun individualisaties bespoedigen’ (ibid.: 35).
Ongeveer vergelijkbaar met het idee van een globale versplintering of archipelvorming van het stedelijke, is er volgens Sloterdijk geen sprake meer van één wereldbol, maar van bellen en zelfs schuim: 'Het actuele aardomvattende netwerk - met al zijn uitstulpingen in het virtuele - betekent in structureel opzicht niet zozeer een globalisering als wel een verschuiming' (ibid.: 57). De wereld is polysferisch geworden zonder eenheid, centrum of orde. Elke mens is in dit opzicht een gevangene van zijn eigen sfeer. We moeten ons daarom niet alleen afvragen wat de mens is (bijvoorbeeld posthuman), maar vooral ook waar de mens is. Volgens Sloterdijk is de mens afhankelijk van zijn leefomgeving. Mensen maken hun omgeving op een manier die hun beschermd tegen kwade invloed van buitenaf: sferen worden dus immuunsferen. De aard van de eigen immuunsfeer bepaalt de positie in de verschuiming van de wereld. [vi] Tot nu toe is het Westen in haar eigen polysferische wereld in staat gebleken sterke immuunsferen te creëren, maar, zo schrijft Sloterdijk, sferen ‘worden voortdurend door hun eigen onvermijdelijke instabiliteit verontrust’ (ibid.: 37). Mensen in de rijke glokale elitenetwerken zullen er altijd voor zorgen dat er een controle is in hun sfeer om het buiten af te weren, maar sferen dragen volgens Sloterdijk hun eigen vernietiging in zich. Het buiten dreigt namelijk constant binnen te dringen. In sferen die ontstaan door alomtegenwoordige netwerken is er altijd een buiten dat dreigt binnen te drinken. Dit is de outcast, de minderbedeelden aan de andere kant van de digitale kloof. Dit probleem zal later in deze scriptie uitgebreider aan bod komen (paragraaf 4.4).
De sociale en politieke kwesties die ontstaan in versplinterde grootstedelijke regio’s zijn echter niet de enige problemen. Er is een ander dringend probleem dat de aandacht verdient. De rijke, hypertechnologische oases die op het moment overal ter wereld ontspringen lijken niet meer rendabel te zijn. In de documentaire The End of Suburbia (2004) wordt de voorstedelijke manier van wonen en leven sterk bekritiseerd, omdat het een dermate grote hoeveelheid energie vereist, dat het in de nabije toekomst niet meer haalbaar is om dezelfde levensstandaard te handhaven.[vii] De (voor)steden zijn compleet afhankelijkheid van olieproductie. De oliereserves raken echter steeds meer uitgeput. De vraag naar olie stijgt, terwijl de productie binnenkort alleen maar kan afnemen. (Deze situatie heeft benaming peak-oil gekregen, omdat olieproductie een Bell-curve volgt die zijn top min of meer bereikt heeft.) De glokale netwerkinfrastructuur van de rijke westerse elite lijkt op geleende tijd voort te bestaan.
2.2.2 Nanocultuur
Niet alleen ruimtes in het groot, zoals de huiskamer, de stad of zelfs de globe, maar ook ruimtes in het klein zijn belangrijk in de analyse van Ubiquitous Computing. De technologieën, die Ubiquitous Computing mogelijk maken, zijn zoals ik heb aangegeven draadloze, mobiele communicatietechnologie. Maar er zijn ook andere technologieën die in dit verband genoemd moeten worden, zoals biotechnologie, Artificial Intelligence/Life en nanotechnologie. Het zijn posthumane technologieën. Deze zijn onlosmakelijk met het idee van ruimte verbonden. Het idee van een cyborg/nomade in een genetwerkte ruimte is in deze tijd het stereotype van de posthuman. Op theoretisch gebied (Smart Mobs, Me++) lijkt er steeds meer een ontwikkeling te zijn naar wat kortweg posthumane geografie genoemd zou kunnen worden. De meest radicale ontwikkeling op dit gebied, ziet men momenteel in nanotechnologie, omdat het een technologie is die op de meest letterlijke wijze het idee van ruimte kan veranderen.
Nanotechnologie (overigens nog steeds een grotendeels hypothetische aangelegenheid) is de term die gebruikt wordt voor technologische ontwikkeling op het microscopische nano-niveau: een miljoenste van een millimeter. De eerste keer dat dit idee geïntroduceerd werd, was in 1959 door de wetenschapper Richard Feynman in een beroemd geworden artikel, getiteld There is plenty of room at the bottom.[viii] Feynman meende dat het mogelijk zou zijn om machines te maken op het moleculaire of atomaire niveau van materie. Begin jaren negentig heeft Eric Drexler het concept van moleculaire nanotechnologie verder uitgewerkt in zijn boek Engines of Creation (1992). De meest interessante applicatie van nanotechnologie is het idee van zelfgeorganiseerde, zichzelf reproducerende zwermen robots op het nano-niveau (nanobots). Drexler introduceert in zijn boek het concept self-replication. Nanobots zouden zich net als natuurlijke, organische cellen kunnen dupliceren ten einde zich voort te planten. Een zwerm van deze assemblers zou met de aanwezigheid van ruwe grondstoffen snel en voor relatief lage kosten kunnen groeien tot gewenste grootte, waarna deze nanobots aan het werk zouden kunnen gaan om problemen op te lossen op het nano-niveau op een onvergelijkbaar efficiëntere manier dan interventie vanuit het macroscopische niveau. Ook zouden assemblers gebruiksvoorwerpen kunnen produceren op een manier die goedkoper is dan de huidige productieprocessen. Het productieproces zou namelijk zo klein worden (factories in a box) dat het in de huiselijke sfeer geplaatst zou kunnen worden. Deze vorm van produceren wordt desktop manufacturing genoemd, een idee dat treffend is weergegeven in het boek The Diamond Age (1995) van Neal Stephenson, dat een futuristische wereld beschrijft, waarin elk huishouden een ‘materiekraan’ heeft die de ruwe basisstoffen levert voor nanoproductie.
De wetenschappelijke interesse en industriële ontwikkeling die Richard Feyman met zijn idee heeft ontketent, lijkt te impliceren dat men geleidelijk bezig is om materie en ruimte in hun volledigheid te manipuleren. Technologie is op zoek naar elk onontgonnen gebied van de materiele realiteit. Computerisering beweegt zich, volgens de wet van Moore, die stelt dat de complexiteit van microprocessoren zich elke 18 maanden verdubbelt, naar het microscopische niveau of zelfs kwantumniveau. Het verschil tussen informatie en materie zou dan een arbitrair onderscheid worden. Ook William Mitchell is zich, zoals gezegd, bewust van deze toestanden. Als hij bits en atomen als gelijk heeft gesteld, schrijft hij over de mogelijke uitkomst van deze nieuwe ontwikkelingen: quantum-computing, ‘ in which every atom stores a bit, vast numbers of atomic-processing elements are harnessed to execute computations at unprecendeted speed, and the notoriously strange spatial and temporal logic of quantum mechanics […] takes over [...] And, maybe, the ultimate network will operate by the quantum-magical means of quantum entanglement and teleportation of quantum states from one site to another.’ (Mitchell, 2003: 14) Ubiquitous Computing moet dus begrepen worden als informatieverwerking zich letterlijk op alle niveaus van de materiele realiteit kan bevinden.
De veelbelovende mogelijkheden van nanotechnologie worden natuurlijk niet kritiekloos ontvangen. Paul Virilio is skeptisch over nanotechnologie: ‘It will reduce the properties of the living under the pretext of completing and assisting them’ (Virilio, 1999: 55, geciteerd in: Redhead, 2004: 39). Een samensmelting van nanotechnologie met het lichaam kan catastrofaal zijn. Volgens Chris Hables Gray kan nanotechnologie leiden tot een controle-instrument van wolken van nanomachines die alles kunnen detecteren (Gray, 2001: 64). Een andere angstvisie op nanotechnologie is het Grey Goo-scenario. Grey Goo is de donkere kant van nanotechnologie. Op hol geslagen, zelfreproducerende nanobots, in de hypothetische vorm van een grijze substantie, zouden al het leven op aarde en misschien zelfs daarbuiten zouden kunnen consumeren. Een fictief voorbeeld hiervan komt van de thrillerschrijver Micheal Crichton. Crichton heeft met zijn recente thriller Prey (2002) een amusant verhaal geschreven over op hol geslagen wolken nanomachines, die geprogrammeerd zijn met software, die het gedrag van de nanomachines modelleert volgens het jachtinstinct van roofdieren.
Een unieke, totale gebeurtenis of singulariteit, zoals het Grey Goo-scenario, is een veel voorkomend thema in de sciencefiction en het denken over de versnelling van technologische vooruitgang in het algemeen. Alhoewel Grey Goo een nachtmerriescenario is, zijn er ook theorieën over technologische singulariteiten die niet een dergelijk apocalyptisch einde betekenen.
2.2.3 Posthumane Singulariteit
Waarschijnlijk het bekendste idee over een technologische singulariteit is afkomstig van de wetenschapper Vernor Vinge. De Vingean Singularity houdt in dat technologische vooruitgang ertoe zal leiden dat er een punt komt in de tijd, waarna een periode aanbreekt, die onkenbaar is voor mensen in hun huidige vorm. In posthumane vorm zou de mensheid kunnen voortbestaan na dit punt, maar hoe een dergelijke wereld eruit ziet is volstrekt onvoorspelbaar. [ix]
Een ander, nog radicaler voorbeeld van technologische singulariteit is bedacht door de wiskundige Frank Tipler. Tipler denkt dat een hypothetisch kosmologisch scenario, dat hij het Omega Point noemt, in de verre toekomst van het universum zich zou kunnen ontvouwen. Op het Omega Point komt het universum ten einde in een Big Crunch (het tegenovergestelde van de Big Bang). De informatieverwerkende kracht van het universum zou dan echter exponentieel accelereren, zodat deze informatieverwerking sneller zou zijn dan het eindigende verloop van de tijd zelf. Dit zou betekenen dat het informatieverwerkende universum in principe oneindig door zou kunnen gaan, terwijl het universum zelf eindigt. Een uitgangspunt van deze tamelijk bizarre theorie is dat de vormen van intelligente beschaving(en) in het Universum lang genoeg kunnen bestaan om de informatieverwerkende kracht van het universum te exploiteren. [x]
Ray Kurzweil en Hans Moravec moeten in deze context ook genoemd worden. Beide beweren dat technologie de mens voorbij zichzelf zal laten ontwikkelen en dat we een onsterfelijke, posthumane toekomst tegemoet gaan, waarbij het universum door een golf posthumane intelligentie zal worden veroverd. We kunnen hierin meegaan, zij het in posthumane vorm. Kurzweil ziet een samensmelting van mens en machine, waarbij zelfbewuste entiteiten geen vaste fysieke aanwezigheid meer zijn (maar zwermen van nanobots). Moravec gelooft in het uploaden van de geest in de computer. De overeenkomst tussen beide visies is dat intelligentie en leven niets anders worden dan informatiepatronen.[xi]
Zoals uit deze radicale ideeën blijkt is Ubiquitous Computing te beschouwen als een verzameling discoursen en technologische praktijken die zich bezighouden met de ontwikkeling van de posthuman en het idee van ruimte. Het zijn visies van een toekomst waarin Homo Sapiens voorbijgestreefd wordt door de mensmachine. N. Katherine Hayles, wiens werk ik later in dit onderzoek uitgebreider zal behandelen, stelt dat de verandering van de mens naar een posthumane vorm een cultureel paradigma is dat zeer verregaande gebieden beslaat:
‘So pervasive is this refashioning that is amounts to a new world view –one still in process, highly contested and often speculative, yet with enough links between different sites to be edging toward a vision of what we might call the computational universe.’ (Hayles, 1999: 239)
Volgens dit idee is de essentiële functie van het universum informatieverwerking. De kosmos is een computer en wij, als informatie-exploiterende posthumans, zijn het computerprogramma. Hayles bekritiseerd het idee van een computational universe, omdat het een ideologie kan worden die kan leiden tot een hegemonie van informatie.
De theorieën die ik hierboven beschreven heb zijn zeer speculatief. Ik heb ze behandeld om het concept Ubiquitous Computing te radicaliseren ten einde een dieper begrip te bereiken. Zoals Rein De Wilde vind ik ook, dat de toekomstvisies onderworpen moeten worden aan kritiek. De transcendentie in de eindeloze virtualiteit van Moravec, de Singulariteit van Vinge of het Omega Point van Tipler zijn allemaal visies van het realiseren van een oneindigheid. Uiteindelijk is het doel van deze denkers het constitueren van een hemel op aarde. De implicatie lijkt te zijn dat de exponentieel versnellende ontwikkeling naar die singulariteiten totaal en onontkoombaar is, alsof het altijd al in de materiele opmaak van de wereld besloten heeft gelegen. Dit panpsychisme gaat ervan uit dat alles een bewustzijn heeft of kan hebben. Bewustzijn, of denken, zou de fundamentele eigenschap van het bestaan zijn. Matter is Mind.
Deze manier van denken brengt het risico met zich mee dat we het zicht zouden kunnen verliezen op het simpele feit dat niet iedereen kan (of wil) meegaan in de ontwikkeling. Er is in de huidige wereld een gigantische, steeds groter wordende kloof tussen mensen die toegang hebben tot nieuwe technologie en mensen die dat niet hebben, een tendens die ik reeds in het kader van de glokale netwerkinfrastructuur kort heb aangegeven. De ‘have-nots’ worden in populaire interpretaties van de posthuman, vaak onbewust, vergeten. Cyberspace zou de belofte in zich dragen om een globale democratie tot stand te brengen. Helaas, is echter gebleken, dat deze digital divide niet te dichten is. Het gevaar bestaat dat dit scenario van toepassing zal zijn op de ontwikkeling naar een posthumane, draadloze wereld. Communicatietechnologie, zoals mobiele telefonie, lijkt vooralsnog de potentie in zich te dragen om de digital divide te enigszins dichten, gezien het toenemende gebruik van een goedkope draadloze technologie in minder bedeelde gebieden van de wereld, maar vooralsnog is Ubiquitous Computing nog steeds een toekomstig project, waarvan de applicaties gebaseerd lijken te zijn op een sociale selectie.
2.2.4 Steve Mann
Hoewel ik de radicale, hegemonische vormen van Ubiquitous Computing op dit moment als een toekomstige realiteit zie, zijn de manieren waarop de huidige implementatie van mobiele communicatietechnologie zich manifesteert niet minder interessant of belangrijk. Een recent voorbeeld van Ubiquitous Computing is het project van Steve Mann. Steve Mann is een soort Renaissancemens. Hij is uitvinder, performance artiest, sociaalactivist, maar vooral cyborg. Mann heeft een systeem ontwikkelt dat hij Wearable Computing noemt, of simpelweg WearComp. Wearcomp is een informatieverwerkend systeem, dat aan het lichaam vast zit. Het filtert informatie, zoals commerciële beelden, uit de omgeving van de gebruiker, voordat het geprojecteerd wordt op het oog van de gebruiker. Het systeem heeft als doel om de dagelijkse handelingen van de gebruiker te verbeteren en aan te passen aan de voorkeuren van de gebruiker. ‘The Wearable Computer allows for new ways to be, not just do.’ (Mann, 2001: 31) Steve Mann’s project is ontologisch. Hij karakteriseert ‘constancy’ als een essentieel element van de WearComp-technologie. Constancy betekent dat het systeem altijd actief is. Er is te allen tijde interactie tussen user en interface. WearComp bepaalt in volledige zin het zijn van de gebruiker. De gebruiker ‘is’ door middel van het systeem.
De fluctuerende menselijke natuur is zijn Mann’s cyborg-bestaan een realiteit en zijn genetwerkte computerkleding maakt het mogelijk deel te nemen aan de zelforganiserende dynamiek in sociale situaties in intelligente ruimtes. Echter, Steve Mann heeft een duidelijke wereld voor zichzelf gecreëerd vanuit een politieke overtuiging. Zijn zelfgemaakte filter voor de wereld versterkt zijn politieke strijd voor de autonomie van het individu: ‘Wearcomp has the potential to free us from all manners of invasion – it can protect physically, but it can also protect mental space by guarding from invasive advertising and unwanted surveillance’ (ibid.: 16). Ik zie Steve Mann, de cyborg, als een uitzondering op de regel. Zijn project heeft niet de onwerkelijkheid van een toekomstig scenario, maar is een hele tastbare, politiekgeëngageerde manier om met Ubiquitous Computing om te gaan.
2.3 Tijd
De toekomst blijft echter het belangrijkste thema in dit onderzoek. Hier biedt het werk van moderne sciencefiction schrijvers bruikbare visies. Opvallend is dat de belangrijkste schrijvers van de internetgeneratie, de Cyberpunks, ook bij het aanbreken van een postinternet tijdperk in staat blijken te zijn de toestand van de wereld treffend te beschrijven.
William Gibson en Bruce Sterling zijn begonnen als auteurs van boeken, die gaan over antiutopische toekomsten waarin antihelden rebellerend tegen kwaadaardige corporaties vluchten in virtuele werelden. Beide auteurs hebben recentelijk fictie geschreven die gesitueerd is in het heden. De reden hiervoor lijkt mij te liggen in het feit dat het heden net zo vreemd is als of misschien zelfs nog vreemder dan de bizarre toekomsten die gevisualiseerd werden in cyberpunk-literatuur. De toekomst is niet meer op een redelijke manier te visualiseren, omdat het heden de toekomst heeft ingehaald. Dit brengt mij op het tweede deel van dit hoofdstuk. Ubiquitous Computing is te begrijpen als een versnelling van de tijd.
2.3.1 Back to the ‘future’
Bruce Sterlings laatste boek, The Zenith Angle (2004), is een spionageverhaal over een geniale computerexpert Derek Vanderveer, of kortweg Van, die voor de regering zijn hackingkunsten moet vertonen in de strijd tegen het (cyber)terrorisme. Van had een comfortabel leven, maar moet hals over kop zijn gezin verlaten na de aanval op het World Trade Center in New York in 2001. Hij moet het besturingsysteem van een defecte spionagesatelliet repareren. Hij komt echter langzaam achter een complot, dat hij in een eenmansoorlog zal moeten ontmaskeren en neutraliseren. Het uiteindelijke doel van Vans cyberoorlog is het onschadelijk maken van een superwapen.
Dit ogenschijnlijk traditionele en soms tamelijk saaie overkoepelende narratief gebruikt Sterling als een instrument om zijn denkbeelden over de staat van de huidige, hypertechnologische wereld te uiten. Het interessantste uit The Zenith Angle zijn Sterlings observaties over de netwerken die ons omringen. Met een zeer diep inzicht in de technische kanten van de huidige netwerkmaatschappij, geeft Sterling een beeld dat angstaanjagend is vanwege de actuele gevaren die het aan de orde stelt. De wereld die Sterling laat zien is zeer instabiel, explosief en op het randje van totale chaos. Als dit boek een reflectie is van de huidige staat van de wereld, dan lijkt er op dit moment een hevige strijd van netwerken (Infowar, Cybercombat, techno-terror) aan de gang te zijn.
Informatieoorlog is een belangrijk thema in het denken van Paul Virilio. Virilio, de high priest of speed, heeft snelheid tot basisthema in zijn denken gemaakt. Globaliserende informatietechnologie die volgens Virilio niet los gezien kan worden van de oorlogsmachine, leidt tot een versnelling en synchronisatie van alle tijden in de wereld. Een informatiebom, zoals Virilio het in navolging van Einstein noemt. Volgens Virilio dragen de technologieën van de 20ste en de 21ste eeuw de capaciteit in zich om zichzelf te vernietigen. Virilio gelooft in het totale ongeluk. Communicatietechnologie zorgt er namelijk voor dat een gebeurtenis of ongeluk overal tegelijk gebeurt. De impact van de aanslagen 11 september 2001 was voor Virilio dan ook van gigantische importantie. Het was het eerste globale ongeluk.
Virilio noemt zijn studie dromologie : ‘the diverse phenomena of acceleration in this era of the global village….the study and analysis of the impact of the increasing speed of transport and communications‘ (Virilio & Parent, 1996: 13, geciteerd in: Redhead, 2004: 49). Het is niet alleen dat speed kills, maar snelheid is ook macht volgens Virilio. Snelheid is politieke aangelegenheid geworden. We moeten de cultuur van snelheden of dromocratie analyseren. Volgens Virilio betekent dit dat de technologieën van snelheid, vooral informatietechnologie ertoe leiden dat de wereld krimpt en alles zo snel laten gebeuren (instant) dat er een algeheel gevoel van claustrofobie ontstaat. We hoeven en kunnen in feite nergens meer heen, want door transport is alles dichtbij in tijd en ruimte.
The Zenith Angle van Sterling is een heel erg Viriliaans boek, vanwege de uitgebreide beschrijvingen van infowar en post-9/11 paranoia. De toon van Sterling’s proza is hip, ironisch, maar vooral gefrustreerd en paniekerig. De internetgeneratie zag ongeveer een decennium geleden een toekomst voor zich met onwaarschijnlijke mogelijkheden. Aan het begin van het nieuwe millennium is de netwerkmaatschappij echter een web vol gevaren geworden. Een landschap van gebeurtenissen waarop ongelukken plaatsvinden, zoals Virilio het stelt. Een recent boek van Virilio heeft de titel Crepuscular Dawn (2002). Deze term duidt op het heden als een schemerzone waarin het leven actief wordt of versnelt net voor een verandering (of ondergang), zoals vleermuizen en insecten net voor zonsondergang actief worden. De centrale paradox bij Virilio is dat in een versnellende wereld stoppen fataal kan zijn, maar versnellen is ook niet zaligmakend, gezien het feit dat we misschien bezig zijn te racen naar een catastrofe.
Mijn aanname die ik in de inleiding aangegeven heb, dat elke potentieel emancipatoire impuls bij zijn diagnose direct geneutraliseerd is, is ook een consequentie van Viriliaanse snelheid. Elke bevrijdende ontwikkeling raakt bij zijn oorsprong verstrikt in de flux van het moderne leven. Deze instantaneousness is wat mij bezighoudt in deze scriptie. Rein De Wilde praat zoals gezegd over het determinisme van de toekomstindustrie dat hij het technologisch finalisme noemt. De toekomst lijkt in hedendaagse, enthousiaste discoursen een gedwongen ontwikkeling te zijn die maar 1 kant op kan. Dit heeft als gevolg dat de toekomst stuk slaat op het heden. De gehypte toekomst valt altijd tegen en is vaak eerder een nachtmerrie dan een droom. William Gibson, de meest aangehaalde schrijver van het internettijdperk, is zich ook sterk bewust van deze toestand.
2.3.2 Pattern Recognition
William Gibson, schrijver van het vermaarde Neuromancer (1984), heeft opnieuw bewezen een waardevolle diagnosticus te zijn van technologische cultuur. Zijn recentste werk, Pattern Recognition (2003), geeft net als The Zenith Angle van Bruce Sterling een hyperactueel tijdsbeeld van een op de toekomstgerichte status-quo. Gibson’s boek biedt bruikbare inzichten voor een toestand die Gibson in een recente documentaire over zijn leven en werk benoemde als postgeografisch (No Maps for these Territories, Neale, 2000). We zijn volgens Gibson echter niet alleen voorbij het idee van ruimte, maar ook tijd is geen vanzelfsprekendheid meer. In Pattern Recognition noemt Gibson ons heden vluchtig. De tijd is aan het oplossen op het moment zelf. De wereld wordt instant.
Aan de ene kant duidt Gibson’s karakterisering van het heden als vluchtige ‘substantie’ op een fragiele toestand van de wereld, maar aan de andere kant is die vluchtigheid ook de belangrijkste manier van machtshandhaving van een losgeslagen vorm van kapitalisme en ongebreidelde marketing. De vluchtigheid van het huidige kapitalisme heeft een veelheid aan vormen, zoals bijvoorbeeld de experience economy. In een ervaringseconomie geven corporaties hun product de vorm van een memorable event of een ervaring. [xii] Wat is er immers vluchtiger dan een ervaring?
De ervaring van het moment is geld waard. Het ‘nu’ stijgt in waarde omdat het door de versnelling van de tijd en de overvloed aan gebeurtenissen schaarser wordt. Time is money. Ook de toekomstscenario’s van Ubiquitous Computing worden vaak gepresenteerd als ervaringen, als een brandworld. Promoties van de mogelijkheden van Ubiquitous Computing lijken op dit moment meer op Ubiquitous Advertising, zoals de gemiddelde reclame voor mobiele telefoons duidelijk maakt. Gibson waarschuwt in Pattern Recognition voor een gevaarlijke situatie, die hij beschrijft als ‘all experience having been reduced, by the spectral hand of marketing, to price-point variations on the same thing’ (Gibson, 2003: 341).
Pattern Recognition gaat over Cayce Pollard, een vrouw die hypergevoelig is voor merknamen. Cayce wordt fysiek ziek bij het zien van bepaalde logos. Zij is hierdoor in staat de effectieve patterns herkennen van een wereld waarin het logo alomtegenwoordig is. Dit maakt haar tot een heel bruikbaar instrument voor guerrillamarketing-bedrijven die constant op zoek zijn naar prikkels en nieuwe agressieve strategieën om een product, een service of een experience te verkopen. Cayce leeft in de wereld van coolhunters, trendwatchers en viral marketing. Viral Marketing is overal en transparant, bijna onzichtbaar. Als de marketingwereld er niet in slaagt de effectieve patronen van de markt te herkennen, dan zorgt het er zelf wel voor dat de patronen geïntroduceerd worden. Reclameboodschappen worden in sociale gelegenheden verspreid als een meme, een gedachtevirus. De manipulatie van het sociale leven om brand awareness te creëren is in volle gang.
Ingehuurd door een invloedrijk reclamebureau, reist Cayce de wereld rond op zoek naar de maker van een serie ondefinieerbare, maar zeer fascinerende internetfilms: the footage. Deze internetfilms hebben een gigantische cultaanhang gecreëerd. Dit soort brand loyalty is voor de opdrachtgever van Cayce natuurlijk erg interessant. Ook Cayce is een fan van the footage. Elke visuele vorm van reclame veroorzaakt een gevoel van ongemak in Cayce, of maakt haar zelfs ziek, maar the footage is het enige in de mediasfeer waarvoor ze een passie ontwikkelt. Aan het einde van het boek blijkt the footage een uiting van menselijke creativiteit die nog vluchtiger is dan de guerrillacommercie. Het blijft buiten bereik van marketing. Echter, zoals in Sterling’s The Zenith Angle, is de voortgang en afwikkeling van het verhaal in Pattern Recognition naar mijn mening niet bijster interessant. Het gaat mij om de treffende observaties van Gibson, die het boek tot een interessant verslag van deze tijd maken.
Cayce is een self-contained nomade en reist de wereld rond met haar mobiele telefoon en draadloos genetwerkte laptop. Vanwege haar allergie voor logo’s, verwijdert ze elk merklabel van haar tijdloze kleding. Cayce gaat door het leven in een verwarde, halfwakkere staat, veroorzaakt door haar allergie, constante jetlag en het algehele surrealisme van de non-places waarin ze zich bevindt. De subjectieve schemertoestand van Cayce heeft de eigenschappen van het soort subjectiviteit dat Paul Virilio in zijn werk gekarakteriseerd heeft. In Virilio’s ideeën over wat hij de esthetiek van de verdwijning noemt, gaat het om punten waarop het sociale leven in een versnellende, hypergemedieerde cultuur stopt te bewegen en te denken. Dit is voor Virilio de belangrijkste conditie voor subjecten in een dromocratische samenleving. Virilio geeft voor deze overigens niet als psychische aandoening te begrijpen conditie de term picnolepsie: het naderen van een onbewuste staat of minidood. Het subject ‘verdwijnt’ kort uit de orde van snelheden en ontsnapt voor even buiten de tijd (Virilio, 1997: 39-40, geciteerd in: Redhead, 2004: 16). Dit is de conditie van Cayce Pollard in Pattern Recognition. Cayce heeft een paradoxale, maar exemplarische positie. Ze leeft op een typische westerse wijze: Cayce begeeft zich in allerlei sociale situaties voor haar werk, op straat, of op internet, maar ze blijft een nomadische eenling. Ze is eenzaam ondanks of eigenlijk door al haar contacten en communicatiemogelijkheden. Cayce’s allergie voor reclamelogo’s in een door reclame verzadigde wereld en het niet verbonden zijn ondanks haar vele connecties is uiteindelijk haar redding. Pattern Recognition lijkt te impliceren dat een bepaalde autonomie in een wereld, waar alles in beweging is, inclusief de menselijke natuur, aan te raden is om een bepaalde ‘menselijkheid’ te behouden.
2.3.3 Dumb Mobs
Gibson toont een kritische houding ten opzichte van deze tijd. Zijn gedachtes zijn vergelijkbaar met het denken van Virilio. Communicatietechnologie en de hiermee samenhangende snelheden en versnellingen dragen volgens Virilio de kiem van het fascisme in zich. De oppositie die in dit onderzoek naar aanleiding van Virilio’s denken gemaakt kan worden is de nomadische menigte (bijv. smart mobs) versus de dromocratische consumentenmassa. Het zal blijken dat het concept van pattern recognition hierbij een belangrijke rol speelt. De vraag die beantwoord moet worden is deze: hoe kan een gedecentraliseerd, zelfgeorganiseerd collectief een effectieve beweging worden?
De kwestie kwam reeds aan de orde in het werk van Hakim Bey, politiek dichter en anarchistisch-ontoloog. Bey heeft de Temporary Autonomous Zone (TAZ) geconceptualiseerd. De TAZ is een strategische actie, waarbij er tijdelijk een ruimte (en tijd) wordt geclaimd die buiten de controle-instrumenten van de Staat ligt. Volgens Bey is de TAZ een nomadische oorlogsmachine, die aanvalt en weer verdwijnt:
‘The TAZ is like an uprising which does not engage directly with the State, a guerilla operation which liberates an area (of land, of time, of imagination) and then dissolves itself to re-form elsewhere/elsewhen, before the State can crush it.‘ (Bey, href)
Een TAZ is als het ware een smart mob, een antiglobalistische menigte, een zelforganiserend collectief in een ruimtelijk en/of temporeel regime. Het is een heel aanstekelijk idee en kan fungeren als effectief politiek wapen. Volgens Hakim Bey zouden we moeten opereren volgens het poëtisch terrorisme. Dit is een subversieve strategie, die mensen moet wakker schudden (bijvoorbeeld: ‘Weird dancing in all-night computer-banking lobbies. Unauthorized pyrotechnic displays […] Kidnap someone & make them happy’ (ibid.)). Het idee is in een vercommercialiseerde vorm naar voren is gekomen in het beroemd geworden boek (en vooral de verfilming van) Fight Club (boek uit 1997 (Palahniuk), film uit 1999 (Fincher)). In Fight Club richten clubjes van door de maatschappij gedomesticeerde mannen zich tegen het kapitalistische systeem door allerlei ludieke acties uit te halen (Operation Mayhem).
Echter, in de ontwikkeling naar alomtegenwoordige informatieverwerking en controle wordt een tactiek als de TAZ, of de smart mob problematisch. Ten eerste is er simpelweg geen redelijke tijd en ruimte voor. Ubiquitous Computing is de ontwikkeling naar een totale consumptie van ruimte en tijd. Ten tweede opereert de staat/het kapitalisme zelf volgens de ludieke tactieken van activistische collectieven. Viral marketing gaat precies te werk volgens de dynamiek van een TAZ. Het idee van een Coca Cola Flashmob, dat ik in de inleiding gaf, is een fictief voorbeeld. Er zijn helaas genoeg non-fictieve voorbeelden. In de fascinerende documentaire over nieuwe marketingstrategieën The Persuaders (2004) is een treffend voorbeeld te zien.[xiii] Twee mannen in een auto met een aggregaat en een grote projector worden gefilmd. Ze rijden door New York. De kijker krijgt de indruk dat ze bezig zijn om een geschikte plek te vinden voor het uitvoeren van een geheim, subversief plan. Als ze een plek gevonden hebben, springen ze uit de auto en maken ze hun apparatuur klaar. Vervolgens projecteren ze een boodschap op een groot gebouw. Het blijkt een reclame te zijn voor het sportkledingmerk Adidas. Reclame wordt op deze manier een soort urban warfare, waarbij het erom gaat zoveel mogelijk ruimte te vullen met een commerciële boodschappen. Publieke ruimte wordt een fluctuerend billboard. Marketing opereert volgens de guerrillastrategie van de TAZ. Het lijkt op activisme, omdat het vergelijkbare spelregels heeft.
De protesten tegen de bijeenkomst van de World Trade Organisation in Seattle in 1999 worden door velen gezien als een historische aanduiding voor een nieuw activisme: de opkomst van de zelfgeorganiseerde, antiglobalistische beweging of menigte. De door internet, mobiele telefoons en politiescanners met elkaar verbonden demonstranten waren een effectieve storing voor de WTO-conventie. In een zelfgeorganiseerd netwerk, zoals de anti-globalisten in Seattle in 1999, is het idee van politieke actie geen doel van het hele netwerk. Sterker nog, er is geen heel netwerk, omdat het gaat om de zelforganisatie van heterogene elementen die niet terug te voeren zijn tot een eenheid. De elementen van een netwerk, bijvoorbeeld anti-globalisten, bewegen zich niet volgens een bepaalde duidelijke wil, maar worden beïnvloedt door affecten. Affecten, voor het eerst door Spinoza en later door Gilles Deleuze geconceptualiseerd, zijn invloeden op